Gemeenteblad van West Maas en Waal
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| West Maas en Waal | Gemeenteblad 2025, 448940 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| West Maas en Waal | Gemeenteblad 2025, 448940 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Maatschappelijk Ondersteuning West Maas en Waal 2025
De raad van de gemeente West Maas en Waal;
Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 augustus 2025:
Besluit van de raad van de gemeente West Maas en Waal tot vaststelling van een nieuwe Verordening Maatschappelijke Ondersteuning West Maas en Waal 2025
De raad van de gemeente West Maas en Waal;
Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 augustus 2025:
Gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de artikelen 3.8 tweede lid en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;
Het noodzakelijk is om inwoners te ondersteunen als zij beperkingen ondervinden in hun maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid en zij niet in staat zijn om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hiervoor een oplossing te vinden;
Het noodzakelijk is om inwoners met psychische of psychosociale problemen en inwoners die vanwege huiselijk geweld of om andere redenen de thuissituatie hebben verlaten, te ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving als zij hier niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen toe in staat zijn;
Hoofdstuk 1: begrippen en vormen van ondersteuning
hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de inwoner zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in de basisregistratie Personen ingeschreven staan of zal staan (indien de inwoner in de Basisregistratie Personen met een postadres ingeschreven staat, gaat het om het feitelijk woonadres);
inwoner: een ingezetene van de gemeente West Maas en Waal die ingeschreven staat in de Basisregistratie Personen (BRP). Daarnaast in deze verordening een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgeboden budget is verstrekt of door of namens wie een hulpvraag is gedaan. In deze verordening kan dat zijn een: persoon vallend onder de Wmo;
Ten behoeve van beschermd wonen en opvang; voor de van toepassing zijnde bepalingen betreffende beschermd wonen en maatschappelijke opvang wordt verwezen naar de bepalingen betreffende beschermd wonen en maatschappelijke opvang in de geldende Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp van de gemeente Nijmegen. Deze bepalingen zijn van toepassing op de uitvoering van beschermd wonen en maatschappelijke opvang in de gemeente West Maas en Waal.
Artikel 2. Vormen van maatschappelijke ondersteuning
De gemeente stelt bepaalde vormen van dienstverlening beschikbaar, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. Algemene voorzieningen zijn voor elke inwoner vrij toegankelijk, dat wil zeggen dat hier geen indicatie of verwijzing door een professional nodig is. Voor een maatwerkvoorziening stelt het college criteria voor de toegang (zie hoofdstuk 3);
Hoofdstuk 3: Maatwerkvoorziening
Artikel 7. Criteria voor een maatwerkvoorziening
Een inwoner met psychische of psychosociale problemen en een inwoner die vanwege huiselijk geweld of om een andere reden de thuissituatie heeft verlaten, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als de inwoner de problemen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:
Artikel 10. Hoogte van een pgb
wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering;
De hoogte van een pgb voor dienstverlening wordt bepaald op basis van de dienstverlening die anders als zorg in natura zou zijn geleverd en bedraagt voor de inzet van dienstverlening, uitgevoerd door personen die formele hulp en ondersteuning bieden, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1ste of 2de graad van de inwoner:
De aanbieders die vallen onder I ontvangen maximaal 100% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door gemeente gecontracteerde aanbieder voor zorg in natura die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt. Dit tenzij op basis van het PGB-plan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.
De aanbieders die vallen onder II ontvangen maximaal 90% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt. Dit tenzij op basis van het PGB-plan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.
Artikel 12. Regels voor een financiële tegemoetkoming
Een vervoerskostenvergoeding voor vervoer per eigen auto. De hoogte van de vervoerskostenvergoeding wordt nader vastgesteld door het college. De hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt door het college gebaseerd op de autokosten volgens de meest recente Nibud-prijzengids (variabele kosten miniklasse) waarbij het uitgangspunt geldt dat een cliënt met behulp van de vergoeding 2500 kilometer per kalenderjaar binnen de eigen leef- en woonomgeving kan reizen.
Artikel 13a. Hoogte bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, maatwerkvoorzieningen en pgb’s
Hoofdstuk 4: Kwaliteit en veiligheid
Artikel 17. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
aanbieders, natuurlijke personen en zzp’ers die een voorziening leveren op basis van de Wmo, melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar wanneer er geen sprake is van een wettelijk toegewezen inspectie.
Hoofdstuk 5: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten
Artikel 20. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen
het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.
Hoofdstuk 6: Herziening, wijziging en terugvordering maatschappelijke ondersteuning
Artikel 21. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen, en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo
Onverminderd artikel 2.3.8 van de Wmo, doet een inwoner op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling aan het college van alle feiten en omstandigheden, waarvan het redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening.
Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de inwoner opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de inwoner en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorzieningen of het ten onrechte genoten pgb.
Artikel 22: opschorting betaling uit het pgb
het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een inwoner een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.
Hoofdstuk 7: klachten, medezeggenschap en inspraak
Artikel 24. Vertrouwenspersoon
Het college zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.
Artikel 26. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval inwoners of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.
Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen te kunnen vervullen.
Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per twee jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe telkens twee jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.
TOELICHTING OP DE VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING
Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo). De Wmo geeft de gemeente de opdracht om zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning en voor de kwaliteit en continuïteit van de voorzieningen. Het begrip maatschappelijke ondersteuning is uiteengezet in drie hoofdelementen waarop van de gemeente inzet wordt verwacht:
De gemeenteraad stelt periodiek een plan vast met betrekking tot het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Het plan is erop gericht dat:
De Wmo schrijft voor dat de gemeente per verordening de regels moet vaststellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het beleidsplan (artikel 2.1.3 lid 1 Wmo).
Er moet steeds een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen worden om:
te achterhalen welk oplossingen de inwoner zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van het sociaal netwerk, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten, een beroep op andere wetten en algemeen gebruikelijke voorzieningen.
De Wmo en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Als de procedure goed wordt uitgevoerd, moet deze steeds tot een juiste beslissing leiden: ondersteuning waar ondersteuning nodig is.
Als de inwoner van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op zorgvuldige wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
De Wmo en deze verordening bepalen dat veel zaken door het college gedaan worden. In de praktijk worden deze zaken niet door het college zelf gedaan, maar (in mandaat) door deskundige ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Zij doen dit namens het college. Het college kan taken die in de wet en verordening aan haar worden opgedragen, mandateren aan ondergeschikten of nietondergeschikten op grond van de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de inwoner (ten aanzien van een voorziening) mandateren aan een aanbieder. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren.
Hoofdstuk 1: begrippen en vormen van ondersteuning
In hoofdstuk 1 wordt uitgelegd wat er verstaan wordt onder de begrippen die gebruikt worden in deze verordening.
Een aanbieder levert de ondersteuning aan de inwoner mocht dat nodig zijn. Dit geldt zowel voor een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening.
Een inwoner kan een aanvraag indienen om in aanmerking te komen voor een Wmo-maatwerkvoorziening.
lid 1 onder c. algemene voorziening:
Ter ondersteuning van de inwoners kunnen algemene voorzieningen worden ingezet. Deze zijn toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers. Een voorbeeld hiervan is de kortdurende ondersteuning die door de sociaal werkers wordt gegeven, maar ook daginvulling voor ouderen en welzijnsactiviteiten.
lid 1 onder d. algemeen gebruikelijke voorziening:
Bij de beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de inwoner, draait het om het beantwoorden van de vraag of de inwoner ook over de voorziening kon beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. De in deze bepaling opgenomen criteria volgen uit de weten regelgeving en de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Het is de vraag wat precies verstaan moet worden onder een 'inkomen op minimumniveau'. De vraag of een voorziening financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau moet volgens de CRvB zo worden begrepen dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten (CRvB 3-7-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1362 en CRvB 3-7-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1364).
lid 1 onder e. andere voorziening:
Een andere voorziening is een voorziening die de inwoner kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Wmo, bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg. Een andere voorziening is voorliggend op een Wmo-voorziening.
De begeleiding die wordt gegeven aan de inwoner met een hulpvraag. Het gaat hierbij om de begeleiding op individueel- of groepsniveau.
Het betreft hier een bijdrage in de kosten voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning of voor een maatwerkvoorziening.
Deze bepaling spreekt voor zich.
lid 1 onder i. gebruikelijke hulp:
Volgens de wet is gebruikelijke hulp, hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (artikel 1.1.1. Wmo 2015). In de nadere regels Wmo zal in 2025 worden opgenomen wat de gebruikelijke hulp in de gemeente West Maas en Waal inhoudt.
Omdat er bij het begrip ingezetene wordt gesproken over hoofdverblijf, is hier verduidelijkt wat hier onder wordt verstaan.
Een ingezetene van Nederland kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening (artikel 1.2.1 van de wet) en het college beslist op een aanvraag van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening (artikel 2.3.5 van de wet). Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich voor een maatwerkvoorziening moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22- 09-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats. De inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) vormt daarbij een belangrijke aanwijzing, maar is niet doorslaggevend.
Persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of pgb is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet.
lid 1 onder m. maatwerkvoorziening:
Een maatwerkvoorziening is een geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere voorzieningen ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie en beschermd wonen en opvang. Een maatwerkvoorziening moet op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon worden afgestemd. Voor een maatwerkvoorziening is een individuele beschikking noodzakelijk; dit verloopt via de toegang. Iemand komt pas in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als geen andere oplossingen voorhanden zijn.
Een inwoner kan zich melden bij de gemeente met een ondersteuningsvraag. Door het melden maakt de inwoner de ondersteuningsvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding doet het college in samenspraak met de inwoner zo spoedig mogelijk onderzoek. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen.
Nadere regels worden opgesteld ter uitwerking van wetten of verordeningen.
lid 1 onder p. ondersteuningsvraag of hulpvraag:
Een ondersteuningsvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Als iemand met behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat het college allereerst onderzoekt wat de ondersteuningsvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet is noodzakelijk.
Een onderzoek moet volgens de Wmo rechtmatig en zorgvuldig worden uitgevoerd en volgens de uitspraak van het CRvB uit de volgende elementen bevatten (CrVB: 21-3-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819):
Lid 1 onder r. persoonlijk ondersteuningsplan:
Een inwoner kan in een persoonlijk plan - al dan niet samen met zijn persoonlijke netwerk - de ondersteuningsvraag nader beschrijven en aangeven welke mogelijkheden of oplossingen hij zelf voor ogen heeft. Die informatie kan het college meenemen bij zijn onderzoek. Het opstellen van een persoonlijk plan kan de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van inwoners versterken.
lid 1 onder s. persoonsgebonden budget (pgb):
Bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren en die een inwoner van derden heeft betrokken.
lid 1 onder t. tarief en kostprijs:
Deze bepaling spreekt voor zich.
lid 1 onder u. uitvoeringsbesluit:
Deze bepaling spreekt voor zich.
lid 1 onder v. voorliggende voorziening:
een voorziening ontleend aan een andere wettelijke regeling dan de Wmo 2015 waarmee aan de ondersteuningsvraag wordt tegemoetgekomen.
Deze bepaling spreekt voor zich.
Het aantal definities van artikel 1 is beperkt omdat de wet (in artikel 1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening.
Zelfstandige zonder personeel. Een ondernemer die kan worden ingezet voor werkzaamheden binnen de Wmo. Aan een zz-per zitten enkele criteria verbonden die nader worden toegelicht in dit lid.
Het aantal definities van artikel 1. is beperkt aangezien de Wmo al veel definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb).
Artikel 2. Vormen van maatschappelijke ondersteuning
In dit artikel wordt onderscheidt gemaakt tussen algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. Verder staan in dit artikel de vormen van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen.
Hoofdstuk 2: Toegang en onderzoek
Dit hoofdstuk bevat de regels voor de procedure die voorafgaat aan de eventuele aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Deze procedure start op het moment dat de inwoner de gemeente om ondersteuning vraagt. Dit is de melding en de aanleiding voor de gemeente om onderzoek te doen. Het onderzoek vormt de kern van de procedure in de Wmo. De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat er oplossingen zijn voor de ondersteuningsvraag waar de inwoner geen maatwerkvoorziening van de gemeente voor nodig heeft. Als de inwoner zich daarin kan vinden, stopt op dat moment de procedure. Het is echter ook mogelijk dat de inwoner na het onderzoek een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doet. De regels die van belang zijn voor de melding en aanvraagfase zijn opgenomen in het volgende hoofdstuk.
De inwoner doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, de ondersteuningsvraag. De melding is niet gebonden aan een vorm of locatie. De melding kan vormvrij worden gedaan bij VraagWijzer. De melding kan door of namens de inwoner worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de inwoner als vertegenwoordiger kan optreden.
Artikel 3. Toegang maatschappelijke ondersteuning
De inwoner doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, de hulpvraag. In het eerste lid van artikel 3 is nog eens benadrukt dat de melding het middel is van een inwoner om zijn hulpvraag bij het college neer te leggen en dat deze vormvrij is. De melding kan door of namens de inwoner worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de inwoner als vertegenwoordiger kan optreden.
In het tweede lid is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de ontvangst bevestigt, ofschoon dit ook blijkt uit artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Daarnaast wordt benadrukt dat het onderzoek op basis van het zorgvuldigheidsbeginsel wordt uitgevoerd. De gemeente streeft ernaar om zo spoedig mogelijk na ontvangst van de melding de inwoner terug te contacten voor het bevestigen van de ontvangst en het maken van een afspraak. Uit de Memorie van Toelichting blijkt bovendien dat het college het tijdstip van de melding moet registreren. Uit wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging van de ontvangst van de melding schriftelijk moet. In lid 4 wordt de inwoner de mogelijkheid geboden tot het indienen van een persoonlijk ondersteuningsplan. Deze kan, zoals bedoeld in lid 5 mee worden genomen in het onderzoek. In lid 6, 7 en 8 wordt bespreken wat de bepaling zijn omtrent spoedeisende gevallen. De handelingen daarin zijn situatie afhankelijk en worden gezien als maatwerk. Als er criteria zouden worden opgesteld (bijv. op basis van leeftijd) zouden er juist alleen maar beperkingen zijn in de mogelijkheden tijdens een dergelijke situatie.
Artikel 4. Cliëntondersteuning
Cliëntondersteuning bestaat uit informatie, advies en korte ondersteuning die inwoners helpt zo zelfredzaam mogelijk te zijn en de daarvoor benodigde zorg en ondersteuning te vinden en te krijgen. De Wmo geeft gemeente de plicht om cliëntondersteuning goed te regelen.
Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2 lid 4 wat er tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Er wordt vanuit gegaan dat contact tussen gemeente en inwoner plaatsvindt en dat de omgeving van de inwoner daar zoveel mogelijk bij betrokken wordt. Daarbij is het de regel dat het onderzoek rechtmatig en zorgvuldig wordt uitgevoerd. In lid 2 wordt omschreven welke zaken in ieder geval aan bod moeten komen om het onderzoek zorgvuldig uit te voeren. Lid 3 beschrijft dat in de nadere regels hier nader invulling aan kan worden gegeven. Verder is om het onderzoek goed uit te voeren door het college de nodige deskundigheid in huis gehaald. Soms kan het echter ook nodig zijn om een extern advies op te vragen. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht geeft regels over (externe) advisering.
Hoofdstuk 3: maatwerkvoorzieningen
Dit hoofdstuk bevat de regels op basis waarvan het college beslist op de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Een inwoner kan de maatwerkvoorziening in natura ontvangen, maar ook in de vorm van een pgb als hij dat wenst. Daarmee kan hij zelf bepalen bij wie hij de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, wenst in te inkopen. In dit hoofdstuk is ook opgenomen welke regels er zijn voor een pgb (artikel 9) en hoe de hoogte van het pgb (artikel 10) wordt bepaald.
Artikel 6. Aanvraag maatwerkvoorziening
Hier wordt de aanvraagprocedure weergegeven. Een aanvraag wordt schriftelijk worden ingediend door middel van een door het college vastgesteld persoonlijk ondersteuningsplan (POP).
Artikel 6a. Beslissingen met terugwerkende kracht
Artikel 6a biedt het college de bevoegdheid om maatwerkvoorzieningen met terugwerkende kracht toe te kennen in situaties waarin strikte toepassing van de reguliere aanvraagprocedure leidt tot onredelijke gevolgen voor de inwoner. Hiermee wordt aangesloten bij het uitgangspunt van de Wmo dat maatwerk en het voorkomen van schrijnende situaties vooropstaan. Tegelijkertijd wordt met het opnemen van voorwaarden en een maximale terugwerkende termijn de rechtmatigheid en uitvoerbaarheid geborgd.
Lid 4 voorkomt dat inwoners op eigen initiatief voorzieningen inkopen en achteraf alsnog vergoeding daarvan claimen. Alleen wanneer bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, bijvoorbeeld spoedeisende situaties waarbij direct handelen noodzakelijk was, kan het college besluiten alsnog de kosten (gedeeltelijk) te vergoeden.
Artikel 7. Criteria voor een maatwerkvoorziening
In dit artikel zijn de algemene criteria beschreven die gelden om een maatwerkvoorziening te kunnen krijgen. Allereerst moet duidelijk zijn dat sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie of, bij een inwoner die de thuissituatie heeft verlaten, van problemen bij het zich handhaven in de samenleving. Daarnaast moet duidelijk zijn dat oplossingen die de inwoner zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp en algemeen gebruikelijke voorzieningen, niet toereikend zijn om de beperkingen te compenseren. Op basis van artikel 7 lid 6 kan het college nadere regels stellen. Het college kan bijvoorbeeld uitwerken welke regels gelden voor de beoordeling van de vraag of sprake is van eigen kracht of gebruikelijke hulp.
De inwoner moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de inwoner goed en volledig informeert. In dit artikel staat wat in ieder geval in de beschikking moet worden opgenomen. Hierbij wordt aangesloten bij de Wet algemene bestuursrecht. Ook kan het zijn dat de inwoner een bijdrage moet betalen. In dit artikel is opgenomen dat de inwoner hier in de beschikking over moet worden geïnformeerd.
Artikel 9. Regels voor een persoonsgebonden budget (pgb)
Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, is het college hier zelfs toe verplicht. Een aantal zaken volgen rechtstreeks uit de wet. De Wmo noemt in artikel 2.3.6. namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het PGB-plan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan.
In lid 2 wordt bepaald dat het college geen pgb verstrekt als het niet bewezen kan worden dat een gebruikte voorziening noodzakelijk was voordat de aanvraag voor het pgb is gedaan.
In lid 3 zijn een aantal bestedingsposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening. Het pgb bevat om die reden ook geen vrij besteedbaar deel.
Het college is bevoegd regels te stellen om een pgb niet toe te kennen. Het college verstrekt geen pgb als de inwoner niet voldoet aan de daarvoor gestelde voorwaarden zoals beschreven in de nadere regels en wanneer de beoogde pgb-vertegenwoordiger dezelfde persoon is als de beoogde hulpverlener, tenzij het college daar schriftelijk toestemming voor heeft gegeven. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van de CRvB 27-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3761 en CRvB 22-08-2019, ECLI:NL;RCVB:2019:2803.
Artikel 10. Hoogte van een pgb
In de verordening moet in ieder geval worden bepaald hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn (artikel 2.1.3 lid 2b van de wet). In de Memorie van toelichting is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39). Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners.
In deze bepaling is een minimum vastgelegd voor de hoogte van het pgb in individuele gevallen. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). Tegelijkertijd moet het pgb toereikend zijn om de zorg en ondersteuning in te kopen (artikel 2.3.6 lid 1 van de wet). Het college moet daarom in ieder individueel geval toetsen of met het vastgestelde tarief inderdaad de benodigde voorziening kan worden ingekocht. Blijkt dat niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de aangewezen voorziening bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Dit uitgangspunt sluit aan bij jurisprudentie over de hoogte van het pgb (CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 20-02-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO).
De inwoner dient bij het doen van een aanvraag voor een pgb een pgb-plan in te dienen voor hoe hij het pgb gaat besteden. Daarnaast is in deze bepaling de hoogte van het pgb het tarief vastgelegd voor een voorziening. Het maximale tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven. Als de inwoner aangeeft dat de voorziening voor een lager tarief ingekocht kan worden, mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft met een leverancier, wordt de hoogte van het pgb op offertebasis bepaald.
De uitvoering van de dienstverlening, het toekennen van een pgb en de hoogte van het pgb wordt gebaseerd op dienstverlening uitgevoerd door personen die formele ondersteuning bieden en die geen deel uitmaken van het sociaal netwerk dan wel deel uit maken van bloed- of aanverwanten in de 1ste of 2de graag van de inwoner.
In lid 2 wordt verder aangegeven dat de hoogte van het pgb voor de dienstverlening wordt bepaald op basis van de dienstverlening die anders in zorg in natura zou zijn geleverd. Het tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven, tenzij uit het pgb-plan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden. Dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Het pgb voor vervoer wordt afgeleid van de natura-voorziening die hiervoor beschikbaar is, namelijk het collectief vervoer.
In deze bepaling is vastgelegd dat wanneer de dienstverlening wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 2, er sprake is van informele hulp.
Bij het inzetten van een pgb voor informele hulp, kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Beide vallen onder de definitie van ‘dienstbetrekking’, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Daar verwijst de term ‘dienstbetrekking’ in deze bepaling naar.
De toevoeging ‘bij bestaan van een dienstbetrekking’ heeft als doel om de lage tegemoetkoming, zoals geregeld in artikel 2ab van de Uitvoeringsregeling Wmo, uit te sluiten. De CRvB heeft twee uitspraken gedaan over het tarief voor pgb van het sociale netwerk (CRvB 16-8- 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1394 en CRvB 16-8-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1580). Hieruit blijkt dat het tarief minimaal overeen moet komen met de hoogste periodiek in de desbetreffende CAO, vermeerderd met vakantiebijslag en tegenwaarde van verlofuren. Voor hulp bij huishouden is dit de specifiek hiervoor in het leven geroepen salarisschaal hulp bij huishouden, voor begeleiding is dit FWG30 uit de CAO VVT. Uit de uitspraak CRvB 25-07-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5446 blijkt dat bij de tegenwaarde van verlofuren uitgegaan moet worden van het vastgestelde aantal verlofuren uit de CAO VVT.
In dit lid wordt bepaald dat een tarief kan worden aangepast om te waarborgen dat de benodigde ondersteuning kan worden gegeven.
Artikel 11. Collectief vraagafhankelijk vervoer
Een cliënt, van 18 jaar of ouder, die op grond van beperkingen voor het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel gebruik wil maken van aanvullend vervoer kan een Wmo-pas aanvragen bij de gemeente. Op basis van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 5 van deze Verordening wordt vastgesteld of aanvrager hiervoor in aanmerking komt.
Als aan cliënt in de loop van het kalenderjaar ondersteuning in de vorm van een Wmo-pas wordt toegekend dan wordt de omvang van het jaarbudget (het aantal kilometers) evenredig bepaald. Voorbeeld: cliënt krijgt een toekenning aanvullend regiovervoer per 1 mei dan heeft deze de beschikking over 3.000 : 12 X 8 = 2.000 kilometer voor het betreffende kalenderjaar.
Uitzonderingen op de maximale reisafstand van 25 kilometer, tegen het gereduceerde tarief, zijn puntbestemmingen. Dit zijn bestemmingen gelegen op meer dan 30 kilometer vanaf het huisadres. Het college bepaalt welke bestemmingen hieronder vallen. De puntbestemmingen zijn te vinden op de site van de gecontracteerde vervoerder.
Lid 4 legt uit dat het collectief vervoer uitgezonderd is van de maandelijkse eigen bijdrage, maar dat er wel een vergoeding verschuldigd is. Lid 5 legt uit hoe de hoogte van de bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor collectief vervoer is bepaald (tot 25 km).
Er kunnen puntbestemmingen worden aangewezen door het college. Een puntbestemming is een locatie waar Wmo-reizigers naartoe kunnen reizen tegen het lagere Wmo-tarief, ook al ligt het verder weg dan 25 km.
Het is verplicht als gemeente om een pgb voor collectief vraag afhankelijk vervoer aan te bieden. Lid 7 legt uit hoe de hoogte van een pgb wordt bepaald.
Artikel 12. Regels voor een financiële tegemoetkoming
Een financiële tegemoetkoming hoeft niet kostendekkend te zijn, maar moet wel in de buurt komen van de daadwerkelijk te maken kosten. In dit artikel wordt uitgelegd waar de financiële tegemoetkoming van toepassing op is.
Artikel 13. Bijdrage in kosten voor maatwerkvoorziening
De gemeente mag van inwoners een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen. In de artikelen zijn de regels over deze bijdrage in de kosten opgenomen.
Het college vraagt een bijdrage in de kosten aan de inwoner zolang hij gebruik maakt van de maatwerkvoorziening of het pgb.
Aan jeugdigen tot 18 jaar kan uitsluitend een bijdrage in de kosten worden opgelegd voor een woningaanpassing. Voorwaarde voor het kunnen vragen van deze bijdrage in de kosten, is dat dit door de gemeenteraad als zodanig in de verordening is bepaald.
Artikel 13a. Hoogte bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, maatwerkvoorzieningen en pgb’s
In dit artikel wordt geduid hoe hoog de eigen bijdrage is voor de inwoner als er sprake is van een algemene voorziening, een maatwerkvoorziening of een pgb. Ook wordt geduid wanneer een inwoner geen of een lagere eigen bijdrage verschuldigd is. Dit zijn eigen bepaalde regels of is overeenkomstig met de Wet, artikel 2.1.4a, vijfde lid of hoofdstuk 3 van het uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
In lid 4 wordt verder toegelicht hoe de kostprijs van een maatwerkvoorziening of pgb wordt bepaald en waaruit de kostprijs bestaat. Lid 5 legt het proces uit hoe de eigen bijdrage wordt vastgesteld en geïnd. Dit wordt gedaan door het CAK.
Lid 6 en 7 gaan in op de algemene voorziening en hoe de hoogte van de eigen bijdrage of de kostprijs daarvan wordt bepaald.
Van een inwoner mag verwacht worden dat hij bij verhuizingen of de aanschaf van voorzieningen rekening houdt met zijn beperkingen. Doet hij dat niet, dan kan het college een voorziening om die reden afwijzen. Bijvoorbeeld als een inwoner gaat verhuizen en het gelet op zijn medische situatie op dat moment voorzienbaar is dat hij beperkingen gaat ondervinden bij het normale gebruik van de woning. Deze bepaling biedt dan een grond om geen woonvoorziening toe te kennen. De Wmo geeft ten aanzien van de voorzienbaarheid niet meer ruimte dan onder de Wmo 2007. Er mag nog steeds niet van een inwoner gevraagd worden dat hij reserveert of andere maatregelen treft om te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden, leiden tot een beroep op de Wmo (CRvB 22-08-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2603).
De wet bepaalt dat er geen recht bestaat op een Wmo-voorziening als de cliënt aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening (artikel 2.3.2 lid 4 onderdeel b, en f Wmo 2015 en artikel 2.3.5, lid 3, lid 4, lid 6 Wmo 2015). Verder is in de wet geregeld dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op andere wetten (artikel 2.3.5 lid 5 van de wet). Ook verstrekt het college alleen een maatwerkvoorziening als de inwoner niet op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid en participatie of kan voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang (artikel 2.3.5. lid 3 en 4 van de wet).
Het te gelde maken van aanspraken op grond van andere wettelijke regelingen wordt bij het toepassen van deze verordening gezien als een vorm van eigen kracht. Vandaar dat in deze bepaling expliciet is geregeld dat het college geen maatwerkvoorziening toekent voor zover een andere wettelijke regeling in de ondersteuningsbehoefte kan voorzien.
De Wmo 2007 kende in tegenstelling tot de Wmo wél een bepaling waarin was vastgelegd dat geen beroep op de Wmo open stond voor zover een voorziening op grond van een andere wet mogelijk is. Uit jurisprudentie die daarover is ontstaan volgt dat het college alleen rekening kan houden met een voorziening op grond van een andere wet (een voorliggende voorziening) als de inwoner daar echt aanspraak op heeft.
Er is geen sprake van een voorliggende voorziening als de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of als vaststaat dat inwoner daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO).
In bepaalde gevallen kan eenzelfde voorziening niet nog eens worden ingezet. Uitzonderingen hierbij zijn dat de voorziening verloren kan zijn gegaan. Het college blijkt verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning als er gebreken zijn in de participatie of zelfredzaamheid. Daarnaast mag een inwoner ook de kosten tegemoetkomen, dan kan de voorziening nogmaals worden ingezet, mits het nog steeds een passende voorziening is.
Het college kan in beginsel slechts een maatwerkvoorziening toekennen als deze langdurig noodzakelijk is, met uitzondering van hulp bij huishouden of noodzakelijke kortdurende begeleiding. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerkend is in beide situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de inwoner (al zal het doel wel zijn om te streven naar zelfredzaamheid). Hierbij is de prognose dus van groot belang. Zegt de prognose dat de inwoner na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor bepaalde voorzieningen in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Inwoner kan dan meestal een beroep doen op hulpmiddelen via de zorgverzekeraar in het kader van de Zorgverzekeringswet. Bepaalde hulpmiddelen vallen onder de Zorgverzekeringswet, als ze voor een periode korter dan 6 maanden nodig zijn. Ze vallen onder de Wmo als ze langdurig nodig zijn, in dit geval dus langer dan 6 maanden. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten.
Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de inwoner goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder weg te laten nemen. Een uitzondering is ook mogelijk als er gelet op de gezondheidstoestand van de inwoner geen zicht is op opheffing van de gebreken binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek.
Het college treft alleen een voorziening in of aan een woning waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Dit betekent dat als de inwoner over meerdere woningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Er zijn uitzonderingen: bijvoorbeeld als sprake is van co-ouderschap, of wanneer een inwoner die woont in een Wlz-instelling een woonvoorziening nodig heeft om zijn familie thuis te kunnen bezoeken.
Op basis van deze bepaling hoeft het college geen woningen aan te passen aan de beperkingen van een tijdelijk verblijvende bewoner. Hierbij kan gedacht worden aan het verblijf in hotels/pensions, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen. Wel moet de gemeente in deze situaties voldoen aan haar compensatieplicht. Dit kan door het bieden van een alternatieve oplossing, zoals een verhuiskostenvergoeding. Het categorisch uitsluiten van aanpassingen in woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning, is toegestaan volgens rechtbankuitspraken (ECLI:NL:RBARN:2008:BH0126 en ECLI:NL:RBROE:2010:BM6304).
Het college verstrekt geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, anders dan de in deze bepaling genoemde voorzieningen. Omdat de gemeente wel verplicht is om de beperkingen van de inwoner te compenseren, kan er in de situaties waarin een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte wordt geweigerd, wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt.
Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de inwoner geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen (CRvB 21-05-2012, nr. 11/5321 WMO). Dit heeft de CRvB geoordeeld onder de Wmo 2007 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810). Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de inwoner mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen.
Als een inwoner verhuist, moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die hier normaal gesproken aan voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond is het belangrijk dat de gemeente zicht heeft op de aangepaste of eenvoudig aan te passen woningvoorraad. Daarnaast moet de gemeente inwoners goed informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat sprake is van een verhuizing naar de voor de situatie van inwoner meest geschikte woning. Er is sprake van een omkering van de bewijslast indien inwoner verhuist vanuit een andere gemeente en zich niet vooraf tot het college heeft gewend om alternatieven te bespreken of om toestemming te vragen. Onder deze omstandigheden is het aan de inwoner om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning beschikbaar was. Dit volgt uit CRvB 13-04-2011, nrs. 09/3047 WMO e.a.
Er worden geen voorzieningen verstrekt die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen.
Op basis van artikel 2.1.4 Wmo 2015 kan het college beslissen om een bedrag terug te vorderen. Hierbij moet een belangenafweging worden gemaakt of het verreken te verantwoorden is. Een voorbeeld hiervan is het meenemen van de financiële draagkracht van de inwoner.
Hoofdstuk 4: kwaliteit en veiligheid
De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen ligt bij de gemeente en de aanbieders. De gemeente moet in de verordening regelen welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet). Ook is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen die een goede verhouding waarborgen tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening (artikel 2.6.6 van de wet). In dit hoofdstuk wordt hier invulling aan gegeven.
Artikel 16. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
De gemeente moet in de verordening bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan de aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet). De regering heeft benadrukt dat de kwaliteitseisen die de wet zelf stelt aan aanbieders (in de artikelen 3.1 e.v. van de wet) daarbij uitgangspunt zijn (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 135). De eis dat een voorziening van goede kwaliteit moet zijn, biedt veel ruimte voor gemeenten om in overleg met organisaties van inwoners en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In lid 1 zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Op grond van lid 2 kan het college dit verder uitwerken door nadere regels te stellen. Het in lid 3 genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1 lid 1 van de wet. In lid 4 wordt uitgelegd dat de kwaliteitseisen opgesteld in de verordening worden door gecommuniceerd naar de aanbieders.
Artikel 17. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
De aanbieder moet bij de toezichthoudend ambtenaar onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. Onder 'calamiteit' wordt verstaan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een inwoner heeft geleid. Onder 'geweld bij de verstrekking van een voorziening' wordt verstaan seksueel binnendringen van het lichaam van of ontucht met een inwoner en lichamelijk en geestelijk geweld jegens een inwoner, door een beroepskracht dan wel door een andere inwoner met wie de inwoner gedurende het etmaal of een dagdeel in een accommodatie van een aanbieder verblijft.
Het college wijst een of meerdere toezichthouders aan die toezicht houden op de naleving van de wet (artikel 6.1 van de wet). In aanvulling hierop regelt dit artikel dat het college een regeling opstelt over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan, is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen (artikel 2.6.4 en 2.6.6, lid 1 van de wet). In artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit is uitgewerkt wat hierin van de gemeente wordt verwacht. Doel is dat een vast of reële tarief wordt vastgesteld voor diensten die derden verlenen in opdracht van het college.
De verplichting in het Uitvoeringsbesluit om een reëel tarief te hanteren, ziet alleen op diensten. Het kan daarbij zowel gaan om diensten in het kader van een algemene voorziening als diensten in het kader van een maatwerkvoorziening. Het college moet bij de prijsstelling onder andere rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening. Die specifieke eis geldt alleen voor diensten in het kader van een maatwerkvoorziening. In het Uitvoeringsbesluit is uitgewerkt welke kostprijselementen de gemeente in ieder geval moet meenemen om te kunnen spreken van een vast of reëel tarief. Die kostprijselementen zijn ook vermeld in lid 2 en 3 van deze verordening.
Voor de uitvoeringspraktijk zijn handreikingen over de normering van kostprijselementen beschikbaar die colleges en aanbieders kunnen toepassen om te komen tot een reëel tarief.
Een vaste prijs of reëel tarief wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht. Hieronder vallen loonkosten en andere kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Het college moet zich dus een beeld vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing. Daarmee gelden die bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector. Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren.
Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen zoals een redelijke mate van overheadkosten, een voor de sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, reis- en opleidingskosten, indexatie van de reële prijs binnen een overeenkomst en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het vaststellen van een reële prijs door het college heeft pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs moet gebruiken. Het vastgestelde reële tarief moet daarvoor zijn plaats te krijgen in de aanbestedingsprocedure en in de overeenkomst met de derde.
Het college moet de overheidsopdracht gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving (op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet). Overigens kan het college in afwijking hiervan een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4 lid 3 van de wet). Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2:115 van de Aanbestedingswet 2012). Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium. De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis, zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Aan dit besluit moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de Awb). De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig. Het college moet ongeldige inschrijvingen ter zijde leggen, de betrokken ondernemers komen niet meer in aanmerking voor de gunning. Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en vult deze bevoegdheden op grond van de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van artikelen 2.6.4 en 2.6.6 van de wet. Het is dus van belang om de reële prijs goed en objectief te onderbouwen. Deze artikelen vormen een lex specialis ten opzichte van de algemene bevoegdheden van de Aanbestedingswet 2012.
In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, ofwel een vaste prijs vaststelt dan wel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.
Bij het vaststellen van de prijs moet het college rekening houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht. Het college moet ook rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeente. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt als de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht.
Het college moet de vaste prijs of de reële prijs voor diensten minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen.
Als aan de derde een eis wordt gesteld waarbij de prijs voor de dienst gebaseerd is op de punten uit het tweede en derde lid, wordt het tweede lid onderdeel b buiten beschouwing gelaten. Daarvoor moet verantwoording worden afgelegd door het college aan de raad.
Hierin wordt beschreven dat het college mag bepalen met welke derde hij een overeenkomst aangaat.
Hoofdstuk 5: waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten
De gemeenteraad moet bepalen op welke manier het college zorgt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente. In dit hoofdstuk wordt hier invulling aan gegeven.
Artikel 19. Jaarlijkse waardering mantelzorgers
In deze bepaling staat wat de jaarlijkse waardering is die de gemeente geeft aan mantelzorgers. Het moet gaan om mantelzorgers van inwoners in de gemeente (zie artikel 2.1.6 van de wet). Die mantelzorgers hoeven zelf dus niet in de gemeente te wonen. Verder is het begrip ‘inwoner ’ breder dan alleen personen die gebruik maken van Wmo-ondersteuning. Het kan ook gaan om personen die zich ooit gemeld hebben, maar waar geen Wmo-voorziening is uitgekomen. Wellicht mede dankzij de inzet van de mantelzorger. Ook die mantelzorgers kunnen in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering. Ten slotte gaat het artikel in op de optie om nadere regels te stellen om mantelzorgers te ondersteunen.
Artikel 20. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen
Het college kan personen met een beperking of chronische problemen een tegemoetkoming verstrekken ter bevordering van de zelfredzaamheid en de participatie. In lid 2 wordt de hoogte van de tegemoetkoming gespecificeerd. Verder wordt in dit artikel uitgewerkt welke voorwaarden aan de verstrekking ten grondslag liggen. Kinderen onder de 18 jaar kunnen hier ook voor in aanmerking komen. Er wordt jaarlijks geëvalueerd of de hoogte van de tegemoetkoming moet worden aangepast.
Hoofdstuk 6: herziening, wijziging en terugvordering maatschappelijke ondersteuning
Artikel 21. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo
Om niet-gebruik, misbruik en oneigenlijk gebruik van een maatwerkvoorziening in natura of een pgb te voorkomen is het allereerst van belang dat de inwoner op de hoogte is van zijn rechten en plichten. Op basis van dit artikel wordt de inwoner hier op een begrijpelijke manier over geïnformeerd.
Het college heeft vervolgens de mogelijkheid om periodiek te onderzoeken of er aanleiding is om de beslissing om een maatwerkvoorziening in natura of een pgb te verstrekken te heroverwegen (artikel 2.3.9 van de wet). Als hier aanleiding toe is, kan het college op grond van artikel 2.3.10 van de wet de beslissing vervolgens herzien of intrekken. Als het college een beslissing intrekt omdat de inwoner opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, dan kan het college overgaan tot het vorderen van geldswaarde van de ten onrechte ontvangen maatwerkvoorziening in natura of pgb (artikel 2.4.1 lid 1 van de wet).
Artikel 22. Opschorting betaling uit het pgb
In dit artikel wordt aangegeven dat de Sociale Verzekeringsbank kan beslissen om een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb kan realiseren. Het college kan hiervoor kiezen als er ten onrechte gebruik wordt gemaakt van het pgb.
Hoofdstuk 7: klachten, medezeggenschap en inspraak
Dit hoofdstuk bevat een verplichting voor de aanbieders om te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten en voor de medezeggenschap van inwoners. Ook wordt er invulling gegeven aan de manier waarop ingezetenen, waaronder inwoners en hun vertegenwoordigers, inspraak hebben in de uitvoering van de wet door de gemeente.
In lid 1 is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Op grond van de wet (artikel 2.1.3 lid 2 onder d) is het verplicht in de verordening te bepalen voor welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners is vereist. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat inwoners in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De inwoner kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een onderzoek is uitgevoerd of een gebrek aan deskundigheid. Daarvoor staat de klachtenprocedure van de gemeente open. Is de inwoner echter niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan moet hij zich in beginsel tot die aanbieder wenden.
Artikel 24. Vertrouwenspersoon
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 25. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
In de verordening moet staan voor welke voorzieningen een regeling vereist is voor medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn (zie artikel 2.1.3 lid 2 onder e van de wet). Dit is uitgewerkt in lid 1 van deze bepaling.
In lid 2 staan een aantal instrumenten die het college kan inzetten om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd (bijvoorbeeld periodieke overleggen met aanbieders of een cliëntervaringsonderzoek).
Artikel 26. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting in artikel 2.1.3 lid 3 van de wet om in de verordening te bepalen op welke manier ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de wet. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Inbreng van inwoners en hun vertegenwoordigers wordt echter extra aangestipt. Zij weten door hun ervaring immers als geen ander welke drempels er zijn en hoe deze weggenomen kunnen worden. Daarom is het van belang dat zij al vanaf het begin van de beleidsontwikkeling volledig worden betrokken. Daarbij moet onder andere gelet worden op de diversiteit van de doelgroep.
Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 2 jaar geëvalueerd. Het college rapporteert over haar bevindingen aan de gemeenteraad.
Artikel 28. Nadere regels en hardheidclausule
Naast de huidige verordening, kunnen er nog ter aanvulling nadere regels worden opgesteld. Deze hoeven alleen door het college te worden goedgekeurd.
In bijzondere gevallen kan het college ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van deze verordening (niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken inwoner. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule betreft een uitzondering en geen regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.
Artikel 29. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
In dit artikel is het overgangsrecht geregeld. In lid 2 is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten en plichten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. Op basis van lid 3 worden aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld. Op basis van lid 4 wordt op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente West Maas en Waal 2020 beslist op basis van die verordening. Op basis van lid 5 kan hier echter van worden afgeweken als het voor de inwoner voordeliger is om op basis van deze verordening te beslissen.
Artikel 30. Inwerkingtreding en citeertitel
Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening wordt aangehaald.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-448940.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.