Gemeenteblad van Heemstede
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Heemstede | Gemeenteblad 2025, 440088 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Heemstede | Gemeenteblad 2025, 440088 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning Heemstede 2025
Deze uitvoeringsregels geven uitvoering aan de geldende Verordening maatschappelijke ondersteuning (in het vervolg te noemen ‘de verordening’). Het beleid is erop gericht de zelfredzaamheid en participatie van inwoners met een beperking te bevorderen en daar waar nodig ondersteuning te bieden. Met de ondersteuning wordt beoogd eraan bij te dragen dat (kwetsbare) inwoners zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Er wordt daarbij nadrukkelijk uitgegaan van de eigen kracht van de inwoners. Pas als de inwoner vanuit de eigen kracht, met de inzet van gebruikelijke zorg, sociaal netwerk, wettelijk voorliggende voorzieningen of algemene voorzieningen niet voldoende kan worden ondersteund, kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt.
Maatwerkvoorzieningen worden in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo) gedefinieerd als ‘op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van:
Het college voorziet in de behoefte aan Beschermd wonen en opvang voor:
De maatschappelijke opvang valt op dit moment onder de verantwoordelijkheid van de centrumgemeente Haarlem. Medio 2026 wordt landelijk besloten of en wanneer de maatschappelijk opvang verder wordt gedecentraliseerd en dit een lokale taak voor alle gemeenten wordt.
Daarnaast voorziet het college in de behoefte aan noodopvang voor inwoners die dakloos zijn geraakt door omstandigheden als schulden, het verlies van een baan of het verliezen van een verblijfplaats door het beëindigen van een relatie (economisch dakloos). Deze opvang valt niet onder de Wmo 2015. Het college heeft ervoor gekozen om buitenwettelijk begunstigend beleid hiervoor vast te stellen. De mogelijke begeleiding die economisch daklozen kunnen ontvangen valt wel onder de Wmo. De toegang tot deze begeleiding is belegd bij de uitvoering van de Wmo.
De toegangsprocedure tot een maatwerkvoorziening is vastgelegd in de Wmo en uitgewerkt in de verordening. Het college brengt samen met de inwoner met een ondersteuningsbehoefte (cliënt) zijn situatie in kaart. Op basis daarvan wordt bepaald op welke wijze de zelfredzaamheid en/of participatie kunnen worden versterkt. Deze procedure leidt tot het waar nodig bieden van passende ondersteuning.
In de verordening heeft de gemeenteraad de regels vastgesteld voor de uitvoering van het beleid door het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college). De verordening is daarmee een essentieel document voor de concrete uitwerking van het beleid met betrekking tot ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie, Beschermd wonen en Maatschappelijke opvang.
In het Besluit maatschappelijke ondersteuning (hierna: het Besluit) is vastgelegd hoe de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt bepaald en gedurende welke periode een cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd is.
De uitvoeringsregels zijn een uitwerking van de opdracht die de gemeenteraad bij verordening bij het college heeft neergelegd. In deze regels is ook de procedure voor toegang tot maatwerkvoorzieningen uitgewerkt. Ook zijn hierin de criteria met betrekking tot de verstrekking, de vorm en de aanvullende bepalingen per maatwerkvoorziening opgenomen.
Bij de uitwerking in deze uitvoeringsregels is rekening gehouden met het feit dat er maatwerk moet worden geleverd. Dit betekent dat het niet mogelijk is om in alle gevallen tot in detail vast te leggen hoe het college in concrete situaties zal handelen.
Hoofdstuk 2 De toegangsprocedure
In dit hoofdstuk wordt de procedure beschreven die wordt doorlopen om tot een oplossing van de hulpvraag van de cliënt te komen. Hiermee wordt een uniforme werkwijze vastgelegd en weet de cliënt wat hij van het college kan verwachten.
Een zorgvuldige toegangsprocedure dient te worden doorlopen om de hulpvraag van een cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen. Daarbij is het van belang wat de situatie van de cliënt was voordat er sprake was van een hulpvraag. De situatie van inwoners in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen hulpvraag hebben, wordt daarbij meegewogen. De ondersteuning is beperkt tot dat wat noodzakelijk is voor de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt.
Een melding kan door of namens een cliënt worden gedaan. De cliënt kan zijn hulpvraag op verschillende manieren melden. Hij kan dit persoonlijk doen, maar ook telefonisch, schriftelijk of per e-mail. Met een melding maakt een cliënt duidelijk dat hij belemmeringen ervaart in zijn zelfredzaamheid en/of participatie, of dat hij behoefte heeft aan Beschermd wonen of opvang.
Nadat een cliënt contact heeft opgenomen, wordt door een Wmo-consulent beoordeeld of sprake is van een melding. Als dat het geval is zorgt de loketmedewerker ervoor dat een onderzoek wordt gestart.
De cliënt wordt erop gewezen dat hij recht heeft op onafhankelijke cliëntondersteuning. Ook wordt hij geïnformeerd over de mogelijkheid om binnen zeven dagen na de melding een persoonlijk plan in te dienen. In dat plan omschrijft de cliënt welke beperkingen worden ervaren op het gebied van zelfredzaamheid en/of participatie. Daarnaast beschrijft de cliënt in het plan welke ondersteuning hij het meest passend vindt om de eerder beschreven beperkingen op een zo goedkoop mogelijke adequate manier te compenseren. Ook vraagt de medewerker de cliënt bij het eerste fysieke contact om een geldig identiteitsbewijs (zie artikel 2.3.4 van de Wmo).
Het buiten behandeling stellen van de aanvraag (bijvoorbeeld omdat de aanvraag niet compleet is) kan op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad om de aanvraag binnen de gestelde termijn aan te vullen.
In artikel 2.3.2 van de Wmo is bepaald dat het college, na een melding, binnen zes weken onderzoek doet. Als de termijn lijkt te worden overschreden wordt de cliënt, schriftelijk geïnformeerd over opschorting van de onderzoekstermijn. Wanneer er sprake is van een spoedsituatie (zie artikel 2.3.3 van de Wmo) wordt het onderzoek met voorrang uitgevoerd.
Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek en vindt in principe plaats op het woon- of verblijfsadres van de cliënt. Een cliënt kan zich tijdens het gesprek laten bijstaan door iemand uit zijn eigen omgeving en/of een cliëntondersteuner. Als de cliënt een persoonlijk plan heeft ingebracht zal dit worden besproken.
Tijdens het gesprek worden voor zover relevant de volgende leefgebieden besproken:
Gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag moeten aan het college worden verschaft. Hierbij kan worden gedacht aan medische gegevens, maar ook aan financiële gegevens. Gegevens mogen uitsluitend worden opgevraagd met toestemming van de cliënt.
Voor het onderzoeken van de ondersteuningsbehoefte wordt het stappenplan Wmo van de Centrale Raad van Beroep gehanteerd (uitspraak van 21 maart 2018 met kenmerk ECLI:NL:CRVB:2018:819). Bij het onderzoek kan de systematiek zoals neergelegd in de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments1, de zogenaamde ICF-classificatie, als leidraad gebruikt worden voor het in kaart brengen van de belemmeringen. Van de ICF zijn met name de lijsten met “functies” en “activiteiten en participatie” van belang. Dit kan bijdragen aan het verkrijgen van een zo volledig mogelijk beeld van het functioneren van de cliënt. Als de beperkingen medisch niet voldoende kunnen worden geobjectiveerd kan het college een door hen daartoe aangewezen instantie om advies vragen.
In het onderzoek wordt vastgesteld of de hulpvraag binnen de reikwijdte van de Wmo valt. Er wordt onderzoek gedaan naar:
Als de hulpvraag duidelijk is en als is vastgesteld dat deze onder de reikwijdte van de Wmo valt, is het van belang samen met de cliënt en/of zijn mantelzorger te bepalen wat het gewenste te behalen resultaat is. Er wordt gekeken welke mogelijkheden er zijn voor de cliënt om zelf een oplossing te vinden voor zijn hulpvraag (bijvoorbeeld door gebruik te maken van een algemeen gebruikelijke voorziening, algemene voorzieningen, het eigen netwerk of beschikbare vrijwilligers).
Bij het zoeken naar mogelijke oplossingen wordt gebruik gemaakt van het afwegingskader. Het afwegingskader bestaat uit de toepassing van de criteria zoals deze zijn geformuleerd in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 (de maatwerkvoorzieningen) zijn, voor zover van toepassing, aanvullende criteria opgenomen.
Bij de integrale afweging voor het bepalen van de ondersteuningsbehoefte wordt nagegaan wat voor het behalen van de gewenste resultaten mogelijk is op basis van het stappenplan Wmo van de Centrale Raad van Beroep gehanteerd (uitspraak van 21 maart 2018 met kenmerk ECLI:NL:CRVB:2018:819):
Als bovenstaande mogelijkheden niet passend en toereikend worden geacht door het college om tegemoet te komen aan de hulpvraag en geen sprake is van een voorliggende voorziening, kan een maatwerkvoorziening worden ingezet.
2.4 Verslag van het onderzoek en aanvraag
Van het onderzoek wordt een gespreksverslag gemaakt. Het verslag is in ieder geval voorzien van een meldings- en gespreksdatum, NAW-gegevens en het Burgerservicenummer. Het verslag bevat een weergave van de hulpvraag en de mogelijke oplossingen.
Het college verstrekt de cliënt een afschrift van het gespreksverslag om de cliënt in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening en/of bij verordening aangewezen algemene voorziening. De cliënt heeft de mogelijkheid opmerkingen aan het verslag toe te voegen.
Een retour ontvangen ondertekend verslag wordt aangemerkt als aanvraag voor de inzet van een maatwerkvoorziening en/of bij verordening aangewezen algemene voorziening. De datum van de aanvraag is de datum waarop het college het door de cliënt ondertekende gespreksverslag heeft ontvangen. Als de cliënt wil dat de maatwerkvoorziening voor diensten in de vorm van een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) wordt verstrekt, wordt bij de aanvraag ook een pgb-ondersteuningsplan ingediend (zie verder hoofdstuk 5).
Bij aanvraag van een maatwerkvoorziening ontvangt de aanvrager uiterlijk 2 weken na de aanvraag een schriftelijke beslissing in de vorm van een beschikking als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Als de termijn lijkt te worden overschreden wordt de aanvrager, overeenkomstig het bepaalde in de Awb, schriftelijk geïnformeerd over opschorting van de beslistermijn.
Ook wordt in de beschikking opgenomen wat de ingangsdatum van het pgb is. In de beschikking kan ter onderbouwing van het wel of niet toekennen van een voorziening worden verwezen naar het onderzoeksverslag.
2.7 Beëindiging, intrekking en herziening van een voorziening
Beëindiging van een voorziening ligt in een nabije of verder gelegen toekomst op grond van wijzigingen die tijdig zijn aangekondigd of tijdig zijn te voorzien, dan wel in situatie van verhuizen of overlijden.
Intrekking vindt plaats met terugwerkende kracht op grond van feiten die eerst achteraf konden worden geconstateerd en die, als ze eerder bekend zouden zijn geweest, niet tot een toekenning of tot een eerdere beëindiging van de voorziening zouden hebben geleid. Bijvoorbeeld wanneer de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden waaronder de maatwerkvoorziening wordt verstrekt.
Herziening vindt plaats als sprake is van gewijzigde omstandigheden of omdat sprake is van een foutief besluit. Herziening van een voorziening kan zowel vooruit in de tijd als met terugwerkende kracht plaatsvinden.
2.9 Voorwaarden en weigeringsgronden
Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt (volgens artikel 7, eerste lid tot en met vierde lid van de verordening):
Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:
als de cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd of de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd. Een uitzondering kan worden gemaakt wanneer:
sprake is van een acute noodsituatie2; en
als de gevraagde voorziening al eerder aan de cliënt is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt;
Hoofstuk 3 Criteria voor maatwerkvoorzieningen
Een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt als blijkt dat een persoon niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met hulp uit zijn sociale netwerk of met wettelijk voorliggende of algemene voorzieningen, in staat is tot participatie of zelfredzaamheid. De maatwerkvoorziening vormt het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. In dit hoofdstuk komen de criteria aan de orde die van belang zijn om te bepalen of een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening.
Zelfredzaamheid wordt in de Wmo gedefinieerd als in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Zelfredzaamheid is van belang om zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen blijven wonen zonder dat zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg noodzakelijk is.
Dit impliceert niet dat iemand steeds zelf in staat is deze handelingen te verrichten. De zelfredzaamheid kan ook worden versterkt door huisgenoten, het sociaal netwerk, een mantelzorger of een vrijwilliger die ondersteunende taken verricht. Ook kan het gebruik van algemene voorzieningen de zelfredzaamheid bevorderen.
Algemene dagelijkse levensverrichtingen zijn handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten.
Om de zelfredzaamheid te waarborgen wordt in het onderzoek rekening gehouden met algemene dagelijkse levensverrichtingen, zoals:
Participatie wordt in de Wmo gedefinieerd als deelnemen aan het maatschappelijke verkeer. Dit houdt in dat iemand, ondanks zijn geestelijke of lichamelijke beperkingen in zijn eigen leefomgeving in staat moet zijn contacten te onderhouden, boodschappen te doen en deel te nemen aan het maatschappelijke verkeer.
Met eigen kracht wordt bedoeld de mogelijkheid van een cliënt zelf bij te dragen aan zijn zelfredzaamheid of participatie. Zowel op het moment dat een cliënt al een belemmering heeft als daarvoor. Van een cliënt mag worden verwacht dat hij anticipeert op een levensfase waarin belemmeringen niet ongebruikelijk meer zijn.
Een cliënt wordt gestimuleerd zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten. Voor het inzicht krijgen in de eigen kracht van de cliënt zijn de volgende punten van belang:
Door de cliënt te wijzen op zijn eigen mogelijkheden wordt hij gestimuleerd eigen talenten in te zetten om een oplossing voor zijn beperkingen te vinden. Een ondersteuningsvraag kan mogelijk worden opgelost met het zelf aanschaffen van een algemeen gebruikelijke voorziening of door ondersteuning van personen uit het sociaal netwerk.
3.6 Sociaal netwerk/mantelzorg
Het begrip sociaal netwerk is in de Wmo 2015 omschreven als personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Geïnventariseerd wordt of het sociale netwerk van een cliënt (een deel van) de ondersteuning kan bieden of organiseren.
In de begripsomschrijvingen in de Wmo 2015 is mantelzorg omschreven als hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, Beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.
Mantelzorg overstijgt in omvang, duur en intensiteit het niveau van gebruikelijke hulp. De mate waarin mantelzorgers in staat en bereid zijn een deel van de ondersteuning te bieden is bepalend voor de hoeveelheid professionele zorg die wordt toegekend. Hierbij wordt rekening gehouden met de draagkracht van de mantelzorger. De draagkracht is niet voor iedereen gelijk. Verschillen worden in belangrijke mate bepaald door de persoonlijke omstandigheden van de mantelzorger, zoals leeftijd, gezondheid en gezinssituatie. Tijdens het onderzoek kan de mantelzorger aangeven welke ondersteuning hij nodig heeft om de mantelzorg te kunnen bieden.
Maatwerkvoorzieningen worden alleen verstrekt wanneer deze langdurig noodzakelijk zijn. Hierbij is minimaal 6 maanden als uitgangspunt genomen omdat er 2x3 maanden een beroep gedaan kan worden op tijdelijke voorzieningen vanuit de Zorgverzekeringswet.
Wanneer de beperkingen langer dan 6 maanden duren maar er is nog behandeling mogelijk, dan is dit voorliggend op het verstrekken van een maatwerkvoorziening en kan dit een grond zijn om de aanvraag af te wijzen.
Feitelijk hoofdverblijf hebben in de gemeente betekent dat een cliënt daadwerkelijk het grootste gedeelte van de tijd in de gemeente verblijft (feitelijk verblijf). In principe staat de cliënt ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) van de gemeente waar hij zijn feitelijk hoofdverblijf heeft. Hier zijn uitzonderingen op mogelijk bijvoorbeeld bij tijdelijk verblijf in een instelling.
Een voorwaarde om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen is dat een cliënt zijn feitelijk hoofdverblijf heeft in de gemeente.
Als een cliënt kan aantonen dat hij op korte termijn in de gemeente gaat wonen kan zijn melding, ook al is hij nog niet ingeschreven in het GBA, in behandeling worden genomen. Wel moet dan worden afgesproken binnen welke termijn de inschrijving in het GBA geregeld moet zijn.
De voorwaarde dat een client zijn feitelijke hoofdverblijf heeft in de gemeente, geldt niet voor een maatwerkvoorziening in het geval van maatschappelijke opvang en beschermd wonen. Hiervoor geldt dat de cliënt een ingezetene van Nederland moet zijn.
Een voorliggende voorziening is een algemene voorziening of andere voorziening die gezien haar aard en doel, geacht wordt passend en toereikend te zijn om tegemoet te komen aan de hulpvraag. Voorbeelden van dergelijke voorzieningen zijn de Wet op de langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet. Wanneer het college op basis van onderzoek de inschatting maakt dat op basis van de beperking en de hulpvraag sprake is van een voorliggende voorziening, bijvoorbeeld Wlz, komt iemand niet in aanmerking voor ondersteuning vanuit Wmo.
Als iemand al gebruik maakt van een Wmo voorziening, loopt de voorziening voor een redelijke termijn door zodat een aanvraag voor een andere regeling doorlopen kan worden.
3.10 Goedkoopst adequate voorziening
De verstrekking van maatwerkvoorzieningen is altijd gebaseerd op de goedkoopst adequate voorziening. Er zijn vaak meerdere geschikte oplossingen, maar er wordt gekozen voor de oplossing die naar objectieve maatstaven de goedkoopste is. Als een belanghebbende een duurdere voorziening wenst (die eveneens adequaat is), kan de goedkoopst adequate voorziening in de vorm van een pgb worden verstrekt. De belanghebbende moet dan wel aan de voorwaarden voldoen om in aanmerking te komen voor een pgb. De meerkosten voor de duurdere voorziening komen dan voor zijn rekening
3.11 Algemeen gebruikelijke voorziening
Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover iemand, ook los van de beperking, zou kunnen beschikken. Algemeen gebruikelijke voorzieningen komen niet voor verstrekking vanuit de Wmo in aanmerking. Een algemeen gebruikelijke voorziening bestaat uit voorzieningen die (volgens artikel 1 van de verordening):
Er wordt beoordeeld of een algemeen gebruikelijke voorziening of dienst ook voor de gebruiker een algemene voorziening of dienst is. Bij het beoordelen hiervan moet rekening gehouden worden met de individuele situatie van de cliënt. Daarbij moet ook rekening gehouden worden met de kosten van een voorziening. Bij de aanschaf hoeft niet uitgegaan te worden van de nieuwprijs en kan ook gekeken worden naar tweedehands oplossingen, zoals bijvoorbeeld bij een elektrische fiets.
Om te bepalen of een voorziening financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau (en daarmee algemeen gebruikelijk is) vindt er een berekening plaats. Er wordt berekend of de kosten van de voorziening binnen een termijn van 36 maanden, bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, kan worden gedragen (zie het Besluit). Wanneer de kostprijs van de voorziening onder het normbedrag uitkomt is de voorziening algemeen gebruikelijk. Wanneer de cliënt aangeeft de kosten niet te kunnen dragen kan onderzocht worden of bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening mogelijk is. Als de kostprijs van de voorziening boven het normbedrag uitkomt wordt het totale bedrag voor de voorziening toegekend. Er mag geen drempelbedrag gehanteerd worden.
3.12 Lijst algemeen gebruikelijke voorzieningen
Er is geen uitputtende lijst van voorzieningen en diensten die algemeen gebruikelijk zijn. In ieder geval worden als algemeen gebruikelijk aangemerkt:
renovatie van badkamer en keuken3;
Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen
Als een cliënt beperkingen ondervindt bij het normale gebruik van een woning kan hij in aanmerking komen voor een woonvoorziening.
Het doel van de aanpassing is beperkingen bij het normale gebruik van de woning te verminderen. Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletbezoek, het bereiden en consumeren van voedsel, en de toe- en doorgankelijkheid van de woning. Als het kinderen betreft komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woonruimte (de tuin wordt hier ook onder begrepen).
Geen woonvoorziening wordt verstrekt (volgens artikel 7, vijfde lid, van de verordening) als:
als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;
4.1.4 Soorten woonvoorzieningen
De volgende woonvoorzieningen kunnen worden verstrekt:
Ad a. een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening (roerend);
De keuze voor een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening (ook wel een losse woonvoorziening) hangt af van de bouwkundige situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen en belemmeringen. Bij het verstrekken van een woonvoorziening gaat men uit van de goedkoopst adequate voorziening. Om die reden zal er eerst gekeken worden of een niet bouwtechnische voorziening passend is in plaats van een bouwtechnische voorziening. Voorbeelden van losse woonvoorzieningen zijn een tillift, badlift, (verrijdbare) douche/toiletstoel en een douchestretcher
Ad b. een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening (onroerend);
De keuze voor een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening (ook wel een nagelvaste of onroerende woonvoorziening) hangt af van de bouwkundige situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen en belemmeringen. Bij het verstrekken van een woonvoorziening gaat men uit van de goedkoopst adequate voorziening. Voorbeelden van onroerende woonvoorzieningen zijn een vast douchezitje, , realiseren stroompunt voor een scootmobiel, toegankelijkheid woning/berging door straatwerk.
Ad c. onderhoud, keuring en reparatie van een woonvoorziening
Voor woonvoorzieningen die in bruikleen zijn verstrekt heeft het college afspraken gemaakt met de betreffende leveranciers.
Voor de kosten van onderhoud, keuring en reparatie van een woonvoorziening die in eigendom is verstrekt, kan een pgb worden verstrekt zoals omschreven in het Besluit. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen pgb op basis van het huurtarief in natura en pgb op basis van een offerte:
In beide gevallen wordt het pgb verstrekt voor de duur van zes jaar. Wanneer de voorziening na zes jaar niet is afgekeurd, middels een afkeuringsrapport, kunnen de kosten voor onderhoud, keuring en reparatie na afloop van de pgb-termijn gedeclareerd worden bij de Wmo. Het is ook mogelijk dat er een pgb wordt verstrekt op basis van offerte, zonder onderhoud, keuring en reparatie. Dit pgb wordt niet voor zes jaar afgegeven.
De kosten van onderhoud, keuring en reparatie van een voorzieningen die vanuit de Wmo verstrekt zijn in algemene ruimten kunnen worden betaald vanuit de Wmo, of door de vereniging van eigenaren (VVE) of woningbouw. Nadere afspraken hierover worden met de betreffende partij gemaakt.
Voor de kosten in verband met tijdelijke huisvesting kan een voorziening worden verstrekt gelijk aan de werkelijke kosten met een maximum van de grens voor de huurtoeslag. De voorziening kan worden verstrekt voor de woning met de laagste woonlasten en wordt uitsluitend verleend voor de periode dat de aan te passen woonruimte ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet kan worden bewoond en de belanghebbende als gevolg daarvan voor dubbele woonlasten komt te staan.
Als een verhuurder, op verzoek van het college, een aangepaste woning aanhoudt in afwachting van toewijzing aan een persoon met beperkingen kan een voorziening worden verstrekt voor huurderving. De hoogte van de voorziening bedraagt niet meer dan de kale huur van de woonruimte voor de duur van maximaal 6 maanden. De eerste maand huurderving komt voor rekening van de verhuurder aangezien dit gebruikelijk is.
De uitraasruimte is een uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen uitsluitend worden verstrekt in relatie tot het normale gebruik van de woning. Dit is een verblijfsruimte waarin een persoon, die ten gevolge van een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige en prikkelarme ruimte.
Op basis van deskundigenadvies zal worden vastgesteld aan welke eisen de uitraasruimte moet voldoen. Waar mogelijk zullen bestaande ruimten worden aangepast.
De uitraasruimte is uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor huisgenoten te beperken.
4.1.6 Kosten van woningaanpassingen.
De volgende kosten kunnen worden vergoed:
Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom, met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in De Nieuwe Regeling (DNR). Alleen in gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen.
Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden de normen aangehouden zoals die zijn vastgelegd in het Handboek voor Toegankelijkheid.
In geval van aanpassing van verharde paden komt er maximaal 20 m2 voor een bijdrage in aanmerking.
4.1.8 Gemeenschappelijke ruimten
Het college kan een woonvoorziening verstrekken voor het treffen van de volgende voorzieningen aan een gemeenschappelijke ruimte als de woonruimte zonder deze voorzieningen voor de belanghebbende ontoegankelijk blijft:
In het gespreksverslag worden, in overleg met de cliënt, de contactgegevens van de VVE opgenomen.
Het college verstrekt geen voorziening voor het treffen van voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van gebouwen voor ouderen en/of personen met beperkingen. De plaatsing van voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten is volgens het geldende Besluit bouwwerken en leefomgeving. Dit betekent dat trapliften in gemeenschappelijke ruimten niet worden verstrekt vanuit de Wmo.
Bij verstrekking van bovengenoemde voorziening wordt de voorziening op naam gezet van de aanvrager. Bij overlijden of verhuizen zijn de volgende opties mogelijk:
In uitzonderlijke gevallen kan het college het onderhoudscontract doorbetalen, wanneer de verwachting is dat binnen redelijke termijn een andere bewoner gebruik moet maken van de voorziening.
4.1.9 Woonvoorziening in een Wlz-instelling
Mobiliteitshulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen voor bewoners van een Wlz-instelling worden verstrekt vanuit de Wlz.
Mobiliteitshulpmiddelen zijn: (elektrische) rolstoelen, aangepaste fietsen, scootmobielen, aangepaste wandelwagen/buggy’s en aangepaste autostoeltjes voor kinderen.
Roerende voorzieningen zijn hulpmiddelen voor zorg en wonen die door meerdere personen gebruikt kunnen worden, zoals tilliften en douchestoelen. Deze voorzieningen worden onderdeel van de inventaris van zorginstellingen.
Voor Wlz gerechtigde-cliënten die zelf de woonlasten betalen of ze nu zelfstandig in een huis wonen of in een geclusterde woonvorm, vallen de mobiliteitshulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen onder de verantwoordelijkheid van de Wmo. In geclusterde woonvoorzieningen is het vaak niet nodig en niet wenselijk dat iedere cliënt een eigen tillift, douchestoel of scootmobiel heeft. Het ligt in de rede dat hierover met de woonvorm afspraken worden gemaakt.
4.1.10 Feitelijk hoofdverblijf en bezoekbaar maken
Een voorziening wordt alleen verstrekt als de aanvrager zijn feitelijk hoofdverblijf heeft in de gemeente of zal hebben in de woonruimte waar de voorziening wordt getroffen.
In uitzonderingssituaties kan er sprake zijn van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan:
kinderen met een beperking, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden. Het is een vereiste dat de ouder(s) het feitelijk hoofdverblijf hebben in de gemeente. In situaties waarin sprake is van bezoekregelingen is dit niet mogelijk. Het co-ouderschap zal door middel van een convenant/rechtelijke uitspraak moeten worden aangetoond.
Als een belanghebbende zijn feitelijk hoofdverblijf heeft in een erkende instelling op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen kan uitsluitend een voorziening worden verstrekt voor het bezoekbaar maken van één woonruimte. Onder bezoekbaar maken wordt verstaan het kunnen bereiken van de woonkamer en het kunnen bereiken en gebruiken van een toilet(voorziening).
Als vaststaat dat een woning, als gevolg van beperkingen bij het normale gebruik van de woning moet worden aangepast, wordt eerst beoordeeld of verhuizing naar een al aangepaste woning, of naar een goedkoper aan te passen woning, een oplossing is. Dit geldt niet als de kosten van de te treffen woonvoorzieningen (nu en voorzienbaar) het bedrag, genoemd in het Besluit, naar verwachting redelijkerwijs niet zullen overschrijden.
Er zijn grenzen aan het hanteren van het primaat van verhuizing, met name op het gebied van de woonlasten, het tijdsbestek waarbinnen een oplossing kan, dan wel moet worden gevonden en de verhouding tussen de besparing van het college bij toepassing van het primaat en de negatieve gevolgen voor de aanvrager. In de individuele situatie zullen alle relevante factoren worden gewogen.
Uit het onderzoek blijkt binnen welke aanvaardbare termijn een oplossing voor het woonprobleem moet zijn gevonden. Aan de hand daarvan wordt beoordeeld of verhuizen een adequate oplossing is.
Sociale en emotionele omstandigheden
Sociale en emotionele omstandigheden waarmee het college rekening houdt zijn onder meer de binding van de aanvrager met de huidige woonomgeving, het sociale netwerk en de nabijheid van voor de aanvrager belangrijke voorzieningen. De sociale omstandigheden moeten zoveel mogelijk worden geobjectiveerd.
In geval de aanvrager zijn werk ‘aan huis’ heeft (eigen bedrijf), dienen de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant te worden meegewogen.
Woonlasten en financiële draagkracht
Het college maakt een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de eventuele nieuwe woning. Alle relevante woonlasten worden daarbij in aanmerking genomen, rekening houdend met de actuele situatie op de woningmarkt. Een toename van de woonlasten is acceptabel als die past bij het (gezins)inkomen.
Aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte
Het college maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. In de overwegingen kunnen de volgende kosten worden meegenomen:
De mogelijke gebruiksduur van de aanpassing
Aangepaste sociale huurwoningen kunnen opnieuw worden verhuurd aan personen met een beperking, waardoor de gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de afweging een rol.
Na afweging van deze factoren wordt een beslissing genomen over het al dan niet hanteren van het primaat van de verhuizing. Als het primaat van verhuizing wordt toegekend, maar de aanvrager wil niet verhuizen, kan de aanvrager niet in aanmerking komen voor een woningaanpassing.
4.1.13 Verhuis- en herinrichtingskosten
Wanneer er sprake is van een onvoorzienbare verhuizing als het gevolg van beperkingen, kan voor de kosten van verhuis- en herinrichting een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Zie hoofdstuk 6. De hoogte van de tegemoetkoming staat vermeld in het Besluit.
Een verhuisverklaring kan worden afgegeven wanneer vastgesteld is dat cliënt als gevolg van zijn beperkingen belemmeringen ondervindt in het normaal gebruik van de woning. Gezien de aard van de aandoening is de cliënt in de (nabije) toekomst aangewezen op een gelijkvloerse woning die tenminste moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
De verklaring geeft de cliënt gelegenheid in te schrijven op Wmo gelabelde woning bij de woningbouwvereniging. Het geeft de cliënt voorrang op een sociale huurwoning. Wanneer een sociale huurwoning is gevonden moet, voor het tekenen van de huurovereenkomst, contact met het college worden opgenomen om te beoordelen of de woning voldoet aan de voorwaarden.
De cliënt krijgt de mogelijkheid bij het zoeken naar een voor hen passende woning om in plaats van de maatwerkvoorziening verhuisverklaring te kiezen voor de voordelen van de regeling ‘Ouder worden prettig wonen’. Verhuis- en inrichtingskosten kunnen ook (op aanvraag) worden verstrekt wanneer gebruik wordt gemaakt van de regeling Ouder worden prettig wonen.
4.1.15 Woningsanering in verband met luchtwegaandoeningen
Men kan in aanmerking komen voor een voorziening voor woningsanering die als gevolg van allergie, astma of chronische bronchitis (COPD) noodzakelijk is. Sanering is alleen mogelijk als er een duidelijke medische noodzaak is. De noodzaak voor het verstrekken van een vergoeding wordt mede bepaald in relatie tot het leefpatroon, de woninginrichting en de ventilatiemogelijkheden. Hierbij valt te denken aan maatregelen met betrekking tot:
Verwacht wordt dat de betrokkene zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen aan het programma van eisen voor de woninginrichting zal houden. Bij een verhuizing geldt dit ook. Ook mag worden verwacht dat betrokkenen zelf maatregelen treffen ter voorkoming van aandoeningen aan de luchtwegen.
In de regel kan een voorziening worden verstrekt als:
Geen voorziening wordt verstrekt als:
De woningsanering betreft in de regel het vervangen van tapijt in het slaapvertrek (als dit niet algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden). De woonkamer kan ook worden gesaneerd in het geval de aanvrager jonger is dan vier jaar.
Ondersteuning bij het lokaal verplaatsen kan noodzakelijk zijn om in de eigen woon- en leefomgeving te kunnen participeren. Het collectieve vervoersysteem heeft het primaat mits hierbij voldoende rekening kan worden gehouden met de persoonskenmerken en de behoeften van de gebruiker. Aanvullend kan zo nodig gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verzorgt.
De vervoersvoorziening is in beginsel gericht op het sociaal vervoer, ook wel “vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving” genoemd. Het gaat in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen (recreatieve verplaatsingen kunnen hier ook deel van uitmaken).
De algemene criteria om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing. Ziekenvervoer kan bijvoorbeeld een voorliggende voorziening zijn.
Om tot een juiste probleemstelling te komen en te beoordelen welke ondersteuning er passend en goedkoopst adequaat is, wordt er informatie verzameld over het verplaatsingsgedrag van de aanvrager. Hieronder wordt verstaan: het verplaatsingsmotief (waarom), de verplaatsingsbestemming (waarheen), de verplaatsingsfrequentie (hoe vaak) en de wijze van verplaatsen (hoe en waarmee).
Komt men voor een vervoersvoorziening in aanmerking, dan onderscheiden we vervoer voor de korte en langere afstand. Het vervoer op de korte afstand is het zogenoemde “loop-“ en “fietsvervoer”. Het vervoer op de langere afstand is het vervoer waarvoor personen zonder beperking het openbaar vervoer zouden kunnen nemen. In ieder geval bij personen met een zeer beperkte loopafstand (tot maximaal 100 meter) kan op beide terreinen een oplossing worden aangeboden.
Bij personen met een loopafstand minder dan 800 meter kan het college beoordelen of het collectief vervoer een passende oplossing is ten aanzien van de probleemstelling. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de mogelijkheid van verplaatsen op de plaats van bestemming en het zelfstandig kunnen reizen.
Bovenregionale vervoersdoelen vallen buiten de reikwijdte van de Wmo. Voor bovenregionaal vervoer kan men in aanmerking komen voor de Valys.
4.2.5 Uitbreiding aantal kilometers collectief vervoer
Bij de te verstrekken collectieve vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 1.500 kilometer op jaarbasis (als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van de verordening). Van deze bandbreedte kan worden afgeweken als het noodzakelijk is om de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van betrokkene op een aanvaardbaar niveau te brengen en er geen andere oplossingen beschikbaar zijn. Denk hierbij aan:
Wanneer de cliënt niet behoort tot een doelgroep die gebruik kan maken van reguliere activiteiten, waardoor zij zijn aangewezen op specifiek voor die doelgroep georganiseerde activiteiten. Twee activiteiten per week en één familiebezoek in het kader van sociale activiteiten/sport worden binnen de Wmo als passend beschouwd. De bovenmatige kilometers worden aanvullend toegekend.
4.2.6 Rijvaardigheid en gewenningslessen
Een maatwerkvoorziening kan alleen worden verstrekt als deze op een veilige manier kan worden gebruikt. Zo kan het noodzakelijk zijn dat de aanvrager, na het afleggen van een rijvaardigheidstest, eerst rijlessen/verkeerslessen volgt om vast te stellen dat een voorziening veilig kan worden gebruikt. Wanneer op een later moment alsnog twijfel ontstaat, kan van betrokkene worden gevraagd om (nogmaals) een rijvaardigheidstest af te leggen. Als de betrokkene weigert mee te werken aan een rijvaardigheidstest kan dit reden zijn om de voorziening niet te verstrekken. Ook wanneer deze test uitwijst dat de voorziening niet langer veilig kan worden gebruikt, wordt de voorziening ingenomen.
Een maatwerkvoorziening welke in bruikleen wordt verstrekt moet gestald worden volgens de afspraken met de leverancier. Een adequate stalling is in ieder geval: overdekt en droog. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden. Om diefstal of vernieling te voorkomen kan een afgesloten stalling nodig zijn. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan als adequaat worden beschouwd, mits deze voldoet aan de eisen van brandveiligheid. Sinds 1 januari 2024 stelt het Besluit bouwwerken leefomgeving dat er geen brandgevaarlijke objecten aanwezig mogen zijn in de vluchtwegen en verkeersroutes van gebouwen. Sinds 1 juli 2024 is het ook expliciet verboden om (onder meer) fietsen en scootmobielen in gangen, galerijen en trappenhuizen te plaatsen. Als het noodzakelijk is, kan een woonvoorziening worden verstrekt om stalling en opladen mogelijk te maken. Als redelijkerwijs een oplossing is in de bestaande ruimte van de woning (inclusief de tuin), kan aan die oplossing voorrang worden gegeven. Het college kan zo nodig een afdekzeil of een afdakje verstrekken. Van huisgenoten wordt redelijkerwijs verwacht dat zij in bepaalde gevallen kunnen ondersteunen, bijvoorbeeld bij het buiten- en binnenzetten van een scootmobiel of het verwijderen een aanbrengen van de beschermhoes.
4.2.8 Aanpassingen aan de eigen auto
Een aanpassing aan een eigen auto wordt alleen verstrekt als een auto maximaal 6 jaar oud is. Reden hiervoor is dat de autoaanpassing minimaal 6 jaar mee moet kunnen gaan en een levensduur van 12 jaar voor een auto als reëel wordt gezien. Een uitzondering op deze regel kan worden gemaakt voor voorzieningen die eenvoudig en zonder (aanzienlijke) meerkosten kunnen worden overgezet in een nieuw aan te schaffen auto (denk aan een aangepaste stoel of een kofferbaklift). Als betrokkene binnen de termijn van 6 jaar na verstrekking van de voorziening besluit een nieuwe auto aan te schaffen dan wordt het tot de eigen verantwoordelijkheid gerekend om de noodzakelijke autoaanpassing zelf te realiseren. Als betrokkene na de termijn van zes jaar na verstrekking van de voorziening besluit een nieuwe auto aan te schaffen, maar de auto nog geen twaalf jaar oud is, wordt het tot de eigen verantwoordelijkheid gerekend om de noodzakelijke autoaanpassing zelf te regelen.
4.2.9 Vervoersvoorziening voor bewoners Wlz-instelling.
Als een bewoner van een Wlz-instelling wil deelnemen aan activiteiten die niet door de instelling zijn georganiseerd en buiten de instelling plaats vinden (behalve dagbesteding of werk), kan hij een beroep doen op de Wmo voor het noodzakelijke vervoer.
Voor het incidenteel of dagelijks verplaatsen in en om de woning kan een handbewogen of elektrische rolstoel worden verstrekt.
Bij de verstrekking van een rolstoel op grond van de Wmo 2015 houdt het college rekening met de mogelijkheid dat een mantelzorger de rolstoel kan duwen. Als er sprake is van één of meerdere mantelzorgers, beoordeelt het college per situatie of het redelijk is om deze taak van hen te verwachten. Hierbij wordt onder andere gekeken naar hun fysieke belastbaarheid, eventuele beperkingen, de verdeling van zorgtaken en het risico op overbelasting. Alleen wanneer geen van de aanwezige mantelzorgers aantoonbaar in staat is om deze ondersteuning te bieden, kan dit meewegen in de beoordeling van de noodzakelijke voorziening.
4.3.3 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen door Wlz gerechtigden
Wlz gerechtigden woonachtig in een instelling kunnen geen aanspraak maken op een rolstoel vanuit de Wmo.
Voor bewoners van een Wlz-instelling met een voor 1 januari 2020 verstrekt mobiliteitshulpmiddel door het college, is een overgangsregeling van toepassing tot het hulpmiddel vervangen moet worden.
4.4 Huishoudelijke ondersteuning
Als sprake is van een (dreigend) disfunctioneren van het huishouden kan huishoudelijke ondersteuning (HO) worden ingezet. Cliënten met een (tijdelijke) beperking die daardoor bepaalde huishoudelijke werkzaamheden niet kunnen uitvoeren en/of niet in staat zijn zelf regie te voeren over het huishouden kunnen in aanmerking komen voor huishoudelijke ondersteuning.
Een persoon komt niet in aanmerking voor huishoudelijke ondersteuning als één of meer huisgenoten in staat worden geacht het huishoudelijk werk te verrichten (zie ook 3.5).
Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van echtgenoten, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Deze hulp is uitsluitend aan de orde wanneer sprake is van een leefeenheid waarin men gezamenlijk in één woning woont. Bij het onderzoek naar de noodzaak van ondersteuning, zoals bedoeld in artikel 2.3, wordt beoordeeld:
Bij een leefeenheid waarin kinderen aanwezig zijn, wordt verwacht dat zij – afhankelijk van leeftijd, ontwikkeling en belastbaarheid – een bijdrage leveren aan het huishouden. Daarbij gelden de volgende richtlijnen:
Kinderen tot 5 jaar: van hen wordt geen bijdrage aan huishoudelijke taken verwacht.
Kinderen van 5 tot en met 18 jaar: kunnen, afhankelijk van hun individuele mogelijkheden, worden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden. Voorbeelden hiervan zijn:
Bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met de ontwikkelingsfase, het psychosociaal functioneren, en het welbevinden van het kind. De schoolprestaties maken hiervan expliciet deel uit.
Huisgenoten van 18 jaar en ouder
Alle huisgenoten van 18 jaar of ouder worden geacht naar draagkracht bij te dragen aan het uitvoeren van huishoudelijke taken, ongeacht of zij een voltijdstudie volgen of voltijds werken. Deze bijdrage wordt als verplichtend beschouwd binnen de leefeenheid.
Er wordt geen rekening mee gehouden of iemand de huishoudelijke werkzaamheden niet wil doen of al dan niet gewend is te doen. Er wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, de wijze van inkomensverwerving, drukke werkzaamheden/lange werkweken of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken.
Als personen uit de leefeenheid nog nooit huishoudelijke werkzaamheden hebben gedaan, en dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. Het gaat dan om advies, instructie, voorlichting (AIV) gericht op het huishouden. De taak wordt niet overgenomen maar via instructies gestuurd.
In bepaalde individuele gevallen kan er aanleiding zijn om van AIV af te zien en regulier huishoudelijke ondersteuning toe te kennen, bijvoorbeeld bij mensen met een (zeer) hoge leeftijd waarbij redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat zij zich de huishoudelijke taken nog eigen kunnen maken.
Uitzonderingen voor gebruikelijke hulp
4.4.4 Producten huishoudelijke ondersteuning tot 1 januari 2026 en vanaf 1 januari 2026
Bij het indiceren van huishoudelijke ondersteuning wordt tot 1 januari 2026 gebruik gemaakt van het Normenkader huishoudelijke ondersteuning 20194 en vanaf 1 januari 2026 wordt gebruik gemaakt van het Normenkader huishoudelijke ondersteuning 20255. Het normenkader bevat de volgende resultaatgebieden:
Om de omvang van huishoudelijke ondersteuning vast te stellen moet bepaald worden welke activiteiten de cliënt zelf niet kan uitvoeren. Er is gekozen voor normtijden om een uitgangspunt te hebben voor de omvang van de verschillende taken die in het huishoudelijk werk verricht moeten worden.
Vanwege de nieuwe inkoop voor huishoudelijke ondersteuning gelden er twee verschillende productomschrijvingen, zie bijlage A.
4.4.5 Nadere toelichting resultaatgebieden
Ruimtes waar huishoudelijke ondersteuning betrekking op heeft:
De huishoudelijke hulp maakt schoon in de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer, toilet en hal (met trap). Ruimten zoals berging, logeerkamer, zolder en de buitenruimten worden niet schoongemaakt door de huishoudelijke hulp.
Terminologie extra kamer ‘in gebruik’ heeft betrekking op wel of geen slaapkamer:
De terminologie waar deze omschrijving op rust is: een extra kamer ‘in gebruik als slaapkamer’ of een extra kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer’. Als het geen slaapkamer is die frequent wordt gebruikt door personen binnen de gezamenlijke huishouding, of het is bijvoorbeeld een hobbykamer, dan is het dus voor ‘iets anders’ en dan maakt het in principe niet uit waarvoor dat is.
De cliënt moet kunnen beschikken over maaltijden en/of de boodschappen om de maaltijden te kunnen bereiden. Wanneer het iemand door zijn of haar (tijdelijke) beperkingen niet lukt de maaltijd te verzorgen kan, als voorliggende voorzieningen (zoals boodschappen- en maaltijdenservice/kant-en-klaar maaltijden) ontoereikend zijn, ondersteuning worden ingezet.
Het toedienen van de maaltijd valt buiten de kaders van de Wmo. Als er om medische/geneeskundige redenen hulp nodig is bij de maaltijden, ligt de indicatie (en financiering) hiervoor bij de Zvw. Dit kan ook gelden voor de hierboven genoemde vormen van maaltijdondersteuning (bereiden, klaarzetten, aansporen en toezien).
De ondersteuning met betrekking tot boodschappen en/of maaltijden kan worden ingezet bij de producten HO2 en HO3. Dit is afhankelijk van de situatie en daarmee maatwerk.
Het gaat om de dagelijkse, gebruikelijke hulp voor kinderen die tot het gezin behoren als beide ouders niet in staat zijn deze te leveren. Bij uitval van één van de ouders dient de andere ouder de zorg voor de kinderen over te nemen. Van ouders wordt verwacht dat zij zoeken naar eigen oplossingen: zorgverlof, mantelzorg, inzet sociaal netwerk en andere voorliggende voorzieningen zoals Buurtgezinnen en kinderopvang (t/m 5 dagen per week). Als deze eigen oplossingen (nog) niet aanwezig, niet toepasbaar of uitgeput zijn, is hulp voor een korte periode mogelijk zodat de ouder(s) de gelegenheid krijgt een eigen oplossing te realiseren.
De tijdelijke opvang en/of verzorging van kinderen valt onder organisatie van het huishouden. Het kan zijn dat een ouder ten gevolge van beperkingen tijdelijk niet in staat is de verzorging en/of opvang van gezonde kinderen uit te voeren. Het kan dan gaan om persoonlijke verzorging, begeleiding en opvoedingsactiviteiten.
Conform de richtlijn indicatiestelling van de MOzaak worden voor tijdelijke opvang en/of verzorging van kinderen de volgende normtijden gehanteerd;
Als meer opvang noodzakelijk is kan meer tijd worden geïndiceerd tot maximaal 40 uur per week aanvullend op de eigen mogelijkheden, zoals zorgverlof, crèche, kinderopvang, buitenschoolse/tussenschoolse opvang, gastouder, etc. De maximale duur voor opvang is 3 maanden.
4.4.6 Bijzondere woonsituaties
Een cliënt woont zelfstandig, met meerdere mensen in één huis zonder hiermee een leefeenheid te vormen. In dergelijke situaties heeft men in ieder geval een eigen woon/slaapkamer en de overige ruimten worden in meer of mindere mate gemeenschappelijk gebruikt. De cliënt is verantwoordelijk voor een evenredig deel van de gemeenschappelijke ruimten.
Een cliënt woont zelfstandig met meerdere mensen in één gebouw én vormt met hen een leefeenheid, bijvoorbeeld een kloostergemeenschap. In die situaties kan een cliënt hulp krijgen voor het schoonmaken van de eigen kamer. Gezamenlijke ruimtes behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap.
4.4.7 Persoonsgebonden budget voor huishoudelijke ondersteuning
Voorwaarden voor een PGB zijn opgenomen in hoofdstuk 5.
Bij het bepalen van de omvang van de huishoudelijke ondersteuning in de vorm van een pgb wordt uitgegaan van de pgb tarieven zoals bepaald in het Besluit.
Huishoudelijke ondersteuning kan worden toegekend voor een maximale periode van 5 jaar wanneer de beperkingen langdurig van aard zijn en de ondersteuning blijvend noodzakelijk is.
4.4.9 Voorzetten huishoudelijke ondersteuning na overlijden klant op naam partner
Als een klant overlijdt, kan de huishoudelijke ondersteuning voor maximaal 6 weken overgezet worden op de partner. Dit kan alleen als er sprake is van een gezamenlijk gevoerd huishouden. De uitkeringsadministratie (UA) controleert dit.
Als dit het geval is ontvangt de partner een beëindigingsbrief waarin is opgenomen dat de voorziening Huishoudelijke Ondersteuning voor 6 weken op diens naam wordt gezet, aansluitend op de overlijdensdatum. Voor deze periode is de partner geen eigen bijdrage in het kader van de Wmo verschuldigd. De partner moet zelf contact met het Loket opnemen wanneer er sprake is van langdurige noodzaak voor huishoudelijke ondersteuning. Dit wordt beoordeeld als nieuwe melding Wmo.
4.4.10 Eénmalige grote schoonmaak bij ernstig vervuilde huishoudens
Vanuit de Wmo kan een éénmalige grote schoonmaak worden ingezet. Voor de uitvoering wordt door het Loket een offerte opgevraagd. Na de grote schoonmaak wordt over het algemeen voor minimaal 6 maanden huishoudelijke ondersteuning toegekend (over het algemeen huishoudelijke ondersteuning met begeleiding of pakket met volledige overname). Hierbij is maatwerk mogelijk.
Bij begeleiding onderscheiden we individuele begeleiding en dagbesteding. Of individuele begeleiding of dagbesteding wordt ingezet, wordt bepaald door de afweging wat zorginhoudelijk het meest doelmatig is. Dagbesteding is voorliggend op individuele begeleiding als hetzelfde doel wordt beoogd. Wanneer de begeleiding is gericht op het daadwerkelijk bieden van dagstructuur is dagbesteding de aangewezen vorm van begeleiding.
De ondersteuning is gericht op cliënten met:
Om voor begeleiding in aanmerking te komen dient sprake te zijn van matig tot ernstige beperkingen op het terrein van de sociale redzaamheid, het bewegen en verplaatsen, het psychisch functioneren, het geheugen en de oriëntatie of het gedrag. Een cliënt waarbij enkel sprake is van een taalbarrière komt niet in aanmerking voor begeleiding vanuit de Wmo.
4.5.3 De omvang en de intensiteit van de begeleiding
De omvang en de intensiteit van de begeleiding is afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de cliënt. Op basis van de te verrichten taken wordt in redelijkheid de maximale omvang, frequentie en intensiteit van de in te zetten individuele begeleiding (aantal uren per week) of dagbesteding (aantal dagdelen per week) bepaald.
Bij individuele begeleiding worden er (persoonsgerichte) doelen opgesteld. Deze doelen worden beschreven in het gespreksverslag. Bij een herindicatie wordt het ondersteuningsplan van de zorgaanbieder opgevraagd en de opgestelde doelen geëvalueerd.
4.5.4 Bij verordening aangewezen algemene voorziening begeleiding
Bij individuele begeleiding en dagbesteding wordt in eerste instantie gekeken of een bij verordening aangewezen algemene voorziening passend is (indien van toepassing). Bij een bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt geen beschikking/besluit afgegeven, maar een machtiging. Bij de machtiging wordt gekeken naar het aantal uur of dagdelen per week, de aanbieder en de duur van de toekenning. Als de bij verordening aangewezen algemene voorziening niet passend is kan individuele begeleiding of dagbesteding toegekend worden als maatwerkvoorziening.
4.5.5.1 Maatwerkvoorziening individuele begeleiding
Bij toekenning wordt gekeken naar het aantal uur of dagdelen per week, de aanbieder, de duur van de toekenning en de intensiteit.
De cliënt of het huishouden/gezin wordt zodanig motiverend, adviserend en instruerend ondersteund dat de Cliënt of het huishouden/gezin in staat is zo zelfredzaam mogelijk de algemene dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren, een gestructureerd huishouden te voeren, sociale relaties aan te gaan en te onderhouden en/of maatschappelijk te participeren.
Om dit te realiseren wordt Individuele begeleiding geboden bij:
Individuele begeleiding kan ook in groepsverband gegeven worden.
We onderscheiden drie intensiteiten van ondersteuning, gericht op cliënten met verschillende kenmerken en ondersteuningsbehoefte:
Individuele begeleiding vanuit trede licht is gericht op het stimuleren en behouden van de huidige situatie van zelfredzaamheid en participatie en op het voorkomen van achteruitgang.
Met de inzet van deze begeleiding wordt:
De beperking/problematiek van cliënt is niet dermate complex dat een hoge graad van deskundigheid nodig is voor de omgang met de Cliënt. Ook is er geen sprake van intensief toezicht op het functioneren van de cliënt, bijvoorbeeld om gedrag te kunnen bijsturen of om complicatie bij een ziekte te voorkomen.
Als bij lichte ondersteuning, met als onderscheid dat bij middelzware individuele begeleiding sprake is van:
Van de ondersteuner wordt methodisch handelen verwacht; hij/zij kan doelgericht werken aan het behalen van een resultaat of resultaten, volgens het ondersteuningsplan. Het te behalen resultaat kan zijn: (gedeeltelijk) herstel, behoud of vertraging in mogelijke achteruitgang van de zelfredzaamheid.
Net als bij lichte en middelzware ondersteuning wordt geoefend, ondersteund en overgenomen, maar zware ondersteuning wordt ingezet in de meest complexe situaties. Te denken valt hierbij aan ernstige gedragsstoornissen, risicovolle instabiele ziektebeelden en multi-probleemsituaties. Er is veelal sprake van langdurig tekortschietende zelfregie over het dagelijks leven. Over het algemeen is er methodische (traject)begeleiding gericht op verbetering/ontwikkeling nodig. Doel is waar mogelijk activering en waar nodig stabilisatie en handhaving.
4.5.5.2 Maatwerkvoorziening dagbesteding (inclusief vervoer)
De Cliënt wordt in groepsverband zodanig motiverend, adviserend en instruerend ondersteund dat de zelfredzaamheid, participatie en regie, voor zover aanwezig en zo mogelijk, behouden blijft dan wel bevorderd wordt.
Om dit te realiseren wordt dagbesteding ingezet, die waar nodig/mogelijk bijdraagt aan:
De aard van de in te zetten dagbesteding is afhankelijk van de ondersteuningsvraag van de Cliënt en kan zijn: (re)creatieve dagbesteding, arbeidsmatige dagbesteding of dagopvang.
We onderscheiden drie intensiteiten van dagbesteding, gericht op Cliënten met verschillende kenmerken en ondersteuningsbehoefte:
Voor alle treden geldt dat het uitgangspunt is dat mensen zelf of met behulp van hun netwerk dan wel andere informele oplossingen naar de betreffende zorglocatie komen. Wanneer eigen oplossingen niet mogelijk zijn en er sprake is van een door de toegang vastgestelde (medische) noodzaak, dient in vervoer voorzien te worden.
Dagbesteding licht betreft het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, danwel het uitvoeren van regie en/of het ondersteunen bij praktische vaardigheden/handelingen, danwel arbeidsmatige werkzaamheden. Er worden eventueel (tijdelijk) taken overgenomen die de Cliënten zelf niet meer kunnen en die ook niet (meer) kunnen worden aangeleerd.
De Cliënt heeft beperkingen (fysiek en/of mentaal), maar er is geen intensief toezicht nodig op het functioneren van de Cliënt, bijvoorbeeld om gedrag te kunnen bijsturen of bijvoorbeeld complicaties bij een ziekte te voorkomen. Het ziektebeeld van de Cliënt is ook niet dermate complex dat een hoge graad van deskundigheid nodig is voor de omgang met de Cliënt.
Als bij lichte dagbesteding. Bij dagbesteding middelzwaar wordt, als de Cliënt leerbaar is, gericht op behoud of versterking van de zelfredzaamheid geoefend met het aanbrengen van structuur en/of uitvoeren van handelingen/vaardigheden. Ook kan gericht op door- en uitstroom naar reguliere maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van participatie worden getraind/gecoacht ten behoeve van bijvoorbeeld verhoging belastbaarheid (qua werk), waardoor aan uitstroom (naar bijvoorbeeld een re-integratietraject) kan worden gewerkt.
Vanwege de beperkingen (fysiek en/of mentaal) is de Cliënt (nog) niet in staat om deel te nemen aan reguliere activiteiten voor invulling van de dag (werk/school of vrijetijdsbesteding), of aan de lichte vorm van dagbesteding. Het gedrag van de Cliënt is voorspelbaar en risico’s als gevolg van de problematiek zijn goed in te schatten. Er is in beperkte mate toezicht nodig op het functioneren van de Cliënt.
Van de begeleider wordt methodisch handelen verwacht: hij kan doelgericht werken aan het behalen van een resultaat volgens een ondersteuningsplan.
Als bij middelzware dagbesteding waarbij de dagbesteding zwaar is bedoeld voor de meest complexe situaties waarin sprake is van complexe problematiek/ziektebeelden. Te denken valt hierbij aan ernstige gedragsstoornissen, instabiele ziektebeelden en multi-probleemsituaties. De zorgvraag op basis van ziektebeeld en/of beperkingen is leidend voor de begeleiding. Doel is het voorkomen of vertragen van verergering van problematiek. Deze vorm van dagbesteding biedt met name ondersteuning met dagprogramma voor dagstructurering en (intensieve) begeleiding en toezicht.
Van de begeleider wordt methodisch handelen verwacht: hij kan doelgericht werken aan het behalen van een resultaat volgens een Ondersteuningsplan. Doel is waar mogelijk activering en waar nodig stabilisatie en handhaving.
Bij kortdurend verblijf wordt de cliënt in een huiselijke omgeving logeeropvang geboden om de mantelzorger te ontlasten, waarbij toezicht en/of zorg noodzakelijk kan zijn. Het verblijf wordt in de regel geboden gedurende een korte, vooraf bepaalde, periode.
In de instelling waar de cliënt kortdurend verblijft, wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Wanneer verpleging en/of persoonlijke verzorging nodig is moet hiervoor apart worden geïndiceerd op grond van de Zvw. Behandeling behoort nadrukkelijk niet bij kortdurend verblijf.
De ondersteuning is gericht op cliënten met:
4.6.3 Product kortdurend verblijf
Bij kortdurend verblijf wordt de cliënt in een instelling met een huiselijke omgeving logeeropvang geboden om de mantelzorger te ontlasten, waarbij toezicht en/of zorg noodzakelijk kan zijn. Het verblijf wordt over het algemeen geboden gedurende een korte periode. Ondertussen hebben de mensen thuis, die normaal de zorg en aandacht geven, tijd voor zichzelf. In de instelling waar de cliënt kortdurend verblijft, wordt de dagelijkse zorg overgenomen.
Deze vorm van respijtzorg wordt ook wel logeeropvang genoemd.
Kortdurend verblijf is gericht op mensen met:
De cliënt is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Wanneer de cliënt beperkingen heeft op het gebied van vervoer zal hij doorgaans in het bezit zijn van een pas voor het collectief vervoer.
4.6.4 De omvang van het kortdurend verblijf
De omvang en frequentie van kortdurend verblijf is afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de cliënt en zijn mantelzorger. Logeeropvang in het kader van de Wmo kan verstrekt worden tot een maximum van 156 etmalen per jaar. Deze etmalen mogen voor een periode van maximaal 21 etmalen aaneengeschakeld ingezet worden. Op het maximumaantal etmalen per week kan een uitzondering worden gemaakt, bijvoorbeeld als de mantelzorger op vakantie gaat of om een andere reden tijdelijk afwezig is.
4.6.5 Toekenningstermijn Kortdurend verblijf
De ondersteuning wordt verstrekt voor een periode van maximaal één jaar, om de toegekende etmalen te verzilveren.
4.6.6 Financiering Kortdurend verblijf (Wmo, Wlz of Zvw)
Kortdurend verblijf kan onder verschillende wet- en regelgeving vallen (Wmo, Wlz of Zvw). Kortdurend verblijf valt niet onder de Wmo als:
4.6.7 Toegang Kortdurend verblijf
De toegang tot de ondersteuning verloopt zonder tussenkomst van het college. De ontvanger van kortdurend verblijf ontvangt dan ook geen beschikking. In plaats daarvan meldt de ontvanger zich bij een gecontracteerde aanbieder (zorg in natura). De aanbieder doet een melding als bedoeld in artikel 2 van de verordening bij het college.
Een uitzondering geldt voor kortdurend verblijf via pgb. Hiervoor geldt dat de toegang verloopt via het college conform artikel 5 van de verordening.
4.7 Beschermd wonen en Beschermd thuis
Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget
Een persoonsgebonden budget (pgb) is een geldbedrag en wordt alleen verstrekt voor de bekostiging van maatwerkvoorzieningen. Binnen de maatwerkvoorzieningen wordt onderscheid gemaakt tussen diensten (5.2) en producten (5.3).
De hoogte van het pgb wordt begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte individuele maatwerkvoorziening in natura. Wanneer gekozen wordt voor een duurdere dienst of product dan het toegekende pgb dient de cliënt de meerkosten zelf te betalen. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel en mag niet worden besteed aan (zie artikel 9 van de verordening):
Daarnaast mag het pgb ook niet worden besteed aan reiskosten.
Een pgb voor producten of diensten kan geweigerd worden, als er overwegende bezwaren zijn. Overwegende bezwaren zijn onder andere als naar het oordeel van het college aannemelijk is dat de aanvrager problemen heeft met het omgaan en beheren van een pgb. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de aanvrager:
Het pgb voor diensten betreft de huishoudelijke ondersteuning, individuele begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf. Bij het pgb voor diensten wordt uitgegaan van het toekenningsbeleid zorg in natura. Het pgb voor diensten mag, in tegenstelling tot een pgb voor producten, niet worden ingezet bij een maatwerkvoorziening van een door het college gecontracteerde aanbieder.
De cliënt dient de keuze voor een pgb te motiveren met een pgb-ondersteuningsplan. Het pgb-ondersteuningsplan wordt beoordeeld op de volgende punten:
Voorwaarden bij de inzet van een pgb voor Beschermd wonen en Beschermd thuis:
5.2.1 Hoogte pgb voor diensten
De hoogte van het pgb-tarief is vastgesteld in het Besluit en zijn berekend op basis van de tarieven voor de ingekochte zorg in natura (ZIN). Er wordt een onderscheid gemaakt in twee tarieven:
Wanneer de dienst huishoudelijke ondersteuning met een pgb wordt afgenomen wordt voor de noodzakelijke inzet het HHM normenkader gehanteerd (zie hoofdstuk 4.4 Huishoudelijke Ondersteuning).
De hoogte van het pgb voor Beschermd wonen die beroepsmatig wordt geboden wordt gebaseerd op maximaal 100% van het toepasselijke ZIN-tarief.
Bij een pgb voor diensten is de budgethouder verplicht een ZOK te sluiten met de betreffende zorgverlener. Dit is een contract waarin de afspraken over de zorg, werktijden en vergoeding liggen vastgelegd. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) beoordeelt of de ZOK compleet is en juridisch goed is ingevuld. Vanuit de Wmo wordt beoordeeld of de ZOK inhoudelijk goed is ingevuld (datum, zorgomvang en tarief). De ZOK wordt na goedkeuring geaccordeerd in het systeem van de SVB. Vanaf dat moment kan de cliënt declaraties indienen bij de SVB6.
Betaling van de ondersteuning met een vaste maandvergoeding is niet toegestaan. Een budgethouder mag zijn hulpverlener alleen de daadwerkelijk geleverde ondersteuning bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) laten declareren (facturering achteraf, per uur), tenzij het een pgb voor Beschermd wonen in een 24-uursvoorziening betreft.
Het pgb voor producten betreft woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. De hoogte is vastgesteld in het Besluit. De toekenningstermijn voor pgb voor producten is maximaal zes jaar. Na zes jaar kan het pgb voor onderhoud, reparatie en verzekering worden verlengd als de voorziening technisch gezien nog niet is afgeschreven.
Een pgb voor producten wordt verstrekt onder de voorwaarden en bepalingen zoals deze zijn opgenomen in de Verordening en het Besluit. Wanneer noodzakelijk wordt een programma van eisen bij de beschikking gevoegd. Het pgb mag alleen gebruikt worden voor de bekostiging van een voorziening zoals genoemd in het toekenningsbesluit en, voor zover van toepassing, uitgewerkt in het pakket van eisen. Betaling vindt plaats na ontvangst van de factuur.
5.3.1 Voorwaarden pgb voor woonvoorziening:
Bij een pgb voor een woonvoorziening zijn aanvullend de volgende voorwaarden van toepassing:
wanneer de cliënt opdrachtgever is dient direct na de voltooiing van de werkzaamheden, tot uiterlijk één jaar na de datum van het toekenningsbesluit, de rekening(en) en bijbehorende betaalbewijzen in te dienen ten behoeve van de gereedmelding. Hiermee verklaart de cliënt aan het college dat de werkzaamheden zijn voltooid.
Wanneer het college een pgb heeft verstrekt kan de cliënt gedurende zes jaar geen beroep doen op hetzelfde type voorziening. Na zes jaar kan, na overlegging van een technisch afkeuringsrapport, de cliënt mogelijk in aanmerking komen voor een nieuwe voorziening.
5.3.2 Hoogte pgb voor producten
Het pgb voor vervoersvoorzieningen, hulpmiddelen, roerende woonvoorzieningen en woningaanpassingen wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de voorziening in natura (op offerte of huurbasis) zou zijn verstrekt, vermeerderd met de instandhoudingskosten voor onderhoud, reparatie en (indien van toepassing) verzekering over een periode tot de afschrijftermijn van de voorziening is bereikt.
Als het niet mogelijk is het pgb vast te stellen op basis van de huurprijs in natura, wordt de hoogte van het pgb vastgesteld op basis van de door de aanvrager ingediende en door of vanwege het college geaccepteerde offerte voor de voorziening, het onderhoudscontract en de verzekering. De aanvrager van een pgb zal altijd zelf moeten zorgen voor het adequaat verzekeren van de aangeschafte voorziening.
Voor trapliften geldt dat er voor installatie van de traplift een pgb wordt toegekend aan de hand van een offerte. Daarnaast wordt er voor trapliften een vast bedrag toegekend voor onderhoud en reparatie, volgens het Besluit.
Voor woonvoorzieningen hoger dan €10.000, waarbij het pgb niet kan worden vastgesteld op basis van de huurprijs in natura, dienen twee offertes te worden beoordeeld. Na het overleggen van de offertes geeft de Wmo akkoord. Uitbetaling van het pgb gaat op basis van declaratie. Wanneer de kostprijs van de voorziening lager is dan het toegekende pgb, wordt een herzieningsbesluit genomen met daarin het juiste pgb- bedrag.
Onderhoud en reparatie na verloop van toekenningsperiode van het pgb
Als de voorziening na het verstrijken van de toekenningsperiode van het pgb nog steeds de meest goedkoop adequate passende voorziening is, en de voorziening niet is afgekeurd, kan de cliënt de kosten voor (technische) reparatie en onderhoud tot €500 per jaar indienen bij het college. Wanneer de kosten voor onderhoud- en/of reparatie boven dit bedrag uitkomen dient de cliënt eerst te overleggen met het college.
Periodiek of steekproefsgewijs onderzoekt het college uit het oogpunt van kwaliteit of het pgb juist is besteed. In dit kader kunnen stukken die nodig zijn voor de verantwoording van het pgb steekproefsgewijs worden opgevraagd.
Als het pgb anders is besteed dan bij de toekenningsbeschikking is bepaald, kan het college besluiten het pgb lager vast te stellen en het daardoor te veel betaalde terug te vorderen.
Hoofdstuk 6 Financiële tegemoetkoming meerkosten
Op grond van artikel 12 van de Verordening kan een financiële tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie worden verstrekt aan burgers die als gevolg van een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen aannemelijke meerkosten hebben.
In het Besluit is opgenomen dat deze tegemoetkoming kan worden verstrekt voor de kosten van verhuis- en herinrichting, vervoer en de sportvoorziening.
De maximaal te verstrekken bedragen zijn opgenomen in het Besluit. Als een tegemoetkoming in de meerkosten wordt verstrekt, wordt geen eigen bijdrage gevraagd.
6.1 Tegemoetkoming verhuis- en herinrichtingskosten
Op grond van het Besluit kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt in de verhuis- en herinrichtingskosten. Dit kan in de volgende drie situaties aan de orde zijn, maar enkel wanneer de beperkingen redelijkerwijs niet voorzien waren:
Verhuiskosten wegens gezinsuitbreiding of om (als jongvolwassene) voor het eerst zelfstandig te gaan wonen zijn in beginsel algemeen gebruikelijk.
6.2 Tegemoetkoming meerkosten vervoer
Tegemoetkoming meerkosten vervoer
Als de aanvrager medisch gezien geen gebruik kan maken van een eigen auto, OV en/of het collectief vervoer kan een financiële tegemoetkoming verstrekt worden voor gebruik van een (rolstoel)taxi. Het gaat om een tegemoetkoming in de kosten van vervoer. Het is niet de bedoeling dat vanuit de Wmo de totale vervoersbehoefte wordt gefinancierd. De tegemoetkoming richt zich daarom op sociaal recreatief vervoer in de regio, om deel te kunnen nemen aan het maatschappelijk verkeer (participatie). Het gaat erom dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate:
De hoogte van de tegemoetkoming is vastgelegd in het Besluit. Maandelijks wordt 1/12e deel uitbetaald. Aan het einde van het kalenderjaar wordt verantwoording afgelegd over de gereisde kilometers. Als de vervoersbehoefte per maand fluctueert kan hiervan afgeweken worden.
Tegemoetkoming meerkosten vervoer bewoners Wlz-instelling (auto, taxi en rolstoeltaxi)
Bewoners van Wlz-instellingen kunnen via de Wmo aanspraak maken op sociaal vervoer (collectief vervoer). Als deze bewoners van Wlz-instellingen medisch gezien geen gebruik kunnen maken van het collectief vervoer en/of Valys, kunnen zij in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming.
Tot de vervoersbehoefte van een bewoner van een Wlz-instelling kan ook het bovenregionale vervoer worden gerekend voor zover dat bedoeld is voor het onderhouden van sociale contacten. Het gaat hierbij niet om vakantie.
Afhankelijk van de vervoersbehoefte wordt de aanvrager ingedeeld in een klasse gericht op aantal kilometers per jaar en wordt de bijbehorende financiële tegemoetkoming verstrekt. De vervoersbehoefte wordt bij de eerste aanvraag vastgesteld, waarna de financiële tegemoetkoming voor dat kalenderjaar wordt bepaald. De bedragen per klasse en per vervoerssoort (auto, taxi of rolstoeltaxi) zijn opgenomen in het Besluit. Maandelijks wordt 1/12e deel uitbetaald. Aan het einde van het kalenderjaar wordt verantwoording afgelegd over de gereisde kilometers. Er kunnen alleen kilometers gedeclareerd worden wanneer de bewoner zelf in de auto zat. Wanneer de feitelijke vervoersbehoefte in een hogere of lagere klasse blijkt te vallen, dan wordt de verstrekking gewijzigd per 1 januari van het daaropvolgende kalenderjaar.
6.3 Tegemoetkoming sportvoorziening
De cliënt komt in aanmerking voor een sportvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming als sportbeoefening zonder sportvoorziening onmogelijk is door aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek.
Uitgesloten van deze regeling zijn:
Voor de aanschaf van een sportvoorziening wordt uitsluitend een financiële tegemoetkoming verstrekt voor een periode van 3 jaar. Deze financiële tegemoetkoming is ook bedoeld voor onderhoud en reparatie. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is vastgesteld in het besluit.
Om te bepalen welk sporthulpmiddel het meest passend is kunnen inwoners gebruik maken van de tijdelijke uitleenservice voor sportrolstoelen en handbikes (Uniek Sporten Uitleen). Dit is inclusief technische service, onderhoud en advies over het sporthulpmiddel en het gebruik ervan.
Een cliënt is een eigen bijdrage verschuldigd in de kosten van een bij verordening aangewezen algemene voorziening (zie verordening), een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget (pgb) zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrek, tot een maximum van de kostprijs. Per 1 januari 2020 is het abonnementstarief van kracht: een maandelijks vast tarief voor de eigen bijdrage.
Op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is onder andere geen eigen bijdrage verschuldigd voor een rolstoelvoorziening en een voorziening voor een cliënt jonger dan 18 jaar. Zodra de cliënt 18 wordt kan de eigen bijdrage gaan gelden. Cliënt wordt hierover geïnformeerd en heeft de keuzevrijheid de voorziening voort te zetten of te stoppen.
Daarnaast is volgens de verordening geen eigen bijdrage verschuldigd voor de volgende voorzieningen:
Er is ook geen eigen bijdrage verschuldigd voor:
woningaanpassingen voor een cliënt jonger dan 18 jaar. Volgens de verordening zijn ouders van een minderjarig kind een eigen bijdrage verschuldigd voor een woningaanpassing voor hun kind. In de praktijk werkt dit ongelijkheid in de hand, omdat een alleenstaande ouder wel een eigen bijdrage zou moeten betalen en een echtpaar niet (volgens inningregels CAK). Er wordt daarom afgeweken van de verordening middels de hardheidsclausule en de voorziening wordt niet doorgeven aan het CAK. De cliënt zal ook vanaf 18 jaar om die reden geen eigen bijdrage betalen over deze woningaanpassing.
7.2 Inning en duur eigen bijdrage
De eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt, volgens het Besluit, berekend door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het CAK is hiervoor de wettelijk aangewezen instantie. Het CAK bewaakt ook de cumulatie van de verschillende eigen bijdragen. De eigen bijdrage wordt vastgesteld en geïnd per maand. De hoogte en de duur van de eigen bijdrage is opgenomen in het Besluit.
7.3 Eigen bijdrage onderhoud en reparatie
Pgb op basis van huurbedrag ZIN voorziening
Wanneer het persoonsgebonden budget is vastgesteld op basis van het huurbedrag in natura (inclusief onderhoud, reparatie en verzekering), betaalt de cliënt een eigen bijdrage over het gehele bedrag. Zie hoofdstuk 5.3.1 en 5.3.2. Als er na het aflopen van het pgb-termijn kosten zijn voor onderhoud, reparatie en verzekering, dan betaalt de cliënt enkel een eigen bijdrage over deze kosten.
Wanneer er een persoonsgebonden budget wordt verstrekt op basis van een offerte, waarbij er sprake is van een offerte voor de aanschaf én een offerte van het onderhoudscontract en/of verzekering dan worden de kosten bij elkaar opgeteld. Het gehele bedrag wordt toegekend in één pgb, waarover een eigen bijdrage verschuldigd is. Als er na het aflopen van het pgb-termijn kosten zijn voor onderhoud, reparatie en verzekering, dan betaalt de cliënt enkel een eigen bijdrage over deze kosten.
Bij het verstrekken van voorzieningen waarbij onderhoud en reparatie wordt meegenomen in het bulkcontract van de Wmo geldt er geen eigen bijdrage voor onderhoud en reparatie. Dit is kan o.a. van toepassing zijn bij automatische deuropeners, douchevoorzieningen en plafondliften.
7.4 Eigen bijdrage tijdelijk pauzeren
Het abonnementstarief is een abonnement, waarbij de klant betaalt zoals vermeld in het Besluit. De eigen bijdrage voor diensten kan alleen tijdelijk worden stopgezet in uitzonderlijke situaties, bijvoorbeeld als iemand voor langere periode (minimaal 6 weken) in het ziekenhuis is opgenomen.
Als de ondersteuning niet wordt afgenomen als gevolg van keuzes van de cliënt, dan loopt de bijdrage wel door.
7.5 Berekening bijdrage in de kosten Beschermd wonen en maatschappelijke opvang
De kostprijs van dienstverlening of Beschermd wonen in natura wordt maandelijks vastgesteld en is gelijk aan de vergoeding die het college voor de dienstverlening, of Beschermd wonen over die periode verschuldigd is. Het CAK kijkt naar het inkomen/vermogen van 2 jaar geleden en houdt de wijzigingen maandelijks bij en stelt daarop de eigen bijdrage vast.
De verschuldigde eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang is een vastgesteld bedrag afhankelijk van de soort voorziening.
8.1 Overgangsrecht Huishoudelijke Ondersteuning:
Alle cliënten met huishoudelijke ondersteuning worden omgezet naar het nieuwe beleid/normenkader voor huishoudelijke ondersteuning per 1 januari 2026. Dit gebeurt door een herziening van de verstrekte beschikking. Als een cliënt na herziening minder minuten huishoudelijke ondersteuning ontvangt dan onder het oude beleid/ normenkader, geldt een overgangstermijn van drie maanden. Gedurende deze drie maanden ontvangt cliënt de minuten conform eerder afgegeven. Na deze drie maanden geldt de nieuwe situatie. De drie maanden overgangstermijn gaan op zijn vroegst in per 1 januari 2026.
Bijlage A: Huishoudelijke ondersteuning
Normenkader Huishoudelijke ondersteuning
De normtijden en het niveau van schoon dat behaald kan worden bij de verschillende producten huishoudelijke ondersteuning zijn gebaseerd op het HHM Normenkader (hierna: het normenkader). Het normenkader is gebaseerd op een onafhankelijk onderzoek, uitgevoerd door KPMG Plexus en Bureau HHM. In december 2018 bevestigde de CRvB in haar uitspraak dat dit normenkader voldoet aan de eisen die in mei 2016 werden gesteld aan de onderbouwing van normtijden. In januari van 2025 is het normenkader ten aanzien van de wasverzorging aangepast. Het normenkader is in alle gemeenten van toepassing verklaard.
Het normenkader gaat uit van een ‘gemiddelde ondersteuningsbehoefte’. Het college doet onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte en stelt vast welke inzet daarbij passend is.
In het normenkader wordt onderscheid gemaakt in (1) basisactiviteiten en (2) incidentele activiteiten.
Basisactiviteiten: deze activiteiten dienen regelmatig uitgevoerd te worden, zoals omschreven in het normenkader. Dit gaat onder andere om de volgende werkzaamheden: stof afnemen nat en droog, stofzuigen, dweilen, keukenblok schoonmaken, badkamer en toilet schoonmaken, bed verschonen, afval opruimen.
Incidentele activiteiten: deze activiteiten worden slecht één of enkele malen per jaar uitgevoerd, zoals omschreven in het normenkader. Dit gaat onder andere om de volgende werkzaamheden: ramen wassen binnenzijde, raambekleding wassen/schoonmaken, meubels schoonmaken, reinigen radiatoren, keukenapparatuur schoonmaken, binnen- en bovenzijde keukenkastjes afnemen, deuren afnemen, deurposten en tegelwanden afnemen.
Deze basis- en incidentele activiteiten moeten ertoe leiden dat cliënten wonen in een ‘schoon en leefbaar huis’. Dat is het geval als de woning normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen.
Welke activiteiten daarbij horen is afhankelijk van de situatie van de cliënt.
Producten huishoudelijke ondersteuning tot 1 januari 2026:
Op deze producten is het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 van toepassing.
Huishoudelijke ondersteuning basis (HO1)
Inwoners die door een aantoonbare beperking op grond van ziekte of gebrek niet meer in staat zijn om zelf (een deel) van de huishoudelijke taken te verrichten én waarbij niemand in het huishouden of netwerk aanwezig is om deze taken op te pakken kunnen in aanmerking komen voor een indicatie huishoudelijke ondersteuning basis. Er is in dit geval sprake van een relatief eenvoudige ondersteuningsvraag.
Huishoudelijke ondersteuning basis is opgebouwd in verschillende pakketten waarbij de hieronder beschreven resultaten leidend zijn:
Pakket A Schoon en leefbaar huis (overname zware huishoudelijke taken), waarbij uitgegaan wordt van gedeeltelijke overname van huishoudelijke taken genoemd onder basisactiviteiten en incidentele activiteiten. In dit pakket zijn cliënten, dan wel cliënten én hun netwerk, in staat een deel van de huishoudelijke taken zelf uit te voeren. Deze activiteiten kunnen per cliënt variëren. Gemiddeld gaat het om een inzet van 110 minuten.
Pakket C Schoon en leefbaar huis (overname zware- en lichte huishoudelijke taken + wasverzorging), waarbij uitgegaan wordt van overname van alle huishoudelijke taken genoemd onder basisactiviteiten en incidentele activiteiten. Daarnaast is overname van de wasverzorging aan de orde. Gemiddeld gaat het om een inzet van 168 minuten.
Bij de pakketten wordt uitgegaan van een gemiddelde cliëntsituatie. Voor alle drie de pakketten geldt dat de zorgaanbieder, aan de hand van de persoonlijke situatie van de inwoner, in overleg met de inwoner bepaalt welke activiteiten daadwerkelijk overgenomen moeten worden en in welke frequentie. Het uitgangspunt is dat er wekelijks huishoudelijke ondersteuning wordt geboden, tenzij anders afgesproken tussen de cliënt en de betreffende zorgaanbieder.
Huishoudelijke ondersteuning plus (HO2)
Dit product heeft betrekking op inwoners die als gevolg van een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen niet meer in staat zijn (een deel) van de huishoudelijke taken uit te voeren én waarbij sprake is van een grotere ondersteuningsbehoefte dan opgenomen in de gemiddelde cliëntsituatie van het Normenkader huishoudelijke ondersteuning.
Dit betekent dat als vanwege de benodigde inzet of frequentie een pakket (HO1) niet passend is, omdat er een grotere ondersteuningsbehoefte is, en deze grotere ondersteuningsbehoefte leidt tot een grotere ondersteuningsvraag waardoor een pakket (HO1) niet passend is, HO 2 toegekend kan worden.
Een grotere ondersteuningsbehoefte kan bijvoorbeeld ontstaan door:
HO2 betreft huishoudelijke werkzaamheden gericht op de resultaten: schoon en leefbaar huis. Deze ondersteuning is gericht op de overname van (alle) huishoudelijke taken genoemd onder basisactiviteiten en incidentele activiteiten en indien nodig overname van de wasverzorging. Daarnaast kunnen ook één of meerdere van de volgende punten aan de orde zijn:
Welke basis- en incidentele activiteiten daadwerkelijk overgenomen moeten worden, wordt bepaald aan de hand van de situatie van inwoner en is maatwerk. Voor het product HO2 stelt het college het aantal minuten ondersteuning per week vast in de beschikking en in het gespreksverslag. De toekenning wordt qua minuten afgerond op eenheden van 5 (102 minuten wordt 100, 103 minuten wordt 105).
Huishoudelijke ondersteuning compleet (HO3)
HO3 betreft huishoudelijke ondersteuning aan inwoners die vanwege zware en/of complexe problematiek niet of onvoldoende in staat zijn op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit hun sociale netwerk, een schoon en leefbaar huis te realiseren. Er is geen of sterk verminderde eigen regie over het huishouden als gevolg van bijvoorbeeld verminderde sociale redzaamheid, gedragsproblemen (dwangmatig, manipulatief, verbaal-agressief, zelfbeschadigend, grensoverschrijdend) en/of een psychische stoornis. Er kan sprake zijn van een vervuilde situatie of overlast.
De ondersteuning is gericht op een schoon en leefbaar huis en overname van (alle) huishoudelijke taken genoemd onder basisactiviteiten en incidentele activiteiten. Aanvullend kan het gaan om het realiseren van de voldoende resultaten:
Daarnaast kunnen ook één of meerdere van de volgende punten aan de orde zijn:
Voor het product HO3 stelt het college het aantal minuten ondersteuning per week vast in de beschikking en in het gespreksverslag. De toekenning wordt qua minuten afgerond op eenheden van 5 (102 minuten wordt 100, 103 minuten wordt 105). De inzet wordt afgestemd op de zware en/of complexe problematiek van de cliënt. Gestreefd wordt naar het bereiken van een stabiele situatie. Indien mogelijk wordt, na stabilisatie, afgeschaald naar HO2 of HO1.
Producten huishoudelijke ondersteuning vanaf 1 januari 2026
Op deze producten is het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 (of de meest recente versie) van toepassing.
HUISHOUDELIJKE ONDERSTEUNING 1
Binnen huishoudelijke ondersteuning 1 (HO1) is sprake van een relatief eenvoudige ondersteuningsvraag. De focus ligt op het schoon en leefbaar maken en houden van de woning. Dat wordt zoveel mogelijk samen met de cliënt gedaan.
Binnen HO1 wordt onderscheid gemaakt tussen zeven producten:
DOELGROEP HO1 (PAKKETTEN A, B en C EN WASMODULES D, E, F en G)
Cliënten die als gevolg van een lichamelijke beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem niet in staat zijn een deel van de huishoudelijke taken uit te voeren, maar zelf nog in staat zijn om regie te voeren over het huishouden. Deze cliënten hebben een relatief eenvoudige ondersteuningsvraag en er is geen sprake van ‘verzwarende omstandigheden’. De ondersteuningsvraag sluit aan op de gemiddelde cliëntsituatie zoals opgenomen in het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning.
RESULTATEN HO1 (PAKKETTEN A, B en C EN WASVERZORGING D, E, F en G)
Binnen de zeven vaste pakketten, vallend onder HO1 van perceel 1A en 2A, kan het gaan om het realiseren van onderstaande resultaten:
Deze resultaten worden gerealiseerd binnen de ‘standaard’ normtijden zoals opgenomen in het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning.
HO1 PAKKET A: Schoon en leefbaar houden van de woning met eigen kracht/netwerk, levering eens in de twee weken
Dit pakket biedt gedeeltelijke overname van huishoudelijke taken (exclusief wasverzorging) voor een schoon en leefbaar huis. Het is gebaseerd op een gemiddelde ondersteuningsbehoefte van 150 minuten per twee weken, maar de daadwerkelijke inzet kan per huishouden verschillen.
Het college biedt op maat gemaakte ondersteuning volgens de Wmo 2015, wat voor sommige cliënten neerkomt op één keer per twee weken. De cliënt of iemand uit het netwerk kan tussen de momenten van inzet de algemene hygiëne in huis op orde houden. Dit omvat taken zoals het bijhouden van de wastafel en het toilet, afnemen van het aanrechtblad, stof afnemen (Swiffer Duster of vergelijkbaar), en het schoonhouden van de vloeren met een (robot- of steel)stofzuiger of Swiffer. Er zijn geen verzwarende factoren die dit verhinderen. Het college bepaalt of deze inzet passend is.
De specifieke activiteiten variëren per cliënt en worden bepaald op basis van de persoonlijke situatie.
HO1 PAKKET B: Schoon en leefbaar houden van de woning met eigen kracht/netwerk, wekelijkse levering
Dit pakket biedt gedeeltelijke overname van huishoudelijke taken (exclusief wasverzorging) voor een schoon en leefbaar huis. Het is gebaseerd op een gemiddelde ondersteuningsbehoefte van 110 minuten per week, maar de daadwerkelijke inzet kan per huishouden verschillen. Deze ondersteuning vindt wekelijks plaats.
In dit pakket kunnen cliënten, of hun netwerk, een deel van de huishoudelijke taken zelf uitvoeren. In tegenstelling tot pakket A lukt het de cliënt niet om de algemene hygiëne (rondom het toilet) bij te houden, waardoor wekelijkse inzet nodig is. De specifieke activiteiten variëren per cliënt en worden bepaald op basis van de persoonlijke situatie.
HO1 PAKKET C: Schoon en leefbaar houden van de woning
Dit pakket biedt volledige overname van alle huishoudelijke taken (exclusief wasverzorging) voor een schoon en leefbaar huis. Het is gebaseerd op een gemiddelde ondersteuningsbehoefte van 125 minuten per week, maar de daadwerkelijke inzet kan per huishouden verschillen. De ondersteuning vindt wekelijks plaats.
HO1 PAKKET D, E. F en G: HET VERZORGEN VAN DE WAS
Hierbij is (gedeeltelijke) overname van de wasverzorging (taken zoals opgenomen in het HHM-normenkader Huishoudelijke Ondersteuning) aan de orde. Deze pakketten worden alleen in combinatie met pakket B of C afgegeven.
De tijdsindicatie per pakket is gebaseerd op een gemiddelde ondersteuningsbehoefte per week. De daadwerkelijke inzet kan per huishouden verschillen.
150 minuten per twee weken is de norm. Iemand kan dan de algemene hygiëne7 onderhouden. Dit volstaat niet in onderstaande situaties:
HUISHOUDELIJKE ONDERSTEUNING 2
Binnen huishoudelijke ondersteuning 2 (HO2) is sprake van een grotere ondersteuningsbehoefte dan opgenomen in de gemiddelde cliëntsituatie van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning. Ook kan ondersteuning bij regie gewenst zijn. Welke resultaten behaald moeten worden wordt per situatie bepaald.
Binnen HO2 is één product opgenomen:
DOELGROEP HO2 HUISHOUDELIJKE ONDERSTEUNING (maatwerk)
Cliënten die als gevolg van een beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem niet meer in staat zijn (een deel) van de huishoudelijke taken uit te voeren én waarbij sprake is van een grotere ondersteuningsbehoefte dan opgenomen in de gemiddelde cliëntsituatie van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning. Ook kan het gaan om cliënten die minder in staat zijn om regie uit te voeren over het huishouden. Deze cliënten hebben een grotere ondersteuningsvraag of er is sprake van ‘verzwarende omstandigheden’ (zoals een aandoening aan de luchtwegen, een grotere ondersteuningsvraag als gevolg van rolstoelgebondenheid et cetera).
RESULTATEN HO2 HUISHOUDELIJKE ONDERSTEUNING (maatwerk)
Het kan gaan om het realiseren van de volgende resultaten:
Welke basis- en incidentele activiteiten overgenomen moeten worden, wordt bepaald aan de hand van de situatie van cliënt en is maatwerk. Voor het product HO2 stelt Opdrachtgever het aantal minuten per week vast op basis van het HHM Normenkader. De tijd zal worden afgerond op 5 minuten. Uitgangspunt is dat de inzet en frequentie van de ondersteuning wordt afgestemd op de hulpvraag van de cliënt.
HUISHOUDELIJKE ONDERSTEUNING 3 (inspanningsgericht)
HO3 heeft als doel het bieden van passende ondersteuning op de grens van huishoudelijke hulp en begeleiding. Uitgangspunt hierbij is het zorgen voor een schoon en leefbaar huis (met lichte begeleiding), maar ook het vergroten van de zelfstandigheid en participatie.
DOELGROEP HO3 HUISHOUDELIJKE ONDERSTEUNING
Cliënten met een verhoogde behoefte aan ondersteuning op het gebied van huishoudelijke taken, regie en organisatie van het huishouden. Kenmerkend is de nood om de situatie te stabiliseren en de behoefte aan een eenvoudige vorm van begeleiding. De cliënten voldoen aan één of meerdere van de volgende kenmerken:
Deze kenmerken zijn het gevolg van bijvoorbeeld verminderde sociale redzaamheid, gedragsproblemen en/of een psychische stoornis. Er kan sprake zijn van een vervuilde situatie.
RESULTATEN HO3 HUISHOUDELIJKE ONDERSTEUNING
De ondersteuning is gericht op:
Het kan gaan om het realiseren van de volgende resultaten:
Daarnaast kan het bij deze doelgroep gaan om de volgende aanvullende resultaten:
Welke basis- en incidentele activiteiten overgenomen moeten worden, wordt bepaald aan de hand van de situatie van cliënt en is maatwerk. Voor het product HO3 stelt Opdrachtgever het aantal minuten per week vast, dit kan variëren per cliënt en wordt afgerond op 5 minuten. Indien mogelijk wordt afgeschaald naar de producten vallend onder HO1 en HO2 Huishoudelijke Ondersteuning).
De resultaatgebieden, de activiteiten en frequenties (paragraaf 4.4.5)
Per resultaatgebied wordt in het normenkader aangegeven welke activiteiten daaronder kunnen vallen. In de beschikking aan de cliënt dient te worden aangegeven voor welke resultaatgebieden de huishoudelijke ondersteuning wordt verstrekt (=waar de hulp uit bestaat) en welke activiteiten daartoe gerekend kunnen worden. Ook staat er vermeld dat de taken die iemand zelf kan doen, zelf moet doen.
Bij huishoudelijke ondersteuning in natura worden in een gesprek tussen de aanbieder en de cliënt de te verrichten werkzaamheden overeengekomen. De door de aanbieder te verrichten werkzaamheden worden afgestemd op de mogelijkheden van de cliënt en zijn netwerk. De uitkomst van dit gesprek wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan, dat door de cliënt en de aanbieder wordt ondertekend.
De omvang die nodig is om de noodzakelijke werkzaamheden uit te voeren is maatwerk. Op basis van het normenkader wordt de frequentie bepaald (zie overzicht). Dit kan wekelijks (normenkader 2019) of om de week zijn (normenkader 2025).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-440088.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.