Subsidieregeling Peuteropvang en Voorschoolse educatie gemeente Bergen (L) 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen (L)

 

overwegende dat:

  • -

    Gemeenten de wettelijke verplichting hebben om voor voldoende voorzieningen te zorgen, in aantal en spreiding, waar kinderen met een risico op een (taal)achterstand (kinderen met VVE-indicatie) deel kunnen nemen aan voorschoolse educatie;

  • -

    Gemeenten een minimaal aanbod dienen te realiseren van 16 uur voorschoolse educatie per week.

Gelet op:

  • -

    de Wet Kinderopvang,

  • -

    het Besluit basisvoorwaarden Kwaliteit Voorschoolse Educatie,

  • -

    het bepaalde in artikel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en

    [De bovenstaande zin bevat een kennelijke verschrijving. Hier wordt bedoeld: titel 4.2 Algemene wet Bestuursrecht.]

  • -

    de Algemene Subsidieverordening van de gemeente Bergen;

Besluit vast te stellen de volgende regeling:

 

Subsidieregeling Peuteropvang en Voorschoolse educatie gemeente Bergen (L) 2026

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze nadere regeling wordt verstaan onder:

  • a)

    Aanbieder: een kindercentrum als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet Kinderopvang, geregistreerd bij het Landelijk Register Kinderopvang (LRK), met een locatie in de gemeente Bergen (L);

  • b)

    Algemene Subsidie Verordening (ASV): de algemene subsidieverordening gemeente Bergen (L)

  • c)

    College: het college van burgemeester en wethouders van gemeente Bergen (L);

  • d)

    Peuter: een bij gemeente Bergen (L) in de Basis Registratie Personen (BRP) ingeschreven kind in de leeftijd van 2 tot 4 jaar;

  • e)

    Doelgroeppeuter: peuter in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar die op basis van een indicatie van de Jeugdgezondheidszorg (hierna: JGZ) in aanmerking komt voor voorschoolse educatie;

  • f)

    Fiscaal maximum: het jaarlijks wettelijk vastgesteld uurtarief kinderopvang door de Rijksoverheid;

  • g)

    Hbo-beleidsmedewerker VE: professional die op hbo-niveau werkt aan het verbeteren van de kwaliteit van voorschoolse educatie binnen de kinderopvangorganisatie;

  • h)

    Inkomensafhankelijke ouderbijdrage: inkomensafhankelijke financiële bijdrage die ouders aan de Aanbieder moeten betalen voor de deelname van hun kind aan peuteropvang of voorschoolse educatie;

  • i)

    Inkomensverklaring: de verklaring geregistreerd inkomen, een officiële verklaring van de Belastingdienst met inkomensgegevens over een bepaald belastingjaar;

  • j)

    Kinderopvangtoeslag: de tegemoetkoming van de Belastingdienst bedoeld als gedeeltelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang die onder de wet Kinderopvang valt;

  • k)

    LRK: Landelijk Register Kinderopvang; het register waarin kinderopvangvoorzieningen zijn opgenomen die voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen;

  • l)

    Ouder: ouder(s) of verzorger(s) van de (doelgroep)peuter die gebruik maakt van peuteropvang of voorschoolse educatie;

  • m)

    Subsidiabel uurtarief voorschoolse educatie (VE): het jaarlijks door gemeente Bergen (L) vastgestelde maximaal te subsidiëren uurtarief voor voorschoolse educatie, aangeboden op een kindercentrum met een VE-registratie in het LRK;

  • n)

    Subsidiabel uurtarief peuteropvang: het jaarlijks wettelijk vastgesteld maximaal te subsidiëren uurtarief voor kinderopvang (peuteropvang), vastgesteld door de Rijksoverheid;

  • o)

    Reguliere peuteropvang: het aanbod van een kindercentrum zonder een Voorschoolse Educatie registratie in het LRK gericht op Peuters, die wonen in de gemeente Bergen (L);

  • p)

    Voorschoolse voorziening: organisatie voor peuteropvang of kinderopvang, die ingeschreven staat in het LRK en die een locatie hebben binnen de gemeente Bergen (L);

  • q)

    Voorschoolse educatie: voorschoolse educatie (als onderdeel van voor- en vroegschoolse educatie (hierna: VVE) voor kinderen vanaf 2,5 jaar tot het moment waarop zij naar de basisschool uitstromen, waarin aan de hand van een VVE-programma op gestructureerde en samenhangende wijze activiteiten worden aangeboden gericht op het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen op het gebied van taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling, in een kindercentrum met een VVE-registratie in het LRK;

  • r)

    VVE-indicatie: een indicatie die afgegeven wordt door de JGZ, waarbij de JGZ op basis van de gemeentelijke doelgroep definitie inschat dat er sprake is van een risico op een achterstand in één of meerdere domeinen van de ontwikkeling (taal, spel, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling) en die recht geeft op extra uren voorschoolse educatie;

  • s)

    VE-registratie: een registratie van de Aanbieder in het LRK, waaruit blijkt dat de Aanbieder voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen voor het aanbieden van voorschoolse educatie.

Artikel 2 Reikwijdte

  • 1.

    Deze regeling is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college voor de in artikel 5 bedoelde activiteiten.

  • 2.

    Deze regeling is niet van toepassing op peuterplaatsen voor een peuter met een Sociaal Medische Indicatie (SMI).

  • 3.

    Op deze subsidieregeling is de Algemene Subsidie Verordening (hierna: ASV) van toepassing, met dien verstande dat van de afwijkingsmogelijkheden van de ASV gebruik is gemaakt.

Artikel 3 Doel

De doelstelling van deze subsidieregeling is om door middel van subsidieverstrekking te zorgen voor:

  • a.

    het stimuleren van deelname van peuters aan (Reguliere) peuteropvang;

  • b.

    toereikend en kwalitatief aanbod van Voorschoolse educatie voor de stimulering van de ontwikkeling van Doelgroep-peuters en Peuters als voorbereiding op de basisschool;

  • c.

    voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden en laaggeletterdheid;

  • d.

    het bevorderen van integratie en het voorkomen van segregatie;

  • e.

    bieden van gelijke kansen op een goede start in het onderwijs voor alle Peuters;

  • f.

    voldoende aanbod van Voorschoolse educatie in de gemeente;

  • g.

    verbinding met basisscholen ten behoeve van een sterke doorlopende leerlijn;

  • h.

    gemengde VE-peutergroepen, zodat doelgroeppeuters en peuters samen spelen en leren;

  • i.

    het behouden van voorschoolse educatie in de kleine kernen.

Artikel 4 Subsidieaanvrager

Subsidie kan worden aangevraagd door een Aanbieder die voldoet aan de vereisten uit de Wet Kinderopvang en het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit Voorschoolse Educatie en de hieruit voortvloeiende regelgeving.

Artikel 5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie wordt uitsluitend verleend aan Aanbieders voor:

  • 1.

    Het aanbieden van Reguliere peuteropvang aan:

    • a.

      Peuters waarvan de ouders geen recht hebben op kinderopvangtoeslag;

  • 2.

    Het aanbieden van Voorschoolse educatie aan:

    • a.

      Peuters waarvan de ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag;

    • b.

      Peuters waarvan de ouders geen recht hebben op kinderopvangtoeslag;

    • c.

      Doelgroep-peuter waarvan de ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag;

    • d.

      Doelgroep-peuter waarvan de ouders geen recht hebben op kinderopvangtoeslag;

  • 3.

    De wettelijk verplichte inzet van een hbo-beleidsmedewerker VE.

  • 4.

    Aanvullende subsidie Voorschoolse educatie (kleine kernen).

Artikel 6 Subsidieduur

  • 1.

    De subsidie wordt verstrekt per kalenderjaar, voor een periode van maximaal 40 (school)weken in dat kalenderjaar.

  • 2.

    De subsidie eindigt met ingang van de datum waarop de peuter geen gebruik meer maakt van de voorschoolse voorziening of uiterlijk op de dag dat de peuter 4 jaar wordt.

Artikel 7 Subsidie Reguliere peuteropvang (niet van toepassing voor de aanbieder van VVE)

De hoogte van de subsidie voor reguliere peuteropvang als bedoeld in artikel 5 lid 1 wordt als volgt berekend:

  • 1.

    Het college stelt jaarlijks vóór 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarop de subsidie betrekking heeft, het subsidiabel uurtarief voor peuteropvang vast op basis van het jaarlijks wettelijk vastgesteld uurtarief kinderopvang (normtarief), vastgesteld door de Rijksoverheid. Voor het subsidiejaar 2026 wordt afgeweken van deze deadline.

  • 2.

    Subsidie voor peuteropvang wordt uitsluitend verleend aan ouders van de peuter zonder recht op kinderopvangtoeslag.

  • 3.

    De hoogte van de subsidie is het aantal uren dat een peuter contractueel van de opvang gebruik heeft gemaakt maal het geldende uurtarief. Er geldt een maximum van 320 uur per jaar (8 uur x 40 weken).

  • 4.

    Het geldende uurtarief wordt berekend zoals in tabel 1.

    Tabel 1:

    Ouder recht op kinderopvangtoeslag

    Uurtarief vanaf 0 tot en met 8 uur per week

    Nee

    Fiscaal maximum – (minus) ouderbijdrage

Artikel 8 Subsidie Voorschoolse educatie (voor de aanbieder van VVE)

De hoogte van de subsidie voor voorschoolse educatie als bedoeld in artikel 5 lid 2 wordt als volgt berekend:

  • 1.

    Het college stelt jaarlijks vóór 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarop de subsidie betrekking heeft, het subsidiabel uurtarief voor voorschoolse educatie vast op basis van:

    • a.

      het jaarlijks wettelijk vastgesteld uurtarief kinderopvang, vastgesteld door de Rijksoverheid.

    • b.

      een opslag per uur voor de uitvoering van de wettelijke kwaliteitseisen en de door gemeente Bergen (L) gehanteerde bovenwettelijke kwaliteitseisen voor voorschoolse educatie.

  • Voor het subsidiejaar 2026 wordt afgeweken van deze deadline.

  • 2.

    De hoogte van de subsidie is het aantal uren dat een peuter contractueel van de opvang gebruik heeft gemaakt maal het geldende uurtarief. Er geldt een maximum van 960 uur gedurende anderhalf jaar (640 uur per jaar).

  • 3.

    Het geldende uurtarief wordt berekend zoals in tabel 2.

    Tabel 2:

    Ouder recht op kinderopvangtoeslag

    Uurtarief van 0 tot en met 8 uur

    Uurtarief vanaf 8 tot en met 16 uur per week

    Ja

    Subsidiabel uurtarief VE – (minus) ouderbijdrage

    Met VVE-indicatie: subsidiabel uurtarief VE

    Nee

    Subsidiabel uurtarief VE – (minus) ouderbijdrage

    Met VVE-indicatie: subsidiabel uurtarief VE

Artikel 9 Aanvullende subsidie Voorschoolse educatie (kleine kernen)

Voor de aanvullende subsidie gelden de volgende voorwaarden:

  • 1.

    Het college kan aanvullend subsidie verstrekken als tegemoetkoming in de kosten om het voorschools aanbod te borgen, indien dit op basis van het subsidiabel uurtarief niet op rendabele wijze in stand gehouden kan worden.

  • 2.

    Om in aanmerking te komen voor deze subsidie dient er maximaal één Aanbieder van VVE per dorpskern aanwezig te zijn.

  • 3.

    De subsidieaanvrager dient een aantoonbare onderbezetting te hebben van minder dan 5 doelgroeppeuters. Hiervoor dient de Aanbieder, per locatie, gegevens aan te dragen. Aan de hand daarvan wordt jaarlijks de hoogte van de subsidie berekend.

  • 4.

    De hoogte van de aanvullende subsidie is maximaal de aanvulling die nodig is om te komen tot een bezetting van 5 doelgroeppeuters per locatie. De restrictie van deze subsidie is dat daarmee geen oneerlijke concurrentie alsmede marktverstorende werking optreed in de betreffende kern.

Artikel 10 Hoogte van de subsidie voor hbo-beleidsmedewerker VE

De hoogte van de subsidie voor een hbo-beleidsmedewerker als bedoeld in artikel 5 lid 3 wordt als volgt berekend:

  • 1.

    De subsidie wordt verstrekt voor de inzet van een pedagogisch coach/-beleidsmedewerker op hbo werk- en denkniveau voor 10 uur per jaar per doelgroep-peuter per locatie met voorschoolse educatie.

  • 2.

    De peildatum voor het vaststellen van de subsidie op basis van het aantal doelgroeppeuters per locatie betreft 1 januari van het desbetreffende subsidiejaar.

  • 3.

    Het subsidiebedrag wordt op uurbasis verstrekt en is gebaseerd op de CAO Kinderopvang, schaal 9, hoogste trede. Jaarlijks wordt het uurtarief opnieuw ingeschaald.

Artikel 11 Ouderbijdrage

  • 1.

    Voor ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag geldt een inkomensafhankelijke ouderbijdrage over de eerste twee dagdelen van maximaal 320 uur per jaar (480 uur per anderhalf jaar).

  • 2.

    De hoogte van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage wordt door de Aanbieder bepaald op basis van het verzamelinkomen en wordt gebaseerd op de meest recente tabel ouderbijdrage (zie bijlage 1).

  • 3.

    Ten behoeve van de vaststelling van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage zorgt de Aanbieder ervoor dat de ouder een ondertekende ‘verklaring geen recht op kinderopvangtoeslag’ en een recente inkomensverklaring overlegt aan de Aanbieder. De Aanbieder verplicht de ouder wijzigingen in de inkomens- of gezinssituatie die van invloed zijn op de kinderopvangtoeslag per omgaande te melden bij de Aanbieder. De Aanbieder past het contract aan en verwerkt de wijzigingen in de verantwoording aan het college.

  • 4.

    Wanneer een verlaging van het inkomen zodanig is dat ouders in een lagere inkomenscategorie vallen, kunnen ouders een aanvraag tot herziening van de ouderbijdrage indienen bij de Aanbieder. Hierbij dient de ouder de meest recente loongegevens, uitkeringsbeschikking of meest recente inkomensverklaring aan te leveren.

Artikel 12 Aanvullende verplichtingen Reguliere peuteropvang en Voorschoolse Educatie

  • 1.

    De Aanbieder die subsidie voor Reguliere peuteropvang ontvangt:

    • a.

      verleent alle medewerking aan onderzoeken door de GGD in het kader van controle aan wettelijke vereisten;

    • b.

      int de ouderbijdrage;

    • c.

      stimuleert de brede ontwikkeling van peuters;

    • d.

      maakt gebruik maken van een op de peuterleeftijd aangepast programma of methodiek;

    • e.

      draagt zorg voor een aanbod van peuteropvang in horizontale groepen (2-4 jarigen);

    • f.

      het aanbod van peuteropvang aan een peuter zonder recht op kinderopvangtoeslag bedraagt maximaal 480 uur over een periode van anderhalf jaar, waarbij het aanbod per week verdeeld is over twee momenten van 4 uur per dag.

  • 2.

    De Aanbieder die subsidie voor Voorschoolse educatie ontvangt:

    • a.

      verleent alle medewerking aan onderzoeken door de GGD in het kader van controle aan wettelijke vereisten;

    • b.

      int de ouderbijdrage;

    • c.

      neemt actief deel aan overleg over peuteropvang in het kader van doorlopende leerlijn 0-13 jaar en rond voorschoolse activiteiten gericht op het zorgen voor samenhang in de voorschoolse educatie en het zo goed mogelijk bereiken van de doelgroep;

    • d.

      levert jaarlijks de gevraagde informatie voor monitoring van voorschoolse educatie en peuteropvang door de gemeente;

    • e.

      verleent Doelgroeppeuters, zoveel als mogelijk, voorrang bij de plaatsing van een peuter op een beschikbaar gekomen plek, wanneer er een wachtlijst is;

    • f.

      het aanbod van voorschoolse educatie aan een doelgroeppeuter bedraagt minimaal 960 uur over een periode van anderhalf jaar, waarbij het aanbod maximaal 6 uur aaneengesloten per dag is;

    • g.

      maakt bij de (warme) overdracht gebruik van een overdrachtsformulier.

  • 3.

    De Aanbieder die aanvullende subsidie voor Voorschoolse educatie (kleine kernen) ontvangt:

    • a.

      Ontvangt dit wanneer er maximaal één aanbieder per kern aanwezig is;

    • b.

      dient vóór 1 november voorafgaand aan het jaar waarop de subsidie betrekking heeft de subsidieaanvraag in;

    • c.

      heeft minimaal gemiddeld 2 doelgroeppeuters die gebruik maken van voorschoolse educatie in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarop de subsidie betrekking heeft.

Artikel 13 Aanvraag

  • 1.

    Een Aanbieder vraagt jaarlijks subsidie aan bij het college door gebruik te maken van een door het college verstrekt aanvraagformulier.

  • 2.

    De subsidieaanvraag kan digitaal worden ingediend bij het college via info@bergen.nl of per post bij het college aangeleverd worden op het adres Raadhuisstraat 2, 5854 AX Bergen (L).

Artikel 14 Aanvraagtermijn

  • 1.

    Een aanvraag om subsidie kan worden ingediend vanaf 1 september tot uiterlijk 1 november voorafgaand aan het betreffende subsidiejaar. Voor het subsidiejaar 2026 kan worden afgeweken van deze deadline.

  • 2.

    Als een aanvraag niet volledig is ingediend, geeft het college de Aanbieder op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht een hersteltermijn om de aanvraag aan te vullen. Als datum van aanvraag geldt dan de datum van ontvangst van de volledige aanvraag.

  • 3.

    Indien de aanvraag niet binnen de gestelde termijn is aangevuld, kan het college besluiten de aanvraag niet te behandelen.

Artikel 15 Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist binnen acht weken nadat de volledige aanvraag om subsidie is ontvangen.

  • 2.

    Het college kan dit besluit met ten hoogste zes weken verdagen. Het college stelt de Aanbieder hiervan schriftelijk in kennis.

Artikel 16 Weigeringsgronden

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht en de weigeringsgronden genoemd in de Algemene Subsidie Verordening, weigert het college de subsidie in ieder geval indien niet voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 5 en 12 van deze regeling.

  • 2.

    Het college kan een subsidieaanvraag ook weigeren indien zij heeft vastgesteld dat er conform artikel 159 Wet op het primair onderwijs reeds voldoende voorzieningen in aantal en spreiding zijn in de gemeente om haar wettelijke taken uit te kunnen voeren.

Artikel 17 Verlening, voorschotten, betaling

  • 1.

    Op aanvraag van de Aanbieder neemt het college een besluit over verlening van de voorlopige subsidie.

  • 2.

    De verleende subsidie wordt in halfjaarlijkse voorschotten in januari en juli van het lopende subsidiejaar betaald.

  • 3.

    Berekening van het subsidievoorschot per halfjaar vindt plaats op de wijze zoals aangegeven in deze regeling met dien verstande dat de subsidiabele uren voor het desbetreffende halfjaar voor de berekening in aanmerking worden genomen.

Artikel 18 (tussentijdse) Verantwoording

  • 1.

    De Aanbieder verantwoordt de besteding van de subsidie over het voorafgaande halfjaar:

    • -

      vóór 1 augustus over de periode januari tot en met juni en

    • -

      vóór 1 februari over de periode juli tot en met december;

    door gebruik te maken van een door het college verstrekt verantwoordingsformulier.

  • 2.

    De Aanbieder verstrekt bij de verantwoording de volgende gegevens:

    • -

      het aantal kinderen dat gebruik heeft gemaakt van de subsidiabele activiteiten, uitgesplitst in reguliere peuters met en zonder kinderopvangtoeslag en doelgroeppeuters met en zonder kinderopvangtoeslag;

    • -

      de periode (weken) en het gemiddeld aantal uren waarover reguliere peuters en/of doelgroep-peuters opvang hebben afgenomen;

Artikel 19 Wijziging verleningsbeschikking

Indien op basis van de halfjaarlijkse verantwoording recht op een hogere subsidie bestaat, wijzigt het college de verleningsbeschikking zo snel mogelijk.

Artikel 20 Aanvraag vaststelling subsidie

  • 1.

    Vóór 1 april van het jaar, dat volgt op het betrokken kalenderjaar waarvoor de subsidie is verleend, dient de Aanbieder een aanvraag tot definitieve vaststelling in.

  • 2.

    De Aanbieder verstrekt hierbij in elk geval de volgende gegevens:

    • a.

      een inhoudelijke verantwoording waaruit blijkt hoe uitvoering is gegeven aan de gesubsidieerde activiteiten en aan de verplichtingen is voldaan;

    • b.

      een financiële verantwoording zoals beschreven in artikel 18 van deze regeling.

    • c.

      een controleverklaring (afhankelijk van de hoogte van de subsidie), opgesteld door een onafhankelijk accountant, vereist volgens het bepaalde in de artikel 15 van de ASV.

Artikel 21 Subsidievaststelling

  • 1.

    Het college stelt een subsidie vast binnen dertien weken na de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling.

  • 2.

    Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste acht weken worden verdaagd.

  • 3.

    Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in artikel 20 is ingediend, kan het college de Aanbieder schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Als de aanvraag niet binnen deze termijn wordt ingediend, kan het college overgaan tot ambtshalve vaststelling.

  • 4.

    Het college vordert onverschuldigd betaalde subsidie terug.

  • 5.

    Periodiek kan een controle uitgevoerd worden door het college, waarbij in elk geval de volgende gegevens gecontroleerd worden:

    • a.

      een gedagtekende overeenkomst tussen de Aanbieder en de ouder van het kind;

    • b.

      het in de overeenkomst opgenomen aantal uren peuteropvang en voorschoolse educatie;

    • c.

      een ondertekende ouderverklaring van ouders die aangeven geen recht te hebben op kinderopvangtoeslag en een inkomensverklaring van de Belastingdienst inclusief de berekening van de ouderbijdrage;

    • d.

      een indicatieformulier van het consultatiebureau van peuters met een VVE-indicatie.

Artikel 22 Het subsidieplafond

  • 1.

    De gemeenteraad stelt jaarlijks de gemeentelijke begroting voor onderwijsachterstanden vast. In de gemeentelijke begroting is het budget opgenomen dat beschikbaar is voor subsidie voorschoolse educatie en peuteropvang.

  • 2.

    Het college regelt de verdeling van de subsidies.

Artikel 23 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van hetgeen bij of krachtens deze subsidieregeling is bepaald, als daaraan vasthouden voor een Aanbieder gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen.

Artikel 24 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze regeling treedt in werking na bekendmaking ervan.

  • 2.

    Deze regeling ziet op subsidieaanvragen vanaf het jaar 2026. De gemaakte afspraken over 2025 blijven in stand tot en met 31 december 2025.

  • 3.

    Dit besluit wordt aangehaald als “Subsidieregeling Peuteropvang en Voorschoolse educatie gemeente Bergen (L) 2026.”

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van 7 oktober 2025.

Burgemeester en wethouders van Bergen (L)

H.H.M. Timmermans

Secretaris

M.H.D. Rauner

Burgemeester

Toelichting

Artikelen 5, 6 en 8

Landelijk en regionaal wordt voorschoolse educatie gefinancierd middels kindgebonden financiering, oftewel geld-volgt-kind systematiek. Dit betekent dat de gemeente niet de organisaties subsidieert, maar een afgesproken bedrag per uur per peuter (hierna: gemeentelijke kostprijs) betaalt voor het verzorgen van voorschoolse educatie. De hoogte van de subsidie is afhankelijk van de gemeentelijke kostprijs die hiervoor vastgesteld is. Het gaat om een gemeentelijke kostprijs die passend is bij het wettelijke en gemeentelijke kwaliteitskader en de situatie in de gemeente Bergen (L).

Figuur 1. Methodiek kindgebonden financiering in de gemeente Bergen (L)

 

Figuur 1 is een visuele weergave van het stelsel kindgebonden financiering. De methodiek in figuur 1 geldt voor de eerste twee dagdelen (0 tot en met 8 uur per week), het standaard aanbod voor alle kinderen. Kinderen met een VVE-indicatie krijgen een aanvullend aanbod en krijgen het 3e en 4e dagdeel (vanaf 8 tot en met 16 uur) volledig vergoed van de gemeente.

 

De linkerkolom in het figuur toont de compensatie van ouders met kinderopvangtoeslag (KOT). Zij betalen op basis hun inkomen een eigen bedrage en worden verder door het Rijk gecompenseerd. Deze compensatie geldt maximaal tot het normtarief wat jaarlijks wordt vastgesteld. In 2025 is dit vastgesteld op €11,23. Als gemeente gaat u uit van een gelijk stelsel. Dit betekent dat ouders die geen recht hebben op KOT (Niet-KOT) dezelfde ouderbijdrage betalen bij een gelijk inkomen. U als gemeente neemt de rol van het Rijk over en vult dit bedrag tot maximaal €11,23 aan vanuit gemeentelijke middelen. In het figuur is dit terug te zien in de rechterkolom.

 

Het verschil tussen het normtarief en de gemeentelijke kostprijs VVE aanbod per uur (de plus) wordt gesubsidieerd door de gemeente. In het figuur is dit gevisualiseerd met het bovenste (gele) blokje in de rechterkolom.

Bijlage 1  

 

Tarieven bij de Subsidieregeling peuteropvang en voorschoolse educatie gemeente Bergen (L) 2026

 

1. Het subsidiabel uurtarief voor reguliere peuteropvang als bedoeld in artikel 7 subsidie reguliere peuteropvang bedraagt: € 11,23

 

Ouders recht op kinderopvangtoeslag

Uurtarief vanaf 0 tot en met 8 uur per week

Nee

€ 11,23 - ouderbijdrage

 

2. Het subsidiabel uurtarief voor voorschoolse educatie (VE) als bedoeld in artikel 8 subsidie voorschoolse educatie bedraagt: € 13,68 (€ 11,23 + € 2,45)

 

Ouders recht op kinderopvangtoeslag

Uurtarief van 0 tot en met 8 uur

Uurtarief vanaf 8 tot en met 16 uur

Ja

€ 13,68 - ouderbijdrage

Met VVE-indicatie: € 13,68

Nee

€ 13,68 - ouderbijdrage

Met VVE-indicatie: € 13,68

 

3. Het uurtarief voor een hbo-beleidsmedewerker als bedoeld in artikel 10 hoogte van de subsidie voor hbo-beleidsmedewerker VE bedraagt: € 58,09

 

4. De inkomensafhankelijke eigen bijdrage als bedoeld in artikel 11 ouderbijdrage is te vinden in onderstaande tabel:

 

Tabel 3: ouderbijdrage per uur peuteropvang en voorschoolse educatie 2026 gemeente Bergen

 

Schaal**

Gezamenlijk toetsingsinkomen 2024*

Ouderbijdrage 2026 per uur

1***

Lager dan

€ 24.149

€ 0,00

2***

€ 24.150

€ 37.129

€ 0,00

3

€ 27.130

€ 51.092

€ 0,45

4

€ 51.093

€ 69.492

€ 0,61

5

€ 69.493

€ 99.889

€ 1,97

6

€ 99.890

€ 138.420

€ 4,28

7****

€ 138.421

€ 165.547

€ 6,89

8****

€ 165.548

en hoger

€ 7,13

 

* De gemeente Bergen hanteert het jaartal T-2.

 

** De VNG-tabel maakt onderscheid tussen het eerste kind en het tweede en volgende kinderen, Bergen gebruikt alleen de tabel voor het eerste kind.

 

*** In de VNG-tabel wordt voor de laagste inkomensgroepen (schaal 1 en 2) een eigen bijdrage per uur gerekend, in Bergen wordt voor deze groep de bijdrage op € 0,00 gesteld.

 

**** De gemeente Bergen hanteert deze twee treden (schaal 7 en 8). Dit is anders dan de VNG-tabel. De berekening is gemaakt op basis van de Kinderopvangtoeslagtabel 2026.

Naar boven