Gemeenteblad van Tilburg
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Tilburg | Gemeenteblad 2025, 462563 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Tilburg | Gemeenteblad 2025, 462563 | beleidsregel |
Beleidsregels Individuele bijzondere bijstand 2025 gemeente Tilburg
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg;
Het college het wenselijk vindt om aan te geven in welke situaties en onder welke voorwaarden er recht op bijzondere bijstand bestaat,
Besluit vast te stellen de Beleidsregels Individuele bijzondere bijstand 2025 gemeente Tilburg.
Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
Bijstandsnorm: de maximale van toepassing zijnde uitkeringsbedragen uit de Participatiewet zonder daarbij rekening te houden met een verlaging vanwege kostendelers. De toepasselijke bijstandsnorm hangt af van leeftijd, het eventueel ontbreken van woonlasten/kosten, of iemand studeert, of in een instelling verblijft en de gezinssamenstelling (alleenstaand, alleenstaande ouder, gehuwden);
Draagkracht: de middelen uit inkomen en vermogen zoals bedoeld in artikel 31 van de Participatiewet. Tenzij dit anders is bepaald in de beleidsregels. Draagkracht wordt uitgedrukt in een percentage van het inkomen in relatie tot de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Draagkracht is het bedrag aan meer-inkomen dat een aanvrager zelf aan noodzakelijke bijzondere kosten moet besteden, voordat bijzondere bijstand wordt verstrekt;
Vergoedingenlijst bijzondere bijstand: een lijst waarop de vergoedingen staan die niet elders zijn opgenomen (dus niet b.v. Nibud prijslijst of GMD lijst). De vergoedingen op deze lijst worden jaarlijks per 1 januari geïndexeerd met de consumentenprijsindex over het nieuwe jaar, zoals berekend door Schulinck;
Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen
Artikel 2.2 Moment van aanvraag en bijzondere bijstand met terugwerkende kracht
Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet worden ingediend voordat de kosten zijn voldaan, tenzij er dringende redenen waren om de kosten al te maken. De aanvraag moet dan zo snel mogelijk hierna worden ingediend. Het verstrekken van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht tot maximaal 6 maanden nadat de kosten zijn ontstaan is mogelijk onder de volgende voorwaarden:
Artikel 2.4 Mee te tellen inkomen
Het inkomen van belanghebbende (met evt. echtgenoot) die geen algemene bijstandsuitkering ontvangt wordt vastgesteld aan de hand van de inkomensspecificatie van de maand voorafgaand aan de aanvraagdatum. Indien deze specificatie een onvoldoende representatief beeld geeft van het inkomen, dan worden de inkomensspecificaties tot en met 3 maanden voorafgaand aan de aanvraagdatum opgevraagd en dan wordt hier het gemiddelde van berekend, tenzij sprake is van situaties zoals opgenomen in lid 6 en 7 van dit artikel.
Heeft de belanghebbende een wisselend inkomen dan wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen ontvangen in de drie maanden voorafgaand aan de aanvraagdatum. Op verzoek van de belanghebbende gaan we uit van het inkomen over een langere periode met een maximum van 12 maanden als 3 maanden geen representatieve periode is.
Is de belanghebbende (startende) zelfstandige, dan wordt uitgegaan van het inkomen op de aangifte inkomstenbelasting van het voorafgaande kalenderjaar. De berekening van het inkomen uit zelfstandig bedrijf of beroep is als volgt:
Fiscale winst minus een vastgesteld percentage aan inkomstenbelasting van 18%.
Artikel 2.5 Vaststellen draagkracht uit meer-inkomen
Voor kostensoorten die gerekend moeten worden tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten, maar waarvoor onder bepaalde (individuele) voorwaarden bijzondere bijstand verstrekt kan worden, bedraagt de draagkracht 100% van al het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Dit geldt in ieder geval voor de volgende kostensoorten:
Artikel 2.7 Vaststellen draagkracht uit meer-vermogen
Voor alle kostensoorten wordt 100% van het meer-vermogen zoals bedoeld in artikel 2.6 lid 3 van deze beleidsregels aangemerkt als draagkracht.
Artikel 2.9 Draagkrachtperiode
De draagkracht wordt gedurende het draagkrachtjaar niet opnieuw berekend, tenzij:
Het inkomen en/of vermogen zodanig wijzigt dat dit uit het oogpunt van bijstandsverlening niet buiten beschouwing gelaten kan worden. Dit is het geval als het inkomen met minimaal 10% toeneemt of afneemt en/of wanneer het vermogen zodanig toeneemt dat dit boven de vermogensvrijlating uitkomt zoals genoemd in artikel 34 lid 3 van de wet.
Hoofdstuk 3 Kosten die samenhangen met wonen
Artikel 3.1 Duurzame gebruiksgoederen en stofferingskosten
De kosten van de volgende essentiële duurzame gebruiksgoederen zijn zo hoog dat aangenomen kan worden dat deze niet voldaan kunnen worden uit een inkomen op bijstandsniveau:
En worden daarom altijd als gift verstrekt, tenzij sprake is van ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele reparatie voor vervanging gaat.
Bijzondere bijstand voor een noodzakelijke eerste babyuitzet wordt verstrekt in de vorm van een geldlening ter hoogte van maximaal het bedrag, zoals opgenomen op de vergoedingenlijst bijzondere bijstand. Het maximale bedrag omvat tenminste de volgende gebruiks,- en verbruiksartikelen:
Artikel 3.2 Volledige woninginrichting
De bijstand voor woninginrichting wordt uitgekeerd als gift voor de in lid 1 genoemde situaties. Voorwaarde hierbij is dat de verhuizing niet voorzienbaar was en belanghebbende aantoonbaar niet (volledig of gedeeltelijk) hiervoor heeft kunnen reserveren en/of spullen heeft opgeslagen en dit niet verwijtbaar is.
Artikel 3.3 Verhuiskosten, waarborgsom en eerste maand huur
Indien de verhuizing noodzakelijk en niet voorzienbaar is en als belanghebbende hiervoor niet heeft kunnen reserveren komen de kosten voor de eerste (niet volledige) maand huur of de dubbele huur en de eventueel bijbehorende administratiekosten in aanmerking voor bijzondere bijstand in de vorm van een gift.
Woonkosten horen tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten die betaald moeten worden uit het eigen inkomen. Als er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waardoor er problemen ontstaan bij het betalen van de woonkosten en de belanghebbende de woning niet meteen kan verlaten, dan is bijzondere bijstand in de vorm van een tegemoetkoming in woonkosten onder voorwaarden mogelijk. Deze bijzondere bijstand noemen we woonkostentoeslag.
De eigen bijdrage voor verblijf in een kraamhotel komt in aanmerking voor bijzondere bijstand indien er een psychosociale of medische noodzaak is vastgesteld en deze kosten niet worden vergoed door de zorgverzekeraar. Indien in dit bedrag een maaltijd is inbegrepen dan wordt de bijzondere bijstand verlaagd met de kosten van een broodmaaltijd (zoals is opgenomen in de Nibud prijzengids).
Artikel 4.4 Meerkosten bewassing en kledingslijtage
Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor de extra kosten van kledingslijtage en/of het wassen hiervan als gevolg van een ziekte of handicap. De minimale leeftijd voor het verstrekken van bijzondere bijstand is vanaf 4 jaar. Voor de hoogte van de bijzondere bijstand wordt aansluiting gezocht bij de GMD lijst van het betreffende kalenderjaar.
Artikel 4.6 Verhoogd energieverbruik
Energiekosten behoren tot de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van extra energieverbruik als deze, als gevolg van een (chronische) ziekte of handicap, aantoonbaar hoger zijn dan het gemiddeld energieverbruik in een vergelijkbare woning.
Hoofdstuk 5 Bewindvoering, mentorschap, curatele, rechtsbijstand en griffiekosten
Artikel 7.1 Algemene bepalingen voor alle reiskosten
Als belanghebbende met de auto reist en het reizen met het openbaar vervoer niet goedkoper is of niet mogelijk is, kan in afwijking van lid 4 van dit artikel de hoogte van de bijzondere bijstand worden bepaald op basis van de kortste route en een kilometervergoeding die gelijk is aan het in artikel 13a, lid 4, onder de Wet op de loonbelasting genoemde bedrag.
Artikel 7.2 Reiskosten bezoek in een ziekenhuis of in een inrichting verblijvende familieleden
Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor reiskosten die een huishouden maakt voor het bezoeken van een gezinslid (partner, kind, ouders) die langdurig in een ziekenhuis of een inrichting verblijft en deze persoon niet zelf naar huis kan komen. Voorwaarde hierbij is dat de opname langer dan 4 weken voortduurt en waarbij geldt dat alleen de reiskosten die na 4 weken worden gemaakt voor bijzondere bijstand in aanmerking kunnen komen.
Artikel 8.1 Indirecte Schoolkosten
De kosten voor het overblijven op school komen alleen in aanmerking voor vergoeding als belanghebbende een traject volgt met toestemming van het college gericht op het verkrijgen of behouden van betaalde arbeid, het verrichten van werkervaring of vrijwilligerswerk dan wel het volgen van een noodzakelijke scholing.
De kosten kunnen worden betaald uit de nalatenschap van de overledene en/of een uitvaartverzekering. Als dit onvoldoende is en belanghebbende kan als nabestaande (zijn of haar deel van) de kosten niet betalen, kan er bijzondere bijstand worden verleend voor diens aandeel in de kosten tot een maximumbedrag zoals is opgenomen in de vergoedingenlijst bijzondere bijstand.
Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, als toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leiden.
Deze beleidsregels gaan over de individuele bijzondere bijstand. Daar waar de term bijzondere bijstand staat bedoelen wij de individuele bijzondere bijstand.
De definitie van individuele bijzondere bijstand is te vinden in artikel 5 sub d en artikel 35 van de wet. Het betreft ‘de bijstand die wordt verstrekt voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, die niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm’. Bijzondere bijstand is het sluitstuk van bestaansvoorzieningen; het is het vangnet van het vangnet. Inwoners komen alleen in aanmerking voor bijzondere bijstand als aan alle voorwaarden uit artikel 35 van de wet is voldaan.
Het recht op bijzondere bijstand voor bepaalde kosten hangt dus af van de omstandigheden in de individuele situatie en kan dan ook alleen van geval tot geval worden beoordeeld.
Als toepassing van de beleidsregels voor de inwoner tot ‘onbillijkheden van overwegende aard’ leiden, kan op individuele basis een oplossing worden geleverd.
Proces besluitvorming aanvraag bijzondere bijstand
Het proces begint altijd met een aanvraag van belanghebbende, dit moet en is wettelijk zo bepaald. Om tot een besluit op een aanvraag voor bijzondere bijstand te komen houdt het college respectievelijk rekening met:
Bij een beoordeling van een aanvraag voor bijzondere bijstand worden volgens vaste jurisprudentie altijd de volgende vier vragen beantwoord, in een dwingende volgorde:
Daarnaast moeten artikel 11 tot en met 16 van de wet gevolgd worden. In die artikelen is opgenomen wanneer een inwoner niet in aanmerking komt voor de bijzondere bijstand, bijvoorbeeld als het gevraagde vanuit een andere regeling vergoed kan worden of de aanvrager niet in onze gemeente woont, maar ook welke kosten niet voor bijstand in aanmerking komen (art. 14 van de wet).
Het begrip voorliggende voorziening zoals opgenomen in artikel 15 van de wet speelt in de bijzondere bijstand een bepalende rol: elke andere bestaansvoorziening is te beschouwen als een voorliggende voorziening, die met voorrang op deze wet moet worden toegepast. Alle andere wetten en regelingen, waaronder de Zvw, Wlz, Wmo of bijvoorbeeld leerlingenvervoer zijn een voorliggende voorziening. Wat daarin wordt vergoed of waarover is besloten over de noodzaak van de aangevraagde vergoeding, komt niet voor bijzondere bijstand in aanmerking, zo is dwingend in de wet opgenomen.
Bijstandsverlening voor bijzondere kosten is daarom in ieder geval niet mogelijk als:
Als de inwoner op basis van de wet (artikel 11 t/m 15 van de wet) geen recht heeft op bijzondere bijstand kan hiervan worden afgeweken bij zeer dringende redenen (artikel 16 van de wet). Er kunnen zeer dringende redenen zijn om bijvoorbeeld alsnog bijzondere bijstand voor medische kosten te verstrekken, als niet vergoeden leidt tot de dood of blijvend lichamelijk letsel.
Recente jurisprudentie (CRVB 11-07-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985) geeft aan dat het college de dringende redenen ruimer moeten toetsen dan voorheen. Dringende redenen is uitgebreid met omstandigheden waarin ernstige verergering van de gezondheidssituatie door bijzondere bijstand te voorkomen is en de omstandigheden op geen andere manier te verhelpen zijn. Wel is het zo dat de wetgever bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ heeft gedacht aan een extreme situatie en ook niet met de verruiming beoogd heeft om een algemene ontsnappingsclausule te bieden.
Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen
Artikel 2.1 Aanvraag en bewijsstukken
Bijzondere bijstand wordt volgens de wet ‘op aanvraag’ verstrekt. In Tilburg kennen we hiervoor 2 mogelijkheden: digitaal of schriftelijk. Het college stelt hiervoor een digitaal aanvraagformulier beschikbaar en op verzoek een papieren formulier. Op de aanvraagprocedure is de Wet eenmalige gegevens uitvraag van toepassing. Voorkomen moet worden dat door het opvragen van al bekende gegevens tijdens de aanvraagprocedure inwoners ontmoedigd raken of de afhandeling van de aanvraag vertraagd. Bij een aanvraag voor bijzondere bijstand worden dus alleen die gegevens gevraagd die niet bekend en wel nodig zijn voor het beoordelen van de aanvraag.
Voor de Niet uitkeringsgerechtigde aanvragers (NUG, dit zijn mensen die geen bijstandsuitkering voor levensonderhoud hebben) geldt dat ze bewijsstukken moeten inleveren over hun inkomen en vermogen. Daarnaast houden we bij een draagkrachtberekening rekening met eventuele algemene meerkosten die iemand heeft ten opzichte van iemand met een inkomen op bijstandsniveau. Om de bewijslast voor onze inwoners te beperken, gaan we uit van de gegevens die we via de bankafschriften en SUWI kunnen inzien. Alleen als het nodig is vragen we meer of andere gegevens op.
Gegevens uitvraag bij aanvraag
Niet bij iedere aanvraag bijzondere bijstand zijn dezelfde gegevens nodig.
Van huishoudens waarvan het college recente inkomens en vermogensgegevens heeft, hoeven deze gegevens niet meer te worden opgevraagd.
Deze “verkorte” aanvraagprocedure is van toepassing op:
Belanghebbenden die vanuit de bijstand zijn uitgestroomd naar werk voor een periode van 12 maanden na werkaanvaarding. Onder voorwaarde dat zij nog aan het werk zijn en dat hun woon/leefsituatie ongewijzigd is. Uiteraard moeten ze ook voldoen aan de wettelijke eisen voor het recht kunnen hebben op bijstand (woonstede, geen uitsluitingen).
Om de noodzaak van kosten te beoordelen maken we zoveel mogelijk gebruik van aangeleverde gegevens en van alternatieve methoden zoals extra telefonisch doorvragen, foto’s, beeldbellen of filmpjes van de belanghebbende. Naast het opvragen van bewijsstukken behoort een huisbezoek bij de belanghebbende tot de mogelijkheden om de noodzaak van de gevraagde bijzondere bijstand vast te stellen. We gaan in ieder geval op huisbezoek als de noodzaak van het gevraagde op geen andere manier is vast te stellen, of als een huisbezoek naar inschatting van de professional nodig is, bijvoorbeeld omdat het vermoeden bestaat dat het huishouden meer ondersteuning nodig heeft dan de aangevraagde spullen.
We betalen de bijzondere bijstand meestal uit aan de leverancier of aanbieder, om te voorkomen dat onze inwoner dit later apart moet verantwoorden. Hiermee voorkomen we ook terugvorderingen als het geld niet besteed is aan hetgeen het voor is aangevraagd. Als betaling aan de leverancier niet mogelijk is, dan betalen we uit aan onze inwoner en controleren we achteraf via bewijsstukken de besteding. We zijn dit volgens de wet ook verplicht om te doen.
Artikel 2.2 Moment van aanvraag en bijzondere bijstand met terugwerkende kracht
Een aanvraag moet in beginsel worden ingediend, voordat de kosten zijn gemaakt.
Een uitzondering hierop zijn bijvoorbeeld de periodieke kosten voor bewindvoering, mentorschap of curatele. Deze kunnen wel met terugwerkende kracht worden aangevraagd. De reden hiervoor is dat de bewindvoerder, mentor of curator vaak een inventarisatieperiode van meerdere maanden nodig heeft om de financiële situatie in beeld te brengen.
Soms is het vanwege de dringende noodzaak niet mogelijk om vooraf aan te vragen. De aanvraag moet dan zo spoedig mogelijk (dit is afhankelijk van de situatie) worden gedaan én het recht op bijstand (lees de noodzaak van de kosten als ook van de spoed) moet achteraf nog vastgesteld kunnen worden.
Artikel 2.3 Vorm van de bijstand
In dit artikel is de vorm van de bijstand geregeld, namelijk of deze gegeven wordt als lening of als gift. Een lening wordt renteloos verstrekt. Volgens de wet wordt bijstand in beginsel verstrekt als gift (artikel 48 van de wet) alleen in de volgende situaties kan de bijstand verstrekt worden in de vorm van een geldlening of borgtocht:
Uit artikel 51 van de wet (en dit is meerdere malen bevestigd in de jurisprudentie (bijvoorbeeld CRvB 1-05-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9181) volgt dat bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen verstrekt wordt als lening, borgtocht of gift. Deze wettelijke volgorde geeft een voorkeur van de wetgever aan. Dit komt omdat duurzame gebruiksgoederen behoren tot de (incidenteel voorkomende) normale noodzakelijke kosten van bestaan, die uit het inkomen moeten worden betaald.
Uit constante jurisprudentie blijkt dat mensen ook met een inkomen op bijstandsniveau geacht worden hiervoor te reserveren. Pas als aantoonbaar reserveren niet mogelijk is, kan bijstand om niet worden verstrekt.
Ook bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt afgeweken van de hoofdregel dat de bijstand om niet verstrekt wordt; dan wordt er een lening gegeven. Hierbij moet gedacht worden aan situaties waarin de belanghebbende door eigen toedoen een beroep op de bijstand moet doen, of als de kosten redelijkerwijs voorkomen hadden kunnen worden, b.v. door een gebruikelijke verzekering. De bijstand wordt dan in de vorm van een renteloze lening verstrekt die in zijn geheel moet worden terugbetaald. Dit volgt ook uit artikel 48 lid 2 sub b van de wet.
Verder geldt artikel 23 van de Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2023. Wanneer een belanghebbende bij aanvragen van bijzondere bijstand geen gebruikt maakt van een voorliggende voorziening, die gezien haar aard passend en toereikend is voor het soort kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd en het is niet meer mogelijk om een beroep te doen op deze voorliggende voorziening, dan wordt de bijzondere bijstand verlaagd met het bedrag waarin de voorliggende voorziening zou hebben voorzien bij wijze van afstemming.
Bijstand kan in de vorm van een lening (onder vestiging van een krediethypotheek) verstrekt worden als iemand vermogen heeft in de eigen (zelf bewoonde) woning. Deze mogelijkheid geldt niet voor bijzondere bijstand, omdat het vestigen van een krediethypotheek veel kosten met zich meebrengt en bijzondere bijstand meestal niet om hoge kosten gaat. Let wel: dit geldt alleen voor de door de aanvrager zelf bewoonde woning. Andere woningen in eigendom tellen volledig mee als vermogen.
Artikel 2.4 Mee te tellen inkomen
Het college heeft beleidsruimte om vast te stellen wat van het inkomen en vermogen meetelt voor de bijzondere bijstand. Het college sluit voor vrijlatingen aan bij artikel 31 lid 2 van de wet en laat daarbovenop op basis van het eigen beleid een aantal soorten van inkomsten buiten beschouwing, zoals benoemd in lid 2 van dit artikel en in andere beleidsregels zoals rechtmatigheid.
Giften en premies (artikel 31 lid 2 van de wet)
Voor de werkwijze hoe wij omgaan met giften bij het vaststellen van het inkomen sluiten we aan bij de bepalingen van de beleidsregels rechtmatigheid die op de datum van de aanvraag geldig zijn. Het college laat per kalenderjaar een bedrag aan giften vrij. Giften tot het vrij te laten bedrag tellen niet mee als inkomen of als vermogen. Hetzelfde geldt voor de bedragen uit een premie of inkomstenvrijlating passend binnen de wet. Deze staan ook in artikel 31 lid 2 en vallen daarom buiten het inkomen.
Zoals in lid 7 van dit artikel is aangegeven wordt het inkomen van een zelfstandige op een andere manier bepaald dan bij andere aanvragers. Voor hen is het niet mogelijk in het lopend jaar inzicht te geven in de inkomsten. Bij een zelfstandige wordt uitgegaan van het inkomen op de aangifte inkomstenbelasting van het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van aanvraag. Dit doet het meest recht aan het werkelijke inkomen uit een onderneming.
Iedereen met een Wlz- indicatie voor verblijf heeft er recht op dat de inrichting voorziet in eten en drinken. Wanneer de inrichting de voeding niet in natura verstrekt, betalen ze aan de betreffende persoon voedingsgeld en deze koopt hiervan zelf eten.
Voedingsgeld in een inrichting
Voedingsgeld als de belanghebbende in een inrichting woont telt niet als extra inkomen en heeft ook geen invloed op de CAK eigen bijdrage als de aanvrager een bijstandsuitkering ontvangt.
Het voedingsgeld wordt dus niet in mindering gebracht op de uitkering wanneer de belanghebbende een bijstandsuitkering ontvangt ter hoogte van de inrichtingsnorm, omdat het uitgangspunt bij de inrichtingsnorm is dat de inrichting voorziet in de voedingskosten.
In aansluiting hierop wordt ook bij belanghebbenden voor de bijzondere bijstand die in een inrichting verblijven, maar een andere inkomensbron hebben dan bijstand, het voedingsgeld niet gerekend tot het inkomen.
Voedingsgeld niet in een inrichting
Bij belanghebbenden die zelfstandig wonen en voedingsgeld ontvangen wordt het voedingsgeld meegeteld als inkomen. Dit blijkt ook uit recente jurisprudentie (ECLI:NL:CRVB:2023:1783). Wel moeten we rekening houden met de eigen Wlz- bijdrage die de belanghebbende betaalt, omdat de belanghebbende anders minder te besteden heeft dan bijstandsgerechtigden die niet voor Wlz-zorg zijn geïndiceerd. Om die reden brengen we de Wlz bijdrage in mindering op het te korten voedingsgeld.
Artikel 2.5 Vaststellen draagkracht uit meer-inkomen
Draagkracht is wat een belanghebbende zelf kan bijdragen aan de kosten. De hoogte van het toe te kennen bedrag bijzondere bijstand is afhankelijk van de vraag hoeveel draagkracht er is. De draagkracht wordt berekend aan de hand van het inkomen inclusief vakantietoeslag en het vermogen (rekening houdend met de vermogensvrijlating zoals vermeld in artikel 2.6).
Mensen met een hoger inkomen verliezen vaak toeslagen en hebben hogere algemene lasten dan iemand in de bijstand. Om een zuivere beoordeling te hebben van de hoogte van het inkomen in relatie tot de bijstandsnorm halen we hogere kosten die deze inwoners hebben t.o.v. iemand in de bijstand van het inkomen af.
Voor de kostensoorten die behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan, die iedereen heeft zoals duurzame gebruiksgoederen en woonkosten hanteren we een inkomensgrens van 100% van de bijstandsnorm in plaats van 120%.
Draagkracht bij uitstroom naar werk
Om uitstroom naar werk te stimuleren hanteren we het beleid dat in de eerste 12 maanden na werkaanvaarding vanuit de bijstand er geen draagkracht is, zolang belanghebbende aan het werk blijft én er geen sprake is van een wijziging in de persoonlijke situatie die van invloed is op de hoogte van het inkomen.
Artikel 2.6 Mee te tellen vermogen/Artikel 2.7 Vaststellen draagkracht uit meer-vermogen
In artikel 34 van de wet staat hoe het college het vermogen moet bepalen voor de algemene bijstand en de vermogensgrens moet berekenen (maximaal vrij te laten vermogen). Het college volgt deze vermogensgrens ook voor de bijzondere bijstand. Alle vermogen boven het maximaal vrij te laten vermogen is draagkracht en wordt in mindering gebracht op het toe te kennen bedrag aan bijzondere bijstand. Het vermogen in de eigen woning wordt buiten beschouwing gelaten omdat het vestigen van een krediethypotheek belastend is voor zowel de inwoner als de gemeente.
Volgens de algemene bepalingen van de wet wordt vermogen dat gespaard is uit de uitkering niet meegeteld bij de berekening van het vrij te laten vermogen. Als mensen uitstromen uit de bijstand hebben ze in de eerste 12 maanden geen draagkracht. Ook het vermogen boven het vrij te laten vermogen, dat gespaard is uit de bijstand wordt in deze periode buiten beschouwing gelaten.
Artikel 2.8 Volgorde inzetten draagkracht uit meer-vermogen en meer-inkomen
In dit artikel wordt beschreven in welke volgorde de draagkracht uit meer-vermogen en meer-inkomen wordt ingezet. Dit geeft duidelijkheid en transparantie aan de inwoner en de uitvoering.
Artikel 2.9 Draagkrachtperiode
Draagkracht wordt telkens voor de duur van één jaar (12 maanden) vastgesteld, beginnend op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag om bijstand wordt ingediend.
De eerste dag van de maand waarin de aanvraag is gedaan wordt aangehouden als peildatum voor het onderzoek. Ook als de aanvraag met terugwerkende kracht wordt toegekend.
Alleen bij een wijziging (zie lid 2 van dit artikel) die van invloed is op de draagkracht wordt de draagkracht opnieuw berekend en gaat er een nieuw draagkrachtjaar van 12 maanden in. De belanghebbende dient eventuele wijzigingen zelf door te geven.
Artikel 2.10 Hoogte van de noodzakelijke kosten
Voor de meeste kostensoorten worden de normbedragen in de meest actuele prijzengids van het Nibud gehanteerd, zoals voor de aanschaf van gordijnen en vloerbedekking. Voor sommige kosten gelden andere lijsten, zoals de GMD lijst voor bewassingskosten of is een forfaitair bedrag vastgesteld. Dit is separaat vermeld. Bij een aantal kostensoorten, zoals bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen en woninginrichting wordt er bij het bepalen van de hoogte van het bedrag, rekening mee gehouden dat deze (deels) kunnen worden aangeschaft vanuit de circulaire economie (kringloopwinkels, Marktplaats en dergelijke).
Op grond van de wet kan het college bij de uitvoering van de bijzondere bijstand een zogenaamd drempelbedrag hanteren. Als een drempelbedrag wordt gehanteerd, wordt pas bijzondere bijstand gegeven als de kosten boven de drempel uitkomen. Wij hanteren geen drempelbedrag.
Artikel 2.12 Terugbetaling lening
Er wordt vanuit gegaan dat van een inkomen op bijstandsniveau 5% afgelost kan worden aan een lening bijzondere bijstand. Bij een inkomen hoger dan bijstand wordt deze 5% vermeerderd met de aanwezige draagkracht. Er wordt rekening gehouden met de beslagvrije voet, zodat niemand door het terugbetalen van deze of andere leningen beneden het minimale bedrag komt dat nodig is voor het eigen levensonderhoud (artikel 475b Rv) en onder het bestaansminimum komt.
Als belanghebbende een lening bijzondere bijstand volgens afspraak aflost, wordt na 36 maanden een eventueel restantbedrag kwijtgescholden. Als belanghebbende gedurende de 36 maanden niet volgens afspraak heeft afgelost dan wordt de looptijd van de lening verlengd met de periode waarin niet volgens afspraak is afgelost. De looptijd van de lening kan korter zijn dan 36 maanden als de belanghebbende de lening eerder heeft terugbetaald, ofwel omdat het geleende bedrag eerder volledig is afbetaald, ofwel omdat de belanghebbende een bedrag heeft betaald dat gelijk is aan 36 maanden aflossen.
Wanneer de lening verstrekt is als gevolg van verwijtbaar gedrag (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid) dient de gehele lening te worden terugbetaald en kan de aflossingstermijn meer dan 36 maanden zijn.
In artikel 58 van de wet staan regels over het terugvorderen van onterecht verstrekte bijstand. We vorderen in ieder geval niet terug op basis van vergissingen of kleine foutjes.
In de meeste gevallen is terugvordering een bevoegdheid van het college (artikel 58 lid 2 van de wet). Bij het niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht is terugvordering van te veel of ten onrechte verstrekte bijstand echter verplicht (artikel 58 lid 1 van de wet).
Op grond van artikel 58 lid 8 van de wet kan ook worden afgezien van terugvordering als hiervoor dringende redenen zijn.
Voordat we gebruik maken van de bevoegdheid om terug te vorderen wordt er eerst een evenredige belangenafweging gedaan. Dit naar aanleiding van recente jurisprudentie. Zo oordeelde de CRvB dat bij het uitvoeren van de bevoegdheid tot terugvordering een belangenafweging moet plaatsvinden (ECLI:NL:CRVB:2022:2332). In een meer recente uitspraak zette de CRvB deze lijn door en oordeelde het dat het college de intrekking van een besluit moet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel (ECLI:NL:CRVB:2023:679).
Voor deze belangenafweging moet aansluiting worden gezocht bij het door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geschetste beoordelingskader bij uitoefening van bestuursbevoegdheden met beleidsruimte. In dit beoordelingskader staan 3 vragen centraal, aan de hand waarvan de evenredige belangenafweging moet plaatsvinden.
in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend voor de belanghebbende).
Samengevat betekent de evenredigheidstoets een toets waarbij wordt beoordeeld of de nadelige gevolgen voor belanghebbende in verhouding zijn tot het doel van het besluit.
Hoofdstuk 3 Kosten die samenhangen met wonen
In dit hoofdstuk worden alle mogelijke kosten die samenhangen met wonen behandeld. Vooropgesteld: deze kosten behoren in het algemeen tot de incidenteel voorkomende noodzakelijke kosten van bestaan en moeten dus eigenlijk uit het eigen inkomen betaald worden.
Artikel 3.1/Artikel 3.2 Duurzame gebruiksgoederen en stofferingskosten/ Volledige woninginrichting
Duurzame gebruiksgoederen zijn de gebruiks- en verbruiksgoederen die (minimaal) nodig zijn om te leven, te eten en te slapen in een woning. Het gaat om goederen die incidenteel worden aangeschaft, langer meegaan (over het algemeen), een zekere waarde behouden op de langere termijn en die meegenomen kunnen worden ingeval van een verhuizing. Het gaat daarbij vooral om witgoed, meubels om te kunnen zitten en slapen en spullen om van te eten en koken. In deze regels onderscheiden we drie groepen van duurzame gebruiksgoederen, waar verschillende criteria voor gelden:
Uit vaste jurisprudentie (onder andere CRvB 17-01-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:251, CRvB 22-3-2022, ECLI:NL:CRVB:2022:605) volgt dat de kosten van een woninginrichting (stoffering en duurzame gebruiksgoederen/verbruiksgoederen zoals meubels, witgoed en dekbedden) moeten worden betaald uit de algemene bijstand (of ander inkomen) door te reserveren vooraf (sparen) of achteraf (lenen). Van een inkomen op bijstandsniveau kan volgens die jurisprudentie maximaal 5% van de geldende bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag) gereserveerd worden, dit heet reserveringscapaciteit. Van een inkomen boven bijstand telt de 5% plus meer-inkomen als reserveringscapaciteit.
Als belanghebbende gelegenheid heeft om te reserveren voor de aangevraagde kosten, dan bestaat er geen recht op bijzondere bijstand. Uit constante jurisprudentie blijkt dat onvoldoende reserveringscapaciteit die ontstaan is door eigen keuzes geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 35 oplevert.
Om te beoordelen of de belanghebbende heeft kunnen reserveren wordt gekeken naar het inkomen tijdens en over de periode voorafgaand aan de aanvraag. We berekenen niet exact de hoogte van de reserveringscapaciteit omdat de voorzienbaarheid van vervanging van duurzame gebruiksgoederen deze periode meestal overstijgt.
Over het algemeen is het hebben van schulden niet een aanvaardbare reden voor het ontbreken van reserveringsruimte; schulden worden niet aangemerkt als noodzakelijke bestaanskosten. Denk dan vooral aan schulden die zijn ontstaan door consumptieve besteding. Uit recente jurisprudentie (zie ECLI:NL:CRVB:2023:2508) blijkt echter dat in sommige gevallen het hebben van schulden wel als een bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt waardoor de belanghebbende niet heeft kunnen reserveren. Het soort schuld en hoe de schuld ontstaan is speelt hierin een belangrijke rol. Belanghebbende moet bij de aanvraag aannemelijk maken dat hij/zij niet kon reserveren voor de duurzame gebruiksgoederen. Als belanghebbende schulden aandraagt als reden om niet te kunnen reserveren, dan moet deze zelf aantonen dat het gaat om schulden die niet zijn ontstaan als gevolg van eigen keuzen, dus dat deze niet verwijtbaar zijn ontstaan. Als dit aangetoond wordt, dan kan bijzondere bijstand worden om niet omdat er geen sprake is van ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid.
De Essentiële 5 duurzame gebruiksgoederen
Aangezien de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen tot de normale kosten van het bestaan behoren, kan volgens vaste jurisprudentie het college volstaan met hiervoor alleen bijzondere bijstand te geven als de aanvrager vanwege bijzondere omstandigheden niet heeft kunnen reserveren en ook niet ergens geld kon lenen bij bijvoorbeeld bekenden, een Kredietbank of commerciële partij of via betaling achteraf.
In deze beleidsregels hebben we een begunstigende afwijking opgenomen. Het college geeft bijzondere bijstand als gift voor de aanschaf van vijf essentiële duurzame gebruiksgoederen, te weten: een bed, matras, koelkast (met vriesvak, ivm tegen gaan verspilling), wasmachine en kooktoestel, tenzij de noodzaak voor vervanging ontstaan is vanwege ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid. Het uitgangspunt hierbij is dat deze kosten dermate hoog zijn dat deze niet kunnen worden betaald uit een inkomen op bijstandsniveau.
De bijzondere bijstand wordt verstrekt ter hoogte van een bedrag dat nodig is voor een koelkast en een wasmachine met ten minstens Energielabel C. Energiezuinige apparaten verbruiken minder energie wat niet alleen milieubewust is, maar ook scheelt het in de energiekosten van het huishouden. De bedragen zijn inclusief eventuele vervoers- of bezorgkosten.
Voor de essentiële 5 duurzame gebruiksgoederen (zie artikel 3.1 lid 3 van deze beleidsregels) passen we de regel voor de berekening van reserveringscapaciteit niet toe bij een inkomen op bijstandsniveau. Wel brengen we de eventuele reserveringscapaciteit uit het meer-inkomen en/of meer-vermogen als ‘draagkracht’ in mindering op de toe te kennen bijzondere bijstand.
Overige losse duurzame gebruiksgoederen
Onder deze groep vallen alle losse duurzame gebruiksgoederen die niet de essentiële 5 zijn, zoals zitmeubels, salontafel, nachtkastje, waterkoker, strijkijzer etc, tenzij het gaat om een kostensoort waarvoor in deze beleidsregels een apart artikel is opgenomen. Bijzondere bijstand voor deze losse duurzame gebruiksgoederen wordt alleen verstrekt als de aanvrager door aantoonbaar bijzondere omstandigheden niet heeft kunnen reserveren. De bijzondere bijstand wordt als gift verstrekt als er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor reservering niet mogelijk was.
Reparatie duurzame gebruiksgoederen
De kosten van reparatie moeten in principe worden betaald uit het inkomen door hiervoor te reserveren en komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Als de belanghebbende een vervangingsaanschaf voor koelkast, wasmachine of kooktoestel aanvraagt onderzoekt het college of reparatie nog een adequate oplossing is.
Een vaste afschrijvingstermijn voor duurzame gebruiksgoederen kan niet gegeven worden en is o.a. afhankelijk van de frequentie van gebruik. In het algemeen is de veronderstelde levensduur van een koelkast en een matras 10 jaar. Voor de overige goederen van de essentiële 5 kan de levensduur langer zijn zolang ze nog goed functioneren.
Vuistregel is dat relatief nieuwe apparaten (mogelijk) wel gerepareerd worden en relatief oude (dichter bij de afschrijvingstermijn) niet meer. Hierbij moet ook de afweging gemaakt worden dat vervanging van een oude koelkast met een hoog energieverbruik de voorkeur heeft als dit vervangen kan worden door een energiezuiniger apparaat.
De kosten van een babyuitzet behoren net als de andere duurzame gebruiksgoederen tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Hiervoor dient het huishouden te sparen. Dit betekent dat in principe geen bijstand mogelijk is voor deze kosten. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. Het ontbreken van reserveringsmogelijkheden kan bijstandsverlening rechtvaardigen. In het algemeen geldt dat de aanvrager in ieder geval vanaf de vierde maand van de zwangerschap voor deze kosten heeft kunnen reserveren. Als door bijzondere omstandigheden niet (voldoende) gereserveerd kon worden, kan bijzondere bijstand worden verleend voor de kosten van kleding, verzorging, de kinderwagen en de babykamer (dit is het basispakket babyuitzet). Deze bijzondere bijstand is altijd in de vorm van een renteloze lening, ook als het niet reserveren niet verwijtbaar was. Dit heeft er mee te maken dat de spullen maar kort gebruikt worden en daarna weer verkocht kunnen worden.
Voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen voor een babyuitzet wordt uitgegaan van tweedehands goederen (met uitzondering van het matras, luiers, en eventuele andere verzorgingsproducten). Er kan niet meer bijzondere bijstand worden verstrekt dan de maximale vergoeding zoals opgenomen op de vergoedingenlijst bijzondere bijstand.
Kosten van aangepaste kleding voor de moeder komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Het zijn algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die betaald kunnen worden uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm.
Voor volledige woninginrichting kan bijzondere bijstand gegeven worden als een huishouden na een plotselinge noodzakelijke verhuizing geen spullen heeft om een woning in te richten en hier niet op een andere manier voor kan zorgen.
In deze beleidsregels benoemen we een aantal groepen inwoners c.q. situaties waarbij wij verhuizing aanmerken als bijzonder en noodzakelijk. Zij krijgen de bijzondere bijstand voor volledige woninginrichting als gift. Zij hebben deze ondersteuning direct nodig en verkeren in bijzondere omstandigheden.
Bij de groep die wordt benoemd in lid 1 onder b van dit artikel bedoelen we de belanghebbenden die na langdurige verblijf vertrekken uit een instelling, b.v. een vrouwenopvanghuis/opvang voor dak,- en thuislozen, een zorginstelling voor langdurig verblijf, opnieuw een woning gaan betrekken. Hieronder verstaan we tevens belanghebbenden die een langere periode gedetineerd zijn geweest. Als richtlijn hanteren we voor een langdurige verblijf in een instelling een periode van minimaal 12 maanden. Dit is echter geen harde grens. En we houden hierbij rekening met eventuele doorbetaling van vaste lasten en de kenbaarheid van de detentie, waardoor belanghebbende ook zelf andere maatregelen zoals opslag van spullen of tijdelijke onderhuur had kunnen regelen.
Van al deze groepen verwachten we evengoed dat ze kunnen reserveren naar draagkracht.
Bij de kosten van een volledige woninginrichting wordt gekeken naar de reserveringscapaciteit uit het inkomen en het meer-vermogen. Daarnaast kijken we ook of er spullen opgeslagen zijn of anderszins beschikbaar (hadden kunnen) zijn. Dus ook voor deze groepen geldt dat er maatwerk geleverd wordt, waarbij het uitgangspunt wel is dat de bijstand als gift wordt verstrekt.
Algemeen gebruikelijke woninginrichting
Wanneer iemand voor het eerst zelfstandig gaat wonen, wordt er geen bijzondere bijstand voor de woninginrichting toegekend. Er is namelijk geen sprake van een bijzondere omstandigheid. Iedereen gaat ooit voor het eerst zelfstandig wonen en wordt geacht hiervoor te sparen. Bovendien is deze eerste verhuizing meestal voorspelbaar. Hiervoor moet gereserveerd (gespaard) worden of spullen verzameld worden door een beroep te doen op familie en kringloop. Toch komt het soms voor dat er bijzondere en plotselinge redenen zijn waarom iemand voor het eerst zelfstandig gaat wonen, bij uitzondering kan dan wel bijzondere bijstand worden gegeven (voorbeeld van situatie zoals bedoeld onder d in dit artikel).
Opbouw bedrag woninginrichting
Bijzondere bijstand voor volledige woninginrichting wordt in de vorm van een forfaitair totaalbedrag verstrekt. Dit bestaat uit de volgende onderdelen:
Als er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt het gehele bedrag voor de woninginrichting in de vorm van een lening verstrekt (zie artikel 2.3 lid 3 van deze beleidsregels).
Artikel 3.3 Verhuiskosten, waarborgsom en eerste maand huur
Verhuiskosten komen uitsluitend in aanmerking voor bijzondere bijstand als de verhuizing noodzakelijk is en voortkomt uit bijzondere omstandigheden. Daarvan kan sprake zijn bij een niet-voorziene verhuizing op grond van een medische of sociale noodzaak. Het college stelt de noodzaak van de verhuizing vast, en de periode waarin de verhuizing voor de belanghebbende voorzienbaar was.
Voor de kosten van verhuizen kan mogelijk een beroep worden gedaan op een voorliggende voorziening. In die gevallen is er geen bijzondere bijstand mogelijk. Voorbeelden hiervan zijn:
Verhuiskosten kunnen bestaan uit:
Het maximale bedrag van de vergoeding voor transport bedraagt € 200. Er wordt vanuit gegaan dat de belanghebbende op zoek gaat naar de goedkoopste oplossing voor het transport van de goederen. Hiervan kan dus geen verhuisbedrijf worden ingehuurd.
Vaak heeft de groep die in aanmerking komt voor bijzondere bijstand recht op huurtoeslag, maar de huurtoeslag komt pas binnen als de eerste maand huur al betaald moet zijn. Er is dus een periode waarin nog geen huurtoeslag is uitbetaald, maar wel al de huur moet worden voldaan.
Bij bijzondere bijstand voor de kosten van de eerste huur wordt het bedrag van later te verwachten huurtoeslag (als sprake is van een volledige maand huur) over deze periode als leenbijstand verstrekt. Voor deze vorm wordt gekozen, omdat de aanvrager op een later tijdstip alsnog de huurtoeslag voor deze periode krijgt.
Ad 4. Administratiekosten en waarborgsom
Bij de waarborgsom is leenbijstand de enig mogelijke vorm, omdat de aanvrager de waarborgsom op een later moment weer terug ontvangt. Omdat iemand lang in de woning kan blijven wonen en daardoor de leenbijstand heel lang ‘open’ moet blijven staan, wordt de waarborgsom direct in termijnen verrekend met de bijstandsuitkering voor levensonderhoud, als hier sprake van is. Als het gaat om een Nug-ger, dan wordt gevraagd om de waarborgsom in termijnen terug te betalen. Uiteraard wordt in beide situaties altijd rekening gehouden met de beslagvrije voet.
De woonkostentoeslag is een tijdelijke bijdrage in de kosten van een huur of hypotheek en bijkomende kosten, als het inkomen van belanghebbende door omstandigheden plotseling is gedaald en deze kosten niet meer uit het lagere inkomen te betalen zijn. Het college verwacht dat de aanvrager direct en actief op zoek gaat naar een andere woning met een meer passende prijs, dus het is bedoeld als een tijdelijke overbrugging. In de meeste gevallen wordt de woonkostentoeslag als gift verstrekt. Soms is het (gedeeltelijk) een lening. Bijvoorbeeld als er mogelijk nog recht is op een (hogere) huurtoeslag of als hypotheekrenteaftrek kan worden aangevraagd.
Onder de woonkostentoeslag worden de volgende kosten begrepen:
hypotheekrente, andere eigenaarslasten (eventuele erfpachtcanon, rioolrecht, onroerendezaakbelasting, opstalverzekering, eigenaarsdeel waterschapslasten) en een bedrag voor onderhoud; hierop wordt de ontvangen hypotheekrenteaftrek in mindering gebracht. De actuele hoogte van de hypotheekrente wordt zo goed mogelijk bepaald aan de hand van beschikbare bewijzen (deze kan bijvoorbeeld van maand tot maand verschillen). Waar mogelijk moet de aanvrager een voorschotverzoek doen bij de Belastingdienst voor de hypotheekrenteaftrek.
Woonkostentoeslag voor zelfstandige ondernemers
Voor zelfstandigen die door omstandigheden hun woonkosten (en eventuele andere bijzondere kosten) niet meer kunnen betalen, gelden andere wettelijke regels dan voor niet-zelfstandigen. Bijstand (voor o.a. levensonderhoud en woonkosten) aan zelfstandigen wordt in beginsel verleend volgens het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Zij hoeven dus geen beroep te doen op de bijzondere bijstand.
Artikel 3.5 Doorbetaling vaste lasten
Op grond van artikel 13 van de wet komen personen in detentie niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Het college voert buitenwettelijk begunstigend beleid voor het doorbetalen van vaste lasten bij kortdurende detentie. Door vaste lasten door te betalen bij kortdurende detentie wordt onnodige detentieschade voorkomen, bijvoorbeeld verlies van woonruimte. Die schade leidt weer tot maatschappelijke kosten zoals overlast en recidive.
Soms kunnen mensen er voor kiezen om in detentie te gaan in plaats van het betalen van een boete. Als dit echt een keuze is, dan vindt er geen doorbetaling van de vaste lasten plaats. Het moet dan wel echt gaan om een vrije keuze.
Er vindt een individuele beoordeling plaats van de noodzaak van de verschillende kosten. Als de gedetineerde de vaste lasten niet zelf kan betalen of geen tijdelijke regeling kan treffen met het nutsbedrijf, familie of vrienden kan bijzondere bijstand worden verleend voor onvermijdbare doorlopende lasten. In aanmerking komen woonlasten, en ook de kosten van bewindvoering, mentorschap of curatele.
Er geldt geen vermogensvrijlating. We verwachten dat de gedetineerde alle reserveringsruimte en al het vermogen inzet alvorens aanspraak te doen op bijstand. Onder kortdurend wordt verstaan een detentieperiode van maximaal 6 maanden.
Als mensen tijdelijk in een instelling verblijven en hun woning aanhouden, dan is doorbetaling van vaste lasten ook mogelijk, als de bijstandsnorm is aangepast naar de norm ‘verblijf in een instelling’ zoals bedoeld in art. 1 onder f van de wet. Deze norm is niet bedoeld voor het betalen van vaste lasten. Ter voorkoming van dakloosheid is het nodig om de woning aan te houden, maar zeker ook vanwege de grote woningnood is niet wenselijk om dit gedurende te lange tijd te doen.
De doorbetaling vaste lasten kan maximaal voor 6 maanden, alleen bij bijzondere omstandigheden is verlenging mogelijk. De doorbetaling vaste lasten moet vooraf worden aangevraagd, hiervoor geldt niet de mogelijkheid om deze bijzondere bijstand met terugwerkende kracht aan te vragen, simpelweg omdat het dan gaat om het verlenen van bijstand voor een schuld.
Artikel 4.1 Geen bijzondere bijstand voor kosten die vallen onder voorliggende voorziening
In dit artikel zijn de criteria voor bijstandsverlening voor medische kosten uitgewerkt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de Zvw (Zorgverzekeringswet), de Wlz (Wet langdurige zorg) en de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning) passende en toereikende voorliggende voorzieningen zijn voor medische kosten. Binnen deze regelingen zijn bewuste keuzes gemaakt over wat wel of niet vergoed wordt of waarvoor een eigen bijdrage wordt gevraagd. Ook kosten die bewust buiten de dekking van die verzekeringen en regelingen zijn gelaten, of eigen bijdragen worden op basis van jurisprudentie niet vergoed. Het is niet de bedoeling dat het verlenen van bijzondere bijstand dit uitgangspunt doorkruist. Een aantal soorten van eigen bijdragen komen echter wel in aanmerking voor bijzondere bijstand. Deze zijn terug te vinden in artikel 4.3.
Een beslissing moet zorgvuldig worden voorbereid. Dit volgt uit artikel 3:2 Awb. De zorgvuldige voorbereiding kan in individuele gevallen inhouden dat een deskundige geraadpleegd moet worden.
Wij mogen zelf geen medische gegevens opvragen of vastleggen in het dossier van een klant.
Onafhankelijk medisch advies kan worden ingewonnen om de noodzaak van aangevraagde kosten te kunnen vaststellen. Het gaat dan bijvoorbeeld om medische kosten of kosten die voortkomen uit een medische aandoening (zoals extra kosten ten gevolge van een dieet, of een aanvraag voor een aangepast matras wegens een medische aandoening). Als uit de aangeleverde gegevens al voldoende blijkt dat er een medische noodzaak bestaat, hoeft geen extern advies te worden ingewonnen.
Als de belanghebbende niet mee wil werken aan een medisch advies dan kan het college de noodzaak van de gevraagde kosten niet vaststellen en wordt de aanvraag voor de bijzondere bijstand afgewezen.
De Gemeentepolis (CZM) bestaat uit een basisverzekering en een aanvullende verzekering met de keuze uit meerdere pakketten. In een deel van de pakketten is een dekking opgenomen voor de eigen bijdrage voor Wmo. Deelnemers aan de CZM kunnen daarom een beroep doen op de CZM voor deze kosten. Dit is een passende en toereikende voorliggende voorziening.
Als de belanghebbende niet deelneemt aan de CZM dan kan er wel bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage Wmo worden verstrekt.
Wanneer sprake is van een psychosociale of medische indicatie wordt het verblijf noodzakelijk geacht. Verder onderzoek naar de noodzaak van de kosten is dan niet nodig.
Alleen voor de kosten die niet in aanmerking komen voor vergoeding vanuit de zorgverzekering kan bijzondere bijstand worden verstrekt.
Om van de faciliteiten van een Ronald McDonald Huis gebruik te kunnen maken is een medische indicatie nodig van de arts of het medisch maatschappelijk werk in het ziekenhuis. De noodzaak van de kosten is hiermee vastgesteld. De bijzondere omstandigheid is dat er een medische noodzaak is dat de ouders in de directe nabijheid van hun ernstig zieke kind moeten zijn. Eventueel noodzakelijk te maken reiskosten komen ook voor bijstandsverlening in aanmerking.
Artikel 4.4 Meerkosten bewassing en kledingslijtage
Als ten gevolge van ziekte of gebrek meer kosten moeten worden gemaakt voor vervanging, reiniging en onderhoud van kleding dan algemeen gebruikelijk, kan bijzondere bijstand worden verleend voor de meerkosten. Voor kinderen onder 4 jaar is geen sprake van meerkosten, omdat tot deze leeftijd slijtage gebruikelijk en niet bijzonder is. De ziekte of het gebrek, de ernst ervan, en de gebruikte hulpmiddelen bepalen mede het bedrag van de meerkosten. Er wordt hiervoor altijd een medisch advies ingewonnen.
Artikel 4.5 Meerkosten maaltijdvoorziening
Onder maaltijdvoorziening begrijpen we de speciale maaltijden die aangeschaft kunnen worden door mensen die zelf niet meer of moeilijk kunnen koken. Het gaat hier niet om de kant-en-klaar maaltijden die in de supermarkt gekocht kunnen worden.
Artikel 4.6 Verhoogd energieverbruik
Energiekosten behoren tot de algemene kosten van bestaan die uit het gewone inkomen betaald dienen te worden. Zij zijn niet bijzonder. De uitzondering die tijdens de energiecrisis van 2022 en 2023 werd gemaakt, is niet meer van toepassing. Er is dus geen bijzondere bijstand mogelijk als de energiekosten hoog zijn vanwege stijgende gas- en energieprijzen. Bijzondere bijstand kan alleen verstrekt worden als het gaat om meerverbruik van energie vanwege een medische aandoening.
De kosten voor dieetpreparaten en dieetadvisering vallen grotendeels onder de Zvw. De meerkosten voor een aantal medisch noodzakelijke diëten die niet onder de zorgverzekeringswet vallen, kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Alleen diëten waarvan de meerkosten zijn opgenomen in de Nibud prijzengids komen in aanmerking. Sommige andere diëten zijn medisch gezien weliswaar noodzakelijk, maar leiden niet tot meerkosten.
Aftrek dieetkosten bij Belastingdienst
Dieetkosten zijn (onder bepaalde voorwaarden) aftrekbaar voor de inkomstenbelasting bij de Belastingdienst. Deze compensatie beschouwen wij niet als een voorliggende voorziening. Wij brengen deze (gedeeltelijke) compensatie niet in mindering op het bedrag aan bijzondere bijstand en wij verrekenen ook niet achteraf een eventuele aftrek voor dieetkosten.
Artikel 4.8 Personenalarmering
De kosten voor personenalarmering op grond van een medische indicatie kunnen vaak worden vergoed vanuit een aanvullende ziektekostenverzekering. We gaan ervan uit dat als belanghebbende zich voor deze kosten kan verzekeren hij dat zo spoedig mogelijk doet. Indien de belanghebbende niet aanvullend verzekerd is en er sprake is van noodzakelijke kosten dan komen de kosten voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand in aanmerking voor maximaal de duur van het kalenderjaar. In het nieuwe kalenderjaar kan de belanghebbende zich alsnog aanvullend verzekeren. Tenzij dit om aannemelijke redenen niet mogelijk is. Dan kan alsnog bijzondere bijstand verstrekt worden. Als de belanghebbende aangeeft ervoor te kiezen zich niet aanvullend te verzekeren vinden we dit geen aannemelijke reden.
De kosten voor personenalarmering op grond van een sociale indicatie kunnen ook in aanmerking komen voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand als de alarmering ertoe bijdraagt dat de aanvrager langer thuis kan blijven wonen. De aanvullende zorgverzekering is hiervoor geen voorliggende voorziening.
Het AWARE alarm is een specifieke vorm van alarmering bij een zeer onveilige en onhoudbare situatie in geval van acuut huiselijk geweld. Een indicatiecommissie stelt de noodzaak voor het gebruik van de AWARE aansluiting vast. Het slachtoffer kan dan bescherming krijgen met een persoonlijk AWARE alarmsysteem. Dit staat in direct contact met de meldkamer van de politie.
Als de indicatie wordt vastgesteld is dit voor de bijzondere bijstand voldoende reden om aan te nemen dat deze kosten bijzonder en noodzakelijk zijn. De kosten voor deze AWARE-aansluiting komen om die reden voor bijzondere bijstand in aanmerking.
Hoofdstuk 5 Bewindvoering, mentorschap, curatele, rechtsbijstand en griffiekosten
Beschermingsbewind, curatele, en mentorschap zijn verschillende maatregelen om mensen te beschermen die zelf niet goed beslissingen kunnen nemen over hun financiën of hun verzorging . Bijvoorbeeld door een geestelijke handicap, problematische schulden, verslaving of dementie. Het is een heel ingrijpende, vrijheidsinperkende maatregel, die alleen door de rechtbank uitgesproken mag worden. De Rechtbank spreekt bewindvoering (of curatele of mentorschap) uit, waarmee het recht tot het nemen van financiële beslissingen of beslissingen over iemands verzorging wordt overgedragen naar een bewindvoerder, curator of mentor. De tarieven voor bewindvoerder, curator of mentor zijn bij wet vastgesteld en worden in de Staatscourant gepubliceerd.
Artikel 5.1 Bewindvoering, mentorschap en curatele Als een rechtbank beschermingsbewind uitspreekt dan hebben wij als gemeente geen beoordelingsruimte over de noodzaak van de kosten en de vraag of de kosten bijzonder zijn. Dat zijn ze op basis van de gerechtelijke uitspraak altijd. De beschikking van de kantonrechter is bepalend voor de kostenvergoeding en wordt gebaseerd op de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.
We hebben alleen nog te beoordelen of de inwoner voldoende geld heeft om de kosten zelf te betalen om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand. Voor inwoners met een laag inkomen, (zie de bepalingen in artikel 2.4 tot en met 2.7 van deze beleidsregels) betaalt de gemeente via de bijzondere bijstand de kosten van bewindvoering (of curatele of mentorschap). Deze bijzondere bijstand is altijd een gift.
Bewindvoering bij beide partners
Het kan voorkomen dat 2 verschillende bewindvoerders worden benoemd voor 2 partners die in gemeenschap van goederen zijn getrouwd of op andere wijze een economische eenheid vormen. In die situaties leggen wij aan de belanghebbenden de inspanningsverplichting op dat zij zo spoedig mogelijk overstappen naar een gezamenlijke bewindvoerder (bij voorkeur 1 van de al aanwezige bewindvoerders). De kosten voor bewindvoering per persoon zijn namelijk aanzienlijk hoger dan de kosten voor bewindvoering voor 2 personen.
Er kunnen wel bijzondere omstandigheden zijn waardoor dit niet mogelijk is. Bijvoorbeeld als de bewindvoerders beide hun eigen expertise hebben die niet door 1 bewindvoerder kan worden aangeboden en uitgevoerd.
Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RBMNE:2020:3561) blijkt ook dat dit geen optie is als de financiën van de partners gescheiden zijn en de financiële belangen voor een groot deel geen gezamenlijke belangen zijn.
Bewindvoering in het kader van de Wsnp
De kosten van bewindvoering in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Het Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering en het Besluit salaris bewindvoerder schuldsanering gelden als voorliggende voorzieningen. Het salaris van de bewindvoerder wordt namelijk met voorrang betaald uit de boedel.
Uit jurisprudentie (CRvB 21-08-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5104) blijkt dat een vergoeding van de kosten van het indienen van een aanvraag om toepassing van een schuldsaneringsregeling zoals bedoeld in de Wsnp binnen de voorliggende voorziening, de Wet op de rechtsbijstand, als niet noodzakelijk wordt aangemerkt. Dit komt, omdat het feitelijk gaat om het treffen van een afbetalingsregeling. Hiervoor is geen juridische deskundigheid vereist. Dit kan de aanvrager ook zelf regelen.
Strikt genomen zijn de kosten voor een bankrekening geen bijzondere kosten, iedere Nederlander moet deze betalen. Echter, als iemand onder bewind staat moeten er 2 bankrekeningen worden aangevraagd: een beheer- en een leefgeldrekening. De bewindvoerder maakt kosten voor het openen en voor het aanhouden van een rekening. Hiervoor kan bijzondere bijstand worden verstrekt ter hoogte van een bedrag zoals opgenomen op de vergoedingenlijst. Daarnaast berekend de bank kosten aan de belanghebbende door voor zowel de beheer- als de leefgeldrekening. Het hebben van één rekening is algemeen gebruikelijk, daarom komen alleen de kosten van de beheerrekening in aanmerking voor bijzondere bijstand. We verstrekken via de bijzondere bijstand in principe altijd de goedkoopst adequate voorziening, dit geldt ook voor de bankkosten (die in Nederland verschillend zijn). We gaan mensen niet verplichten om over te stappen naar de goedkoopste bank, maar omwille van de duidelijkheid en uitvoerbaarheid verstrekken we het bedrag dat de goedkoopste onder de meest voorkomende banken in Nederland in rekening brengt. De meest voorkomende banken zijn:
Volksbank (waaronder ASN, SNS en Regiobank)
Binnen de WMO (soms ook binnen WLZ) is het persoonsgebonden budget vaak een alternatief voor zorg in natura, ter keuze van onze inwoner. Wanneer het PGB een keuze is en er is een mogelijkheid voor zorg in natura als alternatief, dan is beheer van PGB ook een keuze en dus niet noodzakelijk. Er wordt dan geen bijzondere bijstand voor verstrekt. Daarnaast moet het beheren van het PGB door een bewindvoerder ook noodzakelijk zijn, iemand (of de eigen omgeving) kan het niet zelf.
Artikel 5.2 Rechtsbijstand en griffiekosten
Inwoners met een laag inkomen die een gerechtelijke procedure voeren kunnen hiervoor een toevoeging krijgen van de Raad van Rechtsbijstand. Zij moeten dan wel een eigen bijdrage betalen. Deze eigen bijdrage wordt vastgesteld op basis van het inkomen en het vermogen. Als een toevoeging wordt verleend, staat volgens vaste jurisprudentie de noodzaak voor rechtsbijstand vast en heeft het college hier geen eigen beoordelingsruimte meer. Bijzondere bijstand is dan mogelijk voor de eigen bijdrage vanuit de Wet op de rechtsbijstand en de griffierechten. Voor iedere nieuwe procedure wordt een nieuwe toevoeging toegekend. Als we bijzondere bijstand verstrekken, moet voor iedere procedure de juiste toevoeging worden getoond.
In het vierde lid van dit artikel staan de kosten vermeld die niet vergoed worden. Een uitzondering kan worden gemaakt als geprocedeerd is naar aanleiding van een opgelegde schriftelijke verplichting van het college. Dit voor zover de kosten noodzakelijk zijn. Dit kan aan de orde zijn als een proces nodig is om eigen inkomsten te verkrijgen dan wel te behouden.
Hoofdstuk 6 Jongeren van 18 tot 21 jaar
Artikel 6.1 Noodzakelijke kosten van levensonderhoud van jongeren niet in inrichting
Voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar zijn de ouders onderhoudsplichtig; zij dienen bijvoorbeeld te voorzien in de kosten van voeding en wonen. Daarom krijgen deze jongeren een lage bijstandsnorm (artikel 20 van de wet). In bijzondere situaties kunnen jongeren van 18 tot en met 20 jaar die zelfstandig moeten wonen in aanmerking komen voor een toeslag op de voor hen geldende bijstandsnorm als de kosten voor levensonderhoud hoger zijn dan de bijstandsuitkering. Dit kan op grond van artikel 12 van de wet en staat bekend als de jongerentoeslag (en wordt verstrekt als belaste bijzondere bijstand).
Voor de jongerentoeslag gelden (in ieder geval) de volgende voorwaarden:
Bij de invoering van de nieuwe Participatiewet in balans komt artikel 12 van de wet te vervallen en wordt het mogelijk om algemene bijstand te verstrekken als de jongere voor de kosten van levensonderhoud geen beroep kan doen op zijn/haar ouders.
De meest eenvoudige manier voor ouders om de onderhoudsplicht uit te voeren, is de jongere weer thuis te laten inwonen. Soms is direct duidelijk dat dit niet kan, zoals b.v. bij de alleenstaande jonge vluchtelingen, waarvan de ouders niet in Nederland zijn of voor jongeren waarvan de ouders niet meer leven. Om te onderzoeken in andere situaties of thuis wonen mogelijk is wordt een verklaring van een hulpverleningsinstantie gevraagd. De noodzaak van het uitwonend zijn staat voldoende vast als de jongere in het kader van de Jeugdwet buiten het ouderlijke gezin is geplaatst. Ook als de jongere voor de aanvraag heeft deelgenomen aan begeleid kamer bewonen of bij een (formeel) pleeggezin heeft gewoond, kan uitgegaan worden van een noodzaak.
Wanneer is vastgesteld dat de jongere niet zonder meer terug naar huis kan, zal beoordeeld worden of een rechtstreeks beroep op de ouders uitkomst kan bieden. Daarbij speelt zowel de financiële positie van de ouders als de relatie tussen ouders en jongere een rol. Als de belemmeringen voor een rechtstreeks beroep op de ouders van relationele aard zijn, zal dit ook moeten blijken uit de verklaring van de hulpverlening. Dit wordt niet licht aangenomen, omdat ouders financieel verantwoordelijk zijn voor hun kinderen tot 21 jaar.
De bijzondere bijstand vult de jongerennorm aan tot de bijstandsnorm voor 21 jaar en ouder. Dit kan lager zijn als blijkt dat de jongeren geen woonkosten en/of woonlasten heeft. Dit is soms het geval als er sprake is van huisvesting in een doorstroomlocatie.
Artikel 6.2 Noodzakelijke kosten jongeren in inrichting
Personen van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijven, hebben geen recht op algemene bijstand (artikel 13 lid 2 onderdeel a van de wet). Deze jongeren moeten een beroep doen op hun ouders. Ouders hebben een onderhoudsplicht tot hun kinderen 21 jaar zijn.
Over het algemeen wordt van de ouders van deze jongeren dan ook om een bijdrage gevraagd in de kosten van het verblijf in de inrichting. Als een beroep op de ouders niet mogelijk is dan kan recht bestaan op bijzondere bijstand voor de kosten van het levensonderhoud die de inrichting niet levert (op grond van artikel 12 van de wet). De bijstand wordt in z’n geheel als bijzondere bijstand verleend.
Artikel 7.1 Algemene bepalingen reiskosten
Inwoners maken bij verschillende gelegenheden reiskosten. Belanghebbende wordt geacht uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm vervoerskosten te kunnen betalen om deel te kunnen nemen aan het leven van alledag en sociale contacten te onderhouden.
Soms echter zijn er extra reiskosten nodig vanwege bijzondere omstandigheden. Bijzondere omstandigheden kunnen met zich meebrengen dat voor hieruit voortvloeiende reiskosten bijzondere bijstand mogelijk is.
De reiskosten kunnen zowel op basis van de kosten voor het openbaar vervoer als in de vorm van een kilometervergoeding voor de auto worden vergoed.
Artikel 7.2 Reiskosten bezoek in een ziekenhuis of in een inrichting verblijvende familieleden
In de meeste aanvullende verzekeringspakketten zijn vergoedingen opgenomen voor reiskosten die gemaakt worden voor ziekenbezoek. Daarnaast is er de mogelijkheid deze terug te vragen bij de Belastingdienst.
Bijzondere bijstand voor deze kosten wordt alleen ter aanvulling op de voorliggende voorzieningen verstrekt. Daarnaast zijn ook de voorwaarden zoals is beschreven in artikel 7.1 van deze beleidsregels van toepassing.
Artikel 7.3 Reiskosten bezoek gedetineerde
Detentie van een gezinslid is op te vatten als een bijzondere omstandigheid en voor de reiskosten voor achterblijvende gezinsleden kan bijzondere bijstand verstrekt worden.
Wanneer de gedetineerde verblijft in een halfopen of open inrichting, kan hij/zij zelf reizen. Reiskosten voor familiebezoek komen dan niet (meer) voor vergoeding in aanmerking. De reiskosten van de gedetineerde zelf komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.
Artikel 7.4 Reiskosten bezoek uit huis geplaatste kinderen
De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op een bezoekfrequentie die in het behandelplan is vastgelegd. Indien er geen bezoekfrequentie is vastgesteld dan kan er bijzondere bijstand worden verleend voor maximaal twee reizen per week per huishouden.
Artikel 7.5 Reiskosten schoolgaande kinderen (jonger dan 18 jaar)
De Wtos (Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten) en de opvolger van de Wtos, het kindgebonden budget, kunnen niet standaard worden aangemerkt als een passende en toereikende voorziening voor de reiskosten van schoolgaande kinderen. Om die reden heeft het college beleidsruimte om in bijzondere situaties bijzondere bijstand te verstrekken.
In dit artikel zijn de voorwaarden geregeld wanneer en in welke vorm de reiskosten voor het kind dat onderwijs volgt buiten Tilburg in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.
Artikel 8.1 Indirecte Schoolkosten
Alleen de in dit artikel benoemde indirecte schoolkosten komen voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand in aanmerking. Voor de overige schoolkosten geldt dat Stichting Leergeld een passende en toereikende voorliggende voorziening is (artikel 15 lid 1 van de wet).
Stichting Leergeld Tilburg helpt kinderen uit gezinnen met een inkomen tot 130% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Zij helpen bijvoorbeeld met schoolspullen, een laptop, een fiets, sport of zwemles. Leergeld doet dit vanuit een subsidie bijdrage van de gemeente en heeft meer en ruimere beoordelingsvrijheid dan de gemeente heeft vanuit de bijzondere bijstand (zeker waar het gaat om de beoordeling van de noodzaak van kosten).
Een basisschool of middelbare school in het regulier of speciaal onderwijs kan extra activiteiten buiten de gewone lessen om organiseren, zoals schoolreisjes of sportdagen. Hiervoor mag de school een vrijwillige bijdrage van de ouders vragen. Bij wet is nu opgenomen dat, ook als ouders de vrijwillige ouderbijdrage niet betalen, alle leerlingen mee moeten kunnen doen met activiteiten die de school organiseert.
Scholen zijn verplicht dit expliciet te vermelden in de schoolgids en het schoolplan. Dit geldt voor alle programma’s en activiteiten die de school aanbiedt, ook activiteiten buiten het verplichte lesprogramma. Er mag geen vervangend programma worden aangeboden aan kinderen waarvan de ouders de ouderbijdrage niet betalen.
Scholen kunnen wel besluiten dat een activiteit buiten het verplichte lesprogramma niet door kan gaan, als door onvoldoende leerlingen de gevraagde bijdrage is betaald.
In de wet komt geen bepaling voor met betrekking tot uitvaartkosten. De kosten van lijkbezorging zijn dan ook voor rekening van de nabestaanden en als die er niet zijn dient de Wet op de Lijkbezorging 1 te worden toegepast.
Een nabestaande kan recht hebben op bijzondere bijstand voor uitvaartkosten als:
De bijstand wordt dan aangevraagd door en op naam van de betreffende nabestaande. Alle middelen uit de nalatenschap van de overledene worden in mindering gebracht op de noodzakelijke kosten.
De te vergoeden kosten en de hoogte hiervan zijn opgenomen in de vergoedingenlijst bijzondere bijstand en deze zijn gebaseerd op de Nibud prijzengids.
Het territorialiteitsbeginsel houdt in dat alleen kosten die in Nederland gemaakt worden in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Dit staat in artikel 11 van de wet. Dit heeft tot gevolg dat kosten die gemaakt worden in het buitenland, of reizen van of naar het buitenland niet voor bijstandsverlening in aanmerking komen. Om die reden kunnen de kosten van een uitvaart buiten Nederland niet vergoed worden vanuit de bijzondere bijstand.
Artikel 8.3 Liquiditeitsproblemen
Als een belanghebbende ten gevolge van de individuele omstandigheden in een moeilijke financiële situatie komt en er sprake is van een liquiditeitsprobleem waardoor hij/zij de periode tot de eerstvolgende betaling niet kan overbruggen, dan kan bijzondere bijstand ter overbrugging worden toegekend. Deze incidentele bijzondere bijstand is onbelast.
De aanwezige middelen op de bankrekening worden in mindering gebracht op de bijzondere bijstand. Tot die middelen behoren niet de al toegekende en uitbetaalde bijzondere bijstand. Ook de eventuele inkomsten uit arbeid of inkomsten uit een voorliggende voorziening worden bij de toekenning van de uitkering in mindering gebracht op de bijzondere bijstand.
Bij een samenloop van bijzondere bijstand voor eerste huur en liquiditeit wordt rekening gehouden met de normhuur bij de toegekende bijzondere bijstand liquiditeit. Immers, uit de toegekende liquiditeit wordt iemand geacht de algemene bestaanskosten te kunnen betalen, waaronder de huur. Vaak is er echter sprake van een gedeelte van een maand en bestaat geen recht op huurtoeslag. We verrekenen met de bijzondere bijstand liquiditeit dan de norm huur, dus de huur minus de gemiste huurtoeslag, naar rato over dat deel van de maand.
Artikel 8.4 Legeskosten verblijfsvergunningen
De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt aangemerkt als een toereikende voorliggende voorziening, waardoor bijstandsverlening voor een vergunning voor onbepaalde tijd niet noodzakelijk is. Aan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zijn namelijk geen legeskosten verbonden. Deze vergunning kan iedere 5 jaar kosteloos worden verlengd. Aan een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd zijn wel kosten verbonden. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd biedt de vergunninghouder weliswaar meer zekerheid over de duurzaamheid van zijn verblijf in Nederland, maar is daarmee nog niet aan te merken als een noodzakelijke voorziening.
Vergunninghouders asiel moeten onder omstandigheden wel legeskosten voor een "reguliere" verblijfsvergunning betalen. Voor een kind, dat tijdens het verblijf in Nederland uit een statushouder geboren wordt, is de procedure "reguliere verblijfsvergunning" van toepassing, waaraan kosten zijn verbonden. Afhankelijk van de bijzondere omstandigheden in het individuele geval, waaronder de mogelijkheid dat de (biologische) ouder de kosten geheel of gedeeltelijk betaalt is bijzondere bijstand mogelijk.
Ook in het geval van voortgezet verblijf van alleenstaande minderjarige asielzoekers, asielzoekers die buiten hun schuld om Nederland niet kunnen verlaten en personen waarvoor binnen de wettelijke termijn niet op hun asielaanvraag is beslist, behoren de kosten voor aanvraag dan wel verlengen van de benodigde verblijfsvergunning regulier tot de noodzakelijke kosten van het bestaan (waarvoor in beginsel bijstand kan worden verleend).
Artikel 8.5 Kosten accountant/boekhouder
Een schuldhulpverleningstraject of Msnp staat open voor inwoners die ondernemer zijn met een bedrijf zonder rechtspersoonlijkheid. Dit zijn de volgende rechtsvormen:
Voor een schuldregeling moeten de boekhouding en de aangiften bij de Belastingdienst op orde zijn. Pas als alle aangiften zijn gedaan en de jaarstukken op orde zijn, is de hoogte van de totale schuld duidelijk en kan er worden gewerkt aan een oplossing. In de praktijk moet hiervoor met regelmaat een boekhoudkantoor ingeschakeld worden. Wanneer de schuldenaar de kosten hiervoor zelf niet kan dragen en er begeleiding is vanuit het team Schuldhulpverlening én de kosten van de boekhouder noodzakelijk zijn, dan kan een aanvraag bijzondere bijstand worden gedaan. Hierbij wordt gekeken (zoals gebruikelijk) naar de goedkoopst adequate oplossing.
Het college kan in bijzondere gevallen op grond van de hardheidsclausule ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in de beleidsregels.
In lid 1 van dit artikel is opgenomen dat belanghebbende onverkort het recht houdt op reeds toegekende bijzondere bijstand voor de duur van de looptijd in de beschikking. Na afloop van de looptijd wordt bij een eventuele nieuwe aanvraag het recht op bijzondere bijstand beoordeeld op grond van deze beleidsregels.
In lid 2 van dit artikel is opgenomen dat bij aanvragen voor de ingangsdatum van deze beleidsregels, waarover nog geen besluit is genomen na de ingang van het nieuwe beleid, niet nadelig kunnen uitpakken als het nieuwe beleid minder gunstig is voor de belanghebbende. Het besluit kan dus genomen worden op zowel het oude beleid als het nieuwe beleid.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-462563.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.