Verordening Bedrijveninvesteringszone gebruikers binnenstad Harderwijk 2026 - 2030

De raad van de gemeente Harderwijk;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 1 juli 2025;

 

gelet op de Wet op de bedrijveninvesteringszones;

 

gezien de tussen de gemeente Harderwijk en Stichting BIZ Binnenstad Ondernemers Harderwijk gesloten uitvoeringsovereenkomst;

 

besluit

 

vast te stellen de Verordening Bedrijveninvesteringszone gebruikers binnenstad Harderwijk 2026 - 2030.

 

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • -

    bedrijveninvesteringszone: het op de bij deze verordening behorende kaart aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven;

  • -

    BIZ: Bedrijveninvesteringszone;

  • -

    BIZ-subsidie: de op basis van deze verordening en de wet te verlenen subsidie voor de Bedrijveninvesteringszone;

  • -

    college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente;

  • -

    gemeente: de gemeente Harderwijk;

  • -

    perceptiekosten: kosten voor heffing en invordering van de BIZ-bijdragen door de gemeente;

  • -

    Stichting: de Stichting BIZ Binnenstad Ondernemers Harderwijk als bedoeld in artikel 7 van de wet;

  • -

    uitvoeringsovereenkomst: tussen de gemeente en de Stichting BIZ Binnenstad Ondernemers Harderwijk gesloten overeenkomst als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de wet;

  • -

    wet: Wet op de bedrijveninvesteringszones.

Hoofdstuk II Belastingbepalingen

Artikel 2 Belastbaar feit en aard van de belasting

  • 1.

    Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt jaarlijks een directe belasting geheven ter zake van binnen de BIZ gelegen onroerende zaken die op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen.

  • 2.

    De BIZ-bijdrage wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de BIZ of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de BIZ.

Artikel 3 Voorwerp van de belasting (belastingobject)

  • 1.

    Voorwerp van de belasting (belastingobject) is een onroerende zaak.

  • 2.

    Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 4 Belastingplicht

  • 1.

    De BIZ-bijdrage wordt geheven van:

    • de gebruiker zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht een in de BIZ gelegen onroerende zaak gebruikt.

  • 2.

    Voor de toepassing van dit artikel wordt:

    • a.

      gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven, degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de BIZ-bijdrage als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

    • b.

      het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de BIZ bijdrage als zodanig te verhalen op degene aan wie die onroerende zaak ter beschikking is gesteld.

Artikel 5 Maatstaf van heffing

  • 1.

    De heffingsmaatstaf van de BIZ-bijdrage is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde zoals deze geldt voor het kalenderjaar waarover de BIZ-bijdrage wordt geheven.

  • 2.

    Indien met betrekking tot de onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van de onroerende zaak bepaald met toepassing van hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 6 Vrijstellingen

  • 1.

    In afwijking van artikel 5 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in artikel 5 benoemde waarde, de waarde van:

    • a.

      voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;

    • b.

      glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;

    • c.

      onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

    • d.

      één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit NatuurschoonWet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;

    • e.

      natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;

    • f.

      openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;

    • g.

      waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

    • h.

      werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

    • i.

      werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;

    • j.

      straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;

    • k.

      plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning ;

    • l.

      begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

    • m.

      onroerende zaken voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor het geven van onderwijs;

    • n.

      onroerende zaken die worden beheerd door een vereniging of stichting die geen onderneming drijft, voor zover die objecten bestemd en in gebruik zijn voor het geven van onderwijs, voor club- en buurthuiswerk, voor de beoefening van sport of voor andere activiteiten van sociale aard;

    • o.

      onroerende zaken voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor de publieke dienst van de gemeente en voor de publieke dienst ter zake van brandweerzorg, rampenbeheersing, crisisbeheersing, geneeskundige hulpverlening in de regio en de handhaving van de openbare orde en veiligheid.

    • p.

      onroerende zaken voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor opslag / distributie, elektriciteitsvoorziening (trafo’s) en telecommunicatie(zendmasten).

  • 2.

    In afwijking in zoverre van artikel 5 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de BIZ-bijdrage van de gebruiker buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 7 Tarief BIZ-bijdrage

  • 1.

    Het tarief van de jaarlijkse BIZ-bijdrage voor de gebruikers bedraagt per belastingobject 0,1% van de heffingsmaatstaf als bedoeld in artikel 5, met een minimum van € 200,00 en een maximum van € 800,00 aan BIZ-bijdrage per belastingobject per jaar.

  • 2.

    Bij een heffingsmaatstaf van minder dan € 30.000,00 wordt er geen BIZ-bijdrage geheven.

Artikel 8 Wijze van heffing

De BIZ-bijdrage wordt jaarlijks bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9 Termijnen van betaling

  • 1.

    In overeenstemming met artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 2.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.

  • 3.

    Van de in artikel 2 genoemde belasting wordt geen kwijtschelding als bedoeld in artikel 26 van de invorderingswet 1990 verleend.

Artikel 10 Looptijd belastingheffing

De BIZ-bijdrage wordt ingesteld voor een periode van vijf jaar.

Hoofdstuk III Subsidiebepalingen

Artikel 11 Buiten toepassing algemene subsidieverordening

Op de subsidie op grond van deze verordening is de Algemene subsidieverordening Harderwijk 2020 of een daarvoor in de plaats komende verordening niet van toepassing.

Artikel 12 Aanwijzing Stichting

De Stichting BIZ Binnenstad Ondernemers Harderwijk wordt aangewezen als de Stichting bedoeld in artikel 7 van de wet, waarmee een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht is gesloten, waarin is bepaald dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt verplicht moeten worden verricht.

Artikel 13 Subsidieverlening

  • 1.

    De subsidie wordt jaarlijks door het college verleend aan de Stichting voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst. De subsidie wordt verleend op een daartoe gedane aanvraag, die vergezeld moet gaan van de in de uitvoeringsovereenkomst genoemde stukken.

  • 2.

    De hoogte van de subsidie wordt bepaald op de jaarlijks ontvangen BIZ-bijdragen verminderd met de perceptiekosten, vastgesteld op € 2.500 voor de heffing en invordering van de BIZ-bijdragen zoals opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst

Artikel 14 Subsidieverplichtingen

Naast de in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde verplichtingen kunnen aan de Stichting ook andere doelgebonden verplichtingen worden opgelegd. Deze verplichtingen zijn opgenomen in de met de Stichting BIZ Binnenstad Ondernemers Harderwijk gesloten uitvoeringsovereenkomst.

Artikel 15 Subsidievaststelling

  • 1.

    De Stichting is verplicht om voor 1 juli na afloop van het subsidiejaar verantwoording af te leggen middels de in de uitvoeringsovereenkomst opgenomen stukken aan het college te overleggen.

  • 2.

    De subsidie wordt door het college vastgesteld uiterlijk dertien weken na ontvangst van de in het voorgaande lid genoemde stukken.

  • 3.

    Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste 10 weken worden verdaagd.

Artikel 16 Informatieplicht relevante wijzigingen

  • 1.

    De Stichting informeert het college onverwijld schriftelijk over:

    • a.

      Beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon.

    • b.

      Relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden.

    • c.

      Ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet zal kunnen nakomen.

    • d.

      Wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders en het doel van de rechtspersoon.

  • 2.

    Wijzigingen van haar statuten, het activiteitenplan en de begroting zijn niet toegestaan zonder schriftelijke instemming van het college.

Hoofdstuk IV Slotbepalingen

Artikel 17 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag nadat het college heeft bekendgemaakt dat van voldoende steun als bedoeld in artikel 4 van de wet is gebleken.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

Artikel 18 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Bedrijveninvesteringszone gebruikers binnenstad Harderwijk 2026 – 2030.

Aldus besloten door de raad van de gemeente Harderwijk in zijn openbare vergadering van 16 oktober 2025.

De griffier

H.R. Lanning

De voorzitter

J. Joon

TOELICHTING OP DE VERORDENING BEDRIJVENINVESTERINGSZONE GEBRUIKERS BINENSTAD HARDERWIJK 2026 – 2030

A ALGEMEEN

 

  • 1

    Inleiding

    Een bedrijveninvesteringszone (hierna: BIZ) maakt het mogelijk dat ondernemers gezamenlijk investeren in een veilige en aantrekkelijke bedrijfsomgeving, waarbij alle ondernemers meebetalen. Het instrument dat hiervoor wordt ingezet, is een gebiedsgerichte bestemmingsheffing die door de gemeente op verzoek van ondernemers kan worden ingesteld. Zowel bij de ondernemers als bij de gemeente is in 2025 vastgesteld dat er voldoende draagvlak was voor een onderzoek naar de vestiging van een BIZ Gebruikers binnenstad Harderwijk en daarmee de kansen op de invoering van een BIZ.

  • 2

    Doel van de Wet op de bedrijveninvesteringszones

    Zowel ondernemers als gemeenten hebben belang bij investeringen in de bedrijfsomgeving. Voor het bedrijfsleven is de kwaliteit, aantrekkelijkheid, leefbaarheid en veiligheid van de bedrijfsomgeving een belangrijke factor voor de waarde in meest ruime zin. Voor de lokale overheid is een veilige en leefbare openbare ruimte eveneens van groot belang om bedrijven (werkgelegenheid) aan te trekken en de kwaliteit van specifieke gemeentelijke gebieden te bewaken. Ondernemers en medewerkers willen een veilige, leefbare en aantrekkelijke omgeving om in te werken. Het collectieve belang van de ondernemers valt op deze punten samen met het algemene belang van een kwalitatief hoogwaardige bedrijfsomgeving.

    Gezamenlijke investeringen liggen voor de hand omdat dit synergievoordelen oplevert en het effect van de investeringen groter wordt. De gemeenteraad heeft met de Wet op de bedrijveninvesteringszones (hierna: Wet BIZ) de bevoegdheid om, op verzoek van ondernemers, een gebied aan te wijzen (de bedrijveninvesteringszone (BIZ)) waarbinnen een bestemmingsbelasting (de BIZ-bijdrage) mag worden geheven ter financiering van, door een meerderheid van de bijdrageplichtigen, gewenste extra voorzieningen en activiteiten. Aan het toepassen van deze bevoegdheid gaat uiteraard een ondernemersinitiatief vooraf, dit kan niet los van elkaar worden gezien.

     

    De voorzieningen en activiteiten dienen zowel het gezamenlijk belang van de ondernemers als het algemeen belang. De BIZ kan echter niet worden ingezet voor de financiering van concrete verantwoordelijkheden die de wetgeving exclusief aan de gemeente opdraagt. De BIZ is alleen bedoeld om een hogere kwaliteit aan voorzieningen tot stand te brengen die de gemeente op grond van een optimale verdeling van de beschikbare middelen zelf niet kan en hoeft te realiseren.

    Bij de instelling van een BIZ zijn alle gebruikers van niet-woningen in de bedrijveninvesteringszone onderworpen aan de BIZ-bijdrage, vrijstellingen uitgezonderd. Naast ondernemers die commerciële activiteiten verrichten, kunnen dat ook maatschappelijke organisaties zonder winstoogmerk zijn, voor zover zij niet expliciet zijn uitgesloten op basis van de vrijstellingsregeling. Ondanks deze nuancering zal hierna kortweg steeds over ondernemers worden gesproken.

  • 3.

    Insteek Gebruikers Binnenstad Harderwijk

    Als uitgangspunt voor de verordening is de modelverordening van de VNG gehanteerd. Bij de keuze in de varianten die bij enkele artikelen mogelijk zijn, is zoveel mogelijk aangesloten bij de situatie zoals die voor de gebruikers binnenstad Harderwijk passend lijkt te zijn, naar het oordeel van de projectgroep van ondernemers en de projectleider.

    .

B ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

 

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

 

Artikel 1 Definities

Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de verordening voorkomende begrippen, is daarvan een omschrijving opgenomen in artikel 1. Bij de omschrijving van het begrip ‘bedrijveninvesteringszone’ is aangegeven dat het aangewezen gebied is vermeld op de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende kaart.

 

HOOFDSTUK II BELASTINGBEPALINGEN

 

Artikel 2 Belastbaar feit en aard van de belasting

Het eerste lid beschrijft het belastbaar feit. In de bepaling wordt benadrukt dat het een jaarlijkse heffing betreft gedurende de looptijd van de verordening. Dit is gedaan om te voorkomen dat de indruk ontstaat dat het om een eenmalige bijdrage zou gaan. Door de verwijzing naar artikel 220a Gemeentewet wordt aangegeven dat het begrip niet-woning conform de daar gegeven regels moet worden uitgelegd. De jurisprudentie die voor artikel 220a Gemeentewet is gewezen is daarmee ook van toepassing op de BIZ-bijdrage.

Het tweede lid is opgenomen om er geen twijfel over te laten bestaan, dat de heffing alleen bedoeld is ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan de wettelijk toegestane activiteiten. Dit zijn activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringzone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringzone. Inpandige activiteiten kunnen in beginsel niet met een BIZ-bijdrage worden gefinancierd, tenzij het gaat om activiteiten die gericht zijn op een publiek belang in de openbare ruimte.

 

Artikel 3 Belastingobject

Doordat artikel 220a Gemeentewet van overeenkomstige toepassing is, is de objectafbakening zoals die voor de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) en de OZB geldt, ook van toepassing voor de BIZ-bijdrage. Dit is tot uitdrukking gebracht in artikel 3.

Voor de leesbaarheid van de verordening is ervoor gekozen om hier niet te verwijzen naar artikel 220a Gemeentewet zoals de Wet BIZ doet, maar direct naar hoofdstuk III Wet WOZ.

 

Artikel 16 Wet WOZ merkt als belastingobject aan:

  • a.

    een gebouwd eigendom;

  • b.

    een ongebouwd eigendom;

  • c.

    een zelfstandig gedeelte van een gebouwd eigendom of ongebouwd eigendom;

  • d.

    een samenstel van een gebouwd eigendom, een ongebouwd eigendom of een zelfstandig gedeelte daarvan;

  • e.

    een als verblijfsrecreatie bestemd en geëxploiteerd geheel van twee of meer gebouwde eigendommen, ongebouwde eigendommen of zelfstandige gedeelten;

  • f.

    het binnen de gemeente gelegen deel van een gebouwd eigendom, een ongebouwd eigendom, een zelfstandig gedeelte, een samenstel of een als verblijfsrecreatie bestemd en geëxploiteerd geheel.

Artikel 4 Belastingplicht

 

Eerste lid

De Wet BIZ biedt de mogelijkheid om de BIZ-bijdrage te heffen van de gebruikers, de eigenaren of van beide categorieën. De keuze die de projectgroep BIZ Gebruikers binnenstad Harderwijk gemaakt heeft is om in deze BIZ periode alleen te willen heffen bij gebruikers van niet-woningen.

 

Tweede lid

Artikel 220b van de Gemeentewet geeft nadere invulling aan de begrippen

‘gebruik’ en ‘eigenaar’. Deze begrippen zijn conform de verordening OZB overeenkomstig van toepassing op de BIZ-heffingen.

 

Tweede lid, onderdeel a

Op grond van het tweede lid kunnen in bepaalde situaties belastingplichtigen aangewezen worden die niet feitelijk gebruik maken van een niet-woning.

Zo regelt artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de verordening dat gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, wordt aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven. Door deze bepaling is de verhuurder (al of niet tevens eigenaar) ook belastingplichtig voor de BIZ-bijdrage als hij niet zelf gebruiker (van een deel) van de niet-woning is. Dit betekent dat bij verzamelkantoorgebouwen met meer dan één gebruiker (die voor de Wet WOZ als één object kunnen gelden), de verhuurder in de heffing van de BIZ-bijdrage moet worden betrokken. De huurders zijn dan niet belastingplichtig. Voor alle duidelijkheid: de bepaling ziet alleen op situaties waarin (onzelfstandige) delen van de onroerende zaak worden gebruikt door afzonderlijke gebruikers, die niet gezamenlijk het geheel gebruiken. De verhuurder van een niet-woning kan niet als gebruiker worden aangemerkt als hij de niet- woning verhuurt aan bijvoorbeeld één onderneming of één persoon.

Verhuurt hij de verschillende (onzelfstandige) delen aan verschillende gebruikers, dan is hij wel belastingplichtig. Verhuurt hij echter de niet-woning als geheel aan meerdere gebruikers (bijvoorbeeld van één onderneming), dan is hij niet belastingplichtig. Hij staat dan immers niet een deel van de niet-woning in gebruik af. Degene die het gebruik afstaat, mag overigens de gebruikersbelasting wel verhalen op degene aan wie het gebruik van een deel wordt afgestaan.

 

Tweede lid, onderdeel b

Dit onderdeel bepaalt dat het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik wordt aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld. Dit ziet vooral op niet- woningen die voor korte perioden worden verhuurd. In beginsel is de eigenaar degene die de niet-woning ter beschikking stelt voor volgtijdig gebruik. Dit is alleen anders indien gebruik wordt gemaakt van een verhuurorganisatie en deze verhuurorganisatie grotendeels het financiële risico van meer- of minder opbrengsten uit de verhuur draagt. Alleen het uit handen geven van de bemiddeling (al dan niet tegen een beperkt percentage van de verhuurprijs) aan een verhuurorganisatie is niet voldoende om deze verhuurorganisatie als gebruiker aan te merken. Zie ook Hoge Raad 7 februari 2001, nr. 35865, ECLI:NL:HR:2001:AA9843 (Wierden) en Hoge Raad 22 november 2002, nr. 37361, ECLI:NL:HR:2002:AF0960 (Oostburg). Degene die de niet-woning ter beschikking stelt is bevoegd om de belasting te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.

 

Artikel 5 Maatstaf van heffing

Algemeen

Artikel 2 van de Wet BIZ benoemt de mogelijke heffingsmaatstaven en mogelijke tariefdifferentiaties voor de BIZ-bijdrage. De mogelijke heffingsmaatstaven zijn in dit artikel uitgewerkt; de tariefmogelijkheden komen in artikel 7 aan de orde.

 

Eerste lid

De Wet BIZ hanteert de vastgestelde WOZ-waarde als voor het betreffende kalenderjaar als heffingsmaatstaf.

 

Tweede lid

Het tweede lid is een zogenaamde 'vangnetbepaling'. Deze bepaling maakt het mogelijk om toch een aanslag BIZ-bijdrage op te leggen in het geval er voor het belastingobject geen WOZ-waarde is vastgesteld. De vangnetbepaling is niet van toepassing als de WOZ-beschikking wel is vastgesteld maar niet is bekendgemaakt. In dat geval geldt de gewone hoofdregel van het eerste lid van dit artikel (Hoge Raad 13 mei 2005, nr. 39569, ECLI:NL:HR:2005:AR6816). De waardebepaling geschiedt in het kader van de vangnetbepaling zoveel mogelijk op gelijke wijze als voor de andere onroerende zaken, waarvoor wel een WOZ-beschikking is vastgesteld. Voor de tekst van de vangnetbepaling is aangesloten bij de tekst van artikel 220d, vierde lid, van de Gemeentewet.

 

Artikel 6 Vrijstellingen

De gemaakte keuze voor de maatstaf van heffing zoals is vastgelegd in artikel 5 bepaalt ook de vormgeving en de keuze voor de vrijstellingen.

 

Algemeen

 

Bij de toepassing van de WOZ-waarden gelden de wettelijke vrijstellingen zoals vermeld in artikel 220d Gemeentewet. Ter voorkoming van misverstanden daarover zijn deze als uitzondering geformuleerde vrijstellingen overgenomen in de verordening. Dit geldt ook voor de facultatieve vrijstellingen die de modelverordening onroerendezaakbelastingen vermeldt. Gelet op de beoogde doelmatige uitvoering door zoveel mogelijk aan te sluiten bij de OZB, is het raadzaam ook de facultatieve vrijstellingen aan te laten sluiten op de geldende Verordening onroerende- zaakbelastingen van de gemeente.

Naast de vrijstellingen uit de onroerendezaakbelastingen, vermeldt artikel 6 nog enkele mogelijke vrijstellingen voor onroerende zaken die als niet- woning worden aangemerkt, maar die niet in gebruik zijn bij ondernemers. Tijdens de parlementaire behandeling zijn amendementen die niet- commerciële objecten standaard vrijstellen, verworpen omdat deze verplichte vrijstellingen te veel de autonome vrijheid van de gemeenteraad zouden aantasten. Dat laat onverlet dat dergelijke vrijstellingen op lokaal niveau wel worden ingevoerd. De gemeenteraad moet daarbij wel afwegen of een dergelijke vrijstelling wenselijk en uitvoerbaar is, en niet zal leiden tot schending van het gelijkheids- of evenredigheidsbeginsel.

Evenals de vrijstellingen voor de onroerendezaakbelastingen, is de vrijstelling hier vormgegeven als een uitzondering. Een object als zodanig wordt niet vrijgesteld maar de waarde van (een deel) van een object wordt buiten aanmerking gelaten. Dit maakt het mogelijk dat een onroerende zaak gedeeltelijk wordt belast en gedeeltelijk wordt vrijgesteld. De vrijstellingen zijn dus eigenlijk geen echte vrijstellingen maar vormen een onderdeel van de maatstaf van heffing. Immers, bij het bepalen van de maatstaf van heffing wordt (een gedeelte van) de waarde buiten aanmerking gelaten.

 

Eerste lid

Van de onderdelen die op grond van artikel 220d Gemeentewet verplicht zijn voorgeschreven en de facultatieve leden uit de Modelverordening zijn de van toepassing zijnde aspecten voor de BIZ gebruikers binnenstad Harderwijk overgenomen.

Achtergrond van beide bepalingen in de OZB is het voorkomen van het rondpompen van geld in de gemeentelijke administratie. Zonder deze vrijstellingen in de OZB zou de gemeente belasting aan zichzelf moeten betalen. Deze doelmatigheidsreden geldt niet bij de BIZ-bijdrage omdat de belastingopbrengst ten goed komt aan de activiteiten van de BIZ-organisatie. Dit laatste maakt dat een vrijstelling aan de hand van het gebruik voor de publieke dienst zal moeten worden getoetst (zie ook hierna bij de onderdelen e t/m g). Wie de eigenaar van het betreffende pand is, is daarbij niet van belang. Het kan voorkomen dat onroerende zaken in de bedrijveninvesteringzone niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt, maar in gebruik zijn bij een onderwijsinstelling, een maatschappelijke organisatie of een overheidsinstantie niet zijnde de gemeente. Deze organisatie zal niet altijd profijt hebben bij de BIZ- activiteiten. Als de aard van de organisatie en de activiteiten duidelijk onderscheidend zijn van de commerciële activiteiten in de bedrijveninvesteringzone, is een vrijstelling voor deze objecten denkbaar. Bijvoorbeeld omdat de BIZ-activiteiten in overwegende mate gericht zijn op de economische ontwikkeling. Hierbij geldt dat per vrijstelling moet worden beoordeeld of de aard van het belastingobject voldoende onderscheidend is ten opzichte van de belastingobjecten waarvan wel wordt geheven. Ook zal de gemeenteraad moeten afwegen of door het opnemen van de vrijstelling past binnen de grenzen van de algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

 

Tweede lid

Het tweede lid bevat de woondelenvrijstelling van artikel 220e Gemeentewet en beperkt zich tot de gebruikersbelasting. De vrijstelling is relevant voor bijvoorbeeld woon-winkelpanden waarbij de woning op grond van de afbakeningsregels niet als een afzonderlijk object is aan te merken.

 

Artikel 7 Tarief BIZ-bijdrage

Algemeen

 

Artikel 2 Wet BIZ benoemt de mogelijke heffingsmaatstaven en tariefdifferentiaties voor de BIZ. De tariefdifferentiaties zijn in dit artikel uitgewerkt; de heffingsmaatstaven zijn in artikel 5 aan de orde gekomen.

 

Eerste lid

Ingestoken is op de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf, met een minimum en maximum bedrag.

 

Tweede lid

Er is bewust gekozen voor een ondergrens v.w.b. de heffingsmaatstaf van € 30.000 WOZ-waarde. waardoor met name zogenaamde garageboxen/bergingen buiten de heffing zullen worden gehouden.

 

Artikel 8 Wijze van heffing

Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze. In de verordening is gekozen voor de heffing bij wege van aanslag.

 

Artikel 10 Looptijd belastingheffing

De Wet BIZ schrijft voor dat een BIZ-bijdrage voor ten hoogste vijf jaar kan worden geheven. Een kortere termijn is ook mogelijk. De gemaakte keuze is in dit artikel geregeld. Overigens kan de gemeenteraad, op verzoek van de bijdrageplichtigen, besluiten de verordening eerder in te trekken. Een dergelijk besluit moet bij afzonderlijke belastingverordening worden vastgesteld. Op grond van artikel 6 Wet BIZ kunnen ondernemers de gemeenteraad vragen om de BIZ-verordening in te trekken. Een dergelijk verzoek moet afkomstig zijn van minimaal 20% van de bijdrageplichtigen. Als de gemeente een voldoende ondersteund verzoek krijgt, organiseert het college van burgemeester en wethouders onder alle bekende bijdrageplichtigen een nieuwe draagvlakmeting.

Het verschil met een draagvlakmeting bij invoering of verlenging voor een nieuwe periode is dat bij een tussentijdse draagvlakmeting wordt gevraagd naar steun voor intrekking. Voor een geldige tussentijdse draagvlakmeting is vereist dat ten minste de helft van de bijdrageplichtigen deelneemt.

 

HOOFDSTUK III SUBSIDIEBEPALINGEN

 

Artikel 11 Algemene Subsidieverordening

Zoals veel gemeenten kent ook Harderwijk een algemene subsidieverordening (Algemene Subsidieverordening Harderwijk 2020) die de essentiële elementen bevat van het proces van subsidieverstrekking, zoals een omschrijving van de te subsidiëren activiteiten, de bevoegdheid voor het vaststellen van een subsidieplafond en de bijbehorende verdelingsmaatstaf. Daarnaast bevat de algemene subsidieverordening een grondslag voor de verplichtingen die het bestuursorgaan aan de subsidieverlening kan verbinden voor zover die grondslag niet al in de AWB is neergelegd. Aan de totstandkoming van de BIZ-verordening gaan stappen vooraf waardoor de te subsidiëren activiteiten bekend zijn en ook duidelijk is dat de BIZ-organisatie de belastingopbrengst (eventueel na aftrek van de perceptiekosten) zal ontvangen. Daarnaast is de BIZ-organisatie verplicht om die subsidie te besteden aan de overeengekomen activiteiten. Deze verplichtingen liggen vast in de BIZ-verordening (zie artikel 14 hierna). De totstandkoming en verstrekking van de BIZ-subsidie wijkt daarmee sterk af van de overige subsidies die de gemeente verstrekt. Vanwege deze afwijkingen is bepaald dat de Algemene Subsidieverordening Harderwijk 2020 niet van toepassing is.

 

Artikel 12 Aanwijzing Stichting

Dit artikel regelt welke stichting is aangewezen als de Stichting bedoeld in artikel 7 van de wet.

 

Artikel 13 Subsidieverlening

Rode draad bij de BIZ is het heffen van de BIZ-bijdrage om daarmee de afgesproken activiteiten te subsidiëren. Deze rode draad is vastgelegd in artikel 13 waar in het eerste lid is bepaald dat de subsidie wordt verstrekt voor de afgesproken activiteiten. Het tweede lid bepaalt dat de subsidie maximaal het bedrag is van de ontvangen BIZ-bijdragen (na aftrek van de perceptiekosten).

 

Artikel 14 Subsidieverplichtingen

Op grond van afdeling 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht kan het bestuursorgaan verplichtingen opleggen aan de subsidieontvanger. Deze verplichtingen zijn opgenomen in de met de Stichting gesloten uitvoeringsovereenkomst.

 

Artikel 15 Subsidievaststelling

Dit artikel omschrijft de verplichtingen en termijnen van de subsidievaststellingen.

 

Artikel 16 Informatieplicht relevante wijzigingen

Dit artikel omschrijft de verplichting voor de Stichting om het college onverwijld te informeren over relevante wijzigingen.

 

HOOFDSTUK IV SLOTBEPALINGEN

 

Artikel 17 Inwerkingtreding

Na volledige afweging van alle belangen door de gemeenteraad en vaststelling van de verordening vindt de draagvlakmeting plaats. Dit betekent dat de verordening pas in werking kan treden nadat de draagvlakmeting is gehouden en er gebleken is van voldoende draagvlak.

 

Artikel 18 Citeertitel

Dit artikel regelt de te naam stelling van de verordening.

Bijlage 1 behorende bij de Verordening Bedrijveninvesteringszone gebruikers binnenstad Harderwijk 2026 – 2030

 

Als aangewezen gebied, bedoeld in artikel 1 van de Verordening Bedrijveninvesteringszone gebruikers binnenstad Harderwijk 2026-2030 geldt het op onderstaande kaart gemarkeerde gedeelte.

 

Naar boven