Beleidsregel natuurinclusief bouwen en inrichten gemeente Zuidplas 2025

Het college van burgemeester en wethouder van Zuidplas,

 

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht,

 

B E S L U I T:

 

Vast te stellen de Beleidsregel natuurinclusief bouwen en inrichten gemeente Zuidplas 2025

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

    • a.

      College: het college van burgemeester en wethouders

    • b.

      Ambassadeursoorten: Om de biodiversiteit te stimuleren zijn een aantal ambassadeursoorten geselecteerd die ieder een eigen rol vervullen. Door voor deze diersoorten gericht een habitat (leefgebied) te maken, wordt de omgeving eveneens geschikt voor nog veel meer diersoorten die gebruikmaken van dezelfde natuurtypen. Ook wordt hiermee aandacht besteed aan verschillende aspecten die zorgen voor een goede basiskwaliteit natuur en veel biodiversiteit in het gebied.

    • c.

      Biodiversiteit: De verscheidenheid aan soorten planten, dieren en micro-organismen, even als de genetische variatie binnen soorten en ecosystemen. Hoe groter de verscheidenheid aan soorten en genetische variatie, hoe hoger de biodiversiteit.

    • d.

      Gebouwbewonende soorten: Dit zijn diersoorten die hun slaap- en/of broedplaats in of op gebouwen vinden. Veelvoorkomende gebouwbewonende soorten in stedelijk gebied zijn de gierzwaluw, gewone dwergvleermuis en huismus, maar ook vogels die op daken broeden, zoals de zwarte roodstaart.

    • e.

      Gebouwschil: Dit is de grens tussen de binnenzijde van een woning of gebouw en de buitenwereld. De gebouwschil bestaat uit de begane vloer, de buitenmuren, de ramen, de kozijnen, de deuren en het dak.

    • f.

      Grootschalige renovatie: Dit zijn renovaties zoals beschreven in de Nota omgevingskwaliteit 2023 en heeft dezelfde betekenis als het begrip ‘ingrijpende’ renovaties uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (“Bbl"). Er is sprake van een grootschalige renovatie als:

      • -

        meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil wordt vernieuwd, veranderd of vergroot, en

      • -

        deze vernieuwing, verandering of vergroting de integrale gebouwschil betreft, bijvoorbeeld als een dak of gevel volledig wordt opengelegd en vernieuwd.

    • g.

      Hoogwaardige habitat: Met het begrip ‘hoogwaardige’ habitat worden de biotische en abiotische eisen van een diersoort in een bepaald leefgebied of leefomgeving bedoeld op grond waarvan de diersoort zich thuis kan voelen en zich zal gaan vestigen. Het omvat alle aspecten van de ontwikkeling van een diersoort die lokaal gerealiseerd kunnen worden. Dit vatten we samen in de verschillende v’s: Voedsel & Vocht, Veiligheid, Verblijven & Voortplantingsmogelijkheden, Verbinding en Variatie.

    • h.

      Natuurinclusief bouwen en inrichten: Natuurinclusief bouwen is een vorm van duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij zowel het bouwwerk als de omgeving samen bijdragen aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden.

    • i.

      Plangebied: Dit is het gebied binnen de plangrenzen zoals aangeduid vanuit ruimtelijke ordening. Dit kan zowel privaat, mandelig, als ook openbaar terrein betreffen.

    • j.

      Ruimtelijke opgaven: Hieronder vallen projecten voor grootschalige renovatie, nieuwbouw en herinrichting (reconstructie) van de openbare ruimte en waarvoor de regels van natuurinclusief bouwen en inrichten gelden.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze beleidsregel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de omgevingswet.

Artikel 2 Doel en reikwijdte

  • 1.

    Het doel van de beleidsregel Natuurinclusief bouwen en inrichten gemeente Zuidplas 2025 is het beschermen, herstellen en versterken van de biodiversiteit in de gebouwde omgeving, door het nastreven van:

    • a.

      Behoud en bescherming van bestaande natuur;

    • b.

      Voldoende ruimte voor diverse natuurtypen;

    • c.

      Ecologische kwaliteit: habitatrealisatie en basiskwaliteit natuur;

    • d.

      Groenstructuren binnen het plangebied en verbinding met de omgeving.

  • 2.

    Het college vat natuurinclusief bouwen en inrichten op als een manier van ruimtelijke ontwikkelingen die biodiversiteit op de locatie van het project toevoegt.

  • 3.

    De beleidsregel natuurinclusief bouwen en inrichten gemeente Zuidplas 2025 geldt voor:

    • a.

      Nieuwbouw: Wanneer er minimaal één gebouw wordt gebouwd op het perceel, valt het project onder ‘nieuwbouw’. Een uitbouw of aanbouw geldt ook als nieuwbouw wanneer er een omgevingsvergunning voor nodig is. Sloop-nieuwbouw, met of zonder behoud van de fundering, wordt gezien als nieuwbouw.

    • b.

      Grootschalige renovaties van gebouwen: Dit betreft renovatie aan 25% of meer van de gebouwschil. Ook transformaties waarbij 25% of meer van de gebouwschil wordt gerenoveerd of gewijzigd, vallen hier onder. Kleinere renovatieprojecten waar minder dan 25% van de gebouwschil wordt gerenoveerd, zijn niet verplicht om te voldoen.

    • c.

      Reconstructies van de openbare ruimte: De beleidsregel geldt voor alle reconstructiewerken beheer openbare ruimte. Hierbij is het uitgangspunt dat het maximaal haalbare wordt gedaan binnen de financiële kaders (kostenneutraal) en de ruimtelijke kaders (fysieke inpasbaarheid).

  • 4.

    Het puntensysteem in artikel 3 van deze beleidsregel geeft initiatiefnemers van een ruimtelijke ontwikkeling kaders voor natuurinclusief bouwen in gemeente Zuidplas.

  • 5.

    Maatregelen volgend uit deze beleidsregel natuurinclusief bouwen zijn toe te passen in, op en/of aan de directe omgeving van het bouwwerk (plangebied).

  • 6.

    Verder draagt deze beleidsregel bij aan de leefbaarheid en klimaatbestendigheid van de gemeente en de gezondheid van inwoners.

  • 7.

    Deze beleidsregel heeft als uitgangspunt dat deze eenvoudig te hanteren is, ruimte biedt voor maatwerk en betaalbare maatregelen bevat.

Artikel 3 Puntensysteem en toetsingskader natuurinclusief bouwen

  • 1.

    Het college stelt een norm vast om te bepalen wanneer er sprake is van voldoende natuurinclusief bouwen en inrichten door middel van een puntensysteem en toetsingskader. De volledige uitwerking van het puntensysteem en toetsingskader is bijgevoegd in bijlage 1 Toetsingskader Natuurinclusief bouwen en inrichten.

  • 2.

    Het college schrijft voor dat de ruimtelijke opgave voldoende natuurinclusief is als wordt voldaan aan de volgende toetsingsvoorwaarden.

    • a.

      De projectgrootte bepaalt het verplichte aantal ambassadeursoorten waarvoor hoogwaardig leefgebied (habitat) moet worden gerealiseerd.

      • i.

        Kleine projecten (tot 500m2): één ambassadeursoort;

      • ii.

        Middelgrote projecten (500 – 2.000m2): twee ambassadeursoorten;

      • iii.

        Grote projecten (>2.000m2): drie ambassadeursoorten.

    • b.

      Per 100m2 bebouwd oppervlak wordt één nest- of verblijfplaats gerealiseerd, tenzij sprake is van hoogbouw vanaf 15m. In dat geval worden er twee nest- of verblijfplaatsen per 100m2 bebouwd oppervlak gerealiseerd.

    • c.

      Per 100m2 plangebied worden natuurinclusieve maatregelen gekozen die bijdragen aan een hoogwaardig leefgebied voor de gekozen ambassadeursoorten. Hierbij geldt:

      • i.

        Twee punten voor natuurinclusieve maatregelen bij nieuwbouw; of

      • ii.

        Eén punt voor natuurinclusieve maatregelen bij renovatie van gebouwen; of

      • iii.

        Twee punten voor natuurinclusieve maatregelen bij reconstructies.

    • d.

      Voor ieder initiatief dat valt binnen de reikwijdte van het Toetsingskader Natuurinclusief bouwen en inrichten moet een volledig toetsingsformulier (bijlage 2) worden ingevuld inclusief alle bijlagen voor een volledige plantoetsing.

  • 3.

    Het college stelt stappen vast met daarin beschreven hoe aan de toetsingsvoorwaarden kan worden voldaan. De volledige uitwerking van deze stappen, inclusief de voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in bijlage 1 Toetsingskader Natuurinclusief bouwen en inrichten.

    • a.

      Bepaal de doelstellingen voor natuur

      Het bepalen van concrete doelen voor natuur op het gebied van behoud en bescherming van aanwezige natuur, groenblauwe structuren en voor andere opgaven waar natuur een oplossing kan zijn. De richtlijn bij iedere ontwikkeling is dat minimaal 30% van de totale oppervlakte van het plangebied bestaat uit groen.

    • b.

      Kies de ambassadeursoorten

      De ambassadeursoorten helpen in de keuze voor natuurinclusieve maatregelen. De initiatiefnemer zorgt voor een hoogwaardig leefgebied (habitat) voor de gekozen ambassadeursoorten. Het aantal ambassadeursoorten waarvoor een leefgebied moet worden ingericht, hangt af van hoe groot het plangebied is.

    • c.

      Zorg voor de nest- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende diersoorten

      Voor iedere 100m2 bebouwd oppervlak moet één nest- of verblijfplaatsen worden gerealiseerd voor gebouwbewonende diersoorten. Bij hoogbouw (>15m) zijn dit twee nest- of verblijfplaatsen per 100m2 bebouwd oppervlak. Realiseer in ieder geval voldoende nest- en verblijfplaatsen voor de gekozen ambassadeursoorten.

    • d.

      Behaal voldoende punten voor natuurinclusieve maatregelen

      Voor iedere 100m2 plangebied moeten bij nieuwbouw of bij reconstructie van de openbare ruimte minimaal twee punten worden behaald. Voor iedere 100m2 plangebied van grootschalige renovaties van gebouwen moet minimaal één punt worden behaald.

    • e.

      Invullen van het toetsingsformulier inclusief alle bijlagen

      Om te beoordelen of wordt voldaan aan alle verplichtingen uit het Toetsingskader Natuurinclusief bouwen en inrichten, moet het toetsingsformulier volledig worden ingevuld inclusief alle bijlagen voor een volledige plantoetsing. Het toetsingsformulier is bijgevoegd in bijlage 2.

Artikel 4 Overgangsregeling

Voor woningbouwprojecten waarvoor tussen gemeente Zuidplas en ontwikkelende partijen al een anterieure overeenkomst kostenverhaal is afgesloten, geldt deze beleidsregel niet. Het college zal echter in overleg met deze ontwikkelaars verkennen hoe natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen waar mogelijk alsnog kunnen worden ingepast om aan de intentie en doelstellingen van het natuurinclusieve beleid te voldoen, zonder dat dit veel of grote vertraging oplevert. Voor projecten waarvoor nog geen anterieure overeenkomst kostenverhaal is afgesloten, is deze beleidsregel van toepassing vanaf de datum waarop deze beleidsregel in werking treedt.

Artikel 5 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na de bekendmaking.

Nieuwerkerk aan den IJssel, 30 september 2025

Het college van burgemeester en wethouders,

de secretaris,

M. Burgmans

de burgemeester,

J.F. Weber

Bijlage 1. Toetsingskader natuurinclusief bouwen en inrichten (A25.002547)

 

Toetsingskader Natuurinclusief Bouwen en inrichten Gemeente Zuidplas

 

Samenvatting

 

Waarom en voor wie?

De hoeveelheid natuur en biodiversiteit in Nederland zijn in de afgelopen jaren sterk afgenomen. Dit heeft grote negatieve gevolgen voor de kwaliteit van de leefomgeving voor mens en dier. Recent ecologisch onderzoek in gemeente Zuidplas heeft laten zien dat ook hier geen sprake van hoge biodiversiteit (Slager, 2024).

 

Gemeente Zuidplas heeft een flinke bouwopgave. Dit kan leiden tot een verdere afname van biodiversiteit en van ecologische waarde. Flora en fauna vinden steeds moeilijker geschikte leefomstandigheden, terwijl hittestress, droogte en wateroverlast toenemen. Dit heeft direct gevolgen voor bewoners, die een lagere kwaliteit van leven ervaren, en bedrijven, die in een minder toekomstbestendige en aantrekkelijke omgeving opereren.

 

In de Nota Omgevingskwaliteit 2023 heeft de gemeente vastgesteld dat bij alle ruimtelijke ontwikkelingen ‘het behouden en zo mogelijk vergroten van de biodiversiteit door middel van natuurinclusief bouwen en ontwerpen van de buitenruimte’ meegenomen wordt. Door vanaf de start natuurinclusief bouwen mee te nemen bij iedere (bouw)opgave, creëren we ecologische waarden om de biodiversiteit te vergroten en dragen we bij aan gezonde en klimaatbestendige dorpen. Dit zijn ambities die ook in de omgevingsvisie 2040 worden genoemd. Door het opstellen van beleidsregels en toetsingskaders wordt natuurinclusief bouwen en inrichten vanaf de start van alle projecten en opgaven geborgd.

 

De gemeente heeft regels opgesteld om natuurinclusief bouwen en inrichten concreet te maken voor nieuwbouw- en inrichtingsprojecten, grootschalige renovaties van gebouwen en reconstructies van de openbare ruimte. Om dit voor ieder project te toetsen, is er een toetsingskader met een toetsingsformulier opgesteld. Dit kader geeft duidelijkheid hoe je kunt voldoen aan de regels voor natuurinclusief bouwen.

 

Begrippen

Met natuurinclusief bouwen, ecologie en biodiversiteit in de gebouwde omgeving krijg je te maken met een aantal nieuwe begrippen. Aan het eind van dit toetsingskader vind je daarom een begrippenlijst.

 

Zo werkt het

Het toetsingssysteem werkt schalend. Dat betekent dat hoe groter het plangebied en het bebouwd oppervlak van een project is, hoe meer natuurinclusieve maatregelen er moeten worden gerealiseerd (figuur 1). Dit is altijd in dezelfde verhouding op basis van een puntensysteem. Dus de opgave om samen te zorgen voor natuur in onze gemeente wordt zo eerlijk verdeeld.

 

Allereerst kies je de ambassadeursoorten voor jouw ruimtelijke opgave en moet je bij een bouwopgave zorgen voor voldoende nest- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende soorten. Hoeveel dit er zijn, hangt af van het aantal vierkante meters bebouwd oppervlak en van de bouwhoogte.

 

Daarnaast kies je voor ieder project uit verschillende maatregelen die punten opleveren. De hoeveelheid punten die je moet halen, hangt af van de hoeveelheid vierkante meters van het plangebied. Voorwaarde is wel dat de maatregelen die je kiest samen voldoende punten opleveren én bij elkaar passen om zo een goed leefgebied te vormen voor de gekozen ambassadeursoorten. Zo zorgen we dat een plek echt geschikt wordt. En dat er voedsel, veiligheid, verblijfplaatsen, verbinding met de omgeving en voldoende variatie is voor verschillende diersoorten.

 

Figuur 1: Overzicht van verplichtingen van het puntensysteem

 

In figuur 1 is een overzicht te zien van de verplichtingen van het puntensysteem. De verplichting bestaat uit de volgende vier stappen en onderdelen:

 

  • 1.

    Bepaal de doelstellingen voor natuur

    Het bepalen van concrete doelen voor natuur op het gebied van behoud en bescherming van aanwezige natuur, groenblauwe structuren en voor andere opgaven waar natuur een oplossing kan zijn. Deze stap is verplicht voor grote projecten en gewenst bij kleine en middelgrote projecten.

    • o

      Zorg voor voldoende groen oppervlak in het plangebied

      De richtlijn bij iedere ontwikkeling is dat minimaal 30% van de totale oppervlakte van het plangebied bestaat uit groen. Hieronder valt ook dubbel ruimtegebruik (groene daken) en gelaagdheid in beplanting. Deze richtlijn komt overeen met de inspanningsverplichting uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Gemeente Zuidplas heeft dit convenant ondertekend en past het Programma van Eisen toe in projectontwikkelingen.

  • 2.

    Kies de ambassadeursoorten

    De ambassadeursoorten helpen in de keuze voor natuurinclusieve maatregelen. Je moet zorgen voor een hoogwaardig leefgebied (habitat) voor de gekozen ambassadeursoorten. Het aantal ambassadeursoorten waarvoor je een leefgebied moet inrichten, hangt af van hoe groot het plangebied is.

     

    Bij kleine projecten (tot 500 m2 plangebied) realiseer je hoogwaardig leefgebied voor minimaal één ambassadeursoort. Bij middelgrote projecten (500-2.000 m2) doe je dit voor minimaal twee soorten. En bij grote projecten (>2.000 m2) voor minimaal drie verschillende soorten.

  • 3.

    Zorg voor de nest- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende diersoorten

    Voor iedere 100m2 bebouwd oppervlak moet één nest- of verblijfplaatsen worden gerealiseerd voor gebouwbewonende diersoorten. Bij hoogbouw (>15m) zijn dit twee nest- of verblijfplaatsen per 100m2 bebouwd oppervlak. Realiseer in ieder geval voldoende nest- en verblijfplaatsen voor de gekozen ambassadeursoorten van jouw project.

  • 4.

    Behaal voldoende punten voor natuurinclusieve maatregelen

    Voor iedere 100m2 plangebied moeten bij nieuwbouw of bij reconstructie van de openbare ruimte minimaal 2 punten worden behaald. Voor iedere 100m2 plangebied van grootschalige renovaties van gebouwen moet minimaal 1 punt worden behaald.

     

    Het oppervlak van het plangebied bepaald hoeveel punten behaald moeten worden voor natuurinclusieve maatregelen. Elke maatregel heeft een eigen aantal punten. Het puntenaantal past bij de ecologische waarde en wenselijkheid van de maatregel. Punten worden toegekend per 100 m2, of een deel of veelvoud hiervan. Het inrichten met een maatregel van 6 punten levert dus bij 150 m2 van die maatregel 9 punten op en bij 25 m2 is dat 1,5 punt.

     

    Bij hele kleine initiatieven tot 50m2 zal het realiseren van een hoogwaardig leefgebied voor een ambassadeursoort niet altijd passend zijn in de beschikbare ruimte. In dat geval neem je enkel voldoende inrichtingsmaatregelen om het aantal punten te behalen.

1. Inleiding en doel van dit toetsingskader

 

Zuidplas heeft als doel om in 2030 een versterking te zien van de biodiversiteit ten opzichte van de nulmeting die in 2024 is uitgevoerd (Programma Duurzaamheid 2024 - 2026). Daarnaast heeft de gemeente, net als vele andere gemeenten, ook een flinke woningbouwopgave. Dit kan leiden tot een verdere afname van de biodiversiteit en ecologische waarde. In de Omgevingsvisie 2040 is daarom opgenomen dat bij ontwikkelingen en transities ruim aandacht wordt besteed aan biodiversiteit.

 

“In Zuidplas staat gezond en veilig leven in een aantrekkelijke leefomgeving midden in een sterke natuur centraal, zonder de dier- en plantensoorten te beschadigen of natuurlijke hulpbronnen op te maken. We vinden het daarom van belang dat bij ontwikkelingen en transities ruim aandacht wordt besteed aan biodiversiteit met een aansluiting op de bedreigde plant- en diersoorten.”

 

Omgevingsvisie Gemeente Zuidplas 2040

 

Om dit te bereiken is de wens om onder andere ‘natuurinclusief ontwikkelen’ onderdeel uit te laten maken van nieuwe projecten en ontwikkelingen (in de openbare ruimte). Daarbij is het belangrijk dat het thema goed wordt geborgd in de organisatie, zodat dit onderdeel is van alle nieuwbouwprojecten en initiatieven in de gemeente. Zuidplas heeft dit toetsingskader met puntensysteem dan ook opgesteld om natuurinclusief bouwen en inrichten concreet te maken voor (bouw)projecten. Dit geldt voor nieuwbouwprojecten, grootschalige renovaties van gebouwen en reconstructies van de openbare ruimte.

 

1.1 Achtergrond

De hoeveelheid natuur en biodiversiteit in Nederland is in de afgelopen decennia sterk afgenomen. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is de biodiversiteit in Nederland met ongeveer 85% afgenomen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie rond 1900 (PBL, 2023). Recent ecologisch onderzoek in gemeente Zuidplas heeft laten zien dat ook hier geen sprake van hoge biodiversiteit (Slager, 2024).

 

Dit heeft grote negatieve gevolgen voor de kwaliteit van de leefomgeving voor mens en dier. Natuur en Biodiversiteit hebben namelijk veel positieve effecten. Ze dragen bij aan een gezonde leefomgeving, met ruimte om te bewegen, elkaar te ontmoeten en te spelen. Groen in de buurt is bovendien aantoonbaar goed voor de mentale en fysieke gezondheid van mensen (Maas et al., 2006; WHO, 2016) en verhoogt de vastgoedwaarde (Ruigrok et al, 2006).

 

Natuur helpt ons ook om de gevolgen van klimaatverandering beter op te vangen. Denk bijvoorbeeld aan hevigere regenbuien en langere periodes van droogte. Groene infrastructuur, zoals parken, bomen en natte zones, kunnen water bufferen, verkoeling bieden in steden/dorpen en hittestress verminderen (Van den Bosch & Sang, 2017). Biodiversiteit speelt hierin een sleutelrol: hoe groter de variatie aan soorten, hoe robuuster ecosystemen zijn tegen verstoringen zoals ziekten, plagen en extreme weersomstandigheden (Díaz et al., 2006).

 

Tegelijkertijd is de druk op de ruimte in de gebouwde omgeving hoog. We zoeken naar ruimte voor meer woningen, plekken om te recreëren en plaatsen voor bedrijvigheid. Het is daarom cruciaal dat natuur niet telkens het onderspit delft in ruimtelijke afwegingen, maar juist mee wordt genomen in iedere ruimtelijke opgave. De natuur is daarmee niet alleen een randvoorwaarde, maar ook een doel binnen de inrichting van onze leefomgeving.

 

1.2 Het doel van dit toetsingskader voor natuurinclusief bouwen en inrichten

Dit toetsingskader geeft duidelijkheid over de verplichtingen voor natuurinclusief bouwen en inrichten bij ruimtelijke opgaven. Zo informeert de gemeente projectteams en initiatiefnemers over hoe zij biodiversiteit en natuurinclusiviteit kunnen meenemen in een nieuwbouwproject, grootschalige renovatie van gebouwen of reconstructies.

 

Het natuurinclusief puntensysteem en de begeleidende informatie over ambassadeursoorten en natuurinclusieve maatregelen laten je zien welke maatregelen gewenst zijn. En hoeveel maatregelen je moet nemen om te voldoen aan de verplichting van natuurinclusief bouwen en inrichten.

 

1.3 De wetgeving voor natuurinclusief bouwen

Dit toetsingskader volgt uit de Omgevingsvisie Gemeente Zuidplas 2040, De Nota Omgevingskwaliteit 2023 en het programma Duurzaamheid 2024 - 2026 van gemeente Zuidplas. En de natuur beschermen en versterken is óók verplicht vanuit verschillende wet- en regelgeving:

 

  • Bestaand beleid van de gemeente, de provincie en het Rijk. Zoals de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Ruimtelijke Adaptatie Strategie;

  • De Omgevingswet;

  • De Europese Natuurherstelverordening;

  • Het Omgevingsbeleid van Provinciale Staten.

Je vindt deze wet- en regelgeving in bijlage I.

 

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 lees je wanneer je moet voldoen aan dit toetsingskader en wat de gemeente bijvoorbeeld ziet als ‘nieuwbouw’. Ook staat hier welke verplichtingen gelden voor projecten. En wat de randvoorwaarden zijn waar je aan moet voldoen.

 

Natuurinclusief bouwen en inrichten draait om ruimte maken voor de ambassadeursoorten. In hoofdstuk 3 lees je welke ambassadeursoorten de gemeente heeft gekozen. En welke natuurdoeltypen voor de gemeente belangrijk zijn.

 

In hoofdstuk 4 lees je hoe je concreet natuurinclusieve maatregelen neemt. Ook staat er welke punten je krijgt voor welke maatregelen. Daarnaast lees je hoe je voldoet aan de verplichte nest- en verblijfplaatsen.

 

Tenslotte lees je in hoofdstuk 5 hoe het toetsingsformulier werkt dat de gemeente gebruikt. Stap voor stap lees je hoe je dit formulier invult.

 

In de verschillende bijlagen lees je meer over de natuurinclusieve maatregelen en vind je onder andere een overzicht van hoe Natuurinclusief bouwen de bouwkosten beïnvloedt, een stappenplan voor projectontwikkeling en voor gebiedsontwikkelingen.

 

2. Doelstellingen, verplichtingen en reikwijdte

 

2.1 Doelstellingen voor biodiversiteit bij ruimtelijke ontwikkelingen

Het hoofddoel van natuurinclusief bouwen en inrichten is om de biodiversiteit in de gebouwde omgeving te beschermen, te herstellen en te versterken. Hiervoor zijn er vier onderliggende doelstellingen. Deze vormen de basis van het beleidskader voor natuurinclusief bouwen en inrichten. De aandachtspunten bij deze doelstellingen worden in bijlage II verder uitgelegd.

 

1. Behoud en bescherming van bestaande natuur

Nieuw gerealiseerde natuur is meestal van lagere ecologische waarde dan volgroeide en oudere natuur. Daarom is behoud van waardevolle, bestaande natuur belangrijk. Net als het zo min mogelijk verstoren van de bodem. Daarnaast is bescherming van aanwezige dier- en plantensoorten belangrijk om hen in het gebied te behouden.

 

2. Groenstructuren binnen het plangebied en verbinding met de omgeving

De meeste diersoorten hebben voordeel van verbondenheid tussen natuur. Zo ontstaat namelijk een voldoende groot leefgebied met toegang tot alle habitateisen. Dat zijn de V’s voor het leefgebied: Voedsel, Vocht, Voortplanting/Verblijf, Veiligheid, Verbinding en Variatie. Ook kunnen populaties zo voldoende mengen om gezondheid en voortbestaan te garanderen.

 

3. Voldoende ruimte voor diverse natuurtypen

Het is belangrijk dat er voldoende ruimte is voor natuur. Dat kan ruimte zijn die exclusief met een natuurfunctie wordt ingericht, zoals natuurvriendelijke oevers, of ruimte die meervoudig wordt gebruikt. Bijvoorbeeld een groen dak of recreatiegebieden zoals parken.

 

4. Ecologische kwaliteit: habitatrealisatie en basiskwaliteit natuur

De keuze van natuurtypen en beplanting bepaalt vervolgens de ecologische kwaliteit en diversiteit. Het gaat daarbij om verscheidenheid, het zorgen voor voldoende kwaliteit en om keuzes aan plantsoorten die gezamenlijk zorgen voor een goed leefgebied (habitat) voor doelsoorten.

 

Figuur 2: Overzicht aandachtspunten voor biodiversiteit

 

2.2 Verplichtingen

Ieder project dat valt binnen de reikwijdte van dit kader, zoals je leest in 2.4, moet natuurinclusief bouwen en inrichten. Deze verplichting vatten we samen in de volgende vier onderdelen:

 

  • 1.

    Bepaal concrete doelen voor natuur op het gebied van behoud en bescherming van aanwezige natuur, groenblauwe structuren en voor andere opgaven waar natuur een oplossing kan zijn;

  • 2.

    Kies de ambassadeursoorten en zorg voor hoogwaardig leefgebied (habitat) voor deze soorten;

  • 3.

    Zorg voor nest- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende diersoorten;

  • 4.

    Behaal voldoende natuurinclusieve punten voor het realiseren en/of behouden van biodivers groen.

1. Doelstellingen voor natuur

De belangrijkste doelstelling van de beleidsregels is dat elke ruimtelijke ontwikkeling voldoende waarde oplevert voor de natuur in de dorpen, zodoende dat de bebouwde leefomgeving tenminste voldoende ruimte biedt aan algemene stedelijke soorten als de huismus of een vleermuis. Daarmee dragen deze ontwikkelingen bij aan gezonde, groene en natuurvriendelijke dorpen.

 

Om zo goed mogelijk bij te dragen aan de natuur in de dorpen, leiden de volgende stappen tot de beste kwaliteit en vaak ook tot de makkelijkste en minst dure oplossingen:

 

  • Bepaal eerst welke natuurkwaliteiten er al aanwezig zijn (denk aan bijvoorbeeld struiken, bomen, watergangen) en probeer deze waar mogelijk te behouden. Laat onderzoeken of er beschermde soorten aanwezig zijn en neem wettelijk verplichte maatregelen mee in het ontwerp;

  • Bepaal welke ecologische doelstellingen je hebt en zorg dat je met behulp van de gekozen ambassadeursoorten tenminste de ecologische minimumeisen worden gehaald. Zie de vragen voor een locatie-analyse in bijlage III om te helpen bepalen welke ecologische opgaven en kansen er voor een plangebied zijn;

  • Werk de doelstellingen uit in een ontwerp, en betrek waar mogelijk een ecoloog bij de uitwerking (voor grootschalige ontwikkelingen of als er al (mogelijk) beschermde soorten aanwezig zijn is dit verplicht).

  • De richtlijn bij iedere ontwikkeling is dat minimaal 30% van de totale oppervlakte van het plangebied bestaat uit groen. Hieronder valt ook dubbel ruimtegebruik (groene daken) en gelaagdheid in beplanting. Deze richtlijn komt overeen met de inspanningsverplichting uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Gemeente Zuidplas heeft dit convenant ondertekend en past het Programma van Eisen toe in projectontwikkelingen.

2. Ambassadeursoorten en hoogwaardig leefgebied

De tweede verplichting is dat er voldoende en hoogwaardig leefgebied voor ambassadeursoorten (zie hoofdstuk 4) gemaakt wordt in het plangebied. Dat geldt voor zowel groene inrichtingsmaatregelen als nest- en verblijfsplekken. Dit betekent dat je relevante maatregelen moet nemen én dat deze gezamenlijk zorgen voor de verschillende voorwaarden van het leefgebied van de gekozen ambassadeursoorten (hoofdstuk 3).

 

Deze voorwaarden voor het leefgebied noemen we ook wel de V’s: Voedsel, Vocht, Veiligheid, Verblijfplaats, Voorplanting, Verbinding met de omgeving. Om te bepalen wat ‘voldoende’ is, wordt het puntensysteem en het toetsingsformulier gebruikt uit dit toetsingskader. Dit wordt verder toegelicht onder verplichting 4. Het aantal ambassadeursoorten waarvoor je een leefgebied moet inrichten, hangt af van hoe groot het plangebied is en de daaraan gerelateerde projectcategorie. De projectcategorie bepaalt namelijk het aantal ambassadeursoorten. In de volgende tabel staat de indeling per categorie.

 

Plangebied

Projectcategorie

Minimaal aantal ambassadeursoorten

<500 m2

Klein project

1

500 - 2.000 m2

Middelgroot project

2

>2.000 m2

Groot project

3

Tabel 1: De grootte van het plangebied bepaalt de projectcategorie en minimumaantal ambassadeursoorten

 

Let op: Bij hele kleine initiatieven tot 50m2 zal het realiseren van een hoogwaardig leefgebied voor een ambassadeursoort niet altijd passend zijn in de beschikbare ruimte. In dat geval neem je enkel voldoende inrichtingsmaatregelen om het aantal punten te behalen (verplichting 4).

 

3. Nest- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende diersoorten

Voor iedere 100m2 bebouwd oppervlak moet één nest- of verblijfplaatsen worden gerealiseerd voor gebouwbewonende diersoorten. Bij hoogbouw (>15m) zijn dit twee nest- of verblijfplaatsen per 100m2 bebouwd oppervlak. Realiseer in ieder geval voldoende nest- en verblijfplaatsen voor de gekozen ambassadeursoorten van jouw project.

 

Voorbeeld 

In een nieuwbouwproject met een plangebied van 1.560m2 met 12m bouwhoogte en een bebouwd oppervlak van 800m2, moet voor minimaal 2 ambassadeursoorten (categorie: middelgroot project), 8 nest- of verblijfplaatsen (800 m2 / 100) worden gerealiseerd.

 

4. Natuurinclusieve inrichting puntensysteem

Om een hoogwaardig leefgebied voor de ambassadeursoorten te maken in het plangebied wordt gebruik gemaakt van een puntensysteem. Ieder inrichtingsplan moet een minimaal aantal punten behalen met natuurinclusieve maatregelen. Aan de hand van de grootte van het plangebied wordt het aantal punten bepaald.

 

De mogelijkheden en kansen voor de natuur zijn meestal het grootst in projecten met nieuwbouw, sloop-nieuwbouw of bij reconstructies van de openbare ruimte. Daarom moet je bij nieuwbouwprojecten 2 punten behalen voor natuurinclusieve maatregelen per 100m2 plangebied. Voor grootschalige renovaties van gebouwen moet je 1 punt behalen voor natuurinclusieve maatregelen per 100m2 plangebied.

 

Minimaal aantal punten per 100 m2 plangebied

Nieuwbouw of sloop-nieuwbouw

2

Grootschalige renovaties (gebouwen)

1

Reconstructie van de openbare ruimte

2

Tabel 2: Minimaal aantal punten per ruimtelijke opgave

 

Voorbeeld

Een nieuwbouwproject op een plangebied (kavel) van 1.560 m2 met 760 m2 bebouw oppervlak en 12 meter bouwhoogte moet voor minimaal 2 ambassadeursoorten een leefgebied inrichten, 8 verblijfplaatsen realiseren en 31 punten voor maatregelen behalen.

 

Natuurinclusieve maatregelen

In dit toetsingskader en het toetsingsformulier vind je een lijst met natuurinclusieve maatregelen die meegerekend mogen worden (zie hoofdstuk 4).

 

Elke maatregel heeft een eigen aantal punten. Neem voldoende natuurinclusieve maatregelen mee in de planontwikkeling, zodat deze voldoet aan het minimaal aantal punten per ruimtelijke ontwikkeling. Het puntenaantal past bij de ecologische waarde en wenselijkheid van de maatregel. Punten worden toegekend per 100 m2, of een deel of veelvoud hiervan. Het inrichten met een maatregel van 6 punten levert dus bij 150 m2 van die maatregel 9 punten op en bij 25 m2 is dat 1,5 punt.

 

Let op: natuurinclusief groen (zoals we het groen in dit toetsingskader bedoelen) is niet hetzelfde als wat er onder ‘groen’ wordt verstaan in stedenbouwkundige plannen en het omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan). Voor natuurinclusief bouwen en inrichten telt verharding, bijvoorbeeld bij speelvoorzieningen, voet- en fietspaden, opritten, nutsvoorzieningen en calamiteitendoorgangen niet mee.

 

Niet iedere maatregel levert evenveel punten op. Voor meer wenselijke en ecologisch waardevolle maatregelen krijg je meer punten. In hoofdstuk 4 zie je hoeveel punten de verschillende maatregelen opleveren. Daarnaast moeten de gekozen maatregelen passen bij de gekozen ambassadeursoorten (hoofdstuk 3). Het toetsingsformulier helpt in de keuze van de juiste maatregelen per ambassadeursoort.

 

Bij deze verplichtingen moet je er altijd voor zorgen dat de natuurkwaliteit en de soorten die er al zijn, beschermd worden. Daarnaast moet je de aansluiting met de omgeving en het maken van verbindingen meenemen.

 

Als er ecologische doelstellingen binnen het project worden beoogd die niet zijn opgenomen in de tabellen met inrichtingsmaatregelen en nest- en verblijfplaatsen, of als er om andere redenen maatwerk nodig is, kun je contact opnemen met de gemeente om vooraf te bepalen in welke mate de maatregelen al dan niet kunnen meetellen.

 

2.3 Randvoorwaarden

Voor alle plannen gelden ook randvoorwaarden. Daarvoor moeten toelichtende bijlagen samen met het toetsingsformulier aangeleverd worden. In tabel 3 staat een overzicht van de benodigde bijlagen per projectcategorie.

 

Projectcategorie

Benodigde bijlagen bij het toetsingsformulier

Klein

1. Ontwerptekening

2. Beheerparagraaf

Middelgroot

1. Ontwerptekening

2. Beheerparagraaf

3. Onderbouwing – Water- en bodem sturend

Groot

1. Ontwerptekening

2. Beheerplan

3. Onderbouwing – Water- en bodem sturend

4. Ecologisch inrichtingsplan

5. Natuurvriendelijk verlichtingsplan

6. Toelichting vogelvriendelijke beglazing (vanaf 15 meter bouwhoogte)

Tabel 3: Overzicht van de benodigde bijlagen bij het toetsingsformulier per projectcategorie

 

  • 1.

    Ontwerptekening

    Zorg voor goede ontwerptekeningen met hierin opgenomen: de nest- en verblijfplaatsen inclusief bijbehorende aantallen en materialen. Alle inrichtingsmaatregelen inclusief bijbehorende oppervlaktes.

  • 2.

    Er is een beheerplan opgesteld en afgestemd met de toekomstige beheerder

    Deze voorwaarde is alleen verplicht bij grote projecten (tabel 1). Voor kleine en middelgrote projecten is een beheerparagraaf voldoende.

     

    Benoem wie de toekomstige beheerder van de natuurinclusieve maatregelen is en hoe de natuurinclusieve maatregelen behouden blijven na oplevering. Indien beheer bij gemeente Zuidplas komt te liggen, maakt duidelijk:

    • -

      Welke afspraken er op hoofdlijnen zijn gemaakt samen met beheer;

    • -

      Welke meerkosten er bij beheer komen te liggen, die afgestemd zijn met beheer, en wat in ieder geval mogelijk is binnen het uitgangspunt ‘kostenneutraal’. Kies bijvoorbeeld voor een wadi als de riolering toch al vervangen moet worden;

    • -

      Wat de onderhoud instructies zijn.

  • 3.

    De keuze voor bomen en planten is gemaakt op basis van het lokale bodem- en watersysteem

    Benoem hoe de bodem en water sturend zijn geweest voor de plantkeuze. Geef ook aan hoe de uitgangspunten zijn bepaald. Bijvoorbeeld voor grondwaterstand, het DIOR en/of type grond.

  • 4.

    Er is een inrichtingsplan opgesteld met hulp van een ecologisch expert

    Vul op het toetsingsformulier in welke ecologisch expert betrokken is. Vermeld de naam van de bijlage waarin het ecologisch (inrichtings-)plan staat. Zorg dat aandacht wordt besteed aan:

    • -

      Behoud en bescherming van bestaande natuur;

    • -

      Ontwikkeling van habitat voor (ambassadeur)soorten en zorg voor basiskwaliteit natuur;

    • -

      Realisatie van voldoende ruimte voor natuur; en

    • -

      Versterking en behoud van groenblauwe structuren.

  • 5.

    Er is een natuurvriendelijk verlichtingsplan opgesteld

    Stel dit plan op en vul in het toetsingsformulier de naam van de bijlage in waarin het verlichtingsplan staat.

  • 6.

    Vogelvriendelijke beglazing is toegepast in het ontwerp

    Deze voorwaarde is alleen verplicht voor bouwhoogtes boven 15 meter.

     

    Geef op het toetsingsformulier aan in welk bestand en op welke pagina informatie staat over de vogelvriendelijke beglazing. Geef aan waar het wordt toegepast en op welke manier (producttype of ontwerpprincipe).

2.4 Reikwijdte van de verplichting

Hieronder staat voor welke projecten dit toetsingskader geldt. Voor deze projecten moet je dus voldoen aan de normen en richtlijnen voor biodiversiteit en natuurinclusiviteit. Hierbij wordt een onderverdeling gemaakt tussen nieuwbouwprojecten, grootschalige renovaties van gebouwen en reconstructies.

 

  • 1.

    Nieuwbouw

  • Wanneer er minimaal één gebouw wordt gebouwd op het perceel, valt het project onder ‘nieuwbouw’ volgens dit kader. Een uitbouw of aanbouw geldt ook als nieuwbouw wanneer er een omgevingsvergunning voor nodig is. Sloop-nieuwbouw, met of zonder behoud van de fundering, wordt gezien als nieuwbouw.

  • 2.

    Grootschalige renovaties van gebouwen

  • Dit betreft renovatie aan 25% of meer van de gebouwschil. Ook transformaties waarbij 25% of meer van de gebouwschil wordt gerenoveerd of gewijzigd, vallen hier onder. Kleinere renovatieprojecten waar minder dan 25% van de gebouwschil wordt gerenoveerd, zijn niet verplicht om te voldoen.

  •  

  • Voor de projecttypen nieuwbouw en grootschalige renovaties van gebouwen geldt:

    • Plan-technische situaties

      • 1.

        Projecten die niet voldoen aan de eisen van het omgevingsplan vallen binnen de reikwijdte van de beleidsregels Natuurinclusief bouwen en inrichten.

      • 2.

        Bij verkoop grond (tender)

    • Eigendomssituatie

      Projecten op eigen grond van de gemeente en projecten op particulier terrein.

    • Type gebouwen *

      • -

        Woongebouwen

      • -

        Maatschappelijk vastgoed

      • -

        Fabrieken

      • -

        Kantoren

      • -

        Sportcomplexen

      • -

        Agrarisch vastgoed

      • -

        Transformatorhuisjes

      • -

        Kunstwerken

      • -

        Duurzame energie opwek (zoals zonnevelden o.i.d.)

    • Geografie

      De verplichting voor Natuurinclusief bouwen en inrichten geldt voor de gehele gemeente Zuidplas

    • Nieuw en bestaand gebied

      De inrichting van nieuw gebied en reconstructies van bestaand gebied vallen onder de beleidsregels Natuurinclusief bouwen en inrichten.

    • De volgende type projecten vallen niet in de reikwijdte van het beleid

      • -

        Bouwprojecten waar geen vergunning voor nodig is, zoals een kleine aanbouw;

      • -

        Bouwprojecten die vallen binnen de eisen van het omgevingsplan;

      • -

        Niet-ingrijpende renovatieprojecten (<25% van de gebouwschil).

  • 3.

    Reconstructies van de openbare ruimte

    Dit toetsingskader geldt voor alle reconstructiewerken beheer openbare ruimte. Hierbij is het uitgangspunt dat het maximaal haalbare wordt gedaan binnen de financiële kaders (kostenneutraal) en de ruimtelijke kaders (fysieke inpasbaarheid).

    • Eigendomssituatie

      Projecten op eigen grond van de gemeente.

    • Geografie

      De verplichting voor Natuurinclusief bouwen en inrichten geldt voor de gehele gemeente Zuidplas.

3. Overzicht van ambassadeursoorten

 

3.1 Ambassadeursoorten

De ambassadeursoorten van een gemeente zijn soorten dieren die thuishoren in de gebouwde omgeving en het lokale landschap. Zij kunnen daar leven als de kwaliteit van dat landschap goed is. Ze zijn dus een goede graadmeter voor een gezonde staat van de biodiversiteit in de gemeente.

 

Als het leefgebied voor de ambassadeursoorten op orde is, kunnen er ook allerlei andere soorten planten en dieren leven. De ambassadeursoorten geven daarmee richting aan de keuzes die we als gemeente maken voor de inrichting van de omgeving en gebouwen. Zij zijn ambassadeurs voor alle soorten die gebruikmaken van eenzelfde leefomgeving.

 

3.2 De keuze van ambassadeursoorten

Om invulling te geven aan natuurinclusief bouwen, heeft de gemeente een aantal ambassadeursoorten gekozen. Deze ambassadeursoorten staan voor natuurtypen en maatregelen die de biodiversiteit in de gemeente Zuidplas versterken.

 

De keuze voor de ambassadeursoorten heeft de gemeente gemaakt aan de hand van onderstaande richtlijnen. Samen leidt dit tot een compacte en toch complete lijst met soorten die staan voor een basiskwaliteit natuur. En met lokaal-relevante soorten die staan voor de unieke kwaliteit van de lokale natuur.

 

Het is dus niet zo dat elke aparte ambassadeursoort aan elk van deze richtlijnen moet voldoen. De ambassadeursoorten zijn samen een vertegenwoordiger van de verschillende natuurtypen die we in de gemeente willen hebben.

 

Dit zijn de richtlijnen:

 

  • Een ambassadeursoort stelt eisen aan zijn omgeving voor bepaalde typen natuur;

  • Een ambassadeursoort heeft inrichtingseisen die uitgevoerd kunnen worden in een ruimtelijke opgave;

  • Een ambassadeursoort is een graadmeter voor de effectiviteit van inrichting en beheer;

  • Een ambassadeursoort geeft een streven aan en is haalbaar op korte of lange termijn;

  • Een ambassadeursoort is lokaal mogelijk aanwezig en is een beschermde soort voor wettelijke natuurbescherming;

  • Een ambassadeursoort spreekt aan bij het publiek of heeft een hoge ‘aaibaarheidsfactor’;

  • Een ambassadeursoort kan een provinciale of landelijke ambassadeursoort zijn;

  • Een ambassadeursoort is eerder benoemd als ambassadeursoort voor de gemeente.

3.3 Natuurdoeltypen voor de gemeente Zuidplas

Iedere ambassadeursoort staat voor een bepaald type natuur. Deze natuur moet in voldoende mate aanwezig zijn in de inrichting van de omgeving. Zo kan de soort er een goed leefgebied (habitat) vinden. Door natuurinclusief te bouwen, krijgen deze natuurtypen als groene inrichtingsmaatregelen een plek in het ontwerp.

 

Soms is deze natuur al aanwezig en is het belangrijk dat de natuur behouden blijft. En op andere locaties moet deze natuur toegevoegd worden aan het ontwerp van de gebouwen en omgeving.

 

Dit zijn de natuurtypen die voor Zuidplas relevant zijn:

 

  • Bomen en bosschages;

  • Struweel van heesters, hagen, vaste planten en mantelzomen;

  • Kruidenrijk en bloemrijk grasland, en zoomvegetatie;

  • Water en natuurvriendelijke oevers;

  • Gebouwen: groene tuinen, gevels en daken;

  • Landelijke omgeving

In bijlage VI vind je meer uitleg over deze natuurtypen.

 

Overige natuurtypen, zoals kort gemaaid gras (gazon), zijn door de relatief lage ecologische waarde en door al grote aanwezigheid geen natuurdoeltype. Deze maatregelen tellen daarom maar zeer beperkt mee voor natuurinclusieve punten in het puntensysteem.

 

3.4 Ambassadeursoorten voor natuurinclusief bouwen van Zuidplas

Per natuurdoeltype heeft de gemeente één of meerdere ambassadeursoorten gekozen. Zij zijn als diersoort ambassadeur voor bepaalde natuurinclusieve maatregelen en inrichtingsprincipes.

 

Bomen en bosschages

Struweel

Grasland

Water en oevers

Gebouwen

Landelijke omgeving

Bomenrijen, bosjes en solitaire bomen

Heesters, hagen, (vaste) planten en mantelzomen

Kruiden- en bloemrijke beplanting

Natuurvriendelijke oevers, rietkragen en poelen

Groene tuinen, gevels en daken

Verbinding tussen dorpen en buitengebied

Rosse vleermuis

Egel

Weidehommel

Kleine watersalamander

Gewone dwergvleermuis

Wezel

 

Merel

Huismus

Glassnijder

Boomblauwtje

Steenuil

 

Figuur 3 : Totaaloverzicht van ambassadeursoorten per natuurdoeltype.

 

Hierna vind je een uitleg over deze ambassadeursoorten per natuurdoeltype.

 

Bomen en bosschages

Water en natuurvriendelijke oevers

Rosse vleermuis

Ambassadeur van het behoud van (oude) bomen en voor verbindingen van bomenrijen

Informatie

 

Kleine watersalamander

Ambassadeur van een goede aansluiting tussen land en water met een geleidelijke overgang van vegetatierijke wateren naar toegankelijke oevers

Informatie

Merel

Ambassadeur van aanplant van bomen en struiken en gelaagdheid

Informatie

Glassnijder

Ambassadeur van ecologisch beheerde, natuurvriendelijke oevers en watergangen.

Informatie

 

Struweel van heesters, hagen, (vaste) planten en mantelzomen

Groene gebouwen: tuinen, gevels en daken

Egel

Ambassadeur voor goede grondverbindingen, hagen, struiken en beheer met een rijke strooisel laag

Informatie

Gewone dwergvleermuis

Ambassadeur voor een goede verbinding met bomenrijen tussen gebouwen en structuren in de wijdere omgeving.

Informatie

Huismus

Ambassadeur voor aanplant van struweel, zoals hagen en/ of groenblijvende struiksoorten

Informatie

Boomblauwtje

Ambassadeur van groene tuinen, gevels en daken

Informatie

 

Bloemrijk grasland en zoomvegetatie

Landelijke omgeving

Weidehommel

Ambassadeur van bloemrijk grasland, extensief maaibeheer en een brede bloeiboog van beplanting

Informatie

Wezel

Ambassadeur van aanplant of ruigtebeheer van zoomvegetatie

Informatie

Steenuil

Ambassadeur van nest- en verblijfsplaatsen in de landelijke omgeving.

Informatie

 

Figuur 4: Ambassadeursoorten per natuurdoeltype

 

4. Natuurinclusieve maatregelen

 

4.1 Toelichting nest- en verblijfplaatsen

Per 100 m2 bebouwd oppervlak (footprint) dien je te zorgen voor minimaal één nest- of verblijfplaats. Voor gebouwen hoger dan 15 meter zijn dit er minimaal twee per 100 m2 bebouwd oppervlak. Deze nest- of verblijfplaatsen dienen permanente voorzieningen te zijn. Dit betekent dat de voorziening niet te verwijderen mag zijn en een lange levensduur kent.

 

In figuur 5 staat een toelichting per nest- of verblijfplaats.

 

1. Nest- en verblijfplaatsen

De verblijfplaatsen en nestvoorzieningen moeten voldoen aan de eisen zoals gesteld voor permanente verblijfplaatsen in de Kennisdocumenten van BIJ12 voor de betreffende soorten, tenzij anders vermeld. Sommige typen tellen voor meerdere verblijfplaatsen mee zoals beschreven in de beschrijving. In principe moeten nest en verblijfplaatsen (behalve voor insecten bij 1.8) ingebouwd worden in de muur. Losse kasten tellen alleen mee als wordt onderbouwd waarom er geen alternatief mogelijk is. Op de website www.natuurinclusiefontwikkelen.nl zijn ontwerprichtlijnen per soort en meer informatie over de habitat te vinden.

 

1.1 Nestvoorziening/broedplaatsen voor de huismus

Tel het aantal broedplaatsen. Realiseer er minimaal 5, ook in kleine projecten. Een standaard ingebouwde nestkast of neststeen telt als 1 plek. Tel 1 plek per 50cm breedte van een toegankelijke dakgoot. Onder een toegankelijke dakgoot verstaan we het verplaatsen van het vogelschroot onder de dakpannen, zo dat de eerste twee panlatten dienen als broedlocatie voor huismussen. Kies geen dakpannen voor mussen i.v.m. risico op oververhitting. Nestkasten die los op de muur worden geplaatst tellen niet, behalve bij galerijen van minimaal 2 meter breed.

 

1.2 Nestvoorziening/broedplaatsen voor de gierzwaluw

Tel het aantal broedplaatsen. Een standaard nestkast of neststeen telt als 1 plek.

 

1.3 Nestvoorzieningen en broedplaatsen voor de steenuil

Bij voorkeur een steenuilkast in een boom met uitloopmogelijkheid, minimaal 2 m aan plank of takken, op 2 tot 5 m hoogte. Plaatsing aan de gevel op minimaal 4 meter hoogte en niet in de volle zon, met voldoende uitloopmogelijkheid. In een gebouw plaatsen met de ingang naar de open zijde en in de buurt van een vrije opening in het gebouw, op ongeveer 4 m hoogte.

 

1.4 Broedplaatsen voor andere gebouw-bewonende vogels

Alleen soorten die volgens een ecologisch deskundige passen bij de planlocatie en het omliggende gebied kunnen gekozen worden. Tel het aantal broedplaatsen, bijvoorbeeld het aantal neststenen voor holenbroeders en dakbroeders, zoals de zwarte roodstaart, spreeuw etc.

 

1.5 Zomer- en paarverblijven voor de gewone dwergvleermuis

Maak spouwmuren en/of de ruimte achter gevelbetimmering toegankelijk en geschikt voor vleermuizen. Een oppervlak van 0,1 m2 ruimte geldt als 1 plek. Bij voorkeur geen ingebouwde vleermuiskasten, liever open spouwmuren. Zijn vleermuiskasten de enige optie? Dan telt een standaard zomerverblijf, zoals een inbouwkast met twee lagen, als 1 plek. Losse kasten op de gevel tellen niet.

 

1.6 Kraamverblijven voor de gewone dwergvleermuis

Vanaf middelgrote bouwprojecten kraamverblijven bij voorkeur altijd meenemen wanneer de vleermuizen als ambassadeur zijn gekozen. Maak spouwmuren en de ruimte achter gevelbetimmering toegankelijk en geschikt voor vleermuizen. Een oppervlak van 0,1 m2 ruimte geldt als 1 plek. Voor kraamverblijven moet het oppervlak minimaal 1m2 zijn, dus 10 verblijfplaatsen. Bij voorkeur geen inbouw- of losse kraamkasten. Wanneer dit de enige optie is, dan een standaard kraamverblijf tellen als 2 plekken per laag.

 

1.7 Massawinterverblijven voor de gewone dwergvleermuis

Bij voorkeur winterverblijven altijd meenemen in hoogbouw. Maak kelders, spouwmuren en/of de ruimte achter gevelbetimmering toegankelijk en geschikt voor vleermuizen. Voor winterverblijven moet het oppervlak minimaal 1 m2 zijn. Een oppervlak van 0,1 m2 ruimte geldt als 1 plek.

 

1.8 Verblijven voor andere gebouw-bewonende vleermuizen, zoals de laatvlieger en meervleermuis

Maak spouwmuren en/of de ruimte achter gevelbetimmering toegankelijk en geschikt voor andere soorten vleermuizen. Er kan met 1 plek per 50 cm2 oppervlak gerekend worden. Bij voorkeur geen inbouwkasten, liever ruimte in de spouw of achter gevelbetimmering. Dan telt een standaard zomerverblijf voor de specifieke soort, zoals een inbouwkast met twee lagen, als 1 plek. Losse kasten op de gevel tellen niet. Voor vleermuissoorten waarvoor geen kennisdocument voorhanden is, tellen enkel voorzieningen uitgevoerd volgens aanwijzing van een ecologisch deskundige mee.

 

1.9 Ingebouwde insectenstenen, grote insectenhotels, zandhopen, steilwanden voor bijen en/of dood hout

Meer natuurlijke maatregelen zoals zandhopen, dood hout of steilwanden voor bijen hebben de voorkeur. Voor een houtstapel, boomstam en/of zandhoop en bijenburcht geldt: minimaal 1 m2 horizontaal oppervlak; tel hierbij 2 verblijven per m2 oppervlak. Een ingebouwde insectensteen geldt 1 verblijfplaats. Voor een insectenhotel en/of steilwand geldt dat deze minimaal 1 m2 verticaal oppervlak moeten hebben, waarmee per m2 2 verblijven mogen worden gerekend. Realiseer de verblijfplaatsen voor insecten op maximaal 2 meter hoogte vanaf maaiveld of de daktuin en bij inheemse beplanting. Voor een houtstapel, boomstam en/of zandhoop en bijenburcht geldt: minimaal 1 m2 horizontaal oppervlak; tel hierbij 2 verblijven per m2 oppervlak.

 

1.10 Overige verblijfplaatsen voor andere soorten

Voor soorten die niet benoemd zijn in dit overzicht of als ambassadeur: Overleg met de gemeente welke maatregelen je kunt toepassen. Alleen met de gemeente afgesproken voorzieningen tellen mee.

 

 

Figuur 5: Toelichting op puntentelling voor nest- en verblijfplekken

 

4.2 Overzicht natuurinclusieve maatregelen

Om te zorgen voor een robuuste en gezonde leefomgeving voor mens en dier is (bio)diversiteit belangrijk. Dat vraagt om een inrichting van onze leefomgeving met verschillende typen natuur met bomen, heesters, planten, bloemrijk grasland, water, etc. Hiervoor is een lijst met natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen opgesteld.

 

Alle inrichtingsmaatregelen leveren een aantal punten op. Dit puntenaantal past bij de ecologische waarde en wenselijkheid van de maatregel. Punten worden toegekend per 100 m2 of een deel of veelvoud hiervan. Het toepassen van een maatregel van 6 punten levert dus bij 150 m2 van die maatregel 9 punten op en bij 25 m2 is dat 1,5 punt. In figuur 6 staan de omschrijvingen en punten per maatregel.

 

Let op: Houd bij de keuze van de maatregelen en inrichting van de openbare ruimte ook altijd rekening met de inrichtingseisen zoals opgenomen in het DIOR.

 

2. Kruidenrijk en bloemrijk grasland en lage vegetatie

2.1 Bloem- en kruidenrijk grasland en zoomvegetatie

Kies er bij voorkeur voor om spontaan kruidenrijk grasland te laten ontstaan wanneer er bloemrijk grasland met lokale, gewenste soorten in de buurt aanwezig zijn. Zaai anders een inheemse soortenmix in volle grond (niet in pot of bak) en zorg voor ecologisch beheer. Zaai op arme grond grassen met eenjarige kruidachtige soorten en overblijvende bloeiende vegetatie gericht op bijen en vlinders.

 

6

2.2 Vaste planten

Nectar- en stuifmeel-leverende vaste planten. Planten die worden gekozen moeten staan op de gemeentelijke plantenlijst. Bij voorkeur biologische planten. In de openbare ruimte enkel van toepassing op de vaste planten routes.

 

3

 

3. Struweel: Heesters/struiken, heggen en hagen

3.1 Heesters van 1 soort

Bij voorkeur een inheemse soort, en bij voorkeur clusters van 15 m2 of meer, met een goede groeiplaats onder en boven de grond. Houd rekening met hoe groot een heester kan worden zonder beheer, zodat deze extensief beheerd kan worden.

 

8

3.2 Heesters in meerdere soorten

Cluster van drie of meer inheemse soorten, anders telt bovenstaande maatregel (3.1), met een goede groeiplaats onder en boven de grond. Houd rekening met hoe groot een heester kan worden zonder beheer, zodat deze extensief beheerd kan worden. Houd ook rekening dat geclusterde soorten binnen dezelfde periode onderhouden worden (voorjaar of najaar snoei). Indien mogelijk kan gekozen worden voor een combinatie met bomen en dan geldt maatregel 3.5 in combinatie met de juiste bomen in sectie 4.

 

12

3.3 Heggen en hagen van 1 soort of een groene erfafscheiding

Bij voorkeur een inheemse soort. Minimaal 150 cm hoog bij aanplant. Ook een groene tuinafscheiding of een takkenril levert punten op. Reken met 50 cm breedte om het oppervlak in vierkante meters te berekenen.

 

8

3.4 Heggen en hagen meerdere soorten

Drie of meer (bij voorkeur) inheemse soorten, mits deze wel voldoen aan hetzelfde snoeibeleid en onderhouden worden in dezelfde periode (voorjaar of najaar snoei). Minimaal 150 cm hoog bij aanplant. Reken met 50 cm breedte om het oppervlak in vierkante meters te berekenen.

 

10

3.5 Struiklaag als onderbegroeiing van bomen

Wanneer boomkronen over struiken groeien, mogen beide lagen meegenomen worden in de puntenberekening. Let op: deze maatregel telt niet mee voor het aantal vierkante meters groen, wel voor het aantal punten. Als het oppervlak aan struiken in het specifieke gebied groter is dan het gerekende boomkroonvolume kan het resterende deel meegenomen worden in maatregel 3.2.

 

8

 

4. Bomen

4.1 Behoud van bomen: 1e grootte

Bomen van minimaal 12 meter hoog tellen mee. Er wordt voor de punten gerekend met 35 m2 per behouden boom.

 

15

4.2 Aanplant van extra bomen: 1e grootte

Tel alleen bomen die minimaal 12 meter hoog kunnen worden. Bij aanplant moet er een stamomtrek van minimaal 20 cm zijn en er moet een voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds zijn. Voor de puntenberekening wordt gerekend met 35 m2 per nieuw aangeplante boom. Dit geldt voor aanplant van extra bomen in het plangebied naast de bestaande bomen en niet voor kap en herplaatsen van een nieuwe boom.

 

12

4.3 Behoud van bomen, 2e grootte

Bomen van minimaal 8 meter hoog tellen mee. Er wordt voor de puntentelling gerekend met 20 m2 per behouden boom.

 

15

4.4 Aanplant van extra bomen: 2e grootte

Tel alleen bomen die minimaal 8 meter tot 12 meter hoog worden. De stamomtrek bij aanplant moet minimaal 18 cm zijn en er moet een voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds zijn. Voor de puntenberekening wordt gerekend met 20 m2 per nieuw aangeplante boom. Dit geldt voor aanplant van extra bomen in het plangebied naast de bestaande bomen en niet voor kap en herplaatsen van een nieuwe boom.

 

12

4.5 Behoud van bomen, 3e grootte

Tel alle bomen tot 6 meter hoog. Voor de puntenberekening wordt gerekend met 15 m2 per behouden boom.

 

15

4.6 Aanplant van extra bomen: 3e grootte

Tel bomen die tot 6 meter hoog worden na 30-40 jaar. Er moet een voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds zijn. Voor de puntenberekening wordt gerekend met 15 m2 per nieuw aangeplante boom. Dit geldt voor aanplant van extra bomen in het plangebied naast de bestaande bomen en niet voor kap en herplaatsen van een nieuwe boom.

 

12

 

5. Natuurvriendelijke oevers, poelen, wadi’s en muurplanten

5.1 Ecologische wadi

Wadi met een ecologische inrichting (natuurlijke vegetatie, zoals vochtig grasland of struweel, en bijvoorbeeld blokken dood hout) en ecologisch beheer.

 

8

5.2 Amfibieënpoel

Niet verbonden, visvrije waterpartij met een diepte van maximaal 1 meter onder de laagste grondwaterstand. Minimaal 50% van de oever heeft veel zon en een flauw talud, flauwer of gelijk aan een hellingshoek van 1:3, en ingericht als plasdras-gebied. Bij voorkeur heeft een poel minimaal een diameter van 10 meter om 'verlanding' te voorkomen. Een natuurvriendelijke oever kan bij maatregel 5.3 worden meegenomen.

 

12

5.3 Natuurvriendelijke oevers

Open water voorzien van natuurvriendelijke oevers met talud 1:3 of flauwer. De natuurvriendelijke oever dient te voldoen aan de eisen van het hoogheemraadschap. Alleen het gedeelte tot 30 cm diepte telt mee. Vul het aantal vierkante meters dat hieraan voldoet in bij de selectie voor het plangebied.

 

12

5.4 Overige natuurinclusieve watermaatregelen

Denk aan maatregelen als drijvende oevers, onderwaterriffen of zogenaamde vissenbossen. Als op basis van onderzoek er een bewezen positief effect is voor het (inheemse) onderwaterleven kunnen ze worden toegepast. Zonder bewezen effect kan in overleg met de gemeente de maatregel worden toegepast mits er wordt bijgedragen aan onderzoek naar de effectiviteit.

 

8

5.5 Muurplanten in (kade)muur

Muurplanten hebben geschikt gesteente nodig dat water kan vasthouden met voldoende structuur/reliëf om zich aan te hechten. Dit stimuleert spontane vegetatie. Aanplanten is niet gewenst, eventueel wel het verplaatsen van muurvegetatie die anders verloren gaat. Bij voorkeur wordt minimaal een lengte van minimaal 15 meter geschikte muur gerealiseerd. Reken met 0.5m2 plangebied per strekkende meter. Bij renovatie van gebouwen rekening houden met aanwezige muurbeplanting.

 

8

 

6. Geveltuin en particuliere tuinen

6.1 Groene, grondgebonden gevel met klimplanten

Berekening van het aantal vierkante meters: de lengte (op maaiveld; niet de hoogte) van het gedeelte van de gevel met klimplanten x 50cm breedte. Gevelbeplanting moet bestaan uit zelfhechtende klimplanten of klimplanten met een steunconstructie en voldoende ruimte om tot minimaal 3 meter door te kunnen groeien. Bij voorkeur een selectie van in Nederland en Europa van nature voorkomende soorten.

 

12

6.2 Particuliere tuinen en geveltuinen met alleen grond opgeleverd

Alleen de vierkante meters met grond tellen mee. Bij gebruik van tuinaarde dient dit turfvrij te zijn. Tuinen met schuttingen zonder doorgangen voor grondgebonden soorten zoals de egel tellen niet. Tuinen opgeleverd met (bouw)zand tellen ook niet.

 

2

 

7. Groendaken en water op daken

7.1 Groen dak (5 - 7 cm substraatlaag) met sedumplanten

Substraatlaag van minimaal 5 cm, pakketdikte minimaal 10cm. Minimaal begroeid met sedum.

 

2

7.2 Natuurdak (substraatlaag van minimaal 7 cm) met sedum, grassen en kruiden

Substraatlaag van minimaal 7 cm. Beplanting van sedum, grassen en kruiden. Wanneer zowel de substraatlaag en beplanting met in ieder geval kruiden of grassen wordt gerealiseerd, worden de punten toegekend.

 

4

7.3 Natuurdak (substraatlaag van minimaal 15cm) met grassen, kruiden en lage beplanting

Substraatlaag van minimaal 15 cm. Beplanting van lage planten en struiken, grassen en kruiden. Geen sedumplanten. Wanneer zowel de substraatlaag en beplanting wordt gerealiseerd, worden de punten toegekend.

 

6

7.4 Intensief groen dak (substraatlaag van minimaal 30cm) met grassen, kruiden en heesters

Substraatlaag van minimaal 30 cm. Beplanting van (dwerg)heesters, grassen en kruiden. Wanneer zowel de substraatlaag en beplanting wordt gerealiseerd, worden de punten toegekend.

 

8

7.5 Intensief (substraatlaag van minimaal 50cm) groen dak met struiken, grassen, kruiden en/of bomen

Substraatlaag van minimaal 50 cm en voldoende ruimte als groeiplaats voor struiken en bomen. Wanneer zowel de substraatlaag en de struiken en/of bomen worden gerealiseerd, worden de punten toegekend.

 

10

7.6 Bruin dak

Een dak met een laag van minimaal 7 cm bestaande uit lokale grond, stenen, zand en houtblokken.

 

6

7.7 Schelpen dak

Een dak met een laag van minimaal 7cm bestaande uit schelpen.

 

2

7.8 Natuurlijk waterdak met open water en waterplanten

Minimaal 5 m2 oppervlak, voldoende draagkracht van het dak.

 

8

 

8. Gazon en onverharde paden

8.1 Gazon

Grasvelden zonder ecologisch beheer. Kunstgras telt niet mee.

 

1

8.2 Onverharde paden

Onverharde paden van bijvoorbeeld, houtsnippers, grind en zand.

 

2

 

9. Overig groen en blauw in het plangebied

9.1 Braakliggend terrein en kale grond

Zorg voor een gezonde bodem met goede grond. Hierop kan lokale vegetatie spontaan opkomen. Ga vervolgens over op ecologisch beheer of laat het gebied met rust. Deze grond is ook tijdens het bouwproces vrij van werkzaamheden.

 

2

 

9.2 Overige maatregelen

Overleg met de gemeente welke overige maatregelen toegestaan zijn en of hieraan eventueel punten kunnen worden toegekend.

 

n.t.b.

 

Figuur 6: Overzicht van natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen en punten

 

5. Het toetsingsformulier

 

Het toetsingsformulier is ontwikkeld om het aanleveren van natuurinclusieve ontwikkelplannen zo gemakkelijk en gestructureerd mogelijk te maken.

 

Het is zo gemaakt dat het jou ondersteunt om passende keuzes voor maatregelen en ambassadeursoorten te maken, die samen meerwaarde bieden en voor biodiversiteit zorgen. Hieronder lees je stap voor stap hoe je het toetsingsformulier invult.

 

Stap 1

Lees de pagina met de introductie en doelstellingen. Start vervolgens met het invullen van het formulier op het tabblad ‘Projectinformatie’. Begin bovenaan de pagina en vul de algemene projectinformatie in.

 

 

Stap 2

Onder het kopje ‘Kwalitatieve doelen’ vind je een aantal vragen die je kunnen helpen om deze doelen in te vullen. In de gele velden vul je de kwalitatieve doelen van het project in (waarmee de vragen worden overschreven).

 

 

Stap 3

Wanneer je de grootte van het plangebied, de grootte van het bebouwd oppervlak (footprint) en het projecttype op de pagina 'Projectoverzicht' invult, volgen daaruit automatisch de kwantitatieve doelstellingen voor het project. Deze staan in de tabel eronder. Naast het doel staat een rood kruis zolang het doel niet behaald is. Dit verandert in een groen vinkje wanneer het doel behaald wordt met de gekozen maatregelen.

 

 

Stap 4

In het overzicht van de kwantitatieve doelstellingen uit stap 3 staat het verplichte aantal ambassadeursoorten. In de tabel eronder kun je deze selecteren. Wanneer voor deze soort alle benodigde maatregelen voor het leefgebied zijn toegevoegd aan het plan (zie stap 7), dan verschijnt er een groen vinkje naast de soortnaam.

 

 

Stap 5

Beantwoord of aan de verschillende randvoorwaarden wordt voldaan.

 

 

Stap 6

Vul op de volgende twee tabbladen (‘Nest- en verblijfplaatsen’ en ‘Inrichtingsmaatregelen’) per maatregel in hoeveel stuks en vierkante meters zullen worden gerealiseerd of behouden in het plangebied.

 

 

Stap 7

Checklist voor de leefgebieden van ambassadeursoorten

 

Met het invullen van het formulier wordt direct getoetst of de verschillende natuurinclusieve maatregelen die nodig zijn voor de gekozen ambassadeursoorten compleet zijn. Vul de antwoorden op de vragen bij de gele cellen in en controleer of aan de voorwaarden van de leefomgeving van de gekozen ambassadeursoorten wordt voldaan.

 

 

6. Bijlagen

 

Bijlage I Samenhang met ander beleid & wet- en regelgeving

 

Bijlage II Aandachtspunten bij de doelstellingen

 

Bijlage III Vragenlijst voor locatie-analyse

 

Bijlage IV Stappenplan projectontwikkeling

 

Bijlage V Stappenplan gebiedsontwikkeling

 

Bijlage VI Toelichting natuurdoeltypen

 

Bijlage VII Kosten en baten van natuurinclusief bouwen

 

Bijlage I Samenhang met ander beleid & wet- en regelgeving

 

Relatie met bestaand beleid van Gemeente Zuidplas

 

Omgevingsvisie 2040 (A21.000929) De omgevingsvisie van Zuidplas 2040 benoemt de opgave als volgt: “In Zuidplas staat gezond en veilig leven in een aantrekkelijke leefomgeving midden in een sterke natuur centraal, zonder de dier- en plantensoorten te beschadigen of natuurlijke hulpbronnen op te maken. We vinden het daarom van belang dat bij ontwikkelingen en transities ruim aandacht wordt besteed aan biodiversiteit met een aansluiting op de bedreigde plant- en diersoorten.”

 

Nota Omgevingskwaliteit 2023 (A23.000147) In februari 2023 is de Nota omgevingskwaliteit Zuidplas vastgesteld. Hierin staat de basis van ons ruimtelijk kwaliteitsbeleid beschreven. Met het vaststellen van de Nota Omgevingskwaliteit 2023 heeft de raad bepaald dat bij alle ruimtelijke ontwikkelingen “het behouden en zo mogelijk vergroten van de biodiversiteit door middel van natuurinclusief bouwen en ontwerpen van de buitenruimte” wordt meegenomen in de plan- en realisatiefase. Expliciet staat benoemd dat het hierbij gaat om nieuwbouw en grootschalige renovaties en niet om kleinere (ver)bouwplannen bij bestaande gebouwen.

 

Collegeprogramma 2022-2026 (A22.001778) Ook het collegeprogramma ‘Ruimte voor iedereen’ benoemt biodiversiteit als een van de duurzame opgaven in Zuidplas. De doelstelling is opgenomen dat de gemeente de biodiversiteit verder wil versterken.

 

Programma Duurzaamheid 2024 – 2026 (A24.000207) In februari 2024 is het Programmaplan duurzaamheid 2024-2026 vastgesteld. Hierin staan de doelen en inspanningen die bijdragen aan de ambitie van de gemeente om de biodiversiteit te versterken. Het doel is om in 2030 een versterking te zien van de biodiversiteit ten opzichte van de nulmeting uitgevoerd in 2024. Een van de inspanningen die hieraan bijdragen is dat natuurinclusief ontwerpen onderdeel gaat uitmaken van alle ontwikkelingen in de eigen gemeente.

 

Provinciale verordening

 

Omgevingsverordening provincie Zuid-Holland De provincie is onder andere verantwoordelijk voor soortbescherming en het behouden of herstellen van de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. In maart 2023 hebben Provinciale Staten een herziening van het Omgevingsbeleid vastgesteld. Deze herziening bevat o.a. de instructieregel dat ‘biodiversiteit betrokken moet worden bij stedelijke ontwikkelingen’.

 

Ook de Module Wonen, Werken & Werelderfgoed bevat een aanpassing van de Beleidskeuze Toekomstbestendig Bouwen. Hierin staat dat een ruimtelijke opgave moet uitgaan van natuurinclusief bouwen om daarmee de biodiversiteit en variatie aan biotopen te behouden en te versterken. Met deze regels geeft de provincie de instructie aan gemeenten om biodiversiteit en natuurinclusief bouwen een plek te geven in alle ruimtelijke (woning)bouwopgaven.

 

Landelijke en Europese wetgeving

 

De Omgevingswet en natuurbescherming In de basis van de Omgevingswet (artikel 1.7. ‘Activiteit met nadelige gevolgen’) staat samengevat het volgende:

 

  • Weet je of kun je vermoeden dat jouw activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leegomgeving?

  • Dan ben je verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van jou gevraagd kunnen worden, om die nadelige gevolgen te voorkomen. Of om die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of om ze ongedaan te maken. Of om die activiteit achterwege te laten, als dat redelijkerwijs van jou gevraagd kan worden.

Bij bouwwerkzaamheden is er inderdaad een kans dat beschermde dieren of planten worden geschaad of gestoord. Zulke werkzaamheden worden in de Omgevingswet een ‘flora- en fauna-activiteit’ genoemd: een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten.

 

Dat schaden of verstoren is verboden. Wil je een flora- en fauna-activiteit verrichten? Dan moet je eerst controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. Zijn er inderdaad aanwijzingen dat er beschermde soorten of habitats aanwezig zijn? Dan ben je verplicht om na te gaan of je nadelige gevolgen voor die dieren of planten kunt uitsluiten.

 

Bij de diersoorten gaat het dan óók om hun nesten en eieren, foerageerplaatsen (plekken waar ze voedsel vinden), voortplantingsplaatsen en rustplaatsen. Je moet aan de hand van objectieve gegevens uitsluiten of er nadelige gevolgen zijn. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten? Dan moet je alle passende preventieve maatregelen nemen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen.

 

Instructieregel Rijk in de Omgevingswet In de Omgevingswet staat een algemene instructieregel (artikel 2.31a) voor flora en fauna. Deze regel stelt het behoud of herstel van de staat van instandhouding van diersoorten, plantensoorten, biotopen en habitats verplicht als doelstelling voor de fysieke leefomgeving. Het doel: de bescherming, het herstel en de ontwikkeling van natuur en landschap, en voldoen aan internationaalrechtelijke verplichtingen.

 

Vergeet de wettelijke verplichtingen voor natuurbescherming en de realisatie van faunaverblijven niet mee te nemen in de projectplannen.

 

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Ruimtelijke Adaptatie Strategie De Nationale Omgevingsvisie geeft een perspectief op een klimaatbestendige omgeving in 2050. Volgens de visie hebben we onze gebouwde omgeving in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Dat betekent dat het land over 30 jaar is beschermd tegen de gevolgen van klimaatverandering. Zoals hitte, een hogere zeespiegel, nattere winters, hevige piekbuien en droge zomers.

 

Europese Natuurherstelverordening De EU-herstelwet verplicht om de habitat te herstellen en te zorgen voor voldoende groenoppervlak en boomkroonbedekking. Dat geldt óók voor stedelijk gebied. Artikel 8 van de wet gaat namelijk over herstel van stedelijke ecosystemen.

 

In dat artikel staan de volgende twee hoofddoelen voor steden:

  • 1.

    De lidstaten zorgen ervoor dat er voor eind 2030 geen nettoverlies is in de totale nationale oppervlakte stedelijke groene ruimte en stedelijke boomkroonbedekking in stedelijke ecosysteemgebieden ten opzichte van 2024.

  • 2.

    De lidstaten realiseren vanaf 2031 een toenemende trend in de totale nationale oppervlakte stedelijke groene ruimte, onder meer door de integratie van stedelijke groene ruimte in gebouwen en infrastructuur.

  • 3.

    De lidstaten realiseren in elk stedelijk ecosysteemgebied een toenemende trend in de stedelijke boomkroonbedekking.

Bijlage II Aandachtspunten bij de doelstellingen

 

Doelstelling 1: Behoud en bescherming van bestaande natuur

 

Behoud van waardevolle natuur in het gebied

Bomen en struiken die al een tijd hebben kunnen groeien en plekken of lijnstructuren waar soorten al langer gebruik van maken, zijn bijna altijd ecologisch waardevoller dan nieuw aangelegde natuur. Ze zijn doorgaans groter, robuuster en goed geworteld. En ze bevatten gaten en kieren waar dieren in kunnen broeden en verblijven. Ook zijn ze vaak meer divers en lokaal relevanter, omdat soorten die er goed gedijen er hun plek hebben kunnen vinden en behouden.

 

Daarom worden in de puntentoekenning van dit beleidskader er meer punten toegekend aan het behouden van ecologisch waardevolle natuur als voor nieuwe aanplant. Behoud wordt dus beloond. Het kan ook nog eens kosten besparen, omdat je niets nieuws hoeft aan te planten.

 

Verstoring van de bodem voorkomen

Ook de bodem verdient aandacht. Het zo goed mogelijk behouden van een gezonde bodem en deze zo min mogelijk verstoren in het bouwproces zorgt voor een goede basis. Tijdens én direct na realisatie van een project, in plaats van pas na vele jaren.

 

Voorkom je verstoring tijdens het bouwproces (inclusief bouwrijp maken)? Dan wordt dit beloond met punten.

 

Beschermde soorten

Op een planlocatie zijn er vaak diersoorten (of beschermde planten) die al voor de ontwikkeling gebruikmaakten van het gebied. En die via wettelijke verplichtingen voor natuurbescherming een beschermde status hebben. Voor deze soorten moet er tijdens en na de ontwikkeling van het gebied continu voldoende leefgebied van goede kwaliteit zijn.

 

Doelstelling 2: Groenstructuren binnen het plangebied en verbinding met de omgeving

 

Bestaande hoofdgroenstructuur

De hoofdgroenstructuur van de gemeente bestaat uit de huidige ecologische hoofdstructuurlijnen en kerngebieden binnen de gebouwde omgeving.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet de huidige groenstructuur (zo veel mogelijk) beschermd worden. Wanneer dit niet mogelijk is, is voldoende compensatie verplicht.

 

Fijnmazige groenstructuur

Naast de hoofstructuur zijn ook vele fijnmazige verbindingen tussen gebieden en hoofdstructuren heel waardevol. We noemen dat ook wel de nevengroenstructuur en leefomgevingsgroen. Het zorgt ervoor dat allerlei soorten zich gemakkelijk kunnen verplaatsen. Maar het betekent ook dat veel woningen dichtbij groene routes liggen, wat goed is voor de gezondheid van mensen. Deze fijnmazige structuur kan gerealiseerd of behouden worden bij een (her)inrichting of gebiedsontwikkeling.

 

Doelstelling 3: Voldoende ruimte voor diverse natuurtypen

 

Voldoende ruimte voor natuur

Volgens de richtlijn in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen moet op buurtniveau minimaal 30% groen komen. Dit is een richtinggevende doelstelling voor natuurinclusief bouwen en inrichten. Hierbij telt het boomkroonoppervlak mee. Dit geeft daarmee richting aan de hoeveelheid groen die je moet realiseren in het plangebied. Het oppervlak wordt berekend door het invullen van vierkante meters in de tabel met natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen.

 

Het is belangrijk dat je hiermee al vroeg in het ontwerpproces (in het structuurontwerp en schetsontwerp) rekening houdt. Op die manier wordt er voldoende ruimte voor natuur gereserveerd. Zo voldoe je aan de richtlijn. Daarnaast voorkom je dat er op een te laat moment nog grote aanpassingen in het ontwerp nodig zijn om te voldoen aan de beleidsregels uit het omgevingsplan.

 

Doelstelling 4: Ecologische kwaliteit: habitatrealisatie en basiskwaliteit natuur

 

Habitatrealisatie voor ambassadeursoorten

Ambassadeursoorten vertegenwoordigen een leefomgeving die geschikt is voor de ambassadeursoort én voor een breed palet aan soorten die gebaat zijn bij een soortgelijke omgeving. Ze staan voor maatregelen die wenselijk zijn voor deze hele groep en vormen als soort het ‘icoon’ of de ‘gids’ om dit te verbeelden.

 

De gemeente Zuidplas heeft een aantal ambassadeursoorten met een bijbehorend natuurdoeltype en natuurinclusieve inrichting vastgesteld. Deze natuurdoeltypen en bijbehorende ambassadeursoorten vind je in hoofdstuk 3. Het is belangrijk dat al deze natuurdoeltypen in voldoende mate aanwezig zijn in de gemeente. Bij iedere gebiedsontwikkeling moeten daarom alle bij het lokale bodem- en watersysteem passende natuurinclusieve maatregelen worden toegevoegd. Bij kleinere ruimtelijke opgaven is dit meestal een deel van de natuurtypen en soorten.

 

Aandachtspunten en selectie van maatregelen

De natuurinclusieve maatregelen waaruit je kunt kiezen in het toetsingskader voor natuurinclusief bouwen en inrichten zijn geselecteerd vanuit deze vier doelstellingen met de bijbehorende aandachtspunten. Deze lijst vind je in hoofdstuk 4.

 

Bijlage III Vragenlijst voor locatie-analyse

 

Hier volgt een (niet-uitputtend) overzicht van vragen per doelstelling die beantwoord kunnen worden tijdens de locatie-analyse:

 

  • 1.

    Behoud en bescherming:

    • a.

      Zijn er plekken aangeduid als ecologisch waardevolle natuur die behouden moeten blijven? Maak hiervoor gebruik van de informatie uit o.a. de groenstructuurvisie, bomenlijsten en de biodiversiteit nulmeting.

    • b.

      Zijn er beschermde soorten aangetroffen (of benoemd vanuit een soortmanagementplan) waarvoor een habitat in stand gehouden moet worden?

  • 2.

    Groenstructuren:

    • a.

      Zijn er bestaande groenstructuren aangeduid in het plangebied? (Groenstructuurvisie)

    • b.

      Zijn er gewenste groenstructuren aangeduid in het plangebied? (Groenstructuurvisie)

    • c.

      Zijn er barrières die moeten worden opgelost in het gebied?

  • 3.

    Voldoende natuur:

    • a.

      Bepaal hoeveel natuur er aanwezig is en gerealiseerd moet worden. Het is daarbij wenselijk om een zo groot mogelijk aandeel van deze natuur te realiseren op maaiveld en bij voorkeur in de openbare ruimte. Natuur op maaiveld is vaak goedkoper in aanleg en onderhoud dan groene daken.

    • b.

      Openbaar toegankelijke natuur heeft meer voordelen dan private natuur, doordat meer mensen er gebruik van kunnen maken.

  • 4.

    Realisatie van leefgebied voor soorten:

    • a.

      Bepaal welke natuurtypen passen bij de planlocatie.

    • b.

      Bepaal welke ambassadeursoorten passen bij de planlocatie.

  • 5.

    Natuur als oplossing:

    • a.

      Onderzoek welke aanvullende uitdagingen er spelen waar de natuur in de ontwikkeling een positieve bijdrage aan kan leveren. Bepaal wat dit betekent voor de natuurinclusieve maatregelen die gekozen moeten worden. Als voorbeeld: er is veel hittestress in de wijk. Het toevoegen van schaduwgevende beplanting levert daarom meerwaarde op.

Bijlage IV Stappenplan projectontwikkeling

 

Met dit toetsingskader en het bijbehorende puntensysteem kun je in een aantal stappen voldoen aan de verplichting voor natuurinclusief bouwen en inrichten.

 

Stap 1. Bepaal de doelstellingen voor het project

 

1a. Bepaal aan de hand van de locatie de kwalitatieve doelstellingen

Bekijk of er al natuur aanwezig is die je wilt of moet behouden. Bekijk ook of er belangrijke groenstructuren in het plangebied liggen. En of er nog uitdagingen zijn waar de natuur een oplossing voor kan zijn. Bepaal zo wat je met dit project wilt behalen als kwalitatieve doelstellingen.

 

Goed om te weten: in het toetsingsformulier (zie hoofdstuk 5) vind je een aantal vragen die je helpen om deze doelen in te vullen.

 

1b. Bepaal aan de hand van de grootte van het plangebied de kwantitatieve doelstellingen

Als eerste stap bepaal je de projectcategorie op basis van het plangebied en de bouwhoogte. Daarna stel je op basis van het type project het minimale aantal ambassadeursoorten en te behalen punten voor natuurinclusief bouwen en inrichten vast.

 

Ook hierbij helpt het toetsingsformulier (zie hoofdstuk 5). Wanneer je de grootte van het plangebied en bebouwd oppervlak invult, volgen daaruit automatisch de kwantitatieve doelstellingen voor het project.

 

De gemeente wil voor ieder project een evenredige verplichting voor natuurinclusief bouwen vragen. Hierbij is de oppervlakte van het plangebied bepalend voor de doelstellingen voor een natuurinclusieve inrichting.

 

Stap 2. Onderzoek de locatie

Als tweede stap moet bij grote projecten (zie tabel 1) een ecologisch expert de locatie onderzoeken. Dat kan aan de hand van verschillende vragen die te maken hebben met de vier doelstellingen voor biodiversiteit bij ruimtelijke ontwikkelingen.

 

In bijlage III vind je een vragenlijst die gebruikt kan worden bij deze locatie-analyse.

 

Stap 3. Zorg voor de nest- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende diersoorten

Voor iedere 100m2 bebouwd oppervlak moet één nest- of verblijfplaatsen worden gerealiseerd voor gebouwbewonende diersoorten. Bij hoogbouw (>15m) zijn dit twee nest- of verblijfplaatsen per 100m2 bebouwd oppervlak.

 

Bij kleine projecten (tot 500 m2 plangebied) doe je dit voor minimaal één soort. Bij middelgrote projecten (500 - 2.000 m2) doe je dit voor minimaal twee diersoorten. En bij grote projecten (>2.000 m2) voor minimaal drie verschillende soorten

 

Stap 4. Bepaal de ambassadeursoorten en maak plek voor natuur

 

Bepaal de ambassadeursoorten

Je bepaalt de ambassadeursoorten op basis van de locatie van het plangebied, de situatie in het plangebied, de groenblauwe structuren in en om het gebied en de aanwezige populaties. Je kiest hiervoor uit de lijst van ambassadeursoorten die in hoofdstuk 3 staat.

 

Een ecologisch deskundige kan ook andere soorten aanwijzen die passen bij de projectlocatie. Dan moet je deze keuze wel goed onderbouwen. Ook moet je de natuurinclusieve maatregelen voor het leefgebied op een soortgelijke wijze presenteren als in het toetsingsformulier waarbij aangegeven wordt welke maatregelen bijdragen aan het leefgebied van de gekozen soorten.

 

Reserveer ruimte voor natuur in het plangebied

Zorg dat de natuur een plek krijgt in het ontwerp en dat de hoeveelheid ruimte voldoende is om te voldoen aan de benodigde vierkante meters voor natuurinclusieve maatregelen uit het puntensysteem. Het is wenselijk om te zorgen voor een zo groot mogelijk aandeel van deze natuur op het maaiveld komt. Natuur op maaiveld is namelijk bestendiger en heeft meer voordelen. Het is meestal ook goedkoper in aanleg en onderhoud dan groene daken. Openbaar toegankelijke natuur heeft dan weer meer voordelen dan private natuur, doordat meer mensen er gebruik van kunnen maken.

 

Ruimtereservering

Zorg dat je al vanaf de eerste ontwerpen ruimte maakt en aanwijst voor natuur. Zo voorkom je uitdagingen in het latere ontwerp- en ontwikkelproces. Doe je dit pas op een later moment? Dan kan het leiden tot vertraging en extra kosten door aanpassingen in het ontwerp.

 

Stap 4. Selecteer natuurinclusieve maatregelen en ontwerp het plan

 

Selecteer natuurinclusieve maatregelen

Op basis van de locatie-analyse van het plangebied en gekozen ambassadeursoorten, selecteer je passende, relevante natuurinclusieve maatregelen waar je punten mee behaalt. Deze maatregelen moeten samen in de verschillende voorwaarden van de gekozen ambassadeursoorten voorzien. Daarnaast moet je dus ook de doelstelling voor groenoppervlak meenemen.

 

Het is natuurlijk mogelijk om méér maatregelen en punten in het ontwerp mee te nemen dan minimaal verplicht is. Daarnaast is het voor middelgrote en grote projecten verplicht om een ecoloog te laten adviseren over welke maatregelen het best passen bij het ontwerp van het gebouw en de specifieke locatie. Ook voor kleine projecten is dit verstandig. Het advies van een ecoloog kan ervoor zorgen dat de maatregelen doeltreffend(er) en correct(er) uitgevoerd en ingepast worden.

 

Houd bij het selecteren van de natuurinclusieve maatregelen en het ontwerpen van het plan ook rekening met drukfactoren. Probeer de negatieve invloed van plaagdieren, verlichting en recreatie te voorkomen.

 

Ontwerp het plan

Tijdens het ontwerpproces doorloop je de eerdergenoemde stappen. In de verschillende fases van het ontwerp worden de volgende onderdelen toegevoegd aan de ontwerpvoorstellen.

 

  • Initiatieffase

    In de initiatieffase wordt de scope van het project vastgesteld. Bij de initiatieffase is het belangrijk om natuurinclusief bouwen mee te nemen in de gesprekken met interne- en externe stakeholders. Dit geeft een eerste inzicht in de kansen voor natuurinclusief bouwen in de wijk of in het plangebied, zodat eventueel budget kan worden gereserveerd in de projectbegroting. Aan het einde van deze fase wordt een projectopdracht opgeleverd met daarin de geselecteerde projectcategorie, een overzicht van doelstellingen voor natuurinclusief bouwen en een volledig ingevuld projectoverzicht (gele velden) van het toetsingsformulier.

  • Definitiefase

    In de definitiefase wordt een projectplan opgesteld waarin de doelen voor natuurinclusief bouwen zijn opgenomen. Ook wordt hier de definitieve keuze gemaakt voor de ambassadeursoorten, zodat op basis hiervan een ontwerp gemaakt kan worden en de vergunning kan worden aangevraagd.

  • Ontwerpfase

    In de ontwerpfase kom je tot een schetsontwerp, een voorlopig ontwerp en een definitief ontwerp. Aan het einde van de ontwerpfase ligt er een definitief ontwerp waarin natuurinclusief bouwen voldoende is geborgd.

    • o

      Schetsontwerp: De geselecteerde projectcategorie en het overzicht van doelstellingen stuur je bij de schetsontwerpen (SO) mee. Ook stuur je een vlekkenplan en groenblauwe-structuurtekening mee. Hierop staat waar de natuurinclusieve maatregelen komen en hoe de aansluiting met de omgeving is.

    • o

      Voorlopig ontwerp: Vervolgens deel je de tabel met maatregelen en een overzichtstekening bij het voorlopig ontwerp (VO) voor overleg met de gemeente. De omgevingstafel is hier geschikt voor.

    • o

      Definitief ontwerp: Vul bij het definitief ontwerp (DO) het hele toetsingsformulier in. En zorg voor de bijbehorende stukken bij de ontwerptekeningen en planinformatie. Lever dit aan als onderdeel van de vergunningsaanvraag en/of bij de stukken van het definitief ontwerp.

Stap 5. Vul het toetsingsformulier in en zorg voor de gevraagde stukken

 

In iedere fase van de ontwikkeling neem je het behoud en de versterking van natuur en biodiversiteit mee: in de planvorming, in de ontwerpen en bij de realisatie en het beheer.

 

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning en bij andere projectvoorstellen, zoals projecten in de openbare ruimte vanuit de gemeentelijke organisatie, deel je hoe je gaat voldoen aan de verplichtingen. Dit doe je met het toetsingsformulier. Zie hoofdstuk 5 voor een voorbeeld van dit formulier.

 

Vul het toetsingsformulier in en voeg plantekeningen toe

Met het toetsingsformulier laat je zien hoe je gaat voldoen aan de richtlijnen voor natuurinclusief bouwen en inrichten. Vul de projectinformatie in. Vul vervolgens de natuurinclusieve maatregelen in die je gaat nemen en controleer of je aan alle doelstellingen en voorwaarden voor de leefomgeving van de ambassadeursoorten voldoet. Maak een overzichtstekening van het plangebied met de verschillende maatregelen op de tekening aangeduid en vermeld de bijbehorende oppervlaktes. Dit doe je vóór het indienen van de omgevingsvergunning of projectvoorstellen. Voor toetsing stuur je het toetsingsformulier in met de bijbehorende tekeningen en de informatie zoals benoemd bij de doelstellingen.

 

Toetsing voor een omgevingsvergunning

Bij het toetsen van de vergunningsaanvraag checkt de gemeente of alle stappen zijn doorlopen en of het plan voldoet aan de randvoorwaarden. Ook beoordeelt de gemeente of het minimumaantal nest- en verblijfplaatsen en punten voor natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen wordt behaald. En of de gekozen maatregelen op de ontwerptekeningen en het inrichtingsplan staan.

 

Toetsing bij andere projectvoorstellen

Bij projecten die geen vergunningplicht kennen, maar die wel moeten voldoen aan dit kader, is het toetsingsformulier onderdeel van het planproces. Dit wordt ter goedkeuring aan het college of projectteam voorgelegd.

 

Bijlage V Stappenplan gebiedsontwikkeling

 

In een gebiedsontwikkeling is een aantal stappen nodig om de opgave voor natuurinclusief bouwen en inrichten concreet te maken in het omgevingsplan en de omgevingsvisie van het gebied. Hieronder lees je hoe dit werkt voor een gebiedsvisie en voor een stedenbouwkundig plan.

 

Gebiedsvisie en omgevingsplan

In de beeldvorming over het te ontwikkelen gebied (als onderdeel van een omgevingsvisie van een gebied of een vergelijkbaar document) doorloop je de volgende stappen:

 

  • 1.

    Neem een hoofdstuk ‘natuurbehoud- en ontwikkeling’ op in de gebiedsvisie (of een vergelijkbaar document).

  • 2.

    Beschrijf de historische landschapsstructuur, de grondwaterstanden en de bodemopbouw en op hoofdlijnen de manier waarop het te ontwikkelen gebied hierop voortbouwt.

  • 3.

    Onderzoek welke ecologisch waardevolle groene en blauwe structuren er zijn in de wijdere omgeving van het plangebied. En omschrijf/verbeeld op hoofdlijnen de manier waarop het plangebied hierop zal aansluiten. Maak hierin specifiek om welke type verbinding het gaat. Zoals bomenrijen, waterlijnen, grondverbindingen van struiken, bloemrijke bermen etc.

  • 4.

    Beschrijf aan de hand van de uitkomst in stap 2 en 3 de (voorlopige) natuurdoeltypen voor het plangebied.

  • 5.

    Bepaal de (voorlopige) ambassadeursoorten voor de gebiedsontwikkeling aan de hand van de natuurdoeltypen. Als basis hiervoor gebruik je de gemeentelijke ambassadeursoorten.

  • 6.

    Verbeeld op hoofdlijnen waar in het plangebied ruimte wordt gereserveerd voor natuurbehoud- en ontwikkeling.

Stedenbouwkundig plan

Bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan (of een vergelijkbaar document) doorloop je de volgende stappen:

 

  • 1.

    Betrek een deskundig (landschaps-)ecoloog bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan.

  • 2.

    Neem een hoofdstuk ‘natuurbehoud- en ontwikkeling’ op in het stedenbouwkundig plan (of een vergelijkbaar document).

  • 3.

    Omschrijf de definitieve natuurdoeltypen die worden behouden en ontwikkeld binnen de gebiedsontwikkeling.

  • 4.

    Leg de definitieve ambassadeursoorten voor de gebiedsontwikkeling vast en omschrijf waarom voor deze ambassadeursoorten is gekozen.

  • 5.

    Beschrijf/verbeeld de te behouden en ontwikkelen groene en blauwe structuren in het plangebied (aan de hand van de bepaalde natuurdoeltypen). En de manier waarop deze aansluiten bij de groene en blauwe structuren in de omgeving van het plangebied.

  • 6.

    Leg de dimensies (hoeveelheid/oppervlakte/breedte) van deze structuren binnen het plangebied vast. En toon aan dat deze van voldoende omvang zijn voor een geschikte habitat voor de bepaalde ambassadeursoorten.

  • 7.

    Verbeeld in de vorm van een vlekkenplan waar de verschillende natuurinclusieve maatregelen komen.

Bijlage VI Toelichting natuurinclusieve inrichting

 

In het natuurinclusief puntensysteem staan verschillende inrichtingsmaatregelen. Hierna volgt een korte uitleg.

 

Nest- en verblijfplaatsen

Verschillende gebouwbewonende diersoorten zijn afhankelijk van plekken in onze gebouwen. Zo hebben vogels als de huismus en gierzwaluw broedplaatsen nodig. En zijn vleermuizen op zoek naar ruimte om te kramen, paren, slapen en te overwinteren. Voor deze soorten moet je daarom zorgen voor nest- en verblijfplaatsen.

 

Kruidenrijk en bloemrijk grasland en zoomvegetatie

 

Bloemrijk en kruidenrijk grasland

Kruidenrijk grasland bestaat uit hoge, inheemse kruiden (ongeveer 1 meter of hoger), of inheemse bramen die het grootse deel van de dag zon-beschenen zijn. De kruiden staan op zichzelf, of langs een struweel (mantelzoom). Dit kan zowel lijnvormig als vlakvormig zijn.

 

Zoomvegetatie

Zoomvegetatie is kruidenrijk en bloemrijk grasland in een lijnvorm. Dit zorgt voor verbinding tussen gebieden.

 

Onverharde paden

Paden van houtsnippers, grind of andere natuurlijke materialen zorgen voor plassen en plekken om naar voedsel te zoeken.

 

Struweel: Heesters, hagen en mantelzomen

 

Heesters (struiken)

Struiken, ook wel heesters genaamd, zijn houtige gewassen die soms ook als haag kunnen dienen, zoals de vuurdoorn.

 

Hagen en heggen

Plaats geen schuttingen maar een haag. Of als dat niet kan: plaats een klimop voor de schutting of bijvoorbeeld leifruit. Vogels vinden daar beschutting, ze maken er nesten in en de bessen in de struiken bieden voedsel, net als de insecten die erop afkomen. Huismussen houden van hagen. Dreigt er gevaar, dan trekken ze zich onzichtbaar terug in de haag.

 

Takkenril

Een takkenril of houtril is meestal een tot anderhalve meter hoog. Zo’n wal heeft veel waarde voor natuur. Door deze aan te leggen, bied je voedsel- en schuilgelegenheid aan vogels, zoals de winterkoning, en insecten.

 

Vaste planten

Merels, Heggenmussen, roodborstjes of de zanglijster: ze scharrelen graag tussen de struiken op zoek naar eten. Vaste planten en onderbeplanting vergroten de mogelijkheden om ongemerkt insectjes weg te pikken. Later in het seizoen zijn de zaden ook aantrekkelijk.

 

Let op: Vaste beplanting kan in openbaar gebied enkel aangeplant worden in de door de gemeente aangewezen vaste planten routes.

 

Struweel

Een struweel is een lijnvormige beplanting die uit struiken bestaat, waarvan een groot deel bij voorkeur besdragend is. Struiken met bessen bloeien in het voorjaar, waardoor ze insecten aantrekken. In het najaar vormen de bessen een voedselbron voor vogels en kleine zoogdieren. Struweel bestaat bij voorkeur uit inheemse soorten. De structuur van een struweel is doorgaans dicht en vrijwel ondoordringbaar. Dat maakt het aantrekkelijk voor kleine zoogdieren en broedvogels, zelfs al gaat het om een struweel met een kleine omvang.

 

Mantelzoom

Een mantelzoom is een geleidelijke overgang van een bosje naar de omliggende omgeving. Een goed ontwikkelde mantelzoom trekt insecten aan zoals vlinders, bijen en zweefvliegen. Zij zijn op hun beurt weer voedsel voor vogels en zoogdieren.

 

 

Bomen en bosschages

 

Bomenrij

Een bomenrij zorgt voor verbinding tussen gebieden. Voor nachtdieren, zoals vleermuizen, is het belangrijk dat er voldoende donkerte is. Voor (kleine) vogels is het belangrijk dat de bomen in voldoende voedsel voorzien en dus inheems en voedselrijk zijn.

 

Bosje

Een bos(je) bestaat uit minimaal een aantal bomen met struiken eronder of direct eromheen. In een bosje groeien bij voorkeur inheemse soorten. Die zijn namelijk aantrekkelijker voor insecten en andere dieren dan uitheemse soorten. Bosjes zijn belangrijk voor broedvogels en kleine zoogdieren zoals muizen, egels en kleine marterachtigen. Ze moeten voldoende dicht van structuur zijn.

 

 

Solitaire bomen

Bomen die vrijstaan of in kleine groepen geven dekking voor o.a. huismussen. Wanneer ze hoog zijn, zorgen ze juist voor een uitkijkplek voor roofvogels.

 

Water en natuurvriendelijke oevers

 

Natuurlijke vijver en amfibieënpoel

Vijvers en poelen zijn geïsoleerd gelegen en bestaan uit zon beschenen laagtes die in principe het hele jaar door waterhoudend zijn. De waterdiepte is minstens 50 cm en een grillige vorm zorgt voor de nodige variatie. Poelen hebben onderhoud nodig om te voorkomen dat ze dichtgroeien met riet of andere waterplanten, of dat ze droogvallen. Door hun geïsoleerde ligging leven er in poelen geen vissen. Zo vormen ze een veilige opgroeiplek voor watersalamanders, kikkers en libellen. Daarnaast zijn ze leefgebied voor allerlei water- en oeverplanten.

 

Ecologische wadi’s

Een wadi (waterdoorlating door infiltratie) is een beplante greppel of sloot met een waterdoorlatende bodem. Ecologische wadi’s (dat zijn wadi’s die natuurlijk zijn ingericht en niet alleen uit gras bestaan) met hoog opgaande planten versterken de ecologische infrastructuur. Want ze dienen als ecologische verbindingszone of als stapsteen. Ze zorgen ook voor meer biodiversiteit. O.a. egels en spitsmuizen vinden dekking en voedsel in wadi's.

 

Water met natuurvriendelijke oevers

In tegenstelling tot poelen is het water hier wel verbonden met andere sloten, vaarten of waterpartijen. Het vormt dan ook nadrukkelijk een leefgebied voor vissen. In ondiepe delen met waterplanten kunnen libellenlarven opgroeien, terwijl op de oevers zich een kruidenrijke, moerassige vegetatie kan vormen.

Hierbij is in stedelijke gebieden niet zozeer de omvang van het water van belang. Vooral een gevarieerde oever- en watervegetatie en een functionele leefomgeving voor dieren die aan het water gebonden zijn, zijn belangrijk.

 

Groene gebouwen: groene tuinen, gevels en daken

 

Groene tuinen

Groen ingerichte tuinen zorgen in dorpen voor veel waardevol groenoppervlak waar prettig leefgebied voor allerlei soorten door ontstaat.

 

Tuinen opleveren met tuinaarde

Nieuwe woningen waar de tuinen gemakkelijk ingericht kunnen worden, stimuleren groene vingers bij bewoners.

 

Geveltuin

Langs gevels kunnen stoeptegels weggelaten worden. Deze ruimte kun je beplanten met vaste planten. Maak hierbij gebruik van de richtlijnen die de gemeente heeft opgesteld.

 

Groene, grondgebonden gevels

Een gevel met geen of weinig ramen kun je voorzien van klimmend gevelgroen. De klimplanten bedekken muren en schuttingen, en creëren zo een rustgevende en stressverlagende omgeving. Ook verfraaien ze het straatbeeld. Dit kan zelfs leiden tot een verhoging van de waarde van onroerend goed. Voor dieren is gevelgroen vaak ideaal. De gevels bieden zo voedsel, beschutting en nestgelegenheid voor vogels, vlinders en wilde bijen.

 

Groene daken en daktuinen

Groene daken zijn daken die voorzien zijn van beplanting. Ze hebben, behalve een ecologische waarde, ook een water-bufferende, een klimaat-temperende en een isolerende waarde. Bovendien zijn ze, wanneer ze zichtbaar en/of toegankelijk zijn, een verrijking van het stadslandschap en hebben ze een recreatieve functie. Daarnaast bieden ze een prima bodem voor allerlei dieren en planten. Daardoor zijn ze ook heel waardevol voor de biodiversiteit. Groene daken zijn vooral goed voor vogels, vlinders, bijen en vleermuizen.

 

Bruine daken, schelpen- of grinddaken

Bruine daken hebben een ecologische en water-bufferende waarde. Bij bruine daken bestaat de dakbedekking voornamelijk uit zand en steen, bijvoorbeeld gerecycled puin. Vooral vogels die van origine op zandig terrein broeden, gebruiken bruine daken als nestplaats. Diersoorten die baat hebben bij een bruin dak zijn o.a. de scholekster, zwarte roodstaart en verschillende insecten.

 

Bijlage VII Kosten en baten van natuurinclusief bouwen

 

In deze beleidsregels inclusief toetsingskader voor Natuurinclusief bouwen en inrichten kan een grove verdeling gemaakt worden tussen nest- en verblijfplaatsen voor gebouw-bewonende soorten en natuurinclusieve maatregelen.

 

Nest- en verblijfplaatsen

Voor nieuwbouwprojecten en renovaties geldt dat per 100m2 bebouwd oppervlak (footprint) 1 nest- of verblijfplaats en 2 bij hoogbouw vanaf 15m moet worden gerealiseerd. Afhankelijk van de keuzes die gemaakt worden in het type en het aantal voorzieningen liggen de kosten voor inbouwkasten voor vogels en vleermuizen tussen de €30,- en €500,- met een gemiddelde kosten van €100,- per nestvoorziening. Sommige bouwkundige maatregelen, zoals het toegankelijk houden van spouwmuur kosten vrijwel niets. (Bron: bouwnatuurinclusief.nl en gebiedsontwikkeling.nu).

 

De kosten voor nest- en verblijfplaatsen liggen bij de initiatiefnemer. De initiatiefnemer kan zelf kiezen welke voorzieningen worden opgenomen en passend zijn bij de ontwikkeling, binnen het beschikbare budget en passend bij de ambassadeursoorten. Ervaring bij andere gemeenten leert dat de kosten voor nest- en verblijfplaatsen zeer laag zijn in verhouding tot de kosten van nieuwbouw of renovatie wanneer de maatregelen vroeg in het proces van de ontwerpopgave worden meegenomen.

 

Het totale aantal nest- en verblijfplaatsen hangt af van het bebouwd oppervlak en hoeven daarom enkel gerealiseerd te worden bij (nieuw)bouwprojecten en grootschalige renovatie. De tabel hieronder toont een overzicht van de gemiddelde kosten per projectcategorie inclusief de minimale en maximale kosten. De tabel laat zien dat per projectcategorie een besteding gevraagd wordt van minimaal €30,- per nest- of verblijfplaats afhankelijk van het bebouwd oppervlak.

 

Voorbeeld 

Voor de nieuwbouw van een woning (of uitbouw) tot 500m2, liggen de verwachte kosten voor nestvoorzieningen bij de woningeigenaar minimaal tussen de €30,- en €150,-.

 

Project-categorie

Plangebied (m2)

Bebouwd oppervlak (m2)

Aantal Nestkasten

Totale kosten (gemiddeld)

Kostenrange (min. tot max.)

Klein project

<500

100 – 500

1-5

€100,- tot €500,-

€30,- tot €2.500,-

Middelgroot project

500 - 2.000

100 – 2000

1-20

€100,- tot €2.000,- (+)

€30,- tot €10.000,- (+)

Groot project

>2.000

100 – 2000+

1 - 20+

€100,- tot €2.000,- (+)

€30,- tot €10.000,- (+)

Tabel 4: Overzicht van het gemiddelde, minimale en maximale kosten van nest- en verblijfplaatsen per projectcategorie. De (+) betekent dat bij grote projecten ook sprake kan zijn van een groter plangebied, met een groter bebouwd oppervlak en daarmee een hogere maximale kosten.

 

Natuurinclusieve maatregelen

Voor nieuwbouwprojecten en reconstructies van de openbare ruimte geldt dat er 2 punten behaald moeten worden per 100m2 plangebied. Voor grootschalige renovaties van gebouwen geldt dat er 1 punt behaald moet worden per 100m2 plangebied. De kosten van natuurinclusief bouwen kunnen variëren afhankelijk van de gekozen maatregelen en de omgeving waarin het project wordt gerealiseerd.

 

Belangrijk is om te realiseren dat dit beleidsplan en toetsingskader voor Natuurinclusief bouwen en inrichten streeft naar een kwalitatieve impuls van het groen en de leefomgeving. Hierbij wordt goed gekeken naar de beschikbare ruimte, waarbij dubbel ruimtegebruik wordt gestimuleerd (bijvoorbeeld door groene daken en variatie in bomen met hieronder een struiklaag). Op deze manier realiseren we een kwalitatief betere leefomgeving, zonder dat hier direct meer ruimte voor wordt gevraagd.

 

Een onderscheid kan gemaakt worden tussen de aanleg van de natuurinclusieve maatregelen en de beheerkosten.

 

Aanleg van de maatregelen

De gemiddelde kosten voor natuurinclusieve maatregelen in gemeente Zuidplas worden geschat op €575,- tot €2.000,- per woning en op 0,30% tot 1,10% van de totale bouwkosten. Deze schatting is gebaseerd op ervaringen van andere gemeenten, zoals Arnhem en Groningen. De kosten voor het aanleggen van deze maatregelen liggen bij nieuwbouw en grootschalige renovaties bij de ontwikkelende partij. Bij reconstructies van de openbare ruimte liggen deze kosten bij de gemeente. Een groot deel van de kosten hiervan is overigens niet additioneel, en zijn al nodig voor de inrichting van de private en openbare buitenruimte. De maatregelen zijn vaak al nodig voor het realiseren van een gezonde leefomgeving voor inwoners, en voor het klimaatadaptief maken van onze gebouwde omgeving.

 

Gemeente Arnhem

De gemeente Arnhem hanteert een bedrag per woning met een bandbreedte tussen € 500 en € 1.500 als legitiem voor het toepassen van natuurinclusieve maatregelen bij gebiedsontwikkelingen (Gemeente Arnhem, 2021). Slechts één van de vijf getoetste projecten zat ruim boven deze bandbreedte. Drie van de vijf getoetste plannen bevonden zich binnen deze bandbreedte, met een vierde die daar net boven zat. Door de beperkte omvang van de meerkosten, was de verwachting dat dit een beperkte invloed zal hebben op de overeen te komen grondprijs tussen gemeente en de ontwikkelende partij. Dit blijkt ook in de praktijk. Uit recente evaluatie blijkt namelijk dat initiatiefnemers en ontwikkelaren positief staan tegenover een puntensysteem, omdat nu duidelijk is wat de gemeente verstaat onder Natuurinclusief bouwen en dat niet wordt voorgeschreven wat de precieze maatregelen moeten zijn (Gemeente Arnhem, 2023).

 

Gemeente Groningen

De gemeente Groningen heeft voor het eigen Natuurinclusief beleid uitgebreid onderzoek gedaan naar de kosten van Natuurinclusief bouwen en inrichten. Uit de analyse uitgevoerd in 2021 is gebleken dat de totale kosten van het toepassen van natuurinclusieve maatregelen bij woningbouwlocaties tussen de 0,30% en 1,25% is van de totale bouwkosten. Bij grote ontwikkelingen (>10.000m2) vielen de kosten hoger uit, tot 5% van de totale bouwkosten. Hierbij ging het o.a. om groendaken die ook voorzien waren voor klimaatadaptatie (Gemeente Groningen, 2021). De analyse heeft laten zien dat de totale kosten voor Natuurinclusief bouwen en inrichten nog verlaagd kunnen worden door de maatregelen vroeg in het ontwerpproces te integreren. Hierdoor zijn de kosten voor het toepassen van natuurinclusieve maatregelen bij woningbouwlocaties teruggebracht naar 0,15% tot 0,50% van de totale bouwkosten. De kosten zijn in veel gevallen ook niet additioneel, maar zijn al geraamd voor de (groene) inrichting rondom, op en aan de bebouwing. Voor bedrijfspanden ligt de bandbreedte hoger tussen de 1,5% en de 6,0%. Deze kosten zijn verhoudingsgewijs hoger, omdat de bouwkosten van bedrijfspanden meestal lager zijn dan bij woningbouw (Gemeente Groningen, 2022).

 

Gemeente Zuidplas

De exacte kosten van de Natuurinclusieve maatregelen hangt af van verschillende factoren, zoals o.a. de schaalgrootte van het project, gebruik van materialen en beplanting, samenwerking intern en tussen partijen, nieuwbouw vs. reconstructies en stedelijk vs. landelijk gebied. Ervaring in de praktijk zal leren wat de exacte kosten en percentages zullen zijn. Onderzoek door Wageningen Universiteit laat zien dat de meerkosten van natuurinclusief bouwen minder is dan 1% is van de gehele projectbegroting (WUR, 2022). Op basis van de ervaringen van andere gemeenten, de inflatie over de periode 2021-2025 van 13% en uitgaande van een gemiddelde bouwprijs van een woning van EUR 206.000,- (cbs.nl), komen de kosten voor Zuidplas grofweg uit op €575,- tot €2.000,- per woning en op 0,30% tot 1,10% van de totale bouwkosten. Hoewel dit een schatting is, laat het zien dat de kosten voor natuurinclusieve maatregelen relatief laag zijn ten opzichte van de totale projectbegroting of bouwkosten.

 

De opzet van de beleidsregels en het toetsingskader voor Natuurinclusief bouwen en inrichten is dusdanig dat de initiatiefnemer zelf kan kiezen welke inrichtingsmaatregelen genomen kunnen worden die passend zijn binnen de begroting van het project. Uit praktijkvoorbeelden bij gemeenten blijkt dat ontwikkelende partijen behoefte hebben aan duidelijke regels voor woningbouw en inrichting van de (openbare) ruimte. Grote partijen, zoals Heijmans en ook kleinere partijen zoals de ontwikkelaar van de Kamerlingh Onnesstraat laten zien dat ze de meerwaarde inzien van groene, natuurinclusieve wijken zolang de gemeente maar duidelijke regels stelt.

 

De inrichtingsmaatregelen zijn ook passend binnen de ontwikkelingen waar het team Beheer Openbare Ruimte (BOR) op dit moment mee bezig is. Denk bijvoorbeeld aan: de aanleg van natuurvriendelijke oevers, meer diversiteit in beplanting en behoud van bomen. De gekozen inrichtingsmaatregelen zullen hiermee niet direct leiden tot hogere kosten bij reconstructies. Wel is het noodzakelijk dat de medewerkers van BOR vanaf het begin meedenken in de kansen voor inrichting van de openbare ruimte, zodat de gekozen maatregelen passend zijn binnen de beschikbare budgetten. Dit is ook in lijn met de bevindingen van de gemeente Groningen, waarbij de kosten voor de maatregelen lager uit kunnen vallen als de maatregelen en beheer vroegtijdig in het ontwerpproces zijn geïntegreerd.

 

Beheerkosten

De kosten voor het beheer van de natuurinclusieve maatregelen liggen bij de eigenaar van de grond. Dit betekent dat maatregelen aan woningen en op private gronden beheerd dienen te worden door de (woning)eigenaar. Enkel de maatregelen die gerealiseerd worden in de openbare ruimte worden door de gemeente beheerd. We beschikken niet over kengetallen voor de gemeente, waardoor exacte kosten lastig te bepalen zijn. In overleg met Beheer Openbare Ruimte (BOR) is gekeken welke maatregelen extra kosten voor BOR mee kunnen brengen.

 

  • Kruidenrijk en bloemrijk grasland en lage vegetatie

    Het ontstaan van kruidenrijk en bloemrijk grasland gebeurt voornamelijk door de keuze van zaaien en ecologisch beheer van de openbare ruimte. Vanuit de gedragscode waar de gemeente ook bij aan is gesloten, wordt ecologisch beheer standaard. Dit betekent dat eventuele extra kosten voor ecologisch beheer vanuit deze transitie al worden gemaakt. Hiermee zorgen deze maatregelen vanuit dit beleidsstuk niet voor extra kosten bij beheer.

     

    Om toch een beeld te krijgen wat ecologisch beheer kost, kan gekeken worden naar de kengetallen van Bijenlandschap.nl. Deze samenwerking tussen onder andere de provincie Zuid-Holland, Naturalis, diverse gemeenten en Wageningen Universiteit heeft onder andere inzichtelijk gemaakt wat de kosten zijn van ecologisch beheer. Wanneer gekeken wordt naar de beheerkosten, hoeft ecologisch beheer niet altijd duurder te zijn dan traditioneel beheer. De kosten voor het gazonbeheer (traditioneel) bedragen € 0,17 tot € 0,28 per m2 per jaar bij een frequentie van 15x maaien. De kosten voor het bloemrijk grasland zijn lager, namelijk € 0,10 tot € 0,17 per m2 per jaar.

     

    Bij bosplantsoen liggen de kosten bij ecologisch maaibeheer ook lager. Bij bosplantsoen is er een overgang van grasrijk landschap naar bomen. Bij traditioneel maaibeheer met ruw gras, wat passend is binnen de beeldkwaliteit van gemeente Zuidplas, liggen de kosten gemiddeld op € 0,15 tot € 0,25 per m2 per jaar. Uitgaande van meer ecologisch beheer, waarbij over wordt gegaan tot een meer bloem- en kruidenrijk landschap, liggen de kosten op gemiddeld € 0,12 tot € 0,21 per m2 per jaar.

     

    Deze kengetallen van het bijenlandschap laten zien dat ecologisch maaibeheer goedkoper is dan traditioneel beheer.

  • Struweel: Heesters/struiken, heggen en hagen

    Beheer van struweel, zoals heesters en struiken wordt veelal gedaan in de gemeente. Het planten van nieuw struweel past hiermee in het beheer en vraagt dus niet om meer kosten. Belangrijke voorwaarde is wel dat heesters en heggen van meerdere soorten een snoei- en onderhoudsperiode hebben in dezelfde periode van het jaar (voorjaar of najaar snoei). Hierdoor kunnen alle geplante soorten in 1 beurt meegenomen worden in het onderhoud, waardoor dit niet meer kosten met zich meebrengt. Deze voorwaarde is daarom meegenomen in de maatregelenlijst.

     

    Door beheer vroegtijdig mee te nemen in het proces waarbij beheer het ontwerp vroegtijdig kan toetsen, kan op deze wijze hogere beheerskosten voorkomen worden.

  • Bomen

    Beheer van bomen wordt veel gedaan door de gemeente. Hierbij stimuleren we in deze beleidsregels het behoud van bomen, omdat oudere bomen vaak een hogere ecologische waarde hebben. Mochten er nieuwe bomen toegevoegd worden aan het bomenbestand, zal dit in lage aantallen geen noemenswaardige extra beheerkosten met zich meebrengen. Bij het toevoegen van een groter aantal bomen is de verwachting dat beheerkosten omhooggaan.

     

    Door beheer vroegtijdig mee te nemen in het proces waarbij beheer het ontwerp vroegtijdig kan toetsen, kan op deze wijze hogere beheerskosten voorkomen worden.

  • Natuurvriendelijke oevers, poelen, wadi’s en muurplanten

    Binnen de gemeente Zuidplas wordt al gewerkt aan het aanleggen van natuurvriendelijke oevers en wadi’s. Beheer heeft ook de mogelijkheid om deze maatregelen te beheren. Bij traditioneel beheer van de wadi’s liggen de kosten veelal hoger dan ecologisch beheer van wadi’s, omdat de maaifrequentie bij ecologische wadi’s lager is.

     

    Voor oevers geldt dat klepelen over algemeen de goedkoopste keuze is. De kosten hiervan liggen op € 0,08 tot € 0,13 per m2 per jaar. Het creëren van bloemrijke oevers met gefaseerd maaien ligt tussen de € 0,11 tot € 0,24 per m2 per jaar en is hiermee duurder dan traditioneel beheer (bijenlandschap.nl).

  • Gazon en onverharde paden

    De aanleg van een gazon gaat uit van grasvelden zonder ecologisch beheer. Hiermee sluiten we aan bij het huidige beheerniveau van de gemeente en worden hier geen extra kosten verwacht.

     

    De aanleg van onverharde paden vraagt in algemeen wel meer onderhoud dan traditionele asfalt paden. Of dit meer kost hangt wel af van de keuze van het soort materiaal, bijvoorbeeld: bij het weghalen van oude bomen is het mogelijk de houtsnippers te gebruiken als onverhard pad. Kosten voor onverharde paden is lastig te bepalen.

Subsidie en aftrek voor duurzame maatregelen

De kosten voor aanleg, onderhoud en beheer van duurzame alternatieven voor de openbare inrichting en natuurinclusieve maatregelen kunnen terugverdiend worden. De terugverdientijd hangt af van: de kosten die gemaakt worden bij de aanleg van groen, de toegevoegde waarde aan het vastgoed en de lagere energierekening. Voor de kosten van deze maatregel kan je gebruik maken van de regelingen MIA (Milieu-investeringsaftrek) en Vamil (Willekeurige afschrijving milieu-investeringen).

 

Via onderstaande activiteiten met referentienummer kun je aanspraak maken op de investeringsaftrek van 36% (MIA) of het afschrijven van 75% (VAMIL) van de investeringskosten:

  • F 5102: Voorzieningen voor het versterken van de biodiversiteit.

  • F 5300: Groendak

  • F 5301: Groene gevel of muur

Meer bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen zijn te vinden in de Milieulijst: https://www.rvo.nl/milieu-energielijst-2025.

 

Daarnaast biedt de provincie Zuid-Holland ook diverse subsidies aan voor de aanleg van groen, natuur en leefgebied voor icoonsoorten. Daarbij is het aan te raden goed in de gaten te houden wat de looptijd is en onder welke voorwaarden de subsidie aangevraagd kan worden.

 

Baten van groen en natuurinclusief bouwen

Natuurinclusieve maatregelen hebben niet alleen een positief effect op biodiversiteit, maar kunnen ook bijdragen op andere thema’s. Hieronder volgt een overzicht van enkele baten van natuurinclusief bouwen en inrichten (niet uitputtend) en wie de bateneigenaren zijn, welke onder andere blijken uit onderzoek van Wageningen Universiteit (WUR, 2018)

 

Gezondheid en welzijn

  • Verminderd stress en mentale klachten: Een groene omgeving met een diversiteit aan planten- en diersoorten verminderd stress en andere mentale gezondheidsklachten. Het leven in een groene omgeving draagt dus bij aan de mentale gezondheid van onze inwoners. Een groene omgeving is rustgevender dan een versteende omgeving: mensen herstellen er sneller van stress, het concentratievermogen herstelt sneller en de gemoedstoestand wordt positiever. Alleen al zicht op groen vanuit de woning gaat gepaard met een lager niveau van het stresshormoon cortisol en een hoger gevoel van welzijn.

  • Verbeterd cognitieve ontwikkeling: Een groene omgeving verbeterd de cognitieve ontwikkeling van kinderen. Zeker in omgeving van scholen en buurten met veel kinderen verhoogd en groene en diverse omgeving de leerprestaties en gezondheid van de kinderen.

  • Betere luchtkwaliteit: Bomen en planten filteren fijnstof en stikstofdioxide, wat leidt tot minder luchtwegaandoeningen zoals astma. Indien goed nagedacht wordt over het type beplanting draagt dit dus bij aan de gezondheid van onze inwoners.

  • Groen zorgt voor verbinding: Een groene diverse omgeving heeft een aantoonbaar positief effect op de gezondheid en sociale verbinding van mensen die in de groene omgeving wonen, werken en recreëren.

Omgevingskwaliteit & klimaatadaptatie

  • Waterbeheer en verminderen droogte en wateroverlast: Een groene omgeving vangt regenwater op en verminderd hierdoor de druk op rioolsystemen. Door water vast te houden, komt het beschikbaar in drogere periodes.

  • Biodiversiteit en ecologische waarde: Natuurinclusief bouwen creëert diversiteit aan habitat en aan soorten beplanting, waardoor ook een diversiteit aan fauna kan ontstaan.

  • Verlaagd hitte-eiland effect: Een omgeving met groene daken, minder verhard oppervlak en groen aan de gevels verlagen de temperaturen in de omgeving. Door op deze wijze hitte-eilanden in de dorpen aan te pakken, worden ook gezondheidsproblemen die door hitte worden veroorzaakt verminderd.

Economische en vastgoedwaarde

  • Waardestijging woningen: Onderzoek van Wageningen Universiteit laat zien dat de aanwezigheid van groen in de directe omgeving de waarde van woningen kan doen verhogen met 4 tot 15% (Bervaes, 2004).

  • Lagere energiekosten: Groene daken dragen bij aan goede isolatie van woningen en lagere kosten in het onderhoud van daken. De combinatie van groene daken en zonnepanelen levert doorgaans een hoger rendement op en zowel het dak als de panelen hebben een langere levensduur. Groen op en aan gebouwen zorgen voor een aangenamer binnenklimaat doordat het een isolerende werking heeft. Daarnaast zorgt schaduw voor een koelere omgeving waardoor energieverbruik voor koeling van de woning verminderd.

Bateneigenaren

In tabel 5 volgt een overzicht van de groep en enkele baten die zij hebben door toedoen van natuurinclusief bouwen en inrichten.

 

Groep

Baten

Buurtbewoners

Betere gezondheid, stressvermindering, meer beweegfaciliteiten, meer sociale cohesie.

Huis- en vastgoed eigenaren

Hogere woningwaarde en aantrekkelijkere woningen

Gemeente

Lagere zorgkosten, lagere inrichtings- en onderhoudskosten in beheer van de openbare ruimte, lagere infrastructuurkosten door schade van klimaatverandering, weerbaar tegen het klimaat

Brede maatschappij

Minder CO2-uitstoot, gezondere bevolking, meer biodiversiteit

 

Tabel 5: Overzicht van de eigenaars van de baten van natuurinclusieve maatregelen

 

Begrippenlijst

 

  • o

    Biodiversiteit

    De verscheidenheid aan soorten planten, dieren en micro-organismen, even als de genetische variatie binnen soorten en ecosystemen. Hoe groter de verscheidenheid aan soorten en genetische variatie, hoe hoger de biodiversiteit.

     

    Ecologische waarde ontstaat door veel verschillende soorten en lagen van vooral inheemse plantensoorten die samen als robuust ecosysteem werken. Alleen bomen en gras geeft weinig biodiversiteit. Juist afwisseling aan plantensoorten zorgt voor o.a. voedsel en veiligheid voor heel veel diersoorten. Biodiversiteit behoud en versterk je door een afwisseling in soorten en mogelijkheden.

  • o

    Boomkroonoppervlak

    De kroon is het gedeelte van de boom boven de takvrije stam. Het boomkroonoppervlak is het horizontale oppervlak van de kruin. Dit kan benaderd worden door de kroon op de grond te projecteren en de inhoud van het oppervlak in vierkante meters te meten.

  • o

    Ambassadeursoorten

    Om de biodiversiteit te stimuleren zijn een aantal ambassadeursoorten geselecteerd die ieder een eigen rol vervullen. Door voor deze diersoorten gericht een habitat (leefgebied) te maken, wordt de omgeving eveneens geschikt voor nog veel meer diersoorten die gebruikmaken van dezelfde natuurtypen. Ook wordt hiermee aandacht besteed aan verschillende aspecten die zorgen voor een goede basiskwaliteit natuur en veel biodiversiteit in het gebied.

     

    De ambassadeursoort is als het ware een graadmeter voor de kwaliteit van een bijbehorend natuurtype. Na verloop van tijd kun je op basis van zijn aanwezigheid conclusies trekken over het succes van de gebiedsgerichte aanpak.

  • o

    Ecologische V’s

    Met de ecologische V’s bedoelen we de habitatvoorwaarden die een diersoort nodig heeft voor een geschikte leefomgeving. Het gaat daarbij vooral om Voedsel, Vocht, Verblijfplaatsen en Voortplantingsplaatsen, Verbindingen, Veiligheid en Variatie.

  • o

    Fijnmazige structuur

    De fijnmazige structuur bestaat uit de lijnen van natuur (water en groen) tussen de hoofdgroenstructuren. Het zijn daarmee vaak de kleinere wijkstructuren, velden en plantsoenen.

  • o

    Gebouwbewonende soorten

    Dit zijn diersoorten die hun slaap- en/of broedplaats in of op gebouwen vinden. Veelvoorkomende gebouwbewonende soorten in stedelijk gebied zijn de gierzwaluw, gewone dwergvleermuis en huismus, maar ook vogels die op daken broeden, zoals de zwarte roodstaart.

  • o

    Gebouwschil

    Dit is de grens tussen de binnenzijde van een woning of gebouw en de buitenwereld. De gebouwschil bestaat uit de begane vloer, de buitenmuren, de ramen, de kozijnen, de deuren en het dak.

  • o

    Grootschalige renovatie

    Dit zijn renovaties zoals beschreven in de Nota omgevingskwaliteit 2023 en heeft dezelfde betekenis als het begrip ‘ingrijpende’ renovaties uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (“Bbl"). Er is sprake van een grootschalige renovatie als:

    • o

      meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil wordt vernieuwd, veranderd of vergroot en

    • o

      deze vernieuwing, verandering of vergroting de integrale gebouwschil betreft.

  • Van een renovatie van de integrale gebouwschil is bijvoorbeeld sprake wanneer een dak of gevel volledig wordt opengelegd en vernieuwd. Hierdoor bestaat de mogelijkheid om tegelijkertijd de isolatie aan te brengen die voldoet aan de nieuwbouweis.

  • o

    Hoofdgroenstructuur

    De hoofdgroenstructuur bestaat uit de belangrijkste groengebieden en verbindingslijnen in de gemeente. Het doel is een aaneengesloten netwerk van groen met voldoende diversiteit en kwaliteit.

  • o

    Hoogwaardige habitat

    Met het begrip ‘hoogwaardige’ habitat worden de biotische en abiotische eisen van een diersoort in een bepaald leefgebied of leefomgeving bedoeld op grond waarvan de diersoort zich thuis kan voelen en zich zal gaan vestigen. Het omvat alle aspecten van de ontwikkeling van een diersoort die lokaal gerealiseerd kunnen worden. Dit vatten we samen in de verschillende v’s: Voedsel & Vocht, Veiligheid, Verblijven & Voortplantingsmogelijkheden, Verbinding en Variatie.

  • o

    Natuurinclusief bouwen en inrichten

    Natuurinclusief bouwen is een vorm van duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij zowel het bouwwerk als de omgeving samen bijdragen aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden.

  • o

    Natuurtypen

    We gebruiken natuurtypen om afspraken te maken over natuurbeheer, ruimtelijke ontwikkeling en milieu. Op die manier kan de gewenste natuurkwaliteit gerealiseerd worden. Voor de gebouwde omgeving zijn dit bijvoorbeeld tuinen, plantsoenen, bermen, bomen, struweel, braakliggende gronden, kademuren, vijvers, grachten en sloten.

  • o

    Natuurdoeltypen

    Gewenste natuurtypen die waardevol zijn voor de biodiversiteit in een gebied.

  • o

    Natuurwaarden

    De waarde die aan een bepaald gebied wordt toegekend, gezien vanuit het perspectief van natuurbescherming en landschapselementen. De term ‘natuurkwaliteit’ wordt hiervoor ook gebruikt.

  • o

    Plangebied

    Dit is het gebied binnen de plangrenzen zoals aangeduid vanuit ruimtelijke ordening. Dit kan zowel privaat, mandelig, als ook openbaar terrein betreffen.

  • o

    Ruimtelijke opgaven

    Hieronder vallen projecten voor grootschalige renovatie, nieuwbouw en herinrichting (reconstructie) van de openbare ruimte en waarvoor de regels van natuurinclusief bouwen en inrichten gelden.

  • o

    Soortcategorieën

    Geschikte soortcategorieën (dieren) worden per plangebied door een ecoloog geselecteerd op basis van een omgevingsscan per gebied. De soortcategorieën zijn als volgt ingedeeld:

    • 1)

      gebouwbewonend

    • 2)

      boombewonend

    • 3)

      aan bloemrijk grasland gebonden

    • 4)

      aan struweel gebonden

    • 5)

      aan water en oevers gebonden

Bronnen en verwijzingen

 

Bijlage 2. Toetsingsformulier natuurinclusief bouwen (A25.002548)

 

Naar boven