Gemeenteblad van Borne
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Borne | Gemeenteblad 2025, 442551 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Borne | Gemeenteblad 2025, 442551 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Jeugdhulp gemeente Borne 2026
de raad van de gemeente Borne;
gelet op het raadsvoorstel d.d. 26 augustus 2025, met kenmerk 25int04469, waarvan de motivering onlosmakelijk deel uitmaakt van dit besluit.
Gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11, 8.1.1 derde lid en 2.12 van de Jeugdwet;
overwegende dat het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk;
overwegende dat het voorts wenselijk is dat mensen met een beperking mee kunnen doen aan een inclusieve samenleving.
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
In deze verordening en de bijbehorende bepalingen wordt onder de volgende termen verstaan:
Gebruikelijke hulp: Gebruikelijke hulp is de zorg en ondersteuning die ouders normaal gesproken zelf geven aan hun kinderen. Het gaat om hulp die past bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind, zoals eten klaarmaken, helpen met aankleden, of begeleiding naar school. Pas als er méér hulp nodig is dan wat van ouders verwacht mag worden, kan jeugdhulp worden ingezet via de Jeugdwet;
Ondersteuningsplan: een document waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of zijn ouders door de jeugdregisseur is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren;
Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet.
HOOFDSTUK 2 VORMEN VAN JEUGDHULP
Artikel 2. Vormen van jeugdhulp
De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn regionaal beschikbaar:
Ambulante jeugdhulp (begeleiding individueel, vaktherapie, behandeling individueel, forensische jeugdhulp, medicatiecontrole, begeleiding groep basis, begeleiding groep intensief, behandeling groep basis, behandeling groep intensief, kinderdagcentrum/ orthopedagogisch dagcentrum intensief, ernstige dyslexie, ambulante alternatieven;
De aanbieders van beschikbare individuele voorzieningen worden gepubliceerd via de website van www.samen14.nl;
HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN
Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is;
Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft;
Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente
Als een jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in als bedoeld in artikel 16. Een door de jeugdige, of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ondertekend pgb-plan wordt aangemerkt als aanvraag voor een pgb;
HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE
Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 6 weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zevende lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. In overleg met het college kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de aanvraag lopende het onderzoek wijzigen;
Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende 2 weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan;
Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor de verstrekking van de pgb. De jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.
Artikel 6. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming
Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt.
Binnen 10 werkdagen na het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger worden door hen aan het verslag toegevoegd;
Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt er ingestemd met het verslag door middel van ondertekend terug sturen, dan wel bevestiging per e-mail door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze terug gestuurd;
Als uit het verslag blijkt dat gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend, dan wel per e-mail bevestigd, door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze terug gestuurd. In dat geval geldt het ondertekende verslag, dan wel de e-mail, voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van de aanvraag voor een individuele voorziening.
Artikel 9. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouders jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of overige voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen;
Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1 van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal functioneren, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2025 zoals deze luidden op 1 januari 2025 OG gelden de volgende uitgangspunten;
Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie;
In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening;
Artikel 10. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s);
Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan eveneens blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:
Bij het beoordelen van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de (dreigende) overbelasting op te heffen. Er kan van ouders gevraagd worden of zij maatschappelijke activiteiten kunnen beperken en/of zij betaalde arbeid kunnen verminderen of anders organiseren om (dreigende) overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:
Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 10, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen;
Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de ED-specialist van het Samenwerkingsverband Primair Onderwijs Twente Oost op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 3.0 van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is.
Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie geaccrediteerde opleiding OF een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische beroepen) erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding heeft volbracht;
Artikel 14. Kinderopvang en buitenschoolse opvang
In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings-, en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan er na onderzoek door het college een verwijzing worden verstrekt naar specialistische kinderopvang en buitenschoolse opvang (KDV+ en BSO+).
Artikel 15. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening
In iedere beschikking wordt vastgelegd wie de regiehouder is. De regiehouder is eindverantwoordelijk voor de coördinatie van de hulpverlening en het aanspreekpunt voor de jeugdige en/of zijn ouder(s). Gedurende het hulpverleningstraject kan dit wijzigen (na instemming van betrokkenen). Dit besluit is een kernbesluit welke vastgelegd dient te worden in het dossier.
HOOFDSTUK 5 AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB
Artikel 16. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb
Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een pgb-plan aan te leveren. In het pgb-plan is opgenomen:
Het college verstrekt een pgb als:
naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 19 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.
Artikel 18. Onderscheid formele en informele hulp
Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
Artikel 19. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb
HOOFDSTUK 6. HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK
Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;
Mede overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet doen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb;
Artikel 23. Niet meewerken ouder(s)
Als de jeugdige of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.
Artikel 25. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s
Artikel 26. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik
Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties;
HOOFDSTUK 7. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN
Artikel 27. Voorliggende voorzieningen
Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er:
naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of
Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen;
Artikel 28. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet.
HOOFDSTUK 8. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT
Artikel 29. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid;
Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.
HOOFDSTUK 9 KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP
Artikel 32. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
Het college stelt jeugdigen en hun ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen;
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn/haar ouder(s) of verzorgers afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing ervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Artikel 35. Overgangsrecht, intrekking oude verordening
Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Borne 2021 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) van worden afgeweken als heroverweging op grond van de huidige Verordening jeugdhulp gemeente Borne 2026 leidt tot een gunstiger uitkomst;
Leeswijzer bij Verordening Jeugdhulp gemeente Borne 2026
Deze leeswijzer helpt u om de Ontwerpverordening Jeugdhulp van gemeente Borne 2026 beter te begrijpen.
In deze verordening staat hoe de gemeente jeugdhulp organiseert en beschikbaar maakt voor jongeren en hun ouder(s) of verzorgers. De verordening is gebaseerd op de Jeugdwet.
Bij de verordening zit ook een bijlage. Daarin staat bij elk artikel een toelichting in begrijpelijke taal, zonder ingewikkelde juridische termen.
Wat is het doel van deze verordening?
De Jeugdwet geeft gemeenten de verantwoordelijkheid om jongeren tot 18 jaar (en soms tot 23 jaar) en hun ouders te helpen. Het gaat om preventie, ondersteuning, hulp en zorg.
De verordening regelt per gemeente:
Hoe is de verordening opgebouwd?
De verordening bestaat uit de volgende hoofdstukken:
Hier leest u welke soorten jeugdhulp er zijn en bij welke organisaties u hulp kunt krijgen. Ook wordt uitgelegd wat het verschil is tussen zorg in natura en een persoonsgebonden budget (pgb). In dit hoofdstuk staat ook hoeveel hulp maximaal gegeven kan worden, bijvoorbeeld hoeveel uur of dagdelen begeleiding of behandeling mogelijk zijn.
Onderzoek en besluit voor jeugdhulp
Als u of uw kind hulp aanvraagt bij de gemeente, doet de gemeente eerst onderzoek. In dit hoofdstuk staat wat de gemeente dan doet, hoelang dat mag duren, en wat er precies wordt bekeken. U leest ook dat u als ouder of jongere een familiegroepsplan mag maken. Daarin kunt u zelf beschrijven wat er speelt en welke hulp u denkt nodig te hebben.
Hier leest u hoe de gemeente de klachtenprocedure organiseert. Hier staat niet waar u specifiek terecht kunt met uw klacht. Dit kunt u vinden op de website van de gemeente Borne. Daarnaast staat in dit hoofdstuk benoemd dat u als inwoner mee kunt denken over beleid. De gemeente Borne organiseert dit middels de adviesraad sociaal domein. Andere manieren om mee te denken worden uitgewerkt in de beleidsregels.
Voor de gemeente is het belangrijk dat zij contact op kunnen nemen (indien nodig) met andere belangrijke personen of instanties om goed onderzoek te kunnen doen. Hierbij kunt u denken aan school, de huisarts, maar ook eventueel de zorgverzekering (bij een aanvraag voor vaktherapie) en/of eventueel andere hulpverleners;
Bent u niet tevreden over de inzet van de gemeente of ervaart u moeilijkheden en/of onduidelijkheden in het traject, neem dan contact op. Dit kan met de betrokken regisseur maar ook via het WMO en Jeugdloket. Mocht u toch een officiële klacht in willen dienen, kan dit via https://www.borne.nl/klacht-indienen.
Heeft u vragen over deze verordening of wilt u hulp bij het indienen van een aanvraag? Neem dan contact op met de afdeling Samen Leven via 074-2658500 of via wmo-jeugd@borne.nl.
U kunt ook terecht op https://www.borne.nl/jeugdhulp voor meer informatie, contactgegevens en toelichting.
Toelichting op de verordening per hoofdstuk
Deze verordening bestaat uit verschillende hoofdstukken:
Wat moet deze verordening regelen?
Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor alle jeugdhulp. De Jeugdwet (de wet) zegt dat gemeenten hulp moeten regelen voor jongeren die dat nodig hebben. Deze hulp moet vooral gaan naar jongeren en gezinnen in moeilijke situaties. De gemeente kijkt eerst of jongeren en ouders zelf, of met hulp van anderen, een oplossing kunnen vinden.
De gemeenteraad moet in deze verordening regels vastleggen over:
Ook moeten jongeren en hun ouders of vertegenwoordigers mee kunnen denken en meepraten over het jeugdhulpbeleid. De gemeente moet regelen dat zij:
Achtergrond van deze verordening
De wet is onderdeel van de veranderingen sinds 2015, waarbij gemeenten meer verantwoordelijkheden kregen. Gemeenten bepalen nu zelf welke hulp zij geven. Het recht op jeugdhulp is veranderd in een ‘voorziening’: de gemeente bekijkt per situatie wat nodig is. Het doel blijft om jongeren en gezinnen op tijd passende hulp te bieden.
Deze verordening sluit aan op het beleidsplan Sociaal Domein van de gemeente, waarin staat welk jeugdhulpbeleid de gemeente voert.
Vrij toegankelijke en niet vrij toegankelijke hulp
De gemeente maakt onderscheid tussen:
Een hulpvraag kan bij de gemeente binnenkomen op verschillende manieren (ouders/jeugdige kunnen zelf om hulp vragen, anders via school en/of via het Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling). De gemeente onderzoekt dan samen met de jongere en de ouders welke hulp nodig is. Soms is er genoeg hulp beschikbaar via het eigen netwerk. Als dat niet lukt, kijkt de gemeente welke voorziening past. Is dat een niet vrij toegankelijke voorziening? Dan neemt het college daar een besluit over en verwijst de gemeente door naar een geschikte aanbieder.
Hulp via de huisarts, jeugdarts of medisch specialist
Een jongere kan ook jeugdhulp krijgen via een verwijzing van de huisarts, jeugdarts of medisch specialist. De hulpverlener bepaalt dan, samen met de jongere of ouders, welke hulp precies nodig is en hoe vaak en hoe lang. De afspraken hierover zijn vastgelegd in de contracten tussen gemeente en hulpverleners. Zo blijft de hulp goed op elkaar afgestemd. De regels van deze verordening gelden ook bij deze manier van toegang.
Hulp via kinderrechter, Openbaar Ministerie of andere instanties
Ook via de kinderrechter, het Openbaar Ministerie of een jeugdinrichting kan jeugdhulp worden ingezet. De gecertificeerde instelling bespreekt dan met de gemeente welke hulp nodig is. De gemeente moet die hulp vervolgens regelen. Dit is belangrijk omdat rechterlijke beslissingen altijd moeten worden uitgevoerd. De gemeente levert de hulp die is afgesproken, meestal via de instellingen waar zij al afspraken mee heeft.
Wat valt er wel en niet onder jeugdhulp?
Er is veel discussie over wat precies onder de jeugdhulpplicht valt. De wet zal worden aangepast om dit duidelijker te maken. Het doel is dat hulp terechtkomt bij gezinnen die het echt nodig hebben. Als ouders of jongeren zelf (met hun netwerk) hulp kunnen organiseren, hoeft de gemeente dit niet te doen.
Wat regelt deze verordening verder?
Deze verordening is belangrijk om de hulp voor jeugdigen en diens ouders goed en eerlijk te regelen.
In deze toelichting leggen we alleen die onderdelen van de verordening uit die extra uitleg nodig hebben.
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
We hebben niet alle woorden die in de wet staan opnieuw uitgelegd. De wet legt namelijk al veel belangrijke woorden uit, zoals ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. Deze betekenissen gelden ook voor deze verordening.
In deze verordening gebruiken we ‘jeugdigen en ouders’ als algemene aanduiding. Soms zeggen we ook: ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’. Daarmee bedoelen we:
In de wet staat dat met ‘ouder’ ook wordt bedoeld: een gezaghebbende ouder, adoptieouder, stiefouder of iemand anders die het kind opvoedt en verzorgt als onderdeel van zijn gezin (maar géén pleegouder).
De wet omschrijft ‘jeugdhulp’ als:
De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn ook belangrijk. Deze wet legt bijvoorbeeld uit wat een ‘aanvraag’ en een ‘beschikking’ is.
In het vak hieronder wordt verteld in welk artikel van de wet de hulp wordt omschreven:
HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP
Artikel 2. Vormen van jeugdhulp
De gemeente moet in deze verordening regels maken over welke hulp beschikbaar is. Dit artikel laat zien welke soorten hulp er zijn.
Welke vorm van hulp wordt ingezet, hangt af van wat uit het onderzoek komt en van wat de jeugdige en zijn ouders nodig hebben.
De gemeente mag bepalen hoe lang, hoe vaak en hoeveel hulp iemand krijgt. Dit wordt op hoofdlijnen geregeld. In bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken.
De gemeente maakt afspraken met jeugdhulpaanbieders over welke hulp er wordt gegeven. De kwaliteitseisen komen uit de wet en moeten worden opgenomen in de afspraken tussen gemeente en aanbieder.
HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN
Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Een huisarts, jeugdarts of medisch specialist mag je ook verwijzen naar jeugdhulp. Dit geldt voor beide soorten hulp: met en zonder besluit van de gemeente.
De arts moet je meestal verwijzen naar een hulpverlener waar de gemeente een contract mee heeft. Kies je zelf voor een andere hulpverlener? Dan betaalt de gemeente dat meestal niet. Je kunt dan een pgb aanvragen. Dat kan alleen als je voldoet aan de voorwaarden.
Soms mag je toch naar een hulpverlener zonder contract. Dan moet de gemeente daar vooraf toestemming voor geven. Deze toestemming krijg je alleen in bijzondere situaties.
De hulpverlener bekijkt samen met jou en/of je ouders welke hulp precies nodig is. Die hulpverlener moet zich houden aan de afspraken die met de gemeente zijn gemaakt en aan de regels uit deze verordening. Hij mag alleen hulp inzetten die in artikel 2 staat.
Jeugdhulp kan maximaal 6.000 minuten duren. Is er meer hulp nodig? Dan overlegt de hulpverlener altijd eerst met de jeugdregisseeur.
Gaat over wie verantwoordelijk is voor hoe de hulpverlening loopt. Houden alle partijen zich aan de afspraken? Is er voldoende gekeken naar of een kind veilig kan opgroeien? Dit lid stelt vast dat er altijd iemand eindverantwoordelijk is, ook wel de regiehouder of regiebehandelaar. Verwijst de huisarts, medisch specialist of de jeugdarts naar jeugdhulp? Dan moet de persoon die de verwijzing afgeeft ook benoemen wie er eindverantwoordelijk is. Deze persoon heeft de eindverantwoordelijkheid/regie voor de hulp en is het vaste aanspreekpunt voor de jeugdige en/of ouders.
Artikel 4. Toegang tot jeugdhulp via de gemeente
Deze regels gaan over hoe je hulp kunt aanvragen bij de gemeente. De gemeente moet dit goed en zorgvuldig doen.
Je kunt met je hulpvraag naar de gemeente gaan. De gemeente helpt je dan om je hulpvraag duidelijk te maken. Dit kan bijvoorbeeld via een gesprek. Daarna kun je een aanvraag doen. Als je een pgb wilt, moet je ook een plan inleveren.
De gemeente moet binnen een redelijke tijd beslissen. Meestal is dat binnen 8 weken. Dit geeft ruimte om een familiegroepsplan in te leveren en om onderzoek te doen (binnen 6 weken). Daarna moet binnen 2 weken een besluit volgen.
Als je een individuele voorziening nodig hebt, krijg je daar altijd een officiële brief (beschikking) van de gemeente over. Dat is verplicht.
In spoedgevallen mag de hulp al starten vóór de gemeente een besluit heeft genomen. De gemeente moet dan binnen 4 weken alsnog een officieel besluit nemen.
HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE
Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Om een goed besluit te kunnen nemen, moet duidelijk zijn wat er precies aan de hand is. Daarom doet de gemeente onderzoek naar de situatie. Dit gebeurt altijd samen met de jeugdige en zijn ouders of wettelijk vertegenwoordiger. Vaak is persoonlijk contact belangrijk om goed te begrijpen wat er speelt. Er worden daarom meestal een of meer gesprekken gevoerd.
Komt tijdens deze gesprekken naar voren dat de aanvraag aangepast moet worden? Dan kan dat tijdens het onderzoek nog gebeuren. De aanvraag hoeft dan niet meteen afgewezen te worden.
De gemeente moet jeugdigen, ouders en pleegouders op tijd vertellen dat zij een vertrouwenspersoon kunnen inschakelen. De gemeente moet mensen hier over informeren. De vertrouwenspersoon:
Ouders mogen een familiegroepsplan maken en inleveren. De gemeente houd dan rekening met dit plan. Ouders hebben hiervoor 2 weken de tijd. Hebben ze meer tijd nodig? Dan kan dat, maar dan duurt het besluit ook langer;
Als de jeugdige of ouders tijdens het onderzoek zelf een oplossing vinden of genoeg hulp krijgen via algemene voorzieningen, kunnen zij de aanvraag stopzetten. De gemeente bevestigt dit schriftelijk.
De gemeente is verplicht hulp te bieden als het kind of gezin het niet zelf kan oplossen. Een goed onderzoek bestaat uit minimaal 5 stapen:
De gemeente kijkt ook of er al hulp is vanuit andere wetten, zoals de Wmo, de Wlz of de Zorgverzekeringswet.
Als ouders een familiegroepsplan hebben ingeleverd, gebruikt de gemeente dit bij het onderzoek. De jeugdige wordt ook zo veel mogelijk betrokken en mag zijn mening geven. Jongeren vanaf 16 jaar mogen zelf beslissen over hun behandeling.
Artikel 6. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming
De gemeente is verantwoordelijk voor goede en deskundige begeleiding richting jeugdhulp. Bij elke stap wordt deskundigheid ingezet. Soms is medisch advies nodig. Dan moeten jeugdigen of ouders meewerken, anders kan het onderzoek niet goed worden uitgevoerd.
De deskundigen kennen veel van onderwerpen zoals opvoedproblemen, psychische problemen, beperkingen en kindermishandeling. Het moet voor de hulpvrager duidelijk zijn wie welke deskundigheid heeft. Alleen deskundigen met een erkende registratie mogen advies geven. Dit zorg voor kwaliteit en betrouwbaarheid.
Ook mag een organisatie die jeugdhulp uitvoert, niet zelf beslissen of die hulp ingezet wordt. Zo blijft het proces eerlijk en onafhankelijk.
De gemeente moet controleren of de aanvrager echt is wie hij zegt dat hij is. Zo weten ze zeker dat de hulp bij de juiste persoon terechtkomt.
Na het gesprek en het onderzoek maakt de gemeente een verslag, dit heet het ondersteuningsplan. De jeugdige en zijn ouders mogen opmerkingen of aanvullingen toevoegen. De gemeente controleert of iedereen alles begrijpt wat er in het verslag staat.
Het verslag moet ondertekend en terug gestuurd worden of ouders/jeugdige versturen een mail waarin staat dat het verslag akkoord is. Zo wordt de aanvraag compleet. Soms verandert de hulpvraag tijdens het onderzoek. Het is ook mogelijk dat ouders het niet eens zijn met het onderzoek. Dan mogen ze een andere aanvraag doen. Deze moet duidelijk op papier staan.
Als gemeente en ouders samen besluiten dat er geen hulp nodig is, wordt dit ook in het verslag gezet. Het verslag telt dan als een intrekking van de aanvraag.
Artikel 9. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
In het eerste lid staan de algemene voorwaarden waaraan iemand moet voldoen om jeugdhulp te kunnen krijgen. Deze voorwaarden worden verder uitgelegd in de rest van dit artikel en in andere artikelen.
In de wet (artikel 1.1) staat wat jeugdhulp precies is. Deze uitleg bepaalt wat de taak van de gemeente is. Niet alle hulp en zorg voor kinderen valt onder jeugdhulp. Alleen als een kind een psychisch probleem, stoornis, gedragsprobleem of beperking heeft, kan er sprake zijn van jeugdhulp. De gemeente hoeft dus geen hulp te geven die past bij de normale ontwikkeling van een kind. Bijvoorbeeld: het voeden van een baby hoort bij de normale zorg en is geen reden voor jeugdhulp.
Om te bepalen of hulp onder jeugdhulp valt, wordt gekeken naar regels over wat gebruikelijke zorg is. Deze regels staan bijvoorbeeld in hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2025.
Jeugdhulp is een laatste redmiddel. Eerst wordt gekeken of andere vormen van hulp het probleem kunnen oplossen. Zo’n andere vorm van hulp moet echt beschikbaar zijn en voldoende helpen.
Als er een wachtlijst is en het kind kan niet wachten, is die hulp niet passend. Als er toch jeugdhulp nodig is, kiest het college de goedkoopste oplossing die goed genoeg is. De hulp moet wel op tijd kunnen starten. De gemeente kijkt hierbij naar de persoonlijke situatie van het kind en het gezin.
Soms wordt hulp gevraagd waarvan niet is bewezen dat het werkt. De gemeente mag deze vormen van hulp weigeren als blijkt dat er andere hulp is die wel werkt en net zo goed of beter helpt. De gemeente moet dan goed uitleggen waarom die andere hulp beter past. Bij deze keuze kan de gemeente gebruik maken van bijvoorbeeld:
De gemeente mag ook in haar beleid aangeven welke vormen van hulp niet effectief zijn. Daarbij mag de gemeente gebruik maken van de zogenaamde ‘niet-doen-lijst’, die wordt opgesteld in het kader van de Hervormingsagenda Jeugd.
Artikel 10. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Volgens artikel 2.3 van de Jeugdwet moet de gemeente pas hulp geven als een jeugdige of zijn ouders het probleem niet zelf kunnen oplossen. Dit heet ook wel “eigen kracht”. Pas als het gezin zelf – eventueel met hulp van mensen uit de omgeving of andere organisaties – de hulp niet kan regelen, komt de gemeente in beeld. Artikel 10 legt dit verder uit.
De ouders en de jeugdige zijn als eerste verantwoordelijk voor een gezonde en veilige opvoeding. Van ouders mag worden verwacht dat zij hun leven hierop aanpassen. Dat kan betekenen dat zij hun werk, dagindeling of financiën moeten aanpassen, zodat zij zelf de juiste hulp kunnen bieden.
Als na onderzoek blijkt dat ouders of de jeugdige het probleem zelf kunnen oplossen, hoeft de gemeente geen hulp te geven. Ouders moeten hun minderjarige kinderen verzorgen, opvoeden en in de gaten houden, ook als een kind een ziekte of beperking heeft. Ook als er meer hulp nodig is dan normaal, mogen ouders hierop worden aangesproken. De rechter heeft hierover gezegd dat een moeder die haar baan had opgezegd om voor haar kind te zorgen, deze zorg aan kon. De gemeente hoefde in dat geval geen hulp te geven (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362).
De gemeente kijkt niet of een gezin genoeg geld heeft om zelf hulp te regelen. Wel wordt gekeken naar het belang van werk en inkomen in de situatie van het gezin (CRvB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326).
Als ouders gescheiden zijn, zijn beide ouders verantwoordelijk. Ook een stiefouder is verantwoordelijk voor een stiefkind dat bij hem of haar woont.
De wet zegt duidelijk dat de gemeente pas hoeft te helpen als het gezin er zelf niet uitkomt. Ook in de toelichting op de wet staat dit nog eens uitgelegd. De eigen kracht van ouders en kinderen moet altijd eerst worden benut.
Het eerste lid van artikel 10 laat zien dat het college van de gemeente moet beoordelen of ouders en jeugdige het probleem zelf kunnen oplossen. Daarbij kijkt het college goed naar de situatie van het gezin.
Het tweede lid legt uit wie tot het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders horen. Het college moet bekijken of deze mensen kunnen helpen. Daardoor is hulp van de gemeente misschien niet of minder nodig. Ouders en jeugdigen moeten meewerken aan dit onderzoek.
Ouders moeten eerst gebruikmaken van hulp waarvoor ze verzekerd zijn. Als zij een aanvullende verzekering hebben afgesloten die hulp vergoedt, moeten zij daar eerst een beroep op doen. Ouders zijn niet verplicht om zo’n verzekering af te sluiten, maar als die er al is, moeten ze die wel gebruiken.
De eigen mogelijkheden van ouders en jeugdige zijn het uitgangspunt van de wet. Volgens het Burgerlijk Wetboek (artikel 1:82 en 1:247 BW) zijn ouders verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen.
In het vierde lid staat op welke dingen het college let bij het beoordelen van de eigen mogelijkheden. Dit zijn bijvoorbeeld:
Het college onderzoekt dit zoals beschreven in artikel 5, vijfde lid, van de verordening.
Ook in het vijfde lid wordt verwezen naar het onderzoek zoals bedoeld in artikel 5, vijfde lid. Het college moet goed onderzoeken of ouders in een bepaalde situatie zelf de noodzakelijke hulp kunnen geven.
Alleen als blijkt dat de draagkracht van het gezin niet genoeg is, moet de gemeente hulp geven. Dat geldt ook voor hulp die zwaarder is dan normaal. Als ouders en het netwerk niet in staat zijn om de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente een voorziening treffen.
Bij dit onderzoek kijkt het college of ouders echt niet kúnnen helpen (onmacht), of dat ze misschien gewoon niet wíllen helpen (onwil). Dit verschil is belangrijk voor de beslissing of de gemeente hulp moet geven.
In de wet staat dat jeugdhulp ook kan bestaan uit vervoer van een kind of jongere naar de plek waar hij of zij hulp krijgt.
De hoofdregel is dat ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer (lid 1). Vervoer wordt alleen geregeld als dit echt nodig is. Dat is het geval bij een medische reden of als het kind zichzelf niet goed kan redden (lid 2). Het moet dan gaan om vervoer dat echt nodig is om bij de jeugdhulp te komen.
Het college beslist of er sprake is van zo’n situatie (lid 3). Daarbij kijkt het college of ouders het vervoer niet zelf kunnen regelen. In elke situatie maakt het college een aparte afweging (lid 4).
Als ouders zelf voor vervoer kunnen zorgen, dan hoeft de gemeente dat niet te doen. Dit heet ‘eigen kracht’(zie uitspraak van de rechter op 5 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:655).
Ook geldt dat de gemeente kiest voor de goedkoopste oplossing die goed genoeg is. Dit staat in lid 5.
Kinderen met ernstige dyslexie kunnen jeugdhulp krijgen via de gemeente. Dit is zo bepaald in de wet en bevestigd door de rechter.
De gemeente is alleen verplicht om hulp bij dyslexie te geven als een kind de officiële diagnose ED (Ernstige Dyslexie) heeft gekregen (zie o.a. CRvB 17 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1430).
De hulp wordt pas gestart als het Samenwerkingsverband Primair Onderwijs heeft vastgesteld dat de hulp nodig is. Hierbij wordt het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling gebruikt van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie.
De wet sluit vaktherapie niet uit als vorm van jeugdhulp. Er staat namelijk niet precies welke hulpvormen mogen. De hulp moet passen bij het doel van jeugdhulp: gezond en veilig opgroeien, zelfstandiger worden, jezelf kunnen redden en meedoen in de samenleving.
De gemeente kijkt of vaktherapie echt nodig is en overlegt met een deskundige. Ook houdt de gemeente rekening met professionele richtlijnen.
Sommige vaktherapieën zijn niet wetenschappelijk bewezen en worden ook niet vergoed door de zorgverzekering. In dat geval geeft de gemeente deze hulp meestal niet, behalve als er geen andere goede oplossing is. In het eerste lid staat een lijst van erkende vaktherapieën.
Om goede kwaliteit te garanderen, gelden er voorwaarden:
Er geldt een maximum aantal minuten behandeling. Als de zorgverzekering een aantal sessies vergoedt via een aanvullende verzekering, dan telt dat eerst. De gemeente vergoedt dan minder sessies.
Artikel 14. Kinderopvang en buitenschoolse opvang
In dit artikel staat dat gewone kinderopvang en buitenschoolse opvang geen taak is van de gemeente onder de Jeugdwet. Deze vormen van opvang zijn de verantwoordelijkheid van ouders, werkgevers en de overheid. Het begeleiden van kinderen met een beperking is in eerste instantie een taak van de kinderopvang en de ouders.
Kinderen die extra hulp nodig hebben, kunnen naar een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet kinderopvang. Alleen als een kind vanwege een hulpvraag extra begeleiding nodig heeft, die niet door de opvang of ouders geboden kan worden, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit geldt alleen als het doel niet opvang is, maar bijvoorbeeld hulp bij gedragsproblemen.
De gemeente biedt in die gevallen ook andere vormen van opvang aan, zoals een KDV+, een BSO+ of een medisch kinderdagverblijf.
Artikel 15. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening
De gemeente baseert de beschikking op het onderzoek naar de hulpvraag van het kind of de ouders en op de aanvraag. De beschikking moet duidelijk en goed onderbouwd zijn. Daarom stelt de verordening hier eisen aan.
De eisen in lid 1 staan ook al in de wet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar worden hier nog eens genoemd voor de volledigheid. Het verslag van het onderzoek is belangrijk voor het besluit en de uitleg ervan. Daarom wordt dit verslag bij de beschikking gevoegd.
In de beschikking moet ook staan wie de regiehouder is gedurende het traject. Hiermee wordt bedoeld wie het eerste aanspreekpunt is voor ouders en/of de jeugdige. Daarnaast is diegene ook verantwoordelijk voor de veiligheid van de jeugdige en of iedereen zich aan de gemaakte afspraken houdt.
HOOFDSTUK 5. AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB
In de wet staat dat iemand pas een pgb kan krijgen als hij of zij:
In dit hoofdstuk leggen we uit hoe we dit beoordelen. Ook leggen we uit welke voorwaarden gelden voor het gebruik van een pgb.
Artikel 16. Aanvullende criteria om in aanmerking te komen voor een pgb
Als uit het onderzoek blijkt dat een jongere of ouder recht heeft op jeugdhulp, dan kan hij of zij kiezen tussen zorg van een aanbieder die met de gemeente samenwerkt (zorg in natura), of een pgb. Als men kiest voor een pgb, gelden extra regels.
De gemeente gebruikt een standaard formulier voor een pgb-plan. De jongere of ouder moet dit plan invullen bij de aanvraag. In het plan moet staan:
Het plan moet goed doordacht zijn. De motivatie moet passen bij rechten en plichten die horen bij een pgb.
De wet noemt 3 voorwaarden voor het geven van een pgb. Deze voorwaarden gelden ook in de gemeente Borne. De aanvrager:
Als de gemeente twijfelt aan de betrouwbaarheid van de persoon die de hulp geeft via het pgb, kan de aanvraag worden afgewezen. De gemeente moet kunnen vertrouwen op goede en veilige zorg.
De gemeente moet een pgb weigeren als er een wettelijke reden is om dat te doen. De wet zegt dat alle jeugdhulp, dus ook hulp via een pgb, verantwoord moet zijn. Dat betekent: goede, veilige, doelgerichte en passende hulp.
Een pgb is alleen mogelijk als de aanvrager (of diens vertegenwoordiger) goed weet wat zijn of haar belangen zijn, en de pgb-taken goed kan uitvoeren. De gemeente beoordeelt dit samen met de aanvrager, maar beslist uiteindelijk zelf.
Volgens een rapport van het ministerie van VWS moet een pgb-houder of beheerder de volgende dingen kunnen:
Deze punten zijn verder uitgewerkt in het document ’10 punten pgb-vaardigheid’. Ook moet de aanvrager in het Nederlands met de gemeente kunnen communiceren. Als de aanvrager deze taken niet zelf kan uitvoeren, mag iemand anders dit doen (een budgetbeheerder). Ook deze persoon moet aan alle eisen voldoen.
Soms denkt de gemeente dat iemand de pgb-taken niet goed genoeg kan doen. Bijvoorbeeld in de volgende situaties:
De gemeente bekijkt per situatie of iemand een pgb kan krijgen. Indien een pgb wordt afgewezen, wordt dit altijd goed uitgelegd.
Artikel 18. Onderscheid formele en informele hulp
Bij het bepalen van het pgb-bedrag maken we verschil tussen 2 soorten hulp: formele en informele hulp.
Formele hulp krijgt een hoger pgb-tarief. Informele hulp krijgt een lager tarief, dat is gebaseerd op het wettelijk minimumloon. Dit komt overeen met hoe dit geregeld is in andere wetten zoals de Wet langdurige zorg en de Zorgverzekeringswet.
Professionele hulpverleners die met een pgb werken, moeten geregistreerd zijn in het SKJ- of BIG-register. De inspectie controleert of zij goede kwaliteit leveren.
Bloedverwanten in de 1e graad zijn:
Bloedverwanten in de 2e graad zijn:
Artikel 19. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb
Ook bij hulp via een pgb moet de kwaliteit goed zijn. De hulp moet veilig, nuttig, betaalbaar en passen bij wat de jeugdige of ouder nodig heeft. Deze eisen gelden net als bij hulp in natura (zorg die door de gemeente wordt geregeld). De gemeente kijkt of de pgb-hulp aan de wettelijke eisen voldoet.
Het pgb moet hoog genoeg zijn om goede hulp te kunnen inkopen, ook als deze hulp van iemand uit het sociale netwerk komt.
De tarieven voor het pgb worden elk jaar aangepast, net als bij zorg in natura.
De gemeente stelt de pgb-tarieven vast in aparte regels. Deze tarieven worden in ieder geval één keer per jaar bekendgemaakt.
Artikel 21. Uitgesloten van pgb
Sommige kosten mag je niet betalen met een pgb. Bijvoorbeeld:
Als je deze kosten toch maakt, moet je die zelf betalen.
Wil je het pgb gebruiken tijdens een verblijf in het buitenland? Dan moet je dat eerst melden bij de gemeente en vooraf toestemming vragen.
Is er direct jeugdhulp nodig in een spoedgeval? Dan kun je in het begin nog geen pgb krijgen. Pas na een onderzoek door de gemeente kun je pgb aanvragen.
HOOFDSTUK 6. HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK
De gemeente moet regels maken om te voorkomen dat mensen onterecht een voorziening of pgb krijgen. Ook moet de gemeente kunnen optreden als er sprake is van misbruik.
De gemeente moet de jeugdige en/of ouder goed informeren over:
De jeugdige en/of ouder moet op zijn beurt juiste en volledige informatie aan de gemeente geven. Dat geldt voor pgb en hulp in natura. Ook een wettelijke vertegenwoordiger moet dit doen.
Artikel 23. Niet meewerken ouder(s)
Als ouders niet meewerken aan een onderzoek door de gemeente, mag de gemeente besluiten om:
Artikel 24. Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering
Het college controleert regelmatig of iemand nog recht heeft op een individuele voorziening, zoals een pgb of zorg in natura. Dit staat in de wet. Het college mag hiervoor ook extra regels maken.
Het college kan een voorziening intrekken, aanpassen of tijdelijk stoppen. Dat gebeurt bijvoorbeeld als iemand de voorziening niet meer nodig heeft, of als blijkt dat er verkeerde informatie is gegeven. Intrekken betekent dat de voorziening helemaal stopt vanaf een datum in het verleden. Aanpassen betekent dat het recht op de voorziening veranderd, voor nu of voor vroeger. Het college kijkt altijd goed naar de persoonlijke situatie van de jeugdige of ouder voordat het een besluit neemt. De gevolgen moeten eerlijk en redelijk zijn;
Soms is het beter een betaling uit een pgb tijdelijk te stoppen in plaats van meteen de hele voorziening te beëindigen. Dit kan bijvoorbeeld als er twijfel is of het pgb goed wordt gebruikt. Het college kan dan aan de SVB (sociale verzekeringsbank) vragen om betalingen (tijdelijk) te pauzeren. Het college moet zo’n verzoek goed uitleggen en onderbouwen. De pauze mag maximaal 13 weken duren. Ook bij tijdelijke opname in een instelling kan de betaling worden stopgezet. Het college informeert de pgb-houder hierover schriftelijk. Dit mag alleen er een goede reden is, zoals:
Artikel 25. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s
De inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van jeugdhulp. Het college stelt ook toezichthouders aan die controleren of voorzieningen rechtmatig worden gebruikt.
Soms is er twijfel over de kwaliteit of het juiste gebruik van de hulp. Dan is extra onderzoek nodig, naast de normale controle. Deze controle is vastgelegd in het controleplan.
Het college doet regelmatig onderzoek naar pgb’s. Bijvoorbeeld om te kijken of het geld goed wordt besteed, of de hulp goed is, en of de regels worden gevolgd. Dit kan door het bekijken van dossiers, gesprekken met aanbieders en huisbezoeken. Het onderzoek kan gaan over de pgb-houder of over de aanbieder.
Artikel 26. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik
Het college neemt maatregelen om fraude en misbruik van jeugdhulp te voorkomen. Er wordt gecontroleerd of aanbieders de hulp goed verantwoorden.
Het college kijkt regelmatig of de indicatie nog klopt en of de hulp het gewenste resultaat heeft. Zo blijft de hulp doelgericht en passend.
Er is een meldpunt waar mensen zorgen of vermoedens van misbruik of fraude kunnen melden. Zowel burgers als medewerkers van de gemeente kunnen dit doen. Het meldpunt heet: meldpunt Zorgsignalen en Fraude. Op basis van meldingen kan verder onderzoek worden gedaan.
HOOFDSTUK 7. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN
De gemeente zorgt dat jeugdhulp goed aansluit op andere regelingen, zoals:
Als een jeugdige recht heeft op hulp uit een van deze wetten, dan is de Jeugdwet meestal niet van toepassing. Maar als de problemen meerdere oorzaken hebben en er recht is op hulp uit meerdere wetten, dan moet de gemeente toch hulp bieden via de Jeugdwet.
Hulp die hoort bij het onderwijs, zoals extra begeleiding in de klas of hulp bij leerproblemen, valt niet onder de Jeugdwet. Het onderwijs blijft dan verantwoordelijk.
Als een gedragswetenschapper Ernstige Dyslexie (ED) vaststelt, maar daarvoor géén behandelindicatie afgeeft, dan is geen sprake van jeugdhulp. Dat betekent dat onderwijs in dat geval (ook voor deze jeugdige) verantwoordelijk blijft voor goed lees- en spellingsonderwijs in de klas, eventuele extra begeleiding in de klas en andere interventies. Intelligentietesten die worden afgenomen met als doel het vaststellen van de behoefte aan behandeling van leerstoornissen, huiswerkbegeleiding, remedial teaching of motorische remedial teaching (MRT), begeleiding op school (voor zover gericht op het leerproces), dyscalculie, behandeling stoornis op gebied van leren en begeleiding bij ernstige taal- en spraakmoeilijkheden, vallen evenmin onder jeugdhulp.
Artikel 27. Voorliggende voorzieningen
De gemeente hoeft geen jeugdhulp te geven als iemand al recht heeft op hulp uit een andere wet (zoals de Wet langdurige zorg, Zorgverzekeringswet of Justitiële jeugdzorg). Als iemand de jeugdhulp aanvraagt terwijl hij eigenlijk bij een andere instantie moet zijn, dan verwijst de gemeente door. Zo weet iedereen waar hij terecht kan. Bij een verwijzing naar de Wlz krijgt de jeugdige of ouder ook hulp van een cliëntondersteuner bij het regelen van de aanvraag.
Artikel 28. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
Als een jeugdige of ouder hulp vraagt op basis van deze wet, moet de gemeente goed afstemmen met andere soorten hulp. Denk aan zorg, onderwijs, werk, inkomen en andere hulp vanuit de gemeente. Het doel is om samen te zorgen dat het goed gaat met de jeugdige en het gezin.
Als hulp uit deze wet niet genoeg is, moet er op tijd worden overgestapt op andere hulp. Jongeren mogen niet ineens zonder hulp komen te zitten (bijvoorbeeld wanneer een jeugdige 18 wordt en soms moet overstappen naar de Wmo). De gemeente moet ervoor zorgen dat jongeren en hun ouders de juiste hulp krijgen.
In dit lid staan wetten genoemd die ook hulp kunnen bieden naast jeugdhulp. De gemeente moet hiermee rekening houden. De lijst is niet compleet: er kunnen dus ook andere wetten gelden.
Deze leden leggen uit wat het doel is van afstemmen: de hulp goed op elkaar laten aansluiten. De gemeente moet hierbij actief meewerken.
De gemeente kan alleen afstemmen als de jeugdige of ouder meewerkt. Werkt iemand niet mee, dan kan het onderzoek naar jeugdhulp stoppen. Ook kan de hulp dan worden geweigerd. De gemeente kijkt wel altijd eerst naar de reden waarom iemand niet meewerkt.
Hierin staat wat de gemeente moet doen als een jongere bijna 18 jaar wordt. Dan moet er op tijd gekeken worden of er andere hulp nodig is. Dit begint al als een jongere 16 is. Zo zorgen we dat jeugdigen niet zonder hulp komen te zitten als ze dit nog wel nodig zijn.
HOOFDSTUK 8. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT
Artikel 29. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
De gemeente kan jeugdhulp laten uitvoeren door andere organisaties. Dat staat in de wet. Als dat gebeurt moet de gemeente ervoor zorgen dat:
De mensen die de hulp geven moeten deskundig zijn en goede arbeidsvoorwaarden hebben.
De wet schrijft voor hoe de gemeente een eerlijke prijs moet bepalen. Die regels staan in het Besluit Jeugdwet. De gemeente moet deze regels volgen bij het inkopen van jeugdhulp of het geven van subsidies. Als een aanbieder de hulp uitbesteedt aan een andere organisatie, moet die ook een eerlijke prijs betalen. Dit moet ook in de afspraken (contracten of subsidievoorwaarden) staan.
Artikel 30. Integriteitstoets zorgaanbieders
De gemeente wil alleen samenwerken met jeugdhulpaanbieders die eerlijk, betrouwbaar en van goede kwaliteit zijn.
Daarom worden er twee soorten controles gedaan voordat er een contract wordt gesloten:
De uitslag van deze toetsen is bindend. Als de uitkomst negatief is, krijgt de aanbieder geen contract met de gemeente.
Om zeker te weten dat aanbieders betrouwbaar blijven werken, wordt er minimaal eens per 3 jaar opnieuw gecontroleerd. Dit kan ook eerder gebeuren als er signalen zijn dat er iets mis is.
Voldoet een aanbieder bij deze controle niet meer aan de eisen? Dan kan de gemeente het contract stoppen en de aanbieder uitsluiten van toekomstige opdrachten.
HOOFDSTUK 9. KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP
Iedereen mag een klacht indienen bij de gemeente. Dat staat al in de wet (de Algemene wet bestuursrecht). Die wet regelt hoe de gemeente met klachten moet omgaan.
Als iemand niet tevreden is over hoe hij of zij door de gemeente is behandeld, kan diegene een klacht indienen. Meestal gaat het bij klachten over jeugdhulp om de hulpverlener of organisatie die de hulp geeft. In dat geval moet de klacht daar worden ingediend.
Als de klacht niet over de hulpverlener gaat, maar over iemand van de gemeente, of als de organisatie de klacht niet goed oppakt, dan kan de gemeente de klacht behandelen. Ook als iemand afhankelijk is van de hulpverlener, kan het beter zijn om bij de gemeente te klagen.
Artikel 32. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
In dit artikel staat hoe inwoners kunnen meedenken over het beleid van de gemeente voor jeugdhulp.
De wet zegt dat gemeenten dit goed moeten regelen. Inwoners moeten kunnen meedenken over hoe de wet wordt uitgevoerd. De gemeente bepaalt zelf hoe dit precies wordt geregeld.
De gemeente moet regelmatig onderzoeken hoe het beleid werkt. Dit staat in de wet.
Daarom wordt er elk jaar een onderzoek gedaan onder jongeren en ouders die jeugdhulp krijgen. Zij mogen vertellen wat zij van de hulp vinden. De resultaten van dit onderzoek helpen de gemeente om de jeugdhulp te verbeteren.
Artikel 35. Overgangsrecht, intrekking van de oude verordening
Als er iets verandert in de regels, mag dit niet nadelig zijn voor mensen die al hulp kregen.
Daarom zijn er overgangsregels. Dit betekent:
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-442551.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.