ARTIKEL I
De Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2023 wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1.2.2 komt de tweede zin te luiden: Voor deze voorzieningen gelden de regels van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2025 zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Rotterdam op 19 december 2024 (gmb-2025-1116).
B.
Artikel 2.2.3 komt te luiden:
Artikel 2.2.3 Onderzoek feiten en af te wegen belangen
- 1.
De gemeente of de toegangspartij onderzoekt tijdens het gesprek op basis van de ondersteuningsvraag in samenspraak met de inwoner dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger:
- a.
de ondersteuningsbehoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner;
- b.
de problemen, beperkingen en/of stoornissen van de inwoner;
- c.
de aard en omvang van de ondersteuning die de inwoner nodig heeft;
- d.
of en in hoeverre de eigen mogelijkheden van de inwoner, gebruikelijke hulp, mantelzorg, het sociale netwerk en/of voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden;
- e.
of en in hoeverre de inzet van een individuele voorziening noodzakelijk en passend is om het gewenste resultaat te bereiken.
- 2.
De gemeente of de toegangspartij onderzoekt tijdens het gesprek over een ondersteuningsvraag gericht op jeugdhulp:
- a.
de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en het gezin, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige, de gezinssituatie en het probleem of de hulpvraag;
- b.
of sprake is van opgroeiproblemen, psychische en psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen, en zo ja:
- 1°
welke problemen dat zijn;
- 2°
of en zo ja welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
- 3°
of en in hoeverre de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders toereikend is om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden, en
- 4°
voor zover de eigen kracht van ouders of de jeugdige niet toereikend is, om zo nodig met de inzet van het sociaal netwerk en/of de inzet van een overige of individuele voorziening de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden. Bij de beoordeling van de eigen kracht kijkt de gemeente ook naar belemmerende omstandigheden zoals beperkte taalvaardigheid, armoede of psychische problematiek.
- c.
hoe, als de jeugdige of zijn ouders dat wenst, bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders;
- d.
indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;
- e.
de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoording wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.
- 3.
In het gesprek is ook aandacht voor de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger(s) van de inwoner.
- 4.
Het gesprek vindt afhankelijk van de ondersteuningsvraag telefonisch, op kantoor of bij de inwoner thuis plaats.
- 5.
Indien de inwoner voorafgaand aan het gesprek gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan of familiegroepsplan, dan betrekt de gemeente of de toegangs-partij dit plan bij het gesprek.
- 6.
De gemeente wint, indien zij dat gelet op de ondersteuningsvraag noodzakelijk acht voor het opstellen van een ondersteuningsplan, voorafgaand of na het gesprek, deskundig advies in.
- 7.
Indien de gemeente gebruik maakt van de in het vorige lid genoemde mogelijkheid dan informeert zij de inwoner hier schriftelijk over.
C.
Artikel 4.4.5, zesde lid, wordt als volgt gewijzigd:
- 1.
In onderdeel a wordt “€ 3.900” vervangen door “€ 4.005”.
- 2.
In onderdeel b wordt “€ 2.599” vervangen door “€ 4.938”.
D.
In artikel 4.5.2, tweede lid, wordt “tot aan ten hoogste € 19,00 per maand per huishouden” vervangen door “tot aan maximaal het bedrag zoals genoemd in artikel 2.1.4 derde lid en artikel 2.1.4a vierde lid van de Wmo 2015”.
E.
Artikel 5.1.3 wordt als volgt gewijzigd:
- 1.
In het tweede lid, komt onderdeel b te luiden: “de ingangsdatum, de omvang en de duur van de verstrekking. De duur van de voorziening is altijd tijdelijk van aard en hoeft niet in de volle omvang benut te worden;”.
- 2.
In het tweede lid, komt onderdeel c te luiden: “welke jeugdhulpaanbieder voor de hulp verantwoordelijk is; en”.
- 3.
In het derde lid, komt onderdeel b te luiden: “de ingangsdatum, de omvang en de duur van de verstrekking. De duur van de verstrekking is altijd tijdelijk van aard en hoeft niet in de volle omvang benut te worden indien dit niet nodig is;”.
F.
Aan artikel 5.3.3 wordt een lid toegevoegd, dat luidt:
- 7.
Na afloop van de indicatie kan voor de hulpvormen uit artikel 5.3.1, tweede lid, onder c, d en e waar het lokaal ingekochte jeugdhulp betreft een waakvlamconstructie worden ingezet zodat de jeugdige en/of het gezinssysteem kortdurend nog een beroep kan doen op eerder geboden hulpverlening ter borging van het aangeleerde. Een waakvlamconstructie bestaat uit een maximale inzet van 12 uur gedurende 1 jaar.
G.
Artikel 5.3.4 wordt herschreven en komt te luiden:
Artikel 5.3.4 Aanvullende uitgangspunten voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren
- 1.
Een inwoner kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren als hij in het dagelijks functioneren beperkingen ondervindt in relatie tot een of meerdere van de volgende aspecten:
- a.
het krijgen of behouden van structuur of regie;
- b.
het aanleren van praktische vaardigheden;
- c.
het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid;
- d.
het aanleren van sociale vaardigheden;
- e.
het langdurig ondersteunen bij zijn functioneren en het al dan niet deels overnemen hiervan; en/of
- f.
het leren omgaan met zijn beperkingen.
- 2.
Begeleiding is gericht op activering of ondersteuning van de jeugdige en/of zijn ouder(s).
- 3.
Begeleiding hoeft er niet voor te zorgen dat de problematiek wordt opgelost, maar wel dat de hulpvraag wordt beantwoord door gebruik te maken van de eigen kracht van het gezin en het netwerk daar omheen. Psycho-educatie kan onderdeel zijn van de begeleiding.
- 4.
Voor activerende begeleiding geldt een maximale duur van 1 jaar. Van de jeugdige en zijn ouder(s) wordt verwacht dat zij na het jaar het geleerde kunnen toepassen in de dagelijkse praktijk. De gemeente kan de duur van de begeleiding alleen dan verlengen wanneer de jeugdhulpaanbieder in afstemming met de jeugdige en zijn ouder(s) gemotiveerd onderbouwen waarom het afgesproken resultaat niet is behaald. Dit doen zij door een plan in te dienen bij de gemeente met een overzicht van welke doelen wel en niet behaald zijn met een toelichting. De verlenging duurt niet langer dan maximaal zes maanden.
- 5.
De gemeente kan in individuele gevallen van het vorige lid afwijken.
H.
Artikel 5.3.7 wordt herschreven en komt te luiden:
Artikel 5.3.7 Algemene criteria voor het toekennen van individuele voorzieningen
- 1.
Een individuele voorziening wordt alleen verstrekt:
- a.
als de hulpvrager volgens het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet recht heeft op jeugdhulp van de gemeente Lansingerland;
- b.
voor zover in het onderzoek is vastgesteld dat de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouder(s) niet toereikend is om, zo nodig met de inzet van het sociaal netwerk, zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden;
- c.
voor de hulpvraag geen voorziening bestaat op grond van een andere wettelijke bepaling en/of afgesloten aanvullende verzekering of andere algemene of voorliggende voorziening;
- d.
de inwoner niet vóór de aanvraag al beschikt over de jeugdhulpvoorziening, tenzij er alsnog een aanvraag is gedaan binnen 30 dagen nadat er over de voorziening wordt beschikt of kan worden beschikt en de noodzaak van de voorziening redelijkerwijs nog is vast te stellen;
- e.
als de inwoner of een derde voldoende meewerkt aan het onderzoek als bedoeld in artikel 5.1.2 omdat deze medewerking noodzakelijk is voor de beoordeling van het recht op de voorziening.
- 2.
Onder eigen kracht, als bedoeld in het vorige lid, onderdeel b, en artikel 2.2.3, tweede lid, wordt in ieder geval verstaan:
- a.
gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp van ouders;
- b.
inzet van het sociaal netwerk;
- c.
het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten.
- 3.
Wanneer de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) voortkomt uit evidente gezinsproblematiek, dan wordt actieve inzet van de ouder(s) aan het herstel van de gezinsproblematiek gevraagd. De gemeente kan voor de jeugdige alleen een individuele voorziening verstrekken voor datgeen waar de aanpak bij de jeugdhulp ligt. De gemeente neemt daarbij in overweging dat een eventuele weigering van de voorziening geen nadelige gevolgen mag hebben voor de jeugdige.
- 4.
Van de ouder(s) wordt verwacht dat zij hun eigen kracht vergroten en versterken. Daarbij bespreekt de gemeente met de ouder(s) of de ouder(s):
- a.
oorzaken van overbelasting waar mogelijk wegnemen;
- b.
zorgverlof en andere soorten verlof inzetten;
- c.
werktijden zo mogelijk aanpassen of het werk anders organiseren;
- d.
zo mogelijk gebruik maken van de opvangmogelijkheden van de Wet kinderopvang, zowel voor de jeugdige met een hulpvraag als voor eventueel andere kinderen;
- e.
het sociaal netwerk inzetten en werken aan het vergroten van het sociaal netwerk;
- f.
de jeugdige, indien mogelijk, voltijds onderwijs laat volgen;
- g.
de eigen problematiek verminderen, bijvoorbeeld door het inzetten van begeleiding en coaching trajecten vanuit het voorliggend veld, een beroep doen op de Zorgverzekeringswet voor behandeling, het verminderen van scheidingsproblematiek, etc.
I.
Na artikel 5.3.7 worden twee artikelen toegevoegd, die luiden:
Artikel 5.3.7a Gebruikelijke hulp
- 1.
De gemeente verstrekt geen individuele voorziening als sprake is van gebruikelijke hulp door de ouder(s).
- 2.
Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan de verplichting van de ouder(s) om hun minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden als bedoeld in artikel 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij het gezond en veilig opgroeien van de minderjarige kinderen primair tot de plicht en verantwoordelijkheid van de ouder(s) behoort.
- 3.
Gebruikelijke hulp omvat:
- a.
het ondersteunen bij dagelijkse handelingen zoals eten, drinken, aankleden, persoonlijke hygiëne;
- b.
het bevorderen van zelfredzaamheid en zelfstandigheid en de begeleiding naar volwassenheid;
- c.
het bieden van emotionele ondersteuning en het fysiek en sociaal veilig laten opgroeien van hun kinderen;
- d.
het bieden van zorg die niet standaard bij alle kinderen voorkomt zoals het geven van sondevoeding of medicijnen en het uitvoeren van zorgtaken die langer dan gemiddeld nodig zijn vanwege ziekte, aandoening of beperking;
- e.
het bieden van zorg en toezicht gedurende de hele dag (etmaal) in de nabijheid zonder dat daarbij permanente actieve observatie nodig is;
- f.
het bieden van een passend pedagogisch klimaat;
- g.
het leren omgaan met beperkingen en aandoeningen;
- h.
het bieden van structuur;
- i.
het bieden van begeleiding in het maatschappelijk verkeer; zoals bezoek aan familie, vrienden, school, medische instanties of therapie;
- j.
het bieden van hulp en begeleiding bij ‘normale’ (opvoed/opgroei)hulpvragen en problemen die horen bij de levensfase of als kinderen soms lastig en afwijkend gedrag vertonen.
- 4.
Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder, al dan niet naast fulltime (vrijwilligers)werk of opleiding, de gebruikelijke hulp over. De zorg- en opvoedplicht vervalt niet bij echtscheiding of beëindiging van de relatie.
- 5.
Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp past de gemeente de ‘Richtlijn gebruikelijke zorg’ toe, die als bijlage is opgenomen in deze verordening. Bij de toepassing van de richtlijn neemt de gemeente het volgende in acht:
- •
leeftijd van het kind: jonge kinderen hebben meer zorg nodig van hun ouder(s) dan oudere kinderen;
- •
aard van de hulp: gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen;
- •
frequentie: zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind, zoals drie keer per dag eten, worden als gebruikelijke zorg aangemerkt;
- •
duur: in kortdurende situaties (maximaal drie maanden per jaar) wordt van ouders verwacht dat zij hun kind alle persoonlijke verzorging, begeleiding en verpleegkundige handelingen geven. Bij langdurige situaties valt de gebruikelijke persoonlijke verzorging en begeleiding nog steeds onder gebruikelijke zorg.
- 6.
Een individuele voorziening kan aan de orde zijn als de begeleiding en verzorging de gebruikelijke hulp te boven gaan vanwege:
- •
de zorg voor kinderen met een beperking; en
- •
(dreigende) overbelasting.
- 7.
De gemeente kan beleidsregels opstellen waarin de criteria van dit artikel verder worden uitgewerkt.
Artikel 5.3.7b Bovengebruikelijke hulp
- 1.
Bij bovengebruikelijke hulp gaat het om hulp en zorg die intensiever is dan de gebruikelijke hulp die ouders verplicht zijn aan hun kinderen te bieden als bedoeld in het vorige artikel.
- 2.
Ook als sprake is van bovengebruikelijke hulp voor een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking zijn ouders verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Bij bovengebruikelijke hulp wordt van ouders verwacht dat zij vergaande aanpassingen doen om hun kind gezond en veilig te laten opgroeien.
- 3.
Bij de beoordeling of ouders in staat zijn tot het bieden van bovengebruikelijke hulp stelt de gemeente vast of:
- a.
ouders bekwaam zijn om de noodzakelijke hulp te bieden. Uit onderzoek moet blijken dat ouders daadwerkelijk in staat zijn om de noodzakelijke hulp te bieden aan hun kind en over de benodigde vaardigheden beschikken om adequaat en zorgvuldig te handelen;
- b.
ouders beschikbaar zijn om de noodzakelijke hulp te bieden. Uit onderzoek moet blijken dat ouders daadwerkelijk beschikbaar zijn om de benodigde hulp te kunnen bieden, en
- c.
ouders niet overbelast zijn of dreigen te raken door het bieden van de noodzakelijke hulp, hiervoor geldt het volgende:
- •
bij het onderzoek wordt de draaglast en draagkracht van de ouders beoordeeld. Hierbij wordt ook gekeken naar de gezinssituatie. Onderzocht wordt of ouders naast hun werk en de te verlenen gebruikelijke hulp fysiek en psychisch nog in staat zijn de bovengebruikelijke hulp te verlenen. Hiervoor kan de gemeente extern medisch advies inwinnen;
- •
er moet een aannemelijk verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp die ouders aan de jeugdige bieden. Bij overbelasting door aantoonbare externe factoren, zal hiervoor door ouders een oplossing moeten worden gezocht;
- •
als sprake is van (dreigende) overbelasting, dan kan de gemeente een voorziening verstrekken. Deze voorziening wordt uitgevoerd door een jeugdhulpaanbieder en voldoet aan de eisen zoals gesteld in de jeugdhulpcontract van de gemeenten. In eerste instantie is deze voorziening van korte duur om aan ouders de gelegenheid te bieden de (onderlinge) taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.
- d.
er geen financiële problemen in het gezin ontstaan als de hulp door de ouder(s) wordt geboden.
- 4.
Een individuele voorziening kan aan de orde zijn als uit het beoordelingskader van het vorige lid blijkt dat de ouder(s) niet in staat kunnen worden geacht tot het bieden van bovengebruikelijke hulp aan hun kind.
- 5.
De gemeente kan beleidsregels opstellen waarin de criteria van dit artikel verder worden uitgewerkt.
J.
Na artikel 5.3.12 worden een aantal artikelen toegevoegd, die luiden:
Artikel 5.3.13 Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs
- 1.
Ondersteuning die primair gericht is op (ondersteuning bij) het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling is de verantwoordelijkheid van de school (zorgplicht). Dit geldt ook voor ondersteuning die nodig is op het gebied van opgroei- en opvoedondersteuning om onderwijsdoelen op school te behalen of als de jeugdige extra begeleiding en ondersteuning nodig heeft. De zorgplicht van scholen is dan ook voorliggend op de inzet van jeugdhulp. Indien ondersteuning primair op andere leefgebieden nodig is, dan kan de gemeente een individuele voorziening verstrekken.
- 2.
De gemeente verstrekt ook geen individuele voorziening voor:
- a.
speltherapie die er op is gericht om spelenderwijs leerproblemen aan te pakken;
- b.
observatie, onderzoek of tijdelijke begeleiding door een orthopedagoog of een psycholoog gericht op onderwijs;
- c.
intelligentieonderzoek of intelligentietest gericht op het onderwijs, als bedoeld in artikel 5.3.14, eerste lid;
- d.
het aanschaffen van aangepast lesmateriaal (bijvoorbeeld pictogrammen of braille leerboeken);
- e.
(alle vormen van) remedial teaching, medical teaching en bewegingsonderwijs;
- f.
- g.
begeleiding bij dyslexie. Voor diagnostiek en behandeling bij ernstige dyslexie kan de gemeente een individuele voorziening verstrekken;
- h.
begeleiding bij dyscalculie;
- i.
behandeling bij een leerstoornis gericht op lezen, rekenen, schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid en een leerstoornis NAO (niet anderszins omschreven);
- j.
sociale vaardigheidstraining.
- 3.
Als de hulpvraag zich bevindt op het snijvlak tussen jeugdhulp en onderwijs of als de school jeugdhulp adviseert, dient de school een ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) in. Indien de kern van de hulpvraag naar oordeel van de gemeente over het volgen van of in het onderwijs ligt, dan verstrekt hij geen individuele voorziening. Ook niet wanneer deze ondersteuning mogelijk een bijdrage levert aan de ontwikkeling op andere leefgebieden dan het doorlopen van school.
- 4.
De gemeente treedt bij het verstrekken van een individuele voorziening op basis van de Jeugdwet in overleg met de school.
Artikel 5.3.14 Diagnostisch onderzoek
- 1.
In afwijking van artikel 5.3.13, tweede lid, onder c, kan de gemeente een individuele voorziening verstrekken als het intelligentieonderzoek onderdeel is van een diagnostisch proces in het kader van jeugdhulp.
- 2.
Indien jeugdige of ouders een diagnostisch onderzoek aanvragen, gelden de volgende voorwaarden:
- a.
diagnostiek wordt alleen ingezet wanneer dit naar oordeel van de gemeente in het belang is van de jeugdige en essentieel is voor het vinden van passende ondersteuning;
- b.
de gemeente verstrekt dit onderzoek maximaal één keer per drie jaar om te voorkomen dat te veel of te lang gezocht wordt naar oorzaken bij de jeugdige, terwijl de oorzaak van de problematiek niet bij de jeugdige hoeft te liggen.
- 3.
Indien de ouders van de jeugdige op advies van de school een diagnostisch onderzoek aanvragen, gelden de volgende voorwaarden:
- a.
uit het ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) blijkt het advies van de school aan de ouders voor dit onderzoek. Extra ondersteuning (al dan niet door de school) kan de jeugdige ook krijgen zonder diagnose;
- b.
uit het ontwikkelingsperspectiefplan blijkt voorts wat de school al heeft gedaan om de jeugdige te ondersteunen.
Artikel 5.3.15 Samenwerkingsafspraken met scholen
- 1.
De gemeente maakt afspraken met kinderopvang, peuterspeelzaalwerk, primair en voortgezet onderwijs, en middelbaar beroepsonderwijs over de toegang tot jeugdhulp.
- 2.
De gemeente stemt de samenwerking van het onderwijs en door gemeenten gefinancierde jeugdhulp af met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs in wettelijk verplichte OOGO’s (Op Overeenstemming Gericht Overleg).
K.
In artikel 5.4.1 komt het vierde lid te luiden:
- 4.
Om in aanmerking te kunnen komen voor een Pgb voor dyslexiezorg dient het protocol voor dyslexie op correcte wijze te zijn gevolgd.
L.
Na hoofdstuk 10 wordt de bijlage ‘Richtlijn gebruikelijke zorg’ integraal toegevoegd aan de verordening.
Bijlage Richtlijn gebruikelijke zorg
|
Kinderen van 0 tot ongeveer 3 jaar
|
- •
Hebben 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig;
- •
Hebben volledige overname van zelfzorg nodig;
- •
Hebben voortdurend begeleiding en toezicht nodig.
|
|
Kinderen van 3 tot ongeveer 5 jaar
|
- •
Hebben overdag voortdurend begeleiding en toezicht en overname van zelfzorg nodig;
- •
Hebben ’s nachts soms nog begeleiding en overname van zelfzorg nodig; De zorg voor kinderen vanaf ongeveer 3 jaar kan de gebruikelijke zorg overstijgen als het gaat om een kind met ernstige meervoudige beperkingen (EMB). Kinderen met een EMB hebben een ernstige verstandelijke beperking met een blijvend zeer laag ontwikkelingsperspectief en een ernstige motorische beperking. Meestal is ook sprake van zintuiglijke problemen (waaronder prikkel-verwerkingsstoornissen) en/of somatische aandoeningen (zoals epilepsie, reflux, slikproblemen, luchtweginfecties et cetera).
|
|
Kinderen van 5 tot ongeveer 8 jaar
|
- •
Hebben overdag nog voortdurend begeleiding en aansturing nodig; het toezicht kan op enige afstand plaatsvinden;
- •
Zijn in toenemende mate zelfstandig in de zelfzorg en motoriek;
- •
Hebben overdag op geplande en soms op ongeplande momenten hulp bij of enige overname van zelfzorg nodig.
- •
De zorg voor kinderen vanaf ongeveer 5 jaar kan de gebruikelijke zorg overstijgen als het gaat om een kind dat intensief toezicht (maar geen actieve observatie) nodig heeft in verband met blijvende ernstige ontwikkelingsachterstand in combinatie met (geobjectiveerde) ernstige gedragsproblemen. Of als er een blijvende noodzaak is om de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) volledig over te nemen, in combinatie met blijvende beperkingen in de sociale redzaamheid en cognitief functioneren. Of als er sprake is van een blijvend laag cognitief ontwikkelingsperspectief, in combinatie met beperkingen op meerdere terreinen, zoals bewegen en verplaatsen, ADL, gedrag.
|
|
Kinderen vanaf 8 tot ongeveer 12 jaar
|
- •
Hebben geen 24 uur per dag zorg in de nabijheid meer nodig ter voorkoming van ernstig nadeel;
- •
Zijn in toenemende mate zelfstandig in zelfzorg en motoriek, maar hebben nog wel ondersteuning nodig bij persoonlijke verzorging. Verder kan toezicht kan in toenemende mate op afstand. Bijvoorbeeld bij buitenspelen;
- •
Hebben begeleiding en stimulans van volwassenen nodig om hun zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing te ontwikkelen.
|
|
Kinderen vanaf 12 tot ongeveer 18 jaar
|
- •
Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen. Zij kunnen in toenemende mate alleen gelaten worden. Vaak eerst een tot enkele uren en hoe verder zij zich ontwikkelen hoe langer dat kan. Verder kunnen zij met beperkt toezicht hun zelfzorg uitvoeren. Wel hebben zij bij gebruik van medicatie toezicht, stimulans en controle nodig;
- •
Hebben begeleiding en stimulans van volwassenen nodig om hun zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing te ontwikkelen.
|