Beleidsregels ondersteuning gedupeerden kinderopvangtoeslagaffaire Diemen

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen

 

gelet op:

  • -

    artikel 160 van de Gemeentewet;

  • -

    artikel 2.21 van de Wet hersteloperatie toeslagen.

en overwegende dat:

  • 1.

    in de periode tussen 2004 en 2019 heeft de Rijksbelastingdienst (hierna: RBD) in voorkomende gevallen niet juist gehandeld bij de uitvoering van de Kinderopvangtoeslag. Ouders moesten daardoor onterecht veel geld terugbetalen en kwamen in grote problemen. Ouders die benadeeld zijn met kinderopvangtoeslag hebben recht op herstel;

  • 2.

    in de landelijke samenwerkingsafspraken die zijn gemaakt tussen de Vereniging Nederlandse Gemeenten en de Rijks Belastingdienst is afgesproken dat gemeenten zorgen voor zorgvuldige, effectieve en efficiënte hulp aan gedupeerden die dat nodig hebben op de leefdomeinen financiën, gezin, werk, wonen en zorg;

  • 3.

    het college zoveel mogelijk probeert bij te dragen aan het herstel en behoud van vertrouwen van gedupeerden in de overheid;

besluit vast te stellen de volgende beleidsregels:

 

Beleidsregels ondersteuning gedupeerden kinderopvangtoeslagaffaire Diemen

Artikel 1. Begrippen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • -

    bedreigende situatie: gedwongen woningontruiming, beëindiging van de levering van gas, elektriciteit, stadsverwarming of water, gedwongen beëindiging van de zorgverzekering, ernstig belemmerende psychische omstandigheden of een soortgelijke acute crisissituatie;

  • -

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen;

  • -

    gezin: gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, van de Participatiewet waarbij onder het kind ook het thuiswonende kind of pleegkind van achttien jaar of ouder valt van de persoon, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, van de wet of hun partner;

  • -

    hulpvraag: formulering van de behoefte aan brede ondersteuning dat passend is om de doelstellingen, genoemd in artikel 3, tweede lid, te kunnen bereiken;

  • -

    inwoner: degene die als ingezetene in de basisregistratie personen van de gemeente ingeschreven is;

  • -

    kindregeling: herstelregeling op grond van afdeling 2.2 van de wet waarmee een tegemoetkoming en brede ondersteuning wordt geboden aan kinderen van gedupeerde ouders;

  • -

    leefgebieden: de vijf leefgebieden, genoemd in artikel 2.21, eerste lid, van de wet, zijnde financiën, gezin, werk, wonen en zorg;

  • -

    reguliere ondersteuning: andere gemeentelijke ondersteuning binnen het sociaal domein dan brede ondersteuning;

  • -

    toekennen: verlenen van de aanspraak op een voorziening;

  • -

    UHT: Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen;

  • -

    verstrekken: feitelijk verschaffen van een toegekende voorziening;

  • -

    voorziening: materiële voorziening als bedoeld in artikel 6 of immateriële voorziening als bedoeld in artikel 7;

  • -

    wet: Wet hersteloperatie toeslagen.

Artikel 2. Rechthebbende

  • 1.

    De volgende inwoners van de gemeente Diemen komen in aanmerking voor brede ondersteuning en worden aangeduid als rechthebbende:

    • a.

      Een aanvrager van de kinderopvangtoeslag die zich heeft gemeld bij UHT voor herstel, maar nog niet definitief beoordeeld is;

    • b.

      Een aanvrager van de kinderopvangtoeslag die zich heeft gemeld bij UHT voor herstel en erkend is als gedupeerde ouder;

    • c.

      Een ex-toeslagpartner die door UHT als zodanig is erkend en in aanmerking komt voor compensatie;

    • d.

      Een kind dat in aanmerking komt voor de tegemoetkoming in het kader van de kindregeling;

    • e.

      Een nabestaande die in aanmerking komt voor compensatie of tegemoetkoming.

  • 2.

    De brede ondersteuning wordt ook geboden aan het gezin van de rechthebbende. Het moment van melden bij het college is leidend voor het bepalen wie er binnen de gezinsdefinitie van de rechthebbende op brede ondersteuning valt.

  • 3.

    In beginsel wordt de brede ondersteuning geboden aan de rechthebbende, zoals beschreven in dit artikel, die in de gemeente Diemen woonachtig is. Er zijn uitzonderlijke situaties denkbaar die het wenselijk maken om brede ondersteuning aan te kunnen bieden aan een rechthebbende die voldoet aan een van bovenstaande criteria, maar niet woonachtig (meer) is in de gemeente. In die gevallen zal in afstemming met de betreffende woongemeente en de rechthebbende naar een oplossing worden gezocht.

  • 4.

    Het college verleent toegang tot brede ondersteuning aan een minderjarige die in aanmerking komt voor de kindregeling als deze:

    • a.

      jonger is dan zestien jaar en onder het gezag van een inwoner staat;

    • b.

      jonger is dan zestien jaar en feitelijk verblijft bij een inwoner die één van de gezaghebbers is; of

    • c.

      zestien jaar of ouder is en zelf inwoner is.

Artikel 3. Doelstelling van de ondersteuning

  • 1.

    De brede ondersteuning is gericht op:

    • a.

      het ondersteunen van de aanvrager bij het faciliteren van een nieuwe start in het kader van herstel als bedoeld in artikel 2.21, vierde lid, van de wet; en

    • b.

      het bijdragen aan het herstel van vertrouwen van de aanvrager in de overheid.

  • 2.

    De doelstellingen van de brede ondersteuning op de leefgebieden die de aanvrager in staat moet stellen een nieuwe start te maken zijn:

    • a.

      financiën: in staat zijn om een financieel gezonde huishouding te voeren;

    • b.

      gezin: samenleven en opgroeien in een veilige omgeving waarin kinderen zich kunnen ontwikkelen;

    • c.

      werk: minimaal de beschikking hebben over een startkwalificatie of duurzaam kunnen participeren in een arbeidsproces;

    • d.

      wonen: een veilige en betaalbare plek om te wonen; en

    • e.

      zorg: welzijn vanuit lichamelijke en geestelijke gezondheid.

  • 3.

    Bij een vergoeding van kosten wordt uitgegaan van de richtlijnen van het NIBUD, tenzij er gemeentelijke bepalingen over de hoogte van de verstrekkingen in het gemeentelijk beleid zijn opgenomen. Indien de richtlijnen van het NIBUD geen oplossing bieden, wordt de meest adequate oplossing gevolgd.

Artikel 4. Geen onderdeel van de brede ondersteuning zijn:

  • 1.

    vormen van algemene inkomensaanvulling of inkomensondersteuning;

  • 2.

    ondersteuning op andere leefgebieden dan bedoeld in artikel 1;

  • 3.

    vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet;

  • 4.

    vergoeding van schulden, tenzij het gaat om vergoeding van betalingsachterstanden in een bedreigende situatie en onder de voorwaarde dat er ook aanvullende voorzieningen worden ingezet om herhaling van een bedreigende situatie te voorkomen;

  • 5.

    kosten voor voorzieningen die zijn gemaakt voordat een aanvraag is ingediend tenzij sprake was van een bedreigende situatie; of

  • 6.

    kosten voor een advocaat bij het ontvangen van vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet.

Artikel 5. Wijziging of herziening plan van aanpak

  • 1.

    Terugkerende aanvragen voor voorzieningen of middelen worden getoetst aan de eerder vastgestelde doelstellingen in het plan van aanpak.

  • 2.

    Het plan van aanpak kan alleen tussentijds worden aangepast indien dit in lijn is met de eerder vastgestelde doelstellingen op de vijf leefgebieden zoals omschreven in artikel 1.

  • 3.

    In tegenstelling tot hetgeen staat aangegeven onder lid 1 en 2 kan het plan van aanpak alleen gewijzigd worden wanneer er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die een wijziging van de eerder vastgestelde doelstellingen rechtvaardigt

Artikel 6. Voorzieningen

  • 1.

    Het college verstrekt aan de aanvrager de immateriële en materiële voorzieningen die in het plan van aanpak zijn toegekend.

  • 2.

    Bij het toekennen van de voorzieningen houdt het college onder andere rekening met:

    • a.

      de vaardigheden van de aanvrager;

    • b.

      de draagkracht en financiële armslag van de aanvrager;

    • c.

      de omvang en de samenstelling van het huishouden van de aanvrager;

    • d.

      het duurzame karakter van de voorziening; en

    • e.

      de wijze waarop de voorziening de aanvrager in staat stelt om de doelstellingen uit het plan van aanpak te bereiken.

Artikel 7. Materiële voorzieningen

  • 1.

    Een materiële voorziening is een zaak die noodzakelijk is om belemmeringen van de aanvrager bij het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak weg te nemen of te beperken.

  • 2.

    Het college kan materiële voorzieningen tot zes maanden na het eerste gesprek toekennen. De feitelijke verstrekking van voorzieningen kan na deze periode nog plaatsvinden.

Artikel 8. Immateriële voorzieningen

  • 1.

    Een immateriële voorziening is een vorm van hulpverlening of een dienst die nodig en passend is voor de ontwikkeling van kennis, kunde, vaardigheden of andere competenties van de aanvrager voor het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak.

  • 2.

    Het college kan immateriële voorzieningen tot twee jaar na het eerste gesprek toekennen. De feitelijke verstrekking van voorzieningen kan na deze periode nog plaatsvinden.

Artikel 9. Medewerking aanvrager

Het college kan, voordat de voorziening wordt toegekend via het plan van aanpak, de aanvrager om medewerking vragen om te kunnen bepalen of een beoogde voorziening aan de artikelen 5, tweede lid, 6 en 7 voldoet.

Artikel 10. Weigeren voorzieningen

Het college weigert het toekennen van een voorziening als:

  • a.

    de gevraagde voorziening al vóór het eerste gesprek is gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er na het indienen van de aanvraag maar vóór het eerste gesprek sprake was van een bedreigende situatie waarvoor de voorziening noodzakelijk was;

  • b.

    de voorziening niet aan de artikelen 6, tweede lid, 7 en 8 voldoet; of

  • c.

    de aanvrager niet de medewerking, bedoeld in artikel 9 heeft verleend en het college daardoor niet kan vaststellen of de beoogde voorziening aan de artikelen 6, tweede lid, 7 en 8 voldoet.

Artikel 11. Beëindiging ondersteuning

  • 1.

    De ondersteuning wordt beëindigd binnen 2 jaar na het formeel vaststellen van het plan van aanpak of indien naar het oordeel van het college;

    • a.

      de uitvoering van het plan van aanpak en de nazorg met de ouder(s) succesvol is afgerond;

    • b.

      de hulpverlening, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de ouders, niet (langer) passend is;

    • c.

      de ondersteuning door het college niet (langer) noodzakelijk wordt geacht;

    • d.

      als de inwoner niet meewerkt aan het opstellen of uitvoeren van het plan van aanpak.

  • 2.

    Het college beëindigt de ondersteuning als de RBD de ouder afwijst als gedupeerde na de integrale beoordeling door de UHT. Waar nodig en mogelijk worden ouders warm overgedragen aan reguliere hulpverlening.

  • 3.

    Wanneer er blijvende ondersteuning nodig is na de termijn zoals genoemd in lid 1 vindt er in overleg met de rechthebbende overdracht plaats naar de reguliere gemeentelijke hulpverlening.

Artikel 12. Onvoorziene Omstandigheden

In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien of toepassing daarvan niet overeenkomt met de bedoeling van deze regels, beslist het college.

Artikel 13. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien strikte toepassing ervan zou leiden tot een onevenredige benadeling van een belanghebbende of tot een uitkomst die kennelijk onredelijk is.

 

Toelichting:

Het toepassen van deze bepaling is bedoeld voor situaties waarin de standaardregels geen recht doen aan de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende. Toepassing gebeurt uitsluitend wanneer:

  • sprake is van een uitzonderlijke situatie;

  • afwijking noodzakelijk en wenselijk is om het beoogde doel van de regeling te bereiken;

  • het besluit tot afwijking wordt genomen in overleg tussen de behandelend professional en een daartoe gemandateerde leidinggevende.

De afwijking en de motivering daarvan worden schriftelijk vastgelegd. Dit draagt bij aan zorgvuldige besluitvorming, transparantie en toetsbaarheid.

 

Deze clausule is bedoeld om menselijke maat en redelijkheid in de uitvoering van beleid te waarborgen. Ze vormt geen algemene bevoegdheid tot willekeurige afwijking, maar een vangnet voor schrijnende of onvoorzienbare situaties waarin het beleid anders onvoldoende recht doet aan de omstandigheden van de betrokkene.

Artikel 14. Klachten

Een aanvrager kan een klacht indienen bij de klachten coördinator van de gemeente Diemen, als er ontevredenheid bestaat over een onderdeel van de brede ondersteuning

Artikel 15. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als de ‘Beleidsregels ondersteuning gedupeerden kinderopvangtoeslagaffaire Diemen ’.

Artikel 16. Inwerkingtreding en citeertitel

Deze beleidsregels treden in werking met terugwerkende kracht per 1 oktober 2025 en worden aangehaald als "Beleidsregels ondersteuning gedupeerde kinderopvangtoeslagaffaire Diemen ”.

Aldus vastgesteld op 2 september 2025

Het college van burgemeester en wethouders

Gemeente Diemen

E. Boog

Burgemeester

G.T. Wildeman

Gemeentesecretaris

Naar boven