Nadere regels jeugdhulp Gemeente Kapelle

Het college van de gemeente Kapelle;

 

gelet op artikel 2 lid 3, artikel 3 lid 2, artikel 4 lid 4, artikel 7 lid11, artikel 17 lid 8, artikel 21 lid 5, artikel 24 lid 3 en artikel 38 lid 4 van de Verordening jeugdhulp gemeente Kapelle;

 

overwegende dat

  • -

    de gemeenteraad op 30 september 2025 de Verordening jeugdhulp gemeente Kapelle heeft vastgesteld;

  • -

    de gemeenteraad het college de bevoegdheid heeft gegeven om nadere regels vast te stellen over:

    • welke algemene en individuele voorzieningen concreet beschikbaar zijn in de gemeente en wat deze inhouden (artikel 2, derde lid en artikel 3, tweede lid);

    • de procedure voor de aanvraag van jeugdhulp (artikel 4, vierde lid);

    • de inhoud van het onderzoek en de manier waarop het wordt uitgevoerd (artikel 7, elfde lid);

    • de aan een pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen (artikel 17, achtste lid);

    • pgb-tarieven (artikel 21, vijfde lid);

    • de bevoegdheden van de toezichthouder (artikel 24, derde lid); en

    • het betrekken van ingezetenen bij het ontwikkelen van beleid (artikel 38, vierde lid)

b e s l u i t :

 

vast te stellen de Nadere regels jeugdhulp gemeente Kapelle

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze nadere regels komen de volgende begrippen voor:

    • a.

      gesprek: het gesprek dat plaatsvindt wanneer een jeugdige en/of ouder(s) een aanvraag voor jeugdhulp doen, waarbij een deskundige van het toegangsteam Jeugd van de gemeente namens het college, met de aanvrager diens gehele situatie bespreekt ten aanzien van de ondervonden problemen, de gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te kiezen oplossingen

    • b.

      verordening: Verordening jeugdhulp gemeente Kapelle.

  • 2.

    Alle overige begrippen die in deze nadere regels voorkomen, hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, de verordening of de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2 Beschikbare voorzieningen

In dit hoofdstuk is, aanvullend op artikel 2, 3, 11 en 13 van de verordening, uitgewerkt wat de algemene en individuele voorzieningen inhouden en waarop ze zich richten.

Artikel 2. Algemene voorzieningen

Algemene voorzieningen die jeugdigen, ouders en netwerken ondersteunen zijn gericht op:

  • het versterken en stimuleren van informele netwerken en ouders die elkaar helpen;

  • het faciliteren dat ouders de ondersteuning aan hun kind(eren) kunnen blijven bieden;

  • het ondersteunen van de jeugdige bij participatie en/of het leren van sociale vaardigheden; en

  • het ondersteunen van jeugdigen en ouders die een groter risico lopen, bijvoorbeeld jeugdigen met (een) ouder(s) met psychiatrische problemen.

De beschikbare algemene voorzieningen staan in artikel 2 van de verordening.

Artikel 3. Individuele voorzieningen

  • 1.

    Individuele voorzieningen zijn gericht op:

    • a.

      het oplossen van de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s) die niet kunnen worden opgelost door de jeugdige en/of ouder(s) zelf, met ondersteuning van het sociale netwerk, met een algemene voorziening of met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

    • b.

      het herstellen van een gezonde en veilige ontwikkeling van de jeugdige; en

    • c.

      het behandelen van de jeugdige en/of systeemgerichte problematiek.

Artikel 4. Nadere regels vervoersvoorziening

  • 1.

    De jeugdige en/of ouder(s) dienen een aanvraag voor een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder g, van de verordening zo mogelijk samen in met een aanvraag voor een individuele jeugdhulpvoorziening.

  • 2.

    Het college kan een formulier aanmerken als aanvraag voor een vervoersvoorziening als de jeugdhulpaanbieder in overleg met de jeugdige en/of ouder(s) dit op het formulier heeft aangegeven en het formulier een dagtekening, naam, burgerservicenummer en geboortedatum van de jeugdige bevat.

  • 3.

    Het college kan een vervoersvoorziening verstrekken als:

    • a.

      de indicatie van de individuele jeugdhulpvoorziening voor ten minste drie maanden en/of ten minste drie keer per week is; en

    • b.

      de minimale afstand tot de jeugdhulpvoorziening ten minste 6 kilometer enkele reis bedraagt.

  • 4.

    In aanvulling op artikel 11, zesde lid, van de verordening zijn de volgende vervoersvoorzieningen mogelijk:

    • a.

      kilometervergoeding op basis van een vastgesteld tarief: de actuele maximale belastingvrije vergoeding per kilometer vanaf een enkele reis van ten minste 6 kilometer;

    • b.

      openbaar vervoer: een vergoeding voor de tweede klas voor de jeugdige en indien nodig een volwassen begeleider; en

    • c.

      waar mogelijk aansluiting bij bestaande vervoersbewegingen in het kader van de Wmo en/of leerlingenvervoer binnen (aanvullende) afspraken met het betreffende vervoersbedrijf.

Hoofdstuk 3 Procedure aanvraag jeugdhulp

In dit hoofdstuk is, aanvullend op artikel 4, 7, 8, 15 en 16 van de verordening, uitgewerkt hoe de procedure verloopt bij een ondersteuningsvraag van de jeugdige en/of ouder(s).

Artikel 5. Start van de (aanvraag)procedure

  • 1.

    Als de jeugdige en/of ouder(s) behoefte hebben aan ondersteuning zoals bedoeld in artikel 2.3 van de wet, kunnen zij rechtstreeks een algemene voorziening benaderen, zoals vermeld in artikel 2 van de verordening, of een aanvraag voor een individuele voorziening doen bij het toegangsteam Jeugd van de gemeente.

  • 2.

    De jeugdige en/of ouder(s) kunnen een aanvraag doen met het aanvraagformulier dat opgevraagd kan worden bij het toegangsteam Jeugd via telefoon of e-mail.

  • 3.

    Als na een korte verkenning van de hulpvraag blijkt dat de jeugdige en/of ouder(s) met de gegeven informatie en het advies het ondervonden probleem zelf kunnen oplossen, stopt de aanvraagprocedure. Er wordt geen informatie bewaard over de jeugdige en/of ouder(s).

  • 4.

    Als verdere vraagverheldering of verdieping nodig is, volgt een afspraak met de jeugdconsulent van het toegangsteam Jeugd. De gemeente stuurt dan binnen vijf dagen na de aanvraag een bevestiging dat de aanvraag is ontvangen.

    • a.

      In deze ontvangstbevestiging staat hoe de aanvraagprocedure verder verloopt, welke informatie nodig is en wat de rechten en plichten van de jeugdige en/of ouder(s) zijn.

    • b.

      Naast het genoemde onder a krijgen de jeugdige en/of ouders informatie over:

      • i.

        de mogelijkheid om zelf een familiegroepsplan op te stellen, uiterlijk binnen zeven dagen na de start van de aanvraagprocedure;

      • ii.

        de identificatieplicht;

      • iii.

        de verwerking van persoonsgegevens;

      • iv.

        eventuele wachttijd; en

      • v.

        de mogelijkheid om een pgb aan te vragen.

  • 5.

    Het college neemt na uiterlijk acht weken na de aanvraag een beslissing over het toekennen of afwijzen van een individuele voorziening. De beslissing wordt met een beschikking gecommuniceerd met de jeugdige en/of ouder(s). Als de termijn niet wordt gehaald door (onvoorziene) omstandigheden bij de aanvrager, kan het college gebruik maken van een hersteltermijn van nogmaals acht weken. Dit wordt met een brief gecommuniceerd met de jeugdige en/of ouder(s).

  • 6.

    Als de termijn niet wordt gehaald door (onvoorziene) omstandigheden bij de gemeente, is er sprake van verdaging en wordt de beslistermijn met zes weken verlengd.

Artikel 6. Het gesprek

  • 1.

    Na de aanvraag volgt een afspraak voor een gesprek tussen de jeugdige en/of ouder(s) en de jeugdconsulent. Dit gesprek kan ook plaatsvinden na een melding van Veilig Thuis of een andere zorgprofessional.

  • 2.

    Bij het gesprek kan een onafhankelijke cliëntondersteuner aanwezig zijn.

  • 3.

    Voor zover daartoe aanleiding is, komen in het gesprek ook andere levensdomeinen en de mogelijkheid om een pgb aan te vragen aan de orde.

Artikel 7. Procedure bij zeer ingewikkelde problematiek

Als sprake is van zeer ingewikkelde problematiek, kan de jeugdconsulent het regionale expertteam betrekken.

Artikel 8. Tenaamstelling beschikking

  • 1.

    Uitgangspunt is dat de beschikking op naam staat van de jeugdige voor wie de jeugdhulp is bedoeld.

  • 2.

    Is er sprake van jeugdhulp aan meerdere jeugdigen binnen een gezin, krijgt elke jeugdige voor wie individuele doelen zijn vastgesteld een eigen beschikking.

  • 3.

    In bepaalde gevallen kan een beschikking op naam van de ouder(s) staan:

    • a.

      als jeugdhulp aan de ouder wordt toegekend; en

    • b.

      als de problematiek systeemgericht is en doelen op gezinsniveau zijn vastgesteld.

Hoofdstuk 4 Onderzoek

In dit hoofdstuk is, aanvullend op artikel 7, 9, 10 en 16 van de verordening, uitgewerkt wat de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening zijn.

Artikel 9. Onderzoek

  • 1.

    Als de jeugdige en/of ouder(s) een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt de jeugdconsulent dat bij het onderzoek.

  • 2.

    Als sprake is van meerdere problemen binnen een gezin, is een systeemanalyse van de problematiek noodzakelijk, evenals een overzicht van de verschillende voorzieningen die al worden ingezet binnen het gezin. De gemeente beoordeelt, zo veel mogelijk samen met de jeugdige en/of ouder(s), welke problematiek als eerste aangepakt moet worden.

  • 3.

    Het college houdt zo goed mogelijk rekening met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en/of ouder(s).

  • 4.

    Het college legt de uitkomsten van het onderzoek vast in het ondersteuningsplan. De jeugdige en/of ouder(s) kunnen hierop binnen twee weken reageren met correcties en/of aanvullingen. Onjuistheden en feiten worden aangepast, opmerkingen en meningen worden aan het plan toegevoegd.

  • 5.

    Als sprake is van een crisissituatie of een situatie met ernstige, acute veiligheidsrisico’s, kan bij uitzondering meteen gestart worden met jeugdhulp na de ondertekening van de aanvraag, zonder voorafgaand onderzoek of het opstellen van een ondersteuningsplan.

Artikel 10. Ondersteuningsplan

  • 1.

    Het ondersteuningsplan bevat:

    • a.

      het verslag van het onderzoek met de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(s);

    • b.

      de beoogde doelen/resultaten, waarbij zo veel mogelijk wordt aangesloten bij het principe van één gezin, één plan, en die bij voorkeur specifiek beschreven zijn, meetbaar en binnen afzienbare tijd haalbaar (SMART); en

    • c.

      afspraken over het moment en de wijze waarop de resultaten met de jeugdige en/of ouder(s), het toegangsteam Jeugd en de jeugdhulpaanbieder geëvalueerd worden.

  • 2.

    De aanbieder levert hulp en ondersteuning op basis van het ondersteuningsplan.

  • 3.

    Een door de jeugdige en/of ouder(s) ondertekend ondersteuningsplan kan gelden als een aanvraag.

  • 4.

    Als de aanvraag niet is ondertekend, krijgen de jeugdige en/of ouder(s) tot drie weken na het opstellen van het ondersteuningsplan de tijd om de aanvraag alsnog te ondertekenen. Als het plan niet binnen deze termijn is ondertekend, kan het college de aanvraag buiten behandeling stellen.

Hoofdstuk 5 Voorwaarden en verplichtingen pgb

In dit hoofdstuk staan, aanvullend op artikel 17, 18, 19 en 20 van de verordening, de nadere voorwaarden en verplichtingen die verbonden zijn aan het ontvangen van een pgb.

Artikel 11. Pgb-vaardigheid

Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen moet de beoogd budgethouder of budgetbeheerder:

  • a.

    een goed overzicht hebben van de eigen situatie, dan wel die van de aanvrager, en zelf kunnen aangeven welke hulp nodig is; en

  • b.

    op basis van de pgb-administratie weten welk deel van het pgb al uitgegeven is. Deze administratie moet overlegd kunnen worden als de gemeente daarom vraagt in het kader van verantwoording.

Artikel 12. Budgetplan

De budgethouder of budgetbeheerder beschrijft in het budgetplan:

  • a.

    hoe de jeugdige en/of ouder(s) met de in te kopen hulp hun ontwikkeldoelen kunnen behalen;

  • b.

    de activiteiten zijn verbonden aan de doelen en er is inzicht in wie wat doet (gezin, sociaal netwerk, school, algemene voorziening) en voor welke activiteiten een individuele voorziening nodig is;

  • c.

    de activiteiten worden in uren per week uitgedrukt; en

  • d.

    als de activiteiten een relatie hebben met een behandeling, moet duidelijk omschreven zijn hoe de inzet van professionele hulp en sociaal netwerk gecombineerd worden.

Artikel 13. Kwaliteitscriteria hulpverleners

  • 1.

    Voor professionele (formele) hulpverleners die betaald worden met een pgb, gelden de volgende kwaliteitseisen:

    • a.

      als de jeugdhulpaanbieder in Nederland is gevestigd, voldoet die aan de eisen van het Kwaliteitskader Jeugd (toepassing verantwoorde werktoedeling in de praktijk);

    • b.

      als de jeugdhulpaanbieder niet in Nederland is gevestigd, dient de budgethouder of budgetbeheerder in het budgetplan aan te tonen hoe een vergelijkbare kwaliteitsstandaard bereikt wordt als met het Kwaliteitskader Jeugd; en

    • c.

      de aanbieder moet zich hebben gemeld bij het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIGB).

  • 2.

    Voor informele hulpverleners gelden de volgende kwaliteitseisen:

    • a.

      de hulpverlener werkt planmatig, volgens het familiegroepsplan en/of ondersteuningsplan en/of plan van aanpak; en

    • b.

      de hulpverlener beschikt aantoonbaar over de benodigde vaardigheden om de hulp zoals omschreven in het budgetplan op veilige, doelmatige en cliëntgerichte manier te verlenen.

Artikel 14. Pgb beheerd door een ander dan de jeugdige en/of ouder(s)

  • 1.

    Als de jeugdige en/of ouder(s) zelf niet in staat zijn om het pgb te beheren, mogen ze hiervoor hulp vragen aan een persoon uit het sociale netwerk of een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp.

  • 2.

    Als de jeugdige en/of ouder(s) het pgb laten beheren door iemand uit hun sociale netwerk of door een gemachtigde, niet zijnde een advocaat, gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      er is geen sprake van een ongezonde relatie tussen de jeugdige en/of ouder(s) en de budgetbeheerder;

    • b.

      er is geen vermoeden van manipulatie van de jeugdige en/of ouder(s) door de budgetbeheerder;

    • c.

      degene die hulp biedt bij het beheer van het pgb heeft een vaste woon- of verblijfplaats; en

    • d.

      de budgetbeheerder, uitgezonderd een aanbieder van gesloten jeugdhulp, voert niet zelf de hulp uit met het pgb.

Artikel 15. Weigeringsgronden

Het college kan een deel van een pgb weigeren voor zover de kosten van jeugdhulp geleverd door derden hoger zijn dan de kosten van jeugdhulp in natura.

Hoofdstuk 6 Bevoegdheden toezichthouder

In dit hoofdstuk staan, aanvullend op artikel 24 en 25 van de verordening, de nadere voorwaarden en verplichtingen voor de taken van de door het college aangewezen toezichthouder.

Artikel 16. Bevoegdheden toezichthouder

  • 1.

    De door het college aangewezen toezichthouder is belast met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    De toezichthouder werkt volgens het geldende toezichtkader kwaliteit en rechtmatigheid Wmo 2015 en Jeugdwet Zeeland.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 17. Intrekking

De Nadere regels Jeugdhulp gemeente Kapelle 2021 worden ingetrokken.

Artikel 18. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze nadere regels treden in werking op de eerste dag na bekendmaking in het Gemeenteblad.

  • 2.

    Deze nadere regels worden aangehaald als: Nadere regels jeugdhulp gemeente Kapelle.

Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van Kapelle op 14 oktober 2025,

Hoogachtend,

Burgemeester en wethouders van Kapelle,

De secretaris,

F.W. Leijnse

De burgemeester,

C.G. Jansen op de Haar

Naar boven