Gemeenteblad van Purmerend
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Purmerend | Gemeenteblad 2025, 457996 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Purmerend | Gemeenteblad 2025, 457996 | beleidsregel |
Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2025
De raad van de gemeente Purmerend,
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 4 februari 2025,
Ontwikkeling en groei, dat staat centraal in het onderwijs in Purmerend. Onze gemeente is ook in ontwikkeling en om kinderen het onderwijs te kunnen bieden dat hen past, moeten we vooruitkijken. Wat is de oplossing voor het groeiend leerlingenaantal tegenover de beperkte beschikbare ruimte? Hoe geven we bewegingsonderwijs letterlijk en figuurlijk een belangrijkere plek? Met de ontwikkelingen die de komende jaren op ons afkomen, moet het onderwijs kunnen meebewegen. Met toekomstbestendige, duurzame oplossingen die aansluiten bij wat financieel past.
In dit Integraal Huisvestingsplan Onderwijs (IHP) staan die kaders voor toekomstbestendig onderwijs. Met oog voor maatschappelijke functies zoals kinderopvang en jeugdvoorzieningen en ruimte voor de ambities die schoolbesturen, opvangorganisaties en de gemeente hebben. Kortom, de uitgangspunten van deze visie vertalen zich in toekomstbestendige, inspirerende en functionele gebouwen. Fijne plekken waar elk kind kan spelen, leren en zichzelf ontwikkelen op een manier die bij hun past.
Onderwijs en huisvesting zijn niet los te zien van andere maatschappelijke voorzieningen. Daarom is deze visie ook in lijn met andere documenten die in ontwikkeling zijn, zoals de Woon(zorg)visie, het beleidskader dagelijkse voorzieningenstructuur Purmerend en de behoeften inventarisatie maatschappelijke voorzieningen Purmerend.
Het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs kwam met de schoolbesturen en besturen van de kinderopvang uit onze gemeente, in goed overleg tot stand.
In 2021 heeft de gemeenteraad het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs (IHP) vastgesteld, daarna is gestart met het uitvoeren van de projecten. Tijdens de uitvoering is de gemeente Purmerend verschillende uitdagingen tegengekomen waar bij het maken van het IHP 2021 geen rekening mee was gehouden, zoals de uitwerking van IKC-vorming, ruimtelijke beperkingen bij projecten, locatie specifieke kenmerken, de relatie met het programma 2040, maatschappelijke en commerciële voorzieningen en het bewegingsonderwijs. Het is belangrijk aan deze zaken goed aandacht te besteden en daarbij is geluisterd naar wat er speelt bij schoolbesturen, kinderopvangorganisaties en Spurd. De gemeente is samen met deze organisaties aan de slag om voor onze kinderen te zorgen voor toekomstbestendige onderwijshuisvesting in een nieuw IHP.
Met de verwachte ontwikkelingen in de komende jaren, zoals groeiende leerlingenaantallen en ruimtelijke inpasbaarheid, is het noodzakelijk om het IHP 2021 te evalueren en te verbeteren. Het doel is om toekomstbestendige oplossingen te vinden die passen bij de wijken en dorpen en de groeiende gemeente. Daarnaast is er de wens om een beter inzicht in de technische staat van de scholen te krijgen. Door een analyse van bestaande informatie, waaronder gegevens uit Meerjaren Onderhoudsplannen (MJOP's), jaarrekeningen en de belevingswaarde van de gebouwen, brengen we alle schoolgebouwen in kaart. Ook brengen we demografische ontwikkelingen en stedenbouwkundige ontwikkelingen in de gemeente Purmerend in beeld. En tenslotte zetten we de belangrijkste ontwikkelingen in en voor het onderwijs en de daaraan gerelateerde maatschappelijke functies (zoals kinderopvang en mogelijke jeugdvoorzieningen) en de ambities die de gemeente, schoolbesturen en opvangorganisaties samen hebben op een rij. Al deze ingrediënten brengen we samen tot verschillende scenario’s voor de onderwijshuisvesting in Purmerend. Op basis van deze scenario’s worden er keuzes gemaakt voor het toekomstperspectief van de verschillende gebouwen: (vervangende) nieuwbouw, renovatie of handhaven en verduurzamen. Vanwege aanscherpingen van de wettelijke verplichting om kinderen genoeg bewegingsonderwijs te bieden, wordt de capaciteit van de gymzalen ook meegenomen in de nieuwe versie van dit IHP. De uitgangspunten zoals opgenomen in deze visie vertalen zich in toekomstige, duurzame, inspirerende en functionele gebouwen, die een goed binnenklimaat hebben en voor alle partijen binnen de beschikbare middelen te exploiteren zijn. Omdat de ruimte waarop alle voorzieningen in een complete stad gerealiseerd moeten worden beperkt is, wordt steeds gekeken op welke manier dit - met respect voor geldende regels voor bekostiging- slim combineren van functies tot toekomstbestendig en slim ruimtegebruik leidt.
Gemeenten ontvangen in de Algemene Uitkering uit het Gemeentefonds financiële middelen om de zorgplicht voor adequate onderwijshuisvesting te kunnen betalen. De middelen zijn voor primair onderwijs gebaseerd op onder andere het aantal kinderen dat in de gemeente woont en voor het voortgezet onderwijs gebaseerd op het aantal leerlingen dat in de gemeente op een vo (voorgezet onderwijs) school is ingeschreven. Dat gaat zowel over de onderwijsgebouwen als voorzieningen voor bewegingsonderwijs (in vervolg onderwijshuisvesting). Uitgangspunt daarbij is sober en doelmatige onderwijshuisvesting die voldoet aan geldende wet- en regelgeving. De minimale kwaliteitseisen die worden gesteld aan onderwijsgebouwen zijn vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), voorheen het Bouwbesluit. In het Bbl staan regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Aanvullende regels staan in het Uitvoeringsbesluit 'Voorzieningen in de huisvesting po/vo' (bijvoorbeeld normen ruimte m2 per kind voor verschillende schooltypen). Kort samengevat komt het er in het algemeen op neer dat de minimale eisen zoals in het bestaande Bouwbesluit zijn vastgelegd voor nieuwbouw voldoen aan BENG (bijna energie neutraal) en Frisse Scholen (gemiddeld) klasse B.
De wettelijke basis voor de uitgangspunten die voor het IHP en het daaruit voortvloeiende uitvoeringsplan gelden, is gelegd in de wet WPO (wet op het primair onderwijs), de wet WEC (wet op de expertisecentra) en de wet WVO (wet op het voortgezet onderwijs). Hierin is voor de onderwijshuisvesting onder andere de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de gemeente en schoolbesturen geregeld. Zo is de gemeente verantwoordelijk voor adequate onderwijshuisvesting en zijn de schoolbesturen er verantwoordelijk voor dat dit zo blijft. Voor de gemeente houdt dit in dat zij verantwoordelijk is voor (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding, herstel constructiefouten en schades, tijdelijke huisvesting en huisvesting voor bewegingsonderwijs.
De schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van het schoolgebouw; onderhouden, exploiteren en het uitvoeren van inpandige (onderwijskundige) aanpassingen zijn de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur. Voor deze taken ontvangen de besturen jaarlijks vanuit het Rijk financiële middelen. Deze vergoeding wordt gebaseerd op het aantal ingeschreven leerlingen.
Door een wetswijziging in het primair onderwijs is het zo dat vanaf schooljaar 2023-2024 de wettelijke verplichting geldt om ten minste 2 lesuren per week bewegingsonderwijs te geven door bevoegde leraren.
Er is een wetswijziging in behandeling waardoor het wettelijk kader voor onderwijshuisvesting gaat veranderen. De streefdatum voor de inwerkingtreding van het wetswijzigingsvoorstel is 1 januari 2025. Dit is nog niet definitief.
In het voorstel staan de volgende punten:
Het vernieuwde IHP sluit aan op het wijzigingsvoorstel, maar is onder voorbehoud van de kosten.
Zowel in de visie als bij het formuleren van scenario’s en het berekenen van investeringen zijn bovenstaande thema’s onder de aandacht gebracht en vertaald naar concrete voorstellen.
Voor de huisvesting van aan onderwijs gerelateerde partners, zoals kinderopvang of zorgfuncties zoals logopedie, fysiotherapie en dergelijke heeft de gemeente geen wettelijke taak en ontvangt de gemeente geen bekostiging. De behoeften inventarisatie maatschappelijke voorzieningen geeft hier inzicht in. Voor deze functies geldt dat gemeenten in het kader van de Wet Markt en Overheid gehouden zijn aan regels die er op toezien om oneerlijke concurrentie in de markt te voorkomen en dus elke vorm van bevoordeling van partijen moeten voorkomen. Voor het transparant aanbieden van deze huisvesting moet daarbij ook nog worden verwezen naar het zogenaamde Didam-arrest.
Verordening onderwijshuisvesting
Elke gemeente heeft een verordening onderwijshuisvesting waarin de wettelijke bepalingen worden beschreven. Dit wordt gebaseerd op normen voor onderwijshuisvesting en afspraken over hoe de gemeente invulling geeft aan haar zorgplicht voor onderwijshuisvesting en hoe de gemeente en schoolbesturen processen inrichten om daar uitvoering aan te geven. Deze verordening is gebaseerd op een modelverordening die de VNG publiceert en eens in de zoveel tijd vernieuwd. De verordening van de gemeente Purmerend wordt ook vernieuwd op basis van wat er in dit plan staat.
De eerste stap in het opstellen van het IHP is het op- en vaststellen van een visie op onderwijshuisvesting. Dit proces wordt door de stakeholders gedaan1. Hierin komen de belangrijkste thema’s aan bod voor wat betreft de prioriteiten, zoals genoeg huisvesting op korte termijn en uitgangspunten voor de onderwijshuisvesting van het primair, voortgezet en speciaal onderwijs binnen de gemeente Purmerend. Vervolgens wordt op basis van zoveel mogelijk feitelijke informatie een ‘factsheet’ gemaakt. Het gaat hier om gegevens als bouwjaar, gebruikerslasten, technische en functionele kwaliteit van schoolgebouwen en de ontwikkeling van vraag en aanbod op basis van de verwachtingen in leerlingenaantallen. Met de basisinformatie en het inzicht in de vooraf benoemde knelpunten en ontwikkelingen, wordt een situatieschets per kern/wijk gemaakt in de vorm van een zogenaamde kansenkaart.
Tijdens de werksessies worden alle ontwikkelingen en knelpunten die belangrijk zijn in de clusters van onderwijshuisvesting of specifiek voor locaties, in kaart gebracht. Op basis van de knelpuntenanalyse ontstaat een prioritering met schoolgebouwen die binnen het IHP in verschillende fasen om een actie vragen. De basisinformatie uit de factsheets, de situatieschets per cluster en prioritering vormen de input voor de oplossingsrichtingen. De basis voor prioritering is het bestaande IHP. In de analyse kijken we of het nodig is om de in het bestaande IHP opgenomen projecten en/of de prioritering daarvan aan te passen.
In het proces wordt gewerkt met een basis en een optimale variant waar uiteindelijk een voorkeursvariant uit ontstaat. De oplossingsrichtingen worden financieel vertaald. De situatieschets per primair en voortgezet onderwijs, de gezamenlijke ambities, oplossingsrichtingen, inclusief financiële vertaling worden vastgelegd in het IHP. In deze rapportage wordt ook voor elke schoollocatie een voorstel opgenomen voor de toekomstige huisvesting van (ver)nieuwbouw of instandhouding, kijkend naar de periode tot 2040.
Tijdens het proces vormt ieder deelproduct de input voor het daaropvolgende deelproduct. Zo vormen de factsheets de input voor de kansenkaarten en de kansenkaarten de basis voor het vormen van de prioriteiten en de oplossingsrichtingen. De deelprojecten worden tijdens de gezamenlijke werksessies besproken en verbeterd waar dat nodig is.
Met de afspraken die we in het IHP vastleggen, willen de gemeente en schoolbesturen samen bereiken dat kinderen en medewerkers in het onderwijs (en daaraan gerelateerde andere functies) kunnen leren en werken in prettige, passende en duurzame gebouwen die bijdragen aan de leer- en werkprestaties en de ontwikkeling van elk kind.
Het tweede hoofdstuk ‘Visie op funderend onderwijs’ gaat over de visie op een groeiende gemeente en de thema’s die een directe relatie hebben met onderwijshuisvesting. Het derde hoofdstuk ‘Doorgaande ontwikkellijn voor elk kind’ gaat over Integraal Kind Centrum (IKC)-vorming, inclusie en onderwijs voor nieuwkomers. Het vierde hoofdstuk richt zich op duurzaamheid: op naar ‘Parisproof’. In dit hoofdstuk gaat het om het akkoord van Parijs en duurzaamheid bij nieuwbouw, renovatie en in stand te houden bestaande gebouwen. Het vijfde hoofdstuk ‘Anticiperen op demografische en stedelijke ontwikkelingen’ gaat over hoe onderwijsinstellingen zich kunnen aanpassen aan demografische en stedelijke veranderingen. Hier maken volumeafspraken, piekgebouwen, modulair bouwen, tijdelijke huisvesting en maatschappelijke ontwikkelingen onderdeel van uit. Het zesde hoofdstuk ‘Bewegingsonderwijs’ gaat over hoe belangrijk bewegingsonderwijs is, met thema’s zoals continuroosters, IKC-vorming en het verbeteren van sport en nieuwe vormen van bewegingsonderwijs.
Bij de hoofdstukken 3, 4, 5 en 6 worden in de grijze vakken voorstellen gedaan om op te nemen in het IHP.
In hoofdstuk 7 worden de uitgangspunten van het bestaande IHP beschreven en de keuzes die daarnaast ook gemaakt kunnen worden in het nieuwe IHP. De toelichting op de keuzes is te lezen in de hoofdstukken.
2. Visie op funderend onderwijs in Purmerend
Purmerend 2040 is een koersdocument waarin de visie op de ontwikkeling van de gemeente voor de komende jaren is vastgelegd, met als uitgangspunt de ambitie om woningen toe te voegen.
Purmerend wil in haar stedelijkheid meer gezicht krijgen, maar ook een complete gemeente blijven met toevoeging van meer verschillende woonmilieus en -programma’s en daarbij passende werkgelegenheid en voorzieningen.
De visie op de gemeente Purmerend 2040 is in samenhang met de visie op de Metropool Regio Amsterdam (MRA) opgesteld en wordt ook in samenhang met actuele ontwikkelingen in deze regio gemonitord en waar nodig aangepast. De uitvoering van Purmerend 2040 bestaat uit een gebiedsgerichte en een thematische aanpak. De gebiedsgerichte aanpak zorgt ervoor dat de ontwikkeling van woningbouw past in de omgeving. De thematische aanpak is gericht op de thema’s: (1) wonen, (2) economie en commerciële voorzieningen, (3) leefbare gemeente met maatschappelijke voorzieningen op basis van de behoeften inventarisatie maatschappelijke voorzieningen, (4) verduurzaming en (5) mobiliteit en parkeren.
Met name de laatste 3 thema’s spelen ook bij de visie op onderwijshuisvesting een rol. Onderwijs wordt ook nadrukkelijk genoemd in relatie tot de leefbaarheid van Purmerend:
“Leefbare wijken en dorpen zijn aantrekkelijk en geschikt voor Purmerenders om in te wonen en te werken.vVoor een prettige woonstad/dorpen zijn genoeg voorzieningen nodig op o.m. het gebied van zorg, onderwijs en sport. De Purmerendse wijken hebben ieder hun eigen ‘DNA’. De (maatschappelijke) voorzieningen vormen samen met de openbare ruimte de basis voor de verbinding in de wijk. Ze verbinden buurten, wijken, dorpen maar bovenal de mensen die er wonen.”
Naast de gemeentelijke visie Purmerend 2040 zijn ook de behoeften inventarisatie maatschappelijke voorzieningen Purmerend en de economische visie (Beemster+Purmerend #datwerkt), opgesteld. In deze visies wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan onderwijs:
“Leren is de katalysator van onze economische ontwikkeling. Onderwijs – scholing, bijscholing en omscholing – verdient dan ook veel aandacht in ons economisch toekomstperspectief.”
Voor de ontwikkeling en welzijn van het kind speelt onderwijs een grote rol. De onderwijsagenda 2021-2025 zoekt aansluiting bij andere maatschappelijke beleidsterreinen zoals het sportakkoord, jeugdnota en gezondheidsbeleid.
“Onderwijshuisvesting draagt bij aan het realiseren van deze gezamenlijke doelen.”
Het IHP gaat over het funderend onderwijs (primair en voortgezet onderwijs). In de economische visie wordt met name aandacht besteed aan de relatie tussen bedrijfsleven en beroepsgerichte opleidingen (middelbaar en hoger beroepsonderwijs), met specifiek aandacht voor levenslang leren. De basis daarvoor wordt natuurlijk gelegd in de eerste ontwikkeljaren van elk kind, al voordat ze naar school gaan. Het is de ambitie om de keten waarin de hele doorgaande leerlijn van 0 tot 12 jaar en verder wordt verzorgd te verbeteren. En de samenhang tussen de verschillende schakels daarin meer als één geheel te behandelen.
De gemeente Purmerend heeft met haar verdere verstedelijkingsambitie een flinke opgave. Niet alleen ruimtelijk en economisch, maar ook sociaal-maatschappelijk heeft de groei van de stad en dorpen veel invloed. De groei van de gemeente leidt, zo laten de prognoses zien, ook tot groei van het aantal verwachte leerlingen op de basisscholen. Kijkend naar 2040 verwachten we dat we voor ongeveer 1.000 leerlingen meer permanente onderwijscapaciteit nodig hebben dan we nu beschikbaar hebben, nog los van of die capaciteit op de juiste plek beschikbaar is. In het bestaande IHP is bijvoorbeeld nog niet genoeg rekening gehouden met de (woningbouw)ontwikkeling in de verschillende gebieden. Naar verwachting is er een tekort aan huisvesting voor het basisonderwijs, ook nadat de in het IHP 2021 geplande investeringen worden uitgevoerd.
Maar de ontwikkeling van Purmerend levert niet alleen een capaciteitsopgave voor onderwijshuisvesting op. Ook merken scholen dat er steeds meer sprake is van grootstedelijke problematiek, segregatie en kansenongelijkheid. Dat maakt inzetten op inclusief onderwijs en IKC- vorming belangrijk: het vroeg herkennen van ondersteuningsbehoefte en het bieden van onderwijs thuis nabij zijn thema’s die de schoolbesturen als belangrijke opgave zien voor de komende jaren, natuurlijk met in de basis het waarborgen van de kwaliteit van onderwijs.
Ook de opgave om genoeg docenten voor de klas te vinden, is een thema van dit moment en een grote zorg voor schoolbesturen. Hier ligt ook een relatie met de woningbouwopgave. Het is namelijk de verwachting dat wanneer Purmerend aantrekkelijk is als vestigingsplaats voor deze beroepsgroep, het eenvoudiger is om genoeg gekwalificeerd personeel te waarborgen.
Schoolbesturen geven daarbij ook aan dat onderwijzend personeel eerder kiest voor scholen waar meer ontwikkelperspectief is voor henzelf en waar een goede ondersteuningsstructuur in de school aanwezig is. Dat vraagt iets van het volume van scholen.
Om genoeg organiserend vermogen te krijgen op schoollocaties, is het de intentie om waar mogelijk grotere onderwijseenheden dan de stichtingsnorm2 van 300 leerlingen te realiseren. We gaan daarbij uit van een bandbreedte tussen de 300 tot 500 leerlingen als richtlijn, maar zullen op basis van maatwerk bepalen wat het beste past. Zo zien we de situatie in Westbeemster3 en bij de Waterlandschool4 als uitzonderingen. Het stelt partijen in staat om het onderwijsaanbod meer toekomstbestendig te maken en meer passend bij de stedelijke ontwikkeling in Purmerend.
Daarnaast zijn schoolbesturen daarmee ook beter in staat om te sturen op de organisatie en bedrijfsvoering en is het voor de gemeente efficiënter om maatschappelijke dienstverlening uit te voeren bij grotere onderwijseenheden.
Gemeente Purmerend heeft een rijk aanbod voortgezet onderwijs, vallend onder de schoolbesturen PSG en Vonk. Ook het mbo-onderwijs is vertegenwoordigd in Purmerend en is belangrijk voor het MKB-netwerk in de omgeving. Voortgezet onderwijs en mbo zetten steeds meer in op samenwerking om in die lijn de doorstroming van leerlingen zo goed mogelijk te ondersteunen.
Maar het is ook een belangrijke lijn in het kader van inclusie en kansengelijkheid. Hiermee bedoelen we dat iedereen, ongeacht zaken zoals schoolniveau maar ook afkomst, leeftijd of beperking, mee kan doen.
Het voortgezet onderwijs heeft de ambitie om de samenwerking met het basisonderwijs (verder) te versterken. Naast inhoudelijke samenwerking tussen schoolbesturen en ter versterking daarvan, is de wens om een campus te vormen waar kinderen ‘van 0 tot en met 18 jaar’ worden opgeleid, zichzelf ontwikkelen en worden voorbereid op vervolgonderwijs of uitstromen naar de maatschappij. Een combinatie van voortgezet onderwijs, speciaal basisonderwijs en regulier basisonderwijs als campus op 1 locatie zou een mooie basis bieden om deze ambitie verder uit te bouwen.
Binnen het voortgezet onderwijs is de vernieuwing in de huisvesting al eerder in gang gezet. Met de nieuwbouw van het Da Vinci College en Antoni Gaudí wordt een behoorlijke slag geslagen in de vernieuwingsopgave binnen de PSG. Na deze nieuwbouw is binnen het voortgezet onderwijs naar verwachting genoeg gebouwcapaciteit aanwezig om het verwachte aantal leerlingen in 2040 te kunnen huisvesten. De ontwikkeling van de Oostflank is op lange termijn wel van invloed hierop.
Brede blik op maatschappelijke ontwikkelingen
Kindcentra spelen een belangrijke rol in de wijk en zijn over het algemeen laagdrempelige voorzieningen voor kinderen en hun ouders.
Er vindt een natuurlijke manier van ontmoeting en informatie-uitwisseling plaats. Dat kan in bepaalde situaties net genoeg zijn om belangrijke sociaal-maatschappelijke hulpverlening op tijd in te zetten. Die schakelfunctie in het sociaal-maatschappelijk netwerk kan versterkt worden door nog duidelijker invulling te geven aan de wijkfuncties van een kindcentrum. Dat heeft niet per se in elke wijk toegevoegde waarde, maar kan dat in sommige wijken/dorpen wel zijn. Hier ligt een kans voor een combinatie met andere maatschappelijke voorzieningen.
In de afgelopen periode zijn we in Nederland geconfronteerd met een stijging van mensen die vanuit conflictgebieden of regimes waar mensen geen toekomstperspectief hebben een toevluchtsoord zoeken. Dat vraagt in elke gemeente veel van de gemeenschap en heeft invloed op de voorzieningen die er in de gemeente zijn. De reactiesnelheid die wordt gevraagd past niet bij huisvestingsvraagstukken, waardoor we vaak teruggrijpen op onwenselijke noodvoorzieningen.
Deze voorbeelden vragen om een actuele en brede blik op sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen. Wanneer we plannen uitwerken voor vernieuwing van onderwijshuisvesting, vraagt het om die brede en actuele blik: wat komt er (mogelijk) op ons af en hoe kunnen we ons daar zo goed mogelijk op voorbereiden? Hoe kunnen we het sociaal-maatschappelijk netwerk in deze omgeving zo sterk mogelijk maken? We kijken bij een nieuwe (of vernieuwings-) opgave niet alleen naar behoefte vanuit onderwijs en opvang, maar in de breedte naar maatschappelijke behoeften in die wijk/dorp of omgeving. Met het uitgangspunt dat uiteindelijk de kwaliteit van onderwijs en opvang voorop staat. Eventuele maatschappelijke functies die aan een opgave worden gekoppeld, moeten passen bij en extra waarde toevoegen aan het kindcentrum.
3. Doorgaande ontwikkellijn voor elk kind
Schoolbesturen en kinderopvangorganisaties voelen een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de ontwikkeling van kinderen vanaf het eerste begin tot aan volwassenheid te stimuleren en begeleiden. Grofweg spreken we over de ontwikkellijn van 0 tot 18 jaar. Daarin spelen achtereenvolgend kinderopvang, primair onderwijs en voortgezet onderwijs een belangrijke rol. Dat het belangrijk is om die fasen in de ontwikkeling zo goed mogelijk op elkaar aan te laten sluiten wordt steeds duidelijker en dat dit grote maatschappelijke voordelen heeft wordt ook steeds beter begrepen. Dat begint bij goede samenwerking tussen partijen, maar vraagt uiteindelijk ook wat van de manier waarop we de huisvesting van deze organisaties vormgeven.
Purmerend krijgt steeds meer te maken met ‘grootstedelijke’ problematiek die vraagt om specifieke voorzieningen gericht op jeugd en gezin. De keten opvang – onderwijs speelt daarin altijd een rol, vaak samen met andere maatschappelijke partners. Het vroeg ontdekken van problemen en de weg vinden naar de juiste ondersteuning is noodzakelijk om de ‘gevolgschade’ zo klein mogelijk te houden. Dat heeft een groot maatschappelijk belang.
In het kader van de doorgaande ontwikkellijn van kinderen is een aantal thema’s belangrijk die ook raken aan de (onderwijs)huisvesting:
Een Integraal Kind Centrum (IKC) is een voorziening voor kinderen van 0 tot en met 12 jaar waar zij komen om te leren, te spelen en te ontwikkelen. Een IKC biedt een totaalpakket op het gebied van onderwijs, opvang, ontwikkeling, zorg en welzijn. Een IKC kenmerkt zich daarnaast doordat het 1 organisatie, 1 aanspreekpunt, 1 team, 1 management en 1 ongedeelde klantengroep heeft. Het management kan uit meerdere organisaties bestaan.
We streven naar het ontwikkelen van integrale kindcentra, waarin onderwijs, peuteropvang (PO), voor- en vroegschoolse educatie (VVE), kinderopvang (KO) en eventuele zorg- en jeugdvoorzieningen samen zijn gehuisvest. We zien een trend in de groei van de BSO. Bij de PO, VVE en KO is er een grotere afhankelijkheid van ontwikkelingen in overheidsbeleid dan bij de BSO. De verschillende instellingen die deze voorzieningen aanbieden werken, waar het kan, in deze centra of in dezelfde wijk/dorp in goed overleg met elkaar samen om de ontwikkeling van de kinderen zo goed mogelijk te ondersteunen.
Per locatie of per wijk/dorp wordt het aanbod aan voorzieningen afgestemd op aan de ene kant de behoefte en aan de andere kant op de mogelijkheden om voorzieningen bij elkaar te brengen.
Hierbij is de hiervoor genoemde optimale benutting van ruimte door slimme combinatie van functies het uitgangspunt.
De doorgaande ontwikkellijn staat centraal bij de vorming van een IKC. Maar uiteindelijk zal de omgeving bepalend zijn voor de precieze invulling. Zo kunnen IKC’s worden gevormd die zich bij voorkeur richten op 0–12-jarigen, op 2–12-jarigen of bijvoorbeeld een verdere doorgaande leerlijn van het primair onderwijs naar voortgezet onderwijs van o-18 jaar in de vorm van een campus. Voor bepaalde doelgroepen kan het wenselijk zijn om de overgang van primair onderwijs naar voortgezet onderwijs op een andere manier te organiseren en fysiek te huisvesten. Huisvesting mag wenselijke en belangrijke vernieuwingen niet in de weg zitten.
Op een aantal schoollocaties is leegstaande onderwijsruimte in de afgelopen jaren verhuurd of tegen vergoeding in gebruik gegeven aan opvangfuncties. Hier zijn kindcentra ontstaan omdat er én behoefte was én ruimte beschikbaar. Maar zolang deze ruimte formeel als onderwijsruimte is bestemd, kan deze altijd zo worden geclaimd, ten koste van de opvangfunctie. Voor het realiseren van integrale kindcentra is het belangrijk dat de functies opvang – onderwijs en de samenwerking in de huisvesting wordt gewaarborgd. Dat betekent dat er voor (solitair) gebruik van ruimte in een onderwijsgebouw voor opvangfuncties afspraken gemaakt worden. Dit betekent dat de gemeente niet formeel kan afzien van haar claimrecht (Art. 108 WPO5) voor onderwijshuisvesting maar er wel goede afspraken gemaakt kunnen worden om meer zekerheid te geven aan opvangorganisaties. Dit maakt onderdeel uit van de voorgestelde volumeafspraken (paragraaf: Volumeafspraken). Er moet daarbij rekening worden gehouden met het feit dat wanneer het leerlingaantal in een wijk/dorp stijgt, de vraag naar opvangvoorzieningen ook stijgt en andersom. Daarbij moeten kansen die uit de woningbouw en maatschappelijke voorzieningen ontstaan benut worden. De gemeente is niet wettelijk verantwoordelijk voor de opvangopgave, maar vindt deze zo belangrijk dat ze sinds het IHP 2021 deze ontwikkeling faciliteert door de kinderopvanginvesteringen tegen kostprijs aan te bieden aan de schoolbesturen.
Inclusief onderwijs wordt omschreven als onderwijs waarbij kinderen, ongeacht hun beperking, naar dezelfde school gaan als kinderen zonder beperking. Elk kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte moet in de regio waar hij of zij woont onderwijs kunnen krijgen dat bij hem of haar past. Die voorziening moet een kind zo dicht mogelijk nabij huis kunnen vinden. Het idee is dat kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte tijdens schooltijd met dezelfde kinderen uit de buurt kunnen optrekken als die ze na school in de omgeving van hun thuis tegenkomen. En om reistijd voor elk kind zo kort mogelijk te houden.
De zorgstructuur voor leerlingen in het primair onderwijs wordt geregeld via het Samenwerkingsverband Waterland PO en in het voortgezet onderwijs via het Samenwerkingsverband VO. De samenwerkingsverbanden hebben de opdracht om de instroom naar speciaal onderwijs te verminderen. Dat heeft niet alleen een financiële aanleiding, maar is ook ingegeven vanuit de maatschappelijke opdracht om elk kind zo gelijkwaardig mogelijk en zo thuis nabij mogelijk te laten meedoen. Maar dat betekent wel dat daarmee een enorme opdracht ligt bij de reguliere scholen (po en vo) én dat er consequenties zijn voor de huisvestingsbehoefte. Er zal meer ruimte moeten worden gerealiseerd voor zorgondersteuning op schoollocaties (en/of in de wijk/het dorp) en er zal (nog) meer aandacht moeten worden besteed aan de toegankelijkheid en ergonomische kwaliteit van schoolgebouwen. Ook kan dat ertoe leiden dat er meer ruimte nodig is. Dit komt voort uit de Wet passend onderwijs.
Specifieke aandacht is er voor onderwijs aan nieuwkomers: kinderen die nieuw in Nederland zijn – met of zonder Nederlandse nationaliteit – en voor wie Nederlandse taal (en onderwijs) nieuw is.
Er zijn verschillende voorzieningen om nieuwkomers tijdens de eerste periode te laten wennen aan het Nederlandse onderwijs en hen voor te bereiden op een reguliere school. In het po zijn er scholen verbonden aan asielzoekerscentra (type I), scholen die alleen nieuwkomersonderwijs verzorgen (type II) en scholen met een paar nieuwkomersgroepen (type III). In het vo kunnen nieuwkomers terechtkomen in internationale schakelklassen (ISK’s). De gemiddelde groepsgrootte bij deze voorzieningen is ongeveer 15 leerlingen. Na gemiddeld 1 jaar stromen nieuwkomers in het po door naar het regulier onderwijs en in het vo na gemiddeld 2 jaar.
De zorg voor en het aanbod van het onderwijs aan nieuwkomers wordt in regionaal verband door de schoolbesturen georganiseerd. In het basisonderwijs is het regionaal met schoolbesturen en gemeenten georganiseerd en gefinancierd. Bij het vo wordt het door de Purmerendse Scholen Groep (PSG) in samenwerking met de gemeente georganiseerd. Het vo ontvangt financiering voor het onderwijs van het Ministerie, de gemeente is verantwoordelijk voor de huisvesting zonder bekostiging. Ook hierbij is het belangrijk om te zorgen voor een goede bereikbaarheid en spreiding van deze voorzieningen. Dit wordt op dit moment regionaal (regio Waterland) verzorgd. Het aanbod van onderwijs aan nieuwkomers moet dan ook onder andere worden afgestemd op de vestigingsplaatsen van nieuwkomers. Gelet op de discussie over de spreiding van plekken voor opvang van bijvoorbeeld asielzoekers en de ervaringen met de oorlogsvluchtelingen uit Oekraïne, is het belangrijk om een bepaalde mate van flexibiliteit te hebben voor het onderwijsaanbod aan nieuwkomers. Het bieden van volledig onderwijs is met instroom, onvoorspelbaarheid en krapte het doel. Hier kunnen primair onderwijs en voortgezet onderwijs meer gezamenlijk vorm en inhoud aan geven.
Tenslotte is het belangrijk om ook bij deze nieuwkomers de zorgstructuur in een zo vroeg mogelijk stadium van de ontwikkeling van het kind vorm te geven. Ook al voordat ze naar school gaan hebben deze kinderen vaak een specifieke zorgvraag. Door samen met de opvangpartijen vorm te geven aan een visie op nieuwkomersonderwijs, wordt ook voor deze doelgroep de doorgaande ontwikkellijn in zijn geheel benaderd. Daarmee wordt zoveel mogelijk voorkomen dat de druk op de zorginfrastructuur rond deze nieuwkomers extra belast wordt.
De behoefte aan onderwijsvoorzieningen voor nieuwkomers is moeilijk voorspelbaar, omdat én de instroom van nieuwkomers zich moeilijk laat voorspellen én de specifieke ondersteuningsbehoefte afhankelijk is van specifieke omstandigheden én omdat het aanbod van voorzieningen ook veelzijdig is. Bovendien is de behoefte en het aanbod afhankelijk van regionale afspraken.
Aandachtspunt is dat de nieuwkomers nog niet in de leerlingenprognoses zijn opgenomen. Voor het IHP zijn verschillende denkrichtingen mogelijk om invulling te kunnen geven aan de huisvesting van onderwijsvoorzieningen voor nieuwkomers:
4. Duurzaamheid: op naar ‘Parisproof’
Het Klimaatakkoord van Parijs heeft als doel om de klimaatopwarming op aarde onder de 2 graden Celsius te houden, waarbij gestreefd wordt naar maximaal 1,5 graad. Het wereldwijde Klimaatakkoord laat zich weer verder vertalen naar Europese en Nederlandse doelen en wetgeving.
Fit for 55: De Europese klimaatwet maakt van de doelstelling om in 2030 de netto-uitstoot van broeikasgassen met ten minste 55% te hebben verminderd een wettelijke verplichting. De EU- lidstaten werken aan nieuwe wetgeving om dit doel te bereiken en de EU richting 2050 klimaatneutraal te maken.
Regeerakkoord (bestaand): Nederland wil koploper in Europa zijn bij het tegengaan van de opwarming van de aarde. Om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn, scherpen we het doel voor 2030 in de Klimaatwet aan tot tenminste 55% CO2 reductie. We verbinden ons aan dit doel en zullen als dat nodig is extra stappen zetten om dit te realiseren.
Voor de verduurzamingsopgave onderscheiden we in dit visiedocument de volgende thema’s:
Duurzaamheid en nieuwbouw (en uitbreiding)
Voor nieuwe onderwijsgebouwen gelden op dit moment de volgende uitgangspunten, onder andere volgend uit het bestaande Bouwbesluit:
TO juli6
Met deze eisen wordt ingespeeld op klimaatdoelstellingen voor 2030, maar nog niet genoeg op de klimaatdoelstellingen die voor 2050 zijn geformuleerd. Het is dan ook de verwachting dat binnen korte tijd aanscherpingen zullen komen op de eisen voor nieuwbouw. Die aanscherpingen zullen gaan over (1) verdergaande eisen om CO2-uitstoot te reduceren (van BENG naar ENG7 of zelfs NoM8) en (2) circulair bouwen en (3) natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen.
Energieneutrale (onderwijs)gebouwen bouwen, wordt al in de praktijk gebracht en is bij nieuwbouw goed te realiseren, alleen als er genoeg ruimte is om vanuit deze doelstelling te ontwerpen en te bouwen. Dit vraagt wel om extra investeringsruimte. De extra investering leidt er meestal toe dat de energielasten voor de school zullen dalen. Maar in veel gevallen leidt het aan de andere kant tot extra kosten voor onderhoud. Of de extra investeringskosten dan ook (volledig) zijn terug te verdienen tijdens het gebruik, is vooraf niet met zekerheid te zeggen. De stap van BENG naar ENG wordt gezien als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van schoolbestuur en gemeente, waarbij op basis van een businesscase wordt bepaald of sprake is van een nuttige extra investering. De gemeente ondersteunt in de vorm van laagdrempelige financiering (volgens bestaande regeling IHP 2021, zie bijlage ‘’ENG normbedragen’’). De investering moet daarbij ‘nuttig’ zijn. Als de laatste paar procent om ENG te behalen financieel zwaarwegend is, is de investering ‘niet’ nuttig. Ook moet een bijdrage vanuit de gemeente hierin passend zijn in relatie tot investeringen bij andere schoolgebouwen en ten opzichte van de begroting.
Nederland heeft het doel gesteld om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben. Dat vraagt ook voor bouwopgaven een andere aanpak. Door demontabel te bouwen, kunnen elementen en materialen eenvoudiger en hoogwaardiger worden hergebruikt na demontage. Bij nieuwbouw wordt ook steeds vaker een zogenaamd materialenpaspoort gemaakt, zodat precies wordt bijgehouden uit welke materialen het gebouw wordt opgebouwd.
Zo kan in een later stadium, bijvoorbeeld aan het eind van de functionele levensduur van het gebouw, goed in kaart worden gebracht welke materialen bij een ander bouwproject kunnen worden ingezet. De verwachting is dat dit op die manier niet alleen een maatschappelijke waarde heeft, maar ook steeds meer een economische waarde.
Ook kan gedacht worden aan het gebruik van gebruikt materiaal bij een nieuw te bouwen gebouw en aan het gebruik van bio-based materiaal. Niet alleen het gebruikte materiaal, maar ook de verwerking van die gebruikte materialen in het project zijn belangrijk, net als de manier waarop de uitvoering op de bouwplaats plaatsvindt. Dit is een gebied waar nog veel vernieuwing kan worden verwacht.
Ook voor financiering: zo is het bijvoorbeeld denkbaar dat op termijn een leverancier producten of materialen na de gebruiksduur gegarandeerd terugneemt of zelfs terugkoopt. Een gebouw dat volgens deze principes wordt ontwikkeld, kan op termijn niet alleen als gebouw, maar ook als verzameling materialen een restwaarde vertegenwoordigen.
Circulair bouwen en slopen is in ontwikkeling en hoewel er op dit moment nog niet heel veel aansprekende voorbeelden en ervaringen mee zijn, wordt er steeds meer aandacht aan besteed en komen meer en meer voorbeelden van projecten waarin principes van circulair bouwen zijn meegenomen. Bij nieuwe projecten maken we zoveel mogelijk gebruik van de kennis en ervaring die er al is en nog wordt opgedaan en zorgen we dat zoveel mogelijk van de circulaire principes bij elkaar worden gebracht in het project.
Het klimaat verandert, het wordt warmer, natter, droger en de kans op overstromingen neemt toe. Klimaatadaptatie is het aanpassen van de fysieke leefomgeving en maatschappij voor het veranderende klimaat, om schade en overlast als gevolg van klimaatextremen zo klein mogelijk te houden. In lijn met het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) werkt de gemeente toe naar een waterrobuuste en klimaatbestendige leefomgeving in 2050. Om dit te bereiken heeft de gemeente Purmerend in november 2021 de ‘Intentieovereenkomst klimaatbestendige nieuwbouw MRA + Noord- Holland’ ondertekend en heeft de ‘Basisveiligheidsniveaus klimaatbestendige nieuwbouw’ geborgd binnen het gemeentelijk handelingsinstrumentarium. De Intentieovereenkomst is breed ondertekend door verschillende overheden, marktpartijen en brancheorganisaties in de regio. De basisveiligheidsniveaus hebben 4 klimaatthema’s: wateroverlast, hitte(stress), droogte en gevolg beperking overstromingen. Elk thema heeft uitgangspunten en richtlijnen waaraan nieuwbouw moet voldoen om klimaatbestendig te zijn.
Denk daarbij aan genoeg waterberging, natuurlijke speelplaats, groen dak, het aanleggen van een groen schoolplein, bouwmaterialen om hittestress in lokalen te verminderen, een wadi9 en het gebruik maken van de natuurlijke eigenschappen van verschillende beplantingen om de ecologie te versterken.
Het veranderende klimaat en de verdichting en uitbreiding van het stedelijk gebied heeft in Purmerend effect op de fysieke leefomgeving van mens en dier. De aanwezigheid van groen is belangrijk voor de gezondheid en het welzijn van mensen, maar ook voor de ecologie in de stad. Om de gemeente voor mens en dier leefbaar te houden, wordt er op gemeentekavels verplicht natuurinclusief10 gebouwd. Gebouwen bieden namelijk veel kansen om de biodiversiteit van onze gemeente te vergroten. Door relatief simpele en goedkope aanpassingen te doen, kunnen gebouwen een volwaardige plaats in een stedelijk ecosysteem innemen. Denk aan nestplaatsen voor vogels of vleermuizen, groene daken of gevels en natuurspeelplaatsen. Natuurinclusief bouwen zorgt zo voor een gezonde, toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier. Om deze reden zal het natuurinclusief bouwen ook onderdeel uitmaken van de nieuwbouw van kindcentra en scholen en gecombineerde voorzieningen.
Landelijke ‘Maatlat groene en klimaatadaptieve bebouwde omgeving’
In 2023 is de landelijke ‘Maatlat groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ gepresenteerd door het Rijk. De maatlat maakt duidelijk hoe klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen en inrichten eruitziet en biedt daarmee houvast voor overheden en partijen uit de bouw zoals projectontwikkelaars en woningcorporaties. De maatlat zorgt voor een referentiekader dat landelijk gelijk is waarmee projecten klimaatbestendig en groen kunnen worden uitgevoerd. Vooruitlopend op juridische borging voor de maatlat en het ruimtelijk afwegingskader, vraagt het Rijk decentrale overheden de instrumenten alvast zoveel mogelijk toe te passen in de praktijk. Purmerend geeft met de ‘Basisveiligheidsniveaus klimaatbestendige nieuwbouw’ invulling aan de maatlat.
Per 1 juli 2024 is het volgens het bouwbesluit verplicht om bij nieuwbouw nestkasten aan te brengen voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Op basis van het beschikbare geveloppervlak wordt de hoeveelheid kasten bepaald.
De ambitie is om voor het binnenklimaat gemiddeld te voldoen aan Frisse Scholen Klasse B bij nieuwbouw. Daarbij moet worden gezocht naar een goede balans tussen een zo goed mogelijk binnenklimaat en een zo duurzaam mogelijk energieconcept binnen de gestelde financiële kaders. Het totale installatieconcept moet bovendien gebruiksvriendelijk zijn: rekening houdend met gedrag van mensen en op ruimteniveau of per gebouwdeel bedienbaar. Dus vanuit de mens ontworpen, meer dan vanuit de techniek. Het uitgangspunt bij nieuwe bouwprojecten moet zo duurzaam mogelijk zijn.
Duurzaamheid en renovatie (vernieuwbouw)
Renovatie is nog geen officiële voorziening voor de onderwijshuisvesting, zoals nieuwbouw of uitbreiding dat wel is. Maar er is wel wetgeving in de maak die daar op toeziet. Vooruitlopend op de implementatie van deze wetgeving willen we renovatie als voorziening erkennen en daarvoor als oplossingsrichting in het IHP meenemen op basis van de volgende uitgangspunten.
Met het renoveren van gebouwen verlaag je de vraag naar grondstoffen, wat een vermindering van de CO2 uitstoot tot gevolg heeft. Renoveren kan daarmee een duurzaam alternatief zijn voor nieuwbouw. De gemeente zet op dit moment al in op renovatie als voorziening, naast nieuwbouw en uitbreiding.
Een renovatie wordt gezien als een gelijkwaardig alternatief voor (vervangende) nieuwbouw. We
spreken in het vervolg daarom van het begrip ‘vernieuwbouw’ in plaats van renovatie. Met een vernieuwbouw wordt gestreefd naar hetzelfde kwaliteitsniveau als nieuwbouw. Met als voordeel dat bij vernieuwbouw een deel van het gebouw behouden blijft, op zijn minst de constructie. Een vernieuwbouw draagt op die manier bij aan hergebruik van materiaal en daarmee het verminderen van het grondstofgebruik. Er is geen principevoorkeur voor vernieuwbouw of nieuwbouw, de beste optie is altijd afhankelijk van de specifieke situatie. De doorslag voor vernieuwbouw of nieuwbouw wordt gemaakt in een huisvestingsonderzoek met afwegingskader waarbij de volgende zaken worden meegenomen:
We streven met vernieuwbouw dezelfde kwaliteit na als bij nieuwbouw. Daarmee kan de gemeente voor de vernieuwbouw ook dezelfde afschrijvingstermijn aanhouden voor vernieuwbouw als voor nieuwbouw. Er zijn toch situaties denkbaar waarbij het kwaliteitsniveau bij een vernieuwbouw op bepaalde vlakken niet haalbaar is, maar toch vernieuwbouw de best haalbare optie is. In zo’n geval wordt de aan te houden afschrijvingstermijn opnieuw beoordeeld op basis van de kenmerken van de kwaliteit die wel wordt bereikt.
Duurzaamheid en in stand te houden bestaande gebouwen
Bestaande gebouwen die binnen de looptijd van het IHP (en verder) in stand worden gehouden, vragen ook om aandacht in dit IHP. Hoewel deze gebouwen geen grootschalige ingreep in de vorm van nieuwbouw of renovatie (vernieuwbouw) krijgen, is het ook voor deze categorie de ambitie om bij te dragen aan de verduurzaming en het binnenklimaat te verbeteren. We grijpen hierbij natuurlijk momenten in de onderhoudscyclus aan. Naast de natuurlijke momenten die een Meerjaren Onderhoudsplan (MJOP) biedt voor investeringen, wordt zoveel mogelijk aangesloten op de energietransitie die binnen de gemeente wordt of gaat worden uitgerold.
Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het in stand houden en onderhouden van het schoolgebouw, tenzij daar andere afspraken tussen de gemeente en schoolbesturen over zijn gemaakt. Schoolbesturen stellen onder andere een MJOP op en doen metingen naar de luchtkwaliteit. Het schoolbestuur is ook verplicht om de Erkende Maatregelenlijsten (EML, Wet
Milieubeheer) uit te voeren. Dit gaat over duurzame maatregelen met een terugverdientijd van maximaal 5 jaar. Voor het onderhouden en het uitvoeren van de Erkende Maatregelen zet het schoolbestuur een deel van haar vergoeding vanuit het Rijk in. Deze regeling blijft.
Toch vraagt het behalen van de doelstellingen uit het klimaatakkoord en/of belangrijke verbeteringen van het binnenklimaat in bepaalde gevallen om extra maatregelen. Het uitvoeren van die maatregelen hangt onder andere af van de last die wordt ervaren door de gebruikers, maar ook van de nog te verwachten termijn waarop het gebouw in stand gehouden moet worden ten opzichte van de investering die de maatregel kost en de stappen die vanuit de energietransitie worden gezet. Dit vraagt per gebouw dus om maatwerk.
In de eerste plaats ligt de verantwoordelijkheid voor de bekostiging van maatregelen bij de schoolbesturen. Daarbij moeten zij zich maximaal inspannen om ook gebruik te maken van subsidies die vanuit Europa, de Rijksoverheid of de provincie worden aangeboden, naast de bekostiging vanuit het gebruik.
De opgave waar we wereldwijd, in Europa, in Nederland en uiteindelijk in Purmerend voor staan als het gaat om verduurzaming is groot. Vanuit verschillende instanties zijn subsidies beschikbaar die deze opgave proberen te ondersteunen. Het is belangrijk om zoveel mogelijk gebruik te maken van de subsidiemogelijkheden die geboden worden vanuit Europa, het Rijk, de provincie en de gemeente zelf.
5. Anticiperen op demografische en stedelijke ontwikkelingen
Gemeente Purmerend heeft een flinke woningbouwopgave in het vooruitzicht. Er worden veel nieuwe woningen verwacht tot 2040 in verschillende wijken van met name de kern Purmerend. De verwachting is dat deze nieuwe woningen ook tot groei van het aantal kinderen zal leiden. De woningbouwontwikkelingen zijn verwerkt in de meest recente leerlingenprognoses.
De woningbouwontwikkelingen zitten in verkennings- of ontwerpfase en de woningbouwaantallen kunnen veranderen
Groei van het aantal inwoners betekent ook dat voorzieningen mee gaan groeien, zodat Purmerend meer een complete gemeente wordt. In de economische visie is onderwijs 1 van de pijlers die we willen versterken. We versterken de connectie tussen leren en het bedrijfsleven. Daarnaast is het mbo in Purmerend vertegenwoordigd en dat willen we vasthouden. Tegelijk willen we dat versterken en uitbreiden door ook onderwijs op hbo-niveau aan te bieden. Met name op het gebied van digitalisering en IT liggen er kansen. Daarmee creëren we lange leerlijnen en een breed onderwijsaanbod passend bij een gemeente met in de toekomst 100.000 inwoners.
De groei van het aantal leerlingen op gemeenteniveau betekent niet dat in alle dorpen en wijken sprake is van groei. Er is dan ook sprake van verschuiving in de vraag naar kindvoorzieningen en 1 van de opgaven in dit IHP is om de spreiding van kindcentra binnen de gemeente zo passend mogelijk te maken op de lokale behoefte.
Tegelijkertijd begrijpen we dat (kleine) veranderingen van leerlingaantallen in dorpen, wijken en op individuele locaties altijd aan de orde zullen zijn. Om in te kunnen spelen op veranderende
behoeften, beschrijven we hier een aantal thema’s die belangrijk zijn bij het nadenken over kindcentra;
Op dit moment zien we groei van het aantal leerlingen op bijna alle scholen. Maar door onder andere belangstelling van ouders, kan het voorkomen dat de ene school ruimte tekort komt, terwijl een andere school ruimte over heeft. Om te voorkomen dat we op basis van de aantrekkingskracht van scholen uitbreidingen moeten realiseren en daarmee tegelijkertijd bouwen voor leegstand, is in de verordening onderwijshuisvesting de mogelijkheid opgenomen om bij een capaciteit behoefte van een school te verwijzen naar leegstaande capaciteit bij een andere school in de buurt. In de praktijk wordt dat vaak niet toegepast omdat scholen dat onwenselijk vinden, of dat de veronderstelde leegstand al wordt ingezet voor bijvoorbeeld kinderopvang. Bij het bepalen van schoolgroottes is het belangrijk dat schoolbesturen sturen op die capaciteit.
Een andere manier om de benutting van capaciteit zo efficiënt mogelijk te maken, is dat afspraken worden gemaakt over de maximale capaciteit van scholen, waarbij de totale capaciteit van de portefeuille natuurlijk genoeg aansluit bij het voorziene aantal leerlingen (in een wijk of gebied). Bij het bepalen van die capaciteit dient bijvoorbeeld ook rekening gehouden te worden met een bepaalde ruimteclaim voor IKC-partners. In bepaalde gevallen kan zo’n afspraak leiden tot een instroombeperking bij een locatie en heeft dan mogelijk effect op de keuzevrijheid van ouders.
De volumeafspraken dienen meerdere doelen:
Bij de invulling van de volumeafspraken is het belangrijk om te zorgen voor een optimale spreiding en bereikbaarheid van onderwijs om zoveel mogelijk recht te doen aan de keuzevrijheid van ouders. De aantallen spelen hierbij een rol, maar er is ook aandacht voor een uitgebreid aanbod aan onderwijsconcepten.
Voor het primair onderwijs wordt de capaciteit van de scholen op wijkniveau in samenhang beoordeeld en vastgesteld. Per locatie wordt afgesproken wat het maximaal aantal leerlingen is dat op die locatie kan worden gehuisvest. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de huisvesting van IKC-partners. Voor scholen die speciaal onderwijs bieden, zijn volumeafspraken minder belangrijk vanwege het specifieke karakter van deze scholen.
Voor het voortgezet onderwijs geldt dat de capaciteit van de verschillende onderwijsniveaus in regionaal verband wordt bekeken. Uitgangspunt voor afspraken hierover binnen de gemeente Purmerend is dat de huidige beschikbare ruimte alleen kan worden uitgebreid als daar (1) met regionale partners overeenstemming over is bereikt (in zgn. RPO11 verband) en (2) de gewenste uitbreiding van de capaciteit grotendeels verband houdt met planologische en/of demografische ontwikkelingen binnen de gemeente Purmerend zelf of binnen een direct aangrenzend gebied die logischerwijs kan worden gezien als voedingsgebied voor de school waar het om gaat.
De gemeente Purmerend heeft in een eerdere groeifase van de gemeente gebruik gemaakt van zogenaamde piekgebouwen voor voorzieningen, waaronder onderwijshuisvesting. De piekgebouwen zijn gebouwen die (bij voorkeur centraal) in wijken zijn gebouwd om pieken in huisvestingsbehoefte van verschillende maatschappelijke functies te voorzien. De piekgebouwen hebben inmiddels dienst bewezen. Op sommige plekken zijn de gebouwen nog in gebruik voor maatschappelijke functies, in deze gevallen zijn de gebouwen herontwikkeld tot andere functies. De piekgebouwen doen dienst als tijdelijke aanvulling op bestaande onderwijscapaciteit, maar kunnen ook dienst doen als tijdelijke huisvesting ten tijde van een grootschalige verbouwing van een schoolgebouw. Ook bij de instroom van nieuwkomers bewijzen de piekgebouwen hun nut als flexibele, inzetbare ruimte voor de onderwijshuisvestingscapaciteit.
Piekgebouwen worden als een mogelijke oplossingsrichting gezien om te zorgen voor flexibiliteit zodat de gemeente en schoolbesturen in staat zijn goed in te kunnen spelen op onverwachte ontwikkelingen.
Modulair bouwen en planologische ruimte
Modulair bouwen kenmerkt zich door een ontwerp dat is opgebouwd uit aparte modules of bouwstenen die onafhankelijk van elkaar kunnen functioneren. Dit maakt het mogelijk om de fysieke structuur van onderwijsfaciliteiten aan te passen op basis van actuele behoeften. Modulair bouwen biedt zowel binnen een bestaande gebouwstructuur mogelijkheden om relatief eenvoudige aanpassingen te doen in de inrichting, als de mogelijkheid om een gebouw (tijdelijk of permanent) uit te breiden. Ook modulair bouwen beschouwen we dan ook als oplossingsrichting die we kunnen inzetten om te zorgen voor flexibiliteit. Daarbij moeten ook de planologische voorwaarden goed worden voorbereid. En, om echt te kunnen profiteren van de flexibiliteit van modulair bouwen, is het belangrijk om genoeg ruimte (terreinoppervlak) te reserveren om uitbreidingen daadwerkelijk in de toekomst fysiek mogelijk te maken.
In het kader van groei van de gemeente Purmerend en de voortdurende ontwikkeling in onderwijsbehoeften, is het onvermijdelijk dat sommige scholen zullen worden gerenoveerd of vervangen door nieuwbouw. Tijdens zulke ingrijpende verbouwingen of vervangingen is het noodzakelijk om een strategische aanpak te hebben voor tijdelijke huisvesting. Met als doel om de continuïteit van het onderwijs te waarborgen. Er zijn verschillende mogelijkheden om tijdelijke huisvesting te organiseren om de uitvoering van bouwprojecten mogelijk te maken.
Voorkomen van tijdelijke huisvesting: gefaseerd bouwen
Niet voor elk verbouwproject is het noodzakelijk om naar tijdelijke huisvesting uit te wijken. Onderzocht kan worden of het uitvoeren van een project bijvoorbeeld gefaseerd in vakantieperiodes kan. Telkens moet de afweging worden gemaakt of dit mogelijk is en of de voordelen hiervan opwegen tegen eventuele nadelen.
Gebruik maken van tijdelijke units is over het algemeen eenvoudig te realiseren, maar is (1) kostbaar en (2) afhankelijk van de beschikbaarheid van geschikte locaties en de juridische mogelijkheden om die locatie met tijdelijke units te bebouwen. Naast kosten voor huur of aanschaf van de tijdelijke units moet rekening worden gehouden met kosten voor het aanleggen van de nodige infrastructuur (onder- en bovengronds), het maken van fundatie voor het plaatsen en kosten voor transport, plaatsing en na gebruik het verwijderen.
Gebruik van piekgebouwen en vrijkomende (school)gebouw
De meest eenvoudige manier om invulling te geven aan tijdelijke huisvesting is wanneer gebruik gemaakt kan worden van een bestaand gebouw, zoals een vrijkomend schoolgebouw of een piekgebouw. Vaak zijn minimale aanpassingen nodig om het gebouw geschikt te maken voor de school waar het in dat geval om gaat. Omdat het om een relatief korte gebruiksperiode gaat en het uitzicht biedt op een vernieuwde huisvesting wordt een mindere kwaliteit van zo’n gebouw geaccepteerd.
Een centrale tijdelijke voorziening voor meerdere projecten
Het is wenselijk om voor meerdere projecten dezelfde voorziening voor tijdelijke huisvesting te gebruiken, omdat dat kostenefficiënt is. Het is daarbij wel belangrijk om er scherp op te zijn dat de planning van projecten goed op elkaar aansluiten. Vertraging van een voorgaand project, leidt al snel tot vertraging van een volgend project.
Mobiliteit en verkeersveiligheid
Op dit moment wordt uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van de gemeenteraad van 3 november 2022 waarin verzocht wordt om onderzoek te doen naar de verkeersveiligheid rond scholen in de gemeente Purmerend en de te nemen maatregelen waar dat nodig blijkt. De insteek van deze motie en het maatregelenpakket dat uit het onderzoek komt, wordt meegenomen in het IHP. Bij de uitvoering van geadviseerde maatregelen zullen we nadenken over het toekomstperspectief van de schoollocatie. Een van de uitgangspunten is dat maatschappelijke voorzieningen binnen 10 minuten per fiets of lopend bereikbaar moeten zijn. In dit IHP wordt voor elke schoollocatie een toekomstperspectief geschetst. Wanneer op korte termijn het perspectief van een locatie verandert - bijvoorbeeld door het beëindigen van de onderwijsbestemming, of dat door verplaatsing van scholen het type school en de mobiliteit die erbij hoort verandert - zal dat worden meegenomen in de uitwerking van de maatregelen om de verkeersveiligheid te optimaliseren.
Naast de bestaande locaties hebben we ook nieuwe onderwijslocaties nodig om te kunnen voldoen aan de vraag naar ruimte voor onderwijs. Ook bij deze nieuwe locaties zullen mobiliteit en verkeersveiligheid thema’s zijn die een belangrijke plek krijgen in zowel de afweging voor een locatie als de planuitwerking. Daarbij leren we van de resultaten van het onderzoek, zetten we deze leerpunten om naar de bestaande locaties en maken we gebruik van de kennis die we daaruit opdoen. Om langdurige procedures zoveel mogelijk te voorkomen en voor gemeenschapsvorming worden de scholen zoveel mogelijk aan het begin van de gebiedsontwikkeling gebouwd.
Sport en bewegen zijn belangrijke onderdelen in de ontwikkeling van het kind en überhaupt in het leven van elk mens. Bewegingsonderwijs maakt een belangrijk deel uit van het onderwijs, zowel in het primair, speciaal als in het voortgezet onderwijs. Door een wetswijziging geldt in het primair onderwijs de wettelijke verplichting vanaf schooljaar 2023-2024 om ten minste 2 lesuren per week bewegingsonderwijs te geven door bevoegde leraren. In feite komt dit overeen met de altijd al gehanteerde 1,5 klokuren per week, maar nu is het een verplichting en wordt dat gekoppeld aan de bevoegdheid van de leraren.
In 2023 is onderzoek gedaan naar de capaciteit bewegingsonderwijs in de gemeente Purmerend (Hospitality Group, 7 april 2023). Bij dit onderzoek komt naar voren dat 7 van de 20 sportaccommodaties (sporthal, sportzaal en gymzaal) ouder zijn dan 40 jaar en binnen korte termijn om aanpassingen vragen. Die opgave staat nog los van de vraag of de beschikbare capaciteit genoeg aansluit op de behoefte, zowel qua grootte als qua spreiding en type aanbod.
De gemeente Purmerend houdt hierbij als richtlijn, zoals ook staat in de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs, een maximale afstand tot gymnastiekvoorzieningen van 1.000 meter (met als streefafstand 750 meter) aan voor primair onderwijs. Voor het voortgezet onderwijs is het 2.000 meter hemelsbreed. Als de streefafstand van 750 meter wordt aangehouden heeft dit gevolgen. De keuze voor de 750 of 1000 meter richtlijn heeft gevolgen voor de toekomstige plaatsing van gymzalen t.o.v. de onderwijslocaties of andersom, plaatsing van onderwijslocaties bij gymzalen.
Daarom zal hier een besluit over genomen moeten worden.
Met de algemene trend in Purmerend van een stijgend aantal leerlingen in de komende jaren, stijgt ook de behoefte aan voorzieningen voor bewegingsonderwijs. Als dat leidt tot de noodzaak om het aantal voorzieningen uit te breiden, moet goed gekeken worden naar het soort voorziening en de plek of plekken waar die voorzieningen zouden moeten en kunnen komen. Uitgangspunt is en blijft dat we zo efficiënt mogelijk om willen gaan met voorzieningen voor bewegingsonderwijs. Daar komt bij dat we willen aansluiten bij belangrijke ontwikkelingen, ook als het gaat om de behoefte aan sportvoorzieningen vanuit de breedtesport. En vernieuwingen in het aanbod moeten meegenomen worden bij afwegingen voor nieuwe of te vernieuwen accommodaties.
Belangrijke ontwikkelingen voor bewegingsonderwijs:
Sport is een examenvak en onderdeel van een uitstroomprofiel in het vo. Dit legt extra druk op het gebruik van gymzalen. Tegelijkertijd is het belang om genoeg gymnastiekdocenten op te leiden ook in deze regio groot, dus voldoet dit uitstroomprofiel in het vo zeker aan een maatschappelijke behoefte.
Het mbo in Purmerend heeft ook behoefte aan voorzieningen voor bewegingsonderwijs en maakt waar mogelijk gebruik van (gemeentelijke) accommodaties. Hoewel de gemeente geen formele verantwoordelijkheid heeft om voorzieningen voor bewegingsonderwijs voor mbo-instellingen te organiseren, legt deze behoefte extra druk op de beschikbare capaciteit van sportaccommodaties in de gemeente.
De afgelopen jaren zijn bijna alle primair onderwijslocaties in Purmerend al overgegaan op een continurooster. Normaal gesproken kan zo’n aanpassing impact hebben op de capaciteit. Dit onder andere omdat de gymlessen dichter op elkaar moeten worden ingepland. Het continurooster zorgt meestal voor druk in de ochtend en begin van de middag maar ook voor meer leegstand in de latere middag omdat scholen met een continurooster eerder klaar zijn met een schoolprogramma. Maar, aangezien deze situatie in Purmerend al is doorgevoerd, zorgt dit richting de toekomst niet voor veranderingen in de behoefte.
IKC-vorming en bewegen in en om de school (BIOS)
Bij IKC-vorming werken organisaties als onderwijs, kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang, peuteropvang en welzijnsactiviteiten voor kinderen samen. Zo wordt meer gehaald uit de samenwerking tussen kinderopvang, voor- tussen- en naschoolse opvang, peuteropvang en school. Deze ontwikkeling zorgt voor meer naschoolse gymlessen/sportactiviteiten en lessen onder schooltijd voor peutergym (als er geen speellokaal aanwezig is) en daarmee naar verwachting meer gebruik/bezetting van de bestaande binnensportaccommodaties. Aan de andere kant maakt het nog meer samenbrengen van onderwijs- en opvangvoorzieningen het in de toekomst misschien mogelijk dat lestijden kunnen worden opgerekt, waardoor het aantal toerekenbare uren voor het beschikbaar zijn van een gymzaal voor onderwijs kan worden verlengd, bijvoorbeeld van 27,5 uur naar 37,5 of zelfs 40 uur voor het primair onderwijs.
Nieuwe ontwikkelingen in het bewegingsonderwijs
Voor bewegingsonderwijs richten we nog steeds traditionele gymzalen in. Onder andere als gevolg van eisen die worden gesteld aan dit curriculum. Een traditionele gymzaal, op basis waarvan de VNG haar normen (of richtlijnen) vaststelt, heeft een sportvloer van 21 x 12 meter (252 m2) en een vrije hoogte van 5,5 meter. De KVLO (Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding) adviseert ondanks dat toch om de sportvloer te vergroten naar minimaal 24 x 14 meter (308 m2) om de gebruiksfunctie voor verschillende sporten te vergroten. Nog idealer is een afmeting van 26 x 16 meter (416 m2) en een obstakelvrije hoogte van 7 meter.
De normatieve klokuren bewegingsonderwijs die zijn vastgesteld, zijn uitgangspunt voor het berekenen en plannen van de benodigde capaciteit aan gymnastiekvoorzieningen. In de basis geldt dat de normatieve klokuren gym moeten kunnen worden aangeboden in gymzalen. Met de eerder geschetste ontwikkelingen en vernieuwingen in het aanbod van bewegingsfaciliteiten, kan hier ook anders naar worden gekeken. Zo kan het aanbod aangevuld worden met meer keuzes. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld beweegboxen of beweegpleinen.
Uitgangspunt bij een nieuwe opgave voor een sportaccommodatie is dat breed wordt gekeken naar de behoefte, zowel bij onderwijs als bij breedtesport binnen de gemeente. Op basis daarvan wordt afgewogen welk type accommodatie het best passend is bij die situatie. Daarbij worden de adviezen van KVLO meegenomen in de afweging.
Als er nieuwe sportaccommodaties gerealiseerd moeten worden, moet er goed gekeken worden naar het type sportvoorziening. Hierbij zijn er verschillende mogelijkheden en alternatieven. Bij het realiseren van een nieuwe gymvoorziening, kan gekeken worden of het mogelijk is om een beweegvoorziening te realiseren op basis van de gebruikers die past bij de tijd van nu. Een beweegbox is heel erg geschikt voor modern bewegingsonderwijs, maar ook multifunctioneel inzetbaar voor andere gebruikers. Een beweegbox heeft een minimale afmeting van 16x16 met een vrije hoogte van 5,5 meter. Die is te verdelen in 4 delen, waardoor in kleinere groepen efficiënt kan worden gesport. Afwijken van de afmetingen is mogelijk, maar alleen als de minimale afmetingen (oppervlakte) behouden blijft. Door vooraf een programma van bewegen en sporten te maken kan er ingespeeld worden op vragen. Op steeds meer plekken in Nederland worden zogenaamde beweegpleinen ingericht. Geen statische pauzeplekken voor kinderen, maar speelpleinen waar beweging en spel worden gestimuleerd. De beweegpleinen worden gezien als aanvulling op het aanbod van beweegvoorzieningen en spelen ook een belangrijke rol bij naschoolse activiteiten. We willen kinderen weer meer buiten laten spelen, maar zijn nog erg voorzichtig om buitenvoorzieningen als volledig alternatief te zien voor indoorfaciliteiten.
7. Uitgangspunten IHP en keuzes
Deze visie is samen met stakeholders tot stand gekomen en is de basis om het nieuwe IHP 2025- 2030 verder vorm te geven. Dit doen we door de uitgangspunten in het bestaande IHP aan te houden en er nieuwe aan toe te voegen.
Uitgangspunten in bestaand IHP: eerder vastgestelde beleidskeuzes
In het bestaande IHP uit 2021 is een aantal eerder gemaakte beleidskeuzes vastgelegd, waarvan we voorstellen deze zo te houden:
Gemeente Purmerend en schoolbesturen streven samen naar een hogere duurzaamheidsambitie in de vorm van ENG (energieneutraal) of waar mogelijk NoM (nul op de meter). Gemeente faciliteert deze ambitie door een laagdrempelige voorfinancieringsfaciliteit voor de schoolbesturen beschikbaar te stellen, die schoolbesturen in staat moet stellen om deze hogere verduurzamingsambitie te bekostigen met een jaarlijkse bijdrage.
Gemeente Purmerend ondersteunt IKC-vorming bij nieuwbouw door investeringen in ruimte voor kinderopvangfuncties (KDV, VVE, PO, BSO12) voor te financieren, maar alleen als er waterdichte afspraken over dekking hiervan via huur of gebruiksvergoeding op basis van langjarige overeenkomsten gemaakt worden;
Voorstel aanvullende uitgangspunten
In aanvulling op de uitgangspunten vanuit de wetgeving en de eerder gemaakte beleidskeuzes (vastgelegd in bestaand IHP), stellen wij voor om de hierna genoemde uitgangspunten toe te voegen. Daarbij geven we aan welke keuzes gemaakt kunnen worden. Op basis van de in deze visie beschreven ambities, ervaringen en uitkomsten van gesprekken met betrokken stakeholders, wordt geadviseerd om de keuze voor nieuw beleid over te nemen en als basis aan te houden voor de verdere uitwerking in het IHP proces.
Volume schoolgebouwen (toelichting hoofdstuk 2)
In de visie van de primair onderwijs (po) schoolbesturen is het belangrijk om, daar waar het mogelijk is, te streven naar (met uitzondering van Westbeemster13 en de Waterlandschool14) grotere onderwijseenheden dan de stichtingsnorm van 300 leerlingen15. Maatwerk op basis van de lokale omstandigheden en het onderwijsconcept blijft daarbij wenselijk. Als gevolg van grotere onderwijseenheden kan dat op bepaalde plekken in de gemeente het aantal schoollocaties verminderen of verschuiven. De schoolbesturen geven organisatorisch invulling aan deze opschaling: fusie van scholen, samenvoegen van scholen op 1 locatie, met of zonder uitruil van schoollocaties tussen besturen. In feite wordt de omvang van een schoollocatie niet gebaseerd op de leerlingenprognose voor die ene school, maar op een bredere interpretatie van de leerlingenprognose. Bovenop de onderwijscapaciteit dient rekening te worden gehouden met aanvullende ruimtebehoefte voor de IKC-partner(s). De keuzevrijheid van ouders zal misschien minder zijn want als een school het maximum aan leerlingen heeft bereikt zal (volgens de volumeafspraken) een school doorverwijzen naar een andere school in de buurt.
Gemeente Purmerend heeft de intentie te streven voor de onderwijscapaciteit bij (ver)nieuwbouw van schoolgebouwen naar het (1) verminderen van kleine schoollocaties en (2) inzetten op onderwijseenheden groter dan de stichtingsnorm van 300 leerlingen, waarbij uitgegaan wordt van een bredere interpretatie van de leerlingenprognose in een bepaalde wijk of omgeving. Als hier een vaste voet mee wordt bespaard, wordt deze niet afgeraamd, maar beschikbaar gehouden voor ambities voor inclusief onderwijs.
Volumeafspraken (toelichting hoofdstuk 5)
Schoolbesturen en de gemeentelijke organisatie vinden het wenselijk om afspraken te maken over het gebruik van de onderwijshuisvestingscapaciteit. Daarmee wordt (bouwen voor) leegstand zoveel mogelijk voorkomen, maar wordt het ook beter mogelijk om scholen in hun kracht te zetten en te houden en onderlinge concurrentie tussen scholen om te buigen naar focus op kwaliteit en inzet op specifieke behoeften. Bovendien kan het vorige beleidsvoorstel om te streven naar bepaalde schoolgrootte van schoollocaties niet zonder daar ook volumeafspraken bij te maken.
Gemeente Purmerend maakt volumeafspraken met schoolbesturen, gericht op het optimaal inzetten van de onderwijshuisvestingscapaciteit. De volumeafspraken worden gebaseerd op de onderwijscapaciteit van de schoolgebouwen (bestaand en nieuw), waarbij rekening wordt gehouden met gebruik van gebouwdelen door IKC-partners. Om de volumeafspraken uit te kunnen voeren, werken schoolbesturen onder regie van de gemeente een gezamenlijk reguleringsbeleid uit en komen binnen een jaar met een voorstel.
Inclusie (toelichting hoofdstuk 3)
De basis voor inclusief onderwijs is gelegd in de wet op het passend onderwijs, vastgelegd achtereenvolgend in art 40 lid 4 WPO, art 40 lid 5 WEC, art 8.9 WVO. Vanuit de minister van OCW zijn de grote lijnen voor de werkagenda inclusief onderwijs 2035, concrete acties en vervolgstappen in een brief met de tweede kamer gedeeld in maart 2023. Hoewel het zwaartepunt van de opgave om invulling te geven aan inclusief onderwijs bij de schoolbesturen ligt en er geen wettelijke verplichting is voor de gemeente in relatie tot de onderwijshuisvesting, kan de gemeente hier in faciliteren door extra, boven de norm te berekenen onderwijsruimte, aan scholen beschikbaar te stellen.
Gemeente Purmerend kent, al dan niet onder voorwaarden, extra ruimte toe bij (ver)nieuwbouw van scholen in het primair onderwijs en het vo voor inclusief onderwijs. Daarbij gaat de gemeente voor nu uit van gemiddeld 50 m2bvo per project, maar per project zal beoordeeld worden wat nodig is.
Dit hangt af van de visie van schoolbesturen op inclusie. De inhoudelijke beoordeling hiervan vindt plaats door het domein Maatschappelijk, ‘onderwijs’ binnen de gemeente. De dekking hiervan komt uit het over een langere periode bouwen van grotere scholen waarmee bespaard wordt op de ‘vaste voet’.
Brede blik op maatschappelijke voorzieningen (toelichting hoofdstuk 2)
Naast het IHP is er ook een behoeften inventarisatie maatschappelijke voorzieningen binnen de gemeente Purmerend. De vernieuwing van onderwijsgebouwen biedt ook kansen om breder te kijken naar (de behoefte aan) voorzieningen in de omgeving van de scholen waar het om gaat. Deze kansen willen we graag aangrijpen. Een integrale aanpak zoals deze vraagt wel wat van de projectorganisatie en de inbreng vanuit de gemeentelijke organisatie bij de ontwikkeling van projecten. Maar dit vraagt ook om aandacht voor de manier waarop invulling wordt gegeven aan eigendom en beheer van brede maatschappelijke accommodaties en goede en duurzame afwegingen daarin.
Gemeente Purmerend gebruikt een integrale aanpak bij nieuwe of te vernieuwen onderwijslocaties, waarbij als onderdeel van de planvorming verkend wordt of verbreding met andere maatschappelijke voorzieningen nuttig en haalbaar is.
Circulair, klimaatadaptief en natuurinclusief (toelichting hoofdstuk 4)
In het bestaande IHP en in de financiële kaderstelling worden geen budgettaire maatregelen vastgesteld om specifieke investeringen in deze duurzame onderdelen te realiseren, behalve de inzet op vergroening van de schoolpleinen. De gemeente heeft wel beleid geformuleerd voor nieuwbouw van gebouwen die gaat over deze duurzaamheidsonderdelen: nieuwbouw moet voldoen aan de basisveiligheidsniveaus klimaatbestendige nieuwbouw en moet voldoen aan het puntensysteem natuurinclusief bouwen. In hoeverre dit kan worden waargemaakt binnen het eerder genoemde financieel kader, is de vraag. De verwachting is dat echt inzetten op deze duurzaamheidsthema’s om extra investeringsruimte zal vragen.
We volgen de wettelijke basis en samen met de schoolbesturen gebruiken we elke kans om de thema’s circulair, klimaatadaptief en natuurinclusief zo optimaal mogelijk in elk bouwproject te realiseren, waarbij de gemeente hulp biedt bij het vinden en inzetten van subsidiemogelijkheden.
Anticiperen op demografische ontwikkelingen (toelichting hoofdstuk 5)
De gemeente Purmerend staat voor een flinke ontwikkelopgave en heeft verschillende gebieden aangewezen waar grootschalige ontwikkelingen zullen plaatsvinden. Dat heeft ook demografische gevolgen die ook in de prognose van de leerlingaantallen zijn meegenomen. In die nieuwe ontwikkelgebieden moeten ook voorzieningen, waaronder scholen of integrale kindcentra, worden gerealiseerd. Het is daarbij belangrijk om die kindvoorzieningen zoveel mogelijk in de eerste fase van de ontwikkelingen te realiseren. Dat levert in de eerste tijd naar verwachting meer capaciteit op die we graag flexibel wensen in te zetten. Per locatie zullen we zoeken naar effectieve manieren om invulling te geven aan de gewenste flexibiliteit. Daarbij kunnen ook zogenaamde piekgebouwen een rol spelen.
Bij stedelijke uitbreiding wordt de realisatie van kindvoorzieningen (integrale kindcentra) zoveel mogelijk in de eerste fase gepland.
Bewegingsonderwijs (toelichting hoofdstuk 6)
Onderdeel van het IHP is het in kaart brengen van de capaciteit voor het bewegingsonderwijs en inzichtelijk maken waar knelpunten ontstaan. Een belangrijk onderdeel daarbij is de afstand van een school tot een gymzaal. Wettelijk zijn die afstanden bepaald op maximaal 1 kilometer hemelsbreed in het primair onderwijs en maximaal 2 kilometer hemelsbreed in het voortgezet onderwijs. De wens is om die afstand zo beperkt mogelijk te houden. De gemeente Purmerend heeft voor het primair onderwijs de ambitie om binnen een streefafstand van 750 meter te blijven, maar beschouwt de wettelijke afstand daarbij als uiterlijke afstand.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 27 maart 2025
De wnd. griffier,
M. Timmerman
de voorzitter,
E. van Selm
IHP Purmerend 2025 – 2040 Uitvoeringsplan
Deze rapportage betreft het uitvoeringsplan IHP Purmerend 2025. Het IHP bestaat uit twee delen: de visie en het uitvoeringsplan. De ‘Visie op huisvesting kindcentra en scholen’ schetst een visie voor de toekomst van onderwijshuisvesting in de gemeente, gericht op duurzaamheid, inclusiviteit en een efficiënte inrichting van de beschikbare ruimte. De visie biedt voor de langere termijn houvast voor de wijze waarop gemeente en schoolbesturen in Purmerend om willen gaan met de huisvesting van de scholen in het funderend onderwijs (primair en voortgezet onderwijs). Onderhavig uitvoeringsplan vertaalt die visie naar concrete projectvoorstellen voor die huisvesting en een investeringsplan voor de komende 15 jaar. Daarbij geldt dat naar mate de investeringen verder in de tijd worden geplaatst de waardes daarvan in dit uitvoeringsplan in steeds meer indicatieve mate moeten worden beschouwd. Het IHP wordt dan ook elke vier jaar geactualiseerd, waarbij de verwachting is dat de actualisatie voor het grootste deel betrekking heeft op het uitvoeringsplan. In dit inleidende hoofdstuk gaan we nader in op de context van het IHP, de aanleiding, het proces waarop het IHP tot stand is gekomen en de status van het IHP.
De gemeente Purmerend, de schoolbesturen en hun maatschappelijke partners actief in Purmerend staan voor een enorme opgave. De gemeente groeit op diverse plekken als gevolg van nieuwe woningbouwontwikkelingen. In die nieuwe wijken ontstaat ook vraag naar maatschappelijke voorzieningen, waaronder onderwijsvoorzieningen en voorzieningen voor kinderopvang. Niet in elke wijk wordt echter groei van het aantal leerlingen voorzien, waardoor naast de vraag om nieuwe locaties ook een spreidingsvraagstuk speelt. Tegelijkertijd is een groot gedeelte van de bestaande onderwijsgebouwen aan vernieuwing toe. Of is een uitbreidingsvraag aan de orde, als gevolg van groei van leerlingaantal of de wens om kinderopvangvoorzieningen in een schoollocatie te huisvesten. En dat allemaal binnen een context waarin ruimte schaars is. Zeker in de bestaande binnenstedelijke gebieden is het vinden van een nieuwe of tijdelijke locatie voor onderwijshuisvesting moeilijk, zo niet onmogelijk. Bovendien stellen we tegenwoordig hogere eisen aan de infrastructuur rond schoollocaties, onder andere met betrekking tot bereikbaarheid, veiligheid en parkeergelegenheid. Maar de opgave voor partijen ligt niet alleen in het fysieke domein. Ook spelen diverse ontwikkelingen binnen het onderwijs en opvang die uiteindelijk van invloed zijn op de fysieke opgave. Zo hebben schoolbesturen een uitdaging als het gaat om het waarborgen van voldoende docenten voor de klassen, is er de ambitie om de doorgaande ontwikkellijn van kinderen steeds meer geïntegreerd vorm te geven en hebben partijen de opdracht om zoveel mogelijk kinderen in het reguliere onderwijs te houden en de noodzakelijke ondersteuning te bieden (inclusief onderwijs). Voor de kinderopvangorganisaties geldt dat wet- en regelgeving aan verandering onderhevig is en dat binnen de landelijke politiek ambities leven om de toegankelijkheid van kinderopvang te vergroten. Ook al deze inhoudelijke thema’s vertalen zich uiteindelijk in meer of mindere mate naar een huisvestingsvraag. Om de opgave van de gemeente, schoolbesturen en maatschappelijke partners ten aanzien van de onderwijshuisvesting (inclusief bewegingsonderwijs) richting te geven, is een nieuw integraal huisvestingsplan (IHP) opgesteld.
In 2021 heeft de gemeenteraad van Purmerend het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs (IHP) vastgesteld, waarna de uitvoering van de eerste projecten daaruit van start is gegaan. Tijdens de uitvoering is de gemeente diverse uitdagingen tegengekomen waar het IHP niet in voorzag. Zo bleken sommige projecten complexer dan aanvankelijk gedacht, werd tegen ruimtelijke beperkingen van locaties aangelopen en leidde de stijging van de marktprijzen tot noodzakelijke aanpassingen van de investeringsopgaven. Daarbij komt dat gemeente Purmerend voor een aanzienlijke woningbouwopgave in diverse ontwikkelgebieden staat, wat effect heeft op het verwachte aantal leerlingen. Kortom, allerlei omstandigheden waar in het vigerend IHP uit 2021 onvoldoende rekening mee werd gehouden en die vragen om een herijking van het IHP.
Het voorliggende IHP-rapport is opgesteld met begeleiding van ICSadviseurs en in samenwerking met alle schoolbesturen, (een afvaardiging van) opvangorganisaties, sportbedrijf Spurd en de gemeente Purmerend. Deze partijen zijn te vinden in onderstaande tabel.
Met bovenstaande partijen is een zorgvuldig proces doorlopen om tot een gedragen IHP te komen. De volgende stappen zijn daarbij doorlopen:
Visie op de onderwijshuisvesting – Met de betrokken partijen is gezamenlijk aan de hand van diverse thema’s nagedacht over wat de gemeente en schoolbesturen met de onderwijshuisvesting beogen. De visie op onderwijshuisvesting is beknopt beschreven in hoofdstuk 3 en volledig opgenomen in de ‘Visie op huisvesting kindcentra en scholen’.
Inventarisatie gebouwen – Voor elke locatie is op basis van zoveel mogelijk objectieve informatie een zogenaamde ‘factsheet’ gemaakt. Het gaat hier om gegevens als bouwjaar, exploitatielasten, technische en functionele kwaliteit en de ontwikkeling van vraag en aanbod op basis van de leerlingenprognoses. Tevens is het medegebruik en de verhuur van (onderwijs)capaciteit inzichtelijk gemaakt. Een samenvatting van de factsheets wordt gegeven in hoofdstuk 4: Portefeuille-analyse. Daarnaast zijn de factsheets opgenomen als bijlage 1 aan dit IHP.
Situatieschets per wijk – Aan de hand van de basisinformatie, interviews en het inzicht in de vooraf benoemde knelpunten en ontwikkelingen, is een wijkgerichte situatieschets gemaakt. Deze kaarten geven de knelpunten per wijk visueel weer. Tijdens de werksessies zijn alle knelpunten per school(gebouw) met elkaar gedeeld, zodat er een integraal beeld is ontstaan van de opgave die voorligt. De wijkkaarten vormen daarmee een belangrijke basis om tot gedragen oplossingen te komen. De toelichting op de wijkkaarten is weergegeven in hoofdstuk 5: Knelpunten & oplossingsrichtingen.
Een belangrijk uitgangspunt voor het Integraal Huisvestingsplan Purmerend is dat het een gezamenlijk plan is van de betrokken partijen. De betrokkenheid en aandacht van schoolbesturen, opvangorganisaties en de gemeente vormen de basis voor de aanpak en uitvoering. Tijdens meerdere werksessies hebben schoolbesturen en vertegenwoordigers van kinderopvang en gemeente gezamenlijk informatie, inzichten en standpunten uitgewisseld om tot een samenhangend en gedragen plan te komen. Gedurende het proces vormt ieder deelproduct de input voor het daaropvolgende deelproduct. Zo hebben we alle bouwstenen voor het IHP gedurende het proces gezamenlijk ontwikkeld. De bouwstenen zijn tijdens de werksessies besproken, aangescherpt, vastgesteld en nu verwerkt in dit IHP.
In dat proces zijn telkens twee sporen bewandeld: één spoor waarin de afstemming met de schoolbesturen en kinderopvangorganisaties werd gelopen en één spoor waarin met een brede vertegenwoordiging vanuit de gemeente werd afgestemd om in aansluiting op onder andere stedenbouwkundige en andere maatschappelijke ontwikkelingen vanuit een breder kader af te stemmen over de visie- en planvorming. Zo hebben we zo goed mogelijk proberen te borgen dat de planvorming in dit IHP aansluit op andere ontwikkelingen binnen de gemeente.
Dit IHP, bestaat uit het visiedocument en het uitvoeringsplan en is een gezamenlijk plan van de gemeente Purmerend, de schoolbesturen en kinderopvangorganisaties, vastgesteld in het Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO) tussen de gemeente en schoolbesturen. Dit gezamenlijke plan wordt ter besluitvorming voorgelegd aan het College van B&W en vervolgens namens het college aan de Gemeenteraad.
Het IHP wordt in zijn geheel (visie en uitvoeringsplan) na 4 jaar geëvalueerd en zo nodig aangepast op nieuwe, nu nog onvoorziene ontwikkelingen. Jaarlijks wordt de voortgang van uitvoering van het uitvoeringsplan gerapporteerd aan de Gemeenteraad.
In dit hoofdstuk wordt de context van het IHP beschreven. De aanleiding voor het plan wordt toegelicht, evenals het proces van totstandkoming en de status van het IHP. Het hoofdstuk legt ook de verbinding tussen de ‘Visie op huisvesting kindcentra en scholen’ en de vertaling daarvan in concrete projectvoorstellen in het uitvoeringsplan.
Hier worden de uitgangspunten voor het IHP besproken. Het vigerende IHP, wettelijke kaders en het vertrekpunt van het nieuwe plan worden behandeld. Ook wordt een overzicht gegeven van het huidige onderwijsaanbod en lopende of vastgestelde projecten.
Hoofdstuk 3: Visie op huisvesting (kindcentra en scholen)
Dit hoofdstuk schetst de ambities voor de toekomstige inrichting van onderwijshuisvesting in Purmerend. Het benadrukt duurzaamheid, inclusiviteit en efficiënte ruimtebenutting, met het doel om tegen 2040 een flexibel en toekomstbestendig systeem van onderwijshuisvesting te realiseren.
Hoofdstuk 4: Analyse portefeuille op hoofdlijnen
In dit hoofdstuk wordt de huidige staat van de onderwijshuisvesting geanalyseerd. Er wordt ingegaan op aspecten zoals de gemiddelde leeftijd van de gebouwen, de kwaliteit ervan, en de mate waarin het aanbod aansluit op de behoeften van het onderwijs.
Hoofdstuk 5: Analyse schoollocaties per wijk/dorp
Dit hoofdstuk biedt een gedetailleerde knelpuntenanalyse per schoolgebouw. Met behulp van een kansenkaart worden gebouwen beoordeeld op vraag en aanbod, kwaliteit (technische staat, binnenklimaat, verkeersveiligheid) en financiën (onderhouds- en energielasten). Ook wordt ingegaan op de toekomstige verhoudingen tussen beschikbare en benodigde capaciteit.
Hoofdstuk 6: Analyse gymvoorzieningen
In dit hoofdstuk worden de gymvoorzieningen in Purmerend specifiek geanalyseerd. Het behandelt de spreiding, berekende capaciteit en biedt een korte analyse van de huidige voorzieningen.
Hoofdstuk 7: Uitwerking projectvoorstellen
Hier worden verschillende scenario’s en projectvoorstellen voor schoollocaties uitgewerkt. Deze voorstellen zijn ingedeeld in tijdvakken, met indicatieve planningen voor ingebruikname, capaciteitsdoelen (in leerlingen en m² bvo) en afhankelijkheden zoals de beschikbaarheid van bouwrijpe locaties.
Hoofdstuk 8: Effecten projectvoorstellen
Dit hoofdstuk bespreekt de effecten van de projectvoorstellen op de onderwijshuisvesting en de gemeente als geheel. Het richt zich op de bijdrage aan groeiambities, leefbaarheid en de ontwikkeling van de jongste generatie inwoners van Purmerend.
Hoofdstuk 9: Financiële uitwerking
In dit hoofdstuk worden de benodigde investeringen en de financiële planning van het uitvoeringsplan gepresenteerd.
Hoofdstuk 10: Procesvoorwaarden
Het afsluitende hoofdstuk behandelt de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor een succesvolle uitvoering van het IHP. Dit omvat afspraken over samenwerking, de beschikbaarheid van middelen en de procesmatige randvoorwaarden die geborgd moeten worden.
We ontwikkelen het IHP niet vanuit een totaal nieuw kader. Er ligt een vigerend IHP op basis waarvan al projecten zijn uitgevoerd en in uitvoering, danwel opgestart zijn en er zijn wettelijke kaders die van belang zijn om in acht te nemen. In dit hoofdstuk staan we eerst stil bij een aantal kaders die van belang zijn voor het ontwikkelen van dit IHP en vervolgens geven we inzicht in het vertrekpunt voor dit IHP: hoe ziet het huidige onderwijsaanbod er uit en welke projecten kunnen als lopend (of vastgesteld) worden beschouwd.
Wettelijke taak onderwijshuisvesting
De wettelijke basis voor regelgeving over onderwijshuisvesting is vastgelegd in de Wet op het Primair Onderwijs (WPO), de Wet op de expertisecentra (WEC) en de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO). Deze wetten verplichten de gemeente om te zorgen voor adequate huisvesting. Bij het uitoefenen van deze taak dient de gemeente onder meer rekening te houden met de materiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs. Deze gelijkstelling houdt in dat alle scholen recht hebben op dezelfde voorzieningen in dezelfde omstandigheden. De regels die in acht moeten worden genomen zijn uitgewerkt in de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs die de gemeenteraad in 2009 heeft vastgesteld. De verordening is gedateerd en dient op onderdelen te worden herzien.
In de verordening is vastgelegd welke verantwoordelijkheden de gemeente en de schoolbesturen hebben ten aanzien van de huisvesting van de binnen de gemeente Purmerend gevestigde scholen voor primair, voortgezet en speciaal onderwijs. Ook is beschreven welke voorzieningen schoolbesturen kunnen aanvragen bij de gemeente en welke procedures daarbij gelden. De verordening is de uitwerking van een aantal wettelijke bepalingen. De belangrijkste daarvan is dat de verordening zodanig moet worden opgezet
dat kan worden voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de gemeente stelt. Over aanvragen voor onderwijshuisvestingsvoorzieningen die de gemeente in behandeling heeft genomen, wordt een OOGO met de schoolbesturen gevoerd.
Taken en verantwoordelijkheden (zorgplicht)
De taken en verantwoordelijkheden van gemeente en schoolbestuur zijn wettelijk bepaald. De afbeelding hieronder (figuur 1) toont het onderscheid in wettelijke taken en verantwoordelijkheden.
De gemeente heeft een wettelijke zorgplicht om te voorzien in voldoende en adequate huisvesting voor het primair, speciaal, voortgezet onderwijs en bewegingsonderwijs. Deze zorgplicht is uitgewerkt in de verordening voorziening huisvesting onderwijs gemeente Purmerend. De gemeente is onder andere verantwoordelijk voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding. Vooruitlopend op en in lijn met de aangekondigde wetswijziging wordt de gemeente tevens verantwoordelijk voor renovatie (zie ook hoofdstuk 3, visie op onderwijshuisvesting). Voor de gymzalen die in eigendom zijn van schoolbesturen in het basisonderwijs dient de gemeente te voorzien in het zogenaamde buitenonderhoud zoals daken, kozijnen enz. (de onderdelen die voorheen ten aanzien van de schoolgebouwen vielen onder het ‘groot onderhoud’). Voor de uitvoering van de zorgplicht ontvangt de gemeente jaarlijks ongelabeld budget in het gemeentefonds vanuit het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dit budget wordt jaarlijks gebaseerd op verschillende maatstaven (factoren) en verschilt per gemeente. In de gemeente Purmerend wordt onderhoud, exploitatie en beheer uitgevoerd door stichting SPURD.
Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de instandhouding van het schoolgebouw. Taken als het onderhouden (op basis van een meerjarenonderhoudsplan, MJOP), exploiteren en het uitvoeren van inpandige (onderwijskundige) aanpassingen zijn belegd bij het schoolbestuur. Voor deze taken ontvangen de besturen jaarlijks vanuit het Rijk middelen. Deze vergoeding wordt gebaseerd op het aantal ingeschreven leerlingen.
Figuur 1: Taken en verantwoordelijkheden
Er is een wetswijziging in behandeling waardoor het wettelijk kader voor onderwijshuisvesting gaat veranderen. De streefdatum voor de inwerkingtreding van het wetswijzigingsvoorstel is 1 augustus 2025. Het voorstel bevat de volgende elementen:
Renovatie wordt een voorziening in de huisvesting en valt onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid. De taakverdeling met betrekking tot het bouwheerschap wordt daarmee ook gelijk aan de taakverdeling bij nieuwbouw (bouwheerschap in de basis bij het schoolbestuur, maar daarvan kan worden afgeweken).
Het voorliggende IHP sluit aan op het huidig wettelijk kader en is in lijn met het wijzigingsvoorstel.
Gemeenten hebben geen rol in het (uitvoerend) onderwijsbeleid van de scholen. Zo zijn schoolbesturen primair verantwoordelijk voor onderwijsachterstandenbeleid en passend onderwijs. Wel zijn gemeenten verantwoordelijk voor het vormgeven en uitvoeren van voorschoolse en vroegschoolse educatie. Uiteindelijk leidt dat tot een gezamenlijke opgave tussen schoolbesturen en het samenwerkingsverband, kinderopvang organisaties en de gemeente om kinderen een passende en zoveel mogelijk kansengelijke ontwikkellijn te bieden.
Huidige aanbod onderwijs PO, (V)SO en VO in Purmerend
De samenstelling van het onderwijsaanbod in de gemeente Purmerend is als volgt:
Figuur 2: Huidige aanbod onderwijs
Onderdeel van het onderwijs is bewegingsonderwijs. Binnen de gemeente Purmerend zijn de volgende voorzieningen voor bewegingsonderwijs aanwezig:
We zijn met dit IHP traject gestart op basis van het IHP dat een aantal jaren geleden werd opgesteld en vastgesteld. Op basis van dat IHP zijn projecten in uitvoering genomen, waarvan een enkeling reeds is afgerond. Projecten die we als lopend kunnen beschouwen zijn:
In de wijk Centrum wordt bij het KC Willem Eggert in Q2 2025 een uitbreiding gerealiseerd van maximaal 321 m2 bvo. Dit is het maximaal aantal m2 wat bijgebouwd kan worden op het huidige kavel. Dit project is reeds vastgesteld en in uitvoering.
In de wijk Overwhere zijn twee lopende projecten. Het Antoni Gaudi en Da Vinci college krijgen nieuwbouw op de huidige locatie van het Antoni Gaudi. Dit project is in uitvoering. In totaal bedraagt de capaciteit van de nieuwe locatie 13.040 m2 bvo, wat betekent dat in totaal 1.900 leerlingen gehuisvest kunnen worden. De oplevering van het nieuwe gebouw staat gepland in Q4 2026. De nieuwe school gaat Het Innovium College heten. Naast de nieuwbouw van Het Innovium College, is ook de nieuwbouw van OBS de KlimOp reeds vastgesteld en in uitvoering. De onderwijscapaciteit in de nieuwbouw van de KlimOp bedraagt 3.092 m2 bvo, waarmee onderwijs kan worden geboden aan 575 leerlingen. Daarnaast is in de nieuwbouw 527 m2 bvo kinderopvang ruimte voorzien.
In Middenbeemster is de nieuwbouw van IKC de Keyser, inclusief gymzaal een lopend project. De afronding van dit project zal plaatsvinden in Q4 2026. In totaal bedraagt de nieuwbouw van IKC de Keyser 3.586 m2 bvo, bestaande uit onderwijs, kinderopvang, gymzaal en maatschappelijke ruimtes. De onderwijscapaciteit in dit nieuwe gebouw bedraagt 1.851 m2 bvo, wat betekent dat dit gebouw kan worden gegeven aan 328 leerlingen. In totaal kunnen er in de Middenbeemster op de bestaande en de nieuwe locatie circa 550 leerlingen onderwijs krijgen.
De nieuwbouw van de Plankier/ARS (verplaatsing vanuit Weidevenne en De Gors) inclusief gymzaal, is reeds vastgesteld en in voorbereiding. In Q2 2027 staat de oplevering van het nieuwe gebouw gepland. Inclusief een gymzaal bedraagt de nieuwbouw in totaal 2.572 m2 bvo. Hier kunnen vanaf 2027 in totaal 203 leerlingen onderwijs krijgen.
De nieuwbouw van de tweede Wilgenhoek/ Bloeiende Perelaar, inclusief gymzaal is reeds vastgesteld. Bij dit project heeft nog geen definitieve besluitvorming over de beschikbaarheid van een locatie plaatsgevonden. In totaal gaat het hier om ruimte voor 1.895 m2 bvo onderwijs, 608 m2 bvo kinderopvang en 500 m2 bvo gymzaal. In het nieuwe gebouw kunnen derhalve 336 leerlingen onderwijs krijgen. In totaal kunnen er in de Zuidoostbeemster op de bestaande en de nieuwe locatie circa 700 leerlingen onderwijs krijgen.
De nieuwbouw van De Delta is reeds vastgesteld en in voorbereiding. De nieuwbouw komt op dezelfde locatie als het huidige schoolgebouw. De uitvoering van het project (en daarmee de planning) is afhankelijk van tijdelijk gehuisvest kunnen worden in een bestaand gebouw. De nieuwbouw van De Delta bestaat uit 1.820 m2 bvo onderwijscapaciteit. In het nieuwe gebouw kunnen 322 leerlingen onderwijs krijgen.
3. Visie op huisvesting (kindcentra en scholen)
Met het IHP beogen we adequaat te reageren op maatschappelijke en demografische veranderingen en oplossingen te bieden voor groeiende leerlingenaantallen, verouderde schoolgebouwen en veranderende eisen aan onderwijs- en kinderopvangvoorzieningen. Het doel is om tegen 2040 een flexibel, toekomstbestendig en duurzaam systeem van onderwijshuisvesting te realiseren, passend bij de bredere gemeentelijke strategieën zoals Purmerend 2040 en passend bij de stedelijke ontwikkeling van deze gemeente.
Het IHP bestaat uit twee delen: de visie en het uitvoeringsplan. De ‘Visie op huisvesting kindcentra en scholen’ schetst een visie voor de toekomst van onderwijshuisvesting in de gemeente, gericht op duurzaamheid, inclusiviteit en een efficiënte inrichting van de beschikbare ruimte. In dit hoofdstuk geven we samengevat weer welke elementen onderdeel uitmaken van de visie en hoe we daar invulling aan geven in de planvorming.
Aansluiting bij de stedelijke ontwikkeling van gemeente Purmerend
Purmerend groeit en de verstedelijkingsambitie van de gemeente heeft ook invloed op de sociaal- maatschappelijke context. Dat vraagt om een heldere en passende visie op de maatschappelijke infrastructuur in de gemeente, waaronder ook onderwijs en onderwijshuisvesting. Onderwijshuisvesting draagt immers ook bij aan het realiseren van de gezamenlijke doelen op weg naar Purmerend 2040, onder andere ten aanzien van het waarborgen van de leefbaarheid, veiligheid en economische ontwikkeling. De focus op duurzaamheid, inclusie en flexibiliteit maakt het IHP niet alleen een plan voor betere scholen, maar ook voor een betere gemeente. Kinderen, ouders en leraren kunnen rekenen op veilige, moderne en inspirerende leeromgevingen die zijn afgestemd op hun behoeften en de uitdagingen van de toekomst.
In het vigerend IHP werd te weinig rekening gehouden met die verstedelijkingsopgave en concreet de verschillende ontwikkelgebieden binnen de gemeente. Bij het tot stand komen van dit nieuwe IHP zijn nieuwe leerlingenprognoses in 2024 opgesteld, gebaseerd op alle bekende voorgenomen woningbouwontwikkelingen. Dat betekent dat we een reëel beeld hebben van de ontwikkeling van het leerlingaantal, maar volledige zekerheid daarover hebben we natuurlijk niet. Het blijft immers een voorspelling. Ook met die onzekerheid proberen we in de planvorming rekening te houden.
Thema’s en uitgangspunten als basis voor planvorming
De voorziene groei van de gemeente is niet de enige ontwikkeling waar we in dit IHP een antwoord op proberen te geven. Ontwikkelingen in het onderwijs zelf vragen ook om een nieuwe visie op plannen voor onderwijshuisvesting voor de toekomst. Denk daarbij aan het realiseren van doorgaande ontwikkellijnen en het vormgeven van inclusief onderwijs. Voor schoolbesturen ligt een opgave om hier gezamenlijk en met partners vorm aan te geven in combinatie met de uitdaging om de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen en voldoende onderwijskundig personeel aan zich te binden. Ook koppelen we in dit IHP de consequenties van leerling ontwikkelingen en de daaruit voortvloeiende projectvoorstellen aan de behoefte aan bewegingsonderwijs.
In de visie op de onderwijshuisvesting worden de volgende thema’s verder uitgewerkt:
Anticiperen op demografische en stedelijke ontwikkelingen. Hier wordt ingegaan op volumeafspraken, de inzet van piekgebouwen, modulair bouwen en planologische ruimte, tijdelijke huisvesting en mobiliteit en verkeersveiligheid. Factoren die een rol spelen bij het inspelen op de veranderende behoefte als gevolg van de demografische en stedelijke ontwikkelingen.
Bewegingsonderwijs. Naast de capaciteitsvraag die volgt uit de ontwikkeling van het aantal leerlingen op de verschillende onderwijslocaties, spelen ook andere ontwikkelingen een rol bij het plannen van nieuwe voorzieningen voor bewegingsonderwijs. Zo wordt ingegaan op continuroosters, IKC vorming en bewegen in en om de school (BIOS), nieuwe ontwikkelingen in het bewegingsonderwijs en het type sportvoorziening.
De manier waarop de gemeente Purmerend in dit IHP invulling wil geven aan de verschillende thema’s heeft geleid tot de volgende keuzes. Deze keuzes vormen uitgangspunt voor de uitwerking van de projectvoorstellen.
Circulair, klimaat adaptief en natuur inclusief 16 worden als thema meegenomen in projecten maar vanuit onderwijshuisvesting geen extra middelen voor beschikbaar. In elk project wordt onderzocht welke aanvullende financieringsmogelijkheden (bijv subsidies) er aangewend kunnen worden om op deze thema’s stappen te zetten.
Gymnastiekcapaciteit zoveel mogelijk binnen 750 meter van schoollocatie te bereiken en zo optimaal mogelijk benutten van capaciteit (efficiënte spreiding en inzet van gymnastiekvoorzieningen). Er wordt bovendien bij de invulling van gymcapaciteit ook ingespeeld op de behoefte die vanuit de brede sportbeoefening binnen de gemeente aanwezig is.
Claims nieuwe locaties en mogelijk te verlaten locaties
Naast deze beleidskeuzes gaan we bij de uitwerking van de planvorming zoveel mogelijk uit van het beperken van de noodzaak om kostbare tijdelijke huisvesting (THV) te moeten realiseren om projecten uit te kunnen voeren. De nieuwe stedelijke ontwikkeling biedt daarbij kansen omdat we aanbod willen creëren waar de nieuwe behoefte ontstaat. Dus we zullen claims leggen op nieuwe locaties waar we die kunnen vinden en waar die aansluiten bij nieuwe woningbouwontwikkelingen. Voor locaties in nieuw te ontwikkelen wijken geldt dat we er zoveel mogelijk naar streven om de nieuwe onderwijslocatie gereed te hebben bij aanvang of in de eerste fase van de woningbouw ontwikkeling.
In de planuitwerking komen ook situaties voor waarbij we op dit moment voorzien dat bestaande onderwijslocaties kunnen worden verlaten. Uitgangspunt is dat we deze locaties pas uit de onderwijsportefeuille (en uit de onderwijsbestemming) halen indien we zeker weten dat we zonder de locatie duurzaam kunnen voorzien in de onderwijsbehoefte in de betreffende omgeving. Daarmee waarborgen we voldoende capaciteit in de verschillende wijken voor de situatie dat ontwikkelingen in wijken tot andere behoeftes leidt dan we op dit moment voorzien. Onderwijslocaties die daadwerkelijk kunnen worden vrijgespeeld bieden in bestaande wijken weer nieuwe kansen om invulling te geven aan andere maatschappelijke opgaven.
Aanvullend op de visie op de huisvesting van kindcentra en scholen is het van belang om te benoemen dat we in Nederland te maken hebben met omstandigheden die de realisatie van bouwprojecten kunnen beïnvloeden, zoals netcongestie. In de uitwerking van dit uitvoeringsplan hebben we geen bijzondere maatregelen opgenomen omdat dit per project specifiek zal moeten worden verkend en om project specifieke oplossingen vraagt. Deze verkenning maakt onderdeel uit van het projectplan dat voorafgaand aan elk project wordt opgesteld (zie ook hoofdstuk 10, procesvoorwaarden).
4. Analyse portefeuille op hoofdlijnen
In dit hoofdstuk geven we op hoofdlijnen meer inzicht in de portefeuille onderwijshuisvesting en hoe die portefeuille er op dit moment voor staat. Onder andere de gemiddelde leeftijd van de gebouwen, kwaliteit en in hoeverre het aanbod aansluit op de behoefte.
In de gemeente Purmerend zijn 40 scholen gevestigd. Achtentwintig schoolgebouwen voor het basisonderwijs, zeven schoolgebouwen voor speciaal onderwijs en vijf schoolgebouwen voor het voortgezet onderwijs. Hoewel basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs formeel gezien onder de wet op het primair onderwijs vallen, onderscheiden we in dit IHP het volgende categorieën:
Gemiddelde omvang schoolgebouwen
De totale beschikbare onderwijscapaciteit is 77.200 m² bvo. Schoolgebouwen in het PO hebben een gemiddelde onderwijscapaciteit van 1.615 m² bvo per schoolgebouw, schoolgebouwen in het SO hebben een gemiddelde onderwijscapaciteit van 1.064 en scholen in het VO 3.977 m² bvo per schoolgebouw.
De gemiddelde schoolgrootte in het PO vertaalt zich naar gemiddelde capaciteit voor ongeveer 280 leerlingen. Bij het SO en VO is die vertaalslag naar het aantal beschikbare leerling plekken afhankelijk van het type onderwijs. Zo heeft beroepsgericht onderwijs meer vierkante meters per leerling dan theoretisch onderwijs in het VO. En in het SO maakt naast het type speciaal onderwijs ook het verschil in voortgezet speciaal onderwijs en speciaal onderwijs verschil.
Figuur 3: Gemiddelde gebouwomvang
In de onderstaande tabel zijn de leeftijden van de schoolgebouwen (PO, SO en VO) per leeftijdscategorie weergegeven. De gemiddelde leeftijd van de onderwijsgebouwen in Purmerend bedraagt 30 jaar. Daarbij geldt dat 30 van de 40 onderwijsgebouwen ouder zijn dan 20 jaar, waarvan er 11 ouder zijn dan 40 jaar. Op basis van de leeftijd van de onderwijsgebouwen staan gemeente en schoolbesturen voor een aanzienlijke opgave om de gewenste verduurzamingsslag te maken in het kader van de klimaatafspraken Parijs.
Binnen het thema kwaliteit wordt onderscheid gemaakt tussen drie criteria:
De schoolbesturen hebben aan de hand van een vragenlijst de onderwijsgebouwen kwalitatief beoordeeld. In de vragenlijsten is gevraagd naar de ervaring van de schoolbesturen bij verschillende onderdelen. Er zijn geen metingen uitgevoerd. De uitkomsten van de beoordeling zijn weergegeven in figuur 3, 4 en 5. De onderwijsportefeuille voldoet nog niet aan de doelstellingen uit het klimaatakkoord.
Figuur 6 - Beoordeling technische staat schoolgebouwen Purmerend
De technische staat geeft inzicht in de kwaliteit van de algehele staat, de binnen- en buitenkant van het gebouw en de installaties. De gebruikers zijn overwegend tevreden over de technische staat van de gebouwen. Het merendeel van de gebouwen wordt redelijk tot uitstekend beoordeeld. Met enkele schoolgebouwen die door de schoolbesturen matig zijn gescoord op de buitenkant en de installaties. Wel zijn er 5 gebouwen die slecht tot zeer slecht worden beoordeeld op de installaties. Hierbij gaat het om de basisschool De KlimOp, Montessori De Beleving, De Marimba, de Waterlandschool en De Toermalijn. Voor Montessori De Beleving is hiervoor in het vigerende IHP een uitbreiding opgenomen. Er wordt geen reden opgegeven voor de slechte beoordeling, maar van de vijf schoolgebouwen zijn er twee schoolgebouwen in het vigerend IHP reeds opgenomen voor nieuwbouw.
Figuur 7 - Beoordeling functionaliteit schoolgebouwen Purmerend
De beoordeling van de functionaliteit gaat over de kwaliteit van de onderwijsruimtes, de werkomgeving van de staf, de facilitaire voorzieningen, de toegankelijkheid en het (speel)plein. De meeste schoolgebouwen worden op deze thema’s redelijk tot uitstekend beoordeeld. Met uitzondering van een aantal schoolgebouwen die op verschillende onderdelen matig tot slecht scoren. De schoolgebouwen met een slechte beoordeling op werkomgeving staf en (speel)plein zijn grotendeels dezelfde scholen als de schoolgebouwen die slecht scoorden op de technische staat, namelijk De KlimOp, Montessori De Beleving en de Waterlandschool. Bij één schoollocatie (Montessori de Beleving) worden ook de onderwijsruimten en facilitaire voorzieningen slecht beoordeeld.
Figuur 8 - Beoordeling binnenklimaat schoolgebouwen Purmerend
De beoordeling van het binnenklimaat geeft aan hoe de ventilatie, de temperatuur, het licht en geluid binnen het gebouw ervaren worden. Op de onderwerpen licht en geluid van de kwaliteitsbeoordeling zijn de schoolbesturen redelijk positief. Op de onderdelen ventilatie en temperatuur is men kritisch. Zeven van de veertig schoolgebouwen worden slecht tot zeer slecht beoordeeld op ventilatie. Bij temperatuur zijn dat er zelfs elf van de veertig. Altra College Waterland heeft aan de score nog toegevoegd dat het altijd te warm is, mede door matige ventilatie.
Samenvatting beoordeling gebouwen 2024
Figuur 9: samenvatting beoordeling gebouwen 2024
Gemiddeld genomen wordt de portefeuille onderwijshuisvesting van de gemeente Purmerend redelijk beoordeeld. Een aantal gebouwen scoort slecht, maar er zijn ook (meer recent in gebruik genomen) gebouwen die goed tot uitstekend scoren. Van de kwalitatieve aspecten wordt het binnenklimaat het minst goed beoordeeld. Hier ligt bij een behoorlijk aantal schoolgebouwen een aandachtspunt.
Naast de kwalitatieve beoordeling kan ook worden aangenomen dat de portefeuille onderwijshuisvesting nog niet voldoet aan de duurzaamheidseisen die worden gesteld in het kader van het klimaatakkoord. Belangrijk hierbij op te merken is dat de eisen die gesteld zijn in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) nog niet toereikend zijn om de doelstellingen van het Parijs Akkoord te halen. De verwachting is dan ook dat binnen afzienbare termijn (enkele jaren) de eisen die gesteld worden in het Bbl verder zullen worden aangescherpt.
De opgestelde leerlingenprognoses zijn hieronder weergegeven. Onderstaande tabel laat zien dat het totale leerlingenaantal tussen 2024 en 2040 naar verwachting met 19% zal toenemen. Dit komt neer op circa 2.480 leerlingen. Deze groei is zichtbaar in alle onderwijsniveaus.
In het PO (hier regulier basisonderwijs) stijgt het aantal leerlingen aanzienlijk met 24%. Het SO (speciaal basisonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs) vertoont een groei van 21%. In het VO (voortgezet onderwijs) is er een stijging van 14% in het aantal leerlingen. Ook te zien is dat binnen het PO de verwachte groei niet in elke wijk/dorp gelijkwaardig is. Er zijn ook wijken/dorpen waar nagenoeg geen groei of zelfs krimp is te zien.
De totale capaciteit onderwijshuisvesting die op dit moment aanwezig is bedraagt 84.269 m2 bvo, onder te verdelen naar:
In de hier bovengenoemde capaciteit wordt nog geen rekening gehouden met de veranderingen in de capaciteit als gevolg van de eerder genoemde lopende projecten. Het leerlingenaantal wat hierboven is weergegeven is o.b.v. de laatste leerling telling.
De totale capaciteit onderwijshuisvesting voor het PO voldoet ruimschoots voor het huisvesten van het totaal aantal leerlingen. Maar dat wil niet zeggen dat het huidige aanbod voldoet aan de behoefte in alle wijken/dorpen. Er zijn wijken/dorpen waar het aanbod onder druk staat en wijken/dorpen waar sprake is van overcapaciteit. Eén van de opgaven in dit IHP is dan ook om de spreiding van de onderwijsvoorzieningen beter aan te sluiten op de behoefte en de voorziene ontwikkeling in die behoefte, mede gelet op de stedelijke ontwikkeling van de gemeente.
Bij het SO en het VO speelt die spreiding een minder belangrijke rol, omdat dit voorzieningen zijn die in een wijk overstijgende behoefte voorzien. De capaciteit van deze voorzieningen is voldoende, maar in het SO staat op bepaalde plekken ook de capaciteit onder druk.
In alle sectoren (PO, SO en VO) wordt, mede als gevolg van de stedelijke ontwikkeling in de gemeente, groei van het leerlingenaantal verwacht. Het IHP zal ook een antwoord moeten bieden op die groei in lijn met de diverse stedelijke ontwikkelgebieden binnen de gemeente.
Ook in het nieuwkomersonderwijs wordt de komende jaren een groei van het aantal leerlingen verwacht. Hoewel er in de afgelopen jaren aanzienlijke pieken zijn waargenomen, was de piek het afgelopen jaar minder hoog dan eerder voorspeld. Door de onvoorspelbaarheid van het aantal leerlingen in het nieuwkomersonderwijs is het echter lastig om een betrouwbare prognose te maken. Desondanks blijft het belangrijk om de komende jaren rekening te houden met de groei en het belang van nieuwkomersonderwijs.
5. Analyse schoollocaties per wijk/dorp
Aan de hand van alle verzamelde gegevens die verwerkt zijn in de factsheets, is een knelpuntenanalyse gemaakt in de vorm van een zogenoemde ‘kansenkaart’. Ieder schoolgebouw is in de kansenkaart beoordeeld op kwaliteit, financiën en vraag & aanbod. Hieronder vallen de volgende aspecten:
In het overzicht hieronder worden de verschillende onderwijsgebouwen en hun kenmerken beschreven. Voor elk gebouw wordt de technische staat, functionele geschiktheid, het binnenklimaat en de veiligheid geëvalueerd, evenals informatie over de energielast, onderhoudslasten en energieverbruik (voor zover beschikbaar). Daarnaast worden de huidige onderwijscapaciteit en de verwachte onderwijsbehoefte in 2040 besproken, inclusief eventuele tekorten of overschotten in ruimte. Dit overzicht biedt inzicht in de huidige situatie en de toekomstige uitdagingen en kansen, zoals ruimtegebruik, duurzaamheid en onderhoud.
Bij elke kansenkaart worden tabellen weergegeven met informatie over de aanwezige schoollocaties binnen de weergegeven wijk/ dorp. Bovenaan de tabel staat de naam van de schoollocatie vermeld. De gegevens in de tabel zijn onderverdeeld in vier categorieën, die elk zijn voorzien van een kleurcodering:
Voor de categorieën energielast en onderhoudslast betekent rood een hoge last, oranje een gemiddelde last en groen een lage last. Daarnaast bevat de tabel gegevens over de onderwijscapaciteit, die het aantal vierkante meters (m²) weergeeft dat exclusief voor onderwijs wordt gebruikt. Indien van toepassing wordt hieronder ook het aantal m² voor tijdelijke huisvesting vermeld. Op basis van prognoses is de onderwijsbehoefte voor 2040 berekend. Eventueel medegebruik, het aantal vierkante meters dat door een andere partij dan de school wordt gebruikt, wordt afgetrokken van de onderwijscapaciteit. Vervolgens wordt de onderwijsbehoefte van de resterende capaciteit afgetrokken. Het resultaat geeft aan of er in 2040 een tekort of een overschot aan onderwijsvloeroppervlakte (m²) wordt verwacht.
In deze wijk is 1 basisschool gehuisvest, te weten:
KC Willem Eggert is gehuisvest in een in 1999 gebouwd gebouw. In 2009 is er nog een uitbreiding gerealiseerd. De technische en functionele kwaliteit van het gebouw is door het schoolbestuur gemiddeld tot goed beoordeeld. Het binnenklimaat van de Willem Eggert is gemiddeld tot slecht beoordeeld. Met name de ventilatie is een aandachtspunt. De energielasten van deze school zijn hoog, de onderhoudslasten zijn hoog. Het aantal leerlingen (282) ligt ruim boven de opheffingsnorm (135) en de prognose laat komende jaren een stijging zien. Door de stijging in het aantal leerlingen wordt de komende jaren een tekort aan onderwijs m2’s verwacht. Voor een klein deel van de onderwijs m2’s maakt SKOP/PSZ gebruik, dit zijn in totaal 5 ruimten. Het leerlingenaantal in 2040 vertaalt zich naar een behoefte van 2.071 m2 bvo. Op termijn wordt een tekort van circa 535 m2 bvo verwacht.
Uitbreiding (lopend project) 321 m2 is maximaal haalbare op de locatie Willem Eggert. De locatie biedt dan geen mogelijkheid meer om verder uit te breiden. De uitbreiding die wordt gerealiseerd van het Willem Eggert is conform het vigerend IHP.
In deze wijk zijn 3 basisscholen gehuisvest, te weten:
De school heeft al een uitbreiding toegewezen gekregen. Dat is echter niet te realiseren zonder enorm afbreuk te doen aan onderwijskundige visie. Daarnaast vanuit oogpunt gebiedsvisie was het belangrijk om de school te verplaatsen. Q4 2026 staat op de planning als de ingebruikname van het nieuwe schoolgebouw voor de KlimOp.
’t Carrousel is gehuisvest in een gebouw dat in 1992 is gebouwd. De technische staat van het gebouw wordt als gemiddeld beoordeeld, evenals de functionele staat, het binnenklimaat en de veiligheid. Het energieverbruik is onbekend en de onderhoudslasten zijn hoog. De onderwijscapaciteit van de school bedraagt 1.485 m² bvo, wat op dit moment voldoende lijkt voor de huidige situatie. Er wordt geen gebruik gemaakt van tijdelijke huisvesting of medegebruik. Gezien de verwachte stijging in het aantal leerlingen, wordt de onderwijsbehoefte in 2040 geraamd op 1.286 m² bvo, wat resulteert in een overschot van circa 199 m² bvo.
’t Prisma is gehuisvest in een gebouw dat in 2015 is gebouwd. De technische staat van het gebouw wordt als goed beoordeeld, terwijl de functionele staat, het binnenklimaat en de veiligheid als gemiddeld worden beoordeeld. De energie- en onderhoudslast is laag. De onderwijscapaciteit van de school bedraagt 1.256 m² bvo. Er wordt geen gebruik gemaakt van tijdelijke huisvesting of medegebruik. Gezien de verwachte groei in het aantal leerlingen, stijgt de onderwijsbehoefte in 2040 naar 1.669 m² bvo, wat leidt tot een tekort van ongeveer 413 m² bvo.
In het vigerend IHP is in deze wijk nieuwbouw voor de KlimOp voorzien. Dat project wordt uitgevoerd. De mogelijkheid om op de vertreklocatie van het Da Vinci een nieuwe basisschool te realiseren, biedt kansen om in deze wijk extra capaciteit en vernieuwing van onderwijsgebouwen te realiseren.
In deze wijk is 1 basisschool gehuisvest, te weten:
De school is gehuisvest in een gebouw dat in 2022 is gebouwd. De technische en functionele staat van het gebouw worden als goed beoordeeld, evenals het binnenklimaat. De veiligheid wordt als gemiddeld beoordeeld. De energielast is onbekend en de onderhoudslast wordt als gemiddeld ingeschat. De onderwijscapaciteit van de school bedraagt 2.418 m² bvo. SKOP huurt 4 lokalen van OPSPOOR en heeft 4 ruimten in medegebruik. Gezien de verwachte groei in het aantal leerlingen, stijgt de onderwijsbehoefte in 2040 naar 2.539 m² bvo, wat resulteert in een tekort van circa 121 m² bvo.
In het vigerend IHP was de nieuwbouw van de Wheermolen opgenomen. Dit project is inmiddels uitgevoerd. Er is geen aanleiding om hier verdere plannen te ontwikkelen voor het regulier basisonderwijs.
In deze wijk zijn 3 basisscholen gehuisvest, te weten:
De school is gehuisvest in een gebouw dat in 1977 is gebouwd. De technische en functionele staat van het gebouw worden als gemiddeld beoordeeld, evenals het binnenklimaat en de veiligheid. De energielast is onbekend, terwijl de onderhoudslast als hoog wordt ingeschat. De onderwijscapaciteit van de school bedraagt 2.394 m² bvo. Er wordt geen gebruik gemaakt van tijdelijke huisvesting, maar er wordt wel 569 m² bvo aan medegebruik toegepast, hieronder vallen 3 ruimten die worden gebruikt door SKOP. Gezien de verwachte stijging in het aantal leerlingen, wordt de onderwijsbehoefte in 2040 geraamd op 1.181 m² bvo, wat resulteert in een overschot van circa 644 m² bvo.
De school is gehuisvest in een gebouw dat in 1977 is gebouwd. De technische en functionele staat van het gebouw worden als gemiddeld beoordeeld, evenals het binnenklimaat en de veiligheid. De energielast is onbekend en de onderhoudslast wordt als hoog ingeschat. De onderwijscapaciteit van de school bedraagt 1.435 m² bvo. Sportify huurt hier een aantal ruimten van de school . Gezien de verwachte stijging in het aantal leerlingen, wordt de onderwijsbehoefte in 2040 geraamd op 1.850 m² bvo, wat resulteert in een tekort van circa 415 m² bvo.
De school is gehuisvest in een gebouw dat in 1975 is gebouwd. De technische staat van het gebouw wordt als gemiddeld beoordeeld, de functionele staat en het binnenklimaat worden echter als slecht ingeschat, terwijl de veiligheid als gemiddeld wordt beoordeeld. De energielast wordt als gemiddeld geclassificeerd. De onderhoudslast is laag. De onderwijscapaciteit van de school bedraagt 1.195 m² bvo. SKOP en Sportify maken beide gebruik van één dezelfde ruimte. Gezien de verwachte stijging in het aantal leerlingen, wordt de onderwijsbehoefte in 2040 geraamd op 1.392 m² bvo, wat resulteert in een tekort van circa 373 m² bvo.
In het vigerend IHP zijn de drie locaties in de Gors opgenomen voor vervangende nieuwbouw. Er is geen aanleiding om hier van af te wijken. Voor alle drie schoollocaties wordt nieuwbouw voorgesteld.
In deze wijk zijn 3 basisscholen gehuisvest, te weten:
De school is gehuisvest in een gebouw dat in 1983 is gebouwd. Zowel de technische als de functionele staat van het gebouw worden als gemiddeld beoordeeld, evenals het binnenklimaat en de veiligheid. De energielast is onbekend, terwijl de onderhoudslast als hoog wordt ingeschat. De onderwijscapaciteit van de school bedraagt 1.145 m² bvo. Er wordt geen gebruik gemaakt van tijdelijke huisvesting en slechts 52 m² bvo wordt ingezet voor medegebruik. De onderwijsbehoefte in 2040 is 1.000 m² bvo, wat resulteert in een overschot van circa 93 m² bvo.
De school is gehuisvest in een gebouw dat in 1982 is gebouwd. De technische en functionele staat van het gebouw worden als gemiddeld beoordeeld, evenals het binnenklimaat en de veiligheid. De energielast is laag, maar de onderhoudslast wordt als hoog ingeschat. De onderwijscapaciteit van de school bedraagt 2.330 m² bvo. SKOP huurt 2 lokalen (en maakt gebruik van de hal) via de gemeente. Gezien de verwachte groei in het aantal leerlingen, wordt de onderwijsbehoefte in 2040 geraamd op 2.609 m² bvo, wat resulteert in een tekort van circa 279 m² bvo.
De school is gehuisvest in een gebouw dat in 1982 is gebouwd. De technische en functionele staat van het gebouw worden als gemiddeld beoordeeld, evenals het binnenklimaat en de veiligheid. De energielast is onbekend en de onderhoudslast wordt als laag ingeschat. De onderwijscapaciteit van de school bedraagt 2.231 m² bvo. Kinderopvang Pinkeltje maakt gebruik van 3 lokalen en SKOP maakt gebruik van 2 lokalen, beide organisaties huren deze ruimten van de gemeente. Gezien de verwachte groei in het aantal leerlingen, wordt de onderwijsbehoefte in 2040 geraamd op 2.544 m² bvo, wat resulteert in een tekort van circa 313 m² bvo.
In het vigerend IHP zijn deze scholen niet opgenomen voor vernieuwing. De ontwikkeling van de Oostflank (golfterrein), waar een flinke woningbouwproductie zal plaatsvinden, vraagt om nieuwe schoollocaties in dat ontwikkelgebied. Gelet op de verwachte leerlingenaantallen en het uitgangspunt voor het realiseren van minimale schoolgroottes biedt dit kans om de opgave in het ontwikkelgebied te combineren met vernieuwing van bestaande scholen. Op basis van de huidige leerlingenprognoses is nu de verwachting dat het aantal schoollocaties gelijk kan blijven in dit gebied.
In deze wijk zijn 5 basisscholen gehuisvest, te weten:
De school is gehuisvest in een gebouw dat in 1985 is gebouwd. De technische en functionele staat van het gebouw worden als gemiddeld beoordeeld, evenals het binnenklimaat en de veiligheid. De energielast is gemiddeld, terwijl de onderhoudslast als laag wordt ingeschat.
De onderwijscapaciteit van de school bedraagt 1.091 m² bvo, waarvan 0 m² bvo wordt gebruikt door derden. Daarmee bedraagt de feitelijke onderwijscapaciteit eveneens 1.091 m² bvo. Gezien de verwachte groei in het aantal leerlingen, wordt de onderwijsbehoefte in 2040 geraamd op 1.684 m² bvo, wat resulteert in een tekort van circa 593 m² bvo. Gezien de ruimtelijke complexiteit van het kavel wordt voorgesteld om nieuwbouw te realiseren op een andere locatie.
Voorbereidingen voor dit project lopen. Met het project wordt binnenkort aangevangen. Tijdelijke huisvesting is voorzien in bestaande schoolgebouwen (Ranonkel en Delta Beethoven). De nieuwbouw van De Delta bestaat uit 1.820 m² bvo. Inclusief kinderopvang, door SKOP. Gezien de verwachte groei in het aantal leerlingen, is de onderwijsbehoefte in 2040 1.714 m² bvo. Dit resulteert in een licht overschot van 106 m² bvo.
De school is gehuisvest in een gebouw dat in 1990 is gebouwd. De technische, functionele staat en het binnenklimaat van het gebouw worden als goed beoordeeld, terwijl de veiligheid als gemiddeld wordt ingeschat. De energielast en onderhoudslast zijn laag, maar het energieverbruik wordt als zeer onzuinig geclassificeerd. De onderwijscapaciteit van de school bedraagt na de uitbreiding 1.992 m² bvo, waarvan 284 m² bvo wordt gebruikt door derden. Daarmee bedraagt de feitelijke onderwijscapaciteit 1.708 m² bvo. Gezien de verwachte groei in het aantal leerlingen, wordt de onderwijsbehoefte in 2040 geraamd op 3.002 m² bvo, wat resulteert in een tekort van circa 1.294 m² bvo. Op deze locatie is verdere uitbreiding niet mogelijk.
De school is gehuisvest in een gebouw dat in 1985 is gebouwd. De technische en functionele staat van het gebouw worden als gemiddeld beoordeeld, evenals het binnenklimaat en de veiligheid. De energielast is gemiddeld, terwijl de onderhoudslast als laag wordt ingeschat. Het energieverbruik is zeer onzuinig.
De onderwijscapaciteit van de school bedraagt 1.029 m² bvo, waarvan 55 m² bvo wordt gebruikt door derden. Daarmee bedraagt de feitelijke onderwijscapaciteit 974 m² bvo. Gezien de verwachte groei in het aantal leerlingen, wordt de onderwijsbehoefte in 2040 geraamd op 1.100 m² bvo, wat resulteert in een tekort van circa 127 m² bvo.
De school is gehuisvest in een gebouw dat in 1991 is gebouwd. De technische en functionele staat van het gebouw worden als gemiddeld beoordeeld, evenals het binnenklimaat en de veiligheid. De energielast, onderhoudslast en het energieverbruik zijn momenteel niet beschikbaar. De onderwijscapaciteit van de school bedraagt 1.554 m² bvo, waarvan 61 m² bvo (2 ruimten) wordt gebruikt door SKOP. Daarmee bedraagt de feitelijke onderwijscapaciteit 1.493 m² bvo. De onderwijsbehoefte in 2040 is 1.126 m² bvo, wat resulteert in een overschot van circa 367 m² bvo.
In het vigerend IHP is in deze wijk nieuwbouw opgenomen voor De Delta en uitbreiding voor Montessori De Beleving en voor De Vlieger. Het project nieuwbouw Delta is gestart en de uitbreiding voor De Vlieger is afgerond. Voor de Montessori is na verkennende studie geconcludeerd dat uitbreiding op de huidige locatie moeilijk realiseerbaar is. Om voor deze school een passende omvang voor de huisvesting te realiseren en de ambitie om er een IKC van te maken waar te maken, wordt vervangende nieuwbouw op een andere locatie onderzocht. We zoeken dan ook naar mogelijkheden om zo snel mogelijk een locatie voor deze nieuwbouw te vinden.
In deze wijk zijn 7 basisscholen gehuisvest, te weten:
De openbare basisschool De Nieuwe Wereld bevindt zich in een gebouw dat in 2002 is opgeleverd. De technische en functionele staat, evenals het binnenklimaat en de veiligheid, worden als gemiddeld beoordeeld. Het onderhoud is intensief. De onderwijsruimte beslaat 1.462 m² bvo, met extra tijdelijke huisvesting van 705 m² bvo. SKOP huurt 2 ruimten via de gemeente en heeft in totaal 4 lokalen (incl. 3 lokalen piekgebouw) in medegebruik. De geschatte onderwijsbehoefte voor 2040 is 1.231 m² bvo, wat resulteert in een overschot van 936 m² bvo.
De openbare basisschool Oeboentoe is gevestigd in een gebouw dat in 2005 is gebouwd. De technische staat, de functionele staat, het binnenklimaat en de veiligheid zijn gemiddeld. Er zijn geen gegevens over de energiekosten en het onderhoud. De onderwijsruimte beslaat 1.438 m² bvo, zonder tijdelijke huisvesting. Er is echter sprake van medegebruik, wat de totale ruimte op 1.369 m² bvo brengt. In totaal worden er 3 ruimtes gehuurd van de gemeente door SKOP en heeft SKOP één lokaal in medegebruik. De geschatte onderwijsbehoefte voor 2040 bedraagt 1.322 m² bvo, wat betekent dat er een tekort van 1.253 m² bvo zal zijn.
De oecumenische basisschool Kawama is gehuisvest in een gebouw dat in 2004 is gebouwd. De technische staat van het gebouw wordt beoordeeld als goed, terwijl de functionele staat, het binnenklimaat en de veiligheid als gemiddeld worden beoordeeld. De energielast en onderhoudslasten zijn niet gespecificeerd. De onderwijscapaciteit bedraagt 1.369 m² bvo, zonder tijdelijke huisvesting of medegebruik. Voor 2040 wordt de onderwijsbehoefte geschat op 990 m² bvo, wat resulteert in een overschot van 379 m² bvo op termijn.
De openbare basisschool Weidevogels is gehuisvest in een gebouw dat in 2010 is gebouwd. De technische staat en het binnenklimaat worden als gemiddeld beoordeeld, terwijl de functionele staat en de veiligheid goed worden geacht. De onderhoudslasten zijn laag. De onderwijsruimte beslaat 2.204 m² bvo, met tijdelijke huisvesting van 363 m² bvo. In totaal huurt SKOP 5 ruimten van de gemeente en huurt SKOP 2 ruimten via Opspoor. Voor 2040 wordt een onderwijsbehoefte van 2.720 m² bvo voorspeld, wat betekent dat er een tekort van 153 m² bvo zal zijn.
De basisschool de Marimba is gehuisvest in een gebouw dat in 2000 is gebouwd. De technische staat, functionele staat, het binnenklimaat en de veiligheid worden allemaal beoordeeld als gemiddeld. De energielast is laag en de onderhoudslasten zijn hoog. De onderwijscapaciteit bedraagt 1.299 m² bvo. Partou kinderopvang maakt gezamenlijk gebruik van 1 lokaal en huurt daarnaast 3 lokalen van CPOW. Voor 2040 wordt de onderwijsbehoefte geschat op 1.774 m² bvo, wat resulteert in een verwacht tekort van 475 m² bvo.
De openbare basisschool De Koempoelan is gehuisvest in een gebouw dat in 1998 is opgeleverd. De technische staat, de functionele staat, het binnenklimaat en de veiligheid worden als gemiddeld beoordeeld. De onderhoudslasten zijn hoog, terwijl er geen gegevens zijn over de energiekosten. De onderwijsruimte beslaat 1.844 m² bvo, zonder tijdelijke huisvesting. Er is sprake van een klein medegebruik van 58 m² bvo (1 lokaal) door SKOP. Voor 2040 wordt een onderwijsbehoefte van 1.608 m² bvo verwacht, wat leidt tot een overschot van 178 m² bvo.
De oecumenische basisschool Kuna Mundo is gehuisvest in een gebouw dat in 2002 is gebouwd. De technische staat van het gebouw wordt beoordeeld als goed, terwijl de functionele staat, het binnenklimaat en de veiligheid als gemiddeld worden beschouwd. De energielast en de onderhoudslasten zijn niet gespecificeerd. De onderwijscapaciteit bedraagt 912 m² bvo, zonder tijdelijke huisvesting of medegebruik. Voor 2040 wordt de onderwijsbehoefte geschat op 1.035 m² bvo, wat resulteert in een verwacht tekort van 123 m² bvo.
In het vigerend IHP werd in de wijk Weidevenne alleen tijdelijke huisvesting voor de Weidevogels opgenomen en die is ook gerealiseerd. Met de verhuizing van de Plankier uit het piekgebouw tegenover de Weidevogels ontstaat de mogelijkheid om een meer permanente oplossing voor de capaciteitsbehoefte van de Weidevogels te realiseren.
In dit dorp zijn 2 basisscholen gehuisvest, te weten:
De Bloeiende Perelaar is gehuisvest in een modern gebouw dat in 2009 is gebouwd. De technische staat en veiligheid van het gebouw worden beoordeeld als gemiddeld, terwijl de functionele staat en het binnenklimaat als goed worden beschouwd. Zowel de energielast als de onderhoudslasten zijn gemiddeld. De onderwijscapaciteit bedraagt 2.074 m² bvo (permanent) en 985 m² bvo (tijdelijk). De tijdelijke huisvesting dient uiterlijk in 2028 te worden verwijderd. Voor 2040 wordt de onderwijsbehoefte geschat op 3.007 m² bvo, waardoor een tekort van 933 m² bvo ontstaat.
De Wilgenhoek is gehuisvest in een nieuw gebouw dat in 2022 is gebouwd. De technische en functionele staat van het gebouw worden beoordeeld als goed, terwijl het binnenklimaat en de veiligheid als gemiddeld worden beschouwd. De energielast en onderhoudslasten zijn onbekend. De onderwijscapaciteit bedraagt 744 m² bvo, zonder tijdelijke huisvesting of medegebruik. Voor 2040 wordt de onderwijsbehoefte geschat op 864 m² bvo, wat resulteert in een verwacht tekort van 120 m² bvo. De school moet in leerlingenaantallen kunnen groeien om boven de opheffingsnorm (180) te komen.
In het vigerend IHP is nieuwbouw van een tweede schoollocatie in Zuidoostbeemster opgenomen. De noodzaak voor een tweede schoollocatie is nog steeds aanwezig, ter vervanging van de tijdelijke huisvesting en opvang van de groei van het aantal leerlingen.
In dit dorp is 1 basisschool gehuisvest, te weten:
De Blauwe Morgenster is gehuisvest in een gebouw uit 1993. Er is geen specifieke informatie beschikbaar over de technische staat, functionele geschiktheid, het binnenklimaat of de veiligheid van het pand. De energielast wordt als gemiddeld beoordeeld, terwijl de onderhoudslasten hoog zijn. De onderwijscapaciteit van de locatie bedraagt 2.007 m² bvo, aangevuld met 388 m² bvo aan tijdelijke huisvesting. 285 m² bvo wordt medegebruikt door derden (opvangfuncties). Naar verwachting zal de onderwijsbehoefte in 2040 oplopen tot 2.564 m² bvo, wat een tekort van 454 m² bvo oplevert.
Er is nieuwbouw voor IKC de Keyser voorzien in het vigerend IHP, ter vervanging van de tijdelijke huisvesting en de opvang van de voorziene groei. Als gevolg van deze nieuwbouw is het ook noodzakelijk om de huidige locatie van de Blauwe Morgenster aan te pakken. Onder andere de tijdelijke huisvesting en een aantal bouwdelen zullen moeten worden gesloopt en het bestaande in stand te houden gebouw zal gerenoveerd moeten worden om ook deze locatie weer klaar te maken voor de toekomst.
In dit dorp is 1 basisschool gehuisvest, te weten:
De Lourdesschool is gevestigd in een pand uit 1981. De technische staat, functionele staat, het binnenklimaat en de veiligheid worden allemaal als gemiddeld beoordeeld. Hoewel de energielast laag is, zijn de onderhoudslasten daarentegen hoog. De school heeft een capaciteit van 767 m² bvo, zonder dat er gebruik wordt gemaakt van tijdelijke huisvesting of gedeelde ruimten. Voor 2040 wordt een onderwijsbehoefte van 658 m² bvo verwacht, wat leidt tot een overschot van 109 m² bvo.
In het vigerend IHP was een functionele aanpassing in de Lourdesschool opgenomen welke is uitgevoerd. Er is geen aanleiding om verdere ingrepen voor deze locatie op te nemen in de uitwerking van dit nieuwe IHP.
De PSG Loc. J.v. Egmond Lyceum is gehuisvest in een gebouw dat in 1994 is gebouwd. De technische staat, functionele staat en het binnenklimaat worden beoordeeld als goed, terwijl de veiligheid als gemiddeld wordt beschouwd. De onderhoudslasten zijn hoog en de energielast is niet gespecificeerd. De gebouwcapaciteit bedraagt 11.321 m² bvo exclusief gymzalen. Een deel van deze capaciteit wordt gebruikt door Nelson Mandela (3.842 m² bvo), waardoor een capaciteit voor J.v. Egmond Lyceum van 7.479 m² bvo. Voor 2040 wordt de onderwijsbehoefte geschat op 7.290 m² bvo, wat betekent dat er voldoende ruimte is voor deze school.
De PSG Loc. Da Vinci is gehuisvest in een gebouw dat in 1964 is gebouwd. Het huidige gebouw van de Da Vinci is op en vervanging is noodzakelijk. Ditzelfde geldt voor het gebouw van het Antoni Gaudi. Om deze reden is er voor gekozen om voor de Da Vinci en het Antoni Gaudi een nieuwbouw te realiseren op de huidige locatie van het Antoni Gaudi. Da Vinci en Antoni Gaudi gaan samen verder onder de naam Het Innovium College. De nieuwbouw is naar verwachting eind Q4 2026 gereed.
Dit gebouw uit 1992 heeft onbekende beoordelingen voor de technische staat, functionele staat, het binnenklimaat en veiligheid. De onderhoudslasten worden echter als hoog beoordeeld en de energielast is onbekend. De onderwijscapaciteit bedraagt 3.842 m² bvo. Er is geen sprake van tijdelijke huisvesting of medegebruik. Voor 2040 wordt een onderwijsbehoefte van 3.330 m² bvo voorspeld, wat resulteert in een verwacht ruimte overschot van 512 m² bvo.
PSG Loc. Antoni Gaudi -Da Vinci
De PSG Antoni Gaudi is gehuisvest in een gebouw dat in 1977 is gebouwd. Het huidige gebouw van de Antoni Gaudi is technisch aan vervanging toe. Ditzelfde geldt voor het gebouw van het Da Vinci. Om deze reden is er voor gekozen om voor de Da Vinci en het Antoni Gaudi nieuwbouw te realiseren op de huidige locatie van het Antoni Gaudi. Da Vinci en Antoni Gaudi gaan samen verder onder de naam Het Innovium College. De nieuwbouw is naar verwachting eind Q4 2026 gereed.
De PSG Loc. SG Gerrit Rietveld is gehuisvest in een modern gebouw dat in 2016 is gebouwd. De technische staat, functionele staat, het binnenklimaat en de veiligheid worden allemaal beoordeeld als goed. De onderhoudslasten zijn gemiddeld, terwijl de energielast niet is gespecificeerd. De gebouwcapaciteit bedraagt 5.497 m² bvo. Voor 2040 wordt de onderwijsbehoefte geschat op 5.259 m² bvo en kan als passend worden beschouwd.
De PSG Loc. SG W.J. Bladergroen bevindt zich in een gebouw dat in 2004 is opgeleverd. Het gebouw wordt positief beoordeeld op het gebied van technische staat, functionaliteit, binnenklimaat en veiligheid. Hoewel de energielast niet gespecificeerd is, zijn de onderhoudslasten gemiddeld. De gebouwcapaciteit bedraagt 5.557 m² bvo, zonder tijdelijke huisvesting of medegebruik. De voorspelde onderwijsbehoefte in 2040 wordt geschat op 6.445 m² bvo, wat leidt tot een verwacht tekort van 888 m² bvo.
In de W.J. Bladergroen locatie wordt tevens voorzien in onderwijs voor nieuwkomers, oftewel de internationale schakelklas (ISK). De behoefte aan ISK voorziening zal naar verwachting nog verder toenemen. Op dit moment wordt al elders in Purmerend ruimte gehuurd ten behoeve van deze voorziening. De diverse voorziene nieuwbouwprojecten voor het regulier onderwijs op nieuwe locaties biedt kansen om vertreklocaties hiervoor in te zetten. De mogelijkheden hiertoe zullen nader onderzocht moeten worden.
In het vigerend IHP werd de nieuwbouw voor Antoni Gaudi – Da Vinci (Het Innovium College) reeds voorzien en dit project is dan ook in uitvoering. Voor de korte termijn is er geen aanleiding om aanvullende maatregelen voor te stellen. Maar op de middellange termijn dient rekening te worden gehouden met vernieuwing van het Jan van Egmond complex en op de langere termijn is de verwachting dat de leerling groei leidt tot een aanvullende capaciteitsvraag voor het VO.
O.S.V.O Martin Luther Kingschool
De O.S.V.O. Martin Luther Kingschool is gevestigd in een gebouw dat in 2013 is gebouwd. Zowel de technische staat, functionele geschiktheid, het binnenklimaat als de veiligheid worden beoordeeld als gemiddeld. De onderhoudslasten zijn hoog.
De school heeft een onderwijscapaciteit van 2.155 m² bvo, aangevuld met 347 m² bvo tijdelijke huisvesting. Medegebruik van het gebouw is niet van toepassing, wel beschikt het gebouw over een speellokaal die tevens gebruikt wordt voor bewegingsonderwijs. Voor 2040 wordt een onderwijsbehoefte van 2.775 m² bvo verwacht, wat resulteert in een tekort van 270 m² bvo. Van belang is dat de tijdelijke huisvesting bij de MLK op basis van een tijdelijke vergunning is geplaatst en rond 2030 moet worden verwijderd. Er dient derhalve rekening te worden gehouden met én uitbreidingsbehoefte én vervanging van de tijdelijke huisvesting voor de MLK.
De Bets Frijlingschool is gevestigd in een gebouw dat in 2012 is gebouwd. De technische staat, het binnenklimaat en de veiligheid worden als gemiddeld beoordeeld. De functionele staat wordt als goed beoordeeld. De energielast en onderhoudslast zijn niet gespecificeerd. De school heeft een onderwijscapaciteit van 1.130 m² bvo. Medegebruik is niet van toepassing. Voor 2040 wordt een onderwijsbehoefte van 1.151 m² bvo verwacht, wat resulteert in een beperkt tekort 21 m² bvo.
In het vigerend IHP werden geen projectvoorstellen gedaan voor de MLK en de Bets Frijling. Voor de MLK zien we echter wel noodzaak om de tijdelijke huisvesting te vervangen voor een permanente oplossing en te voorzien in uitbreiding van de capaciteit.
De school voor speciaal basisonderwijs Het Plankier is gehuisvest in een gebouw uit 2009. De technische staat wordt als goed beoordeeld, terwijl de functionele geschiktheid, het binnenklimaat en de veiligheid gemiddeld scoren. De energielast is gunstig. Informatie over de onderhoudslasten is niet beschikbaar. De school beschikt over een onderwijscapaciteit van 1.478 m² bvo, zonder gebruik van tijdelijke huisvesting of gedeelde ruimten. Voor 2040 wordt de onderwijsbehoefte geschat op 1.213 m² bvo, wat betekent dat er een overschot van 265 m² bvo wordt verwacht.
In het vigerend IHP is nieuwbouw voorzien voor Het Plankier samen met de Alexander Roozendaal school. De nieuwbouw is voorzien in de wijk Wheermolen en de voorbereidingen voor dit project zijn reeds gestart.
Het Altra College Waterland is gevestigd in een gebouw uit 1988. De technische staat en functionele geschiktheid worden als goed beoordeeld, terwijl het binnenklimaat en de veiligheid als gemiddeld worden geclassificeerd. Zowel de energielast en de onderhoudslasten zijn onbekend.
De onderwijscapaciteit van de locatie bedraagt 1.355 m² bvo, zonder tijdelijke huisvesting of medegebruik. Voor 2040 wordt een onderwijsbehoefte van 1.496 m² bvo verwacht, wat leidt tot een tekort van 141 m² bvo.
In het vigerend IHP is voor Het Altra College geen projectvoorstel opgenomen. Er is geen aanleiding om daar in het nieuwe IHP van af te wijken.
De school voor Speciaal Basisonderwijs Het Tangram is gehuisvest in een gebouw uit 1987 en werd gerenoveerd in 2013. Op het gebied van technische staat, functionele geschiktheid, binnenklimaat en veiligheid wordt het gebouw als gemiddeld beoordeeld. Er is geen informatie beschikbaar over de energielast en onderhoudslasten. De school heeft een onderwijscapaciteit van 2.848 m² bvo, zonder gebruik van tijdelijke huisvesting of gedeelde faciliteiten. Naar verwachting is de onderwijsbehoefte in 2040 1.941 m² bvo, wat resulteert in een overschot van 908 m² bvo.
In het vigerend IHP werd voor deze school geen projectvoorstel opgenomen. Maar deze schoollocatie maakt onderdeel uit van de stedelijke vernieuwing in dit deel van De Gors (Waterlandkwartier) en dient vanuit dat oogpunt te worden verplaatst naar een andere locatie. Dat betekent dat we voor Het Tangram uit moeten gaan van nieuwbouw op een andere locatie, hoewel dat vanuit gebouw technisch en onderwijskundig oogpunt voorlopig nog niet aan de orde zou zijn.
In dit hoofdstuk laten we de spreiding van de gymvoorzieningen in Purmerend zien, hebben we de capaciteit van de gymvoorzieningen berekend en hebben we een korte analyse gemaakt op de huidige gymvoorzieningen.
Op de onderstaande kaart is de spreiding van de gymvoorzieningen weergegeven en de dekkingsgebieden van deze voorzieningen uitgaande van een maximale afstand van 750 meter tot de gymvoorziening. Hierbij wordt uitgegaan van de situatie zoals die nu is voorzien, dus inclusief de vervangende nieuwbouw van sportzaal de Karekiet (wordt een nieuwe sportaccommodatie met 5 zaaldelen), de nieuwe gymzaal die is voorzien bij de nieuw te realiseren tweede onderwijslocatie in Zuidoostbeemster en de twee tijdelijke sportvoorzieningen in Overwhere (sportzaal) en in Purmer-Zuid (gymzaal) bij Delta Beethoven. Daarnaast is vanuit sportbeleid een nieuwe sporthallocatie voorzien (en geclaimd) in de te ontwikkelen wijk in de Oostflank. Hoewel hier nog geen besluitvorming over heeft plaatsgevonden, is deze opgenomen als zoeklocatie (groen).
Figuur 10: spreiding gymvoorzieningen Purmerend
Figuur 11: spreiding gymvoorzieningen Westbeemster
Figuur 12: spreiding gymvoorzieningen Middenbeemster
Aan de hand van deze kaart kan worden opgemaakt dat elke school binnen een straal van 750 meter een sportvoorziening kan vinden. Of dit ook betekent dat er voor elke school voldoende capaciteit te vinden is binnen die straal, is daarmee nog niet beantwoord.
In onderstaande tabel is aangegeven hoeveel capaciteit (in aantal zaaldelen) in de verschillende wijken/dorpen aanwezig is (of binnen afzienbare termijn aanwezig is) en door hoeveel scholen deze capaciteit wordt gebruikt.
Tabel 1: capaciteit zaaldelen per wijk/ dorp
Naast het gebruik door PO, SO en VO scholen, maakt ook MBO onderwijs gebruik van de sportaccommodaties in Purmerend (geen wettelijke taak voor de gemeente). En PSG biedt een sportopleiding aan waarbij, aanvullend op de normatieve gymuren, gebruik gemaakt wordt van de sportaccommodaties. Met name in de wijken/dorpen Overwhere, Purmer-Zuid en Zuidoostbeemster staat de beschikbare capaciteit onder druk en vraagt om aandacht.
Er zijn meerdere nieuwbouw projecten voor sportaccommodaties reeds gepland. Onder andere bij een aantal vastgestelde nieuwbouwprojecten voor schoollocaties en de vervanging van sportzaal Karekiet (2 zaaldelen) voor een volwaardige sporthal met twee beweegboxen (5 zaaldelen). In de vernieuwingsslag wordt derhalve ook gekeken naar mogelijke vernieuwende concepten voor bewegen/sporten. Per nieuwbouwproject wordt gekeken naar een passende configuratie voor de omgeving. Innovaties worden daarbij niet uit de weg gegaan.
Analyse gymvoorzieningen per wijk/dorp
In het centrum is 1 gymzaal bij de onderwijslocatie Willem Eggert aanwezig. In totaal derhalve 1 zaaldeel.
In Overwhere is 1 dubbele sporthal, 1 sportzaal en 1 dubbele gymzaal en 3 enkele gymzalen aanwezig. Daar is een tijdelijke dubbele gymzaal aan toegevoegd (ter vervanging van een andere sportzaal) en daar wordt gewerkt aan een nieuw complex met 1 sporthal en 2 beweegboxen. In totaal zijn op dit moment 15 zaaldelen beschikbaar en binnen afzienbare termijn 20 zaaldelen.
In Wheermolen is 1 gymzaal aanwezig (Sweelinckstraat). In totaal is in deze wijk 1 zaaldeel beschikbaar.
In Purmer-Noord zijn 2 gymzalen aanwezig, derhalve een capaciteit van 2 zaaldelen.
In Purmer-Zuid is 1 sporthal aanwezig (De Vaart), wat een capaciteit van 3 zaaldelen betekent.
In de Gors zijn 1 gymzaal (bij de Tangram) en 1 dubbele gymzaal aanwezig, in totaal een capaciteit van 3 zaaldelen.
In Weidevenne zijn 1 sportzaal (de Kraal) en 4 gymzalen aanwezig, met een totale capaciteit van 6 zaaldelen.
In Zuidoostbeemster is 1 gymzaal aanwezig bij kindcentrum Bloeiende Peerelaar/De Wilgenhoek, oftewel 1 zaaldeel.
In Middenbeemster is 1 gymzaal aanwezig bij kindcentrum De Blauwe Morgenster, oftewel 1 zaaldeel.
In Westbeemster is 1 gymzaal aanwezig bij KC Lourdes, oftewel 1 zaaldeel.
In het vigerend IHP werd geen rekening gehouden met nieuwbouw of vervanging van gymvoorzieningen. In de uitwerking van dit IHP zien we voldoende aanleiding om deze voorzieningen wel mee te nemen in de opgave. Voor sommige projectvoorstellen gaat dat om vervanging van bestaande capaciteit, voor sommige voorstellen om toevoegen van capaciteit. De vervangingsvoorstellen worden alleen gedaan indien deze samenhangen met projectvoorstellen voor onderwijs. Dat betekent dat niet de volledige vervangingsopgave voor de sportaccommodaties in dit IHP wordt meegenomen.
7. Uitwerking projectvoorstellen
In dit hoofdstuk werken we de scenario’s voor de schoollocaties verder uit in projectvoorstellen in verschillende tijdvakken. Bij de projectvoorstellen geven we tevens aan op welk moment de verwachte in gebruik name is en welke onderwijscapaciteit wordt gerealiseerd, zowel uitgedrukt in aantal leerlingen als in m2bvo. Tevens geven we de indicatie voor de totaal te realiseren gebouwomvang aan wanneer rekening wordt gehouden met functies voor kinderopvang en gymzalen (indien van toepassing, dit is exclusief eventuele m2 bvo voor inclusief onderwijs). De planning van in gebruik name en de volgorde van uitvoering is indicatief en mede gebaseerd op verwachtingen ten aanzien van het (bouwrijp) beschikbaar kunnen zijn van nieuwe locaties. In de praktijk kan het er toe leiden dat de volgorde van uitvoering van projecten anders uitpakt.
Projecten die in dit tijdvak zijn opgenomen bestaan uit twee categorieën:
Voor deze projecten geldt dat de financiële consequenties concreet worden opgenomen in de gemeentelijke begroting.
Reeds vastgestelde projecten tijdvak 2025 – 2031
Deze projecten kunnen worden beschouwd als lopend, hoewel elk project in een andere fase zit: van locatie onderzoek tot uitvoering. De uitgangspunten voor deze projecten zijn echter reeds vastgesteld en de projecten zijn allen in het eerdere IHP opgenomen.
Voorstel nieuwe projecten tijdvak 2025 – 2031
Deze projecten zijn deels al in het vigerend IHP opgenomen en als gevolg daarvan ook in het meerjaren investeringsplan. Maar er zijn ook projecten opgenomen die het gevolg zijn van een ander project, of van een specifieke ontwikkeling die speelt waarmee in het vigerend IHP nog geen rekening was gehouden.
Voor deze projecten geldt dat de scope wat verder in de tijd ligt. De uitgangspunten die bij de projecten worden gehanteerd, ten aanzien van capaciteit en planning, moeten wat meer als indicatie worden beschouwd. In een volgende actualisatie van het IHP, waarbij al wat meer inzicht kan worden verkregen in de voortgang van de uitvoering en eventuele effecten van gerealiseerde projecten, kan een bijstelling moeten plaatsvinden. De projecten worden in samenhang met de gebiedsontwikkelingen bekeken.
Het aantal projecten dat is voorzien in de eerste twee tijdvakken is aanzienlijk. Maar het is ook goed om te realiseren dat ook na die periode nog een opgave ligt. We voorzien voor na 2040 nog de volgende opgave om de vernieuwing in de onderwijshuisvesting in gemeente Purmerend vorm te geven. In principe is het daarbij de bedoeling dat ook bij de uitwerking van deze opgave dezelfde uitgangspunten voor het bepalen van de capaciteit en de kwaliteitsambities worden gehanteerd als hiervoor, tenzij de wetgeving daarvoor tegen die tijd andere richtlijnen aangeeft. We voorzien nog de volgende projecten:
De projecten in het PO hebben allemaal betrekking op de wijk Weidevenne. Op basis van de gebouwleeftijden komt deze wijk pas later in de tijd in beeld voor de vernieuwingsopgave. Met de piekgebouwen in deze wijk kan, indien nodig, worden ingespeeld op fluctuaties in de capaciteitsbehoefte. In de volgende herijking van het IHP kan hier wat verder op worden ingezoomd.
Uitgangspunten voor uitwerking projectvoorstellen
Bij de (financiële) uitwerking van de projectvoorstellen houden we tevens rekening met de volgende uitgangspunten voor functies die direct gelinkt zijn aan het realiseren van de doelen voor onderwijshuisvesting (IKC vorming, inclusie en voldoende capaciteit voor bewegingsonderwijs):
Claims op nieuwe locaties voor onderwijs (en opvang)
Een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van de voorgestelde projecten is dat er tijdig kan worden beschikt over een aantal nieuwe locaties voor het realiseren van kindcentra. De ruimte binnen de gemeente is schaars en het is dan ook van het allergrootste belang dat geschikte locaties worden toegekend. Daarmee kan de noodzakelijke vernieuwing van de portefeuille onderwijshuisvesting in gang worden gezet, maar ook de noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit op diverse plekken. En dat op een manier waarbij zo min mogelijk gebruik gemaakt hoeft te worden van kostbare tijdelijke huisvesting.
In Zuidoostbeemster dient op de meest korte termijn een locatie te worden gevonden voor de ontwikkeling van een nieuwe (tweede) locatie voor een IKC. De urgentie is gerelateerd aan de verplichting om de tijdelijke huisvesting bij de bestaande locatie van de Wilgenhoek/Bloeiende Perelaar te verwijderen.
In de Purmer Zuid-Zuid wordt een claim gelegd voor de nieuwbouw van een IKC. Het is van belang om zo snel mogelijk en met voorrang een locatie in het ontwikkelgebied beschikbaar te krijgen.
Zoeklocatie Overwhere: vrijkomende locatie Da Vinci
De vrijkomende locatie van het Da Vinci college willen we graag benutten om een nieuwe configuratie van voorzieningen te realiseren, gericht op de doorgaande leerlijn van kinderen van 0 tot en met 18 jaar: de zogenaamde kansencampus. Hier wordt samenwerking gezocht tussen speciaal basisonderwijs, basisonderwijs, voortgezet onderwijs en voor- en buitenschoolse voorzieningen. Naast de onderwijs- en kinderopvangvoorzieningen is tevens plaats voor twee zaaldelen.
Zoeklocatie rond Martin Luther King (Overwhere)
Ten behoeve van de vervanging van tijdelijke huisvesting (2030) en uitbreiding van de school voor speciaal onderwijs Martin Luther King (MLK) moet een nadere studie worden verricht op het terrein van MLK en de direct aangrenzende percelen. In dit gebied zijn meerdere maatschappelijke voorzieningen (uitvaartcentrum, sport, moskee). Het is wenselijk om een integrale visie op dit gebied te ontwikkelen met als één van de doelen om de uitbreiding voor het MLK te kunnen realiseren.
Zoeklocatie stedelijk ontwikkelgebied Waterlandkwartier
Het Waterlandkwartier is één van de weinige plekken in bestaand stedelijk gebied waar de mogelijkheid is om een nieuwe schoollocatie te realiseren. Daarmee kan de spreiding van (reguliere) basisscholen in de gemeente worden geoptimaliseerd en kan deze locatie een rol spelen in het verwachte capaciteitstekort van KC Willem Eggert. Bovendien biedt deze locatie de mogelijkheid om één van de bestaande scholen in De Gors te vernieuwen zonder dat daar tijdelijke huisvesting voor hoeft te worden gerealiseerd.
Zoeklocatie ontwikkelgebied rond Zwanebloem
Er zijn plannen om het gebied van en rond het winkelcentrum te vernieuwen. Dit biedt mogelijkheden om integraal te kijken naar ook de vernieuwing van de locatie Ranonkel. Door de ontwikkeling van dit gebied integraal te benaderen, kan vernieuwing van de onderwijshuisvesting plaatsvinden zonder de noodzaak om tijdelijke huisvesting te hoeven realiseren en kunnen de omgevingsvoorwaarden rond de schoollocaties worden geoptimaliseerd. Ook de koppeling van een nieuwe schoollocatie aan het park wordt daarmee mogelijk.
In het nieuw te ontwikkelen gebied Oostflank (golfterrein) zien we een aanzienlijke woningbouwopgave, wat de realisatie van 2 nieuwe IKC’s in dit gebied wenselijk maakt. Dit biedt kansen om ook een vernieuwingsslag te realiseren bij de bestaande schoollocaties in Purmer-Noord zonder daarvoor gebruik te moeten maken van tijdelijke huisvesting. Daarmee wordt de spreiding van schoollocaties over (dit deel van) de gemeente verder geoptimaliseerd. En tevens de kans om Purmer Noord met de Oostflank te verbinden.
Naast locaties voor 2 nieuwe IKC’s dient rekening te worden gehouden met nieuwbouw voor een VO locatie op termijn. De verwachting is immers dat de groei in VO leerlingen die we zien tot 2040 ook daarna nog zal doorzetten gelet op de groeiprognose van de PO leerlingen in de jaren daarvoor.
8. Effecten projectvoorstellen
Aan de voorstellen die we in dit plan hebben opgenomen is te zien dat er een flinke vernieuwingsopgave ligt voor de gemeente Purmerend. Niet alleen maken we daarmee de onderwijshuisvesting meer klaar voor de toekomst, we dragen ook bij aan de groei ambities en de leefbaarheid van de gemeente. Maar nog belangrijker: we dragen bij aan het zo optimaal mogelijk faciliteren van het (funderend) onderwijs en de voorschoolse voorzieningen en daarmee aan de ontwikkeling van onze jongste generatie inwoners, onze toekomst. In dit hoofdstuk staan we stil bij de effecten die we bereiken met dit uitvoeringsplan.
Van belang is dat er voldoende ingespeeld wordt op de capaciteitsbehoefte voor onderwijshuisvesting. In hoofdstuk 5 gaven we al aan dat de capaciteitsbehoefte in het PO wijk/dorp afhankelijk is. Voor het SO en VO geldt dat niet, maar is de capaciteit weer meer gerelateerd aan het type onderwijs.
Ontwikkeling capaciteit onderwijshuisvesting PO
In onderstaande grafiek is te zien hoe de capaciteit onderwijshuisvesting zich ontwikkelt op basis van de projectvoorstellen die we doen tot 2040. De capaciteit is inclusief tijdelijke huisvesting die op een aantal onderwijslocaties nu nog in gebruik is. Tijdelijke huisvesting die wordt ingezet voor de uitvoering van bouwprojecten is hier geen onderdeel van.
Tabel 2: effect op capaciteit i.r.t prognose (PO)
De permanente capaciteit van de onderwijshuisvesting neemt toe als gevolg van de projectvoorstellen: van 43.617 m2bvo naar 52.799 m2bvo. In die toename van de permanente capaciteit zit deels ook vervanging van de tijdelijke huisvesting op diverse onderwijslocaties. De grootste stijging van de capaciteit wordt gerealiseerd in de eerste periode tot 2030. Te zien is ook dat de capaciteit in eerste instantie ook ten opzichte van de ruimtebehoefte (gebaseerd op het verwachte aantal leerlingen) meer toeneemt. Dat geeft goed weer dat het een investering vergt om duurzaam te kunnen voorzien in de capaciteitsbehoefte en beter in te spelen op waar die behoefte zich voordoet. Oftewel: het heeft tijd en letterlijk ruimte nodig om invulling te geven aan de ruimtebehoefte die ontstaat op basis van de stedelijke ontwikkelingsplannen. Te zien is ook dat de capaciteit op termijn weer meer in lijn komt met de verwachte ruimtebehoefte. Een deel van de overcapaciteit die resteert is te vinden in de wijk Weidevenne die na deze planperiode in beeld komt om voor vernieuwing. De verwachting is dat de overcapaciteit in de onderwijsportefeuille dan verder kan worden teruggebracht. Met de projectvoorstellen die we hebben gedefinieerd ontstaan tevens op diverse plekken kansen om bijvoorbeeld nieuwkomers onderwijs of andere maatschappelijke functies te huisvesten.
In bijlage 2 is per wijk/dorp inzichtelijk gemaakt hoe de capaciteit van de PO onderwijshuisvesting zich ontwikkelt in de periode 2024 – 2040 op basis van de projectvoorstellen en hoe zich dat verhoudt tot de verwachte ontwikkeling van de leerlingenaantallen. De capaciteit is in dit overzicht uitgedrukt in het aantal leerlingen dat op basis van de huisvestingsnorm kan worden gehuisvest. Bij de capaciteitsberekening voor nieuwe / vernieuwde schoollocaties gaan we uit van de minimale volumes zoals gedefinieerd in de visie op huisvesting van kindcentra en scholen. Te zien is dat bijvoorbeeld in de wijk Centrum een capaciteitstekort ontstaat. Er is echter in deze wijk geen enkele mogelijkheid meer om de capaciteit te vergroten. Dat betekent dat de leerlingen die geen plek meer vinden op deze locatie een plek zullen moeten krijgen op een schoollocatie in een andere wijk. Hoewel we dat in de opzet van de uitwerking van dit uitvoeringsplan zoveel mogelijk proberen te voorkomen en een vrije schoolkeuze zoveel mogelijk proberen te waarborgen, is dit in een aantal gevallen niet te voorkomen. Daar dient bij te worden opgemerkt dat op veel onderwijslocaties leerlingen ook uit andere wijken komen dan de wijk waarin de school is gesitueerd. Het benadrukt evenwel de noodzaak om de volume afspraken goed te bewaken en met elkaar na te leven.
Ontwikkeling capaciteit onderwijshuisvesting SO
De onderstaande grafiek geeft een overzicht van de ontwikkeling van de permanente capaciteit en de prognose voor de ruimtebehoefte van 2024 tot 2040 voor het SO.
Tabel 3: effect op capaciteit i.r.t prognose (SO)
Voor het SO zijn er meerdere projecten die uitgevoerd zullen worden in de periode van 2024 tot en met 2040. Om te beginnen wordt het nieuwe gebouw van de Alexander Roozendaalschool en Het Plankier in 2027 opgeleverd. Het gaat hier om 1.585 m² bvo. Dit brengt het totaal aantal m² naar 9713 m² bvo. In 2029 krijgt het Tangram een nieuwbouw van 1.941 m² bvo, waardoor het totaal aantal m² verlaagt naar 9.446 m². Als laatste krijgt de Martin Luther Kingschool een uitbreiding en wordt de tijdelijke huisvesting vervangen. De Martin
Luther Kingschool heeft vanaf 2029 een permanente capaciteit van 3.435 m² bvo. In 2040 is er in totaal een permanente capaciteit van 9.446 m² bvo. De behoefte op basis van de prognose is in 2040 9.297 m² bvo. Dit betekent dat er een klein overschot is van 149 m² bvo.
Ontwikkeling capaciteit onderwijshuisvesting VO
De onderstaande grafiek geeft een overzicht van de ontwikkeling van de permanente capaciteit en de prognose voor de ruimtebehoefte van 2024 tot 2040 voor het VO.
Tabel 4: effect op capaciteit i.r.t prognose (VO)
De stijging van de capaciteit van 32.445 m² naar 35.890 m² in 2026 is het gevolg van de nieuwbouw A.Gaudi/Da Vinci. Verder worden nog geen concrete projectvoorstellen gedaan in dit uitvoeringsplan voor uitbreiding van de capaciteit op termijn. De capaciteit blijft dan ook vooralsnog tot 2040 op dat niveau. De prognose voor de leerlingenaantallen in het VO laat echter wel een stijging zien die er toe leidt dat de capaciteit richting 2040 onder druk komt te staan. Daarbij komt de verwachting dat de stijging van het aantal leerlingen in het VO ook na 2040 nog zal aanhouden. Voor de langere termijn dient dan ook rekening te worden gehouden met de behoefte aan uitbreiding van de capaciteit van de VO huisvesting. Voorlopig is het advies om de ontwikkeling van het aantal leerlingen te blijven monitoren en de planvorming in een actualisatie van het IHP in een latere fase hier op bij te stellen.
In onderstaande figuur is de spreiding van de onderwijsvoorzieningen over de gemeente Purmerend opnieuw weergegeven, nu vanuit de situatie waarin de in dit uitvoeringsplan opgenomen projectvoorstellen tot 2040 zijn uitgevoerd. De huidige situatie zoals eerder in hoofdstuk 2: algemene kaders was weergegeven is ter vergelijking in de kleine afbeelding weergegeven. Belangrijk daarbij op te merken is dat het ontwikkelgebied Oostflank (golfterrein) wordt toegerekend aan Purmer-Noord en ontwikkelgebied Purmer Zuid-Zuid aan Purmer-Zuid. Te zien is dat de aantallen voorzieningen PO, SO en VO in de verschillende wijken/dorpen in een aantal gevallen licht veranderen. Binnen met name Purmer-Zuid en Purmer-Noord zelf zijn echter ook verschuivingen in onderwijslocaties voorzien waarmee ingespeeld wordt op de stedelijke ontwikkeling in deze wijken. Op basis van de verwachte ontwikkeling van de leerlingenaantallen en de volume afspraken die we op basis van de visie hanteren, is de verwachting dat in de wijken van Purmerend de groei van het aantal leerlingen kan worden opgevangen zonder het aantal scholen te verhogen. In Overwhere voegen we weliswaar een PO schoollocatie toe, maar we verwachten dat dit niet leidt tot stichting van een extra school. In Middenbeemster wordt wel een tweede school gerealiseerd. In Zuidoostbeemster worden de twee bestaande scholen die nu op één onderwijslocatie zijn gehuisvest na de planuitvoering verdeeld over twee onderwijslocaties. Het is de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen hoe invulling wordt gegeven aan de positionering van scholen in de nieuw geplande onderwijslocaties.
Figuur 13 - Spreiding van de scholen in 2040 (exclusief SO onderwijs locaties)
Een doelstelling van gemeente en schoolbesturen is om zo goed mogelijk de doorgaande ontwikkellijn van de kinderen in Purmerend te faciliteren. Daar vervullen (integrale) kindcentra, waar onderwijs en opvangfuncties onder één dak worden gehuisvest, een belangrijke rol in. Bij nieuwe projecten in het PO wordt dan ook uitgegaan van het combineren van die functies op een locatie, voor zover de omstandigheden dat toelaat. In het SO wordt die combinatie ook gemaakt indien de scholen en opvangorganisaties daar invulling aan wensen te geven. In onderstaande grafiek is te zien hoe het aantal (integrale) kindcentra (I)KC zich ontwikkelt op basis van de voorgestelde plannen in dit IHP.
Tabel 5: ontwikkeling KC's / IKC's
Met de uitvoering van het IHP wordt het aantal (I)KC’s binnen de gemeente Purmerend verhoogd van 13 naar 20. De verwachting is dat na 2040 het aantal verder kan worden verhoogd, zodat nagenoeg de gehele portefeuille onderwijshuisvesting bestaat uit kindcentra.
Een belangrijke toevoeging op de ontwikkeling van de kindcentra in het PO is dat we in dit IHP ook de doorgaande ontwikkellijn tussen PO en VO willen faciliteren, gecombineerd met speciaal basisonderwijs en functies voor kinderopvang. Daarin komen we tegemoet aan een wens van de schoolbesturen gezamenlijk om innovatie te faciliteren en nog bredere expertises fysiek bij elkaar te brengen.
Met de projecten die we voorstellen maken we een aanzienlijke vernieuwingsslag in de onderwijshuisvesting. Momenteel is de gemiddelde leeftijd van de onderwijsgebouwen in onze gemeente 30 jaar. Daarnaast hebben we een aanzienlijke voorraad gebouwen die ouder is dan 30 jaar. Deze gebouwen voldoend niet aan de eisen die gepaard gaan met doelstelling uit het klimaatakkoord en eisen die we tegenwoordig stellen aan een goed binnenklimaat. In 2040 bedraagt de gemiddelde gebouwleeftijd ongeveer 25 jaar en is er een groot aandeel gebouwen jonger dan het gemiddelde, die wel voldoen aan de eisen die we vandaag de dag stellen. In onderstaande tabellen is te zien welke kwaliteitsslag wordt gemaakt in de onderwijshuisvesting in Purmerend indien we de voorgestelde projecten uitvoeren.
Tabel 6: samenvatting beoordeling gebouwen 2040
De kwaliteitsslag geeft al een beeld van de verbetering van de onderwijshuisvesting op diverse vlakken en met de duurzaamheidseisen die worden gesteld aan nieuwe of vernieuwde gebouwen, kan worden aangenomen dat er ook een aanzienlijke verduurzamingsslag wordt gemaakt. Op basis van referenties kunnen we een indicatie geven van het effect van de vernieuwing op de CO2 uitstoot van de huisvestingsportefeuille. Let op: hierbij wordt geen rekening gehouden met de uitstoot die gepaard gaat bij de bouwwerkzaamheden zelf. Het betreft een indicatie van uitstoot na realisatie.
In bovenstaande grafiek wordt de CO₂-uitstoot in kg per m² per jaar weergegeven voor de periode van 2024 tot en met 2040. De oranje lijn toont de huidige uitstoot in kg per m² per jaar, terwijl de blauwe lijn de verwachte uitstoot weergeeft op basis van de geplande projecten. De uitstoot is berekend over de onderwijshuisvesting en niet over de gymvoorzieningen.
De gegevens zijn afkomstig uit de benchmark van ICSadviseurs, waarbij op basis van 481 schoollocaties een gemiddelde CO₂-uitstoot in kg per m² per jaar is vastgesteld. De schoollocaties in Purmerend zijn hierbij geschaald naar bouwjaren, verdeeld in de volgende categorieën:
Op basis van deze bouwjaren is een gemiddelde CO₂-uitstoot in kg per m² per jaar berekend, die vervolgens is gebruikt om de uitstoot voor de schoollocaties in Purmerend te bepalen.
In 2024 bedraagt de CO₂-uitstoot 745 kg per m² per jaar. Tussen 2024 en 2030 daalt dit aantal met 137 kg per m² per jaar, naar een totaal van 608. Eind 2040 is de uitstoot verder gedaald naar 534 kg per m² per jaar. Dit betekent dat als alle geplande projecten worden uitgevoerd, de CO₂-uitstoot in kg per m² per jaar in totaal met 200 zal afnemen ten opzichte van 2024. Dit is een significante verlaging van de uitstoot.
In dit IHP voorzien we ook in nieuwe capaciteit voor het bewegingsonderwijs. De capaciteit staat op dit moment op diverse plekken in de gemeente onder druk. Onder andere doordat ook hier een vernieuwingsopgave ligt en nieuwe locaties schaars zijn. Maar ook omdat de behoefte groeit en de capaciteit onvoldoende aansluit op die groeiende behoefte. In onderstaande tabellen is de capaciteit van de sportaccommodaties uitgedrukt in zaaldelen in de tijd uitgezet ten opzichte van de behoefte aan gymcapaciteit. Voor het PO wordt in de basis gerekend met 26 klokuren beschikbaarheid per zaaldeel. Voor het VO is dat 40 uren. Gemeente Purmerend hanteert voor beide een factor die rekening houdt met roosterverlies, waardoor de berekende capaciteit uiteindelijk iets lager is dan die genormeerde klokuren.
De capaciteitsbehoefte hebben we op twee manieren uitgerekend: op basis van de prognoses voor de leerlingenaantallen PO, SO en VO en op basis van de volume afspraken die we voor het PO als uitgangspunt hebben gehanteerd voor de omvang van nieuwe projecten. Immers: als we er van uit gaan dat een schoolgebouw een bepaald aantal leerlingen kan huisvesten, is het van belang dat voor dat aantal de gymnastiekcapaciteit is gewaarborgd.
Tabel 8: capacteit gymzalen o.b.v prognose
Tabel 9: capacteit gymzalen o.b.v capaciteit
De berekeningen tonen aan dat de totaal te realiseren capaciteit gymnastiekvoorzieningen volstaat voor de behoefte, zowel berekend op basis van de onderwijscapaciteit als berekend op basis van de leerlingenprognoses. Bij de interpretatie van de grafieken dient wel in ogenschouw te worden genomen dat (1) ook MBO onderwijs gebruik maakt van deze beschikbare capaciteit, (2) PSG ook een sportopleiding heeft die extra capaciteit vraagt en (3) dat er plekken zijn in de gemeente waar overcapaciteit niet vanuit onderwijsbehoefte op te vullen is (vooral in de dorpen).
In bijlage 3 is de capaciteit van en behoefte aan gymzalen per wijk uiteengezet in de tijd. Hieruit blijkt dat met de voorgestelde projecten de gemeente voldoende capaciteit biedt om in de behoefte te voorzien binnen de door de gemeente gehanteerde (maximale) normafstanden tussen onderwijs- en gymvoorziening.
Een deel van de voorgestelde projecten voorziet in uitbreiding van de capaciteit. Een deel betreft vervanging voor bestaande accommodaties. We vervangen daarmee de recent gerealiseerde tijdelijke gymvoorzieningen en een aantal verouderde gymvoorzieningen. Vervanging van verouderde voorzieningen zijn nu alleen in het plan opgenomen wanneer die in combinatie met nieuwbouw of vernieuwbouw van een onderwijsvoorziening op een locatie kan worden gerealiseerd. Projecten die voorgesteld worden en die voor uitbreiding van de capaciteit zorgen zijn:
In dit nieuwe IHP zijn gebaseerd op leerlingenprognoses per wijk alle investeringen in onderwijs, kinderopvang en bewegingsonderwijs in beeld gebracht rekening houdend met de staat van de huidige gebouwen. Van de investeringen met realisatie t/m 2030 zijn deze investeringen heel concreet gemaakt omdat deze kredieten worden meegenomen in het Meerjaren Investeringsplan van de Programmabegroting 2026. Voor de investeringen vanaf 2040 is de richting helder, maar de precieze uitwerking is een indicatie die elk opvolgend jaar concreet gemaakt wordt voor de nieuwe jaarschijf in de begroting. Daarmee heeft het programma korte termijn concreetheid en een lange termijn perspectief. En dat is heel waardevol.
De huidige actualisatie betreft een integrale actualisatie. Elk jaar bij de Voorjaarsnota wordt het IHP programma aangepast aan de actualiteit. De afgelopen jaren gebeurde dat naast planning veelvuldig ook programmatisch vanwege onvolkomenheden in het IHP2021. Dat zal minder zijn doordat deze integrale actualisatie beter rekening houdt met gebiedsontwikkeling, de staat van de gebouwen en de behoefte aan bewegingsonderwijs. Elk jaar bij de begroting worden de kredieten geïndexeerd op basis van een extern advies over de prijsontwikkeling van nieuwbouw. Zo blijft het IHP een waardevast programma resulterend in kwalitatief goede scholen die in de gemeente Purmerend voor zeer lange tijd kunnen functioneren.
Het nieuwe IHP heeft een omvang van afgerond € 228,2 miljoen waarvan € 161,4 met realisatie t/m 2030 en € 76,77 miljoen met realisatie 2031-2038, de jaren na 2038 zijn niet doorgerekend. De kapitaallasten van de investeringen worden in de begroting verwerkt in het jaar na oplevering van het gebouw. In de afgelopen jaren zijn de financiële consequenties van de actualisatie van het IHP steeds verwerkt in de Voorjaarsnota onderdeel Investeringsagenda. Dat blijft het geval. De investeringsagenda is een post in de begroting bedoeld om investeringen als gevolg van de groei van de gemeente te faciliteren. Onderwijsinvesteringen zijn een van de belangrijkste onderdelen hierin. Omdat het IHP een zekere vaste stroom aan investeringen heeft, zal in de Investeringsagenda rekening gehouden moeten worden met zo’n 300.000-400.000 euro kapitaallasten per jaar vanaf 2030.
Ook de ramingen voor tijdelijke huisvesting en sloopkosten zijn geactualiseerd. De planning is thans zodanig gemaakt dat er geen tijdelijke huisvesting nodig is. De financiële consequenties van de actualisatie van dit IHP worden meegenomen in de Voorjaarsnota 2025. Gelet op de vrijval van tijdelijke huisvesting en sloopkosten, is de verwachting dat de actualisatie binnen de kaders van de Investeringsagenda kan worden opgevangen.
Elke investering in dit IHP is opgebouwd volgens een vast stramien: per school is op basis van de leerlingenprognoses per wijk een omvang bepaald. Vervolgens zijn deze vermenigvuldigd met een norm aantal m2 (voor basisscholen: 5,03 m2) en een vaste voet (voor basisscholen: 200 m2). Die is vermenigvuldigd met een normbedrag per m2: € 3.464 (prijspeil 2025). De normen wijken af bij speciaal (basis)onderwijs. Voor de investering in het voortgezet onderwijs (nieuwbouw Het Innovium college) zijn de afspraken al vastgelegd in een realisatie overeenkomst. De investeringen zijn vervolgens verhoogd met een bedrag voor plankosten (gemeentelijke begeleiding) en onvoorzien. Omdat door de grotere omvang van de scholen minder schoolgebouwen gerealiseerd hoeven worden, heeft de gemeente voordeel omdat er bespaard wordt op de vaste voeten per school. Die wordt in dit IHP teruggegeven aan het onderwijs in de vorm van 50 m2 extra voor inclusief onderwijs.
Op basis van ervaring is bij IKC vorming 22% van de onderwijsinvestering meegenomen als kinderopvang investering.
Voor bewegingsonderwijs zijn op basis van afstandscriteria, de benodigde capaciteit en het KVLO advies de investeringen bepaald. Een nieuwe gymzaal is geraamd op € 2 miljoen inclusief uitrusting (prijspeil 2025). De gymzalen worden in de meeste gevallen door Spurd geëxploiteerd.
Per locatie is in beeld gebracht of er gesloopt en bouw- en woonrijp gemaakt moet worden. Dit is geraamd als grondkosten van de school tot een maximum van de maatschappelijke grondprijs (€ 246) uit de gemeentelijke grondprijzenbrief 2025. Grondkosten leiden enkel tot rentelasten in de begroting. Sloopkosten en afboeking van boekwaarde van locaties die niet meer voor onderwijs worden gebruikt, zijn niet opgenomen in dit IHP. Deze komen voor rekening van de betreffende gebiedsontwikkeling.
Faciliteren kinderopvang en duurzaamheid
Een doelstelling van gemeente en schoolbesturen is om zo goed mogelijk de doorgaande ontwikkellijn van de kinderen in Purmerend te faciliteren. Daar vervullen (integrale) kindcentra, waar onderwijs en opvangfuncties onder één dak worden gehuisvest, een belangrijke rol in. De gemeente faciliteert dit door de investeringen voor te financieren. Daar staat tegenover dat het schoolbestuur een jaarlijkse vergoeding afdraagt als dekking van de kapitaallasten. Die vergoeding betaalt het schoolbestuur uit de huuropbrengsten van de kinderopvangruimte. De jaarlijkse vergoeding wordt berekend over de gemiddelde kapitaallasten van de investering uitgaande van lineaire afschrijving over 40 jaar (totale kapitaallasten van 40 jaar/40) en de rekenrente van de gemeente + 0,5%. Vervolgens wordt de aanvangshuur bepaalt en met een index van 1,5% moet het totaal aan huur en kapitaallasten gelijk. Na 10 jaar wordt de huur herzien. De gemiddelde kapitaallastenmethode is de goedkoopste methode voor de schoolbesturen en zorgt ervoor dat zij een vast bedrag in rekening kunnen brengen bij de kinderopvang organisaties. Door deze methode is er in de eerste jaren een negatief saldo bij de gemeente tussen kapitaallasten en ontvangen vergoeding, die op langere termijn weer wordt terugverdiend. Gelet op de geringe verschillen worden de kinderopvanginvesteringen begrotingstechnisch neutraal geraamd.
Het IHP dat voorligt is een ambitieus plan waarin we gezamenlijk veel willen bereiken ten aanzien van de onderwijshuisvesting in de komende 15 jaar. Dat kunnen we alleen waarmaken als we bepaalde voorwaarden in het proces borgen en daar goede afspraken over maken. Natuurlijk speelt een cruciale rol dat er voldoende middelen beschikbaar zijn om de ambities waar te maken, maar er zijn ook meer procesmatige voorwaarden die moeten worden ingevuld. In dit hoofdstuk staan we stil bij een aantal van die procesmatige randvoorwaarden die moeten worden ingevuld en gezamenlijk gewaarborgd om tot een succesvolle uitvoering van het IHP te komen.
Een belangrijke afspraak tussen gemeente en schoolbesturen betreft het vaststellen van de volumes voor de schoolgebouwen, zodat beter kan worden gestuurd op de inzet van schoolgebouwen en personele bezetting. In de basis gaat de afspraak er van uit dat de capaciteit van een schoolgebouw leidend is voor het maximaal aantal leerlingen dat wordt aangenomen. Individuele uitbreidingsverzoeken voor schoolgebouwen worden daarbij niet meer gehonoreerd. Er wordt in de bredere context gekeken naar de capaciteit van het aanbod en de ruimtevraag die zich in een omgeving voordoet. Uitbreiding van capaciteit, aanvullend aan de voorstellen die in dit IHP zijn opgenomen, is alleen aan de orde indien de ontwikkeling van de leerlingenaantallen in een bepaald (voedings)gebied dat noodzakelijk maakt.
In het lopend jaar (2025) maken gemeente en schoolbesturen gezamenlijk afspraken over hoe die volume afspraken kunnen worden gehandhaafd. Het is echter van belang voor het welslagen van de uitvoering van het IHP dat partijen zo snel mogelijk al in de geest van deze volume afspraken handelen en niet op basis van individuele schoolprognoses (op basis van populariteit) uitbreidingsverzoeken indienen.
Het beschikbaar stellen van nieuwe locaties is essentieel voor de uitvoering van het IHP. De gemeente dient dan ook in haar ontwikkelstrategie voor de verschillende stedelijke ontwikkelgebieden rekening te houden met de claims die vanuit onderwijshuisvesting (en opvang functies en bewegingsonderwijs) worden gelegd op nieuwe locaties. Er dient voldoende ruimte in de plannen te worden gereserveerd ten behoeve van deze functies én de ontwikkeling van deze voorzieningen dienen in de eerste fase van de ontwikkeling van het betreffende gebied te kunnen worden gerealiseerd. Het is van groot belang dat op zo kort mogelijke termijn de eerste bouwlocaties voor de IHP projecten beschikbaar komen. Alle mogelijkheden om dat te bewerkstelligen dienen te worden aangegrepen.
Op basis van de huidige inzichten en de projectvoorstellen, is de verwachting dat we naast claims op nieuwe locaties ook (maar in een latere fase) locaties kunnen afstoten uit de onderwijsportefeuille. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging op het moment dat dit aan de orde komt. Een onderwijslocatie wordt pas opgegeven indien hier voldoende zekerheid over is. Eerst wordt onderzocht of de capaciteit voor het onderwijs ook voor
de langere termijn niet noodzakelijk is en of de betreffende locatie een rol kan vervullen als tijdelijke voorziening voor de uitvoering van projecten (wissellocatie). Vervolgens wordt beoordeeld of de locatie voor een andere maatschappelijke functie kan worden ingezet. Deze afspraak moet de garantie bieden dat er voldoende ruimte blijft binnen de onderwijshuisvesting portefeuille om in te spelen op ontwikkelingen die we nu nog niet kunnen voorzien. Dat betekent dat claims op een locatie vanuit een andere sector pas kunnen worden gelegd op het moment dat zeker is dat de locatie voor onderwijs geen rol meer hoeft te vervullen in de toekomst.
Voorfinanciering kinderopvang functies
De gemeente Purmerend is bereid om investeringen in gebouwdelen ten behoeve van kinderopvangfuncties voor te financieren, mits hier kostprijsdekkende huur- of financieringsafspraken over worden overeengekomen met de betreffende opvangorganisatie, of met het schoolbestuur. Dit is een voortzetting van hoe de gemeente in een aantal nieuwbouwprojecten reeds handelt. De afspraken hierover met partijen worden daarbij zoveel mogelijk geüniformeerd. Een blauwdruk waarin deze afspraken zijn opgenomen is reeds ontwikkeld en in hoofdstuk 9 bij dit uitvoeringsplan opgenomen.
Bij elk nieuw PO project kan het schoolbestuur aanspraak maken op extra m2-s gebouwoppervlak ten behoeve van inclusie. Hiertoe dient het schoolbestuur een aanvraag te doen op basis van een visie op hoe zij invulling willen geven op inclusief onderwijs en waarom dat tot een extra ruimteclaim leidt. Die visie dient onder andere in lijn te zijn met afspraken die de schoolbesturen maken over inclusief onderwijs in het samenwerkingsverband. De visie wordt beoordeeld door de beleidsafdelingen onderwijs en maatschappelijk en op basis daarvan wordt een advies voor honorering of afwijzing voorgelegd aan het college van B&W.
Criteria waarop een aanvraag voor toeslag inclusie wordt beoordeeld:
De eerste stap voor uitvoering van een in het IHP opgenomen project is het opstellen van een projectplan. In dit projectplan wordt de scope van het project gedefinieerd en worden, indien aan de orde, scenario’s voor nieuwbouw of vernieuwbouw verkend en de risico’s die voor de verdere planuitwerking kunnen worden voorzien. Risico’s kunnen zich bijvoorbeeld voordoen in verband met netcongestie en beperkingen voor bouwprojecten als gevolg daarvan. Onderdeel van de verkenning van de scope van het project is ook het onderzoeken van de kansen en mogelijkheden om andere maatschappelijke functies aan het project toe te voegen.
Deze bijlage is apart meegeleverd met de rapportage.
Bijlage 2 – Capaciteit onderwijs
In onderstaande tabel wordt de capaciteit van de locaties voor primair onderwijs door de tijd weergegeven. Hierbij is rekening gehouden met de voorgestelde projecten en de geplande uitvoeringsmomenten. Indien een school naar een andere wijk wordt verplaatst, is aangenomen dat 75% van de leerlingen meeverhuist naar de nieuwe wijk. Dit betekent dat 75% van het aantal leerlingen dat voor deze school is geprognosticeerd, wordt toegerekend aan de nieuwe locatie. De overige 25% van de leerlingen blijft in de oorspronkelijke wijk achter.
[In verband met de leesbaarheid is deze tabel separaat als externe bijlage bij deze publicatie beschikbaar gesteld.]
In onderstaande tabel is de capaciteit van de gymvoorzieningen door de tijd heen weergegeven. Er is rekening gehouden met alle projectvoorstellen en de geplande uitvoeringsmomenten. De behoefte aan het aantal zaaldelen is berekent op basis van de capaciteit van de schoolgebouwen en op basis van de prognose. Om de benodigde klokuren per leerlingaantal te bepalen, hebben wij gebruikgemaakt van het RuimteBehoefteModel (RBM). Dit model biedt een berekening waarmee het aantal klokuren voor bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op basis van het leerlingenaantal.
[In verband met de leesbaarheid is deze tabel separaat als externe bijlage bij deze publicatie beschikbaar gesteld.]
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-457996.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.