Verordening tot wijziging van de Verordening jeugdhulp gemeente Voorst 2019 (1e wijziging)

De raad van de gemeente Voorst;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 juni 2025, nummer 696573;

B E S L U IT:

vast te stellen de: Verordening tot wijziging van de Verordening jeugdhulp gemeente Voorst 2019 (1e wijziging).

Artikel I

Aan artikel 1. (Begripsbepalingen) worden twee begrippen toegevoegd, deze luiden als volgt:

  • gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouder(s) en/of andere verzorgers of opvoeders;

  • sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige en/of de ouder(s) een sociale relatie heeft;

Artikel II

Artikel 10a. (Beoordeling (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht) wordt toegevoegd en komt als volgt te luiden:

Artikel 1 0a . Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht

  • 1.

    Jeugdigen en/of ouder(s) komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

  • gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders;

  • bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan;

  • de ondersteuning vanuit het sociale netwerk;

  • het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten.

  • 2.

    Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.

  • 3.

    Om vast te stellen of er sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:

  • a.

    de leeftijd van de jeugdige;

  • b.

    de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft;

  • c.

    de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

  • d.

    de mate van planbaarheid van de hulp;

  • e.

    de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige.

  • 4.

    Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

  • 5.

    Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:

  • kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten eenmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar;

  • langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.

  • 6.

    Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

  • 7.

    Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren:

  • a.

    de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

  • b.

    de mate van planbaarheid van de hulp;

  • c.

    het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders;

  • d.

    de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige;

  • e.

    vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond);

  • f.

    of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele, psychische, verslavingsproblemen of schulden;

  • g.

    welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen;

  • h.

    het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen;

  • i.

    de woonsituatie;

  • j.

    de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet);

  • k.

    is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of de ouders te ondersteunen;

  • l.

    overige individuele omstandigheden die door de jeugdige en de ouders worden ingebracht

  • 8.

    Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.

  • 9.

    Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende:

  • er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige;

  • als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen;

  • bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen;

  • als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht;

  • het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten;

  • een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.

  • 10.

    Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.

  • 11.

    Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van de ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.

Artikel III

Artikelsgewijze t oelichting op a rtikel 1. (Begripsbepalingen) wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

Een algemeen gebruikelijke voorziening spreekt voor zich. Onder het begrip 'anderevoorziening' wordt in deze verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of langdurige zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de wet. De individuele voorzieningen en overige voorzieningen zijn opgenomen in de artikelen 3, 4 en 5. Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in artikel 6 e.v.

Degene die een pgb ontvangt, wordt budgethouder genoemd. Hij ontvangt een pgb, dat wil zeggen een budget om zelf de ondersteuning in te kopen die is afgesproken. De budgethouder is verantwoordelijk voor de besteding van het budget en voor de kwaliteit van de geleverde ondersteuning. Hij legt in een pgb-plan vast op welke manier de ingekochte ondersteuning bijdraagt aan de oplossing van zijn probleem. Gebruikelijke hulp in het kader van de Jeugdwet is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Onder 'andere verzorgers of opvoeders' kunnen ook pleegouders vallen. Jeugdhulp kan slechts ingezet worden voor de hulp die de gebruikelijke hulp te boven gaat. Dat is bepaald in deze verordening. In artikel 10a van deze verordening is bepaald in welke situaties sprake is van (boven) gebruikelijke hulp. De ondersteuning wordt door de meeste inwoners in natura ontvangen van een professionele of wel formele hulp. Vanuit een pgb kan ook een informele hulp worden ingezet. Dat wil zeggen dat de ondersteuning niet door een formele hulp wordt geboden, maar door bijvoorbeeld iemand uit het sociale netwerk. Daarvoor gelden een aantal voorwaarden (zie artikel 11). De definitie en 'hulpvraag' is nodig omdat deze niet is gedefinieerd in de wet en het gebruik hier afwijkt van het normale spraakgebruik. In een gezinsplan staan naast een omschrijving van de gezinssituatie en de hulpvraag onder andere de afspraken die met de jeugdige en zijn ouders zijn gemaakt.

Artikel IV

Artikelsgewijze t oelichting op artikel 10a . (Beoordeling (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht) wordt toegevoegd en komt als volgt te luiden:

 

Artikel 10a. Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht

In de wetgeving is niet bepaald wat precies onder eigen kracht moet worden verstaan. Het begrip komt op verschillende plekken terug in de parlementaire geschiedenis. Daaruit blijkt dat de kern is dat ouders op de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Hebben zij zelf mogelijkheden om de problemen het hoofd te bieden, dan is een voorziening niet nodig (zie bv. TK 2012-2013, 33684, nr. 3, p. 135 e.v.). Het is aan gemeenten overgelaten om dit begrip verder in te vullen. Conform rechtspraak van de CRvB (CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1095, CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097) moet dit in de verordening. De gemeenteraad moet in de verordening uitleggen wat eigen kracht is, welke voorwaarden daarbij gelden en wat de afwegingsfactoren zijn om dit vast te stellen.

Artikel 10a geeft uitleg over wanneer sprake is van eigen kracht en biedt een duidelijk (afwegings)kader voor het college. Uiteraard is dit ter invulling aan de gemeente zelf. Dit artikel is een voorbeeld van wanneer sprake is van eigen kracht, welke voorwaarden je daaraan kan stellen en welke afweging gemaakt moet worden om eigen kracht vast te stellen.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 13 oktober 2025.

Bert Jan Urban, griffier

Paula Jorritsma-Verkade, burgemeester

Naar boven