Gemeenteblad van Valkenswaard
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Valkenswaard | Gemeenteblad 2025, 458183 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Valkenswaard | Gemeenteblad 2025, 458183 | beleidsregel |
Beleidsregels standplaatsen Valkenswaard 2020
1.1 Aanleiding nieuwe beleidsregels
De aanleiding om het standplaatsenbeleid te wijzigen is tweeledig. Enerzijds is er een juridische noodzaak omdat de standplaatsvergunningen schaarse vergunningen zijn waarvoor een verdelingsbeleid moet worden gehanteerd. Anderzijds is er een economische aanleiding omdat de laatste jaren veel is gewijzigd in de detailhandelsbranche en het centrum van Valkenswaard, terwijl het standplaatsenbeleid inhoudelijk nauwelijks is gewijzigd.
De laatste jaren is er jurisprudentie ontwikkeld ten aanzien van zogenaamde ‘schaarse vergunningen’. Dit zijn vergunningen waarbij het aantal gegadigden groter is dan het aantal vergunningen dat wordt uitgegeven. Uitgangspunt van de jurisprudentie is het gelijkheidsbeginsel en de gelijke kansen voor eenieder om voor een vergunning in aanmerking te komen. Mede omdat de gemeente Valkenswaard een maximumstelsel hanteert voor standplaatsen is de vraag op een aantal locaties groter dan het aantal beschikbare plaatsen. Doordat de vraag groter is dan het aanbod is hier sprake van schaarse vergunningen.
Op dit moment is het Masterplan Centrum (vastgesteld in 2014) leidend voor de ontwikkelingen van detailhandel in Valkenswaard. Centraal hierbij staat het verminderen van het aantal m² aan retail, alsook het kleiner en compacter maken van het centrum. Leegstand dient te worden tegengegaan. Bevorderd wordt het (opnieuw) bezetten van bestaande winkelpanden in het kernwinkelgebied. Alle overige activiteiten worden bij voorkeur getransformeerd in andere functies.
Valkenswaard werkt aan een compact centrum en het tegengaan van winkelleegstand. In dat licht moet kritisch worden bekeken hoe we dit met het verlenen van standplaatsvergunningen kunnen versterken. Door een beperkt aantal standplaatsen toe te staan en te sturen op kwaliteit en diversiteit, kunnen standplaatsen een positieve bijdrage leveren aan de levendigheid van het centrum. Standplaatsen met een meer permanent karakter worden daarentegen meer als een bedreiging ervaren voor het bestaande winkelaanbod.
Gelet op artikel 4:81 en hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht en de bepalingen uit de artikelen 1:4 tot en met 1:8 en hoofdstuk 5, afdeling 4 van de Algemene plaatselijke verordening Valkenswaard 2017 (hierna: APV) stellen burgemeester en wethouders van Valkenswaard de hierna genoemde beleidsregels voor standplaatsen vast.
Artikel 1 Verschillende typen standplaatsen
In deze beleidsregels wordt onderscheid gemaakt in een aantal typen standplaats. De volgende typen worden onderscheiden:
Vaste weekplaatsen, standplaatsen die een hele week worden ingenomen, komen met inwerkingtreding van dit nieuwe beleid te vervallen. De reden daarvoor is dat er meer diversiteit in het aanbod gewenst is. Voor de huidige weekplaatsen aan de Handwerkstraat en het Bruninckxdal geldt een uitsterfconstructie (zie overgangsbepalingen in artikel 18).
Artikel 2 Nadere uitleg weigeringsgronden
De gronden waarop een aanvraag om een vergunning geweigerd kan worden staan vermeld in de artikelen 1:8 en 5:18 van de APV. Een aanvraag om een standplaatsvergunning kan worden geweigerd:
Hieronder worden deze weigeringsgronden nader uitgewerkt.
Openbare orde en openbare veiligheid
De weigeringsgronden openbare orde en openbare veiligheid hebben nauw verband met elkaar en worden daarom samen uitgelegd. Onder openbare veiligheid wordt onder andere de verkeersveiligheid verstaan. Standplaatsen waar goederen te koop worden aangeboden hebben in de praktijk een verkeersaantrekkend karakter. Door dit verkeersaantrekkend karakter ontstaan mogelijk ongewenste oversteekbewegingen door voetgangers, kunnen looproutes worden geblokkeerd en kan ontoelaatbaar rijwielverkeer in voetgangersgebieden ontstaan. Een standplaats kan daarnaast te veel parkeerplaatsen in beslag nemen waardoor parkerende en geparkeerde auto’s overlast in de omgeving kunnen veroorzaken. In het belang van de verkeersveiligheid is het daarom niet mogelijk om overal een standplaats in te nemen.
In het kader van openbare orde en openbare veiligheid wordt gestreefd naar een spreiding van standplaatsen.
Voor de brandveiligheid wordt verwezen naar het “Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen”, waaraan ook de standplaatsen moeten voldoen.
De algemene weigeringsgrond uit artikel 1:8 van de APV met betrekking tot het belang van de volksgezondheid is met name van toepassing op evenementen. Voor wat betreft de standplaatsen is er geen nadere uitleg ten aanzien van deze weigeringsgrond.
Met name standplaatsen waar etenswaren voor directe consumptie bereid worden hebben een impact op het milieu. Er wordt vaak gebakken wat kan leiden tot stankoverlast en daarnaast komen afvalstoffen vrij zoals afvalwater en verpakkingen van verkochte etenswaren. Bij het verlenen van vergunningen en voorschriften die aan vergunningen worden verbonden wordt rekening gehouden met het beschermen van het milieu. Daarnaast kan een standplaats worden aangemerkt als een inrichting zoals bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer als het verkoopmiddel met een zekere regelmaat wordt opgesteld en in werking wordt gebracht. Wanneer hiervan sprake is, wordt niet in deze beleidsregels geregeld, maar is bepaald in de jurisprudentie op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd.1
In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Van duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal in de praktijk niet snel sprake zijn. Voor de vraag of een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal ontstaan, komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of voor een overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande voorzieningen moet worden gevreesd, maar het doorslaggevende criterium is of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften (bijvoorbeeld ABRvS 13-01-2016, ECLI:NL:RVS:2016:49).
Ook de Dienstenrichtlijn staat een redelijk voorzieningenniveau niet toe als weigeringsgrond voor standplaatsen, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten (artikel 14, punt 5, van de Dienstenrichtlijn). Op grond van de Dienstenrichtlijn mag wel een kwantitatieve of territoriale beperking worden gesteld, mits:
de maatregelen geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken en niet verdergaan dan nodig is en het doel niet met andere, minder beperkende maatregelen kan worden bereikt (evenredigheid) (artikel 15 Dienstenrichtlijn).2
Deze weigeringsgrond is een belangrijke basis voor een aantal van de hiernavolgende beleidsregels, zoals het maximumstelsel en de regels over het verdelen van schaarse vergunningen. Nu zal het voorzieningenniveau op microniveau en op korte termijn in Valkenswaard niet snel in gevaar komen. Dat wil zeggen dat door de komst van bijvoorbeeld een standplaats met kaas het voorzieningenniveau voor de consument die kaas wil kopen niet in gevaar zal komen omdat andere winkeliers met kaas niet langer kunnen voortbestaan door de aanwezigheid van een standplaats.
Maar als je kijkt naar de langere termijn en niet specifiek naar het voorzieningenniveau van een bepaalde branche maar naar het detailhandelaanbod in brede zin, dan is het wel degelijk van belang om kritisch naar de standplaatslocaties te kijken en deze te laten aansluiten bij het doel om een compact centrum te realiseren om het voorzieningenniveau op peil te houden. Dat heeft geleid tot een aantal belangrijke beleidskeuzes, zoals het laten vervallen van standplaatslocaties buiten het compacte centrum en het winkelcentrum Dommelen. Het is immers niet logisch om de detailhandel te concentreren in een compact centrum en voor ambulante handel een tegengestelde ‘koers te varen’ en die overal toe te staan.
2.2 Beleidsregels vaste standplaatsen
Artikel 3 Standplaatslocaties, maximumstelsel en huurprijzen
Het college heeft enkele standplaatslocaties aangewezen waarop standplaatsen ingenomen kunnen worden. Deze standplaatslocaties zijn getoetst aan de weigeringsgronden van de APV. Zoals hierboven reeds is toegelicht concentreren de standplaatsen zich voornamelijk in en rondom de winkelcentra ter versterking van de detailhandel aldaar.
De standplaatslocaties, type standplaatsen, maximale afmetingen, aanwezigheid van stroom en water, aantal dagen per week dat de standplaats mag worden ingenomen en de huurprijzen zijn weergegeven in onderstaande tabel. In de bijlagen zitten de situatieschetsen waarop de exacte plaatsbepaling van de standplaatslocaties is weergegeven.
In het kader van verkeersveiligheid zijn maximale afmetingen vastgesteld. Deze maximale afmetingen gelden voor het verkoopmiddel en zijn exclusief luifel, tafels en overige objecten. Wanneer overige objecten zijn toegestaan, wordt dit in de vergunning vermeld (zie artikel 11).
In beginsel is iedere ondernemer zelf verantwoordelijk voor het voorzien in de behoefte aan water en/of stroom. Op een aantal locaties zijn er echter van oudsher voorzieningen aanwezig of zijn de voorzieningen getroffen omdat de locatie tevens voor evenementen wordt gebruikt.
Tevens is het aantal dagen per week, waarvoor maximaal een vergunning wordt verleend, opgenomen. In de tabel is ook aangegeven welke huurprijzen bij de standplaatsen horen. Per standplaatslocatie is een prijs genoemd voor het innemen van de standplaats voor het hele jaar en de prijs voor een dag (als bijvoorbeeld sprake is van een incidentele standplaats op de locatie). Voor de huur worden huurovereenkomsten aangegaan met de vergunninghouder.
|
Overzicht standplaatslocaties, toegestane branches, kenmerken en huurprijzen |
||||
|
Flexibele standplaats: Zie artikel 6 over de flexibele standplaats |
||||
Artikel 4 Specifieke beleidsregels vaste dagplaatsen
In verband met een gevarieerd aanbod vanaf de standplaatsen, wordt aan een ondernemer maximaal één vergunning voor een vaste dagplaats per locatie verleend (met uitzondering van overgangsbepalingen, zie artikel 18). Een ondernemer kan wel op meerdere locaties een standplaats innemen.
Artikel 6 Specifieke beleidsregels flexibele standplaats
Om de levendigheid in het centrum te vergroten, is in 2017 een flexibele standplaats in het leven geroepen. Met deze flexibele standplaats heeft een onafhankelijke partij de mogelijkheid om onder zijn verantwoordelijkheid standplaatsen te exploiteren die bijdragen aan die levendigheid. Het kan daarbij gaan om het innemen van standplaatsen door winkeliers of producenten die tijdelijk een product of dienst buiten willen promoten, maar tegelijkertijd om ambulante handelaren die incidenteel in Valkenswaard willen staan. In het verleden was er een vergunning nodig voor ieder initiatief. Om dergelijke initiatieven te stimuleren is er nu één flexibele standplaats waaronder dit kan plaatsvinden. Initiatiefnemers moeten zich melden bij de vergunninghouder en die bepaalt uiteindelijk wie er, onder zijn verantwoordelijkheid, een standplaats mag innemen.
Aan de flexibele vergunning voor het Masterplangebied centrum worden tenminste de volgende voorschriften verbonden:
2.3 Beleidsregels incidentele standplaatsen
Artikel 7 Specifieke beleidsregels incidentele standplaatsen
Een vergunning voor een incidentele standplaats wordt verleend voor maximaal 12 dagen per jaar per ondernemer. Het maximum van 12 dagen per jaar is bepaald omdat bij het innemen van een standplaats op meer dagen per jaar, dit het karakter krijgt van een vaste standplaats. Aan een ondernemer wordt maximaal één vergunning per jaar verleend voor een incidentele standplaats.
Vergunningen voor incidentele standplaatsen op een locatie van een seizoensstandplaats worden pas verleend, nadat op de eerste dag van het seizoen geen vergunning is verleend voor een seizoensstandplaats en daarvoor geen aanvraag is ingediend. Zo wordt voorkomen dat vergunninghouders van incidentele standplaatsen vergunning krijgen voor de beste dagen van een seizoen en de vergunninghouder van een seizoensstandplaats alleen voor de overige dagen een vergunning krijgt.
Incidentele standplaatsen voor non-profitorganisaties mogen worden ingenomen op andere locaties, dan de in artikel 3 genoemde locaties. Deze locaties worden wel beoordeeld aan de hand van de weigeringsgronden uit de APV. Hierbij is overwogen dat deze standplaatsen:
Omdat deze standplaatsen het algemeen belang dienen, wordt er geen huur voor deze standplaatsen in rekening gebracht. Leges worden overeenkomstig de legesverordening in rekening gebracht.
De incidentele standplaatsen voor non-profitorganisaties mogen tevens voor een langere periode worden ingenomen voor zover dat noodzakelijk is (bijvoorbeeld de unit van bevolkingsonderzoek).
2.4 Beleidsregels vergunningen
Artikel 8 Verdeling schaarse vergunningen
Omdat het aantal te verlenen vergunningen kleiner is dan de vraag ernaar, is sprake van zogenaamde “schaarse vergunningen”. Op grond van de jurisprudentie rondom de schaarse vergunningen is het verplicht om voor die vergunningen een verdelingsbeleid te voeren dat verzekert dat alle gegadigden gelijke kansen hebben. De procedure moet volgens de Europese Dienstenrichtlijn duidelijk zijn, vooraf openbaar gemaakt en aan aanvragers de garantie bieden dat hun aanvraag objectief en onpartijdig wordt behandeld.
Voor de verdeling van de vergunningen bestaan verschillende vormen van verdelingsbeleid. De wijze waarbij het beste kan worden gestuurd op de ‘kwaliteit’ van de standplaatsen, is door de toewijzing te doen aan de hand van vooraf bekende selectiecriteria.
Stap 1: bekendmaken vrije standplaats
Wanneer een standplaats vrijkomt wordt op de website van de gemeente Valkenswaard bekend gemaakt dat ondernemers binnen een termijn van twee weken kunnen meedingen voor een standplaatsvergunning door hiervoor hun interesse kenbaar te maken. De gemeente stelt voor het meedingen een formulier op.
Ondernemers kunnen meedingen voor de standplaats door middel van het beschikbaar gestelde formulier. Wanneer een mededinging onvoldoende gegevens bevat, wordt de ondernemer in de gelegenheid gesteld om de mededinging binnen één week aan te vullen.
Stap 3: beoordelen volledige kennisgevingen
Onvolledige mededingingen worden niet mee beoordeeld. De overige mededingingen worden beoordeeld op de criteria uit onderstaande tabel. Deze beoordeling vindt plaats binnen één week na de deadline van mededinging, of in het geval dat er onvolledige mededingingen zijn gedaan; één week na de termijn om onvolledige mededingingen aan te vullen.
In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen selectiecriteria en beoordelingscriteria. Van de selectiecriteria moet zonder meer sprake zijn. Als een standplaatshouder daar niet aan voldoet, komt hij niet in aanmerking voor een standplaats.
|
1. Pinnen is mogelijk op de standplaats (in verband met de veiligheid en tegengaan van ondermijning/witwassen) |
|
|
2. De ondernemer/onderneming heeft geen negatief betalingsgedrag bij de gemeente |
|
|
3. Vanaf de standplaats wordt een assortiment aangeboden dat in zijn geheel niet wordt aangeboden vanuit de detailhandel in de betreffende dorpskern. |
|
|
Vanaf de standplaats wordt een assortiment aangeboden dat gedeeltelijk niet wordt aangeboden vanuit de detailhandel in de betreffende dorpskern. |
|
|
4. Het assortiment bestaat in zijn geheel uit streekproducten3 |
|
|
5. De ondernemer treft aantoonbare duurzaamheidsmaatregelen (1 punt per maatregel) |
|
|
6. Met de in te nemen standplaats wordt iemand of worden meerdere mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan een baan geholpen (“social return”). Dit kan zowel de ondernemer als personeel betreffen. |
|
|
7. Vanaf de standplaats wordt een assortiment aangeboden dat in zijn geheel niet wordt aangeboden op de standplaatsen in de betreffende dorpskern. |
|
|
Vanaf de standplaats wordt een assortiment aangeboden dat gedeeltelijk niet wordt aangeboden op de standplaatsen in de betreffende dorpskern. |
|
|
8. De aanvrager kan positieve referenties overleggen van andere gemeenten over zijn/haar naleefgedrag en betalingsgedrag. |
|
Voor de flexibele standplaatsvergunning gelden vanwege het andere karakter van de vergunning/standplaats andere selectie- en beoordelingscriteria. Het assortiment en het verkoopmiddels zijn immers wisselend, waardoor aanvragen niet te toetsen zijn aan bovenstaande criteria. In onderstaande tabel zijn de criteria voor de verdeling van de flexibele standplaats opgenomen.
Aan de hand van de scores geldt het volgende:
Eén week nadat de scores bekend zijn, wordt dit bekendgemaakt aan de betreffende ondernemers en wordt meegedeeld wie in aanmerking komt voor de vergunning.
Stap 5: aanvragen vergunningen
Degene die de mededinging heeft ‘gewonnen’ kan binnen twee weken een vergunning aanvragen. Anderen kunnen dat juridisch gezien ook, maar die aanvragen zullen gelet op de uitkomst van de mededinging worden geweigerd. Wanneer de vergunning niet binnen de gestelde termijn wordt aangevraagd, kan het college besluiten de tweede kandidaat in de gelegenheid te stellen een vergunning aan te vragen (en daarna de derde, enzovoort)
De vergunningaanvraag wordt getoetst aan de overige aspecten uit deze beleidsregels. Wanneer de vergunning wordt verleend, kan daartegen binnen zes weken in bezwaar worden gegaan. Bij het indienen van het bezwaar is het ook het moment om vermeende onjuistheden in de mededinging aan te kaarten.
Handelswijze bij geen inschrijvingen
Wanneer er na de bovengenoemde bekendmaking niemand inschrijft en men op een later moment vergunningen aanvraagt, worden deze behandeld op volgorde van binnenkomst.
De aanvrager om een standplaatsvergunning verstrekt bij de aanvraag in ieder geval de volgende gegevens:
Artikel 10 Tijdsduur vergunningen
In artikel 1.7 van de APV is bepaald dat vergunningen, verleend op grond van de APV, gelden voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Omdat sprake is van schaarse vergunningen verzet de aard van de vergunningen zich tegen verlening voor onbepaalde tijd. Vaste standplaatsen worden verleend voor een periode van vijftien jaar.
Deze termijn is ruimer dan de termijn uit het vorige beleid, te weten vijf jaar met de optie op verlenging van vijf jaar. Voor deze verruimde termijn is gekozen om te voorzien in een goede terugverdientijd voor ondernemers. Uit het rapport “schaarse vergunningen op de markt” van belangenvereniging Centrale Vereniging voor de Ambulante Handel (CVAH) blijkt dat de terugverdientijd van de investeringen voor een ambulant handelaar, zich hoofdzakelijk bevindt in de range van vijf tot vijftien jaar.4 Met een onderbezetting van één dag in de week, is de terugverdientijd zo’n vijftien jaar voor de meeste ondernemers.5 Om die reden wordt de tijdsduur voor de vergunningen bepaald op vijftien jaar.
Incidentele standplaatsen worden verleend voor een in de vergunning genoemd aantal dagen.
Artikel 11 Vergunningvoorschriften
De vergunningvoorschriften hebben in ieder geval betrekking op:
Artikel 12 Intrekken vergunning
In artikel 1:6 van de APV is bepaald dat een vergunning kan worden ingetrokken indien van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn. De termijn die in de te verlenen vergunning wordt opgenomen is:
Deze termijnen zijn korter dan in het vorige beleid. Vanwege de schaarste met vergunningen is het niet wenselijk dat een vergunning wordt verleend die niet wordt gebruikt, terwijl er andere ondernemers zijn die de standplaats graag innemen.
In bijzondere omstandigheden kan het college, na verzoek van de standplaatshouder, schriftelijk ontheffing verlenen van die termijn. In de ontheffing wordt een nieuwe termijn genoemd die redelijk is in relatie tot de bijzondere omstandigheid.
Artikel 13 Overdragen vergunning
Vergunningen kunnen worden overgedragen op familieleden in de eerste graad.6
Vergunningen kunnen worden overgedragen op familieleden in de tweede graad7 indien de vergunninghouder plotseling komt te overlijden, arbeidsongeschikt raakt of anderszins door overmacht de standplaats niet langer kan innemen.
Het overdragen van vergunningen lijkt in beginsel haaks te staan op de uitgangspunten die gelden voor de verdeling van schaarse vergunningen en de gelijke kansen voor eenieder om voor de vergunning in aanmerking te komen. Doordat de overgedragen vergunning slechts voor dezelfde periode wordt verleend als de oorspronkelijke vergunning, blijven de kansen voor derden, om aanspraak te maken op de vergunning, gelijk.
De mogelijkheid tot het overdragen van vergunningen wordt wenselijk geacht vanwege het terugverdienen van de investeringen die de standplaatshouder en zijn familie hebben gedaan in de standplaats. De standplaats is vaak de belangrijkste inkomstenbron van het gezin en beperkt zich niet tot de vergunninghouder. Daarom wordt overdragen op familieleden in de eerste graad mogelijk gemaakt.
Wanneer in een overmachtssituatie, zoals beschreven in lid 2, de vergunning niet langer kan worden ingenomen door de vergunninghouder, kan de vergunning tevens worden overgedragen op een familielid in de tweede graad. Hiermee wordt mogelijk gemaakt dat de familie het bedrijf kan voortzetten om de investeringen terug te verdienen (en schulden te voorkomen).
2.5 Beleidsregels innemen standplaats
Artikel 14 Mobiel karakter standplaats
In verband met de kans op vandalisme en om te voorkomen dat een verkoopmiddel onvoldoende onderhouden wordt, is het niet wenselijk dat een verkoopmiddel permanent op de standplaatslocatie aanwezig is. Om te voorkomen dat een verkoopmiddel een permanente plaats inneemt dient de standplaats met een bepaalde frequentie ontruimd te worden. Voor de verschillende typen standplaatsen geldt het volgende:
De seizoensstandplaats voor oliebollen dient uiterlijk op 7 januari om 22:00 uur ontruimd te worden. Daarnaast dient de standplaats gedurende de periode van 31 december 22:00 uur tot 1 januari 09:00 uur ontruimd te zijn. Gelet op de omvang van de standplaatsen is het acceptabel dat een dergelijke standplaats minder vaak worden ontruimd. Doordat zij aan het eind van het seizoen vertrekken is er überhaupt geen sprake van het innemen van een permanente plaats. Om vandalisme tijdens oudejaarsnacht te voorkomen moet de standplaats ook gedurende die nacht ontruimd worden.
Het college kan in bijzondere gevallen in de vergunningvoorschriften bepalen dat de standplaats op andere momenten ontruimd dient te worden.
Artikel 15 Tijdelijk andere locatie
In de vergunning worden voorschriften opgenomen over het tijdelijk niet of beperkt kunnen innemen van de standplaats. In de onderstaande situaties kan het voorkomen dat geen of beperkt gebruik kan worden gemaakt van de standplaats. Per situatie is beschreven welk alternatief dan wordt geboden.
Situatie: Bij werkzaamheden aan de openbare weg, het trottoir, etc.
Alternatief: De gemeente zal in overeenstemming met de vergunninghouder naar een gelijkwaardige oplossing zoeken gedurende de werkzaamheden.
Motivering: De werkzaamheden aan de weg dienen het algemeen belang. Dit belang is afgewogen tegen het belang van de individuele ondernemer om zijn waren te verkopen vanaf zijn vaste plek. Hierbij is overwogen dat het belang van het onderhoud aan de weg zwaarder weegt.
Situatie: Tijdens evenementen wanneer de standplaats zich op de ‘locatie van het betreffende evenement’ (evenemententerrein) bevindt.
Alternatief: De gemeente zoekt samen met de standplaatsvergunninghouder naar een gelijkwaardig alternatief zo dicht mogelijk bij de vergunde locatie.
Motivering: De inrichting van sommige evenemententerreinen of het karakter van het evenement lenen zich niet altijd voor een bepaalde standplaats. De organisatoren van die evenementen worden ook niet verplicht om de standplaats op te nemen op het terrein.
Artikel 16 Persoonlijk innemen standplaats en vervanging
In artikel 1:5 van de APV is bepaald dat een vergunning op grond van de APV persoonsgebonden is, tenzij de aard van de vergunning zich daartegen verzet. De aard van een standplaatsvergunning verzet zich niet tegen een persoonlijk karakter (flexibele standplaats uitgezonderd, zie artikel 6). Dit houdt in dat de vergunninghouder in beginsel zijn standplaats persoonlijk moet innemen.
De vergunninghouder kan op de vergunning één vervanger opnemen die bij afwezigheid van de vergunninghouder zijn/haar zaken waarneemt. Deze vervanging is wenselijk om de continuïteit van de standplaats te waarborgen. Zonder deze mogelijkheid zou de standplaats bij bijvoorbeeld ziekte of vakantie niet kunnen worden ingenomen. Dat is voor zowel de consument als de bedrijfsvoering van de standplaatshouder onwenselijk. Uitgangspunt is dat de vergunninghouder jaarlijks tenminste 50% van de tijd zelf op de standplaats aanwezig is.
Vergunningen zijn, onder voorbehoud van artikel 13, niet overdraagbaar op de vervanger. Dat is in strijd met de uitgangspunten van de schaarse vergunningen waarvoor eenieder in aanmerking moet kunnen komen.
Op grond van artikel 5:32 Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 125 Gemeentewet is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen ten aanzien van overtredingen van voorschriften van standplaatsvergunningen. Daarnaast is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om een last onder bestuursdwang op te leggen (art. 125 Gemeentewet).
In de Landelijke Handhavingsstrategie wordt beschreven hoe het college bovengenoemde instrumenten inzet. Het gemeentelijk “Uitvoering- en handhavingsbeleid, vergunningen, toezicht & handhaving Omgevingsrecht” beschrijft de wijze van toezicht en de prioriteit.
Artikel 18 Overgangsbepalingen
Op aanvragen om ‘verlengingen’ van vergunningen, zoals bedoeld in artikel 8 van de Beleidsregels standplaatsen 2012, die zijn gedaan vóór of die worden gedaan binnen één jaar na inwerkingtreding van deze beleidsregels, is artikel 8 van deze beleidsregels (verdeling schaarse vergunningen) niet van toepassing. Vergunningen worden verleend voor de periode van vijftien jaar min het aantal jaar de standplaats reeds wordt ingenomen.
Motivering: Deze incidentele afwijking van deze beleidsregels wordt gedaan vanwege de gedane investeringen in de standplaats. Bij het kiezen van de standplaats en de investeringen is men uitgegaan van de mogelijkheid tot ‘verlenging’ van de vergunning met vijf jaar. De ondernemer heeft er belang bij die investering terug te verdienen. In het kader van de schaarse vergunningen moet er weliswaar een eind worden gemaakt aan het eindeloos verlengen van vergunningen aan bestaande ondernemers. In het algemeen belang moet er daarom een eind komen aan het verlengen van vergunningen. Daarom geldt deze regeling eenmalig en gedurende een beperkte overgangsperiode. Deze twee belangen afwegende en in het kader van redelijkheid en billijkheid worden vergunningen eenmaal verleend voor de hierboven genoemde beperkte periode en zonder toepassing van artikel 8.
Vergunningen die zijn verleend voor onbepaalde tijd, kunnen in afwijking van artikel 13 eenmalig worden overgedragen op familieleden in de eerste of tweede graad, mits de vergunninghouder daartoe binnen 30 maanden na vaststelling van deze beleidsregels een aanvraag indient. De vergunning wordt dan verleend voor de periode van vijftien jaar.
Motivering: Hier geldt dezelfde motivering als bij lid 5, met uitzondering van dat men bij de investeringen niet mocht uitgaan van de mogelijkheid tot het overdragen van de vergunningen.”
Vergunningen die zijn verleend voor vaste weekplaatsen, blijven geldig zolang de intrekkings- en wijzigingsgronden uit artikel 1.6 van de APV niet van toepassing zijn. Onder een vaste weekplaats werd in het vorige beleid verstaan: “een standplaats die gedurende hele weken voor een langere periode wordt ingenomen”. Deze standplaatsen mogen in afwijking van artikel 14 worden ontruimd overeenkomstig de situatie zoals vóór inwerkingtreding van deze beleidsregels.
Motivering (6 en 7): Hier geldt min of meer dezelfde belangenafweging als bij lid 5. In aanvulling daarop gaat het hier om verleende en onherroepelijke vergunningen. Verleende vergunningen zijn in te trekken op grond van gewijzigde inzichten, zoals bijvoorbeeld de jurisprudentie rondom schaarse vergunningen. Vooralsnog wordt er in Valkenswaard voor gekozen om een beleid te voeren ten aanzien van nieuwe schaarse vergunningen en geldt voor de bestaande vergunningen een uitsterfconstructie. Hiervoor is gekozen vanwege de verwachting die is gewekt met het verlenen van de vergunning voor onbepaalde tijd.
Vergunninghouders die op grond van artikel 16 van deze beleidsregels een vervanger willen opnemen in hun vergunning, kunnen daartoe een verzoek tot wijzigen van de vergunning indienen. Wanneer zij dat verzoek indienen binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze beleidsregels, blijven overige bepalingen uit die vergunning (waaronder de tijdsduur) onverminderd van kracht.
Motivering: Met de komst van deze nieuwe beleidsregels is de mogelijkheid opgenomen om je als standplaatshouder tijdelijk te laten vervangen op de standplaats. De mogelijkheid om zich te laten vervangen, is voor nieuwe en bestaande ondernemers even belangrijk. Bestaande ondernemers worden daarom in de gelegenheid gesteld dit in hun vergunning te laten wijzigen. Omdat het hier om het wijzigen van een bestaande vergunning gaat (in plaats van het verlenen van een nieuwe vergunning) blijven overige bepalingen van kracht.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-458183.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.