Nota omgevingskwaliteit Frederiksoord-Wilhelminaoord Gemeente Westerveld

De gemeenteraad van Westerveld heeft deze Nota Omgevingskwaliteit voor het beschermd dorpsgezicht Frederiksoord–Wilhelminaoord vastgesteld. Met deze nota geeft de gemeente richting aan de ruimtelijke kwaliteit en het behoud van de unieke kernkwaliteiten van dit UNESCO Werelderfgoed. De nota vormt het toetsingskader voor bouw- en ontwikkelplannen en is een instrument om samen met inwoners, ontwerpers en initiatiefnemers de cultuurhistorische en landschappelijke waarden te behouden en te versterken.

Leeswijzer: Hoe werkt de nota omgevingskwaliteit Frederiksoord-Wilhelminaoord

Inleiding

Het beschermd dorpsgezicht Frederiksoord-Wilhelminaoord is een uniek gebied in de gemeente Westerveld.

De kernen en het gebied rondom Frederiksoord en Wilhelminaoord zijn op 6 november 2009 aangewezen als beschermd dorpsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1998. De Koloniën van Weldadigheid zijn in de zomer van 2021 uitgeroepen tot UNESCO Werelderfgoed. Vier Koloniën van Weldadigheid hebben de UNESCO status ontvangen. De voormalige landbouwkoloniën in Frederiksoord, Wilhelminaoord, Veenhuizen en het Belgische Wortel vormen samen één transnationaal UNESCO Werelderfgoed.

Met het in werking treden van de Omgevingswet is voor de aangewezen UNESCO Werelderfgoederen in Nederland ook het Besluit Kwaliteit Leefomgeving van kracht. In dit besluit worden de kernkwaliteiten van de UNESCO Werelderfgoederen nationaal geborgd. Deze kernkwaliteiten zijn door de provincie uitgewerkt in hun omgevingsverordening conform artikel 7.3 en 7.4 van dit besluit; de kernwaarden zijn in het ruimtelijk beleid van de gemeente inmiddels geborgd. Deze nota vormt een belangrijk instrument om te sturen op de beeldkwaliteit in dit gebied.

Dit document vormt een aanvulling op de nota omgevingskwaliteit (welstandsnota) voor dit specifieke gebied. Deze nota gaat specifieker op de verschillende kwaliteiten en deelgebieden van dit gebied in. Naast het optimaliseren van de sturingsmogelijkheden is het tevens stimulerend bedoeld. Door middel van referentiebeelden en principetekeningen wordt kwaliteit in het beschermd gezicht gestimuleerd. De nota formuleert de randvoorwaarden met betrekking tot de vormgeving van volumes, de kapvorm, positionering en de vormgeving en materialisering van ontwikkelingen.

In het omgevingsplan (o.b.v. het oude bestemmingsplan) staan regels waar een bepaald gebied juridisch aan moet voldoen. Er staat bijvoorbeeld welke functies op een bepaalde plek zijn toegestaan en aan welke bouwregels moet worden voldaan. Wat betreft het uiterlijk en samenhang van de bebouwing en de relatie tussen bebouwde en onbebouwde omgeving, zijn criteria opgesteld. Via deze criteria wordt er gestuurd op de ruimtelijke kwaliteit en de toekomstbestendigheid van dit gebied.

De beoordeling vindt normaliter plaats aan de hand van criteria uit de gemeentelijke nota omgevingskwaliteit. Deze beoordeling is gekoppeld aan bepaalde gebieden en hun kenmerken, voor deze gebieden gelden dan gebiedsgerichte criteria. Deze nota vult voor het gebied van het beschermd dorpsgezicht de gebiedsgerichte criteria van de nota omgevingskwaliteit aan en dient voor dit onderdeel als toetsingskader voor de beoordeling van bouwplannen door de gemeentelijke adviescommissie van de gemeente.

De nota geeft opdrachtgevers, ontwerpers en bouwers, vooraf informatie waaraan bouwplannen moeten voldoen. Daarnaast is het een inspiratiebron voor kwaliteit. In de eerste hoofdstukken worden de historische kenmerken en stedenbouwkundige structuren van het beschermd gezicht beschreven. De nota richt zich primair op het architectuurbeeld en erfinrichting voor dit gebied. Voor de overige aspecten (algemene criteria etc.) blijft de huidige nota omgevingskwaliteit van de gemeente Westerveld van toepassing.

 

 

Leeswijzer: Hoe werkt de nota omgevingskwaliteit Frederiksoord-Wilhelminaoord

Werkwijze

Door de gemeenteraad is een gemeentelijke adviescommissie benoemd. Deze heeft als taak alle aanvragen voor een omgevingsvergunning te beoordelen op ‘uiterlijk van bouwwerken’ (redelijke eisen van welstand) en of er geen monumentale waarden worden verstoord. Dit gebeurt zowel op zichzelf als in relatie tot de omgeving en de verwachte ontwikkelingen daarin. Initiatiefnemers kunnen met een eerste idee of een al verder uitgewerkt bouwplan langskomen bij het Breed Erfgoedoverleg. Daar maakt men een inschatting of de plannen binnen de uitgangspunten van deze nota passen. Plannen dienen uiteindelijk formeel getoetst te worden door de gemeentelijke adviescommissie. De praktijk leert dat een bezoek aan het Breed Erfgoedoverleg in het begin van het proces vaak sneller een goed eindresultaat oplevert.

 

Hoe werkt de nota omgevingskwaliteit

Het beleid voor welstand speelt in op verschillende situaties op diverse plekken. Het is verstandig om met verschillende type criteria te werken. Soms zijn criteria voor een specifiek gebied handig en soms is het beter om criteria voor het hele beschermd gezicht toe te passen. Hier volgt een uitleg per type criteria.

 

Verschillende type criteria

Het beleid gaat op hoofdlijnen uit van verschillende type criteria: gebiedsgerichte criteria, sneltoetscriteria en themagerichte criteria.

 

Gebiedsgericht: Bouwplannen hebben impact op hun omgeving en de aansluiting op de omgeving is voor deze plannen van groot belang. Per gebiedstype gelden daarom gebiedsgerichte criteria die uitgaan van de bestaande karakteristieken en kernkwaliteiten van het betreffende (deel) gebied.

 

Sneltoets: (alleen van toepassing in bufferzone m.u.v. karakteristieke panden/monumenten zie kaart pagina 5).

Een groot deel van de bouwaanvragen in dit gebied betreft veel voorkomende kleine bouwwerken, zoals dakkapellen, erfafscheidingen en aanbouwen. Deze criteria omschrijven heel concreet en objectief hoe bouwwerken er uit dienen te zien.

 

Themagericht

Deze criteria gaan over een specifiek thema die voor het hele gebied van het beschermd gezicht gelden zoals reclame.

 

 

Gebiedsgerichte criteria: Twee welstandsniveaus

Alhoewel de gemeente waarde hecht aan alle bebouwing is het niet nodig overal de hoogste eisen te stellen. Het algehele ambitieniveau in dit beschermd gezicht is hoog. In de bufferzones is er ruimte voor meer ontwikkeling. Afhankelijk van de ruimtelijke kwaliteit en de ouv’s van een gebied zijn de criteria meer of minder streng. Toetsing vindt plaats op alle niveaus op de aspecten situering, context, vormgeving, schaal- en maatverhoudingen, materiaal, textuur, kleur en detaillering, erfindeling en inpassing o.b.v. de cultuurhistorie. In de hoge niveaus zullen de criteria op detailniveau strenger zijn terwijl op het reguliere niveau meer op globale aspecten zoals situering, vorm en kleur zal worden getoetst.

 

Niveau Hoog

  • De koloniewoningen

  • Het buitengebied

  • De historische kernen en invalswegen

  • Karakteristieke bebouwing

  • Unesco attributes

Strenge criteria: kwaliteit behouden en waar mogelijk versterken en herstellen.

 

Niveau Regulier

  • Woonwijken

  • Grootschalige functies in het groen (scholen etc.)

  • Bedrijventerrein

Gemiddelde criteria: kwaliteit behouden en waar mogelijk versterken.

 

 

Kaart

 

 

 

Stappenplan Omgevingskwaliteit

 

  • 1.

    U gaat bouwen in het beschermd dorpsgezicht? De koloniegeschiedenis is van grote waarde voor de gemeente, begin met het lezen van de nota, de Omgevingsvisie Westerveld en het nominatiedossier: ontdek de ambities van de gemeente.

  •  

  • 2.

    Dit gebied is opgebouwd uit verschillende gebieden, elk met een eigen sfeer en karakter. Een nieuw plan moet daarbij passen. Onderzoek goed de kenmerken van de plek.

  •  

  • 3.

    Waar wilt u bouwen? De locatie zegt veel over het belang van de plek. Kijk op de gemeentelijke website of op het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), wat er nog meer voor beleid van toepassing is voor deze plek. Of vraag de informatie op bij de gemeente.

  •  

  • 4.

    Vergeet u niet naar buiten te gaan? Wat is er te zien en te horen rondom uw locatie en in het huidige straat- en bebouwingsbeeld? Maak foto’s en spreek met de mensen uit uw omgeving!

  •  

  • 5.

    Verdiep u in de plek. Historische kaarten zijn een bron van informatie en helpen u de plek beter te begrijpen. De website www.topotijdreis.nl is een goede site voor historische kaarten. Daarnaast is er de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart (onderdeel van de Omgevingsvisie).

  •  

  • 6.

    Schakel hulptroepen in en laat u adviseren door professionals. Een architect, stedenbouwer of landschapsontwerper kan u helpen en is bekend met het beleid en de processen van de gemeente. Kom langs bij het breed erfgoedoverleg waar u vanuit diverse invalshoeken kan worden geholpen.

  •  

  • 7.

    Durf te experimenteren en verras de gemeente met een nieuw en eigentijds ontwerp passend bij de bebouwingskarakteristieken van de omgeving en het landschapstype.

  •  

  • 8.

    Inspiratie nodig? In deze nota zitten verschillende voorbeelden en tips op het gebied van natuurinclusief bouwen.

  •  

  • 9.

    Alle stappen doorlopen? Maak via de afdeling vergunningverlening een afspraak voor het spreekuur omgevingskwaliteit (welstand) om uw plan te bespreken!

 

 

Gebiedsbeschrijving - beknopte historie

Huidig ruimtelijke karakter

De koloniën Frederiksoord en Wilhelminaoord hebben een vrij onregelmatige vorm. De reden hiervoor was dat de Maatschappij afhankelijk was van de grond die ze kon aankopen. De koloniën zijn grofweg in drie gebieden onder te verdelen. Het eerste gebied betreft de oude kolonie I, vanaf de M.E van de Meulenweg tot de Maj. Van Swietenlaan. Het tweede gebied is grofweg de oude kolonie II, die loopt vanaf de Maj. Van Swietenlaan tot ongeveer het huidige Wilhelminaoord. Het derde gebied loopt vanaf het huidige Wilhelminaoord tot de provinciegrens. Dit (chronologische) onderscheid komt onder meer tot uiting in het feit dat in alle drie de gebieden de hoofdweg anders is georiënteerd.

Ruimtelijke structuur

De koloniehuisjes zijn met de voorzijde naar de Koningin Wilhelminalaan gericht, de hoofdas. Daarnaast liggen de koloniehuisjes lang de lange assen en niet aan de assen die hier dwars op staan. In gebied 1 liggen de koloniehuisjes bovendien niet in een noord-zuidas of een noordwest-zuidoostas, zoals in gebied 2 en 3 het geval is, maar in een noordoost-zuidwestas, bijna haaks op de andere twee gebieden. De bebouwing is gelegen aan één of beide zijden van de weg, afhankelijk van de grootte van het achterliggende land. Het rechtlijnige van de assen wordt versterkt door de laanbeplanting van eiken of beuken. Tussen de bomen zijn doorzichten naar het geometrisch opgezette land erachter. De kavels in het koloniegebied Frederiksoord-Wilhelminaoord wijken in vorm en grootte sterk af van de omliggende kavels. In de huidige ruimtelijke opbouw is nog steeds veel bewaard gebleven van de oude koloniestructuur, die voortvloeit uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied. Het rechtlijnige wegenpatroon, versterkt door laanbeplanting van diverse boomsoorten, de assen met gelijkvormige kleinschalige bebouwing op regelmatige afstand en de kleine landbouwpercelen, bepalen nog steeds de landschappelijke karakteristiek van Frederiksoord-Wilhelminaoord. Ook wegen die wel zijn geasfalteerd en verbreed, bezitten nog steeds hun oude karakter door de laanbeplanting en het rechtlijnige karakter. Er zijn een aantal nieuwe wegen aangelegd (bijvoorbeeld Boergrup), waarbij de laanbeplanting en het rechtlijnige karakter zijn overgenomen en hierdoor aansluiten op het karakter van de koloniestructuur. Daarnaast is in de wegstructuur een goed herkenbare rangorde aanwezig, die slechts op enkele plaatsen door verkeerskundige ingrepen is verstoord. Hoofdwegen lopen door terwijl dwarsverbindingen soms ten opzichte van elkaar verspringen.

 

Door de aanwezigheid van verharde en onverharde (zand)wegen, als de Hooiweg en de Vredeslaan, wordt eveneens het onderscheid in hoofd- en secundaire wegen benadrukt. In de jonge woongebieden van Wilhelminaoord, die losstaan van de Maatschappij van Weldadigheid, loopt de oude wegstructuur gewoon door (M.A. van Naamen van Eemneslaan). Hierdoor zijn deze weinig karakteristieke gebieden in de hoofdstructuur van Frederiksoord-Wilhelminaoord ingebed. De Westerbeeksloot, grotendeels drooggevallen en dichtgegroeid, die door het hele gebied liep is nog steeds aanwezig. Ook de greppels en sloten tussen weg en land bestaan nog voor het grootste deel en bepalen samen met de laanbeplanting het profiel van de weg. De doorzichten vanaf de openbare weg naar het achterliggende open gebied zijn voor het grootste deel nog aanwezig. Op een aantal plekken zijn deze doorkijken verdwenen door nieuwbouw of de aanplant van bomen. Sommige gebieden waren voor de kolonie (bijvoorbeeld Sterrebosch) of tijdens de aanleg van de kolonie (bijvoorbeeld bebossing langs de Hooiweg) al verdicht. Op een aantal plekken wordt echter niet op de oude structuur aangesloten.

Het rechtlijnige karakter van een aantal wegen is gewijzigd door verkeerstechnische ingrepen. Daarnaast ontbreekt op een aantal plaatsen de laanbeplanting en zijn wegen verdwenen. Een goed voorbeeld hiervan is de weg, die parallel liep aan de Graaf van Limburg Stirumlaan en het oostelijke deel van de oude kolonie begrensde.

Bebouwing

In samenhang met het wegenpatroon is ook de bebouwingsstructuur belangrijk voor de karakteristieke ruimtelijke opbouw. De bebouwing bestaat uit open enkel- of dubbelzijdige bebouwingslinten langs de lange assen met koloniehuisjes op regelmatige afstand en bijzondere bebouwing op kruispunten. De hoeveelheid grond bij de kolonistenwoningen was afhankelijk van de fase waarin de hoeves waren gebouwd. Deze gronden lagen naast en achter de koloniehoeves, wat het gebied een regelmatig patroon gaf. Dit regelmatige patroon is in de loop van de tijd wel veranderd. In 1864 is men begonnen om de schaalvergroting door te voeren. De vrijboeren kregen meer grond en de rest van de kavels werd onderdeel van grote boerenbedrijven. In Frederiksoord werd hoeve Koning Willem III opgericht en in Wilhelminaoord de hoeve Prinses Marianne. Dit waren alleen schuren waar kolonisten onder leiding van de Maatschappij werkten. Deze hoeves zijn in de loop van de tijd aangepast aan de eisen van dat moment. Zo is er bij hoeve Prinses Marianne een woonhuis geplaatst. Bij hoeve Koning Willem III staat een oud koloniehuisje dat wordt bewoond. Van de koloniehuisjes zijn er veel verdwenen of verbouwd. Zo zijn de koloniehoeves langs de Hooiweg en Vaartweg bijna volledig verdwenen. Toch is er nog een aantal plekken als de Koningin Wilhelminalaan en aan de M.A. van Naamen van Eemneslaan, waar de koloniehuisjes de bebouwingsstructuur nog goed laten zien.

Daarnaast zijn er gebieden waar de oude bebouwingsstructuur is gewijzigd. Vooral in Wilhelminaoord en langs de koningin Wilhelminalaan en de Maj. Van Swietenlaan is veel nieuwe bebouwing en bedrijvigheid gekomen. Hierdoor is niet alleen de bebouwingsstructuur gewijzigd, maar worden ook de open doorzichten bij de laanbeplanting geblokkeerd. Deze doorkijken waren tijdens de kolonietijd echter ook deels verloren gegaan door de bosaanplanting op onvruchtbare kavels. De aanzet voor de kernvorming in Frederiksoord was al voor de aanleg van de koloniën aanwezig. Hier lagen de gebouwen Huis Westerbeek en de herberg. Later functioneerden deze respectievelijk als kantoor en hotel voor de Maatschappij.

Tijdens de ontwikkeling van de koloniën werden daarnaast verschillende voorzieningen en werkplaatsen op de kruispunten gevestigd, zoals de Van Swieten tuinbouwschool of de bakkerij. Deze bijzondere bebouwingselementen zijn grotendeels nog aanwezig en in de meeste gevallen aangewezen als rijksmonument.

 

Waardering

Het beschermd gezicht Frederiksoord-Wilhelminaoord is van buitengewoon belang vanwege de culturele en sociaaleconomische ontwikkelingen van het gebied als gevolg van de activiteiten van de Maatschappij van Weldadigheid. De achterliggende gedachte van de Maatschappij om werkgelegenheid te combineren met scholing en huisvesting in een kolonie, maakt dit gebied uniek. In Europees verband wordt dit zelfs gezien als één van de meest toonaangevende activiteiten voor de 19e-eeuwse armoedebestrijding in Europa. De Maatschappij introduceerde daarnaast ook de voorlopers van het ziekenfonds en de leerplicht. Het hoge voorzieningenniveau blijkt daarnaast uit de verschillende schoolgebouwen en de bejaardentehuizen, Rustoord I en Rustoord II, die nog steeds in het gebied te vinden zijn. Het gebied is tevens van belang Als onderdeel van de keten van Weldadigheidskoloniën, die in het begin van de 19e eeuw in het Drents-Friese grensgebied werden gesticht.

Historisch-ruimtelijke waarden

Het gebied is geografisch en landschappelijk van buitengewoon belang, omdat de inrichting ervan een grotendeels onverstoorde neerslag vormt van bovengenoemde activiteiten. Bijzonder aan dit gebied is het rechtlijnige wegen- en verkavelingspatroon met gelijkvormige koloniehoeven, die op een regelmatige afstand van elkaar staan. De rechtlijnige structuur wordt door de bomenlanen benadrukt. De ruimtelijke structuur werd beïnvloed door de grond die de Maatschappij in eigendom kon krijgen. De werkplaatsen en voorzieningen werden op kruispunten geconcentreerd. In 1864-1865 werd hier een andere structuur van een aantal grote boerderijen overheen gelegd. Sporen van de oude koloniestructuur zijn nog steeds aanwezig en door de aanwezigheid van opeenvolgende boerderijtypen is de historische gelaagdheid nog steeds goed van het gebied afleesbaar.

 

 

1. Kernkwaliteiten bestaande koloniewoningen

Bestaande koloniewoningen (niveau hoog)

De koloniewoningen kenmerken zich door hun kleinschaligheid. Zij werden opgetrokken uit baksteen en steken door hun witte kleurstelling met rieten daken af in het landschap. De kleine woonruimten werden al snel uitgebreid met een houten achterhuis dat als stal en schuur kon worden gebruikt. Bij latere koloniewoningen is dit hout door steen vervangen. Van de koloniewoningen zijn er veel verdwenen of verbouwd. Op een aantal plekken zijn de koloniewoningen echter nog aanwezig en laten de bebouwingsstructuur goed zien. Dit is onder meer het geval aan de Koningin Wilhelminalaan en aan de M.A. van Naamen van Eemneslaan. De overgebleven (onaangetaste) koloniewoningen zijn veelal aangemerkt als monument. Een kenmerk van de koloniewoningen is dat de onderlinge afstand tussen de woningen per gebied kan verschillen door de beschikbare kavels. Wat blijft is de regelmaat die het beeld van het gebied van de kolonie bepaalt.

Het woongedeelte is opgetrokken in een roodbruine baksteen in kruisverband. Het rietgedekte zadeldak heeft aan de achterzijde een dakschild en een kenmerkende gemetselde nokhoekschoorsteen met uitkragende rand in de topgevel.

De gevels van het woongedeelte worden geleed door staande schuifvensters voorzien van doorgaans een 6 of 12-ruits roedeverdeling. De vensters zijn voorzien van een rollaag. De topgevel is verder voorzien van vlechtingen en twee kleine zoldervensters. De gemetselde zijgevels van het woongedeelte zijn soms wit geschilderd op een grijs geschilderde plint. Bij sommige woningen is ook de voorzijde witgeschilderd. Het houten schuurgedeelte is in donker potdekselwerk op gemetselde voet opgetrokken.

 

 

 

 

 

 

 

1. Criteria koloniewoningen (bestaand) Niveau hoog

Algemeen

• Materialen en kleuren moeten voldoen aan het kleurenschema. Dit schema is te vinden in de bijlage bij deze nota op in Bijlage 1 op pagina 41.

Koloniewoning en aanbouw

  • De karakteristieke verticale gevelindeling dient behouden te blijven.

  • Er dient zorgvuldige, bij het gebouwtype behorende detaillering, toegepast te worden.

  • Historische houtafmetingen en profilering van kozijnen, ramen, deuren, goten en daklijsten dienen behouden te blijven of gereconstrueerd te worden.

  • Bestaande detailleringen in de gevels zoals vlechtwerk etc. dienen behouden te blijven.

  • Per dakvlak maximaal 2 dakvensters met een maximale afmeting van 80x100 cm (b x h) zijn toegestaan.

  • De gootlijn wordt niet doorbroken, m.u.v. de vrije doorloop van een deur/doorgang (opwipper) kan de daklijn eenmalig worden onderbroken middels een eenvoudige omlijsting, op basis van het trendsetter ontwerp in dit gebied.

  • Gevels in de oorspronkelijke baksteen handhaven. Aanhelingen in eenzelfde baksteen inclusief passend voegwerk, dat is afgestemd op het bestaande voegwerk.

  • De gevels, of gedeelten daarvan, die nu gestukadoord of geverfd zijn, mogen in kleur of uiterlijk niet gewijzigd worden, behalve voor historische correcte reconstructie.

  • Gevels van achterhuizen geheel of gedeeltelijk in brede houten delen, van minimaal 17 centimeter, uitgevoerd in potdekselwerk.

  • Dakbedekking in riet met gesmoorde keramische rietvorst of niet-geglazuurde of gesmoorde gebakken pannen.

  • Goot uitsluitend een aangehangen mast- of bakgoot van zink (of eventueel koper).

  • Kozijnen, ramen en deuren in hout.

  • Glas: blank, niet spiegelend.

Aangebouwd bijgebouw en tussenlid

  • Eenvoudig, sober (vlak en strak) detailleren, met de kenmerkende eenvoud van een schuur.

  • Geen historiserende detaillering, geen dakoverstekken.

  • Tussenlid ondergeschikt vormgeven tussen koloniewoning en aangebouwd bijgebouw. Uitvoeren geheel van glas of in hout (vlak) met een minimaal boeideel, of een combinatie van hout en glas.

  • Gevels in brede houten delen (werkend minimaal 17 cm) uitgevoerd in potdekselwerk. Deze dienen horizontaal te worden aangebracht. Een gevelplint in een donkergekleurd steenachtig materiaal maximaal 30 cm boven maaiveld.

  • Dakbedekking in niet-geglazuurde of gesmoorde gebakken pannen.

  • Goot uitsluitend een aangehangen mast- of bakgoot van zink (of eventueel koper).

  • Kozijnen van hout, als de gevels.

  • Ramen en deuren van hout.

  • De achterzijde mag overwegend in glas uitgevoerd worden.

  • Luiken zijn toegestaan, mits goed gemotiveerd, conform voorbeelduitwerking, zie bijlage 2.

Vrijstaand bijgebouw

  • Uitvoering conform het referentiebouwplan opgenomen in de toelichting van het omgevingsplan, zie bijlage 3.

  • Gevels, ramen en deuren van hout.

  • Kozijnen van hout, als de gevels.

  • Dakbedekking in cementgebonden golfplaten.

 

Erfinrichting

  • Het zicht vanaf de straat handhaven, d.w.z. de voortuin opent zich zoveel mogelijk naar de straat. Dit betekent dat bij een sloot of een greppel een haag daar evenwijdig aan niet is gewenst. In de zijtuinen is streekeigen beplanting zoals bijv. beuken-, liguster en meidoornhagen toegestaan. Coniferen en andere exoten zijn niet toegestaan.

  • Sloten en greppels handhaven en indien mogelijk herstellen.

  • Op het achtererf of in de open zijtuin (hoogstam) fruitbomen planten. In verband met het karakteristieke open en gesloten landschap is het belangrijk dat een gedeelte van de tuin openblijft.

  • Parkeren zoveel mogelijk ondergeschikt oplossen. Dat wil zeggen niet op de voorgrond van het ter­rein zodat de gebouwen en groen het beeld blijven domineren.

 

1. Criteria koloniewoningen (bestaand) Zonnepanelen op dak – Niveau hoog

Algemeen

Het beleid is om zonnepanelen zo onopvallend mogelijk te plaatsen. Daarom hanteert de gemeente de volgende uitgangspunten voor plaatsing.

  • Probeer eerst de panelen te plaatsen op een dakvlak van een bijbehorend bouwwerk (carport).

  • Als die niet aanwezig is, plaatsing op de aanbouw of eventueel op het tussenlid.

  • Indien dit niet mogelijk is plaatsing in een achtererfgebied onder voorwaarden (criteria veldopstellingen, zie pagina 15) mogelijk.

 

Criteria zonnepanelen op het dak

  • Op het hoofdvolume (woning) en op rieten daken zijn geen zonnepanelen toegestaan.

  • Zonnepanelen zijn ondergeschikt aan het bebouwingsbeeld.

  • Zonnepanelen op hellende daken zijn vanaf de achtergevel naar voren geordend en zeer beperkt zichtbaar vanaf de openbare ruimte. Volledige vulling van het dakvlak heeft de voorkeur.

  • De panelen worden geplaatst per dakvlak, in aaneengesloten vlakken, in eenvoudige geometrische vormen (rechthoek/vierkant/strook). Overige elementen zoals dakdoorvoeren, dakramen et cetera, mogen de eenvoud van de vlakken niet verstoren.

  • Toepassen ‘all-black’ panelen is het uitgangspunt (bij twijfel type in overleg met de secretaris van de GAC).

  • Zonnepanelen op platte daken (van bijgebouwen) zijn toegestaan wanneer ze niet zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte.

  • Bij nieuwbouw zijn zonnepalen toegestaan bij volledige integratie in het dakvlak, waarbij de zonnepanelen visueel een geheel vormen met de dakbedekking.

  • Indien de zonnepanelen niet het volledige dakvlak beslaan dienen deze op minimaal de afstand van 1 panbreedte tot de dakrand of 1 panhoogte tot de goot- en noktlijn geplaatst te worden.

  • Geplaatst in dezelfde hellingshoek als het dak.

  • Aangebracht op de bestaande dakbedekking.

 

1. Criteria koloniewoningen (bestaand) Warmtepompen – Niveau hoog

Algemeen

De meeste technische installaties zijn functioneel ontworpen en is er beperkte aandacht voor uiterlijke schoonheid. Dat leidt tot veel (witte) kasten, leidingen en buizen. Bij de plaatsing van een warmtepomp moet (naast de technisch meest geschikte plaats) ook gekeken worden naar de aansluiting bij de omgeving en de architectuur van het gebouw. Misschien gaat u uw tuin opnieuw aanleggen waardoor u bij de plaatsing van hagen rekening kunt houden met de plek van een warmtepomp.

 

Geschikte plekken

Een warmtepomp wordt doorgaans geplaatst op de plek waar dat installatietechnisch zo aantrekkelijk mogelijk is. En natuurlijk in afstemming met de wettelijke afstand tot de erfgrens, maar dit draagt niet altijd bij aan de uitstraling van de unit. De gemeente hanteert daarom enkele criteria waarbij plaatsing mogelijk is onder voorwaarden.

 

In het dak

De meeste cv-ketels – en bijbehorend installatiewerk - worden op zolder geplaatst. De belangrijkste reden hiervoor is de beschikbare ruimte en daarnaast is het handig voor de afvoer van rookgassen. Een hybride warmtepomp, die samenwerkt met de cv-ketel, wordt daarom ook vaak op zolder geplaatst naast de Cv-ketel. Indien er sprake is van een buitenunit, dan kan er gebruik worden gemaakt van systemen die de buitenunit in het dak verwerken. Dat kan nagenoeg onzichtbaar, zodat het dakvlak beeldbepalend blijft.

 

In de tuin

Een warmtepomp hoeft niet persé ín het gebouw te staan. Er zijn mogelijkheden om een ‘installatietechnische ruimte’ te maken die onderdeel is van het tuinontwerp. Denk bijvoorbeeld aan een ombouw en een haag die de warmtepomp aan het zicht onttrekt.

 

Criteria warmtepompen

Algemeen

  • Een warmtepomp en alle extra elementen t.b.v. de installatie dienen ondergeschikt en samenhangend te worden gepositioneerd en gedimensioneerd.

 

Geïntegreerde dakunit

  • Positie verglijkbaar met het toevoegen van een dakraam. De unit afstemmen en uitlijnen op de overige onderdelen van het dak, zoals dakkappellen, dakramen en zonnepanelen tot een rustig en eenvoudig geheel.

  • Eenvoudige uitstraling in een donkere kleur, aansluitend op de kleur van het dak.

 

Losse unit in de tuin

  • De unit staat op een ondergeschikte positie, lees ten minste 2 meter achter de voorgevel rooilijn.

  • Er dient een ombouw toegepast te worden in en zwarte kleur.

  • De unit dient te worden geïntegreerd in het tuinontwerp. Waarbij afscherming van de unit door een haag een minimale vereiste is.

 

1. Criteria koloniewoningen (bestaand) Zonnepanelen in veldopstelling – Niveau hoog

Algemeen

Kleine veldopstellingen zijn mogelijk. Kijk eerst goed naar de kenmerken van het erf. In dit gebied is het zorgvuldig landschappelijk inpassen van zonnepanelen uitdagend en verdient het aanbeveling om een landschapsdeskundige in te schakelen.

Situering

  • Alleen kleinschalige veldopstelling (max. 16 panelen) zijn mogelijk, waarbij de omvang van de opstelling in goede verhouding is tot de schaal van de omgeving en/of de tuinaanleg en passend binnen de structuurlijnen van de landschappelijke verkaveling.

  • De opstelling heeft een duidelijke rangschikking in een aansluitend, gelijkmatig patroon en eenvoudige vorm zoals een vierkant of rechthoek, op voldoende afstand van de perceelsgrens; of een vorm die de landschappelijke verkaveling volgt.

  • De opstelling zo veel mogelijk als onderdeel van het achtererf positioneren achter de hoofdwoning (boerderij) in de vorm van een ‘moestuin’.

  • Hoogte afhankelijk van de zichtbaarheid van de plek minimaliseren. Geen panelen in hoogte koppelen (boven elkaar plaatsen).

 

Landschappelijke inpassing en schaal

  • Aansluiten bij de bestaande landschapsstructuur.

  • Bij verdiept aanleggen, geen aantasting van het landschap toegestaan.

  • Indien de panelen zichtbaar zijn vanaf de openbare weg of aansluiten bij het open landschap dan de panelen landschappelijk inpassen door middel van een groen (blijvende) inheemse beplanting die minimaal dezelfde hoogte heeft; tenzij dit ten opzichte van de cultuurhistorische waarden niet wenselijk is. Een op zichzelf staande groene ‘koffer’ in het landschap is niet wenselijk, het groen moet op een logische wijze aansluiten op bestaande landschappelijke structuren.

  • Landschappelijke inpassing moet aansluiten bij de schaal en karakter van de bestaande omgeving en geïntegreerd zijn met de bestaande erfinrichting.

  • De omvang van de opstelling is in goede verhouding met de schaal van het erf, de tuinaanleg of de agrarische verkaveling.

 

Type constructie en zonnepaneel/-collector/richting

  • Per opstelling dient er 1 type constructie en zonnepaneel/-collector te worden toegepast in een kleur, inclusief omranding (donkerzwart/all-black).

  • Plaatsing in regelmatig patroon (in een rechthoek of op één lijn), waarbij de hoofdrichting aansluit bij de erfinrichting of de tuinaanleg. Alle panelen dienen in dezelfde richting te worden gelegd (dus niet landscape en portrait combineren).

 

Utilitaire ondersteunende bouwwerken.

  • Ondersteunende nutsgebouwtjes of andere bouwwerken liggen niet aan de naar openbaar toegankelijk gebied gerichte zijde; en zijn onopvallend gepositioneerd.

  • Ondersteunende nutsgebouwtjes of andere bouwwerken zijn in gedekte tinten (grijs, antraciet).

  • Eventuele hekwerken zijn transparant, hout en terughoudend in kleur (bijvoorbeeld grijs of donkergroen).

 

2. Kernkwaliteiten nieuwe koloniewoningen

 

 

Algemeen

Kleine veldopstellingen zijn mogelijk. Kijk eerst goed naar de kenmerken van het erf. In dit gebied is het zorgvuldig landschappelijk inpassen van zonnepanelen uitdagend en verdient het aanbeveling om een landschapsdeskundige in te schakelen.

In de loop der jaren zijn vele koloniewoningen verdwenen. Om de historie en de structuur van het landschap terug te brengen, zijn enkele koloniewoningen op of nabij dezelfde plaatsen teruggebouwd. De woningen krijgen dezelfde karakteristieke kenmerken als de originele woningen. Bij de terugbouw van de koloniewoningen zijn de volgende uitgangspunten in acht genomen:

  • Structuurherstel en versterking;

  • Handhaven rechtlijnige, orthogonale structuur;

  • Waarborgen van de doorzichten naar het achterliggende gebied;

  • Terugbouwen op historische plaatsen onder strikte voorwaarden;

  • Geen bebouwing op de dwarslinten;

  • Samenhang met andere functies;

  • Vaste uitgangspunten voor de terreininrichting.

Het ontwerp van de nieuwe koloniewoningen is gebaseerd op een groeimodel. De basis is een koloniewoning, het instapmodel, met een oppervlak van 76 m2. Deze woning kan desgewenst worden uitgebreid met een aanbouw en een uitbreiding van het hoofdgebouw. Tevens is de plaatsing van een vrijstaand bijgebouw mogelijk. De nieuwe woningen zijn duurzaam opgericht en voorzien van een aardwarmtepomp en zonnecollectoren. Tevens wordt er op het eigen erf een zonnecelinstallatie geplaatst. Om de energievraag zoveel mogelijk te beperken, zijn de woningen voorzien van een kierdichte ‘schil’. Het voorhuis bestaat uit rustige rode baksteen, met kenmerkend symmetrisch gevelontwerp inclusief karakteristieke schoorsteen, verwijzend naar de bestaande koloniewoningen. Het dak is uitgevoerd in een eenvoudige donkere pan en het achterhuis in zwart potdekselwerk.

 

2. Criteria Koloniewoningen (nieuw) - Niveau hoog

 

Algemeen

  • Materialen en kleuren moeten voldoen aan het kleurenschema. Dit schema is te vinden in de bijlage bij deze nota op in Bijlage 1 op pagina 41.

 

Koloniewoning en aanbouw

  • Voor wat betreft gevelindeling en detaillering wordt verwezen naar het referentiebouwplan wat is opgenomen in de toelichting van het voor het gebied geldende omgevingsplan.

  • Per dakvlak zijn maximaal 2 dakvensters met een maximale afmeting van 80x100 cm (b x h) zijn toegestaan.

  • Gevels in een bruinrode baksteen, conform de bij de gemeente aanwezige referentiesteen.

  • Gevels van achterhuizen geheel of gedeeltelijk in brede houten delen, minimaal 17 cm, uitgevoerd.

  • Dakbedekking gesmoorde gebakken pannen.

  • Goot uitsluitend een aangehangen mast- of bakgoot van zink (of eventueel koper), waarbij de hemelwaterafvoer niet aan de kopgevel is toegestaan.

  • Kozijnen, ramen en deuren in hout, detaillering zoals raamdorpels etc. conform het referentieontwerp koloniewoning van de toekomst.

  • Voor aanbouwen geldt het referentiebouwplan wat is opgenomen in de toelichting van het voor het gebied geldende omgevingsplan.

  • De nok wordt op de voorgevel beëindigd met een schoorsteen, conform het referentiebouwplan wat is opgenomen in de toelichting van het voor het gebied geldende omgevingsplan.

 

Aangebouwd bijgebouw en tussenlid

  • Eenvoudig, sober (vlak en strak) detailleren, als een schuur, conform het referentietype opgenomen in het voor het gebied geldende bestemmingsplan omgevingsplan.

  • Geen historiserende detaillering, geen dakoverstekken etc.

  • Tussenlid ondergeschikt vormgeven tussen koloniewoning en aangebouwd bijgebouw. Uitvoeren geheel van glas of in zwart hout (vlak) met een minimaal boeideel, of een combinatie van hout en glas.

  • Gevels in brede houten delen (werkend minimaal 17 cm), Deze dienen horizontaal te worden aangebracht. Een gevelplint in een donkergekleurd steenachtig materiaal maximaal 30 cm boven maaiveld.

  • Dakbedekking in niet-geglazuurde of gesmoorde gebakken pannen.

  • Goot uitsluitend een aangehangen mast- of bakgoot van zink (of eventueel koper).

  • Kozijnen, ramen en deuren in hout, detaillering zoals raamdorpels etc. conform het referentieontwerp koloniewoning van de toekomst.

  • De achterzijde mag overwegend in glas uitgevoerd worden.

  • Luiken zijn toegestaan, mits goed gemotiveerd, conform voorbeelduitwerking, zie bijlage 2.

 

Vrijstaand bijgebouw

  • Uitvoering conform het referentiebouwplan opgenomen in de toelichting van het omgevingsplan, zie bijlage 3

  • Gevels in hout.

  • Dakbedekking in cementgebonden golfplaten.

  • Kozijnen van hout, als de gevels.

  • Ramen en deuren van hout, als de gevels.

Erfinrichting

  • Het zicht vanaf de straat op de koloniewoning creëren, d.w.z. de voortuin opent zich zoveel mogelijk naar de straat. Dit betekent dat bij een sloot of een greppel een haag daar evenwijdig aan niet is gewenst. In de zijtuinen is streekeigen beplanting zoals bijv. beuken-, liguster en meidoornhagen toegestaan. Coniferen en andere exoten zijn niet toegestaan.

  • Sloten en greppels handhaven en indien mogelijk herstellen.

  • Op het achtererf of in de open zijtuin (hoogstam)fruitbomen planten. In verband met het karakteristieke open en gesloten landschap is het belangrijk dat een gedeelte van de tuin openblijft.

  • Parkeren zoveel mogelijk ondergeschikt oplossen, dat wil zeggen niet op de voorgrond van het terrein zodat de gebouwen en groen het beeld blijven domineren.

 

2. Criteria Koloniewoningen (nieuw)Zonnepanelen op dak - Niveau hoog

 

Algemeen

Het beleid is om de zonnepanelen zo onopvallend mogelijk te plaatsen. Daarom hanteert de gemeente de volgende uitgangspunten voor plaatsing.

  • 1.

    Probeer eerst de panelen te plaatsen op een dakvlak van een bijbehorend bouwwerk (carport)

  • 2.

    Als die niet aanwezig is, plaatsing op de aanbouw of eventueel op het tussenlid.

  • 3.

    Indien dit niet mogelijk is plaatsing in een achtererfgebied onder voorwaarden (criteria veldopstelling, zie pagina 16) mogelijk.

  • 4.

    Voor andere duurzame toevoegingen op het perceel zoals warmtepompen, zie de criteria op pagina 15.

 

Criteria zonnepanelen op het dak

  • Op het hoofdvolume (woning) en op rieten daken zijn geen zonnepanelen toegestaan.

  • Zonnepanelen zijn ondergeschikt aan het bebouwingsbeeld.

  • Zonnepanelen op hellende daken zijn vanaf de achtergevel naar voren geordend en zeer beperkt zichtbaar vanaf de openbare ruimte. Volledige vulling van het dakvlak heeft de voorkeur.

  • De panelen worden geplaatst per dakvlak, in aaneengesloten vlakken, in eenvoudige geometrische vormen (rechthoek/vierkant/strook). Overige elementen zoals dakdoorvoeren, dakramen et cetera, mogen de eenvoud van de vlakken niet verstoren.

  • Toepassen ‘all-black’ panelen is het uitgangspunt (bij twijfel type in overleg met de secretaris van de GAC).

  • Zonnepanelen op platte daken (van bijgebouwen) zijn toegestaan wanneer ze niet zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte.

  • Bij nieuwbouw zijn zonnepalen toegestaan bij volledige integratie in het dakvlak, waarbij de zonnepanelen visueel een geheel vormen met de dakbedekking.

  • Indien de zonnepanelen niet het volledige dakvlak beslaan dienen deze op minimaal de afstand van 1 panbreedte tot de dakrand of 1 panhoogte tot de goot- en noklijn geplaatst te worden.

  • Geplaatst in dezelfde hellingshoek als het dak.

  • Aangebracht op de bestaande dakbedekking.

 

3. Criteria Monumenten en karakteristieke bebouwing – Niveau hoog

 

 

Monumenten

Naast de kenmerkende linten met koloniewoningen zijn een aantal koloniewoningen als monument aangewezen of hebben de status van UNESCO attribute. Dit betreft o.a. scholen, boerderijen en dienstwoningen. Dat betekent dat zij op basis van het geldende monumentenregister of hun waarde als UNESCO attribute door de GAC op het aspect cultuurhistorische waarden worden beoordeeld. De criteria uit dit hoofdstuk ondersteunen deze beoordeling. Deze monumenten hebben hun eigen unieke karakter en de beoordeling van verbouwplannen is doorgaans altijd maatwerk.

 

Karakteristieke bebouwing

Naast de monumenten zijn er nog diverse gebouwen aangemerkt als karakteristieke bebouwing. Zij ondersteunen het verhaal en de ruimtelijke structuur van de kolonie. Dit betreft o.a. dienstwoningen, boerderijen en een vrijboerhoeve. Dit zijn nadrukkelijk geen monumenten, maar wel kenmerkende gebouwen die behoudenswaardig zijn, met name om hun situering en silhouet. De gebouwen verschillen in karakter en de beoordeling van verbouwplannen is doorgaans altijd maatwerk. De criteria op de volgende pagina zijn van toepassing voor deze categorie bouwwerken.

 

3. Criteria Monumenten en karakteristieke bebouwing – Niveau hoog

 

Algemeen

  • Materialen en kleuren moeten voldoen aan het kleurenschema. Dit schema is te vinden in de bijlage bij deze nota op in Bijlage 1 op pagina 41.

 

Detaillering

  • Bestaande karakteristieke gevelindelingen en detailleringen zoals vlechtwerk etc. dienen behouden te blijven.

  • Er dient zorgvuldige, bij het gebouwtype behorende detaillering, toegepast te worden.

  • Historische houtafmetingen en profilering van kozijnen, ramen, deuren, goten en daklijsten dienen behouden te blijven of gereconstrueerd te worden.

 

Materiaal en kleurgebruik

  • Aansluiten bij het bestaande materiaal- en kleurgebruik, tenzij afwijkend materiaalgebruik op basis van historisch onderzoek gemotiveerd kan worden.

  • De gevels, of gedeelten daarvan, die nu gestukadoord of geverfd zijn, mogen in kleur of uiterlijk niet gewijzigd worden, behalve voor historische reconstructie.

  • De kozijnen, ramen en deuren e.d. zijn uitgevoerd in hout, in de traditionele kleuren wit en donkergroen.

  • Dakbedekking van hoofd- en bijgebouwen in gebakken, niet-geglazuurde of gesmoorde pannen.

  • Latere toevoegingen mogen een eigentijdse stijl hebben mits deze in harmonie zijn met de bestaande bebouwing.

  • Gevels van bijgebouwen en aanbouwen in eenzelfde steen als het hoofdgebouw, of in hout kleur zwart.

 

Zonnepanelen (algemeen)

  • Het beleid is om de zonnepanelen zo onopvallend mogelijk te plaatsen. Bij monumenten en karakterstieke bebouwing is dit vaak maatwerk.

  • De gemeente hanteert de volgende algemene uitgangspunten voor plaatsing.

 

  • 1.

    Probeer eerst de panelen te plaatsen op een dakvlak van een bijbehorend bouwwerk (carport).

  • 2.

    Als die niet aanwezig is op een aanbouw of eventueel het tussenlid.

  • 3.

    Indien dit niet mogelijk is plaatsing in een achtererfgebied onder voorwaarden mogelijk.

 

 

Criteria zonnepanelen op het dak

  • Zonnepanelen zijn ondergeschikt aan het bebouwingsbeeld.

  • Zonnepanelen op hellende daken zijn vanaf de achtergevel naar voren geordend en zeer beperkt zichtbaar vanaf de openbare ruimte.

  • De panelen worden geplaatst per dakvlak, in aaneengesloten vlakken, in eenvoudige geometrische vormen (rechthoek/vierkant/strook). Overige elementen zoals dakdoorvoeren, dakramen et cetera, mogen de eenvoud van de vlakken niet verstoren.

  • Toepassen ‘all-black’ panelen is het uitgangspunt. (Bij twijfel type in overleg met de secretaris van de GAC).

  • Zonnepanelen op platte daken (van bijgebouwen) zijn toegestaan wanneer ze niet zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte.

  • Bij nieuwbouw zijn zonnepalen toegestaan bij volledige integratie in het dakvlak, waarbij de zonnepanelen visueel een geheel vormen met de dakbedekking.

  • Indien de zonnepanelen niet het volledige dakvlak beslaan dienen deze op minimaal de afstand van 1 panbreedte tot de dakrand of 1 panhoogte tot de goot- en noklijn geplaatst te worden.

  • Geen zonnepanelen plaatsen op rieten daken.

  • Geplaatst in dezelfde hellingshoek als het dak.

  • Aangebracht op de bestaande dakbedekking.

Criteria warmtepompen zie pagina 15.

Criteria zonnepanelen in veldopstelling zie pagina 16.

 

4. Kernkwaliteiten buitengebied

 

 

Algemeen

Het landschap in het plangebied is in sterke mate gevormd door de negentiende eeuwse ontginningsgeschiedenis. De kolonies zijn gelegen op voormalige venen en heideterreinen en kenmerken zich door hun systematische aanleg met een van te voren geplande landschappelijke inrichting. Frederiksoord en Wilhelminaoord liggen op de droogste plaatsen in een van oorsprong tamelijk natte omgeving. Door systematische ontginning van de gronden is een kleinschalig kolonielandschap gesticht, dat in een fraai contrast staat met het aan de zuidoostelijke rand gelegen meer open beekdal van de Vledder Aa. Blokvormige verkaveling, rechtlijnige patronen en lintbebouwing vormen de belangrijkste karakteristieken van het landschap. Door de geschiedenis heen is een afwisselend, kleinschalig landschap ontstaan van bossen, velden en akkers.

De huidige agrarische erven zijn vergroot in schaal, met grotere schuren op het achtererf. Dit betreffen eenvoudige schuren in donkere kleuren met doorgaans goflprofielplaat op het dak. Uitzondering op dit beeld vormt de lintbebouwing van Frederiksoord aan de Vledderweg en enkele bedrijven ter hoogte van de kruising Kon.Wilhelminalaan en P.W. Janssenlaan.

 

Ontginningskolonielandschap (niveau hoog)

Strakke, planmatige opzet met afwisseling in open en besloten delen; bospercelen. Gras- en bouwland en agrarische en natuurfunctie. Eenvoudige bebouwing, soms in combinatie met eenvoudige schuren op het achtererf. Eenvoudig materiaalgebruik en detaillering in overwegend donkere kleurstelling.

 

Lintbebouwing

Bebouwingsstructuur met kenmerkende bebouwing en onregelmatige verkaveling. Woningen uit diverse (historische) architectuurstijlen en perioden met sterke individuele expressie.

 

4. Criteria buitengebied - Niveau hoog

 

Algemeen

  • Materialen en kleuren moeten voldoen aan het kleurenschema. Dit schema is te vinden in de bijlage bij deze nota op in Bijlage 1 op pagina 41.

Situatie

  • De landschappelijke structuur, de positie en oriëntatie van de bebouwing op het erf en in de directe omgeving zijn richtinggevend bij nieuwbouw. De bebouwing sluit aan op de bestaande erfstructuur.

  • De verschijningsvorm dient de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwing in de directe omgeving te ondersteunen op traditioneel of eigentijdse wijze.

Hoofdvorm

  • De hoofdvorm is passend (qua maat en schaal) bij de bebouwing in de omgeving.

  • Er dient een eenduidige en eenvoudige hoofdvorm te worden toegepast (geen geschakelde volumes).

  • In geval van een uitbreiding, verbouw of renovatie wordt deze afgestemd op het bestaande bouwwerk.

  • Er dient een traditionele kapvorm te worden toegepast zoals een zadelkap of een schildkap.

Architectuurstijl en gevel (compositie)

  • De architectuur is passend in het gebied en de gevel is samenhangend vormgegeven.

  • Bij verbouw en renovatie is de oorspronkelijke gevelopbouw, compositie en detail het uitgangspunt; bij boerderijen onderscheid tussen voor- en achter huis zichtbaar houden. Dakkapellen op het achterhuis zijn niet toegestaan.

  • Gevels gericht op de openbare ruimte zijn representatief vormgegeven.

  • De architectuur is afgestemd op de lokale streekeigen en (cultuurhistorische) stijlkenmerken zoals forse kappen, lage goten en staande gevelopeningen.

Detaillering

  • De detaillering is afgestemd op de bebouwingskenmerken in de omgeving.

  • De details zijn afgestemd op de lokale streekeigen en (cultuurhistorische) stijlkenmerken.

Materiaal en kleurgebruik

  • Er dienen oorspronkelijke materialen uit de omgeving te worden toegepast, natuurlijke uitstraling (voldoende structuur, niet glimmend) waarbij het gebruik van baksteen, dakpannen of riet en potdekselwerk overheerst.

Voor (losstaande) schuren, niet zijnde een achterhuis, zijn aanvullend de volgende materialen toegestaan:

  • Dak: donkergrijze golfplaat of vergelijkbare uitstraling (geen dakpanplaten). Er moet sprake zijn van een verfijnde profilering passend bij de schaal van het gebouw.

  • Wanden in donkere kleuren: sandwichpanelen met verfijnde profilering of vergelijkbare materialen.

 

Duurzaam ecologisch bouwen (materiaalgebruik)

  • Een nieuwe bouwwijze heeft consequenties voor materiaalkeuze of detaillering, hier is ruimte voor. Past de nieuwe bouwwijze niet binnen de gebiedsgerichte criteria dan zijn de algemene criteria uit de ‘nota omgevingskwaliteit gemeente Westerveld’ van toepassing.

Erfafscheidingen

  • Groene erfscheidingen met streekeigen beplanting zijn het uitgangspunt. Erfafscheidingen respecteren het landschap door een ingetogen vormgeving en (overwegend donkere) kleurstelling.

Utilitaire bouwwerken (zoals warmtepompen)

  • Situering, vorm, detaillering, kleur en materiaalgebruik moeten reageren op de locatie ter plekke en de bijbehorende landschappelijke- en bebouwingsstructuur en vormen een ondergeschikt en onopvallend element ten opzichte van de omgeving.

  • De situering en inpassing van utilitaire bouwwerken zoals nutsvoorzieningen mogen geen afbreuk doen aan de bebouwing en de gebiedskarakteristieken.

 

4. Criteria landschap Zonnepanelen - Niveau hoog

Zonnepanelen op dak

Hellende daken

  • Geplaatst in dezelfde hellingshoek als het dak;

  • Aangebracht op de bestaande dakbedekking;

  • Aaneengesloten geplaatst in een eenduidig patroon (rechthoek, vierkant of strook). Panelen zoveel mogelijk clusteren;

  • Minimaal 50 cm afstand tot de voorgeveldakrand;

  • Minimaal 50 cm afstand tot de achtergeveldakrand;

  • Minimaal 50 cm afstand tot de nok;

  • Minimaal 50 cm afstand tot overige elementen op het dak zoals dakdoorvoeren, dakramen et cetera;

  • Minimaal 20 cm afstand tot de goot;

  • 1 type en 1 formaat per dakvlak.

  • De genoemde afstanden gelden niet bij dakvullende plaatsing.

Platte daken

  • Hoogte panelen = afstand tot dakrand. Zo goed als horizontale plaatsing, zodanig dat het niet zichtbaar is vanaf het openbare gebied.

Technische installaties

  • Situering, vorm, detaillering, kleur en materiaalgebruik moeten reageren op de locatie ter plekke en de bijbehorende bebouwingsstructuur en vormen een ondergeschikt en onopvallend element ten opzichte van de omgeving.

 

Criteria warmtepompen zie pagina 15.

Criteria zonnepanelen in veldopstelling zie pagina 16

 

 

5. Kernkwaliteiten Wilhelminaoord

 

 

Algemeen

De kern Wilhelminaoord vormt de meeste herkenbare kern in dit gebied en is aangewezen als bufferzone. De bufferzones zorgen voor de bescherming van de zichtbaarheid van de monumentale bebouwing en het in stand houden van het landbouwlandschap met haar rechtlijnige structuur, bijzondere bomenlanen en waterwegen. Bij planontwikkeling in de bufferzones moet in ruimtelijk opzicht worden gekeken naar de effecten op het Werelderfgoed.

Het dient overwegend als woonkern. Binnen de kern zijn er verschillende ruimtelijke eenheden te onderscheiden die in meer of mindere mate bijdragen aan de structuur en kwaliteit van het beschermd gezicht. Hier volgen de verschillende deelgebieden en bijbehorende niveaus.

Koloniewoningen (niveau hoog)

  • Zie kernkwaliteiten en criteria (nieuwe) koloniewoningen vanaf pagina 17.

Invalsweg (niveau hoog)

  • Bebouwingsstructuur met kenmerkende bebouwing en onregelmatige verkaveling.

  • Woningen uit diverse (historische) architectuurstijlen en perioden met sterke individuele expressie.

Groen (niveau hoog)

  • Groene ruimte met nauwelijks bebouwing, begroeiing of bomen. Het groene karakter domineert.

Woonwijken (niveau regulier)

  • Vrijstaande woningen of twee-onder-een-kapwoningen, enkele delen zijn planmatig opgezet met rijwoningen.

  • Overwegend naoorlogse bebouwing in sobere en eenvoudige architectuur.

  • De meeste woningen bestaan uit een eenvoudig volume met een zadelkap.

  • De diverse wijken zijn groen en ruim opgezet.

  • Het groene karakter van de (voor) tuinen en groene erfscheidingen bepalen het straatbeeld.

Grootschalige functies in het groen (niveau regulier)

  • Doorgaans ruime groene terreinen met grootschalige bebouwing.

  • De bebouwing staat in het groen, de terreininrichting en alle gevelaanzichten zijn belangrijk voor het totaalbeeld.

  • Er is meer vrijheid in architectonische expressie mogelijk.

 

Criteria Wilhelminaoord invalswegen en groen- Niveau hoog

 

Situatie/Algemeen

  • De verschijningsvorm dient de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwing in de directe omgeving te ondersteunen.

  • Een gebouw of bouwwerk dient bij te dragen aan de specifieke kernkwaliteiten van het gebied.

Hoofdvorm

  • De hoofdmassa is helder vormgegeven en passend (qua maat en schaal) bij de bebouwing in de omgeving. Een duidelijke hoofdvorm met klassieke kap (zadel- , mansarde- , of schildkap) is het uitgangspunt.

  • In geval van een uitbreiding, verbouw of renovatie wordt deze afgestemd op het bestaande bouwwerk. Deze toevoegingen dienen ondergeschikt te worden vormgegeven ten opzichte van het hoofdvolume.

Architectuurstijl en gevel(compositie)

  • Gevels richting de openbare ruimte zijn samenhangend en representatief vormgegeven.

  • De architectuur past bij de bebouwing in de omgeving.

  • De gevelcompositie en de plaats, afmetingen en verhoudingen van de gevelopeningen zijn zorgvuldig op elkaar afgestemd.

  • Bij verbouw en renovatie is de oorspronkelijke gevelopbouw, compositie en detail het uitgangspunt.

Detaillering/ Materialisatie

  • De detaillering en materialisatie is zorgvuldig en afgestemd op de architectuur. Uitgangspunt vormen natuurlijke materialen zoals dakpannen of riet, gevelmetselwerk of deels hout.

  • De oorspronkelijke fijne detaillering van de gevel, dakgoten en daklijsten wordt als uitgangspunt genomen en dient bij te dragen aan de kwaliteit.

Duurzaam ecologisch bouwen (materiaalgebruik)

  • Een nieuwe bouwwijze heeft soms consequenties voor materiaalkeuze of detaillering. Als gemeente stimuleren we deze initiatieven met behoud van kwaliteit.

  • Past de nieuwe bouwwijze niet binnen de gebiedsgerichte criteria dan zijn de algemene criteria uit de nota omgevingskwaliteit gemeente Westerveld het uitgangspunt.

Tuin/erfafscheiding

  • Voor erfafscheidingen grenzend aan de openbare ruimte vormen beplanting of hagen het uitgangspunt. Vergunningplichtig erfafscheiding dienen aan te sluiten op de architectuur van de hoofdbebouwing of moeten een voldoende gevarieerd zijn, door een afwisseling van open en gesloten delen.

  • Bij groenblijvende erfafscheiding dient er een permanente degelijke gebouwde constructie aanwezig te zijn (bijv. houten palen met gaas). Daar waar vanuit de historische context erfafscheidingen zoals hagen, hekken en muren zijn, deze als uitgangspunt nemen.

 

Utilitaire bouwwerken

  • Situering, vorm, detaillering, kleur en materiaalgebruik moeten reageren op de locatie ter plekke en de bijbehorende landschappelijke- en bebouwingsstructuur en vormen een ondergeschikt en onopvallend element ten opzichte van de omgeving. De situering en inpassing van utilitaire bouwwerken zoals nutsvoorzieningen mogen geen afbreuk doen aan de bebouwing en de gebiedskarakteristieken.

 

5. Criteria Wilhelminaoord Woonwijken en grootschalige functies in het groen - Niveau regulier

 

Situatie/algemeen

  • De verschijningsvorm dient de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwing in de directe omgeving te ondersteunen.

  • Een gebouw of bouwwerk dient bij te dragen aan de specifieke kernkwaliteit (identiteit) van het gebied.

Hoofdvorm

  • De hoofdmassa is helder vormgegeven en passend (qua maat en schaal) bij de bebouwing in de omgeving. Een duidelijke hoofdvorm met kap is het uitgangspunt.

  • In geval van een uitbreiding, verbouw of renovatie wordt deze afgestemd op het bestaande bouwwerk. Deze toevoegingen dienen ondergeschikt te worden vormgegeven ten opzichte van het hoofdvolume.

Architectuurstijl en gevel(compositie)

  • Gevels richting de openbare ruimte zijn samenhangend en representatief vormgegeven.

  • De architectuur past bij de bebouwing in de omgeving.

  • De gevelcompositie en de plaats, afmetingen en verhoudingen van de gevelopeningen zijn zorgvuldig op elkaar afgestemd.

  • Bij verbouw en renovatie is de oorspronkelijke gevelopbouw, compositie en detail het uitgangspunt.

Detaillering/ Materialisatie

  • De detaillering en materialisatie is zorgvuldig en afgestemd op de architectuur van het bestaande gebouw en de gebouwen in de omgeving

  • De oorspronkelijke detaillering van de bestaande architectuur is het uitgangspunt.

Duurzaam ecologisch bouwen (materiaalgebruik)

  • Een nieuwe bouwwijze heeft soms consequenties voor materiaalkeuze of detaillering. Als gemeente stimuleren we deze initiatieven met behoud van kwaliteit.

  • Past de nieuwe bouwwijze niet binnen de gebiedsgerichte criteria dan zijn de algemene criteria op pagina 51 het uitgangspunt.

Tuin/erfafscheiding

  • Voor erfafscheidingen grenzend aan de openbare ruimte vormen beplanting of hagen het uitgangspunt. Vergunningplichtig erfafscheiding dienen aan te sluiten op de architectuur van de hoofdbebouwing of moeten een voldoende gevarieerd zijn, door een afwisseling van open en gesloten delen.

  • Bij groenblijvende erfafscheiding dient er een permanente degelijke gebouwde constructie aanwezig te zijn (bijv. houten palen met gaas).

Utilitaire bouwwerken

  • Situering, vorm, detaillering, kleur en materiaalgebruik moeten reageren op de locatie ter plekke en de bijbehorende landschappelijke- en bebouwingsstructuur en vormen een ondergeschikt en onopvallend element ten opzichte van de omgeving.

 

5. Criteria Wilhelminaoord Zonnepanelen - Niveau regulier

Algemeen

Het beleid is om de zonnepanelen zo onopvallend mogelijk te plaatsen. Daarom hanteert de gemeente de volgende uitgangspunten voor plaatsing;

  • 1.

    Op maatschappelijke gebouwen is een maatwerkoplossing noodzakelijk.

  • 2.

    Probeer eerst de panelen te plaatsen op een dakvlak van een bijbehorend bouwwerk.

  • 3.

    Indien dit niet mogelijk is plaatsing in een achtererfgebied onder voorwaarden mogelijk.

Criteria zonnepanelen op het dak

  • Zonnepanelen zijn ondergeschikt aan het bebouwingsbeeld.

  • Zonnepanelen op hellende daken zijn vanaf de achtergevel naar voren geordend en zeer beperkt zichtbaar vanaf de openbare ruimte. Volledige vulling van het dakvlak heeft de voorkeur.

  • De panelen worden geplaatst per dakvlak, in aaneengesloten vlakken, in eenvoudige geometrische vormen (rechthoek/vierkant/strook). Overige elementen zoals dakdoorvoeren, dakramen etcetera, mogen de eenvoud van de vlakken niet verstoren.

  • Toepassen ‘all-black’ panelen is het uitgangspunt. (Bij twijfel type in overleg met de secretaris van de GAC).

  • Zonnepanelen op platte daken (van bijgebouwen) zijn toegestaan wanneer ze niet zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte.

  • Bij nieuwbouw zijn zonnepalen toegestaan bij volledige integratie in het dakvlak, waarbij de zonnepanelen visueel een geheel vormen met de dakbedekking.

  • Indien de zonnepanelen niet het volledige dakvlak beslaan dienen deze op minimaal de afstand van 1 panbreedte tot de dakrand of 1 panhoogte tot de goot- en noklijn geplaatst te worden.

  • Geen zonnepanelen plaatsen op rieten daken.

  • Geplaatst in dezelfde hellingshoek als het dak.

  • Aangebracht op de bestaande dakbedekking.

  • Platte daken: hoogte panelen = afstand tot dakrand.

 

Zonnepanelen op dak

Hellende daken

  • Geplaatst in dezelfde hellingshoek als het dak;

  • Aangebracht op de bestaande dakbedekking;

  • Aaneengesloten geplaatst in een eenduidig patroon (rechthoek, vierkant of strook). Panelen zoveel mogelijk clusteren;

  • Minimaal 50 cm afstand tot de voorgeveldakrand;

  • Minimaal 50 cm afstand tot de achtergeveldakrand;

  • Minimaal 50 cm afstand tot de nok;

  • Minimaal 50 cm afstand tot overige elementen op het dak zoals dakdoorvoeren, dakramen et cetera;

  • Minimaal 20 cm afstand tot de goot;

  • 1 type en 1 formaat per dakvlak.

Platte daken

  • Hoogte panelen = afstand tot dakrand.

Technische installaties

  • Situering, vorm, detaillering, kleur en materiaalgebruik moeten reageren op de locatie ter plekke en de bijbehorende bebouwingsstructuur en vormen een ondergeschikt en onopvallend element ten opzichte van de omgeving.

 

Sneltoetscriteria algemeen

 

 

Algemeen

Sneltoetscriteria zijn voorschriften voor (veel voorkomende) kleine en/of eenvoudige bouwplannen die omgevingsvergunningplichtig zijn. Deze criteria omschrijven heel concreet en objectief hoe bouwwerken er uit dienen te zien om niet strijdig te zijn met “redelijke eisen van welstand”. De sneltoetscriteria zijn allen van toepassing in de bufferzones van het beschermd gezicht met uitzondering van de attributes/karakteristieke bebouwing en monumenten.

 

Criteria voor bijbehorende bouwwerken aan het hoofdgebouw

Vormgeving:

  • De aan- of uitbouw is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw.

  • Geen aan- of uitbouw aan een bestaande aan- of uitbouw.

  • Eén bouwlaag met een van het hoofdgebouw afgeleide plattegrond.

  • Plat afgedekt of met een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm, dakhelling en nokrichting. M.u.v. van serres met een flauw-hellend transparant dak;

  • Vorm: kozijnen en ramen zijn gelijk aan of afgestemd op die van de kozijnen en ramen van het hoofdgebouw; bij serres een regelmatige verdeling van kozijnstijlen.

  • Van het hoofdgebouw afgeleide detaillering.

  • Maatvoering:

  • Afstand van de aan- of uitbouw aan de zijgevel tot de voorgevel is minimaal 1,00 meter tenzij het omgevingsplan een andere plaatsing mogelijk maakt.

  • Hoogte: niet hoger dan 0,3 meter boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw en onder de gootlijn van het hoofdgebouw (voorkant en zijkant).

  • Breedte: maximaal 2/3 van de gevel (voorkant).

  • Diepte:

    • Voorkant: maximaal 1,50 meter ten opzichte van de oorspronkelijke gevel.

    • Zijkant: maximaal 3,00 meter ten opzichte van de oorspronkelijke gevel.

Materiaal, kleur en detaillering:

  • Afgestemd op het hoofdgebouw.

  • Het boeiboord heeft geen grotere hoogte dan 0,3 meter tenzij er aangesloten wordt op een bestaande grotere maat.

 

Criteria voor losstaande bijbehorende bouwwerken (schuren en overkappingen)

Vormgeving:

  • Eén bouwlaag met een rechthoekige of een van het hoofdgebouw afgeleide plattegrond.

  • Plat afgedekt of met een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm, dakhelling en nokrichting.

  • Overkapping: Lichte constructie met max. drie wanden, waarvan er max. twee tot de constructie behoren. De maximale maatvoering van kolommen is maximaal 30x30 centimeter breed.

Maatvoering:

  • De afstand van bijgebouw of overkapping aan de zijgevel tot de voorgevel is minimaal 1 meter, tenzij het omgevingsplan een andere plaatsing mogelijk maakt.

  • Bij een kap: goothoogte maximaal 3,00 meter, gemeten ten opzichte van het aansluitende terrein tenzij het omgevingsplan een andere maatvoering kent.

Materiaal, kleur en detaillering:

  • Afgestemd op of gelijkwaardig aan het hoofdgebouw. Alternatief is afstemming een tuinkarakter (metselwerk/hout).

  • Geen toepassing van betonplaten of damwand-profielen.

  • Een van het hoofdgebouw afgeleide detaillering.

  • Het boeiboord heeft geen grotere hoogte dan 0,3 meter tenzij er aangesloten wordt op een bestaande grotere maat.

Criteria voor dakkapellen

Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn, als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, voor het straatbeeld bepalend. Dakkapellen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak.

Plaatsing

  • Bij een mansardekap plaatsing alleen in het onderste dakvlak.

  • Bij een andere kapvorm alleen op het onderste deel van het dakvlak.

  • Dakkapellen niet boven elkaar rangschikken.

  • Dakkapellen op flauwe kappen met een dakhelling kleiner dan 30° zijn niet toegestaan.

Maatvoering

  • Hoogte: voorvlak verticaal gemeten maximaal 1.75 meter gemeten vanaf voet dakkapel tot aan bovenzijde boeiboord of daktrim.

  • Breedte: aan voorgevel en zijgevel die grenst aan de openbare ruimte maximaal 50% van breedte dakvlak (midden bouwmuur tot midden bouwmuur).

Vormgeving

  • Bij meerdere dakkapellen regelmatige rangschikking op horizontale lijn.

  • Plat dak.

  • Voorvlak voorzien van kozijnen met beglazing, indeling en profielen afgestemd op woning.

  • Het boeiboord heeft geen grotere hoogte dan 0,3m tenzij deze maat op de bestaande maatvoering van de woning aansluit.

 

Materiaal, kleur en detaillering

  • Afgestemd op het hoofdgebouw. Zijwangen en boeiboorden dakkapel in donkere kleur of afgewerkt in kleur van het dakvlak. Boeiboorden en kozijnen zijn ook in wit mogelijk.

Criteria voor kozijn- of gevelwijzigingen

In principe mag de samenhang en de ritmiek in straatwanden niet worden verstoord door incidentele kozijn- of gevelwijzigingen. Met name een kozijn- of gevelwijziging in de voor- of zijgevel, als deze gekeerd is naar de weg of het openbaar gebied, vraagt om een zorgvuldige vormgeving. Een kozijn- of gevelwijziging moet passen bij het karakter van het hoofdgebouw.

Maatvoering

  • Diepte van de negge gelijk aan bestaande situatie;

  • De oorspronkelijke profielafmetingen van het kozijn behouden.

Vorm

  • De hoofdindeling komt overeen met de oorspronkelijke indeling; Een individuele wijziging leidt niet tot een wijziging van de oorspronkelijke geleding en indeling van de gehele gevel.

  • Samenhang en ritmiek van de straatwand mag niet worden verstoord.

  • De gevel van begane grond en verdieping(en) blijft samenhangend.

  • Toegevoegde of vervangende beweegbare delen zijn mogelijk.

  • Gevelopeningen niet geblindeerd met panelen of schilderwerk.

  • Bestaande lateien, onderdorpels, raamlijsten, speklagen en/of rollagen in originele staat of in ieder geval in overeenstemming met op de vormentaal van andere in de gevel voorkomende lateien, onderdorpels en/of raamlijsten.

Materiaal en kleur

  • Gebiedseigen toepassing van materiaal- en kleurgebruik.

  • Geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik.

 

Criteria erfafscheidingen (binnen bebouwde kom)

Een erfafscheiding is een bouwwerk, bedoeld om het erf af te bakenen van een buurerf of van de openbare weg. Erfafscheidingen aan de openbare weg zijn van grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente streeft ernaar een rommelige indruk, door een te grote verscheidenheid aan erfafscheidingen, te voorkomen.

Vorm

  • Een gedeelte van de erfafscheiding (minimaal 30 procent) moet een open constructie zijn in combinatie met begroeiing (b.v. door middel van, gaas met hedera of vergelijkbaar).

  • Gebruik duurzame materialen (steen, duurzaam hout, metalen hekwerk, groen of een combinatie hiervan).

  • Betonnen keerwanden, kunststof golfplaten, stalen damwand of andere materialen met een sterk utilitair karakter zijn niet toegestaan.

  • Kleur: toepassing van gedekte kleuren of onbehandeld hout.

  • Lange schuttingen (meer dan 3 meter) moeten visueel voldoende onderbroken worden door bijvoorbeeld: verschil in hoogte of afwisselende geledingen.

Criteria voor reclame

Reclame is iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Reclames op borden, lichtreclames en spandoeken of vlaggen vormen een beeldbepalend element van de openbare ruimte. In dit beschermd gezicht is het uitgangspunt om zeer terughoudend om te gaan met reclame. Met name aan de twee belangrijke en beeldbepalende invalswegen, de Koningin Wilhelminalaan en de Majoor van Swietenlaan is het beleid terughoudend. Hier gelden de volgende criteria.

 

Algemeen

(Koningin Wilhelminalaan/Majoor van Swietenlaan)

  • Een reclame dient geen afbreuk te doen aan de kwaliteit van de openbare ruimte.

  • Een reclame moet passen bij de architectuur en functie van het betreffende pand.

  • Er dienen losse letters toegepast te worden of een kleinschalige plaat als achtergrond, beiden goed geïntegreerd in de architectuur.

  • De hoeveelheid, vormgeving, materiaaltoepassing, kleurstelling, typografie en bevestiging moeten passen bij de (cultuurhistorische-) bebouwingskarakteristieken van de omgeving en van het pand waarop de reclame wordt bevestigd.

Plaatsing

  • Loodrecht op, of evenwijdig en vlak aan, de gevel.

  • Geen reclame boven de raamdorpel van de bovenverdieping.

  • Geen reclame op daken of dakgoten.

Vorm

  • Reclame op de gevel; ontwerpen als zelfstandig element, afgestemd in maat, schaal en detaillering op de pui.

  • Reclame integreren in de architectuur en tot het hoogstnoodzakelijke beperken.

  • Geen daglicht reflecterende reclame.

  • Geen reclame in felle (neon) kleuren. Alleen toepassen kleuren uit het kleurenschema (bijlage 1)

  • Geen lichtreclame of reclame die periodiek oplicht of beweegt.

Maatvoering

  • Reclames moeten zijn afgestemd op de architectuur van het pand en qua maat en positie in verhouding zijn met het gevelvlak (maatwerk).

  • Reclame vlak op de gevel; maximaal 40 cm hoog en niet breder dan 1/3 van de breedte van het pand.

  • Boven een winkelpui maximaal 40 cm hoog en is niet breder dan de pui. Binnen deze strook zijn uitsluitend aparte letters en een logo van maximaal 40x40cm toegestaan.

  • Reclame haaks op de gevel; uitsteekarmaturen zijn maximaal 40x40 centimeter

 

Aanvullende criteria Bedrijventerreinen

Aantal

  • Maximaal 1 reclame-uiting per gevel.

  • Maximaal 1 vrijstaande reclame per perceel.

  • Per bedrijf is op eigen terrein één vrijstaande reclame (-zuil) van beperkte omvang (0,5x2m) toegestaan, tenzij het omgevingsplan hoger toestaat.

Reclames vlak op de gevel

  • De reclame moet zijn afgestemd op de architectuur/ gevelcompositie, Het moet zich qua maat en plaatsing verhouden tot het gevelvlak. Dat betekent maatwerk per pand.

Uitzonderingen

  • Afwijkende vormen van reclame kunnen worden beoordeeld aan de hand van de algemene criteria van de nota omgevingskwaliteit gemeente Westerveld.

 

Aanbevelingen Natuurinclusief bouwen

 

Algemeen

Door natuurinclusief te bouwen en te ontwerpen, is het mogelijk een gezonde en aantrekkelijke buurt te creëren. En groen in de buurt levert veel meer op dan alleen maar een mooi plaatje. Groen zorgt voor verkoeling in de zomerhitte, zuivert de lucht en biedt volop ruimte aan mede-stadsbewoners, zoals de huismus, de gierzwaluw, de merel of gewone dwergvleermuizen. Juist dankzij deze bevolkingsgroepen komt de leefomgeving pas écht tot leven. Veel plekken in de gemeente bieden kansen om natuurinclusief te bouwen. Nieuwe woningen, de omliggende tuinen en het openbaar groen kunnen vele mogelijkheden bieden om vogels, insecten en vleermuizen nestgelegenheden en voedsel te bieden, en zo zorgen voor een grotere soortenrijkdom in de buurt. Door kleine openingen te maken in gevels en onder dakoverstekken of met behulp van nestkasten kunnen nestgelegenheden worden gemaakt voor vogels en vleermuizen.

Ook hagen, struiken, klimplanten en andere beplantingen kunnen een prima verblijfplaats bieden aan vele soorten. En alles wat bloeit of vruchten draagt biedt voedsel aan deze soorten rijkdom. Ook de waterloop aan de noordzijde en de oevers langs het water kunnen bijdragen aan de biodiversiteit.

 

Toolbox

De Toolbox www.bouwnatuurinclusief.nl is een website voor architecten, gemeenten, projectontwikkelaars en woningbouwcorporaties, maar ook voor particulieren. U kunt er informatie en inspiratie vinden over heel verschillende aspecten van natuurinclusief bouwen. Iedereen die betrokken is bij het initiatief, het ontwerp en de bouw van woningen in de gemeente wordt uitgedaagd om bij te dragen tot meer biodiversiteit in de buurt.

Bouw natuurinclusief

Handleiding Checklist Groen Bouwen

Groendaken en zonnepanelen

 

Natuurinclusieve maatregelen

  • Aanplant van bomen (afhankelijk van de grootte van de tuin) zorgt voor verkoeling en schaduw in de tuin. Ook vangen zij fijnstof en geluid weg.

  • Door ook inheemse plantensoorten en nectarplanten aan te planten, ‘rommelhoekjes’ met takken (snoeihout), boomstammen en dode bladeren en plantenresten te creëren worden vogels, insecten, amfibieën, egels en andere kleine zoogdieren aangetrokken naar de tuin.

  • Het plaatsen van een insectenhotel, vlinderkasten en bijenstenen bevordert de variatie aan insecten.

  • Open water in de vorm van een vijver of op kleinere schaal een waterschaal trekt vogels, amfibieën en libellen aan (Eco groen, 2022).

 

 

Aanbevelingen:

  • Nest- en broedvoorzieningen, afgestemd op doelsoorten (vogels, vleermuizen, egels, etc.).

  • De wens is nadrukkelijk om nestelvoorziening zoveel mogelijk te integreren in de gebouwen, al moet hierbij wel worden gelet op de onderhoudsvriendelijkheid van dergelijke voorzieningen.

  • Aandacht voor een diversiteit aan inheemse insecten is van belang, omdat dit nodig is voor een evenwichtig systeem.

  • Beschutting rondom de nestplaats van groot belang.

  • Mogelijkheid voor insecten- en wormenhotels in privétuinen.

  • Voorzieningen aan gevels voor klimmende beplanting.

  • Op de platte daken van aanbouwen en bergingen kunnen groene daken (sedum).

  • Toepassing van verschillende soorten in een haag draagt eveneens bij aan de biodiversiteit.

  • Verblijfplaatsen dienen noord of oost gericht te zijn.

 

 

 

 

Bijlage 1: Kleurenschema Maatschappij van Weldadigheid

 

Onderdelen

Kleur

Merk

nummer

Gevels

witgesausd

Pastolex SW

RAL 9010

Plint gevels

grijs

Sigma

5822

Kozijnen

Zaans Crème

Edel Standverf

2010

Vensterbanken

grijs

Sigma

5822

Ramen

Heerengracht groen

Edel Standverf

2031

Roeden

Heerengracht groen

Edel Standverf

2031

Deuren

Heerengracht groen

Edel Standverf

2031

Gootbetimmering

Zaans crème

Edel Standverf

2010

Gootklossen

Zaans crème

Edel Standverf

2010

Windveren

Zaans crème

Heerengracht groen

Edel Standverf

Edel Standverf

2010

2031

Luiken

Veluws groen

Edel Standverf

2072

 

Dakkappellen

Kozijnen

Zaans crème

Edel Standverf

2010

Zijwangen

Zaans crème

Edel Standverf

2010

Voorzijde zijwangen

Zaans crème

Edel Standverf

2010

Ramen

Heerengracht groen

Edel Standverf

2031

Dakrand rondom

Zaans crème

Edel Standverf

2010

 

Agrarische bebouwing, bedrijfsgebouwen, schuren:

Gevels

Zwart

 

 

Kozijnen/deuren/ramen

Heerengracht groen

Edel Standverf

2031

Dak

Zwart

 

 

Windveren/ boeidelen

Zwart

 

 

 

Opmerking: bij gebruik van een ander merk verf dient de kleur overeen te komen met de kleur genoemd in het schema.

Naar boven