Subsidieregel voorschoolse voorzieningen gemeente Venlo 2026

Burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo;

 

gezien het voorstel van 7 oktober 2025;

gelet op de Algemene Subsidieverordening Venlo;

mede gelet op de Wet kinderopvang, de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang, de Wet Ontwikkelkansen door kwaliteit en educatie en het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie;

 

besluiten:

 

Tot het vaststellen van de subsidieregel Voorschoolse voorzieningen gemeente Venlo 2026 en de subsidieregel Voorschoolse voorzieningen gemeente Venlo 2025 in te trekken.

Hoofdstuk 1 algemene bepalingen

Artikel 1.1 Definities

  • a.

    Aanvrager: houder die een kindercentrum exploiteert in de gemeente Venlo

  • b.

    ASV: de Algemene subsidieverordening Venlo

  • c.

    Awb: Algemene Wet Bestuursrecht

  • d.

    College: college van burgemeester en wethouders gemeente Venlo

  • e.

    Doelgroeppeuter : kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar met een hoog risico op taal- en/of ontwikkelingsachterstand, waarvoor de Jeugdgezondheidszorg een VVE-indicatie heeft afgegeven.

  • f.

    HBO-inzet: de inzet van een pedagogisch coach of beleidsmedewerker op HBO werk- en denkniveau in en/of rondom groepen waarin voorschoolse educatie aangeboden wordt.

  • g.

    Horizontale peutergroep: Een groep met uitsluitend peuters in de leeftijd van 2 tot 4 jaar.

  • h.

    Kindcentrum: Een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt, anders dan gastouderopvang

  • i.

    Kinderopvangtoeslag (KOT): de vergoeding van het Rijk aan ouders op grond van de Wet kinderopvang, bedoeld als gedeeltelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang.

  • j.

    LRK: Landelijk Register Kinderopvang

  • k.

    Peuter: Een kind in de leeftijd van 2 tot 4 jaar en ingeschreven in de gemeente Venlo. We maken hierbij onderscheid tussen een peuter zonder VVE-indicatie (reguliere peuter) en een peuter met VVE-indicatie (doelgroeppeuter).

  • l.

    Peutermonitor: Een digitaal instrument waarin kwantitatieve gegevens worden geregistreerd met betrekking tot uitgevoerde voorschoolse activiteiten.

  • m.

    Peuteropvang: De opvang van peuters waarbij de brede ontwikkeling spelenderwijs wordt gestimuleerd ter voorbereiding op de basisschool. Peuteropvang wordt altijd aangeboden in een horizontale peutergroep.

  • n.

    Voor- en vroegschoolse educatie (VVE): Maatregelen en programma’s in de peuteropvang (voorschoolse educatie) en in groep 1 en 2 van de basisschool (vroegschoolse educatie) gericht op het spelenderwijs stimuleren van de brede (taal)ontwikkeling van doelgroeppeuters met als doel dat zij zonder achterstand starten in groep 3.

  • o.

    Voorschoolse voorzieningen: Peuteropvang en voorschoolse educatie.

  • p.

    VVE programma: een educatief programma dat erop gericht is de ontwikkeling van kinderen te stimuleren. Het wordt ingezet om onderwijsachterstanden te voorkomen en te bestrijden. Het programma start in een peutergroep en loopt door tot en met groep 2 van de basisschool. Daarnaast zijn er programma's die specifiek gericht zijn op peutergroepen, of op groep 1 en 2 van de basisschool.

  • q.

    VE-geregistreerd kindcentrum: Een kindcentrum dat is opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang en daarin ook geregistreerd staat met voorschoolse educatie.

  • r.

    Zware doelgroep locatie: een locatie met gemiddeld meer dan 50% doelgroeppeuters op locatieniveau.

  • s.

    KOT: kinderopvangtoeslag

 

Artikel 1.2 Doel

Het doel van deze subsidieregel is binnen de gemeente Venlo gelijke en optimale ontwikkelkansen te bevorderen voor alle jonge kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar en een soepele overgang naar het primair onderwijs te ondersteunen. Dit willen we bereiken door een kwalitatief hoogwaardig aanbod Voorschoolse Educatie (VE), met bijzondere aandacht voor kinderen met een (taal)achterstand.

 

Artikel 1.3 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor:

  • a.

    De uitvoering van peuteropvang en VE voor een peuter die woonachtig is in de gemeente Venlo. In uitzonderlijke gevallen is het mogelijk om subsidie te verlenen voor een peuter die in een andere gemeente woont.

  • b.

    Inzet HBO-er (pedagogisch beleidsmedewerker VE of VE coach)

  • c.

    Extra ondersteuning op zware doelgroep locaties ten behoeve van de doelgroeppeuters.

 

 

Hoofdstuk 2 Subsidieverlening

Artikel 2.1. Aanvrager

Subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd door een houder van een VE-geregistreerd kindcentrum dat is gevestigd in de gemeente Venlo.

 

Artikel 2.2 Subsidieaanvraag

  • 1.

    Bij aanvraag voor subsidie wordt gebruik gemaakt van een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

  • 2.

    In afwijking van artikel 8 lid 1 ASV moet een aanvraag worden ingediend vóór 15 november voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 3.

    Indien een kindcentrum in de loop van het jaar voldoet aan de subsidiecriteria volgens artikel 2.3, kan subsidie worden aangevraagd voor de resterende maanden van het betreffende jaar.

 

Artikel 2.3 Subsidiecriteria

  • 1.

    Om voor de subsidieverlening in aanmerking te komen, gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      De aanvrager voldoet aan de eisen die voortvloeien uit de wet Kinderopvang, alsmede de landelijk vastgestelde kwaliteitseisen die voortvloeien uit het Besluit kwaliteit kinderopvang.

    • b.

      De aanvrager voldoet aan de kwaliteitseisen (bijlage 1) zoals opgenomen in het kwaliteitskader voorschoolse voorzieningen Gemeente Venlo.

    • c.

      De aanvrager voldoet aan de wettelijke eis HBO-inzet

  • 2.

    Om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.3 lid c in aanmerking te komen, geldt in aanvulling op lid 1 dat er sprake moet zijn van een zware doelgroep locatie.

 

Artikel 2.4 Weigeringsgronden

Het college kan subsidie weigeren indien:

  • a.

    Er een handhavingsbesluit is genomen op basis van de Wet kinderopvang.

  • b.

    Er een voornemen tot het nemen van een handhavingsbesluit is op basis van de Wet kinderopvang

 

Artikel 2.5 Verplichtingen

Voor de subsidieontvanger gelden naast de Awb en de ASV de volgende verplichtingen:

  • a.

    De groepen op de VE-locaties zijn zo veel mogelijk samengesteld uit reguliere peuters en peuters met een VVE-indicatie. De VE-locatie spant zich dan ook in om peuters met een VVE-indicatie veelvuldig in contact te laten komen met taalrijkere kinderen;

  • b.

    De ontvanger van een subsidie uploadt na elk kwartaal data in de Peutermonitor over de geplaatste peuters en de uitgevoerde voorschoolse activiteiten. Dit betreft de volgende gegevens:

    • BSN-nummer peuter

    • NAW-gegevens peuter

    • Geboortedatum peuter

    • Startdatum & (verwachte) einddatum

    • Naam kinderopvang locatie

    • LRK-nummer

    • Geïndiceerd of niet-geïndiceerd

    • KOT-ouders/niet-KOT-ouders

    • Inkomen (enkel van niet-KOT-ouders)

    • Aantal reguliere uren en de extra uren die door de geïndiceerde peuter wordt afgenomen

    • Eerste of tweede kind in de voorziening

  • c.

    De ontvanger van de subsidie stuurt na afloop van het eerste half jaar een tussentijdse rapportage middels een door het college beschikbaar gesteld format.

 

Artikel 2.6 Hoogte subsidie voorschoolse educatie

  • 1.

    Het college stelt jaarlijks het subsidie uurtarief voor VE vast op basis van:

    • a.

      Het fiscaal maximum voor kinderopvangtoeslag, vastgesteld door de Belastingdienst

    • b.

      Een opslag per uur voor de uitvoering van de wettelijke kwaliteitseisen en de door het college gehanteerde bovenwettelijke kwaliteitseisen voor Voorschoolse Educatie.

  • 2.

    Het tarief als bedoeld in lid 1 voor kalenderjaar 2026 bedraagt

    • a.

      VVE in de korte opvangmomenten: € 13,25

    • b.

      VVE in de dagopvang: € 13,03

  • 3.

    Het tarief wordt jaarlijks gepubliceerd conform lid 1.

  • 4.

    Subsidie voor voorschoolse educatie wordt verleend voor:

    • a.

      Peuters zonder VVE-indicatie, die naar de VE-peuteropvang gaan, waarvan de ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag

    • b.

      Peuters zonder VVE-indicatie, die naar de VE-peuteropvang gaan, waarvan ouders geen recht hebben op kinderopvangtoeslag

    • c.

      Peuters met een VVE-indicatie, die naar de VE-peuteropvang gaan, waarvan de ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag

    • d.

      Peuters met een VVE-indicatie, die naar de VE-peuteropvang gaan, waarvan de ouders geen recht hebben op kinderopvangtoeslag

  • 5.

    De hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van het aantal uren dat een peuter van de opvang gebruik heeft gemaakt en het geldende uurtarief als bedoeld in lid 1.

 

Artikel 2.7 Ouderbijdrage en inkomensverklaring

  • 1.

    De subsidieontvanger brengt bij ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag een inkomensafhankelijke bijdrage in rekening voor de 8 uur peuteropvang per week. Deze bijdrage is gebaseerd op de inkomenstabel van de Belastingdienst die geldt voor het jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

  • 2.

    Alle ouders van een doelgroeppeuter betalen geen ouderbijdrage over de extra twee dagdelen voorschoolse educatie.

  • 3.

    Het inkomen van de ouder wordt door de subsidieontvanger bepaald op basis van de inkomensverklaring van de Belastingdienst en het verzamelinkomen over het voorgaande kalenderjaar.

  • 4.

    Als ouders wegens financiële redenen de ouderbijdrage niet kunnen betalen dient de subsidieontvanger tijdig in overleg te treden met de gemeente, zodat gezamenlijk naar een passende oplossing gezocht wordt.

 

Artikel 2.8 Hoogte subsidie wettelijke eis HBO inzet

  • 1.

    Het subsidiebedrag voor HBO-inzet wordt op uurbasis verstrekt en is gebaseerd op de cao-kinderopvang, schaal 9, hoogste trede.

  • 2.

    De subsidie voor de pedagogisch beleidsmedewerker VE bedraagt maximaal 10 uur per doelgroeppeuter per jaar.

  • 3.

    De hoogte van de subsidieverlening wordt bepaald aan de hand van een inschatting van het aantal doelgroeppeuters op 1 januari van het jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd. De definitieve subsidie bedraagt het gemiddeld aantal doelgroeppeuters in het betreffende subsidiejaar volgens de Peutermonitor.

 

Artikel 2.9 Hoogte subsidie zware doelgroep locaties

De aanvrager kan voor extra ondersteuning op een zware doelgroep locatie, zoals omschreven in artikel 1.3 lid c, een beroep doen op een extra subsidie. Deze subsidie bedraagt maximaal €14.258,24 per jaar per peutergroep. Dit betreft de verhouding op basis van unieke kinderen met en zonder VVE-indicatie in de maand september voorafgaand aan het jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

 

Artikel 2.10 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1.

    Voor subsidies op basis van deze subsidieregel stelt het college jaarlijks een subsidieplafond vast.

  • 2.

    Bij overschrijding van het subsidieplafond wordt het beschikbare budget naar evenredigheid verdeeld over de ingediende ontvankelijke aanvragen.

 

 

Hoofdstuk 3 Subsidievaststelling

Artikel 3.1. Aanvraag voor subsidievaststelling

  • 1.

    De subsidieontvanger dient, uiterlijk 1 april na afloop van het voorafgaande kalenderjaar waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag in voor subsidievaststelling.

  • 2.

    De subsidieontvanger maakt bij het indienen van een aanvraag tot subsidievaststelling gebruik van het door het college beschikbaar gesteld vaststellingsformulier met als bijlage uit de Peutermonitor tabblad ‘verantwoording’ van het betreffende subsidiejaar.

 

Artikel 3.2. Subsidieverantwoording

  • 1.

    In aanvulling op de artikelen 16 en 17 van de ASV legt de subsidieontvanger in de Peutermonitor verantwoording af over:

    • a.

      Het aantal reguliere peuters en doelgroeppeuters voor wie de subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd.

    • b.

      Het aantal uren per reguliere peuter en doelgroeppeuter waarvoor de subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd

    • c.

      Op basis van het aantal reguliere peuters en doelgroep peuters wordt bepaald of het een zware doelgroeplocatie betreft. Als blijkt dat de aanvrager nog recht heeft op de subsidie zware doelgroeplocatie wordt deze alsnog toegekend volgens artikel 2.9.

  • 2.

    De subsidieontvanger levert een aanvullende en inhoudelijke verantwoording aan die:

    • a.

      Inzicht geeft in hoe de subsidieontvanger heeft gewerkt volgens het kwaliteitskader en bijbehorende thema's uit het gemeentelijke uitvoeringsplan OAB 2023-2026 en welke resultaten dit heeft opgeleverd.

    • b.

      Inzicht geeft in de wijze waarop de hbo-uren voor de pedagogisch beleidsmedewerker VE zijn ingezet en heeft bijgedragen aan de verhoging van de kwaliteit van VE.

  • 3.

    Indien er subsidie van zware doelgroep locaties is ontvangen verantwoordt de subsidieontvanger:

    • a.

      Welke bedrag is ingezet

    • b.

      Welke bijdrage dit heeft geleverd aan de kwaliteit van VE

    • c.

      Welke resultaten dit heeft opgeleverd per groep

 

 

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 4.1 Intrekking

De subsidieregel voorschoolse voorzieningen gemeente Venlo 2025 wordt ingetrokken met dien verstande dat de daarin neergelegde bepalingen van kracht blijven ten aanzien van de subsidies die vóór dat tijdstip zijn verleend.

 

Artikel 4.2 Overgangsrecht

Subsidieaanvragen die zijn ingediend onder de subsidieregel voorschoolse voorzieningen gemeente Venlo 2025 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van de Subsidieregel voorschoolse voorzieningen gemeente Venlo 2026, worden afgehandeld krachtens de Subsidieregel voorschoolse voorzieningen gemeente Venlo 2025.

 

Artikel 4.3 Slotbepalingen

  • 1.

    Deze subsidieregel treedt in werking op 15 november 2025

  • 2.

    Op dat tijdstip wordt ingetrokken de Subsidieregel voorschoolse voorzieningen gemeente Venlo 2025

  • 3.

    Deze subsidieregel wordt aangehaald als: Subsidieregel voorschoolse voorzieningen gemeente Venlo 2026.

 

Venlo, 7 oktober 2025

Burgemeester en wethouders van Venlo

de secretaris, de burgemeester

Twan Beurskens, Antoin Scholten

Bijlage 1 Kwaliteitskader voorschoolse voorzieningen gemeente Venlo

Dit Kwaliteitskader is gekoppeld aan de subsidieregeling Voorschoolse voorzieningen gemeente Venlo: een kindgebonden gemeentelijke financiering voor peuters die gebruik maken van een door de gemeente Venlo erkende voorschoolse voorziening uitgevoerd onder de Wet kinderopvang.

 

 

Doel:

Het doel van dit kwaliteitskader is:

  • -

    Eén kwaliteitsstandaard in Venlo voor peuteropvang en voorschoolse educatie.

  • -

    Duidelijkheid naar ouders/verzorgers over de wijze waarop peuteropvang en voorschoolse educatie in Venlo zijn georganiseerd.

  • -

    Duidelijke kwaliteitseisen voor aanbieders van peuteropvang die voor gemeentelijke subsidie in aanmerking wensen te komen.

Looptijd:

Dit kwaliteitskader geldt vanaf 01-08-2019.

Ieder jaar vindt een evaluatie plaats aangaande de hieronder beschreven voorwaarden en worden deze eventueel aangepast op basis van gewijzigde wetgeving en/of andere ontwikkelingen.

Toetsing:

De GGD houdt toezicht op de uitvoering van peuteropvang en voorschoolse educatie op basis van de Wet kinderopvang en het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie en adviseert de gemeente Venlo over al dan niet handhaven. Ook toetst de GGD op de naleving van dit kwaliteitskader.

 

 

Nr.

Omschrijving

1

Wet- en regelgeving

De aanbieder van peuteropvang moet voldoen aan de wettelijke eisen volgens:

  • 1.

    De Wet Kinderopvang

  • 2.

    De Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang

  • 3.

    Het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie

2

Peuteropvang

Peuteropvang is een kortdurende, laagdrempelige voorziening voor peuters van 2 - 4 jaar woonachtig in de gemeente Venlo, voor 8 uur per week, verdeeld over ten minste 2 dagdelen gedurende 40 weken per jaar.

  • 1.

    Peuteropvang is een voorziening waar peuters, in groepsverband (horizontale groepen), in hun ontwikkeling gestimuleerd worden door middel van spel en gerichte activiteiten (spelen, ontmoeten, ontwikkelen).

  • 2.

    Er is zoveel mogelijk sprake van gemengde groepen: kinderen met en zonder vve-indicatie en wel of niet vallend onder de kinderopvangtoeslag spelen en ontwikkelen zich gezamenlijk in een groep. Alleen wanneer de aanbieder kan aantonen dat dit niet te realiseren is, kan hiervan afgeweken worden met instemming van de gemeente.

  • 3.

    De aanbieder van peuteropvang wisselt ervaringen uit met ouders over hun kinderen en biedt ouders ondersteuning bij opvoed- en ontwikkelingsvragen.

  • 4.

    De aanbieder van peuteropvang heeft een vroegtijdige signaleringsfunctie. De aanbieder werkt dan ook samen met andere organisaties zoals Jeugdgezondheidszorg, zorgaanbieders en basisscholen om ervoor te zorgen dat iedere peuter, indien nodig, passende aanvullende begeleiding en zorg krijgt aangeboden, dan wel dat er een goede overdracht plaatsvindt naar een andere (voorschoolse) voorziening of het onderwijs.

  • 5.

    De aanbieder van peuteropvang neemt deel aan het leesbevorderingsprogramma BoekStart in de kinderopvang.

  • 6.

    De aanbieder van peuteropvang werkt volgens het ‘overdrachtsprotocol voorschoolse voorziening naar basisschool binnen de gemeente Venlo’.

  • 7.

    De aanbieder van peuteropvang werkt met een kind-volgsysteem om het welbevinden en de ontwikkeling van peuters op de verschillende gebieden te monitoren.

  • 8.

    De aanbieder van peuteropvang hanteert een systeem om de eigen kwaliteit te evalueren, te verbeteren en te waarborgen.

De aanbieder van peuteropvang werkt opbrengst- en doelgericht.

 

 

3

Voorschoolse educatie

Voor peuters van 2 – 4 jaar woonachtig in de gemeente Venlo die risico lopen op een ontwikkelingsachterstand is er een aanbod van gemiddeld 16 uur per week, verdeeld over minimaal 3 dagdelen, gedurende minimaal 40 weken per jaar.

Deze peuters moeten vanaf 2,5 jaar tot 4 jaar een aanbod krijgen van in totaal 960 uur.

Peuters die voldoen aan de gemeentelijke definitie doelgroepkinderen komen in aanmerking voor het aanvullend aanbod voorschoolse educatie. De Jeugdgezondheidszorg (JGZ) kan het risico op onderwijsachterstand al in een vroeg stadium inschatten omdat zij de kinderen volgen vanaf de eerste levensweken. JGZ geeft een VVE-indicatie af indien een peuter tot de doelgroep behoort. Soms blijkt pas op de peuteropvang dat een ontwikkelings- of taalachterstand heeft. In dat geval legt de voorschoolse organisatie dit ter toetsing voor aan JGZ.

4

Samenwerking voor- en vroegschool

Er is een actueel clusterplan waarin de samenwerking tussen de peuteropvang-aanbieder en de school staat beschreven.

In dat clusterplan zijn tenminste afspraken gemaakt over de volgende onderwerpen:

  • 1.

    Gezamenlijk pedagogisch klimaat

  • 2.

    Gedeelde visie ten aanzien van ontwikkelen en leren voor 2-6 jarigen

  • 3.

    Doorgaande leer- en ontwikkelingslijn

  • 4.

    Zorgstructuur 2-6 jarigen (intern en extern)

  • 5.

    Gezamenlijk ouderbeleid

  • 6.

    Gezamenlijke resultaatafspraken

  • 7.

    Gezamenlijk kwaliteitsbeleid

De aanbieder van peuteropvang die niet in een onderwijslocatie gehuisvest is, werkt ook samen met een of meerdere scholen, waarbij de samenwerkingsafspraken zijn opgenomen in een (pedagogisch-educatief) plan.

 

 

5

Monitoring :

De aanbieder van peuteropvang verstrekt op aanvraag cijfermatige en inhoudelijke gegevens ten behoeve van monitoring door de gemeente, de Inspectie van het Onderwijs en organisaties die als opdrachtnemer van de gemeente optreden.

Hierover worden nog concrete afspraken gemaakt en wordt gehandeld op basis van de Algemene Verordening Gegevensverwerking (AVG).

Naar boven