U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Ontwerp Wijziging Omgevingsplan gemeente Arnhem - Bodem - 0002

De gemeenteraad van de Gemeente Arnhem

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van d.d. 30 september 2025

Gelet op:

Artikel 2.4 van de Omgevingswet;

Besluit;

Artikel I

De wijziging zoals opgenomen in Bijlage A vast te stellen binnen het Omgevingsplan gemeente Arnhem.

Artikel II

Dit besluit treedt in werking per 30‑09‑2025

Aldus vastgesteld door Gemeente Arnhem, 30 september 2025

De griffier,

De voorzitter

Niet getekend proef-exemplaar

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk hoofdstuk 1 tot en met 22 van dit omgevingsplan.

  • 2.

    Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

  • 3.

    Bijlage III bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 1 tot en met 21 van dit omgevingsplan. 

B

Afdeling 3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 3.2 Waarden

Artikel 3.1 Waarde – Archeologie (archeologisch waardevol gebied, Rijksbeschermd)

  • 1.

    De gronden/gebieden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd) met werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd) zijn archeologisch waardevolle gebieden met de functie archeologisch rijksmonument .

  • 2.

    Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een rijksbeschermd archeologisch waardevol gebied met bekende archeologische vindplaatsen.  

  • 3.

    In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt.

Artikel 3.2 Waarde – Archeologie (archeologisch waardevol gebied, Rijksbeschermd UNESCO)

  • 1.

    De gronden/gebieden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO) met werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO) zijn archeologisch waardevolle gebieden die universele waarde van werelderfgoed vertegenwoordigen.

  • 2.

    Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een archeologisch waardevol gebied als UNESCO werelderfgoed met bekende archeologische vindplaatsen.  

  • 3.

    In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt.

Artikel 3.3 Waarde – Archeologie (archeologisch waardevol gebied, gemeentelijk beschermd)

  • 1.

    De grondengebieden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied (gemeentelijk beschermd) met werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied (gemeentelijk beschermd) hebben de functie gemeentelijk archeologische monument.

  • 2.

    Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een gemeentelijk beschermd archeologisch waardevol gebied met bekende archeologische vindplaatsen.  

  • 3.

    In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt.

Artikel 3.4 Waarde – Archeologie (archeologisch waardevol gebied, begraafplaats)

  • 1.

    De grondengebieden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied (begraafplaats) met werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied (begraafplaats) zijn archeologisch waardevolle gebieden.

  • 2.

    Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een archeologisch waardevol gebied in de vorm van een historische begraafplaats met bekende archeologische vindplaatsen.  

  • 3.

    In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt.

Artikel 3.5 Waarde - Archeologie (archeologisch waardevol gebied)

  • 1.

    De grondengebieden met de waarde Archeologie - Waardevol gebied met werkingsgebied waarde Archeologie - waardevol gebied zijn archeologisch waardevolle gebieden.

  • 2.

    Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een archeologisch waardevol gebied met bekende archeologische vindplaatsen. 

  • 3.

    In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt.

Artikel 3.6 Waarde – Archeologie (hoge verwachting)

  • 1.

    De grondengebieden met de waarde Archeologie - Hoge verwachting met werkingsgebied waarde Archeologie - hoge verwachting zijn gebieden met een hoge verwachting op archeologische vindplaatsen.

  • 2.

    Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een gebied met een hoge verwachting op archeologische vindplaatsen. 

  • 3.

    In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt.

Artikel 3.7 Waarde – Archeologie (middelhoge verwachting)

  • 1.

    De grondengebieden met de waarde Archeologie - Middelhoge verwachting met werkingsgebied waarde Archeologie - middelhoge verwachting zijn gebieden met een middelhoge verwachting op archeologische vindplaatsen.

  • 2.

    Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een gebied met een middelhoge verwachting op archeologische vindplaatsen.

  • 3.

    In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt.

Artikel 3.8 Waarde – Archeologie (lage verwachting)

  • 1.

    De grondengebieden met de waarde Archeologie - Lage verwachting met werkingsgebied waarde Archeologie - lage verwachting zijn gebieden met een lage verwachting op archeologische vindplaatsen.

  • 2.

    Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een gebied met een lage verwachting op archeologische vindplaatsen.

  • 3.

    In hoofdstuk 7 staan de aanvullende regels voor gronden waar een archeologische waarde geldt.

Artikel 3.9 Waarde - Archeologie (overige gebieden - opgehoogd terrein)

  • 1.

    De gronden/gebieden met de waarde Archeologie - Overige gebieden - opgehoogd terrein met werkingsgebied waarde Archeologie - overige gebieden - opgehoogd terrein zijn opgehoogd.

  • 2.

    Bij de beoordeling voor een omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met het opgehoogd zijn van het terrein. 

Artikel 3.10 Waarde - Archeologie (overige gebieden - vergraven/afgegraven)

  • 1.

    De gronden/gebieden met de waarde Archeologie - Overige gebieden - vergraven/afgegraven met werkingsgebied waarde Archeologie - overige gebieden - vergraven/afgegraven zijn vergraven of afgegraven.

  • 2.

    Bij de beoordeling voor een omgevingsvergunning wordt rekening gehouden met het vergraven en het afgegraven zijn van het terrein. 

Artikel 3.11 Waarde - Geomorfologie leemlagen (1,5 m-mv)

  • 1.

    Op de grondengebieden met de waarde Geomorfologie - Leemlagen > 1,5 m met werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >1,5m kunnen zich leemlagen op een diepte van 1,5 meter beneden maaiveld bevinden.

  • 2.

    Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van de aanwezige leemlagen en de afstroming van grondwater naar de beken.

  • 3.

    In hoofdstuk 8 staan de aanvullende regels voor gronden waar de waarde geomorfologie leemlagen geldt.

Artikel 3.12 Waarde - Geomorfologie leemlagen (3,0 m-mv)

  • 1.

    Op de grondengebieden met de waarde Geomorfologie - Leemlagen > 3,0 m met werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >3,0m kunnen zich leemlagen op een diepte van 3,0 meter beneden maaiveld bevinden.

  • 2.

    Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van de aanwezige leemlagen en de afstroming van grondwater naar de beken.

  • 3.

    In hoofdstuk 8 staan de aanvullende regels voor gronden waar de waarde geomorfologie leemlagen geldt.

Artikel 3.13 Waarde - Geomorfologie leemlagen (4,0 m-mv)

  • 1.

    Op de grondengebieden met waarde Geomorfologie - Leemlagen > 4,0 m met werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >4,0m kunnen zich leemlagen op een diepte van 4,0 meter beneden maaiveld bevinden.

  • 2.

    Het doel van deze waarde is het behoud, de bescherming en veiligstelling van de aanwezige leemlagen en de afstroming van grondwater naar de beken.

  • 3.

    In hoofdstuk 8 staan de aanvullende regels voor gronden waar de waarde geomorfologie leemlagen geldt.

C

Afdeling 3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 3.3 Gereserveerd Milieuaandachtsgebieden

[Gereserveerd]

Paragraaf 3.3.1 Gebiedsaanwijzing bodem

Artikel 3.14 Bodemfunctieklasse landbouw/natuur
  • 1.

    Er is een milieuaandachtsgebied Bodem - Functieklasse landbouw en natuur.

  • 2.

    De bodemfunctieklasse landbouw/natuur is gericht op het beschermen van mens en milieu tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico's.  

  • 3.

    Voor de gronden met deze bodemfunctieklasse gelden mogelijk aanvullende regels voor gebruik, bouwen, kap-, graaf- en aanlegactiviteiten en/of milieubelastende activiteiten. 

Artikel 3.15 Bodemfunctieklasse wonen
  • 1.

    Er is een milieuaandachtsgebied Bodem - Functieklasse wonen.

  • 2.

    De bodemfunctieklasse wonen is gericht op het beschermen van mens en milieu tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico's.

  • 3.

    Voor de gronden met deze bodemfunctieklasse gelden mogelijk aanvullende regels voor gebruik, bouwen, kap-, graaf- en aanlegactiviteiten en/of milieubelastende activiteiten. 

Artikel 3.16 Bodemfunctieklasse stedelijk wonen
  • 1.

    Er is een milieuaandachtsgebied Bodem - Functieklasse stedelijk wonen.

  • 2.

    De bodemfunctieklasse stedelijk wonen is gericht op het beschermen van mens en milieu tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico's.

  • 3.

    Voor de gronden met deze bodemfunctieklasse gelden mogelijk aanvullende regels voor gebruik, bouwen, kap-, graaf- en aanlegactiviteiten en/of milieubelastende activiteiten. 

Artikel 3.17 Bodemfunctieklasse industrie
  • 1.

    Er is een milieuaandachtsgebied Bodem - Functieklasse industrie

  • 2.

    De bodemfunctieklasse industrie is gericht op het beschermen van mens en milieu tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico's.

  • 3.

    Voor de gronden met deze bodemfunctieklasse gelden mogelijk aanvullende regels voor gebruik, bouwen, kap-, graaf- en aanlegactiviteiten en/of milieubelastende activiteiten.

Artikel 3.18 Gebiedsaanwijzing Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied 

Er is een gebiedsaanwijzing Bodem - Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied.

Artikel 3.19 Gebiedsaanwijzing beperkt vooronderzoek bodem

Er is een gebiedsaanwijzing Bodem - Beperkt vooronderzoek.

Artikel 3.20 Gebiedsaanwijzing uitgebreid vooronderzoek bodem 

Er is een gebiedsaanwijzing Bodem - Uitgebreid vooronderzoek

Artikel 3.21 Gebiedsaanwijzing graven Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied en Spijkerkwartier

Er is een gebiedsaanwijzing Bodem - Graven Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied en Spijkerkwartier.

Artikel 3.22 Gebiedsaanwijzing graven Spijkerkwartier

Er is een gebiedsaanwijzing Bodem - Graven Spijkerkwartier.

D

Artikel 5.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.5 Algemene bouwregels

Een omgevingsvergunning voor bouwen kan alleen worden verleend indien wordt voldaan aan:

  • a.

    het tijdelijk deel van het omgevingsplan; en

  • b.

    de algemene bouwregels uit afdeling 5.1; en

  • c.

    de beoordelingsregels uit afdeling 5.6; en

  • d.

    de beoordelingsregels uit paragraaf 7.2.3; en

  • e.

    de beoordelingsregels uit paragraaf 8.2.1.; en

  • f.

    de beoordelingsregels uit paragraaf 9.3.2.

E

Artikel 7.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.2 Archeologie - specifieke zorgplicht 

Degene die ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzingen waarde Archeologie - waardevolWaardevol gebied (rijksbeschermd)waarde Archeologie - waardevolWaardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO)waarde Archeologie - waardevolWaardevol gebied (gemeentelijk beschermd) of waarde Archeologie - waardevolWaardevol gebied (begraafplaats) een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van archeologische waarden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.

F

Paragraaf 7.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 7.2.2 Toestemmingsvrije bouwactiviteiten indien passend binnen regels omgevingsplan - Archeologie

Artikel 7.4 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een archeologisch archeologisch waardegebied -; Rijksbeschermd - UNESCO - gemeentelijk beschermd - begraafplaats

Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn  ter plaatse van de werkingsgebiedengebiedsaanwijzing waarde Archeologie - waardevolWaardevol gebied (rijksbeschermd)waarde Archeologie - waardevolWaardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO)waarde Archeologie - waardevolWaardevol gebied (gemeentelijk beschermd), en waarde Archeologie - Waardevol gebied (begraafplaats) alleen toestemmingsvrij indien: 

  • a.

    het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 0 m2,

  • b.

    er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit.

Artikel 7.5 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een archeologisch waardevol gebied 

Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Archeologie - waardevolWaardevol gebied; alleen toestemmingsvrij indien: 

  • a.

    het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 30 m2;

  • b.

    er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit.

Artikel 7.6 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een gebied met hoge archeologische verwachting

Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn  ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Archeologie - hogeHoge verwachting alleen toestemmingsvrij indien: 

  • a.

    het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 200 m2;

  • b.

    er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit.

Artikel 7.7 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een gebied met middelhoge archeologische verwachting

Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Archeologie - middelhogeMiddelhoge verwachting alleen toestemmingsvrij indien: 

  • a.

    het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 500 m2;

  • b.

    er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit.

Artikel 7.8 Beperkingen vanwege archeologische waarden in een gebied met lage archeologische verwachting

Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, zijn ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Archeologie - lageLage verwachting alleen toestemmingsvrij indien: 

  • a.

    het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 5.000 m2

  • b.

    er al een verplichting geldt een archeologisch onderzoek te verrichten in het kader van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit.

G

Artikel 7.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.9 Bouwactiviteiten in een archeologisch waardegebied - Rijksbeschermd - UNESCO - gemeentelijk beschermd - begraafplaats

 

Ter plaatse van de werkingsgebiedengebiedsaanwijzingen waarde Archeologie - waardevolWaardevol gebied (rijksbeschermd)waarde Archeologie - waardevolWaardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO)waarde Archeologie - waardevolWaardevol gebied (gemeentelijk beschermd) en waarde Archeologie - waardevolWaardevol gebied (begraafplaats) zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover:

  • a.

    het gaat om bouwwerken, indien het betreft:

    • 1.

      vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of

    • 2.

      bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 0 m2 bedraagt; of

  • b.

    op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of

  • c.

    op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op:

    • 1.

      het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

    • 2.

      het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

    • 3.

      het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;

    • 4.

      het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;

    • 5.

      het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;

    • 6.

      het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;

    • 7.

      het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;

    • 8.

      het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;

    • 9.

      het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen.

H

Artikel 7.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.10 Bouwactiviteiten in een archeologisch waardevol gebied

 

Ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Archeologie - waardevolWaardevol gebied zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover:

  • a.

    het gaat om bouwwerken, indien het betreft:

    • 1.

      vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of

    • 2.

      bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 30 m2 bedraagt; of

    • 3.

      bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte meer dan 30 m2 bedraagt, de daarmee gepaard gaande bodemingrepen niet dieper zijn dan 40 cm en die zonder heiwerkzaamheden kunnen worden gebouwd; of

  • b.

    op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of

  • c.

    op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op:

    • 1.

      het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

    • 2.

      het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

    • 3.

      het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;

    • 4.

      het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;

    • 5.

      het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;

    • 6.

      het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;

    • 7.

      het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;

    • 8.

      het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;

    • 9.

      het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen.

I

Artikel 7.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.11 Bouwactiviteiten in een gebied met hoge archeologische verwachting

Ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Archeologie - hogeHoge verwachting zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover:

  • a.

    het gaat om bouwwerken, indien het betreft:

    • 1.

      vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of

    • 2.

      bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 200 m2 bedraagt; of

    • 3.

      bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte meer dan 200 m2 bedraagt, de daarmee gepaard gaande bodemingrepen niet dieper zijn dan 40 cm en die zonder heiwerkzaamheden kunnen worden gebouwd; of

  • b.

    op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of

  • c.

    op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op:

    • 1.

      het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

    • 2.

      het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

    • 3.

      het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;

    • 4.

      het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;

    • 5.

      het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;

    • 6.

      het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;

    • 7.

      het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;

    • 8.

      het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;

    • 9.

      het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen.

J

Artikel 7.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.12 Bouwactiviteiten in een gebied met middelhoge archeologische verwachting

Ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Archeologie - middelhogeMiddelhoge verwachting zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover:

  • a.

    het gaat om bouwwerken, indien het betreft:

    • 1.

      vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of

    • 2.

      bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 500 m2 bedraagt; of

    • 3.

      bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte meer dan 500 m2 bedraagt, de daarmee gepaard gaande bodemingrepen niet dieper zijn dan 40 cm en die zonder heiwerkzaamheden kunnen worden gebouwd; of

  • b.

    op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of

  • c.

    op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op:

    • 1.

      het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

    • 2.

      het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

    • 3.

      het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;

    • 4.

      het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;

    • 5.

      het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;

    • 6.

      het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;

    • 7.

      het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;

    • 8.

      het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;

    • 9.

      het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen.

K

Artikel 7.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.13 Bouwactiviteiten in een gebied met lage archeologische verwachting

Ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Archeologie - lageLage verwachting zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover:

  • a.

    het gaat om bouwwerken, indien het betreft:

    • 1.

      vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; of

    • 2.

      bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte ten hoogste 5.000 m2 bedraagt; of

    • 3.

      bouwwerken waarvan de binnen het werkingsgebied gelegen oppervlakte meer dan 5.000 m2 bedraagt, de daarmee gepaard gaande bodemingrepen niet dieper zijn dan 40 cm en die zonder heiwerkzaamheden kunnen worden gebouwd; of

  • b.

    op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; of

  • c.

    op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken voorschriften te verbinden gericht op:

    • 1.

      het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

    • 2.

      het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

    • 3.

      het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;

    • 4.

      het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;

    • 5.

      het binnen een bepaalde termijn starten van de werkzaamheden;

    • 6.

      het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;

    • 7.

      het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;

    • 8.

      het tijdig voor aanvang van de werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer;

    • 9.

      het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming me de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of een programma van eisen.

L

Het opschrift van artikel 7.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.14 Bouwactiviteiten in een archeologisch waardegebied - specifiekebijzondere aanvraagvereisten

M

Artikel 7.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.16 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een archeologisch waardegebied - Rijksbeschermd - UNESCO - gemeentelijk beschermd - begraafplaats

  • 1.

     

    Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoelbedoeld in artikel 6.1 is ter plaatse van de werkingsgebiedengebiedsaanwijzingen waarde Archeologie - waardevolWaardevol gebied (rijksbeschermd)waarde Archeologie - waardevolWaardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO)waarde Archeologie - waardevolWaardevol gebied (gemeentelijk beschermd) en waarde Archeologie - waardevolWaardevol gebied (begraafplaats) van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten:

    • a.

      grondwerkzaamheden waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage;

    • b.

      het verlagen of verhogen van het waterpeil en grondwaterstand;

    • c.

      het rooien of planten van bomen; 

    • d.

      het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

    • e.

      het aanbrengen van verhardingen of ophogingen.

  • 2.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten:

    • a.

      een oppervlakte hebben tot ten hoogste 0 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 0 m1;

    • b.

      mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit;

    • c.

      reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het omgevingsplan;

    • d.

      behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden;

    • e.

      ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

N

Artikel 7.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.17 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een archeologisch waardevol gebied

  • 1.

    Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichtenzoals bedoelverrichten zoals bedoeld in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Archeologie - waardevolWaardevol gebied van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten kapactiviteiten:

    • a.

      grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage;

    • b.

      het verlagen of verhogen van het waterpeil en de grondwaterstand;

    • c.

      het rooien of planten van bomen; 

    • d.

      het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

    • e.

      het aanbrengen van verhardingen of ophogingen.

  • 2.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten:

    • a.

      een oppervlakte hebben tot ten hoogste 30 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 30 m1;

    • b.

      mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit;

    • c.

      reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden;

    • d.

      behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden;

    • e.

      ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

O

Artikel 7.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.18 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met hoge archeologische verwachting

  • 1.

    Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichtenzoals bedoelverrichten zoals bedoeld in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Archeologie - hogeHoge verwachting van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten:

    • a.

      grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage;

    • b.

      het verlagen of verhogen van het waterpeil en de grondwaterstand;

    • c.

      het rooien of planten van bomen; 

    • d.

      het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

    • e.

      het aanbrengen van verhardingen of ophogingen.

  • 2.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten:

    • a.

      een oppervlakte hebben tot ten hoogste 200 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 200 m1;

    • b.

      mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit;

    • c.

      reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden;

    • d.

      behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden;

    • e.

      ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

P

Artikel 7.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.19 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met middelhoge archeologische verwachting

  • 1.

    Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoelbedoeld in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Archeologie - middelhogeMiddelhoge verwachting van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten:

    • a.

      grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage;

    • b.

      het verlagen of verhogen van het waterpeil en de grondwaterstand;

    • c.

      het rooien of planten van bomen; 

    • d.

      het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

    • e.

      het aanbrengen van verhardingen of ophogingen.

  • 2.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten:

    • a.

      een oppervlakte hebben tot ten hoogste 500 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 500 m1;

    • b.

      mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit;

    • c.

      reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden;

    • d.

      behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden;

    • e.

      ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

Q

Artikel 7.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.20 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met lage archeologische verwachting

  • 1.

    Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichtenzoals bedoelverrichten zoals bedoeld in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Archeologie - lageLage verwachting van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten:

    • a.

      grondwerkzaamheden dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanleggen, vergraven, verruimen, dempen of baggeren van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage;

    • b.

      het verlagen of verhogen van het waterpeil en de grondwaterstand;

    • c.

      het rooien of planten van bomen; 

    • d.

      het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

    • e.

      het aanbrengen van verhardingen of ophogingen.

  • 2.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten of kapactiviteiten:

    • a.

      een oppervlakte hebben tot ten hoogste 5.000 m2 of een omvang hebben van ten hoogste 5.000 m1;

    • b.

      mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit;

    • c.

      reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden;

    • d.

      behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden;

    • e.

      ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

R

Het opschrift van artikel 7.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.22 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een archeologisch waardegebied - specifieke indieningsvereistenbijzondere aanvraagvereisten

S

Artikel 7.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.23 Sloopactiviteiten in een archeologisch waardegebied - Rijksbeschermd - UNESCO - gemeentelijk beschermd - begraafplaats

T

Artikel 7.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.24 Sloopactiviteiten in een archeologisch waardevol gebied

  • 1.

    Het verbod om zonder omgevingsvergunning een sloopactiiteitsloopactiviteit te verrichten zoals bedoelbedoeld in artikel 6.3 is ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Archeologie - waardevolWaardevol gebied van toepassing indien de verstoringsdiepte daarbij meer dan 40 cm bedraagt.

  • 2.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit:

    • a.

      betrekking heeft op een oppervlakte tot ten hoogste 30 m2; of

    • b.

      niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of

    • c.

      mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of

    • d.

      reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan; of

    • e.

      ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

U

Artikel 7.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.25 Sloopactiviteiten in een gebied met hoge archeologische verwachting

  • 1.

    Het verbod m zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten zoals bedoelbedoeld in artikel 6.3 is ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Archeologie - hogeHoge verwachting van toepassing indien de verstoringsdiepte daarbij meer dan 40 cm bedraagt.

  • 2.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit:

    • a.

      betrekking heeft op een oppervlakte tot ten hoogste 200 m2; of

    • b.

      niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of

    • c.

      mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of

    • d.

      reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan; of

    • e.

      ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

V

Artikel 7.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.26 Sloopactiviteiten in een gebied met middelhoge archeologische verwachting

  • 1.

    Het verbod om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten zoals bedoelbedoeld in artikel 6.3 is ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Archeologie - middelhogeMiddelhoge verwachting van toepassing indien de verstoringsdiepte daarbij meer dan 40 cm bedraagt.

  • 2.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit:

    • a.

      betrekking heeft op een oppervlakte tot ten hoogste 500 m2; of

    • b.

      niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of

    • c.

      mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of

    • d.

      reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan; of

    • e.

      ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

W

Artikel 7.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.27 Sloopactiviteiten in een gebied met lage archeologische verwachting

  • 1.

    Het verbod om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten zoals bedoelbedoeld in artikel 6.3 is ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Archeologie - lageLage verwachting van toepassing indien de verstoringsdiepte daarbij meer dan 40 cm bedraagt.

  • 2.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit:

    • a.

      betrekking heeft op een oppervlakte tot ten hoogste 5.000 m2; of

    • b.

      niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of

    • c.

      mag worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of

    • d.

      reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan; of

    • e.

      ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

X

Het opschrift van artikel 7.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.29 Sloopactiviteiten in een archeologisch waardegebied - specifieke indieningsvereistenbijzondere aanvraagvereisten

Y

Artikel 8.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.3 Bouwactiviteiten in een gebied met leemlagen - 1,5 m-mv

Ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Geomorfologie - leemlagenLeemlagen >1,5m 1,5 m zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover:

  • a.

    deze activiteiten niet dieper dan 1,5 meter beneden maaiveld reiken; of

  • b.

    op basis van onderzoek is aangetoond dat in de bodem geen leemlagen aanwezig zijn met een waterremmende werking; of

  • c.

    is aangetoond dat door de werkzaamheden de waterremmende werking van de leemlagen niet geschaad zal worden; of

  • d.

    naar het oordeel van het bevoegd gezag andere belangen het belang van de bescherming van de leemlagen overstijgen.

Z

Artikel 8.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.4 Bouwactiviteiten in een gebied met leemlagen - 3,0 m-mv

Ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Geomorfologie - leemlagenLeemlagen >3,0m 3,0 m zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover:

  • a.

    deze activiteiten niet dieper dan 3,0 meter beneden maaiveld reiken; of

  • b.

    op basis van onderzoek is aangetoond dat in de bodem geen leemlagen aanwezig zijn met een waterremmende werking; of

  • c.

    is aangetoond dat door de werkzaamheden de waterremmende werking van de leemlagen niet geschaad zal worden; of

  • d.

    naar het oordeel van het bevoegd gezag andere belangen het belang van de bescherming van de leemlagen overstijgen.

AA

Artikel 8.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.5 Bouwactiviteiten in een gebied met leemlagen - 4,0 m-mv

Ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Geomorfologie - leemlagenLeemlagen >4,0m 4,0 m zijn bouwactiviteiten toegestaan voor zover:

  • a.

    deze activiteiten niet dieper dan 4,0 meter beneden maaiveld reiken; of

  • b.

    op basis van onderzoek is aangetoond dat in de bodem geen leemlagen aanwezig zijn met een waterremmende werking; of

  • c.

    is aangetoond dat door de werkzaamheden de waterremmende werking van de leemlagen niet geschaad zal worden; of

  • d.

    naar het oordeel van het bevoegd gezag andere belangen het belang van de bescherming van de leemlagen overstijgen.

BB

Het opschrift van artikel 8.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.6 Bouwactiviteiten in een gebied met leemlagen - specifiekebijzondere aanvraagvereisten

CC

Artikel 8.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.8 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met leemlagen - 1,5 m-mv

  • 1.

    Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoelbedoeld in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Geomorfologie - leemlagenLeemlagen >1,5m 1,5 m van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten:

    • a.

      het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

    • b.

      het verrichten van boringen;

    • c.

      het wijzigen van de grondwaterstand door drainage, grondwateronttrekking of andere wijze;

    • d.

      het afgraven van gronden. 

  • 2.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten:

    • a.

      zoals bedoeld in het eerste lid onder a, b en c op een diepte van minder dan 1,5 m-mv worden uitgevoerd;

    • b.

      reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan.

DD

Artikel 8.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.9 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met leemlagen - 3,0 m-mv

  • 1.

     

    Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoelbedoeld in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Geomorfologie - leemlagenLeemlagen >3,0m 3,0 m van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten:

    • a.

      het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

    • b.

      het verrichten van boringen;

    • c.

      het wijzigen van de grondwaterstand door drainage, grondwateronttrekking of andere wijze;

    • d.

      het afgraven van gronden. 

  • 2.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten:

    • a.

      zoals bedoeld in het eerste lid onder a, b en c op een diepte van minder dan 1,53,0 m-mv worden uitgevoerd;

    • b.

      reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan.

EE

Artikel 8.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.10 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met leemlagen - 4,0 m-mv

  • 1.

    Het verbod om zonder omgevingsvergunning een werken of werkzaamhedenactiviteit te verrichten zoals bedoelbedoeld in artikel 6.1 is ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Geomorfologie - leemlagenLeemlagen >4,0m 4,0 m van toepassing op het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamhedenactiviteiten:

    • a.

      het aanleggen of onderhouden van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

    • b.

      het verrichten van boringen;

    • c.

      het wijzigen van de grondwaterstand door drainage, grondwateronttrekking of andere wijze;

    • d.

      het afgraven van gronden. 

  • 2.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de werken en werkzaamhedenactiviteiten:

    • a.

      zoals bedoeld in het eerste lid onder a, b en c op een diepte van minder dan 1,5 m-mv worden uitgevoerd;4,0

    • b.

      reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan.

FF

Het opschrift van artikel 8.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.12 Werken en werkzaamhedenactiviteiten in een gebied met leemlagen - specifiekebijzondere aanvraagvereisten

GG

Afdeling 8.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 8.4 Sloopactiviteiten Leemlagen

Artikel 8.13 Sloopactiviteiten in een gebied met leemlagen - 1,5 m-mv - meldingsplicht

  • 1.

    Het is verboden om ter plaatse van het werkingsgebiedde gebiedsaanwijzing waarde Geomorfologie - leemlagenLeemlagen >1,5m 1,5 m een sloopactiviteit te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit:

    • a.

      niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of

    • b.

      reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan.

Artikel 8.14 Sloopactiviteiten in een gebied met leemlagen - 3,0 m-mv - meldingsplicht

  • 1.

    Het is verboden om ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >3,0m een sloopactiviteit te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit:

    • a.

      niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of

    • b.

      reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan.

Artikel 8.15 Sloopactiviteiten in een gebied met leemlagen - 4,0 m-mv - meldingsplicht

  • 1.

    Het is verboden om ter plaatse van het werkingsgebied waarde Geomorfologie - leemlagen >4,0m een sloopactiviteit te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing indien de sloopactiviteit:

    • a.

      niet zorgt voor een uitbreiding van de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil; of

    • b.

      reeds in uitvoering is op het tijdstip van in werking treden van het plan.

HH

Hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 9 Gereserveerd Thema Bodem

[Gereserveerd]

Afdeling 9.1 Algemene regels bodem

Artikel 9.1 Voorrangsregels bodem

Indien er op een locatie regels over bodembeheer uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan van toepassing zijn en deze regels in strijd zijn met hoofdstuk 9, dan heeft de regel uit hoofdstuk 9 van het Omgevingsplan voorrang.

Artikel 9.2 Bestandsformaat aanleveren gegevens en bescheiden

De resultaten van ieder bodemonderzoek die moeten worden aangeleverd op grond van hoofdstuk 9 van het Omgevingsplan dienen separaat te worden aangeleverd in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101, indien het gaat om: 

  • a.

    het vervolgonderzoek (dan wel de onderzoeken), zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; 

  • b.

    als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 9.3 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. 

Artikel 9.3 Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem 
  • 1.

    Er gelden waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem. 

  • 2.

    De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor de verschillende gebruiksfuncties zijn de in de tabel opgenomen waarden:

    Waarden toelaatbare kwaliteit van de bodem per gebruiksfunctie en type ontwikkeling (actiewaarden voor sanerende maatregelen) 

    Toekomstige gebruiksfunctie  

    Waarde toelaatbare kwaliteit bij robuuste ontwikkeling  

    Waarde toelaatbare kwaliteit bij bestaande situatie/niet robuuste ontwikkeling  

    Landbouw/natuur 

    Interventiewaarde zoals bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving 

    MHTR/METR (berekende waarden mbv Risicotoolbox) 

    Wonen 

    Interventiewaarde zoals bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving 

    MHTR/METR (berekende waarden mbv Risicotoolbox) 

    Stedelijk wonen 

    Interventiewaarde zoals bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving 

    MHTR/METR (berekende waarden mbv Risicotoolbox) 

    Industrie 

    Interventiewaarde zoals bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving 

    MHTR/METR (berekende waarden mbv Risicotoolbox) 

     
  • 3.

    Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit. 

  • 4.

    Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit voor: 

    • a.

      asbest en respirabele asbestvezels in de laag tot 1,00 m-mv; 

    • b.

      lood in laag tot 0,50 m- mv.

  • 5.

    Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het tweede lid, afwijken van de METR vanwege maatschappelijke of ecologische belangen.  

Afdeling 9.2 Gebruiksactiviteiten bodem

Paragraaf 9.2.1 Informatieplicht gebruiksactiviteiten bodem
Artikel 9.4 Activiteit in gebruik nemen bodem gevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie – informatieplicht 

Het is verboden om een bodemgevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een bodemgevoelige locatie in gebruik te nemen zonder ten minste vier weken voor ingebruikname de volgende gegevens aan het college van burgemeester en wethouders te verstrekken. Het betreft gegevens en bescheiden waaruit blijkt op welke wijze de sanerende of andere beschermende maatregelen zijn uitgevoerd die als voorwaarde zijn gesteld voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. 

Paragraaf 9.2.2 Verboden gebruiksactiviteiten bodem
Artikel 9.5 Activiteit bodemgevoelige locatie toevoegen – vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning het gebruik van een locatie te wijzigen waardoor er een bodemgevoelige locatie ontstaat.

Paragraaf 9.2.3 Beoordelingsregels gebruiksactiviteiten bodem 
Artikel 9.6 Activiteit bodemgevoelige locatie toevoegen – bijzondere aanvraagvereisten
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels in artikel 9.7 worden ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Beperkt vooronderzoek de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een ingevuld formulier “beperkt vooronderzoek Arnhem”;

    • b.

      indien uit het formulier ”beperkt vooronderzoek Arnhem” blijkt dat de locatie verdacht is op het voorkomen van bodemverontreiniging: het vervolgonderzoek (dan wel onderzoeken), zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels in artikel 9.7 worden ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Uitgebreid vooronderzoek de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:  

    • a.

      de resultaten van het onderzoek (dan wel de onderzoeken), zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving waaronder in ieder geval de resultaten van een verkennend bodemonderzoek volgens NEN5740.

  • 3.

    Indien de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 9.3 wordt overschreden moeten gegevens en bescheiden worden aangeleverd die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. 

Artikel 9.7 Activiteit bodemgevoelige locatie toevoegen – beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 9.5 wordt alleen verleend indien de bodemkwaliteit voldoet aan de toelaatbare bodemkwaliteit zoals bedoeld in artikel 9.3 of als uit de gegevens blijkt dat aannemelijk is dat sanerende of beschermende maatregelen worden getroffen conform de terugsaneerwaarden zoals bedoeld in artikel 9.31

Afdeling 9.3 Bouwactiviteiten bodem

Paragraaf 9.3.1 Meldplicht bouwactiviteiten bodem
Artikel 9.8 Bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie – meldplicht
  • 1.

    Het is verboden om een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie te bouwen, zonder dit ten minste vier weken voor aanvang van de bouw te melden bij het bevoegd gezag.

  • 2.

    Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

    • a.

      de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;

    • b.

      het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht; 

    • c.

      de dagtekening;

    • d.

      een voorafgaand bodemonderzoek, dan wel onderzoeken zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • e.

      indien de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 9.3 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. 

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing als voor de bouwactiviteit een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd. 

Paragraaf 9.3.2 Beoordelingsregels bouwactiviteiten bodem 
Artikel 9.9 Bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie – bijzondere aanvraagvereisten
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels in artikel 9.10 worden ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Beperkt vooronderzoek de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een ingevuld formulier “beperkt vooronderzoek Arnhem”;

    • b.

      indien uit het formulier ”beperkt vooronderzoek Arnhem” blijkt dat de locatie verdacht is op het voorkomen van bodemverontreiniging: het vervolgonderzoek (dan wel onderzoeken), zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit waarbij moet worden getoetst aan de beoordelingsregels in artikel 9.10 worden ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Uitgebreid vooronderzoek de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      de resultaten van het onderzoek (dan wel de onderzoeken), zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving waaronder in ieder geval de resultaten van een verkennend bodemonderzoek volgens NEN5740.

  • 3.

    Indien de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 9.3 wordt overschreden moeten gegevens en bescheiden worden aangeleverd die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. 

Artikel 9.10 Bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie – beoordelingsregels 
  • 1.

    Een vergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, wordt verleend indien: 

    • a.

      de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 9.3 niet wordt overschreden, of;  

    • b.

      een sanering van de bodem wordt uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

     

    In afwijking van het eerste lid onder b hoeft de sanering niet te voldoen aan de voorschriften uit paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als:

    • a.

      de verontreiniging onder de interventiewaarde bodemkwaliteit ligt of kleiner is dan 25 kubieke meter grond en het geen verontreiniging met asbest en respirabele asbestvezels betreft;

    • b.

      aannemelijk is dat andere beschermende maatregelen worden getroffen die gezondheidsrisco’s wegnemen. 

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan met het oog op het voorkomen van risico’s voor de gezondheid, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning of de omgevingsplanwijziging, als zij van oordeel is, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. 

Afdeling 9.4 Milieubelastende activiteit bodem

Paragraaf 9.4.1 Spoedreparatie
Artikel 9.11 Spoedreparatie - informatieplicht 

Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied is het verboden om een spoedreparatie te verrichten in grond die is verontreinigd boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zonder zo spoedig mogelijk de volgende gegevens aan de toezichthoudende instantie te verstrekken: 

  • a.

    de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

  • b.

    de verwachte datum en tijdstip van het begin van de activiteit;

  • c.

    de aard van de spoedreparaties.

Paragraaf 9.4.2 Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van meer dan 25 m3
Artikel 9.12 Graven in de bodem – informatieplicht beperkt vooronderzoek
  • 1.

    Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Beperkt vooronderzoek is het verplicht om bij het graven in de bodem gegevens en bescheiden aan te leveren indien:

    • a.

      het bodemvolume waarin wordt gegraven groter is dan 25 m3, en

    • b.

      de kwaliteit van de bodem onder of gelijk aan de interventiewaarde als bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteit leefomgeving is.

  • 2.

    In de in het eerste lid bedoelde geval moeten de volgende gegevens en bescheiden worden aangeleverd:

    • a.

      een ingevuld formulier “beperkt vooronderzoek Arnhem”;

    • b.

      indien blijkt uit het formulier ”beperkt vooronderzoek Arnhem”, dat de locatie verdacht is voor het voorkomen van bodemverontreiniging, het vervolgonderzoek, dan wel de vervolgonderzoeken, zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 9.13 Graven in de bodem – informatieplicht uitgebreid vooronderzoek
  • 1.

    Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Uitgebreid vooronderzoek is het verplicht om bij het graven in de bodem gegevens en bescheiden aan te leveren indien: 

    • a.

      het bodemvolume waarin wordt gegraven groter is dan 25 m3; en

    • b.

      de kwaliteit van de bodem onder of gelijk aan de interventiewaarde als bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteit leefomgeving is.

  • 2.

    In de in het eerste lid bedoelde geval moeten de volgende gegevens en bescheiden worden aangeleverd:   

    • a.

      de resultaten van het onderzoek (dan wel bodemonderzoeken), zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving waaronder in ieder geval de resultaten van een verkennend bodemonderzoek volgens NEN5740. 

Paragraaf 9.4.3 Graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van ten hoogste 25m3 (kleinschalig graven) 
Artikel 9.14 Toepassingsbereik kleinschalig graven
  • 1.

    Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Graven Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied en Spijkerkwartier is deze paragraaf van toepassing op het graven in de bodem waarbij: 

    • a.

      het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3; 

    • b.

      de kwaliteit van de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit ligt; 

    • c.

      de verontreiniging niet onder het overgangsrecht valt;

  • 2.

    Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook:

    • a.

      het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie;

    • b.

      het tijdelijk opslaan van grond; en

    • c.

      het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen. 

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem. 

Artikel 9.15 Toepassingsbereik kleinschalig graven Spijkerkwartier
  • 1.

    Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Graven Spijkerkwartier is deze paragraaf van toepassing op het graven in de bodem waarbij:

    • a.

      het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3;

    • b.

      de verontreiniging niet onder het overgangsrecht valt; 

  • 2.

    Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook:

    • a.

      het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie;

    • b.

      het tijdelijk opslaan van grond; en 

    • c.

      het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing als kan worden aangetoond dat ter plaatse van de activiteit een kwaliteit lager dan de interventiewaarde bodemkwaliteit aanwezig is. 

Artikel 9.16 Kleinschalig graven – informatieplicht 
  • 1.

    Het is verboden om te graven in de bodem, zonder ten minste vijf werkdagen voor aanvang van de activiteit de volgende gegevens aan het college van burgemeester en wethouders te verstrekken:

    • a.

      de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit; en

    • c.

      de verwachte duur van de activiteit.

  • 2.

    Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing 

    • a.

      als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond; of

    • b.

      als het gaat om graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

     

Artikel 9.17 Tijdelijke opslag vrijkomende grond 

Het is verboden om grond die bij het graven is vrijgekomen langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie op te slaan. 

Artikel 9.18 Milieukundige begeleiding bij nazorg

Het is verboden om te graven in de bodem zonder milieukundige begeleiding als bedoeld in BRL 6000, indien op de locatie sprake is van een afdeklaag in de vorm van een leeflaag of een andere duurzame afdeklaag aanwezig is en de ontgraving dieper reikt dan deze laag. 

Artikel 9.19 Gescheiden houden van grond 

Het is verplicht om bij het graven, terugplaatsen of afvoeren van grond, partijen grond van verschillende kwaliteitsklassen, waarin de partijen op grond van artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit zijn ingedeeld, gescheiden te houden.

Paragraaf 9.4.4 Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en een bodemvolume van meer dan 25 m3 
Artikel 9.20 Graven in bodem gelegen in Spijkerkwartier

Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Graven Spijkerkwartier gelden de regels uit paragraaf 3.2.22. van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij in recent onderzoek ter plaatse van de activiteit een kwaliteit lager dan de interventiewaarde bodemkwaliteit is aangetoond. 

Artikel 9.21 Tijdelijk uitnemen van grond

Ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied, bij het graven in de bodem waarbij:

  • a.

    het bodemvolume waarin wordt gegraven groter is dan 25 m3; 

  • b.

    de kwaliteit van de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit ligt; 

  • c.

    de verontreiniging niet onder het overgangsrecht valt

is het verboden om grond na het tijdelijk uitnemen terug te brengen in de bodem als de grond boven de interventiewaarde bodemkwaliteit is verontreinigd met asbest, respirabele asbestvezels en/of mobiele verontreinigingen. 

Paragraaf 9.4.5 Toepassen van bouwstoffen
Artikel 9.22 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het toepassen van immobilisaten, bodemassen, producten/mengsels waarin metaalslakken zijn verwerkt, speciaal recycling granulaat en stabilisaat. 

Artikel 9.23 Toepassen van bouwstoffen
  • 1.

    Het is verboden om de activiteit het toepassen van bouwstoffen, zoals bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten als het gaat om de volgende bouwstoffen en/of producten/mengsels van bouwstoffen:

    • a.

      immobilisaten;

    • b.

      bodemassen;

    • c.

      producten/mengsels waarin minder dan 20 massaprocent metaalslakken zijn verwerkt;

    • d.

      speciaal recycling granulaat;

    • e.

      stabilisaat, met uitzondering van waterglas en ongebluste kalk in een volume grond (in situ) van minder dan 25m3

     zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden bij het bevoegd gezag.

  • 2.

    Een melding bevat:

    • a.

      het akkoord van de opdrachtgever;

    • b.

      schriftelijke instemming van de eigenaar van de locatie;

    • c.

      schriftelijke instemming van de uiteindelijke eigenaar; 

    • d.

      de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase;

    • e.

      de coördinaten van de ontvangende landbodem en, als dit bekend is, het adres;

    • f.

      de aanduiding van de functionele toepassing, bedoeld in artikel 4.1260 van het Besluit activiteiten leefomgeving, in het kader waarvan de bouwstof wordt toegepast, en een onderbouwing van de functionaliteit van de toepassing;

    • g.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit (toepassing van de bouwstof); 

    • h.

      de verwachte datum waarop de activiteit (toepassing van de bouwstof) zal zijn voltooid;

    • i.

      een planning van de werkzaamheden waaruit blijkt dat het werk waarin de bouwstof wordt toepast binnen 1 jaar na toepassing wordt afgerond;

    • j.

      de dimensionering van de functionele toepassing in het kader waarvan de bouwstof wordt toegepast;

    • k.

      de hoeveelheid bouwstof in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast; 

    • l.

      tekeningen van de toepassingslocatie; de toepassingscontour in het horizontale vlak en dwarsdoorsnedes van de toepassing waarin boven en onderzijde van de toepassing zijn aangegeven ten opzichte van NAP;

    • m.

      een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen bouwstof aangevuld met de zuurgraad, geleidbaarheid(ec) en kritische parameters van deze bouwstof;

    • n.

      documenten waaruit de kwaliteit van de bouwstof blijkt;

    • o.

      als deze op grond van het Besluit bodemkwaliteit bij de afgifte van een milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt: een afleverbon;

    • p.

      de herkomst van de toe te passen bouwstof;

    • q.

      als de herkomst buiten Nederland is: het nummer dat de bevoegde autoriteit heeft toegekend aan de kennisgeving, bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190);

    • r.

      verwerkingsvoorschriften van de bouwstof;

    • s.

      als de milieuhygiënische verklaring een productcertificaat is, dan zijn waarborging van de eisen van het productcertificaat verwerkt;

    • t.

      veiligheidsinformatieblad van de bouwstof; 

    • u.

      beschrijving van de kwaliteit en dikte van de afdeklaag en het moment dat deze wordt aangebracht; 

    • v.

      beschrijving van de werkwijze hoe de taluds/randen worden afgewerkt;

    • w.

      de toepassingshoogte ten opzichte van de gemiddeld hoogste grondwaterstand;

    • x.

      de verwachte zetting voor de komende 100 jaar;

    • y.

      een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat het toepassen van deze bouwstof (zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase) nadelige effecten heeft op de bodem, het grondwater, oppervlaktewater, kwetsbare objecten of ecologie, die kunnen bestaan uit veranderingen in chemische of ecologische kwaliteit, zetting of zuurgraad, of anderszins strijdig is met de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • z.

      een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat het toepassen van deze bouwstof (zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase) nadelige effecten heeft op veiligheid en humane gezondheid en overlast voor de omgeving als gevolg van stofvorming en percolaat wordt voorkomen. 

Paragraaf 9.4.6 Toepassen van grond of baggerspecie
Artikel 9.24 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de landbodem toepassen van grond of baggerspecie. 

Artikel 9.25 Bodemvreemd materiaal 5 procent
Artikel 9.26 Nota bodembeheer  

De kwaliteitseisen zoals vastgesteld in de Nota Bodembeheer Milieuregio Arnhem, 2011 (en eventuele latere addenda en wijzigingen) zijn van toepassing. 

Artikel 9.27 Toepassen van thermisch gereinigde grond – meldplicht
  • 1.

    Het is verboden om de activiteit het toepassen van grond of baggerspecie, zoals bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten zonder dit ten vier weken voor het begin ervan te melden als het gaat om het toepassen van thermisch gereinigde grond.

  • 2.

    Een melding bevat:

    • a.

      het akkoord van de opdrachtgever;

    • b.

      schriftelijke instemming van de eigenaar van de locatie;

    • c.

      schriftelijke instemming van de uiteindelijke eigenaar;

    • d.

      de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase;

    • e.

      de coördinaten van de ontvangende landbodem en, als dit bekend is, het adres;

    • f.

      de aanduiding van de functionele toepassing, bedoeld in artikel 4.1260 van het Besluit activiteiten leefomgeving, in het kader waarvan de bouwstof wordt toegepast, en een onderbouwing van de functionaliteit van de toepassing;

    • g.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit (toepassing van de bouwstof);

    • h.

      de verwachte datum waarop de activiteit (toepassing van de bouwstof) zal zijn voltooid;

    • i.

      een planning van de werkzaamheden waaruit blijkt dat het werk waarin de bouwstof wordt toepast binnen 1 jaar na toepassing wordt afgerond;

    • j.

      de dimensionering van de functionele toepassing in het kader waarvan de bouwstof wordt toegepast;

    • k.

      de hoeveelheid bouwstof in kubieke meters die in totaal in het werk zal worden toegepast;

    • l.

      tekeningen van de toepassingslocatie; de toepassingscontour in het horizontale vlak en dwarsdoorsnedes van de toepassing waarin boven en onderzijde van de toepassing zijn aangegeven ten opzichte van NAP;

    • m.

      een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen bouwstof aangevuld met de zuurgraad, geleidbaarheid(ec) en kritische parameters van deze bouwstof;

    • n.

      documenten waaruit de kwaliteit van de bouwstof blijkt;

    • o.

      als deze op grond van het Besluit bodemkwaliteit bij de afgifte van een milieuverklaring bodemkwaliteit moet worden verstrekt: een afleverbon;

    • p.

      de herkomst van de toe te passen bouwstof;

    • q.

      als de herkomst buiten Nederland is: het nummer dat de bevoegde autoriteit heeft toegekend aan de kennisgeving, bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190);

    • r.

      verwerkingsvoorschriften van de bouwstof;

    • s.

      als de milieuhygiënische verklaring een productcertificaat is, dan zijn waarborging van de eisen van het productcertificaat verwerkt;

    • t.

      veiligheidsinformatieblad van de bouwstof;

    • u.

      beschrijving van de kwaliteit en dikte van de afdeklaag en op het moment dat deze wordt aangebracht;

    • v.

      beschrijving van de werkwijze hoe de taluds/randen worden afgewerkt;

    • w.

      de toepassingshoogte ten opzichte van de gemiddeld hoogste grondwaterstand;

    • x.

      de verwachte zetting voor de komende 100 jaar;

    • y.

      een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat het toepassen van deze bouwstof (zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase) nadelige effecten heeft op de bodem, het grondwater, oppervlaktewater, kwetsbare objecten of ecologie, die kunnen bestaan uit veranderingen in chemische of ecologische kwaliteit, zetting of zuurgraad, of anderszins strijdig is met de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • z.

      een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat het toepassen van deze bouwstof (zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase) nadelige effecten heeft op veiligheid en humane gezondheid en overlast voor de omgeving als gevolg van stofvorming en percolaat wordt voorkomen. 

Paragraaf 9.4.7 Saneren van de bodem
Artikel 9.28 Toepassingsbereik saneren

Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem ter plaatse van de gebiedsaanwijzing Bodem - Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied

Artikel 9.29 Afdeklaag

Een waterdoorlatende verharding is toegestaan als afdeklaag, mits de verontreiniging niet mobiel of vluchtig is.

Artikel 9.30 Minimale dikte afdeklaag

Een laag grond of baggerspecie die wordt aangebracht als afdeklaag dient de minimale dikte te hebben zoals aangegeven in onderstaande tabel.

Tabel 9.37 minimale dikte van de afdeklaag

Bodemgebruik 

Minimale dikte afdeklaag (in cm) 

Industrie/bedrijven 

locaties waar de gemiddelde grondwaterstand <50 cm-mv is 

niet grondgebonden teelten in kassen 

50 

 
Artikel 9.31 Terugsaneerwaarden
  • 1.

    Verontreiniging van de bodem dient te worden verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof die boven de waarde, bedoeld in artikel 9.3 was aangetroffen, niet meer voorkomt in een concentratie hoger dan het niveau van de waarde zoals opgenomen in onderstaande leden.

  • 2.

     

    Voor de bodemfunctieklasse landbouw/natuur geldt: 

    • a.

      De minimale terugsaneerwaarde bij robuuste ontwikkeling is de waarde behorende bij de functie wonen. 

    • b.

      De terugsaneerwaarde bij bestaande situatie/niet-robuuste ontwikkeling betreft de MHTR/METR, zijnde de berekende waarde met behulp van de Risicotoolbox. 

  • 3.

    Voor de bodemfunctieklasse wonen geldt: 

    • a.

      De minimale terugsaneerwaarde bij robuuste ontwikkeling is de waarde behorende bij de functie wonen. 

    • b.

      De terugsaneerwaarde bij bestaande situatie/niet-robuuste ontwikkeling betreft de MHTR/METR, zijnde de berekende waarde met behulp van de Risicotoolbox. 

  • 4.

    Voor de bodemfunctieklasse stedelijk wonen geldt:

    • a.

      De minimale terugsaneerwaarde bij robuuste ontwikkeling is: 

      • 1.

        Voor de functie wonen: de waarde behorende bij de functie wonen. 

      • 2.

        Voor de functie openbaar gebied: de waarde behorende bij de functie industrie. 

    • b.

      De terugsaneerwaarde bij bestaande situatie/niet-robuuste ontwikkeling betreft de MHTR/METR, zijnde de berekende waarde met behulp van de Risicotoolbox. 

     

  • 5.

    Voor de bodemfunctieklasse industrie geldt: 

    • a.

      De minimale terugsaneerwaarde bij robuuste ontwikkeling is de waarde behorende bij de functie industrie. 

    • b.

      Indien het de functie wonen betreft, is de minimale terugsaneerwaarde de waarde behorende bij de functie wonen. 

    • c.

      De terugsaneerwaarde bij bestaande situatie/niet-robuuste ontwikkeling betreft de MHTR/METR, zijnde de berekende waarde met behulp van de Risicotoolbox. 

Artikel 9.32 Nazorg na afloop van saneren van de bodem 
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het verrichten van nazorg als sanering van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.

  • 2.

    De eigenaar, erfpachter en/of gebruiker van een locatie dient de noodzakelijke maatregelen te treffen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag. 

  • 3.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar de blootstellingsroute blokkeren als bedoeld in artikel 19.9c van de Omgevingswet. 

Paragraaf 9.4.8 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico
Artikel 9.33 Mitigerende maatregelen
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. 

  • 2.

    Degene die een activiteit verricht als bedoeld in het eerste lid dient in het belang van bescherming van de bodem maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om humane risico’s en verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, de verontreiniging ongedaan te maken.

II

Artikel 22.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen

  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:

    • a.

      de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4;

    • b.

      het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • c.

      de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:

      [Vervallen]

      • 1.

        de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of

      • 2.

        bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:

    • a.

      het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of

    • b.

      het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.

JJ

Artikel 22.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie

  • 1.

    De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

    [Vervallen]

  • 2.

    Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.

  • 3.

    Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.

KK

Artikel 22.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit

Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.29.

[Vervallen]

LL

Artikel 22.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een opgave van de bouwkosten;

  • b.

    het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • c.

    een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • d.

    een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

    • 1.

      de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

    • 2.

      de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

    • 3.

      de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;

    • 4.

      de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en

    • 5.

      het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;

  • e.

    de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen;

  • f.

    de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein;

  • g.

    gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld;

  • h.

    [Vervallen]; 

  • i.

    de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:

    • 1.

      tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;

    • 2.

      principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;

    • 3.

      kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en

    • 4.

      een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;

  • j.

    als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:

    [Vervallen]; en

    • 1.

      de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en

    • 2.

      als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en

  • k.

    overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

MM

Subparagraaf 22.3.7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 22.3.7.1 Nazorg na saneren van de bodem

Artikel 22.125 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.

[Vervallen]

Artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem

  • 1.

    De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag.

    [Vervallen]

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.

NN

Subparagraaf 22.3.7.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 22.3.7.2 Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 22.127 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3 en sprake is van:

    • a.

      locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; of

    • b.

      locaties of gebieden waar de bodem diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals dat blijkt uit:

      • 1.

        een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een bodemkwaliteitskaart vastgesteld op grond van artikel 25c, derde lid van het Besluit bodemkwaliteit.

    [Vervallen]

  • 2.

    Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook:

    • a.

      het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie;

    • b.

      het tijdelijk opslaan van grond; en

    • c.

      het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem.

Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

  • 1.

    Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 22.127, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit; en

    • c.

      de verwachte duur ervan.

    [Vervallen]

  • 2.

    Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond; of

    • b.

      op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

[Vervallen]

Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.

[Vervallen]

OO

Subparagraaf 22.3.7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 22.3.7.3 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

Artikel 22.131 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

[Vervallen]

Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 22.131, verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

[Vervallen]

PP

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I Overzicht Informatieobjecten

Archeologie - Hoge verwachting

/join/id/regdata/gm0202/2024/9bec80fb59ab4fc58c81f7e84499b66b/nld@2025‑04‑17;10232600

Archeologie - Lage verwachting

/join/id/regdata/gm0202/2024/a2982723d6fc4964b5ba7a85fe79c50b/nld@2025‑04‑17;10232600

/join/id/regdata/gm0202/2024/a2982723d6fc4964b5ba7a85fe79c50b/nld@2025‑10‑13;15442881

Archeologie - Middelhoge verwachting

/join/id/regdata/gm0202/2024/f0c45b05c4154ed9806b50856dc6f549/nld@2025‑04‑17;10232600

Archeologie - Overige gebieden - opgehoogd terrein

/join/id/regdata/gm0202/2024/16589af5b7ad4b9eb94f14bbb0224b78/nld@2025‑09‑26;13141662

Archeologie - Overige gebieden - vergraven/afgegraven

/join/id/regdata/gm0202/2024/81ec5d31bc7f425a937051815c84f4af/nld@2025‑09‑26;13141662

Archeologie - Waardevol gebied

/join/id/regdata/gm0202/2024/9a2e41f4cca34b0db24b547573e1b4a3/nld@2025‑04‑17;10232600

Archeologie - Waardevol gebied (begraafplaats)

/join/id/regdata/gm0202/2024/378528ba65524d638a8656188d3e3ea0/nld@2025‑04‑17;10232600

Archeologie - Waardevol gebied (gemeentelijk beschermd)

/join/id/regdata/gm0202/2024/1cc5cff00d954326a5688dc2ae7b963c/nld@2025‑09‑26;13141662

Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO)

/join/id/regdata/gm0202/2024/1fc6d89dbceb4bc2b438172b77345373/nld@2025‑04‑17;10232600

Archeologie - Waardevol gebied (rijksbeschermd)

/join/id/regdata/gm0202/2024/9c8e77c30c3c447ea746e84ac4a684d7/nld@2025‑04‑17;10232600

waarde Archeologie - hoge verwachting

/join/id/regdata/gm0202/2024/9e4f91a463174d9a9d30c359cc0b7a2c/nld@2025‑04‑17;10232600

waarde Archeologie - lage verwachting

/join/id/regdata/gm0202/2024/9fcba801164d40e88ac71d2c4f741f0e/nld@2025‑04‑17;10232600

waarde Archeologie - middelhoge verwachting

/join/id/regdata/gm0202/2024/ec0554d2b8d7401ab3ad6afcc56a441e/nld@2025‑04‑17;10232600

waarde Archeologie - overige gebieden - opgehoogd terrein

/join/id/regdata/gm0202/2024/6efcf5009f904b82bf82491f74a2958b/nld@2025‑09‑26;13141662

waarde Archeologie - overige gebieden - vergraven/afgegraven

/join/id/regdata/gm0202/2024/4e514938bcaa473daaff86a6e30eb826/nld@2025‑09‑26;13141662

waarde Archeologie - waardevol gebied

/join/id/regdata/gm0202/2024/ec77b177f9bf4d5bb7439e93f32a2d9b/nld@2025‑04‑17;10232600

Bodem - Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied

/join/id/regdata/gm0202/2025/2fa355dedad9468c87f85caa8b6da83c/nld@2025‑10‑13;15442881

Bodem - Beperkt vooronderzoek

/join/id/regdata/gm0202/2025/b2b64c9c3aff425591efc72f2aeae6ba/nld@2025‑10‑13;15442881

Bodem - Functieklasse industrie

/join/id/regdata/gm0202/2025/2a82faffb05244098463276fe5b9a252/nld@2025‑10‑13;15442881

Bodem - Functieklasse landbouw en natuur

/join/id/regdata/gm0202/2025/9e9e01550a174a949cba5a68d56ccfae/nld@2025‑10‑13;15442881

Bodem - Functieklasse stedelijk wonen

/join/id/regdata/gm0202/2025/0a06b3a78dd742398c6eddd196d01946/nld@2025‑10‑13;15442881

Bodem - Functieklasse wonen

/join/id/regdata/gm0202/2025/652b8a4bc31a4b88b1568c3b66124141/nld@2025‑10‑13;15442881

Bodem - Graven Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied en Spijkerkwartier

/join/id/regdata/gm0202/2025/432d0de680c54f55ad4aee855dda4f1b/nld@2025‑10‑13;15442881

Bodem - Graven Spijkerkwartier

/join/id/regdata/gm0202/2025/d741425081b94b968eb432ed6f850af4/nld@2025‑10‑13;15442881

Bodem - Uitgebreid vooronderzoek

/join/id/regdata/gm0202/2025/e3e4a27e079d43278d01f6014584e83c/nld@2025‑10‑13;15442881

Geomorfologie - Leemlagen > 1,5 m

/join/id/regdata/gm0202/2024/dddfdcf678f344ea93197f92994cdb3e/nld@2025‑04‑17;10232600

/join/id/regdata/gm0202/2024/dddfdcf678f344ea93197f92994cdb3e/nld@2025‑10‑13;15442881

waarde Archeologie - waardevol gebied (begraafplaats)

/join/id/regdata/gm0202/2024/d2585260ebdb449a9dcf1e7f62a04451/nld@2025‑04‑17;10232600

Geomorfologie - Leemlagen > 3,0 m

/join/id/regdata/gm0202/2024/3ebd3bf18e4243a9adca462d4014572a/nld@2025‑04‑17;10232600

waarde Archeologie - waardevol gebied (gemeentelijk beschermd)

/join/id/regdata/gm0202/2024/98e88b096f2d4beda22e5845ca4e8c74/nld@2025‑09‑26;13141662

Geomorfologie - Leemlagen > 4,0 m

/join/id/regdata/gm0202/2024/ee78d41327d14286af1b2d0744f12072/nld@2025‑04‑17;10232600

waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd, UNESCO)

/join/id/regdata/gm0202/2024/f17e7682c7584376b126504d72222c18/nld@2025‑04‑17;10232600

waarde Archeologie - waardevol gebied (rijksbeschermd)

/join/id/regdata/gm0202/2024/75610a2893154054bf0edba39ec4ace0/nld@2025‑04‑17;10232600

waarde Geomorfologie - leemlagen >1,5m

/join/id/regdata/gm0202/2024/5821124b38734e38b94a30ce98123862/nld@2025‑04‑17;10232600

waarde Geomorfologie - leemlagen >3,0m

/join/id/regdata/gm0202/2024/a5fed0cb12bc4b05840ed56e4ca3d102/nld@2025‑04‑17;10232600

waarde Geomorfologie - leemlagen >4,0m

/join/id/regdata/gm0202/2024/5191ff2ef8174e66a10743abf14b774a/nld@2025‑04‑17;10232600

QQ

Bijlage III wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage III Bij artikel 1.1, derde lid, van dit omgevingsplan, begripsbepalingen

Archeologisch deskundige 

Een door burgemeester en wethouders als zodanig aangewezen archeoloog die voldoet aan de door en krachtens de Erfgoedwet gestelde kwalificaties en eisen. 

Archeologisch onderzoek 

Onderzoek verricht door een dienst, bedrijf of instelling, gecertificeerd volgens de BRL 4000 en daarmee in het bezit van de voor archeologisch onderzoek noodzakelijke certificaten, werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie. Archeologisch onderzoek resulteert in een rapportage, in het geval van gravend onderzoek volgens de uitgangspunten van een onderliggend Programma van eisen. 

Archeologische verwachting 

De aan een gebied toegekende archeologische verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten in dat gebied. 

Archeologische waarde

De aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten. 

Historische begraafplaats 

Een besloten gebied waar menselijke resten van overleden personen zijn bijgezet en die niet meer als zodanig in gebruik is. 

Specifieke archeologische verwachting

De aan een gebied toegekende archeologische verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten in dat gebied, specifiek relicten uit de Tweede Wereldoorlog, prehistorische akkercomplexen, het kanaal De Grift en de Romeinse Rijksgrens of Limeszone. 

Tijdelijk deel omgevingsplan

Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit: 

  • ruimtelijke regels uit bestemmingplannen en het exploitatieplan; 

  • rijksregels over activiteiten (aangeduid als bruidsschat) opgenomen in hoofdstuk 22. 

Toestemmingsvrij 

Een activiteit waarbij geen melding, informatie of een vergunning nodig is. 

Archeologisch deskundige 

Een door burgemeester en wethouders als zodanig aangewezen archeoloog die voldoet aan de door en krachtens de Erfgoedwet gestelde kwalificaties en eisen. 

Archeologisch onderzoek 

Onderzoek verricht door een dienst, bedrijf of instelling, gecertificeerd volgens de BRL 4000 en daarmee in het bezit van de voor archeologisch onderzoek noodzakelijke certificaten, werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie. Archeologisch onderzoek resulteert in een rapportage, in het geval van gravend onderzoek volgens de uitgangspunten van een onderliggend Programma van eisen. 

Archeologische verwachting 

De aan een gebied toegekende archeologische verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten in dat gebied. 

Archeologische waarde

De aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten. 

Historische begraafplaats 

Een besloten gebied waar menselijke resten van overleden personen zijn bijgezet en die niet meer als zodanig in gebruik is. 

Specifieke archeologische verwachting

De aan een gebied toegekende archeologische verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten in dat gebied, specifiek relicten uit de Tweede Wereldoorlog, prehistorische akkercomplexen, het kanaal De Grift en de Romeinse Rijksgrens of Limeszone. 

Tijdelijk deel omgevingsplan

Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit: 

  • besluiten die zijn aangewezen in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet; 

  • kaarten, bedoeld in artikel 3.5, lid 2, en besluiten, bedoeld in artikel 3.5, lid 3, Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en

  • omgevingsplanregels van rechtswege, bedoeld in artikel 22.2, lid 1, Omgevingswet.

Toestemmingsvrij 

Een activiteit waarbij geen melding, informatie of een vergunning nodig is. 

Bodemgevoelige locatie

Bodemgevoelige locatie als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving of een locatie waar als gevolg van het gebruik sprake is van een verhoogde kans op blootstelling aan de grond:

  • a.

    kinderspeelplaats;

  • b.

    camping;

  • c.

    moestuincomplex of aangewezen locaties voor stadslandbouw.

Robuuste ontwikkeling

Ontwikkeling op een (deel van een) kadastraal perceel waardoor het gebruik/de functie wijzigt, bijvoorbeeld nieuwbouw van één of meerdere woningen. Ook herbouw van een woning wordt als een robuuste ontwikkeling beschouwd.

Niet-robuuste ontwikkeling

Ontwikkeling op een (deel van een kadastraal) perceel waardoor het gebruik/de functie niet wijzigt, niet zijnde herbouw van woning. Voorbeelden hiervan zijn het bouwen van een schuurtje of beperkte uitbreiding (aanbouw) van een bestaande woning. 

Stabilisaat

De toevoeging van bindmiddelen aan de bodem.

RR

Na sectie ' Waarde - Archeologie (overige gebieden - vergraven/afgegraven)' worden negen secties ingevoegd, luidende:

Artikel 3.14 Bodemfunctieklasse landbouw/natuur

Veel activiteiten met grond worden getoetst aan het gebruik van de bodem. De kwaliteit van de grond moet hierbij aansluiten en geen risico opleveren. Het beheergebied van de bodemkwaliteitskaart is ingedeeld in vier functieklassen:  

1. Landbouw/natuur  

2. Wonen  

3. Stedelijk wonen 

4. Industrie 

Bij bouwen, functieverandering, graven, saneren of toepassen van de grond moet met deze functieklassen rekening gehouden worden.Naast de standaard gebiedsaanwijzingen landbouw/natuur, wonen en industrie wordt onderscheid gemaakt in de functieklasse stedelijk wonen. Deze functieklasse ziet op enkele wijken die verhoogde achtergrondwaarden hebben op het gebied van bodemverontreiniging. Bij nieuwe ontwikkelingen is hier een lagere bodemkwaliteit toegestaan in openbaar gebied dat niet voor bodemgevoelige activiteiten wordt gebruikt. 

Door middel van de gebiedsaanwijzingen worden specifieke gebieden binnen de gemeente Arnhem aangewezen waar bepaalde regels gelden. De volgende vijf gebiedsaanwijzingen worden onderscheiden: 

1. Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied 

2. Beperkt vooronderzoek bodem 

3. Uitgebreid vooronderzoek bodem 

4. Graven Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied en Spijkerkwartier, en

5. Graven Spijkerkwartier. 

Voor een groot gedeelte van de regels geldt als werkingsgebied het grondgebied van de gemeente Arnhem, met uitzondering van de gebieden die onder het beheer van Rijkswaterstaat vallen. 

Daarnaast wordt onderscheid gemaakt in gebieden waarin beperkt, dan wel uitgebreid vooronderzoek uitgevoerd moet worden. Uitgebreid onderzoek moet worden uitgevoerd in gebieden waarin een verhoogde kans op bodemverontreiniging bestaat. 

Voor de activiteit graven wordt onderscheid gemaakt tussen het werkingsgebied Spijkerkwartier (met verhoogde achtergrondwaarden) en het overige grondgebied van de gemeente Arnhem, met uitzondering van het gebied dat onder het beheer van Rijkswaterstaat valt. 

Artikel 3.15 Bodemfunctieklasse wonen

Zie toelichting bij artikel 3.14 van dit omgevingsplan.

Artikel 3.16 Bodemfunctieklasse stedelijk wonen

Zie toelichting bij artikel 3.14 van dit omgevingsplan.

Artikel 3.17 Bodemfunctieklasse industrie

Zie toelichting bij artikel 3.14 van dit omgevingsplan.

Artikel 3.18 Gebiedsaanwijzing Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied 

Zie toelichting bij artikel 3.14 van dit omgevingsplan.

Artikel 3.19 Gebiedsaanwijzing beperkt vooronderzoek bodem

Zie toelichting bij artikel 3.14 van dit omgevingsplan.

Artikel 3.20 Gebiedsaanwijzing uitgebreid vooronderzoek bodem 

Zie toelichting bij artikel 3.14 van dit omgevingsplan.

Artikel 3.21 Gebiedsaanwijzing graven Arnhem zonder Rijkswaterstaatgebied en Spijkerkwartier

Zie toelichting bij artikel 3.14 van dit omgevingsplan.

Artikel 3.22 Gebiedsaanwijzing graven Spijkerkwartier

Zie toelichting bij artikel 3.14 van dit omgevingsplan.

SS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.30 lid 1

In het omgevingsplan wordt als lokale waarde de interventiewaarde bodemkwaliteit vastgelegd in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voorheen was dit ook de waarde waaraan de bodemkwaliteit getoetst werd.

Een verbod om te bouwen op verontreinigde bodem (boven de lokale waarde) zonder omgevingsvergunning als er geen maatregelen worden getroffen, volgt uit het samenstel van de vergunningplicht voor bouwen die al elders in de bruidsschat is geregeld met de beoordelingsregel in artikel 22.29, eerste lid (het toegevoegde onderdeel c), dat die vergunning alleen wordt verleend in de situatie die is gedefinieerd in de specifieke beoordelingsregel.

[Vervallen]

TT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.30 lid 2

Gelijkwaardig met de regels van de voormalige Wet bodembescherming is hierbij opgenomen dat sprake is van een overschrijding van deze interventiewaarde als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie is overschreden in meer dan 25 m3 bodemvolume. Voorheen werd dit «het geval van verontreiniging» genoemd. Hierbij kan sprake zijn van onaanvaardbare risico’s en moet, afhankelijk van de functie en het gebruik, wellicht worden gesaneerd of een andere beschermende maatregel worden getroffen. Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het niet noodzakelijk om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen; de grens van 25 m3 is alleen bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen en vereist daarom alleen maatregelen als het om meer dan 25 m3 verontreiniging binnen een perceel gaat.

[Vervallen]

UU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.30 lid 3

De grens van 25 m3 uit het tweede lid geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen.

[Vervallen]

VV

Na sectie ' Voorrangsregels leemlagen' worden 29 secties ingevoegd, luidende:

Artikel 9.1 Voorrangsregels bodem

Dit artikel regelt dat bij strijdigheid met het tijdelijke deel van het omgevingsplan de regel uit dit betreffende hoofdstuk uit het omgevingsplan voorgaat. Voor zover regels betreffende bodembeheer niet strijdig aan elkaar zijn gelden deze regels naast elkaar. Strijdigheid kan bijvoorbeeld bestaan bij regels uit bestemmingsplannen of de regels uit hoofdstuk 22 van het omgevingsplan (de omgevingsplanregels van rijkswege). 

Artikel 9.2 Bestandsformaat aanleveren gegevens en bescheiden

Door aanlevering van gegevens in een voorgeschreven digitaal format is een betere verwerking in het bodeminformatiesysteem mogelijk.

Artikel 9.3 Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem 

De toelaatbare kwaliteit van de bodem geeft aan welke chemische kwaliteit nog toelaatbaar is bij een bepaald gebruik. Als de gehaltes aan verontreinigende stoffen hoger zijn dan die waarden, dan zijn sanerende maatregelen nodig om een veilig gebruik van de bodem mogelijk te maken (dat wil zeggen zonder risico’s voor menselijke gezondheid en ecologie). 

De tabel geeft weer in welke situaties (verandering van functie en/of (bij)bouwen) welke bodemkwaliteit nog toelaatbaar is. Met MHTR wordt bedoeld; maximaal humaan toelaatbaar risiconiveau. Met METR het maximaal ecologisch toelaatbaar risiconiveau. 

Voor lood nemen we de lokale normen die zijn vastgelegd in een beleidsnotitie als uitgangspunt, deze is te vinden op de website van de gemeente Arnhem (zoekterm: bodem). 

Omdat een sanering soms te ingrijpend is (in die zin dat de negatieve effecten zwaarder kunnen wegen dan de positieve effecten), maken we altijd een afweging en kunnen we afwijken van de waarden in de tabel in artikel 9.3. De risicotoolbox is een hulpmiddel voor deze afweging. In de risicotoolbox wordt aangegeven welke overwegingen gebruikt kunnen worden en welke informatie daarbij nodig is. 

Artikel 9.4 Activiteit in gebruik nemen bodem gevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie – informatieplicht 

Voordat een bodemgevoelig gebouw of een gedeelte van een bodemgevoelig gebouw in gebruik genomen wordt, moet informatie worden verstrekt waaruit blijkt hoe de sanerende of andere beschermende maatregelen (bedoeld in artikel paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving) zijn uitgevoerd.

Artikel 9.5 Activiteit bodemgevoelige locatie toevoegen – vergunningplicht

Als het gebruik van een locatie verandert (bijvoorbeeld van kantoor naar woonhuis) waardoor er een bodemgevoelige locatie ontstaat, moet worden nagegaan of er geen bodemverontreiniging aanwezig is die hinder of gezondheidsrisico’s kan veroorzaken. Om dit te kunnen beoordelen stellen we een vergunningplicht in bij het ontstaan van een bodemgevoelige locatie.

Artikel 9.6 Activiteit bodemgevoelige locatie toevoegen – bijzondere aanvraagvereisten

Als het gebruik van een locatie verandert (bijvoorbeeld van kantoor naar woonhuis), moet worden nagegaan of er geen bodemverontreiniging aanwezig is.  

We willen voorkomen dat er hinder of gezondheidsrisico’s kunnen ontstaan, en stellen daarom een vergunningplicht in bij het ontstaan van een bodemgevoelige locatie.  

Er is een bodemkwaliteitskaart opgesteld die een beeld geeft van de verwachte lokale bodemkwaliteit. Daaruit blijkt dat ter plaatse van het werkingsgebied bodem - beperkt vooronderzoek geen verdenking is op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Vandaar dat de initiatienemer geen uitgebreid onderzoek hoeft te doen. 

De initiatiefnemer moet wel zelf aangeven of er, naast de bodeminformatie die al bekend is en te vinden is op de website van de gemeente Arnhem (zoekterm: bodem), nog andere gegevens bekend zijn over de verwachte bodemkwaliteit. Initiatiefnemer vult hiervoor het “formulier beperkt vooronderzoek Arnhem” in. Deze is te vinden op de website van de gemeente Arnhem (zoekterm: bodem). 

Als hieruit blijkt dat de initiatiefnemer aanvullende informatie heeft die duidt op mogelijke bodemverontreiniging, is alsnog een verkennend bodemonderzoek (en zo nodig een nader bodemonderzoek) vereist om de kwaliteit van de bodem op de locatie te bepalen. 

Er is een bodemkwaliteitskaart opgesteld die een beeld geeft van de verwachte lokale bodemkwaliteit. Daaruit blijkt ter plaatse van het werkingsgebied bodem – uitgebreid vooronderzoek mogelijk bodemverontreiniging aanwezig is. Een bodemonderzoek levert op deze locaties een meer betrouwbaar inzicht in de bodemkwaliteit en de mogelijke gezondheidsrisico’s. We eisen daarom dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning op deze locaties altijd een verkennend bodemonderzoek (en zo nodig een nader bodemonderzoek) wordt aangeleverd.  

Artikel 9.8 Bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie – meldplicht

Als een bodemgevoelig gebouw wordt gebouwd moet worden nagegaan of er geen bodemverontreiniging aanwezig is. We willen ook bij vergunningvrij bouwen voorkomen dat er hinder of gezondheidsrisico’s kunnen ontstaan, en stellen daarom een meldplicht in.  

Artikel 9.9 Bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie – bijzondere aanvraagvereisten

Er is een bodemkwaliteitskaart opgesteld die een beeld geeft van de verwachte lokale bodemkwaliteit. 

Daaruit blijkt dat ter plaatse van het werkingsgebied bodem – beperkt vooronderzoek geen verdenking is op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Vandaar dat de initiatienemer geen uitgebreid onderzoek hoeft te doen.  

De initiatiefnemer moet wel zelf aangeven of er, naast de bodeminformatie die al bekend is en te vinden is op de website van de gemeente Arnhem (zoekterm: bodem), nog andere gegevens bekend zijn over de verwachte bodemkwaliteit. Initiatiefnemer vult hiervoor het “formulier beperkt vooronderzoek Arnhem” in. Deze is te vinden op de website van de gemeente Arnhem (zoekterm: bodem).  

Als hieruit blijkt dat de initiatiefnemer aanvullende informatie heeft die duidt op mogelijke bodemverontreiniging, is alsnog een verkennend bodemonderzoek (en zo nodig een nader bodemonderzoek) vereist om de kwaliteit van de bodem op de locatie te bepalen.  

Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat ter plaatse van het werkingsgebied bodem – uitgebreid vooronderzoek mogelijk bodemverontreiniging aanwezig is. Een bodemonderzoek levert op deze locaties een meer betrouwbaar inzicht in de bodemkwaliteit en de mogelijke gezondheidsrisico’s. We eisen daarom dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning op deze locaties altijd een verkennend bodemonderzoek (en zo nodig een nader bodemonderzoek) wordt aangeleverd. 

Artikel 9.10 Bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie – beoordelingsregels 

Als een bodemgevoelig gebouw wordt gebouwd (bijvoorbeeld een woonhuis), dan moet worden nagegaan of er geen bodemverontreiniging aanwezig is.

Op een bodemgevoelige locatie moet de bodemkwaliteit voldoen aan de toelaatbare kwaliteit. Om dat aan te tonen wordt door de initiatiefnemer een voorafgaand bodemonderzoek overgelegd. Dit is een trapsgewijs onderzoek, dat wil zeggen, er is in ieder geval vooronderzoek nodig. Als hieruit een verdenking blijkt voor bodemverontreiniging dan is een verkennend- en zo nodig nader bodemonderzoek nodig. 

Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen.  

Kleine verontreinigingen (<25m3) in de (boven)grond of verontreinigingen met gehaltes die lager zijn dan de interventiewaarden hoeven niet gesaneerd te worden. Als er sprake is van gezondheidsrisico’s of als het om verontreinigingen met asbest gaat, moeten kleine verontreinigingen wél gesaneerd worden. 

Artikel 9.11 Spoedreparatie - informatieplicht 

Bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur is het niet mogelijk om een week van tevoren een melding te doen bij het bevoegd gezag. Er moet direct gehandeld worden. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn bij het herstellen van gasleidingen en (drink)waterleidingen in geval van lekkages, of bij het herstellen van een kabelbreuk (elektriciteit, glasvezels et cetera). Met dit artikel wordt geborgd dat de toezichthouder wel geïnformeerd wordt als zo’n spoedreparatie plaatsvindt in de bodem met een kwaliteit die slechter is dan de interventiewaarde. Door onzorgvuldig handelen zou dan namelijk risico kunnen ontstaan voor mens en milieu, of ongewenste opmenging van bodemlagen. Met dit artikel wordt de uitvoerder verplicht de spoedreparatie zo snel mogelijk aan te kondigen, waarbij slechts enkele gegevens hoeven te worden verstrekt.  

Op het uitvoeren van spoedreparaties is de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en hoe hij de gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Als bijvoorbeeld bekend is of visueel eenvoudig is vast te stellen dat er verschil is in de kwaliteit van de grond, worden de verschillende lagen voorzichtigheidshalve gescheiden gehouden. De hoeveelheid te ontgraven grond moet proportioneel zijn voor het uitvoeren van een spoedreparatie.

Artikel 9.12 Graven in de bodem – informatieplicht beperkt vooronderzoek

Er is een bodemkwaliteitskaart opgesteld die een beeld geeft van de verwachte lokale bodemkwaliteit. Daaruit blijkt dat op deze locatie geen verdenking is op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Vandaar dat de initiatienemer geen uitgebreid onderzoek hoeft te doen. 

De initiatiefnemer moet wel zelf aangeven of er, naast de bodeminformatie die al bekend is en te vinden is op de website van de gemeente Arnhem (zoekterm: bodem), nog andere gegevens bekend zijn over de verwachte bodemkwaliteit. Initiatiefnemer vult hiervoor het “formulier beperkt vooronderzoek Arnhem” in. Deze is te vinden op de website van de gemeente Arnhem (zoekterm: bodem). 

Als hieruit blijkt dat de initiatiefnemer aanvullende informatie heeft die duidt op mogelijke bodemverontreiniging, is alsnog een verkennend bodemonderzoek (en zo nodig een nader bodemonderzoek) vereist om de kwaliteit van de bodem op de locatie te bepalen. 

Artikel 9.13 Graven in de bodem – informatieplicht uitgebreid vooronderzoek

Er is een bodemkwaliteitskaart opgesteld die een beeld geeft van de verwachte lokale bodemkwaliteit. Daaruit blijkt dat op deze locatie mogelijk bodemverontreiniging aanwezig is. Een bodemonderzoek levert op deze locaties een meer betrouwbaar inzicht in de bodemkwaliteit en de mogelijke gezondheidsrisico’s. We eisen daarom dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning op deze locaties altijd een verkennend bodemonderzoek (en zo nodig een nader bodemonderzoek) wordt aangeleverd. 

Artikel 9.14 Toepassingsbereik kleinschalig graven

Dit artikel beschrijft wat er wordt bedoeld met “kleinschalig graven”. Dit zijn werkzaamheden in de bodem zoals graven, met beperkt grondverzet (minder dan 25m3) maar wel in grond die verontreinigd is boven de interventiewaarde.  

Als de verontreiniging onder het overgangsrecht uit het Aanvullingsbesluit bodem valt, gelden de regels uit de Wet bodembescherming; bijvoorbeeld locaties die beschikt zijn als ernstig en spoedeisend en/of locaties met gebruiksbeperkingen, of locaties waar een sanering loopt. 

Artikel 9.15 Toepassingsbereik kleinschalig graven Spijkerkwartier

Dit artikel geldt voor het werkingsgebied Bodem – graven Spijkerkwartier, dat in de bodemkwaliteitskaart is aangemerkt als diffuus verontreinigd boven interventiewaardekwaliteit. Het artikel beschrijft wat er wordt bedoeld met “kleinschalig graven”. Dit zijn werkzaamheden in de bodem zoals graven, met beperkt grondverzet (minder dan 25m3). De regels uit dit artikel zijn niet van toepassing als kan worden aangetoond dat de grond niet verontreinigd is boven de interventiewaarde.  

Als de verontreiniging onder het overgangsrecht uit het Aanvullingsbesluit bodem van de Wet bodembescherming valt, gelden de regels uit de Wet bodembescherming; bijvoorbeeld locaties die beschikt zijn als ernstig en spoedeisend en/of locaties met gebruiksbeperkingen, of locaties waar een sanering loopt. 

Artikel 9.16 Kleinschalig graven – informatieplicht 

Dit artikel bevat een informatieplicht. Voordat met het graven wordt begonnen, moet het bevoegd gezag worden geïnformeerd over de activiteit. Deze bepaling komt in de plaats van het voormalige artikel 28 uit de Wet bodembescherming dat stelde dat alle handelingen (dus ook kleinschalig grondverzet) die plaatsvinden in een geval van ernstige verontreiniging moeten worden gemeld. 

De gegevens en bescheiden worden ten minste vijf werkdagen voor het begin van de activiteit graven aangeleverd. Met deze informatie wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van een aantal praktische gegevens, zodat het voor het bevoegd gezag mogelijk is om toezicht te houden.  

Als de verstrekte informatie over begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit wijzigt, geeft de initiatiefnemer de wijziging onverwijld door. Dit betekent dat ook als er een wijziging in die gegevens optreedt tijdens de uitvoering van de activiteit, de initiatiefnemer het bevoegd gezag opnieuw moet informeren. 

De informatieplicht van dit artikel geldt niet als het graven in de bodem plaatsvindt in verband met een spoedreparatie. Hiervoor is artikel 9.16 opgenomen. 

Artikel 9.17 Tijdelijke opslag vrijkomende grond 

Dit artikel staat de tijdelijke opslag van vrijkomende grond toe gedurende de looptijd van de werkzaamheden (kleinschalig graven) en gedurende maximaal acht weken na het beëindigen van de werkzaamheden, mits de partijen van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden worden opgeslagen. 

Tijdens of na afloop van graven kan het noodzakelijk zijn om de grond tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders moet worden afgevoerd. De periode van acht weken is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of cunet op te slaan. Als het voornemen bestaat om de grond langer dan de toegestane periode op te slaan of de vrijgekomen grond op een andere locatie dan de ontgravingslocatie op te slaan, gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie van paragraaf 3.2.24 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Dit artikel bevat geen regels die verplichten tot het nemen van maatregelen om te voorkomen dat de bodem ter plaatse van de tijdelijke opslag verontreinigd raakt, of dat emissies zich verspreiden naar de omgeving. De achtergrond hiervan is dat de opslag doorgaans een kortdurend karakter kent en plaatsvindt op de locatie van ontgraving, waardoor meestal de uitkomende grond een vergelijkbare kwaliteit heeft als de onderliggende bodem. Het nemen van bodembeschermende maatregelen als het aanbrengen van een folie is in principe niet nodig. Dit kan anders zijn als de uitgegraven grond een slechtere kwaliteit heeft, bijvoorbeeld bij de ontgraving van een spot met minerale olie verontreinigde grond. In dat geval kan van de initiatiefnemer op basis van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving verwacht worden dat maatregelen worden genomen ter bescherming van de onderliggende bodem, zoals het aanbrengen van een folie. Een ander voorbeeld is als sprake is van droge condities het noodzakelijk is dat voorkomen moet worden dat verwaaiing of verstuiving van het opgeslagen materiaal kan plaatsvinden. Dit kan gerealiseerd worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van grond in dichte containers. 

Artikel 9.18 Milieukundige begeleiding bij nazorg

Dit artikel regelt in welke situaties de activiteit onder milieukundige begeleiding moet plaatsvinden, voor kleinschalig graven. Milieukundige begeleiding is noodzakelijk als de graafwerkzaamheden dieper reiken dan een eerder in het kader van een bodemsanering aangebrachte afdeklaag zoals een leeflaag of andere duurzame afdeklaag. De milieukundige begeleiding moet uitgevoerd worden volgens de BRL SIKB 6000. Tijdens de milieukundige begeleiding houdt de milieukundige begeleider een logboek bij. Na afloop van de activiteit rapporteert de milieukundige begeleider in het evaluatieverslag milieukundige processturing volgens de BRL SIKB 6000. 

Volgens de BRL SIKB 6000 is een continue aanwezigheid van de milieukundige doorgaans niet noodzakelijk. De milieukundige moet aanwezig zijn bij kritische werkzaamheden, dus bij die werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de leefomgeving. In dit geval is het moment van doorgraven en weer herstellen van de afdeklaag het kritische moment. 

Artikel 9.19 Gescheiden houden van grond 

Ook bij een kleinschalige graafactiviteit kan er grond van verschillende kwaliteitsklassen worden ontgraven. Dit artikel voorkomt dat grond van verschillende kwaliteit wordt vermengd, dit is een ongewenste vorm van ‘wegmengen’ van bodemverontreiniging. In dit artikel wordt daarom geëist dat grond van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden van elkaar wordt ontgraven, opgeslagen, teruggeplaatst en/of afgevoerd. 

Artikel 9.20 Graven in bodem gelegen in Spijkerkwartier

Dit artikel geldt voor het werkingsgebied Bodem graven Spijkerkwartier, dat in de bodemkwaliteitskaart is aangemerkt als diffuus verontreinigd boven interventiewaardekwaliteit. Daarom moet bij graafwerkzaamheden van meer dan 25 m3 worden gewerkt volgens de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving.  

Dit artikel geldt niet als kan worden aangetoond dat de grond niet verontreinigd is boven de interventiewaarde.  

Artikel 9.21 Tijdelijk uitnemen van grond

Het is wenselijk dat asbesthoudende grond wordt gesaneerd als er toch al wordt gegraven op de locatie. Daarom is in dit artikel opgenomen dat asbesthoudende grond niet mag worden teruggebracht in de bodem na tijdelijke uitname. De grond moet worden afgevoerd. 

We hanteren dezelfde regel voor grond die is verontreinigd met mobiele bodemverontreiniging die bij terugplaatsen kan leiden tot ongewenste verspreiding en/of uitdamping van de verontreiniging. Het overgangsrecht heeft betrekking op de regels zoals vastgelegd in het Aanvullingsbesluit bodem. 

Artikel 9.23 Toepassen van bouwstoffen

Bij het toepassen van immobilisaten, bodemassen, producten/mengsels waarin minder dan 20 massaprocent metaalslakken zijn verwerkt, speciaal recycling granulaat en stabilisaat moet informatie worden aangeleverd. Deze bouwstoffen kunnen als gevolg van blootstelling aan (regen)water stoffen naar de bodem uitlogen. Daardoor ontstaat er een mogelijk milieurisico. In dit artikel is opgenomen dat toepassing van deze bouwstoffen moet worden gemeld. De melding moet de juiste informatie bevatten, waarbij extra gegevens worden gevraagd over hoe de bouwstoffen worden toegepast. 

In verband met de milieurisico’s zal in een nog op te stellen toekomstige regeling de mogelijkheid voor het toepassen van bouwstoffen zoals bedoelt in dit artikel (verder) worden beperkt. Dit zal gevolgen hebben voor de toepassing van bouwstoffen. 

Met immobilisaten wordt bedoeld; vormgegeven bouwstoffen die het product zijn van een verwerking waarbij de chemische of fysische eigenschappen van een afvalstof worden gewijzigd met het primaire doel verontreinigende stoffen vast te leggen. Dit staat in artikel 4.1257 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Met bodemassen wordt bedoeld; de as die achterblijft op de bodem van de ketel in een verbrandingsinstallatie. Hieronder vallen in ieder geval AVI en AEC bodemas (beide afkomstig uit afvalverbrandingsinstallaties), E-bodemas (uit kolengestookte energiecentrales) en BEC-bodemas (uit biomassa centrales).  

Metaalslakken zijn een restproduct dat ontstaat bij de productie van metaalproducten, bijvoorbeeld staal.  

Met speciaal recycling granulaat wordt bedoeld; een granulaat of een gebonden granulaat dat voortkomt uit het bewerken van gemengde steenachtige afvalstoffen. Het vormt een aparte productgroep binnen de BRL2506-2 (versie 2020‑04‑01 en eventuele latere addenda). Voorbeeld van speciaal recyclinggranulaat is ecofiller (vliegas uit de thermische reiniging van asfalt). 

Stabilisaat is de toevoeging van bindmiddelen aan de bodem. Bindmiddelen die gebruikt worden zijn bijvoorbeeld ongebluste kalk, waterglas en cement. De bindmiddelen hebben vaak een hoge pH-waarde. Daarnaast zijn verwerkingsvoorschriften van toepassing die verschillen per leverancier.

Artikel 9.25 Bodemvreemd materiaal 5 procent

Bij de toepassing van grond en baggerspecie is het wenselijk dat de samenstelling niet te sterk afwijkt van de lokale bodem. Dit geldt met name voor de bijmenging van bodemvreemd materiaal. Door landgebruik en begroeiing is door de tijd heen ander materiaal in de bodem opgenomen dan de materialen die van nature in de bodem voorkomen. Meestal is steenachtig materiaal (zoals baksteen op puin) of hout en plastics het type bijmenging dat in de bodem wordt aangetroffen als gevolg van menselijk handelen. Landelijk gelden voor steenachtig materiaal of hout toegestane maximale percentages aan bijmenging. Ander bodemvreemd materiaal zoals plastics of piepschuim, mag alleen sporadisch in de toe te passen grond of baggerspecie voorkomen.  

De percentages bijmenging zijn in de regio doorgaans veel lager dan de landelijk toegestane percentages. In dit artikel wordt een percentage vastgesteld (5%) dat beter aansluit op de lokale bodemsamenstelling voor bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en stedelijk wonen. We voorkomen hiermee dat grond van buiten de gemeente mag worden toegepast als het percentage bijmenging in die grond hoger is dan de lokale bodemsamenstelling. 

Vanwege het permanente karakter van infrastructuur en permanente bebouwing gelden daar de landelijk toegestane percentages voor bijmengingen met bodemvreemd materiaal. 

Artikel 9.26 Nota bodembeheer  

Bij de toepassing van grond wordt normaliter getoetst aan de kwaliteit en de functieklasse van de ontvangende bodem. Op basis van de regionale bodemkwaliteitskaart zijn in delen van het beheergebied andere toepassingseisen vastgesteld. Deze toepassingseisen sluiten beter aan bij de ambities ten aanzien van stand-still op gebiedsniveau en optimaal hergebruik van grondstoffen. 

Deze regels voorkomen onnodige afvoer van grond, die op basis van de landelijke regels niet mag worden toegepast, maar wel voldoet aan de lokale bodemkwaliteit dan wel functieklasse zoals verwoord in de Nota Bodembeheer.  

De Nota bodembeheer en de bijbehorende kaarten en documenten zijn te vinden op de website van de gemeente Arnhem (zoekterm: bodem). 

Artikel 9.27 Toepassen van thermisch gereinigde grond – meldplicht

Bij het toepassen van thermisch gereinigde grond moet informatie worden aangeleverd. Thermisch gereinigde grond is op dit moment in opspraak en kan bij onzorgvuldige toepassing milieuschade veroorzaken. In dit artikel is daarom opgenomen dat toepassing van dit type bewerkte grond moet worden gemeld. De melding moet de juiste informatie bevatten, waarbij extra gegevens worden gevraagd over hoe de grond wordt toegepast. 

Artikel 9.29 Afdeklaag

Bij sanering van de bodem kan men kiezen voor een saneringsaanpak waarbij de verontreiniging wordt afgedekt met een afdeklaag. Hiermee worden de risico’s voor blootstelling weggenomen. In sommige situaties is de afdeklaag bedoeld als maatregel om verspreiding of vervluchtiging van een mobiele verontreiniging (zoals minerale olie, benzine of oplosmiddelen) te voorkomen. In die situatie mag geen waterdoorlatend materiaal worden toegepast voor de afdeklaag.

Artikel 9.30 Minimale dikte afdeklaag

Bij sanering van de bodem kan men kiezen voor een saneringsaanpak waarbij de verontreiniging wordt afgedekt met een leeflaag die bestaat uit grond of baggerspecie. Hiermee worden de risico’s voor blootstelling weggenomen. 

De dikte van deze leeflaag moet passen bij de blootstellingsrisico’s die op basis van de gebruiksfunctie te verwachten zijn. Als standaard wordt een leeflaagdikte van 1 meter aangehouden. In gebieden waar minder direct contact met de bodem is, hoeft de leeflaag niet zo dik te zijn. Daarom wordt in dit artikel, op basis van het bodemgebruik, voorgeschreven hoe dik de leeflaag moet zijn voor deze saneringsvariant. 

Artikel 9.31 Terugsaneerwaarden

Bij een saneringsaanpak op basis van verwijderen van de verontreiniging moet volgens de landelijke regels worden ontgraven tot de functieklasse. Dit kan in de praktijk leiden tot tegenstrijdig beleid. Bijvoorbeeld: als in een gebied diffuus verhoogde gehalten van een stof voorkomen kan de bodemkwaliteit slechter zijn dan de aangewezen functieklasse. Als geen sprake is van risico wordt dan wel vaak gebiedspecifiek beleid opgesteld dat grondverzet toestaat. Op basis van de landelijke regels zouden bij sanering echter wel strengere kwaliteitseisen gelden omdat moet worden ontgraven tot de functieklasse. In dit artikel wordt voorgeschreven dat in plaats daarvan wordt aangesloten bij de lokale bodemkwaliteit. De gebieden waar deze lokale terugsaneerwaarden van toepassing zijn en de normstelling van de terugsaneerwaarden staan genoemd in dit artikel. 

Voor lood nemen we de lokale waarden die zijn vastgelegd in een beleidsnotitie als uitgangspunt, deze is te vinden op de website van de gemeente Arnhem (zoekterm: bodem). 

Artikel 9.32 Nazorg na afloop van saneren van de bodem 

Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag (een leeflaag van schone grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft.  

Herstel van de afdeklaag is nodig als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Daarom geldt dit artikel zowel voor eigenaar, erfpachter als gebruiker (zoals een huurder). 

Het gaat in dit artikel om een afdeklaag, die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of op basis van een maatwerkvoorschrift. Dit is een voortzetting van artikel 39e Wet bodembescherming. 

In het derde lid is geregeld dat tijdelijke beschermingsmaatregelen die zijn genomen als gevolg van een toevalsvondst eveneens in stand moeten worden gehouden. Het zijn maatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen, maar de blootstellingsroute (blijven) blokkeren. Hiervoor geldt hetzelfde als bij het eerste lid. 

Artikel 9.33 Mitigerende maatregelen

Dit artikel is van toepassing op locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat er in de betreffende situatie en het gebruik van het terrein op dat moment, geen saneringsmaatregelen nodig zijn.   

Degene die een activiteit verricht moet ervoor zorgen dat de bodem niet of zo min mogelijk verder wordt verontreinigd of, als dat redelijkerwijs mogelijk is samen met de activiteit, (gedeeltelijk) wordt gesaneerd. 

Er geldt een licht beschermingsregime voor deze bekende verontreinigde locaties in afwachting van sanering, net als onder de Wet bodembescherming. 

Dit artikel heeft betrekking op zogenoemde niet-spoed locaties, zoals deze waren beschikt als saneringsgeval op grond van de Wet bodembescherming. In de toelichting bij de Aanvullingswet bodem is aangegeven dat de beschikking niet-spoed als zodanig bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt. Er is overgangsrecht geregeld voor onder meer gebruiksbeperkingen op grond van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming. 

WW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.126 lid 2

Tijdelijke beschermingsmaatregelen die zijn genomen als gevolg van een toevalsvondst moeten eveneens in stand worden gehouden. Het zijn maatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen, maar de blootstellingsroute (blijven) blokkeren. Hiervoor geldt hetzelfde als bij het eerste lid. Deze regel is gelijkwaardig aan de tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij zeer ernstige verontreiniging (artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming).

[Vervallen]

XX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.127 lid 1

Deze paragraaf heeft in de eerste plaats betrekking op het graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk is aan 25 m3 en wordt ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3. In het eerste lid is ook aangegeven op welke locaties de paragraaf daarnaast van toepassing is.

  • a.

    In onderdeel a staat vermeld dat het gaat om locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zonder dat sprake is van actuele risico’s voor mens, plant of dier of verspreiding van het grondwater (zogenaamde beschikking ernst en geen spoed). Hiervoor is gekozen omdat voor deze locaties via eerder onderzoek is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is tot boven de interventiewaarde en hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden. Locaties die op grond van de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming zijn beschikt als ernstig waarbij de sanering spoedeisend is (ernst en spoed) vallen niet onder het toepassingsbereik omdat deze locaties onder het overgangsrecht voor de Wet bodembescherming blijven vallen.

  • b.

    In onderdeel b staat vermeld dat het gaat om locaties of gebieden waar de bodem op grond van een bodemkwaliteitskaart, vastgesteld op grond van artikel 25d, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit (voorheen artikel 57 van het oude Besluit bodemkwaliteit), diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn delen van de binnenstad van (grote) steden waarbij de bodem verontreinigd is met enkele metalen (bijvoorbeeld lood, koper of zink). Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet, worden bestaande bodemkwaliteitskaarten op grond van artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet, onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Gemeenten moeten deze bodemkwaliteitskaarten omzetten naar regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

[Vervallen]

YY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.127 lid 2

De aangewezen activiteit omvat ook het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie, of het tijdelijk opslaan en het terugplaatsen na afloop van het tijdelijk uitnemen bij het tijdelijk uitnemen en terugplaatsen. Met zeven wordt veelal puin uit de grond gehaald waardoor de verdichtbaarheid en de civieltechnische toepassingsmogelijkheden worden verbeterd voordat de grond wordt teruggeplaatst of elders wordt toegepast. Dit zeven is niet gericht op kwaliteitsverbetering en wordt bij deze activiteit niet beschouwd als bewerking. Andere bewerkingen van grond vallen onder de milieubelastende activiteit grondbank of grondreinigingsbedrijf, aangewezen in artikel 3.178, eerste lid, onder b.

Met het tijdelijk opslaan van de grond wordt bedoeld het opslaan van de bij het graven vrijkomende grond tijdens de activiteit, voorafgaand aan het terugplaatsen of afvoeren van de grond. Bemalen dat nodig is voor het graven valt niet onder de milieubelastende activiteit, maar is een wateractiviteit.

[Vervallen]

ZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.127 lid 3

In het derde lid is aangegeven dat de milieubelastende activiteit zich niet uitstrekt tot graven in de waterbodem. Hiermee komt tot uiting dat deze activiteit zich beperkt tot de landbodem. Onder waterbodem wordt verstaan de bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust. Het graven in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust, valt niet onder de reikwijdte van de activiteit graven in de waterbodem. Dit betekent dat de regels voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde wel gelden voor voormalige droge oevergebieden, die als term/aanduiding niet meer terugkomen onder de Omgevingswet.

[Vervallen]

AAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.128 lid 1

De gegevens en bescheiden worden ten minste een week voor het begin van de activiteit graven aangeleverd. Met deze informatie wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van een aantal praktische gegevens, zodat het voor het bevoegd gezag mogelijk is om toezicht te houden. Uit de verstrekte gegevens en bescheiden moet blijken wat de begrenzing is van de locatie waar de activiteit plaats vindt, de verwachte datum van het begin van de activiteit en de duur van de activiteit.

[Vervallen]

BBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.128 lid 2

Als de verstrekte informatie over begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit wijzigt, geeft de initiatiefnemer de wijziging onverwijld door. Dit betekent dat ook als er een wijziging in die gegevens optreedt tijdens de uitvoering van de activiteit, de initiatiefnemer het bevoegd gezag opnieuw moet informeren.

[Vervallen]

CCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.128 lid 3

De informatieplicht van dit artikel geldt niet als de activiteit alleen bestaat uit het tijdelijk uitnemen en weer terugplaatsen van de grond.

[Vervallen]

DDD

Na sectie ' BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Bodemgevoelige locatie

Voor het begrip bodemgevoelige locatie worden drie gebruikstypes toegevoegd als aanvulling op artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De volgende locaties worden ook als bodemgevoelige locatie beschouwd omdat vanwege het gebruik er een verhoogde kans is op blootstelling aan de grond. 

Motivering

1 Inleiding

1.1 Wat is een omgevingsplan?

Een omgevingsplan bestaat uit regels en gaat vergezeld van deze motivering. Iedere regel heeft een zogenaamd 'werkingsgebied'. Dit werkingsgebied geeft aan waar in de gemeente een bepaalde regel geldt. Het omgevingsplan bevat regels die te maken hebben met de fysieke leefomgeving. Het gaat dan bijvoorbeeld om regels over bouwen (waar, hoe hoog, welke materialen) of het gebruik van gronden (wonen, detailhandel, groen). Maar het kunnen ook regels zijn over monumenten, water, gezondheid, veiligheid et cetera. Het omgevingsplan richt zich op het goed functioneren, beheren en beschermen van onze stad en ons buitengebied. 

1.2 Waarom een wijziging van het omgevingsplan?

De transitie naar één omgevingsplan is een klus waar we de komende jaren nog even zoet mee zijn. Het betekent dat we onze regels van bijna 150 bestemmingsplannen, zeker 8 verordeningen en een kleine 600 rijksregels gaan samenvoegen in dit plan. De transitie betekent niet alleen dat we regels gaan integreren en harmoniseren, maar ook digitaliseren. Voor deze operatie zijn de komende jaren talloze wijzigingen en toevoegingen van en aan dit omgevingsplan nodig. Om deze overgang zo soepel mogelijk te laten verlopen heeft de gemeenteraad op 15 maart 2021 het ‘Plan van Aanpak omgevingsplan Arnhem’ vastgesteld. In dit plan van aanpak heeft de raad vastgelegd dat we het omgevingsplan stap voor stap gaan opbouwen door steeds nieuwe thema's toe te voegen. In de toelichting op het omgevingsplan staat hier meer informatie over opgenomen. 

1.3 Waar geldt en waarover gaat deze wijziging van het omgevingsplan? 

De Omgevingswet geeft de landelijke kaders voor het beleid voor bodembeheer. Gemeenten kunnen op een aantal punten afwijken. De bedoeling is dat de gemeenten daarmee de mogelijkheid hebben om het bodembeleid in lijn te brengen met de lokale situatie en ambities ten aanzien van de bodemkwaliteit. Met deze omgevingsplanwijziging wordt het lokale bodembeleid zoveel mogelijk beleidsneutraal overgenomen in het omgevingsplan. Hiermee wordt een stap gezet in de transitie naar één omgevingsplan.  

Met deze wijziging worden, voor zover nodig, ook regels uit de bruidsschat over bodem gewijzigd. Het omgevingsplan is van toepassing op heel Arnhem. 

1.4 Wat wijzigt dit besluit?

Een bestemmingsplan kan alleen in het geheel komen te vervallen. Indien het niet mogelijk is om een bestemmingsplan in het geheel te laten vervallen, bijvoorbeeld omdat alleen maar één thema wordt gewijzigd, dan kunnen voorrangsregels worden opgenomen.  

Vervallen onderdelen  

Er komen geen bestemmingsplannen te vervallen. De bestemmingsplannen die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan blijven met deze wijziging van het omgevingsplan van kracht.  

Toegevoegde onderdelen  

Aan het omgevingsplan worden regels toegevoegd over bodem. Hierdoor zorgen we ervoor dat de kwaliteit van de bodem niet achteruitgaat en waar mogelijk verbetert. Deze regels hebben voorrang ten opzichte van de regels over bodem in de bestemmingsplannen die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. 

2 Thema bodem

2.1 Wat is het thema bodem?

Het gaat in dit hoofdstuk specifiek om de chemische kwaliteit van de bodem. De bodem in Arnhem is niet overal even schoon, doordat het al lang in gebruik is (oude stadsdelen) of omdat het door industrie is verontreinigd. De grotere verontreinigingen in de Arnhemse bodem zijn bekend en worden actief beheerd.  

Als er wordt gebouwd op de bodem, bijvoorbeeld voor een woning, of er wordt een bedrijfsterrein veranderd in een moestuin, dan is het zaak om na te gaan of de kwaliteit van de bodem past bij dat nieuwe gebruik. Er kunnen dan saneringsmaatregelen nodig zijn, bijvoorbeeld het vervangen van de bovenste laag grond door grond met een betere kwaliteit. 

Ook bij graafwerkzaamheden, bijvoorbeeld voor het aanleggen van kabels en leidingen, wordt er op gelet dat er geen verontreinigde grond terecht komt op plekken met een schonere bodem. 

Deze thematische wijziging gaat niet over bodemenergie en lozen van grondwater. Die thema's zullen in een volgend omgevingsplanwijziging worden opgenomen. 

Regelgeving en beleid over bodem  

De regels in het omgevingsplan moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit staat in artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet. Hierbij moet rekening worden gehouden met alle betrokken belangen. Het omgevingsplan dient te voldoen aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), instructieregels van de provincie en aan het gemeentelijk beleid.  

In dit hoofdstuk worden de verschillende milieu- en omgevingsaspecten onderbouwd. Er wordt aangegeven hoe dit plan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is rekening gehouden met alle instructieregels uit het Bkl en de provinciale verordening. Waar nodig wordt hier expliciet op ingegaan. Daarnaast wordt er voldaan aan het gemeentelijk beleid.   

Rijk 

In de Omgevingswet zijn drie pijlers met betrekking tot de bodemkwaliteit opgenomen: 

1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 

2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 

3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). 

De Omgevingswet verplicht overheden om bij veranderingen in de leefomgeving rekening te houden met de bodemkwaliteit.  

Veel van de ‘oude’ wettelijke regelgeving over bodem, bijvoorbeeld van de Wet Bodembescherming (Wbb), is teruggekomen in de vorm van de Bruidsschat, maar niet alles. Daarom staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels die gemeenten voor bodem in het omgevingsplan moeten verwerken: 

1. Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie (paragraaf 5.1.4.5.1 Bkl) 

2. Nazorg (paragraaf 5.1.4.5.2 Bkl)  

3. Indeling landbodem in bodemfunctieklassen (paragraaf 5.1.4.5.3 Bkl) 

4. Aanwijzing bodembeheergebieden (paragraaf 5.1.4.5.3 Bkl) 

Met deze omgevingsplanwijziging wordt voldaan aan de eisen die het Bkl stelt.  

Provincie 

De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit de omgevingsvisie te realiseren. In de verordening zijn alleen regels opgenomen als dit nodig is om de provinciale ambities waar te maken of wettelijke plichten na te komen. Net als de omgevingsvisie richt de omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. Daarom zijn bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem in deze verordening opgenomen. 

In de Omgevingsverordening worden onderwerpen besproken die relevant zijn voor voorliggende thematische wijziging. Zo gaat afdeling 4.4 over milieubelastende activiteiten. In deze afdeling worden regels gesteld aan activiteiten op en in de bodem (paragraaf 4.4.2.). De omgevingsverordening stelt onder andere regels aan het saneren van de bodem, het graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en het wegnemen van risico’s bij verontreiniging van het grondwater. Aan deze regels moet altijd voldaan worden. De betreffende paragraaf bevat geen instructieregels voor gemeenten, maar uitsluitend een informatieplicht voor degene die de activiteit verricht. Daarnaast worden er in paragraaf 4.3.4 tot en met 4.3.8 regels gesteld aan respectievelijk koude-warmte-opslagvrije zones, boringsvrije zones en (minder) kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden. 

Met deze omgevingsplanwijziging wordt rekening gehouden met de Omgevingsverordening. 

Waterschappen 

In het Bkl is geregeld dat Waterschappen bij onttrekkingen van grondwater in of nabij bekende verontreinigingen in het grondwater, beoordelen of er nadelige effecten zijn, bijvoorbeeld het ontstaan van risico’s voor de menselijke gezondheid, of het verstoren van een lopende grond(water)sanering. 

Gemeente 

Het omgevingsplan is een van de instrumenten om de ambities uit de omgevingsvisie te realiseren. Verder dient de gemeente in haar omgevingsplan rekening te houden met de landelijke en provinciale regels. Daarnaast moet gemeente vanwege de bovengenoemde instructieregels, specifieke regels maken en opnemen in het omgevingsplan. 

Een afvaardiging van de omgevingsdiensten en gemeenten heeft, onder de vlag van het Gelders Ondergrond Overleg (GOO), een set voorbeeldregels opgesteld die gemeenten kunnen overnemen in hun omgevingsplan. Daarbij zijn de instructieregels van het rijk, de bruidsschatregels en het (vaak regionale) bodembeleid van voor inwerkingtreding van de Omgevingswet als uitgangspunt genomen. 

Deze omgevingsplanwijziging sluit aan bij de voorbeeldregels van het GOO. Daarmee voldoen we aan de instructieregels van het rijk en provincie en sluiten we aan bij de regels in de regio. De regels voor bodem in het omgevingsplan sluiten zoveel mogelijk aan bij het Arnhemse bodembeleid van vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet (zoveel mogelijk beleidsneutraal). Er wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 

2.2 Toevoegingen aan het omgevingsplan

Toevoeging Stedelijk Wonen als Bodemfunctieklasse 

We voegen de bodemfunctieklasse Stedelijk Wonen toe, om onnodige verplaatsing van grond te voorkomen. Het gaat om enkele wijken met een van oudsher lagere bodemkwaliteit, vanwege industrie of ophogingen uit het verleden. Het is bij de aanleg van nieuwe woonbuurten niet meer nodig om de bovengrond te vervangen om deze licht te verbeteren. De positieve effecten van een iets schonere bovengrond wegen niet op tegen de kosten en negatieve effecten van het elders ontgraven en aanvoeren van schone grond. Uitstoot van uitlaatgassen en extra verkeersbewegingen zorgen dan eerder voor een netto negatief effect. De lagere bodemkwaliteit is alleen toegestaan in openbaar gebied dat niet wordt gebruikt voor het verbouwen van voedsel of als kinderspeelplaats. Zo blijft de bescherming van de gezondheid gewaarborgd.    

Voor deze bodemfunctieklasse zijn terugsaneerwaarden bepaald en zijn gebieden aangewezen waar dit van toepassing is. 

We staan minder bijmenging van puin toe in grond die wordt opgebracht 

We staan minder bijmenging van puin toe in grond die wordt opgebracht in de natuur-, landbouw- en woongebieden. Hiermee zorgen we voor een schonere bodem. In natuur-, landbouw- en woongebieden mag maximaal 5% bijmenging zitten, in plaats van de landelijk toegestane 20% (die we voor ‘industrie’ wel hanteren). Mogelijk vermindert deze regel ook de overige bijmengingen (zoals plastic), die volgens de landelijke regelgeving ‘beperkt’ aanwezig mogen zijn, naar een nog lager percentage. 

Toevoeging meldplicht voor het toepassen van bouwstoffen 

We voegen meldplichten toe voor het toepassen van de volgende bouwstoffen: metaalslakken, immobilisaten, bodemassen, speciaal recycling granulaat, stabilisaat en thermisch gereinigde grond.

Staalslakken kunnen risico's opleveren voor de gezondheid en voor het milieu, met name als ze verkeerd worden toegepast. Daarom heeft het Rijk het gebruik van staalslakken deels verboden via een tijdelijke noodregeling. Mengsels met kleinere hoeveelheden staalslak (minder dan 20%) vallen hier echter niet onder en mogen vrij worden toegepast. Hierdoor zijn gezondheidsrisico's niet uitgesloten en is de kans groter dat de mengsels zich ongewenst verspreiden en vermengen met de omliggende bodem. Bij het toepassen van deze mengsels is het vermengen met de bodem het grootste risico. Vermenging kan ontstaan bij onzorgvuldig toepassen, heien, boren en graafwerkzaamheden in een later stadium. Hierdoor kan dan vervolgens de bodem (grond en grondwater) verontreinigd raken. Ook andere bouwstoffen (immobilisaten, bodemassen, speciaal recycling granulaat, stabilisaat en thermisch gereinigde grond) kunnen bij onjuiste toepassing op de bodem risico’s opleveren. We voeren daarom voor deze bouwstoffen een meldplicht in. Door het instellen van een meldplicht kunnen we de toepassing beter monitoren. Zo houden we zicht op waar, hoe en door wie dit wordt toegepast.

 

2.3 Hoe is het nieuwe beleid vastgelegd in de regels?

Beleidsneutraal over 

Bij het opstellen van regels voor bodem in het omgevingsplan is zoveel mogelijk aangesloten bij het Arnhemse bodembeleid van vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet.  

Dit Arnhemse bodembeleid bestaat uit drie delen. De Beleidsnota Bodem vormt de basis en is opgesteld in 2012 samen met provincie en Nijmegen. Hierin staat onder meer beschreven hoe verontreinigde terreinen gesaneerd moeten worden. Het tweede deel is de Nota Bodembeheer, waarin staat hoe we omgaan met vrijkomende grond en waar dat mag worden toegepast. Als derde is hier specifiek beleid voor lood aan toegevoegd, vanwege de aanwezigheid van te veel lood in bepaalde wijken van Arnhem. 

Inclusief de actualisaties van bovengenoemd beleid, waren tot 1 januari 2024 voor het thema bodem de volgende beleidsdocumenten van toepassing in Arnhem: 

  • Beleidsnota bodem 2012, Provincie Gelderland, gemeente Arnhem en gemeente Nijmegen; 

  • Nota Bodembeheer; 

  • Notitie Herijking loodbeleid 2020 

  • Actualisatie Nota Bodembeheer- addendum 2014; 

  • Actualisatie Nota Bodembeheer-2017-2018; 

  • Actualisatie Nota Bodembeheer-BKK2020; 

  • Actualisatie Nota Bodembeheer-BKK- PFAS; 

  • Collegebesluit vaststelling LMW dossiernummer 2021 dd. 25‑1‑2022 & Memo Aveco de Bondt Lokale Maximale Waarden (LMW) Meinerseiland, projectnummer 18112508, 10 januari 2022.

 Dit beleid is de basis geweest voor de regels die in het omgevingsplan voor bodem zijn opgenomen.

Stedelijk Wonen Bodemfunctieklasse 

Aan het omgevingsplan voegen we de bodemfunctieklasse Stedelijk Wonen toe. Voor deze bodemfunctieklasse zijn terugsaneerwaarden bepaald en zijn gebieden aangewezen waar dit van toepassing is.  

Bijmenging bodemvreemd materiaal 

Aan het omgevingsplan voegen we een regel toe over het percentage bodemvreemd materiaal (steenachtig materiaal en hout) dat aanwezig mag zijn in grond die wordt toegepast. In natuur/landbouw en in woongebieden mag maximaal 5 procent bijmenging zijn, in plaats van de landelijk toegestane 20 procent (die we voor industrie wel hanteren).  

Toepassen van bouwstoffen 

We voegen meldplichten toe voor het toepassen van de volgende bouwstoffen: metaalslakken, immobilisaten, bodemassen, speciaal recycling granulaat, stabilisaat en thermisch gereinigde grond. Zo houden we zicht op waar, hoe en door wie dit wordt toegepast.  

De achtergrond van bovenstaande wijzigingen is opgenomen in paragraaf 2.2 

3 Financiële haalbaarheid

3.1 Financieel economische haalbaarheid

De wijziging levert geen aanvullende werkzaamheden op en kan met de huidige ambtelijke capaciteit worden toegepast. 

Voor initiatiefnemers hebben de wijzigingen wél gevolgen.  

Door de toegevoegde functieklasse Stedelijk Wonen kan in de betreffende wijken méér licht verontreinigde grond in openbaar gebied worden hergebruikt. De verwachting is dat bij herinrichting of nieuwe ontwikkelingen, de inrichting van het openbaar gebied daardoor minder kost. Hoeveel minder is niet in te schatten omdat dit afhankelijk is van de uiteindelijke inrichting, de noodzaak van het vervangen of aanbrengen van grond, en van het aanbod van her te gebruiken grond. 

Door minder bijmenging van bodemvreemd materiaal toe te staan zal de initiatiefnemer minder keus hebben in het aanbod van toepasbare grond. Dit kan hogere kosten met zich meebrengen.  

Door het toevoegen van de meldplicht voor het toepassen van bouwstoffen zal de initiatiefnemer een melding moeten doen voorafgaand aan het toepassen.  

3.2 Kostenverhaal

Afdeling 13.6 van de Omgevingswet gaat in over het kostenverhaal bij activiteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Daarin is bepaald dat het niet is toegestaan om aangewezen bouw- of gebruiksactiviteiten te verrichten zonder het kostenverhaal geregeld te hebben. Het kostenverhaal kan daarbij zowel via privaatrechtelijke weg met een overeenkomst als via publiekrechtelijke weg met regels in het omgevingsplan worden vastgelegd. 

Het vastleggen van de regels over bodemverontreiniging (functiewijzigingen en activiteiten in/op verontreinigede bodem) zijn geen aangewezen bouw- of gebruiksactiviteiten. Het is daarom niet nodig om het kostenverhaal te regelen.  

4 Participatie

4.1 Overleg met de stad en vooroverleg

Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid. 

Deze omgevingsplanwijziging is tot stand gekomen met experts op het gebied van bodem in het Gelders Ondergrond Overleg (GOO). Daarnaast heeft afstemming plaatsgevonden met de ODRA, provincie Gelderland, Waterschap Rijn-IJssel/Rivierenland, Rijkswaterstaat en Vitens. 

Er is conform artikel 16.29 van de Omgevingswet en artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit een kennisgeving gedaan van het voornemen om het omgevingsplan te wijzigen. Hierbij is ook de mogelijkheid geboden voor eenieder om vragen en opmerkingen door te geven.  

4.2 Terinzagelegging

Het ontwerp-omgevingsplan zal voor een periode van zes weken voor eenieder ter inzage liggen. Eenieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit omgevingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien. 

Naar boven