Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal tot vaststelling van het Beleidsplan Gladheidsbestrijding

Burgemeester en wethouders van Veenendaal;

 

Gelezen het voorstel van 16-9-2025,

 

Overwegende dat

- de gemeente, als beheerder van de gemeentelijke wegen, een wettelijke zorgplicht voor het bestrijden van wintergladheid heeft;

- om aan deze zorgplicht te voldoen, het hebben van een gladheidsbestrijdingsplan van belang is;

- een gladheidsbestrijdingsplan duidelijkheid en uniformiteit schept voor weggebruikers;

- het huidige Beleidsplan Gladheidsbestrijding afloopt per 31 oktober 2025 en geactualiseerd dient te worden;

- in het nieuwe Beleidsplan Gladheidsbestrijding 2025-2030 extra aandacht wordt besteed aan milieu- en duurzaamheidsaspecten als gevolg van gladheidsbestrijding door bewust om te gaan met zoutgebruik en bepaalde strooimethoden.

 

Gelet op

het bepaalde in artikel 15 e.v. van de Wegenwet

 

Besluit

Vast te stellen het

Beleidsplan Gladheidsbestrijding 2025-2030

 

1. SAMENVATTING

 

Dit beleidsplan beschrijft de manier waarop de gemeente Veenendaal de bestrijding van de wintergladheid aanpakt. De werkzaamheden worden door ACV uitgevoerd.

Bij het strooien van de routes wordt een afweging gemaakt tussen veiligheid, bereikbaarheid, kosten en milieuaspecten. Te veel strooien is duur en zorgt ervoor dat het oppervlaktewater onnodig belast wordt met zout. Te weinig strooien leidt tot gevaarlijke situaties en maakt plekken onbereikbaar.

De gemeente Veenendaal hanteert de volgende uitgangspunten bij het bestrijden van de wintergladheid:

  • We strooien preventief d.w.z. een aantal uren voor de verwachte gladheid optreedt volgens de natzoutmethode.

  • Bewoners binnen de bebouwde kom kunnen binnen een redelijke afstand van hun woning (circa 300 tot 400 meter) een gestrooide weg bereiken

  • Buiten de bebouwde kom worden wegen met een redelijke verkeersintensiteit gestrooid

In de praktijk is dit vertaald naar strooiroutes. De routes die preventief gestrooid worden bestaan uit:

  • hoofdroutes voor gemotoriseerd verkeer en busroutes;

  • routes voor hulpdiensten;

  • hoofdfietsroutes;

  • toegangswegen tot industrie- en bedrijventerreinen;

  • overige wegen in woonwijken, zodanig dat bewoners binnen een redelijke afstand (circa 300 tot 400 meter) van hun woning een gestrooide route kunnen bereiken;

  • en gebieden in of in nabijheid van (hoofd)winkelcentra en openbare gebouwen (gemeentehuis, scholen, stations, enzovoort).

Bij ernstige sneeuwval of gladheid door ijzel en vastgereden sneeuw wordt op afroep een zogenaamde. calamiteitenroute gereden. Deze wordt binnen de normale werktijden gereden en omvat diverse verbindingswegen en verzorgt strooiwerk bij scholen, ouderencomplexen, sportterreinen, en dergelijke.

Naast de strooiroutes wordt een aantal bruggetjes in fietspaden bij verwachte gladheid afzonderlijk gestrooid en heeft de gemeente op diverse plaatsen in winkelcentra of vorstgevoelige plaatsen gele zoutbakken staan, zodat bewoners of winkeliers zelf een voetpad of stukje straat kunnen strooien.

De strooiroutes zijn in te zien op de website van ACV ( https://www.acv-groep.nl/gladheid/strooiroutes ) en bestaan voor de gemeente Veenendaal uit 3 autoroutes en 5 fietspadroutes.

Ondanks de jaarlijks zorgvuldige voorbereiding van het winterseizoen kan het voorkomen dat er gedurende het seizoen zouttekorten optreden. Mocht deze ongewenste situatie toch voorkomen dan zullen de strooiroutes zodanig aangepast worden dat hulpdiensten, bewoners en bedrijven de hele gemeente nog kunnen bereiken. Wel moet rekening worden gehouden dat een grotere afstand dan 400 meter over ongestrooide wegen moet worden afgelegd.

Via folders, website, social media en de kranten (gemeentepagina) worden Veenendaalers actief geïnformeerd over de gladheidbestrijding. Voorafgaand aan het strooiseizoen wordt informatie verstrekt over de strooiroutes en het strooibeleid. Bij optredende gladheid en vooral bij extreme weersituaties wordt informatie gegeven over de gladheidbestrijding en de zoutvoorraden.

 

2. INLEIDING

 

De eisen die de samenleving stelt aan de gladheidbestrijding worden steeds hoger. Veiligheid, doorstroming en bereikbaarheid moeten ook onder winterse omstandigheden op peil worden gehouden.

Gemeente Veenendaal is op grond van artikel 15 e.v. van de Wegenwet verantwoordelijk voor het onderhoud van de gemeentelijke wegen. Als de gemeente niet voldoet aan deze verantwoordelijkheid, met schade bij weggebruikers als gevolg, kan de gemeente voor die schade aansprakelijk worden gehouden.

Om aan deze zorgplicht te kunnen voldoen, is het hebben van een gladheidbestrijdingsplan van belang.

Het gladheidbestrijdingsplan bestaat uit twee delen:

  • Het beleidsplan: geeft het beleid inzake gladheidbestrijding weer van gemeente Veenendaal voor de periode 1 november 2025 tot 1 april 2030. De beleidskeuzes zijn hierin vastgelegd. Het beleidsplan gladheidbestrijding geeft een nadere omschrijving van de verantwoordelijkheden, uitgangspunten en doelstellingen van het gemeentelijke beleid ten aanzien van gladheidbestrijding.

  • Het uitvoeringsplan: beschrijft wie, wat, waar en wanneer wordt ingezet. Het uitvoeringsplan, dat als een draaiboek kan worden beschouwd, wordt ieder jaar na evaluatie van het afgelopen winterseizoen door ACV en in overleg met de gemeente aangepast. De nieuwe routes zijn bij begin van het winterseizoen op de website van ACV zichtbaar. Het uitvoeringsplan wordt jaarlijks voor de start van het winterseizoen, dat loopt van 1 november tot 1 april van het jaar daarop, opgesteld.

Het gladheidbestrijdingsplan is op hoofdlijnen in lijn met de CROW ‘Richtlijn organisatie en bestrijding van wintergladheid 2024’. Deze richtlijn heeft geen wettelijke status, maar geeft handvatten die wegbeheerders ondersteunen in de verschillende fases van het organiseren en uitvoeren van de gladheidsbestrijding.

Er dient nog uitdrukkelijk op gewezen te worden, dat in het beleidsplan met gladheid wordt bedoeld: de gladheid veroorzaakt door winterse weersomstandigheden. Voor het ontstaan van wintergladheid moet altijd worden voldaan aan twee voorwaarden:

  • De (wegdek)temperatuur moet onder het vriespunt zijn;

  • Er moet sprake zijn van de aanwezigheid van vocht.

Gladheid veroorzaakt door bijvoorbeeld modder, slib, olie, vetten etc. valt niet binnen de reikwijdte van het beleidsplan.

Het beleidsplan wordt vastgesteld door het college van burgmeester en wethouders en geldt als uitgangspunt voor de gladheidbestrijding vanaf het winterseizoen 2025-2026 tot en met het winterseizoen 2029-2030. Op basis van dit beleidsplan wordt het uitvoeringsplan opgesteld. Deze wordt jaarlijks geëvalueerd en zo nodig aangepast n.a.v. gewijzigde of uitgebreide wegenstructuur.

 

3. KADERS EN BELEIDSASPECTEN GLADHEIDSBESTRIJDING

3.1 Gemeentelijk vigerend beleid

Dit beleidsplan heeft raakvlakken met andere beleidsplannen zoals de vigerende Omgevingsvisie en de verdere uitwerking van het gemeentelijk omgevingsbeleid in programma’s.

3.2 Juridische aspecten

3.2.1 Zorgplicht 

In de artikelen 16 e.v. van de Wegenwet is uitdrukkelijk geregeld, dat bij de wegbeheerder de zorg rust voor het in goede en veilige staat verkeren van wegen, voor zover deze zorg niet aan een ander overheidsorgaan is opgedragen.

Hiertoe behoort ook het bestrijden van gladheid op wegen. Van belang is dat het hierbij gaat om een inspanningsverplichting van de wegbeheerder en niet om een resultaatsverplichting.

 

3.2.2 Aansprakelijkheid 

Op grond van artikel 6:174 van het BW bestaat er een risicoaansprakelijkheid voor de wegbeheerder ten aanzien van wegen die niet voldoen aan de eisen die men mag stellen en die daardoor gevaar opleveren voor personen en / of zaken.

Deze risicoaansprakelijkheid betekent dat de rechter een wegbeheerder doorgaans aansprakelijk zal achten, ongeacht of de schade toebrengende gebeurtenis de schuld van de wegbeheerder is.

In eerste instantie legt dit artikel dus een zware verantwoordelijkheid bij de wegbeheerder.

Toch bestaan er mogelijkheden om zich, in geval van schade ten gevolge van wintergladheid

van wegen, tegen aansprakelijkstellingen volgens art. 6:174 van het BW te weren.

Gesteld kan worden dat ijsafzetting of bevriezing niet de (blijvende) structuur van het wegdek

zelf betreft en dus niet kan leiden tot gebrekkigheid van de weg / het wegdek zelf. In de eerste jurisprudentie over dit onderwerp wordt deze stelling bevestigd.

Aan een weg die ten gevolge van nachtvorst, ijzel e.d. glad is geworden, kunnen niet dezelfde eisen worden gesteld als aan zo’n weg gedurende de zomer. Van de weggebruiker mag worden verwacht dat hij bij winterse omstandigheden met een grote mate van oplettendheid en voorzichtigheid aan het wegverkeer deelneemt dan wel dat hij zich bij extreme omstandigheden (zware ijzel) niet op de weg begeeft. In dit soort omstandigheden kan een wegbeheerder dan ook niet zonder meer aansprakelijk worden geacht voor schade.

Concluderend kan worden gesteld dat de wegbeheerder als gevolg van artikel 6:174 BW niet

aansprakelijk is voor gladheidschade indien hij kan aantonen:

  • Dat de gladheid niet mede het gevolg is van minder goede eigenschappen van het

    wegdek zelf.

  • Dat de gladheid zo plotseling is opgetreden dat hij in redelijkheid niet meer tot

    strooimaatregelen in staat is geweest.

  • Dat er in de media naar behoren voor de mogelijk optredende gladheid is gewaarschuwd.

In artikel 6:172 BW wordt gesproken over het plegen van onderhoud aan de wegen. Op basis hiervan kan de gemeente aansprakelijk gesteld worden voor schending van de zorgplicht.

Wil men een claim als gevolg van artikel 6:172 BW weerleggen, dan moet worden aangetoond:

  • Dat er tijdig en naar vermogen gestrooid is.

  • Dat er, gezien de omstandigheden, op tijd en adequaat gewaarschuwd is.

Naar de mening van de verzekeraars zijn wegbeheerders niet aansprakelijk voor schade ten gevolge van gladheid wanneer zij kunnen aantonen dat zij aan hun zorgplicht hebben voldaan. Die zorgplicht gaat niet zover, dat de veiligheid van de weg te allen tijde gegarandeerd moet zijn.

Om aan de gemeentelijke zorgplicht/inspanningsverplichting op structurele wijze te voldoen, is het zaak dat de gemeente:

  • Inwoners jaarlijks informeert over het gemeentelijke gladheidbestrijdingsbeleid vóór de mogelijke sneeuw- en vorstperiode.

  • Snel en doeltreffend handelt zodra bepaalde gevaarlijke situaties bij de gemeente bekend zijn.

  • Goed en voldoende materieel voorhanden heeft én een gladheidmeldsysteem heeft.

  • Jaarlijks een uitvoeringsplan vaststelt waarin inzichtelijk wordt gemaakt welke strooiroutes er worden gereden en wie op welk moment met de uitvoering is belast. 

3.3 Milieu- en duurzaamheidsaspecten

Bij bestrijding van gladheid wordt gebruik gemaakt van dooimiddelen die een schadelijke invloed hebben op het leefmilieu. Delen van het dooimiddel komen in bermen, oppervlakte- en grondwater terecht. Bomen en struiken kunnen erdoor worden aangetast. In Veenendaal wordt natriumchloride als strooizout gebruikt voor de natzoutstrooimethode. Bij de natzoutstrooimethode wordt het droge wegenzout, vlak voordat het op de weg wordt gestrooid, bevochtigd tot een natriumchlorideoplossing. Door deze methode te gebruiken treedt er minder verwaaiing van zout op zodat er ook preventief gestrooid kan worden. Bijkomend voordeel van de natzoutstrooimethode is dat de doseringen kleiner zijn en ongeveer 20% minder zout nodig is. Mede vanuit milieuoogpunt is gekozen voor deze strooimethodiek. Verder zijn alle strooiers uitgerust met een routebegeleidingssysteem (Routemanager) dat automatisch de verstellingen (strooibreedte, dosering en strooibeeld) weergeeft. Er wordt dus gericht zout gestrooid met een zo groot mogelijk effect.

Artikel 3.4 Risico-inventarisatie en evaluatie

Aan de hand van de resultaten van de risico-inventarisatie en evaluatie van de afgelopen jaren zijn gevaarlijke wegen of extra gevoelige weggedeelten in het uitvoeringsplan opgenomen. Door publicatie van de strooiroutes zijn de inwoners en de weggebruiker goed op de hoogte en in staat hun rijgedrag hierop aan te passen.

De meetgegevens van het gladheidmeldsysteem, eigen waarneming en eventueel contact met een weerbureau zorgen voor een goede gladheidmeldsystematiek.

Artikel 3.5 Landelijke richtlijn en integrale visie op gladheidsbestrijding

Met een integrale visie wordt beoogd dat wegbeheerders dezelfde uitgangspunten hanteren voor het uitvoeren van gladheidsbestrijding. Wintergladheid komt niet alleen in gemeente Veenendaal voor. Als gladheid optreedt, gebeurt dit regionaal of zelfs landelijk. Tijdens verplaatsingen overschrijden weggebruikers vaak meerdere gemeentegrenzen en beheersgebieden. Om ervoor te zorgen dat deze verplaatsingen veilig en betrouwbaar zijn, is het van belang dat wegbeheerders een integrale aanpak voor gladheidsbestrijding hanteren.

De integrale visie wordt als volgt gekarakteriseerd:

  • De veiligheid van de weggebruikers staat voorop;

  • Het voorkomen van gladheid;

  • Gladheidspreventie gaat, waar noodzakelijk, boven curatieve gladheidsbestrijding;

  • De zorg voor het normaal functioneren van het openbare leven bij gladheid als gevolg van weersinvloeden;

  • Uitwisseling van strooiroutes met provincie Utrecht, Gelderland en omliggende gemeenten.

Artikel 3.6 Strooimethodiek en signaleringsmethode

De gladheid wordt in Nederland bestreden door te strooien met een dooimiddel (wegenzout) en/of neerslag (sneeuw) te verwijderen met sneeuwploegen en/of borstels. In het geval van sneeuwval houdt dit in dat er zo mogelijk een preventieve strooiactie uitgevoerd wordt voordat er sneeuw valt. Hierdoor zal sneeuw zich minder makkelijk hechten aan het wegdek. Daarna zal curatief de sneeuw worden verwijderd, waarna weer zout gestrooid moet worden.

Bestrijding van wintergladheid door het strooien van zout kan op twee verschillende manieren uitgevoerd worden; te weten preventief of curatief.

Bij preventief strooien wordt dooimiddel aangebracht voordat het wegdek glad wordt. Bij curatief strooien is er sprake van bestrijding van gladheid die al aanwezig is. Gemeente Veenendaal strooit preventief. Bij langer aanhoudende gladheid wordt ook curatief gestrooid.

Het strooien van wegenzout is een breed geaccepteerde methode om wintergladheid te bestrijden. In de jaren tachtig deed het zogenaamde natzout strooien in Nederland haar intrede. Tegenwoordig wordt de natzout methode door Rijkswaterstaat, provincies en gemeenten op grote schaal toegepast.

Wanneer tijdens een strooiactie zout wordt gestrooid op de weg, is het de bedoeling dat het zout zo gelijkmatig mogelijk over de verharding wordt verspreid. Door de snelheid van de strooiauto en door de wind kan het zout verwaaien en bijvoorbeeld in de berm terecht komen. Bij het strooien van natzout zal dit verwaaien minder voorkomen dan bij strooien van droogzout. De reden hiervoor is dat het bevochtigde zout klontjes vormt die zwaarder zijn dan de droge korrels. Natzout is hierdoor minder gevoelig voor rijsnelheid en wind dan droogzout.

Een en ander leidt tot de volgende effecten:

  • Het zoutverbruik is lager omdat het strooiproces efficiënter is. Naast het feit dat bij natzout minder verwaaiing plaats vindt dan bij droogzout, kleeft natzout meer aan de weg dan droogzout. Hierdoor vindt ook na het strooien minder verwaaiing plaats door wind of rijdend verkeer.

  • Doordat er met een hogere rijsnelheid kan worden gestrooid, kan een grotere weglengte gestrooid worden binnen dezelfde tijd. Dit is van belang omdat Veenendaal preventief strooit en de routes dus afgerond moeten zijn voordat de verwachte gladheid optreedt.

  • Doordat er minder verwaaiing van het zout plaatsvindt naar de bermen wordt het milieu minder belast.

  • Doordat het zout al (deels) in oplossing is zal de werking van het dooimiddel sneller zijn.

De strooileider bepaalt of sprake is van gladheid die dient te worden bestreden op basis van:

  • Meetgegevens gladheidmeldsysteem;

  • Eigen waarneming;

  • Meldkamer (zoals politie);

  • Eventueel overleg met een weerbureau.

4. BELEIDSPLAN GLADHEIDSBESTRIJDING

4.1 Inleiding

Bij het bepalen van de te strooien routes houdt de gemeente rekening met verkeersaspecten (veiligheid en bereikbaarheid), milieuaspecten en spelen kostenoverwegingen een rol. Te veel strooien is slecht voor het milieu en kostbaar en bij te weinig strooien voldoet de gemeente niet aan haar gemeentelijke zorgplicht om te zorgen voor veilige en bereikbare wegen.

Artikel 4.2 Keuzes gladheidsbestrijding

4.2.1 Strooiperiode

In de landelijke richtlijnen van het CROW wordt aanbevolen om als strooiperiode 1 oktober tot 1 mei te hanteren. In overleg met het strooibedrijf is de bewuste keuze gemaakt om hiervan af te wijken en dezelfde periode als afgelopen jaren te blijven hanteren. Op basis van meetgegevens van afgelopen jaren weten we namelijk dat de grootste kans op wintergladheid gedurende de periode 1 november tot 1 april optreedt. Ook de omliggende gemeenten waarin het strooibedrijf voor wintergladheidsbestrijding zorgt, hanteren deze periode. Daarmee zorgen we voor een integrale aanpak voor gladheidsbestrijding.

4.2.2 Afwegingen materieel

Strooivoertuigen

In de gemeente Veenendaal worden 3 specifieke voertuigen voor de rijbanen en 5 specifieke voertuigen voor het strooien van fietspaden en winkelcentra gebruikt. De strooiroutes zijn in te zien op de website van ACV.

 

Te strooien hoeveelheden zout

De gemeente strooit de hoofdrijbaan routes en de fietsroutes volgens de “natzout”-methode.

Bij strooiacties zijn de aanbevolen hoeveelheden wegenzout als volgt:

  • Bij een preventieve actie, voor het bevriezen van natte asfaltwegen: een hoeveelheid natzout van 7 gram per m2 strooien.

  • Bij een preventieve actie, voor sneeuwval of ijzel: een hoeveelheid natzout van 15 -20 gram per m2 strooien.

  • Bij een curatieve actie, bij sneeuwval of ijzel: 15-20 gram per m2 droogzout strooien. Bij aanhoudende sneeuwval of ijzel dit (15-20 gram per m2) blijven herhalen, zo nodig in combinatie met het verwijderen (ploegen) van sneeuw.

Tijdens zouttekorten kan als alternatief pekelsproeien als strooimiddel fungeren.

 

4.2.3 Systeem gladheidsmelding

De gladheidbestrijding wordt geleid door de coördinator gladheidbestrijding van het strooibedrijf, zowel binnen als buiten de reguliere werktijden. Deze bepaalt of er wel of niet gestrooid gaat worden. De dienstdoende coördinator gladheidbestrijding heeft de volgende instrumenten tot zijn beschikking om te komen tot een weloverwogen besluit om al dan niet te gaan strooien:

  • De meest actuele internetinformatie van een weerbureau voor de regio gemeente Veenendaal;

  • Informatie van de gladheidmeldpunten;

  • Eigen waarneming door schouwing.

Weerbureau

Het strooibedrijf is geabonneerd op de diensten van een weerbureau en krijgt korte en lange termijn voorspellingen. Bij naderende winterse omstandigheden is er dagelijks contact en worden regionale voorspellingen beschikbaar gesteld.

 

Meetpunten

Binnen het verzorgingsgebied van ACV zijn op diverse locaties meetpunten in het wegdek of in fietspaden aangebracht. Deze locaties zijn zodanig gekozen dat een representatief beeld ontstaat van de werkelijke situatie buiten. In gemeente Veenendaal zijn 2 van deze meetpunten aangebracht.

 

4.2.4 Communicatie

Communicatie moet een belangrijke bijdrage leveren aan een positieve beeldvorming over gladheidbestrijding en kan mogelijk leiden tot minder klachten.

De volgende communicatiemiddelen zijn beschikbaar:

In deze communicatiemiddelen wordt aangegeven:

  • wanneer gestrooid wordt;

  • waar wel/ niet gestrooid wordt;

  • wat inwoners en bedrijven zelf kunnen doen aan gladheidbestrijding.

In het kort geeft het een beeld hoe de gemeente de gladheid bestrijdt en de wegen op de strooiroutes begaanbaar houdt zonder informatie te geven die ons kan hinderen om het werk uit te voeren. Op de website van ACV kunnen inwoners en media terecht voor alle actuele informatie en plattegronden met de strooiroutes.

De pers wordt op de hoogte gehouden via persberichten vanuit de gemeente en/of het strooibedrijf. De pers kan te allen tijde contact opnemen met gemeente voor vragen, een interview of reportage. De woordvoering gaat via de communicatieadviseur. De communicatieafdeling houdt het strooibedrijf op de hoogte van de door hen uitgebrachte persberichten.

Het strooibedrijf houdt gemeente Veenendaal op de hoogte via een (indien nodig dagelijkse) update/nieuwsbulletin per e-mail. Hierin staat gedetailleerde informatie over de bestrijding van gladheid, hoe en wanneer er gestrooid wordt, de zoutvoorraad en verdere ontwikkelingen.

Algemene informatie over gladheid kan aan het begin van het seizoen aan de inwoners worden

gemeld door:

  • Een algemeen artikel in het weekblad voor gemeente Veenendaal of

  • Op de website van gemeente Veenendaal met een link naar de website van de ACV met onder andere de strooiroutes.

Er zal extra aandacht zijn voor de communicatie met de ondernemers in de binnenstad .

Bij gladheid is het telefonisch servicecentrum het eerste contact voor burgers die klachten hebben. Dit beleid wordt vertaald in een infoblad voor de medewerkers van het telefonisch servicecentrum zodat zij de burgers adequaat te woord kunnen staan.

 

Artikel 4.3 Prioriteiten gladheidsbestrijding

4.3.1 Wegtypen

De gemeente Veenendaal hanteert de volgende uitgangspunten bij de gladheidbestrijding:

  • We strooien preventief d.w.z. een aantal uren voordat de gladheid wordt verwacht;

  • Bewoners binnen de bebouwde kom kunnen binnen een redelijke afstand van hun woning (circa 300 tot 400 meter) een gestrooide weg of fietspad bereiken;

  • Buiten de bebouwde kom worden wegen met een redelijke verkeersintensiteit gestrooid.

Het wegennet binnen de gemeente Veenendaal vertoont een grote verscheidenheid. Gemotoriseerd verkeer maakt gebruik van hoofdwegen tot en met woonerven; voetgangers en fietsers van trottoirs en fietspaden. Deze verschillende weggebruikers stellen allen hun specifieke en soms tegenstrijdige eisen als het om gladheidbestrijding gaat. Als er onderscheid wordt gemaakt naar doorgaand verkeer en plaatselijk verkeer, zal de eerste categorie de nadruk leggen op het

vrijmaken van de hoofdverbindingsroutes en is de andere categorie meer geïnteresseerd in woonstraten en secundaire verbindingen. Dit gegeven maakt het de wegbeheerder onmogelijk om het geheel van wegen, straten en paden bij naderende gladheid in één keer te behandelen. Het zal altijd noodzakelijk zijn om belangen af te wegen en op grond daarvan prioriteiten te stellen. Daarnaast stellen de ligging, de constructie en het gebruik van de verschillende wegtypen bijzondere eisen aan materieel, werkmethoden en strooimiddelen. Soms is het voor strooiwagens ook niet mogelijk om bijvoorbeeld in geval van ijzel, smallere woonstraten, woonerven en pleintjes te bereiken.

Voor de bepaling van prioriteiten moet verder rekening gehouden worden met:

  • Diensten of openbare voorzieningen in de gemeente die met zo min mogelijke hinder bereikbaar moeten zijn ( winkelcentra, artsenpraktijken, politie, brandweer, bejaardenhuizen, scholen);

  • Aansluiting op rijkswegen, provinciale wegen en op wegen van buurgemeenten;

  • Gevoelige locaties (bruggen, viaducten, trappen en bepaalde wegdektypen).

4.3.2 Tijdscriteria

De coördinator gladheidsbestrijding neemt de beslissing om tot actie over te gaan. De maximale tijdsduur van enige strooiactie mag, vanaf het begin van het zout op de weg brengen, onder normale omstandigheden, niet meer zijn dan 3,5 uur. Deze tijdsnorm is niet van toepassing onder extreme omstandigheden, zoals aanhoudende sneeuwval of ijzel. Gestreefd moet worden om de strooiactie voor de ochtendspits te voltooien.

 

4.3.3 Doelgroepen 

Voor de gladheidbestrijding onderscheiden we de volgende doelgroepen:

  • Openbaar vervoer: de busroutes moeten door de gemeente zoveel mogelijk worden schoongehouden. Voor gebruikers van het openbaar vervoer moet het redelijkerwijs mogelijk zijn het openbaar vervoer te bereiken.

  • Hulpdiensten: aanrijroutes voor hulpdiensten.

  • Autoverkeer: gladheidbestrijding vindt in eerste instantie plaats op de gebiedsontsluitingswegen (de zogenaamde hoofd- en verbindingsroutes). Inwoners moeten rekening houden met een maximale afstand van 400 meter om zo’n strooiroute te bereiken.

  • Fietsers, bromfietsers en schoolroutes: Gladheidsbestrijding vindt plaats op alle hoofdfietsroutes.

  • Overige gebruikers: voor overige gebruikers wordt alleen- indien noodzakelijk- in winkelgebieden gestrooid. Met betrekking tot voetpaden en trottoirs zien wij met name een rol voor bewoners en bedrijven, dit sluit aan bij de gedachte van burgerparticipatie.

4.4.4 Prioriteit Strooiroutes

Voor het bestrijden van gladheid en het ruimen van sneeuw wordt gebruik gemaakt van vaste routes, zodat voor iedereen duidelijk is waar de gemeente wel en niet gaat strooien. We onderscheiden:

  • prioriteitsroutes (8 voertuigen);

  • de calamiteitenroute;

  • locaties voor handstrooien;

  • fase 4 routes.

Prioriteitsroutes

  • de hoofdwegenstructuur, bestaande uit gebiedsontsluitings-, wijkontsluitings- en buurtontsluitingswegen, zoals vastgesteld in het vigerende omgevingsprogramma;

  • routes voor hulpdiensten zoals brandweer, politie en ambulances;

  • de hoofdfietsroutes, bestaande uit primaire fietsroutes en doorfietsroutes, zoals vastgesteld in het vigerende omgevingsprogramma;

  • de openbaar vervoerroutes zoals vastgesteld in het vigerende omgevingsprogramma;

  • aangevuld met wegen zodat binnen een redelijke afstand (circa 300 tot 400 meter) van de woning een gestrooide route bereikt kan worden;

  • gebieden in of in nabijheid van (hoofd)winkelcentra en openbare gebouwen (gemeentehuis, scholen, stations, enzovoort).

Calamiteitenroute

Er wordt overgegaan op het strooien van de calamiteiten-strooiroute bij extreme omstandigheden zoals langdurige sneeuwval en/of ijzel of bij optredende zouttekorten. Zowel de rijbanen als de fietspaden van de calamiteitenroute worden gestrooid. Gemeente Veenendaal bepaalt in overleg met de strooicoördinator wanneer wordt overgegaan op het strooien van de calamiteitenroute.

 

Locaties voor handstrooien

De gemeente strooit binnen reguliere werktijden handmatig de volgende locaties:

  • de opgang en dekken van houten bruggen;

  • extra sneeuwvrij maken van kruispunten;

  • de Markt (trappen) en

  • omgeving gemeentehuis (trappen).

Fase 4 strooien

Overige wegen worden in principe niet gestrooid, behoudens in zeer bijzondere gevallen, dit is het zogenaamde fase 4 strooien.

De gemeente bepaalt in overleg met de gladheidcoördinator of en wanneer wordt overgegaan op het fase 4 strooien. Het fase 4 strooien vindt plaats binnen reguliere werktijden en pas indien de prioriteitsroutes goed onder controle zijn. Bij langdurige gladheid overleggen gemeente en het strooibedrijf voor het eerst op de 4e dag van gladheid over het strooien van fase 4. Ook de voorspelde weersomstandigheden spelen mee in het besluit over te gaan op fase 4 strooien.

 

4.4.5 Bijdrage van inwoners en bedrijven aan gladheidsbestrijding

Als wegbeheerder roepen we inwoners en bedrijven op om een bijdrage te leveren aan de leefbaarheid van hun omgeving. Op diverse, drukbezochte locaties heeft gemeente Veenendaal gele zoutbakken geplaatst waaruit inwoners en medewerkers van scholen, bedrijven of instellingen zout kunnen gebruiken. Wij stellen verder geen zout beschikbaar voor particulier of bedrijfsmatig gebruik.

 

4.5 Kostenraming gladheidsbestrijding

De totale benodigde middelen op jaarbasis worden geraamd op ca. € 236.000 (prijspeil 2025). De werkzaamheden worden uitgevoerd door ACV. Jaarlijks ontvangen wij van ACV een begroting. De begroting is gebaseerd op:

  • 3 strooiroutes wegen en 5 strooiroutes fietspaden;

  • Voor de strooiroutes wegen en fietspaden is 16 keer een preventieve actie en 4 keer een curatieve actie opgenomen;

  • Calamiteitenroute 10 fietsbruggen (bij 3 graden of lager, naar inzicht van strooileider);

  • Calamiteitenroute bij ernstige en voortdurende gladheid na overleg met gemeente;

  • Vullen gele zoutbakken in opdracht en na overleg met gemeente;

  • Jaarlijkse evaluatie en jaarlijkse aanpassing strooiroutes.

 

 

Burgemeester en wethouders van Veenendaal,

 

Sjoukje Deelstra

secretaris

 

Gert-Jan Kats

burgemeester

 

Naar boven