Hoofdstuk 1 Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning
Artikel 2. De melding en het vooronderzoek
- 1.
Een hulpvraag kan door of namens een inwoner bij het college worden gemeld.
- 2.
De melding wordt door het college geregistreerd.
- 3.
Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk, waarbij ook het doel van het onderzoek wordt toegelicht, relevante informatie wordt gegeven en er wordt geattendeerd op de mogelijkheid om inwoners te laten bijstaan door een naaste of een onafhankelijke cliëntondersteuner.
- 4.
Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de inwoner en zijn situatie.
- 5.
Het college brengt de inwoner op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.
- 6.
Het college wijst de inwoner en zijn mantelzorger vóór het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
- 7.
Voor het onderzoek verschaft de inwoner het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De inwoner verstrekt in ieder geval een identificatiedocument ter inzage.
- 8.
Als de inwoner genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de inwoner afzien van een vooronderzoek.
- 9.
In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding zo spoedig mogelijk een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek als bedoeld in artikel 5.
- 10.
Bij spoedeisende gevallen is altijd sprake van maatwerk.
- 11.
Het college kan in spoedeisende gevallen beoordelen of een inwoner voorrang krijgt op een voorziening.
Artikel 3. Rol van de cliëntondersteuner
- 1.
De cliëntondersteuner heeft een proactieve rol in het voorveld, gericht op het versterken van de eigen regie van de inwoner.
- 2.
De cliëntondersteuner kan, voorafgaand aan een melding of aanvraag Wmo-ondersteuning, in overleg met de inwoner onderzoek verrichten naar:
- a.
De aard van de hulpvraag;
- b.
De inzet van eigen kracht en het sociale netwerk;
- c.
Beschikbare algemene voorzieningen;
- d.
Mogelijke routes voor passende ondersteuning.
- 3.
De bevindingen van de cliëntondersteuner kunnen mee worden genomen in het formele onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015.
- 4.
De cliëntondersteuner is onafhankelijk van het college en andere zorgaanbieders en handelt in het belang van de inwoner.
Artikel 4. Het onderzoek
- 1.
Het college voert op methodische wijze een onderzoek uit met behulp van enerzijds een deskundige namens de gemeente en anderzijds degene door/namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de naasten (en eventueel ook met een eigen deskundige).
- 2.
Het college onderzoekt vormvrij:
- a.
de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner, wat de beperkingen in zelfredzaamheid en participatie zijn en het probleem of de hulpvraag;
- b.
het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;
- c.
de aard en omvang van de door het college te organiseren noodzakelijke maatschappelijke ondersteuning;
- d.
de mogelijkheden om op eigen kracht, of met voorliggende voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te verbeteren;
- e.
de mogelijkheid tot de inzet van gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren;
- f.
de mogelijkheden om met mantelzorg (of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk) zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren;
- g.
of er voor het college nog iets te compenseren overblijft;
- h.
de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner;
- i.
de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie;
- j.
de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zoals bedoeld in de Wet maatschappelijk ondersteuning, de Participatiewet en Jeugdwet;
- k.
de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;
- l.
de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, werk en/of inkomen;
- m.
welke bijdragen in de kosten de inwoner verschuldigd zal zijn, en
- n.
de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de inwoner in begrijpelijke (schriftelijke) bewoordingen wordt ingelicht over wat het pgb inhoudt, met daarbij de voor- en nadelen van het pgb, zodat de inwoner een weloverwogen keuze kan maken.
- 3.
Als de inwoner een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
- 4.
Het college informeert de inwoner over de gang van zaken tijdens het onderzoek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt zo nodig de inwoner toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.
- 5.
Als de situatie van de inwoner bij het college voldoende bekend is, kan het onderzoek in overleg met de inwoner worden beperkt tot de onderdelen die volgens het college en de inwoner of zijn vertegenwoordiger van belang zijn in relatie tot de melding.
Artikel 5. Het verslag en de beschikking
- 1.
Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek in de vorm van een verslag met afspraken.
- 2.
Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden aan het verslag toegevoegd.
- 3.
- a.
de inwoner of diens vertegenwoordiger met het verslag (en de afspraken daarin) akkoord gaat, ondertekent de inwoner of diens vertegenwoordiger het verslag en geeft hierin aan dat dit als formele aanvraag voor een eventuele maatwerkvoorziening dient. Hij dient dit verslag vervolgens in bij het college die het eveneens ondertekent. Daarna kunnen de afspraken worden uitgevoerd;
- b.
de inwoner of diens vertegenwoordiger niet met het verslag (en de afspraken daarin) akkoord gaat, dan ondertekent hij het verslag niet en dient hij zelf (desgewenst) een formele aanvraag voor een maatwerkvoorziening in via een door het college vastgesteld persoonlijk ondersteuningsplan (POP). Op grond van de verzamelde gegevens neemt het college binnen twee weken een beslissing over deze aanvraag.
- 4.
Als de inwoner of diens vertegenwoordiger niet met de beschikking eens is, kan hij bezwaar aantekenen bij het college.
Artikel 6. Herindicatie en langdurig indiceren
- 1.
Maatwerkvoorzieningen kunnen, indien de aard en duur van de beperkingen dat rechtvaardigen, langdurig worden geïndiceerd.
- 2.
De rechtvaardigheid om langdurig te indiceren wordt meegenomen bij de beoordeling van de indicatieduur.
- a.
Een herindicatie vindt plaats:
- b.
Als de zorgvraag daartoe aanleiding geeft;
- c.
Indien de situatie van de inwoner is gewijzigd.
Hoofdstuk 2 Het persoonsgebonden budget
Artikel 7. Toetsing motivatie eis, bekwaamheid en kwaliteit
- 1.
Een pgb wordt uitsluitend toegekend op verzoek van de inwoner, na een procedure zoals beschreven in hoofdstuk 1.
- 2.
De inwoner aan wie een pgb wordt verstrekt, moet aan drie voorwaarden voldoen:
- a.
Motivatie-eis: de inwoner stelt zich gemotiveerd op het standpunt dat hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen; hiertoe dient de inwoner een persoonlijk pgb-plan in. Tevens wordt gewaarborgd dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen.
- b.
Bekwaamheid: de inwoner of zijn vertegenwoordiger dient naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat te worden geacht zijn belangen te kunnen behartigen – eventueel met hulp uit zijn sociaal netwerk – in staat worden geacht de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.
- c.
Kwaliteit: naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren en die de inwoner van het budget wil inkopen, van goede kwaliteit (veilig, doeltreffend en cliëntgericht) zijn. De kwaliteit wordt benoemd in het persoonlijk pgb-plan.
Artikel 8. pgb-plan
- 1.
Een inwoner die een aanvraag doet voor een pgb heeft de verplichting een pgb-plan in te dienen. Het pgb-plan wordt in het dossier gevoegd en wordt gebruikt bij de beoordeling of de inwoner in aanmerking komt voor een pgb.
- 2.
De inwoner geeft - al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk - in het pgb-plan tenminste de volgende onderdelen aan:
- *
wat de motivatie is om een aanvraag voor een pgb in te dienen,
- *
hoe hij de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit gaat voeren,
- *
welke ondersteuning hij zou willen inkopen met het budget,
- *
op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan zijn participatie en zelfredzaamheid,
- *
hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd, en
- *
hoe eventuele meerkosten van de ondersteuning worden bekostigd.
Artikel 9. Contra-indicatie pgb
- 1.
Geen persoonsgebonden budget wordt toegekend als de inwoner niet aan de drie voorwaarden in artikel 8 lid 2 voldoet.
- 2.
De afwijzingsreden onder lid 1 is niet limitatief. Om een pgb af te wijzen op overwegende bezwaren, moet er enige feitelijke onderbouwing zijn op grond waarvan afgewezen kan worden. De onderbouwing wordt in de beschikking vermeld.
- 3.
Een pgb zal ambtshalve – via een beschikking – worden omgezet worden in natura als:
- a.
uit twee achtereenvolgende controles is gebleken dat (een deel van) het pgb niet is besteed aan een voorziening die voldoet aan het programma van eisen;
- b.
na een controle blijkt dat een persoon bij terugvordering van het niet of onjuist bestede deel van het pgb dit deel niet terugbetaalt.
- c.
Na een controle blijkt dat het pgb niet wordt besteed en ingezet voor de gestelde doelen uit het pgb-plan.
- 4.
Bij beschikking maakt het college bekend wat de omvang van het persoonsgebonden budget is, voor hoeveel jaar het pgb is bedoeld, welke doelen bereikt dienen te worden met besteding van het budget en welke overige afspraken er gemaakt zijn.
- 5.
Zodra de beschikking door het college is verzonden, wordt het pgb beschikbaar gesteld via de Sociale Verzekeringsbank (SVB).
- 6.
Een pgb voor voorzieningen wordt verstrekt voor een periode zoals die is vastgelegd in de beschikking. In deze periode zal geen nieuw pgb verstrekt worden. Ook zal geen voorziening in natura worden verstrekt gedurende bovengenoemde periode.
Artikel 10. Hoogte pgb
- 1.
- a.
wordt gebaseerd op een door de inwoner opgesteld pgb-plan over hoe hij het pgb gaat besteden. Daarbij wordt de hoogte van het pgb, na onderzoek en met een besluit, vastgesteld door het college;
- b.
is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en;
- c.
bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatvoorziening in natura, op basis van de verordening;
- d.
is het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte en als het college voor de betreffende voorziening geen overeenkomst heeft gesloten, en;
- e.
Wordt voor dienstverlening jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de contractueel overeengekomen index voor de betreffende zorg in natura.
- 2.
De hoogte van het pgb voor een overige voorziening wordt bepaald op de tegenwaarde van de voorziening die de aanvrager op dat moment ontvangen zou hebben als deze in natura zou zijn verstrekt.
- a.
Was dat een niet nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte afschrijvingstermijn, rekening houdend met onderhoud en verzekering;
- b.
Was de naturaverstrekking een nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering.
Artikel 11. Verantwoording pgb voor diensten
- 1.
Het pgb wordt beheerd door de SVB. De budgethouder dient zich te houden aan de regels die de SVB stelt.
- 2.
Uit het pgb voor diensten mag betaald worden:
- a.
uurloon van de hulpverlener;
- b.
reiskosten van de hulpverlener op basis van woon-werkverkeer (max. de hoogte van de bijdrage en de daarbij behorende voorwaarden die zijn vastgesteld door de SVB);
- c.
vervanging hulpverlener bij ziekte/vakantie van hulpverlener;
- d.
een feestdagenuitkering van maximaal de geldende hoogte op jaarbasis volgens het SVB.
- 3.
Uit het pgb voor diensten mag, behoudens het bepaalde in het tweede lid onder d, niet betaald worden:
- a.
- b.
- c.
loon aan mensen voor het geven van gebruikelijke zorg;
- d.
uurloon zorgverlener die gemaakt zijn voor/na de indicatieperiode;
- e.
kosten voor belangbehartigers of tussenpersonen;
- f.
administratiekosten zoals kosten voor acceptgiro’s;
- g.
andere zaken waardoor de gestelde doelen niet worden behaald.
- 4.
Het college stelt vast of de budgethouder het pgb voor diensten aan de onder het tweede lid genoemde heeft besteed en vordert het niet daaraan besteedde budget geheel of gedeeltelijk terug.
- 5.
Verantwoording van besteding van het pgb loopt via de SVB. Verantwoording over de kwaliteit en doelmatigheid van de ingekochte diensten en voorzieningen vindt plaats in gesprek met het college. Dit kan plaats vinden tijdens een herindicatie, volgens vooraf gemaakte afspraken of steekproefsgewijs.
- 6.
Bij overlijden van de budgethouder wordt de uitbetaling van het pgb voor diensten per direct beëindigd. Bij afwezigheid van inwonende erfgenamen wordt het reeds uitbetaalde pgb voor de maand van overlijden niet teruggevorderd en wordt geen verantwoordingsformulier opgevraagd.
Artikel 12. Verantwoording pgb voor voorzieningen
- 1.
Het pgb wordt beheerd door de SVB. De budgethouder dient zich te houden aan de regels die de SVB stelt.
- 2.
Een pgb voor voorzieningen mag besteed worden aan:
- a.
een voorziening waarmee de in de beschikking gestelde doelen worden behaald;
- b.
de bij de voorziening passende onderhoud- en reparatiekosten;
- c.
wettelijk verplichte verzekeringen;
- d.
collectief vraagafhankelijk vervoer.
- 3.
Uit een pgb voor voorzieningen mag niet worden betaald:
- a.
- b.
- c.
kosten voor belangbehartigers of tussenpersonen;
- d.
administratiekosten zoals kosten voor acceptgiro’s;
- e.
andere zaken waardoor de gestelde doelen niet worden behaald.
- 4.
Het college stelt vast of de budgethouder het pgb voor een voorziening aan de onder het tweede lid genoemde heeft besteed en vordert het niet daaraan besteedde budget geheel of gedeeltelijk terug.
- 5.
Verantwoording van besteding van het pgb loopt via de SVB. Verantwoording over de kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid van de ingekochte diensten en voorzieningen vindt plaats in gesprek met het college. Dit kan plaats vinden tijdens een herindicatie, volgens vooraf gemaakte afspraken of steekproefsgewijs.
- 6.
Bij overlijden van de budgethouder wordt de uitbetaling van het pgb voor diensten per direct beëindigd. Bij afwezigheid van inwonende erfgenamen wordt het reeds uitbetaalde pgb voor de maand van overlijden niet teruggevorderd en wordt geen verantwoordingsformulier opgevraagd.
Artikel 13. Vaststellen kostprijs
- 1.
De hoogte van de bijdrage voor een algemene voorziening wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van deze voorziening.
- 2.
De kostprijs van een maatwerkvoorziening en pgb is in natura gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt en wordt bepaald:
- a.
- b.
na een consultatie in de markt, of
- c.
in overleg met de aanbieder.
Hoofdstuk 4 Collectief vraagafhankelijk vervoer
Artikel 15. Vervoer voor sociaal recreatieve doeleinden
- 1.
Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met sociaal- recreatieve verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving.
- 2.
Het gebruik van collectief vervoer heeft de voorkeur als het de inwoner naar het oordeel van het college voldoende in staat stelt tot participatie.
- 3.
Voor de volgende doeleinden gelden andere wetgeving/regelgevingen:
- a.
Wet Langdurige Zorg (Wlz): als een inwoner gedurende een dagdeel begeleiding of behandeling ontvangt op een locatie die niet dezelfde is als de verblijfslocatie, kan het verzekerd pakket tevens het vervoer van en naar die locatie omvatten;
- b.
Zorgverzekeringswet (Zwv): bijvoorbeeld vervoer in verband met een medische behandeling;
- c.
Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV): vervoer in het kader van arbeid;
- d.
Onderwijs: leerlingenvervoer;
- e.
Vervoer in het kader van dagbesteding: een maatwerkvoorziening voor vervoer van volwassenen naar de dagbesteding (begeleiding groep).
- 4.
Oneigenlijk gebruik van de maatwerkvoorziening kan tot gevolg hebben dat de maatwerkvoorziening wordt ingetrokken.
Artikel 16. Algemeen gebruikelijke voorzieningen
- 1.
Bij sociaal recreatief vervoer is het vervoer van thuiswonenden kinderen door ouders, of het vervoer van partners in de basis algemeen gebruikelijk. Niet in alle gevallen of op alle momenten kan dergelijk algemeen gebruikelijke ondersteuning worden geboden. Dit betekent dat in zulke situaties aanvullende ondersteuning noodzakelijk kan zijn. Onder algemeen gebruikelijke vervoersmiddelen vallen bijvoorbeeld:
- *
Een fiets, inclusief een fiets met elektrische trapondersteuning, tandem, aankoppelfiets, fietszitje of fietsaanhanger, zijwieltjes aan een fiets en een bakfiets;
- *
Snorfiets, brommer en scooter;
- *
- *
Een vergoeding die iemand betaalt voor het gebruik van het vervoersmiddel van een derde;
- *
- *
De kosten van het behalen van een (brommer)rijbewijs.
Artikel 17. Vervoersprobleem
- 1.
Een voorziening voor sociaal recreatief vervoer kan worden geïndiceerd als een inwoner een vervoersprobleem heeft. Er is sprake van een vervoersprobleem wanneer de inwoner als gevolg van zijn beperkingen:
- a.
Niet in staat is de bestemmingen te bereiken die noodzakelijk zijn om te komen tot een aanvaardbaar niveau van participatie;
- b.
De aanwezige algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals een fiets of een auto in verband met de vervoersbehoefte geen of onvoldoende oplossing biedt;
- c.
Voorliggende voorzieningen zoals vervoersmaatjes, vervoersinitiatieven geen of onvoldoende oplossing biedt en/of;
- d.
Belemmeringen ondervindt in het gebruik van het regulier openbaar vervoer.
- 2.
Beperkingen bij het gebruik van het regulier openbaar vervoer kunnen bijvoorbeeld door de volgende oorzaken worden veroorzaakt:
- *
De inwoner kan het openbaar vervoer niet gebruiken omdat de loopafstand beperkt is tot maximaal 800 meter;
- *
Openbaar vervoer is door andere beperkingen niet toegankelijk voor de inwoner;
- *
De inwoner is niet in staat te wachten;
- *
Er is sprake van ernstige incontinentieproblemen van ontlasting;
- *
Ernstige gedragsproblemen, allergieën of overgevoeligheid voor ziekteverwekkers.
- 3.
Het ondervinden van een eventueel positief effect op de gezondheid of het plezier tijdens het vervoer worden niet meegewogen in de noodzaak voor het toekennen van een maatwerkvoorziening voor sociaal recreatief vervoer.
- 4.
Een vervoersvoorziening wordt geweigerd indien de inwoner:
- a.
in bezit is van een auto die hij gebruikt, en
- b.
bij het gebruik van de auto geen problemen ondervindt, en
- c.
de auto voorziet in de lokale vervoersbehoefte.
- 5.
Er wordt altijd uitgegaan van de goedkoopst adequate oplossing, eventuele meerkosten omdat men een duurdere of meer luxere voorziening wenst moeten zelf betaald worden.
Artikel 18. Kosten, vervoerregelement en kilometerbudget
- 1.
Een gebruiker van het collectief vervoer betaalt met een Wmo indicatie een eigen bijdrage aan dit vervoerssysteem. Dit is het gecontracteerde Wmo tarief.
- 2.
Indien gebruik wordt gemaakt van de vervoerspas kan tot maximaal 3.000 kilometer per jaar worden gereisd.
- 3.
De maximale reisafstand waarvoor het reguliere tarief wordt betaald, is 25 kilometer per rit. Voor de reisafstanden tussen de 25 en de 30 kilometer per rit geldt een hoger tarief.
- 4.
Het vervoerreglement met nadere toelichting over de uitvoering is te vinden op de website van de vervoerder.
- 5.
Het is mogelijk om een vervoersvoorziening voor een kind tot 18 jaar vanuit de Wmo toe te kennen wanneer dit kind door beperkingen is aangewezen op andere voorzieningen dan de standaard, bij de leeftijd passende voorzieningen zoals een normale fiets of driewieler. In het onderzoek naar de noodzaak van de voorziening kan aanvullend medisch onderzoek worden aangevraagd.
Artikel 19. Puntbestemmingen en bovenregionaal vervoer
- 1.
Er bestaan puntbestemmingen waar inwoners naar toe kunnen reizen voor het reguliere tarief ongeacht de afstand vanaf het woonadres. De meest actuele lijst is terug te vinden op de website van de vervoerder.
- 2.
Er bestaat de mogelijkheid om (individuele en tijdelijke) puntbestemmingen toe te kennen aan een inwoner.
- 3.
Valys is bedoeld voor sociaal recreatieve uitstapjes op bovenregionale afstanden. Dat houdt in: de bestemming óf het vertrekpunt van de reis ligt op meer dan 25 km afstand van het woonadres.
- 4.
Voor een visuele uiteenzetting van bovenstaand verwijs ik u naar Bijlage 1: Stroomschema oplossingsrichtingen vervoersprobleem.
Hoofdstuk 5 Tegemoetkomingen in de kosten van voorzieningen
Artikel 20. Tegemoetkoming voor kosten auto, taxi, rolstoeltaxi, autoaanpassing, verhuiskosten, sportrolstoel en bezoekbaar maken woning
- 1.
In West Maas en Waal zijn er tegemoetkomingen voor:
- a.
- b.
- c.
- d.
Autoaanpassing; hoogte tegemoetkoming nader te bepalen per individueel geval;
- e.
- f.
Vloerbedekking – inclusief rolstoeltapijt – en gordijnen: maximaal het normbedrag dat vermeld staat in de Prijzengids van het Nationaal instituut voor budgetvoorlichting (Nibud);
- g.
Aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel;
- h.
Het bezoekbaar maken van een woning bedraagt: maximaal € 2.500,00.
- 2.
De hoogte van tegemoetkoming in kosten van voorzieningen vallen onder de ‘Nadere regelingen maatschappelijke ondersteuning’ en worden jaarlijks gepubliceerd op de website van de gemeente.
Artikel 21. Woonvoorzieningen
- 1.
Bij de beoordeling van de vraag of een woonvoorziening van bouwkundige of woontechnische aard noodzakelijk is, geldt het primaat van verhuizing naar een passende of een goedkoper aanpasbare woning in onze gemeente.
- 2.
Indien een verhuizing in de situatie genoemd in het eerste lid naar het oordeel van het college in redelijkheid niet van de inwoner kan worden gevergd, wordt in eerste instantie onderzocht of een losse woonunit het goedkoopst en meest adequaat is.
- 3.
Indien een verhuizing of een losse woonunit genoemd in het eerste en tweede lid naar het oordeel van het college in redelijkheid niet van de inwoner kan worden gevergd en niet het goedkoopst en meest adequaat is, kan een woningvoorziening van bouwkundige aard of woontechnische aard worden verstrekt.
- 4.
De hoogte van een pgb voor een woonvoorziening wordt vastgesteld op basis van minimaal een offerte, waarbij het uitgangspunt is dat de voorziening het goedkoopst en meest adequaat moet zijn, te beoordelen door het college.
- 5.
Het college verleent alleen een financiële tegemoetkoming voor onderhoud, keuring en reparatie van woonvoorzieningen indien:
- a.
de woonvoorziening door de gemeente is verstrekt, en,
- b.
belanghebbende ten tijde van het onderhoud, de keuring of reparatie de woonruimte als hoofdverblijf bewoont.
- c.
De hoogte van een financiële tegemoetkoming voor onderhoud en keuring van een woonvoorziening is gemaximeerd tot de bedragen voor de respectievelijke woonvoorzieningen.
Artikel 22. Tijdelijke huisvesting
- 1.
Het college kan een financiële tegemoetkoming voor de kosten van tijdelijke huisvesting verlenen indien deze moeten worden gemaakt in verband met het aanpassen van:
- a.
de huidige woonruimte van belanghebbende;
- b.
de door belanghebbende nog te betrekken woonruimte.
- 2.
De financiële tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting wordt uitsluitend verleend voor de periode dat de aan te passen woonruimte ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet bewoond kan worden en belanghebbende als gevolg daarvan voor dubbele woonlasten komt te staan die redelijkerwijs niet voorkomen kunnen worden.
- 3.
De hoogte van een te verlenen financiële tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting bedraagt:
- a.
de werkelijke kosten – met een maximum per maand zoals vermeld op de website van de gemeente – in verband met het tijdelijk betrekken van zelfstandige woonruimte;
- b.
de werkelijke kosten –met een maximum per maand zoals vermeld op de website van de gemeente – in verband met het tijdelijk betrekken van niet-zelfstandige woonruimte.
- 4.
De financiële tegemoetkoming voor tijdelijke huisvesting wordt gedurende maximaal zes maanden verleend.
Artikel 23. Huurderving
- 1.
Om aangepaste woningen beschikbaar te houden voor mensen met een Wmo-indicatie kan het college huurderving compenseren aan de verhuurder.
- 2.
In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woning die voor meer dan € 6.800,00 is aangepast, kan het college voor de duur van maximaal zes maanden een financiële tegemoetkoming voor huurderving verlenen.
- 3.
De hoogte van de financiële tegemoetkoming voor huurderving is gerelateerd aan de kosten van kale huur van de woonruimte over een periode van zes maanden. De hoogte wordt gemaximeerd tot de huurgrens waarbij huurtoeslag wordt toegekend.
Artikel 24. Aanpassing bedragen
- 1.
Jaarlijks kunnen bedragen worden aangepast op basis van het prijspeil en worden jaarlijks gewijzigd op basis van de consumentenprijsindex van huishoudens van het CBS.
- 2.
Voor de dienstverlening wordt jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de contractueel overeengekomen index voor de betreffende maatwerkvoorziening in natura.
- 3.
Als toepassing is gegeven aan lid 1 en 2, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen.
- 4.
Er wordt jaarlijks op de website van de gemeente een document geüpload met betrekking tot de op dat moment geïndexeerde geldende prijzen voor een selectie aan voorzieningen.
Hoofdstuk 6 Calamiteiten en geweld
Artikel 25. Melden van calamiteiten en geweld
- 1.
Aanbieders, natuurlijke personen en zzp’ers die een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening leveren op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning, dienen calamiteiten te melden aan de toezichthoudende ambtenaar.
- 2.
De melding aan de toezichthoudende ambtenaar dient onverwijld, maar uiterlijk binnen drie werkdagen na de calamiteit te geschieden.
Artikel 26. Inhoud melding
- 1.
- a.
De dagtekening van de melding;
- b.
Gegevens over de aanbieder en de betrokken zorgverleners, zoals de naam van de aanbieder, de locatie of de afdeling, de naam en hoedanigheid van de melder, de naam van de betrokken zorgverlener(s);
- c.
Gegevens over de betrokken inwoner(s) zoals de naam en de geboortedatum van de inwoner(s), geslacht, verblijfplaats;
- d.
Gegevens over betrokken gemeenten bij de calamiteit (plaats gebeurtenis, vestigingsplaats aanbieder, woonplaats betrokkene)
- e.
Gegevens over de inhoud van de calamiteit;
- f.
Informatie over de actuele veiligheid van de inwoner en eventuele anderen;
- g.
Informatie over het afhandelen van de calamiteit; hieronder valt ook de informatie of, en zo ja, welke belanghebbenden zijn geïnformeerd over de melding aan de toezichthoudend ambtenaar.
- h.
Inschatting van de mogelijkheid dat de calamiteit leidt tot maatschappelijke onrust of de mate waarin deze publiciteitsgevoelig is.
Artikel 27. Feitenrelaas
Op verzoek van de toezichthoudende ambtenaar stuurt de aanbieder binnen twee weken na de melding een feitenrelaas over de calamiteit toe aan de toezichthoudend ambtenaar. De toezichthoudend ambtenaar geeft aan uit welke elementen het feitenrelaas moet bestaan.
Artikel 28. Verzoek tot het doen van onderzoek
Op verzoek van de toezichthoudende ambtenaar voert de aanbieder een onafhankelijk onderzoek uit naar de calamiteit. De aanbieder legt binnen drie weken na het verzoek de opzet van het onderzoek aan de toezichthoudende ambtenaar voor en wacht op goedkeuring van de toezichthoudende ambtenaar. Na deze goedkeuring voert de aanbieder het onderzoek uit en stuurt de rapportage binnen uiterlijk zes weken na goedkeuring naar de toezichthoudende ambtenaar. De aanbieder draagt er zorg voor dat de opzet en uitvoering van dit onderzoek van verantwoord niveau zijn.
Hoofdstuk 7 Overige bepalingen
Artikel 29. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de verordening stellen we nadere eisen aan de kwaliteit van maatwerkvoorzieningen, zowel van maatwerkvoorzieningen die in natura worden verstrekt als van maatwerkvoorzieningen die als pgb worden verstrekt.
Artikel 30. Aanpassing regionale tarieven
De geïndexeerde tarieven voor persoonlijke verzorging, begeleiding individueel, begeleiding groep/dagbesteding vervoer, kortdurend verblijf/logeren en huishoudelijke ondersteuning worden jaarlijks gepubliceerd op de regionale website https://www.rivierenlandkanmeer.nl/nl-NL/zorgaanbieders/zorginkoop.
Artikel 31. Het in de gemeente woonachtig zijn
Om vast te stellen of iemand woonachtig is in de gemeente, wordt de Gemeentelijke Basisadministratie geraadpleegd. Toch is het niet altijd duidelijk welke gemeente compensatieplicht heeft voor het verstrekken van Wmo-voorzieningen. Sommige bewoners hanteren namelijk een postadres. De gemeente is verantwoordelijk voor het verstrekken van Wmo-voorzieningen aan personen die daadwerkelijk woonachtig zijn binnen de gemeente, conform artikel 3, lid 3 van de verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke Ondersteuning 2025 van de gemeente West Maas en Waal.
Artikel 32. Vrij toegankelijke dienstverlening
- 1.
De gemeente stelt bepaalde vormen van dienstverlening beschikbaar, die voor elke inwoner vrij toegankelijk zijn, dat wil zeggen dat hiervoor geen indicatie of verwijzing door een professional nodig is.
- 2.
De volgende vrij toegankelijke voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:
- a.
informatie, advies, kortdurende ondersteuning en korte trainingen;
- b.
de gemeente bepaalt nader de omvang van deze dienstverlening;
de gemeente contracteert en/of subsidieert hiervoor een aantal organisaties die deze dienstverlening leveren.
- 3.
Het college neemt over de invulling van de vrij toegankelijke dienstverlening zoals genoemd in lid 2 een nader besluit.
Artikel 33. Waardering mantelzorgers
Het college laat haar waardering blijken voor mantelzorgers, door aan hen waardebonnen beschikbaar te stellen. Daarnaast worden mantelzorgers als specifieke groep ondersteund vanuit een mantelzorgsteunpunt, zowel individueel als in groepsverband.
Artikel 34. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
De Adviesraad sociaal domein West Maas en Waal is aangewezen als adviesorgaan van het college. Alvorens zaken op grond van de Wmo, de Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp of de nadere regels maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp West Maas en Waal worden vastgesteld, zal altijd en tijdig advies worden gevraagd aan de Adviesraad sociaal domein West Maas en Waal.
Artikel 35. Evaluatie
Het college evalueert deze nadere regels elke twee jaar.
Artikel 36. Overgangsrecht
Voorzieningen in de vorm van een financiële tegemoetkoming op jaar- of declaratiebasis die toegekend zijn met toepassing van de nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente West Maas en Waal 2020 of een eerder besluit lopen door tot einde van de indicatie.
Artikel 37. Inwerkingtreding en citeertitel
1. Deze nadere regels treden in werking op de dag na bekendmaking.
2. De ‘Nadere regels Maatschappelijk Ondersteuning 2022’ worden ingetrokken per datum inwerkingtreding onderhavige nadere regels.
4. Deze nadere regels worden aangehaald als: ‘Nadere regels Maatschappelijke Ondersteuning gemeente West Maas en Waal 2025’.