Gemeenteblad van Borne
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Borne | Gemeenteblad 2025, 437610 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Borne | Gemeenteblad 2025, 437610 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het college van burgemeester en wethouders van Gemeente Borne maakt op grond van artikel 16.26 Omgevingswet bekend dat de ontwerpwijziging van het "Omgevingsplan gemeente Borne" met ingang van 10 oktober 2025 gedurende zes weken ter inzage ligt.
Besluit;
De ontwerpwijziging van het "Omgevingsplan gemeente Borne" opgenomen in Bijlage A wordt vastgesteld.
Van de terinzagelegging, de termijn voor terinzagelegging en de mogelijkheid om te reageren wordt kennis gegeven in het gemeenteblad en lokale huis-aan-huisbladen.
Aldus vastgesteld door Gemeente Borne, 07‑10‑2025
Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Borne
A
Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk hoofdstukken 3 en 22 van dit omgevingsplan.
B
Hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.1 Bebouwingscontour houtkap
De geometrische begrenzing van de bebouwingscontour houtkap, bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarbinnen de regels over houtopstanden van het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing zijn, is aangeduid met bebouwingscontour houtkap.
Artikel 3.2 Beschermen van bomen en houtopstanden
Het is verboden om een een boom of houtopstand:
die valt onder het verbod tot vellen als bedoeld in artikel 3.3, in het voortbestaan te bedreigen of te laten bedreigen;
boven of onder de grond te beschadigen, te bekladden, te beplakken of te behangen met voorwerpen;
te snoeien, met uitzondering van door het College opgedragen of toegestane boomverzorgende taken.
In situaties als bedoeld bij het eerste lid kan het college aan de eigenaar, of degene die het verbod heeft overtreden of laten overtreden, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen binnen een door het college te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging of verboden situatie wordt opgeheven.
Het verbod als bedoeld in het eerste lid onderdelen b en c geldt niet voor voorwerpen en sfeer verhogende objecten, voor zover deze worden aangebracht op grond van schriftelijke toestemming en in overeenstemming met eventuele bijbehorende voorwaarden van het College.
Artikel 3.3 Vergunningplicht voor het vellen van een houtopstand
Binnen de Bebouwingscontour houtkap is het verboden zonder omgevingsvergunning van het College de volgende handelingen te verrichten of laten verrichten
het vellen van een boom of houtopstand met een stamdiameter van 30 centimeter of meer op 130 centimeter hoogte, waarbij in geval van 'meerstammigheid' de stamdiameter van de dikste stam geldt;
het verrichten van begeleiding snoei van meer dan 25% van het kroonvolume van een boom of houtopstand met een stamdiameter van 30 centimeter of meer op 130 centimeter hoogte;
voor het eerst kandelaberen of knotten van een boom of houtopstand met een stamdiameter van 30 centimeter of meer op 130 centimeter hoogte;
het vellen van een boom of houtopstand, ongeacht de stamdiameter, die is aangelegd op grond van artikel 3.7 opgelegde herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht;
het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte boom of houtopstand, of delen ervan, met een plantenziekte voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden.
Het verbod geldt niet voor bomen of houtopstanden die moeten worden gekapt op grond van de plantenziekte of vanwege een op grond van artikel 172, tweede lid, van de Gemeentewet of artikel 3, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s gegeven bevel.
Wanneer een boom of houtopstand op basis van de Plantgezondheidswet en/of de Verordening (EU) 2016/2031 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten een gevaar oplevert voor verspreiding van een plantenziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders, zoals insecten, is de rechthebbende na een aanschrijving van het college verplicht binnen de door het college gestelde termijn:
de boom of houtopstand te (laten) vellen; en
conform de aangegeven aanschrijving de desbetreffende boom of houtopstand direct zodanig te (laten) behandelen dat verspreiding van de plantenziekte wordt voorkomen.
Artikel 3.5 Indienningsvereisten
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het vellen van een boom of houtopstand moeten de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt:
Een oude en nieuwe situatietekening, aangevuld met recente foto’s;
Een motivatie met argumentatie waaruit blijkt waarom het Vellen noodzakelijk of gewenst is.
Een compensatieplan zoals beschreven in artikel 3.7.
Artikel 3.6 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor het vellen van een boom of houtopstand wordt geweigerd indien de belangen die gemoeid zijn bij het vellen niet opwegen tegen de belangen van behoud van de boom of houtopstand. Bij deze belangenafweging worden de in bijlage III 3.1 Boomwaarderingstabel opgenomen beoordelingscriteria betrokken.
De beoordeling geschiedt aan de hand van een puntsgewijze waardering per criterium. De volgende criteria worden beoordeeld:
In afwijking van het eerste lid wordt de omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand verleend indien de betreffende boom of houtopstand op grond van de geldende beoordelingssystematiek een slechte toekomstverwachting heeft (0 punten).
In afwijking van het eerste lid kan het college vergunning verlenen voor het vellen van een houtopstand indien sprake is van zwaarwegende belangen op het terrein van ruimtelijke ordening.
Een omgevingsvergunning voor het vellen van een boom of houtopstand wordt geweigerd indien de aanvraag is gebaseerd op het plaatsen of belichten van zonnepanelen, zonnecollectoren en kleine windmolens, bladval, vruchtval, schaduwwerking of worteldruk, tenzij sprake is van een direct gevaar of ernstige schade aan eigendommen.
Het college kan aan het verlenen van een omgevingsvergunning voorschriften en voorwaarden verbinden. Tot deze voorwaarden behoort in ieder geval een verplichting tot compensatie van de te vellen boom of houtopstand overeenkomstig de bepalingen zoals opgenomen in artikel 3.7. De omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien de compensatie is vastgelegd in een door het college goedgekeurd compensatieplan als bedoeld in artikel 3.7.
Een omgevingsvergunning voor het vellen van een boom of houtopstand wordt niet geweigerd indien de aanvraag aantoonbaar is gebaseerd op een geslaagd vorderingsrecht van een derde jegens de aanvrager uit hoofde van het bepaalde in artikelen 5:37 en/of 5:42 en/of 5:44 van het Burgerlijk Wetboek.
Voor alle vergunningsplichtige handelingen zoals vermeld in artikel 3.3 is een compensatieverplichting van toepassing. Deze compensatie kan bestaan uit:
Fysieke herplanting van bomen of houtopstanden, waarbij de omvang van compensatie wordt bepaald op basis van het boomkroonvolume; en/of,
financiële groencompensatie, indien fysieke herplant van bomen of houtopstanden op locatie (deels) niet mogelijk is.
De compensatieverplichting, zoals bedoeld in het eerste lid, houdt in dat de aanvrager van een omgevingsvergunning bij de aanvraag een compensatieplan dient aan te leveren, welk compensatieplan ten minste het volgende bevat, op basis van beschrijving in bijlage III (3.4 Compensatie):
Een voorstel voor fysieke herplant, dan wel – indien fysieke herplant op of nabij de locatie van de te vellen boom of houtopstand aantoonbaar niet mogelijk is – een voorstel voor financiële groencompensatie;
De omvang van het boomkroonvolume van de te vellen boom of houtopstand en het voorgestelde boomkroonvolume van de herplant;
De beoogde locatie(s), aantal en soort(en) van de te herplanten bomen;
In geval van financiële groencompensatie: een motivering waaruit blijkt dat fysieke compensatie niet mogelijk is, en een voorstel voor het bedrag van financiële groencompensatie.
Indien de aanvrager op het moment van indiening van de aanvraag niet in staat is een volledig compensatieplan op te stellen, kan in de aanvraag worden volstaan met een motivering en een voorlopige aanduiding van de voorkeur voor fysieke of Financiële compensatie. In dat geval wordt het definitieve compensatieplan opgesteld in overleg met het college.
De omvang van de compensatieverplichting wordt door het college vastgesteld op basis van het boomkroonvolume van de te vellen boom of houtopstand, zoals uitgewerkt in bijlagen III (3.2 Boomkroonvolume (BKV) volgens Boommonitor (Norminstituut Bomen) en 3.3 Kenmerken boomsoorten volgens Boommonitor (Norminstituut Bomen)) . Het college kan nadere voorwaarden en voorschriften verbinden aan deze compensatieverplichting
Het College kan gemotiveerd besluiten af te wijken van de (vereiste omvang van de) compensatieverplichting, indien daartoe gegronde omstandigheden aanleiding geven.
Ten minste vier weken voor de aanvang van de uitvoering van het in artikel 3.7 bedoelde compensatieplan, meldt de vergunninghouder dit aan het college.
De melding geschiedt schriftelijk of langs elektronische weg.
Bij de melding als bedoeld in het voorgaande lid verstrekt de vergunninghouder in ieder geval de volgende gegevens:
een exemplaar van het goedgekeurde compensatieplan als bedoeld in artikel 3.7;
de locatie waar het compensatieplan zal worden uitgevoerd;
de geplande start- en einddatum van de uitvoering;
de naam en contactgegevens van de uitvoerder van het compensatieplan.
Artikel 3.9 Herplantplicht voor kappen zonder omgevingsvergunning
Als een houtopstand zonder omgevingsvergunning, in strijd met artikel 3.3, is geveld, dan wel op andere wijze door actief handelen teniet is gegaan, kan het college aan de eigenaar van de grond waarop de houtopstand zich bevond of aan een ander die bevoegd is om voorzieningen te treffen, met een maatwerkvoorschrift de verplichting opleggen zo snel mogelijk maar in ieder geval binnen 14 maanden de gevelde houtopstand te vervangen, waarbij de regels in artikel 3.7 gelden.
Het college stelt een bijzondere bomenlijst vast, die om de vijf jaar wordt geactualiseerd.
Het gemeentelijke bomenbestand wordt periodiek beoordeeld op basis van de beschrijving van beleidsklasse I en ll uit het handboek bomen om te bepalen of een gemeentelijke boom op de bijzondere bomenlijst moet worden vermeld.
Iedereen kan een boom voor de bijzondere bomenlijst voordragen. De boomtechnisch adviseur toetst of de boom de bijzondere status verdient. De toetsing van de boomtechnisch adviseur wordt door het College meegewogen in het besluit om een boom of houtopstand op te nemen in de bijzondere bomenlijst.
Particuliere bijzondere bomen worden door de gemeente betrokken in de reguliere inspectiecyclus. Het college kan in dit kader met de particuliere eigenaar een convenant onderhoud bijzondere bomen aangaan.
Artikel 3.18 Aanwijzing bijzondere bomen
De locaties van de bijzondere bomen zijn vastgelegd in de gebiedsaanwijzing Bijzondere bomen
De bomen die door het college zijn aangewezen en op de bijzondere bomenlijst zijn opgenomen, worden opgenomen in de gebiedsaanwijzing Bijzondere bomen.
Artikel 3.11 Bijzondere indieningsvereisten vellen van een bijzondere boom
In aanvulling op artikel 3.5 geldt dat bij een aanvraag voor het vellen van een boom of houtopstand die is vermeld op de bijzondere bomenlijst, de volgende aanvullende stukken dienen te worden overgelegd:
Artikel 3.12 Bijzondere beoordelingsregels vellen van een bijzondere boom
In aanvulling op artikel 3.6 geldt dat bij een aanvraag voor het vellen van een boom of houtopstand die is opgenomen op de bijzondere bomenlijst, slechts vergunning kan worden verleend indien sprake is van zwaarwegende redenen. Het college kan de vergunning uitsluitend verlenen in de volgende gevallen:
Artikel 3.13 Zorgplicht werken bij bomen
Een ieder die werkzaamheden verricht op of nabij een boom of boombeschermingszone, is gehouden de nodige zorgvuldigheid te betrachten om te voorkomen dat door die werkzaamheden schade ontstaat aan de boom of diens groeiplaats.
Artikel 3.14 Voorschriften werken bij bomen
Indien een omgevingsvergunning wordt verleend voor een activiteit binnen of in de nabijheid van een boom of boombeschermingszone, kan het bevoegd gezag aan die vergunning voorschriften verbinden die strekken tot bescherming van de boom of diens groeiplaats.
De in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:
het instellen en fysiek markeren van een boombeschermingszone met een deugdelijk hekwerk;
het in stand houden van de bestaande situatie binnen de boombeschermingszone;
het opstellen en naleven van een werkplan;
het uitvoeren van een boom effect analyse (BEA) of gelijkwaardig onderzoek;
et treffen van maatregelen bij werkzaamheden die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de boom of diens groeiplaats.
Artikel 3.15 Intrekken of wijzigen omgevingsvergunning
De verleende omgevingsvergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd als:
Artikel 3.16 Vervaltermijn vergunning
De omgevingsvergunning tot vellen als bedoeld in artikel 3.3 vervalt indien daarvan niet binnen één jaar na het onherroepelijk zijn van de omgevingsvergunning volledig gebruik is gemaakt.
In bijzondere gevallen kan het college een andere vervaltermijn stellen.
Artikel 3.17 Overgangs- en slotbepalingen
Op aanvragen om een omgevingsvergunning die zijn ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, blijft de Bomenverordening Borne 2010 van toepassing. Voor zover op die aanvragen op het tijdstip van inwerkingtreding nog niet is beslist, wordt daarop beslist met inachtneming van het bepaalde in de Bomenverordening Borne 2010.
Op vergunningaanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 3 van het omgevingsplan zijn de regels van toepassing die golden op de dag waarop de gemeente de aanvraag heeft ontvangen.
C
Artikel 22.299 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Gereserveerd]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, identificeert de aanvrager op de aanduiding, bedoeld in artikel 7.3, onder d, van de Omgevingsregeling, iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer.
Per genummerde houtopstand worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de soort houtopstand;
de locatie van de houtopstand op het voor-, zij-, of achtererf;
de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; en
de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.
D
Na het lichaam wordt een bijlage ingevoegd, luidende:
/join/id/regdata/gm0147/2025/7605636bf2f143ce9b0b61fe4abe829b/nld@2025‑10‑06;10395229
E
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van hoofdstukhoofdstukken 3 en 22 wordt verstaan onder:
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
Het Alternatievenonderzoek bestaat uit scenario’s qua planvorming en/of werkzaamheden die boomvriendelijk zijn. Ook een verplantingsonderzoek is onderdeel van het Alternatievenonderzoek;
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
Het snoeien dat primair is gericht op het verwijderen en voorkomen van probleemtakken binnen de kroon, zoals het steeds tijdig verwijderen van te dikke takken en het stelselmatig opkronen van de tijdelijke kroon. Bij deze snoei wordt de methodiek gehanteerd zoals beschreven in hoofdstuk 8 van het Handboek Bomen. Begeleiding snoei wordt ook wel “jeugdsnoei” genoemd;
Bomen of houtsopstanden die op de Bijzondere bomenlijst staan;
Op deze lijst staan individueel aangewezen Monumentale Bomen of Houtopstanden en Waardevolle Bomen of Houtopstanden. Ook particuliere Bomen kunnen worden aangedragen;
De BEA is een instrument dat ingezet wordt om de effecten op Bomen bij (voorgenomen) bouw- en/of reconstructieplannen in beeld te brengen en te beoordelen of en op welke wijze de negatieve effecten zijn te minimaliseren;
De boombeschermingszone is de Kwetsbare boomzone die volledig of gedeeltelijk wordt afgeschermd om schade aan de Boom en zijn groeiplaats te voorkomen. Deze zone omvat de stam, stamvoet, bovengrondse wortelaanzetten en zichtbare wortelaanlopen;
Het boomkroonvolume (BKV) is een belangrijke maatstaf die aangeeft hoeveel ruimte de kroon van een boom inneemt. Het wordt uitgedrukt in kubieke meters (m³) en is gebaseerd op de afmetingen van de boomkroon, zoals de diameter en hoogte;
Persoon in het bezit van een ETT (European Tree Technician) certificaat of aantoonbaar vergelijkbaar kennisniveau;
Een boomwaarderingstabel zoals is opgenomen in bijlage 1 bij deze Bomenverordening;
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
Vanuit dit Compensatiefonds wordt het onderhoud van Bijzondere Bomen en de financiering van groene projecten bekostigd. Het fonds draagt zo bij aan het behoud, herstel en de versterking van de groene leefomgeving:
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
De compensatie van een Boom middels het betalen van een financieel bedrag, waarbij de financiële waarde van de te compenseren Boom wordt vastgesteld op basis van het huidige BoomKroonVolume (BKV), uitgedrukt in kubieke meters, en voor iedere 1000 m³ BKV een compensatiebedrag van € 250,-- geldt;
gebouw:
dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
het Handboek Bomen 2022, zoals gepubliceerd op www.norminstituutbomen.nl;
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
(Terug)snoeien tot op de hoofdtakken van een Boom, alle gesteltakken worden tot tussen de 35 en 50% van de taklengte ingekort, resterende takken worden kort gezet;
Hierbij wordt de kroon van de Boom periodiek teruggezet tot op de centrale (stam)knot. Dit betekent dat alle takken van de kroon worden gesnoeid tot op de stam, waardoor de Boom een karakteristieke knotvorm krijgt;
De kroonprojectie is het oppervlakte/gebied rondom de Boom die de kroon van een Boom beslaat wanneer deze van bovenaf wordt bekeken en wordt bepaald door de buitenste rand van de takken;
De Kwetsbare Boomzone is de zone die de Kroonprojectie van een Boom, en tot 1,5 meter daarbuiten, beslaat;
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
Boom of Houtopstand met een leeftijd van ten minste 80 jaar, een herdenkingsboom, veteranenboom, Boom met dendrologische waarde of zeldzame Boom. De Bomen of Houtopstanden met deze status zijn gelijk aan de “Beleidsklasse I” Bomen, zoals vermeld in het Handboek Bomen;
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
Elke verstoring van de gezondheid, groei of ontwikkeling van planten of plantaardige producten, veroorzaakt door een schadelijk organisme, zoals bedoeld in de Plantgezondheidswet en/of de Verordening (EU) 2016/2031 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten;
Boom of Houtopstand met een leeftijd van ten minste 50 jaar. De Bomen of Houtopstanden met deze status zijn gelijk aan de “Beleidsklasse II” Bomen, zoals vermeld in het Handboek Bomen 2022;
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.;
Een door de initiatiefnemer op te stellen document waarin alle benodigde maatregelen en randvoorwaarden worden beschreven die vooraf, tijdens en eventueel na werkzaamheden rond Bomen moeten worden uitgevoerd. Het doel van dit plan is om een verantwoorde en duurzame inpassing van de te behouden Bomen te waarborgen. Het werkplan bevat onder andere – maar niet uitsluitend – informatie over de tijdsplanning en tijdsduur van de werkzaamheden, de werkmethoden die zullen worden toegepast en de wijze waarop de werkzaamheden, diensten of leveringen plaatsvinden.
F
Na bijlage II wordt een bijlage ingevoegd, luidende:
/join/id/regdata/gm0147/2025/c064b5d772544a04bca341997af44461/nld@2025‑10‑06;10395229
/join/id/regdata/gm0147/2025/ea599216f0814bc6b8bd020f60a1caa8/nld@2025‑10‑06;10395229
/join/id/regdata/gm0147/2025/4d4b6f0dc19e4be39679ed070cd2ed99/nld@2025‑10‑06;10395229
/join/id/regdata/gm0147/2025/8b14da31eab144c69e803b666a4987f4/nld@2025‑10‑06;10395229
G
Na sectie ' Begripsbepalingen' worden zestien secties ingevoegd, luidende:
Bomen zijn een onmisbaar onderdeel van de leefomgeving in de gemeente Borne. Ze dragen bij aan de biodiversiteit, zorgen voor verkoeling en waterberging, verbeteren de luchtkwaliteit, bieden leefruimte aan flora en fauna en versterken het karakter en de beleving van de openbare ruimte. Daarnaast hebben veel Bomen een landschappelijke, cultuurhistorische of sociale waarde.
Met de vaststelling van het Omgevingsplan gemeente Borne – thema groen, onderstreept de gemeente Borne het belang van een zorgvuldige omgang met Bomen binnen de Bebouwingscontour. Deze regels bieden het juridisch kader voor het beschermen, behouden, onderhouden en – waar noodzakelijk – verantwoord verwijderen of verplaatsen van Bomen. Het sluit aan op landelijke richtlijnen (zoals die van het Norminstituut Bomen) en is gericht op een duurzame, toekomstgerichte omgang met het gemeentelijk en particulier Bomenbestand en op het versterken van het Boomkroonvolume.
Er is onderscheid gemaakt tussen algemene regels voor het Vellen van Bomen en aanvullende bepalingen voor Bijzondere Bomen en werkzaamheden in de directe omgeving van Bomen. Daarbij is specifiek aandacht besteed aan:
de bescherming van Monumentale en Waardevolle Bomen en Houtopstanden via opname op de Bijzondere bomenlijst;
het zorgvuldig uitvoeren van werkzaamheden nabij Bomen, zoals bouwactiviteiten of graafwerk, via een Werkplan of Boom effect analyse (BEA);
het helder en objectief beoordelen van aanvragen voor een omgevingsvergunning om een Boom of Houtopstand te Vellen met behulp van toetsingscriteria op het gebied van waarden;
een duidelijke compensatieregeling indien Vellen onvermijdelijk is.
Deze regels zijn opgezet met het oog op rechtsgelijkheid, transparantie en praktische uitvoerbaarheid. Voor burgers, bedrijven én de gemeente moet duidelijk zijn onder welke voorwaarden een Boom behouden, verplant of verwijderd mag worden. De toelichting die volgt per artikel biedt nadere uitleg bij de begrippen, beoordelingsregels, procedures en beleidsafwegingen. Zo kunnen aanvragen zorgvuldig worden voorbereid, ingediend en beoordeeld.
Dit artikel beschrijft de beschermingsregels voor gemeentelijke bomen en houtopstanden. Het is verboden om deze:
te bedreigen in hun voortbestaan of schade toe te brengen;
fysiek te beschadigen, bekladden, beplakken of behangen met voorwerpen, zowel boven als onder de grond;
te snoeien zonder toestemming van het college, tenzij dit valt onder reguliere onderhoudstaken zoals opgedragen door het college.
Wanneer een dergelijke overtreding plaatsvindt, kan het college de eigenaar of overtreder verplichten om herstelmaatregelen te nemen binnen een vastgestelde termijn. In specifieke situaties kan toestemming worden verleend voor sfeer verhogende objecten, mits dit schriftelijk is goedgekeurd door het College.
Dit artikel beschrijft de regels en beperkingen met betrekking tot het kappen, snoeien, verplaatsen en behandelen van bomen en houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap. De gemeente reguleert deze handelingen om bomen en houtopstanden te beschermen en het behoud van het stedelijk groen te waarborgen. Deze regels zijn van toepassing binnen de bebouwingscontour houtkap. Buiten deze contour gelden de rijksregels uit het BAL afdeling 11.3
In dit artikel wordt ook gesproken over begeleiding snoei. Begeleidingssnoei (ook wel ‘jeugdsnoei’ genoemd) is primair gericht op het verwijderen en voorkomen van probleemtakken binnen de tijdelijke kroon, zoals het steeds tijdig verwijderen van te dikke takken en het stelselmatig opkronen van de tijdelijke kroon. In onderstaande afbeelding zie je een voorbeeld van de tijdelijke kroon. De tijdelijke kroon is het kroongedeelte van een boom dat zich onder de beoogde opkroonhoogte bevindt. Dit deel van de kroon blijft aanwezig totdat de gewenste opkroonhoogte (eindbeeld) is bereikt.
Het proces:
Binnen de Omgevingswet geldt in de regel dat een omgevingsvergunning pas mag worden uitgevoerd als deze in werking is getreden. Dat werkt zo:
De Plantgezondheidswet en de Verordening (EU) 2016/2031 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten zijn gericht op het beschermen van de gezondheid van planten en gewassen tegen ziekten en plagen. Deze wet- en regelgeving is bedoeld om schade aan landbouwgewassen, natuur en stedelijk groen te voorkomen door de introductie en verspreiding van schadelijke organismen (zoals plantenziekte, virussen, schimmels, insecten en andere plagen) tegen te gaan. Naast Velling kan ook quarantaine of sanering van toepassing zijn.
Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning tot vellen dienen een aantal documenten te worden overgelegd. Bij particuliere projecten betreft dit een huidige situatietekening, nieuwe situatietekening en compensatieplan.
De oude situatietekening laat zien hoe de situatie er uitziet op het moment van het aanvragen van de omgevingsvergunning. Deze huidige situatie moet ook worden vastgelegd in foto’s.
De nieuwe situatietekening laat zien hoe de situatie eruitziet na het vellen, verplanten of wijzigen van de boom of houtopstand. Deze tekening moet de volgende elementen bevatten:
Duidelijke markering van welke bomen of houtopstanden worden gekapt, welke worden verplant en welke behouden blijven.
Voor te verplanten bomen of houtopstanden moet de nieuwe locatie exact worden aangeduid.
Ook dient er een compensatieplan te worden overgelegd. Het compensatieplan bevat ten minste:
Een voorstel voor fysieke herplant, dan wel – indien fysieke herplant op of nabij de locatie van de te vellen boom of houtopstand aantoonbaar niet of deels niet mogelijk is – een voorstel voor financiële groencompensatie;
De omvang van het boomkroonvolume van de te vellen boom of houtopstand en het voorgestelde boomkroonvolume van de herplant;
De beoogde locatie(s), aantal en soort(en) van de te herplanten bomen of houtopstanden;
In geval van financiële groencompensatie: een motivering waaruit blijkt dat fysieke compensatie niet mogelijk is, en een voorstel voor het bedrag van financiële groencompensatie.
Wanneer de aanvrager nog onbekend is met de omvang van de compensatie kan bij de aanvraag aangegeven worden op welke wijze de aanvrager compensatie wenst te voldoen; fysiek of financieel. Vervolgens brengt het college een advies uit voor het invullen van de compensatie die door aanvrager kan worden ingediend bij de aanvraag.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het vellen van een boom of houtopstand wordt een objectieve beoordeling uitgevoerd op basis van een puntensysteem. Dit beoordelingssysteem is opgesteld om de waarde van een boom of houtopstand zorgvuldig en transparant te bepalen.
Systematiek:
De beoordeling gebeurt aan de hand van acht criteria, elk met een vaste puntentoekenning. Deze criteria zijn:
Toekomstverwachting
Te bereiken boomkroonvolume
Natuurwaarde
Landschappelijke waarde
Cultuurhistorische waarde
Waarde voor stads- en dorpsschoon
Waarde voor leefbaarheid
Dendrologische waarde
Als de toekomstverwachting van de boom als slecht wordt beoordeeld (0 punten), worden de overige criteria niet meer meegenomen. In dat geval wordt de vergunning voor het vellen verleend.
Compensatie is verplicht wanneer de situatie zich voordoet zoals beschreven in artikel 3.4. Gelijkwaardige compensatie is daarbij het uitgangspunt. Gelijkwaardigheid is gericht op het volume (bovengronds en ondergronds) en de waarden van het verloren gegane groen.
Wanneer compensatie binnen de projectgrenzen/kavelgrens niet mogelijk is, kan gekozen worden voor compensatie elders of voor financiële groencompensatie. De financiële waarde van een boom of houtopstand wordt vastgesteld op basis van het boomkroonvolume (BKV), uitgedrukt in kubieke meters. Voor iedere 1000 m³ BKV geldt een compensatiebedrag van € 250,--. Het totaalbedrag aan financiële compensatie wordt berekend door het BKV van de te vellen boom of houtopstand te vermenigvuldigen met dit vaste tarief, en afgerond op hele euro’s. Deze compensatie wordt gestort in het compensatiefonds.
In het compensatieplan moet worden aangegeven waar herplant plaatsvindt. Daarbij moet ook de soort vermeld worden en de stamdiameter. De mogelijkheid bestaat om in gesprek te gaan met de beleidsadviseur groen van de gemeente Borne om te bepalen welke Boom of Houtopstand geschikt is op de voorgenomen locatie.
Het opstellen van een compensatieplan bij het vellen van bomen of houtopstanden verloopt in hoofdlijnen volgens vier stappen:
Inventarisatie: Er wordt een overzicht gemaakt van de te vellen bomen of houtopstanden. Per boom of houtopstand worden de soort, leeftijd, kenmerken en het bijbehorende boomkroonvolume (BKV) vastgelegd.
Bepaling huidig BKV: Het totale BKV van alle te vellen bomen of houtopstanden wordt berekend. Dit vormt de basis voor de omvang van de compensatie.
Compensatieplan herplant: Voor de nieuwe aanplant wordt per boom of houtopstand vastgelegd welke soort wordt gekozen, welke kenmerken daarbij horen en welk BKV de boom of houtopstand zal bereiken op dezelfde leeftijd als de te vellen exemplaren.
Controle compensatie: Het totaal aan nieuw te realiseren BKV moet minimaal 10% meer zijn dan het BKV dat verloren gaat. Indien dit niet volledig kan worden gecompenseerd door herplant binnen de project- of kavelgrenzen, kan aanvullende financiële compensatie plaatsvinden.
Aanvullend gelden regels voor herplant, zoals een nazorgtermijn van drie jaar, eisen aan plantmaat, en het opnemen van een overzicht en tekening in het compensatieplan. Het College beoordeelt het plan en neemt dit, na akkoord, op in de omgevingsvergunning.
Voor de nadere uitwerking van dit proces en de toepasselijke bepalingen wordt verwezen naar bijlage III (3.4 Compensatie).
Dit artikel legt de verantwoordelijkheid bij de aanvrager om de start van de compensatiewerkzaamheden, zoals beschreven in artikel 3.7, tijdig te melden bij het College. Deze meldingsplicht is van belang om toezicht te houden op de correcte uitvoering van de werkzaamheden en eventuele begeleiding door het College mogelijk te maken. Het zorgt ervoor dat het College op de hoogte is van de voortgang en eventuele problemen tijdig kan signaleren en oplossen.
Via elektronische weg kan de melding gedaan worden via het e-mailadres info@borne.nl, of via het omgevingsloket.
Dit artikel regelt de verplichting tot herplant indien een houtopstand zonder de vereiste omgevingsvergunning wordt geveld of op andere wijze door actief menselijk handelen verloren gaat. Het uitgangspunt is dat het illegaal verwijderen van bomen of houtopstanden niet mag leiden tot een blijvend verlies van groen in de leefomgeving.
Het college kan in dergelijke gevallen een maatwerkvoorschrift opleggen aan de eigenaar van de grond, of aan een andere partij die bevoegd is voorzieningen te treffen. Daarmee wordt juridisch geborgd dat de gevelde houtopstand binnen een redelijke termijn – maximaal 14 maanden – wordt vervangen door nieuwe aanplant.
Voor deze vervanging gelden de regels die in artikel 3.7 zijn opgenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat de herplant kwalitatief en kwantitatief aansluit bij de uitgangspunten van de verordening, zoals de omvang van het boomkroonvolume, de plantmaat en de nazorg.
De gemeente stimuleert het behoud van monumentale of waardevolle bomen en houtopstanden door deze op te nemen in de bijzondere bomenlijst.
De bijzondere bomenlijst bestaat uit gemeentelijke en particuliere monumentale en waardevolle bomen en houtopstanden. Monumentale bomen zijn bomen en houtopstanden met een leeftijd van ten minste 80 jaar, een herdenkingsboom, veteranenboom, boom met dendrologische waarde of zeldzame boom. De bomen en houtopstanden met deze status zijn gelijk aan de “Beleidsklasse I” bomen, zoals vermeld in het handboek bomen.
Waardevolle bomen zijn bomen en houtopstanden met een leeftijd van ten minste 50 jaar. De bomen en houtopstanden met deze status zijn gelijk aan de “Beleidsklasse II” bomen, zoals vermeld in het handboek bomen.
De leeftijd van Bomen en houtopstanden kan worden ingeschat met deze rekenformule:
Stap 1: omtrek meten op 130 cm boven de grond.
Stap 2: diameter berekenen middels formule: omtrek gedeeld door 3,14 (∏).
Stap 3: leeftijd van de boom of houtopstand bij benadering bepalen.
De leeftijd van de boom of houtopstand kan berekend worden door de diameter te vermenigvuldigen met de groeifactor.
De groeifactoren voor courante bomen en houtopstanden zijn:
1,5 voor snelgroeiende bomen zoals populier, iep, wilg of zilveresdoorn;
2 voor fruitbomen, berken, dennen (grove, zwarte, witte, rode, Oostenrijkse), lariks, rode esdoorn, linde;
2,5 voor spar, beuk en es;
3 voor eik, notelaar en kastanjeboom. Bomen die langzamer groeien.
De vaststelling en actualisatie van de bijzondere bomenlijst gebeurt eens in de vijf jaar. Gemeentelijke Bomen worden beoordeeld door een extern ingehuurde boomtechnisch adviseur. Eigenaren van particuliere bomen kunnen hun boom aanmelden waarna deze door de boomtechnisch adviseur worden beoordeeld. Bij een positieve beoordeling wordt de boom opgenomen op de bijzondere bomenlijst en wordt een convenant gesloten met de inwoners. In dit convenant staat beschreven dat de gemeente Borne deze boom conform gemeentelijke beleid jaarlijks of eens per 3 jaar inspecteert en onderhoudt.
Iedereen kan schriftelijk of per mail (info@borne.nl) een boom voordragen; de boomtechnisch adviseur beoordeelt deze en adviseert het college; het college besluit al dan niet tot opname op de lijst. De lijst wordt online gepubliceerd op de website en de bijzondere bomen zijn daarnaast te vinden in het omgevingsplan.
Bomen hebben veel ruimte nodig. Zowel boven als onder de grond is sprake van een ‘Kwetsbare Boomzone’. Boven de grond zijn het vooral de stam en de kroon die ruimte vragen, onder de grond zijn het de wortels. Soms zijn de wortels zelfs breder dan de kroon. De bodem en wortels kunnen dan ook gemakkelijk beschadigd raken wanneer er onder of rond de boom wordt gewerkt of gegraven. Dat kan gevaarlijk zijn, omdat de boom kan omvallen als er grote wortels worden doorgehakt. Ook kunnen door wortelverlies en wortelschade stress en ziekten ontstaan bij de boom, die ervoor zorgen dat hij afsterft of veel blad verliest. Je ziet dat vaak pas vele jaren later en dan is het al te laat. Het is dus belangrijk de boom vooraf goed te beschermen. Dit wordt aangeduid met de kwetsbare zone/ boombeschermingszone. In onderstaande afbeelding is dit weergeven.
Boombeschermingszone:
Deze afbeelding geeft de kwetsbare boomzone weer. De kwetsbare boomzone is gelijk aan de Boombeschermingszone.
Werkplan
Een werkplan is een document waarin alle benodigde maatregelen en randvoorwaarden worden beschreven die vooraf, tijdens en eventueel na werkzaamheden rond bomen moeten worden uitgevoerd. Het doel van dit plan is om een verantwoorde en duurzame inpassing van de te behouden bomen te waarborgen. Het werkplan bevat onder andere informatie over; de tijdsplanning en tijdsduur van de werkzaamheden, de werkmethoden die zullen worden toegepast en de wijze waarop de werkzaamheden, diensten of leveringen plaatsvinden.
Bomen Effect Analyse (BEA)
Bij de uitvoering van (bouw)werkzaamheden rond bomen is de bescherming van bomen essentieel. Veel werkzaamheden mogen dus niet of niet te dicht bij de boom plaatsvinden, omdat ze bedreigend zijn voor de gezondheid van de boom. Het is belangrijk om vooraf te weten wat de effecten zijn van het werken rondom bomen. Dat gebeurt door een zogeheten boom effect analyse (BEA) uit te voeren. Een BEA brengt in kaart waar de bomen staan, wat de gevolgen van werkzaamheden zijn en welke randvoorwaarden en beschermingsmaatregelen nodig zijn. Een BEA moet ook worden uitgevoerd wanneer de grondwaterstand wordt gewijzigd door bijvoorbeeld pompen of bronbemaling binnen 100 meter van de boombeschermingszone.
De BEA is een instrument dat ingezet wordt om de effecten op bomen bij (voorgenomen) bouw- en/of reconstructieplannen in beeld te brengen en te beoordelen of en op welke wijze de negatieve effecten zijn te minimaliseren. Met behulp hiervan wordt beoordeeld of een duurzame instandhouding van de boom of bomen mogelijk is, in geval van realisatie van de voorgenomen plannen.
Een BEA moet opgesteld worden door een onafhankelijke, gecertificeerde European Tree Technician (ETT) of iemand met aantoonbaar vergelijkbare kennis en ervaring.
Om een goed inzicht te krijgen in de (on)mogelijkheden van het duurzaam in stand houden van een boom of bomen, moeten de onderstaande onderwerpen aan de orde komen in de BEA.
1. Inleiding
De aanleiding voor het uitvoeren van de BEA en de vraagstelling vanuit de voorgenomen bouw- of reconstructieplannen.
2. Bomeninventarisatie
De Bomeninventarisatie bevat per Boom de volgende gedetailleerde informatie:
Boomsoort (Nederlandse en wetenschappelijke naam);
leeftijd. Indien het jaar van aanplant niet bekend is, dan volstaat een inschatting van de leeftijd met een nauwkeurigheid van treden van 5 jaar;
Boomhoogte (< 6m / 6-9m / 9-12m / 12-15m / 15-18m / 18-24m / >24m);
stamomtrek, gemeten in centimeters op 1,3 meter hoogte;
kroondiameter huidig en potentiële kroondiameter wanneer de Boom zijn eindbeeld heeft bereikt op de betreffende locatie bij gelijkblijvende omstandigheden. Dit wordt uitgedrukt in meters;
kroonvorm (afwijkend ja / nee. Indien ja: aard van de afwijking, bijv. knotboom);
stamvorm (bijv. meerstammig of beveerd);
aanwezigheid van gebreken ja/nee. Wat is de kwaliteit van de kroon, stam en stamvoet? Indien ja: beschrijving van de gebreken (ziekten, aantastingen, schade, verzwakkingssymptomen);
aanwezigheid van Boomholten en grote nesten ja/nee. Indien ja: beschrijving toevoegen;
conditie (goed / redelijk / matig / slecht / zeer slecht / dood). Indien matig of slechter dient een toelichting en duiding van de oorzaak opgenomen te worden;
toekomstverwachting, volgens de richtlijnen van de NVTB (goed: > 15 jaar / redelijk: 5-15 jaar / matig: 5-15 jaar, toestand van de Boom duidelijk verminderd, maar herstel is eventueel mogelijk / slecht: 0-5 jaar, toestand van de Boom is minimaal of nihil en herstel van de Boom is niet of nauwelijks mogelijk). Indien de toekomstverwachting 5 tot 15 jaar is, zijn er dan mogelijkheden om de toekomstverwachting te laten toenemen? Zo ja, welke mogelijkheden betreft het, wat zijn bij benadering de kosten en met hoeveel jaar neemt de toekomstverwachting toe;
standplaats (o.a. gras/beplanting/verharding).
Als meerdere Bomen in de BEA worden onderzocht, dan dienen de Bomen ter identificatie genummerd te worden.
3. Situatiebeschrijving
Een beschrijving, gepaard gaande met duidelijke tekeningen, van de bestaande en de nieuwe situatie, die ontstaat als gevolg van de bouw- of reconstructieplannen.
4. Onderzoek en bevindingen
Hier wordt aangegeven wat er nodig is om, tijdens de bouw- en of aanlegwerkzaamheden en daarna van een gezond Bomenbestand te kunnen spreken. Het onderzoek richt zich op de Bomen die aanwezig zijn in het projectgebied, maar ook andere Bomen die vallen binnen de invloedsfeer van het project moeten worden onderzocht. Denk hierbij aan zaken als (tijdelijke of permanente) grondwaterverlagingen en -verhogingen, benodigde opstelplaatsen voor bouwkranen, opslag van materieel en materialen, plaatsing van een bouwkeet en/of bouwdepot en de toegang tot het bouwterrein.
De volgende punten moeten overzichtelijk worden weergegeven:
Bovengronds:
Per boom dient de relevante informatie, vanuit de bomeninventarisatie zoals hiervoor beschreven, te worden aangehaald. Het gaat in ieder geval om:
Ondergronds:
bodemprofiel en -samenstelling
verdichting, luchthuishouding
waterhuishouding
voedingstoestand
ligging van kabels en leidingen
Effectanalyse
beschrijving van knelpunten zowel boven- als ondergronds. Bijvoorbeeld knelpunten die ontstaan door de bouw van woningen in of nabij de boomkroon of de aanleg van parkeervakken in het wortelpakket van de boom.
indien aan de orde: knelpunten van grondwaterverlaging- of verhoging (zie ‘6.4 Bomenwacht en grondwaterverlaging- of verhoging’)
gevolgen voor de bomen
5. Onderzoek naar alternatieven
De mogelijke alternatieven qua planvorming en/of werkzaamheden dienen beschreven te worden en een advies voor het meest boomvriendelijke (realistische) alternatief. Indien nodig worden hier maatwerk oplossingen toegepast. Nadere uitwerking van deze maatwerkoplossingen kan eventueel op een later moment plaatsvinden.
6. Conclusie
De uitkomsten op basis van de onderwerpen 1 t/m 5 van de boom effect analyse.
7. Advies
De beschrijving van de te nemen maatregelen dient bestek specifiek en/of zo uitgebreid (realistisch) mogelijk te zijn. In het geval dat het maatwerk betreft dient in hoofdlijnen duidelijk te worden gemaakt wat het geadviseerde maatwerk betreft. Indien het noodzakelijk is om het advies verder uit te werken dient vroegtijdig contact opgenomen te worden met de gemeente.
In het advies dienen de volgende onderdelen opgenomen te worden:
benodigde beheermaatregelen
indien aan de orde: een duiding van het benodigde nader onderzoek
Boombeschermingsplan met te nemen maatregelen
maatregelen voor groeiplaatsverbetering
planaanpassingen die realistisch en langdurig behoud van de Bomen ten goede komt
8. Verplantbaarheid
Indien uit de BEA naar voren komt dat Bomen niet behouden kunnen worden op hun huidige plek, moet de potentiële verplantbaarheid worden bepaald. Zie hiervoor hoofdstuk 17 verplantbaarheidsonderzoek bomen uit het handboek bomen 2022.
Een omgevingsvergunning kan onder bepaalde omstandigheden worden ingetrokken of gewijzigd. Dit kan plaatsvinden als:
er onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt tijdens de aanvraagprocedure;
de vergunninghouder zelf een verzoek tot wijziging of intrekking doet;
de voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden, niet worden nageleefd.
Hiermee wordt gewaarborgd dat vergunningen alleen in stand blijven als de voorwaarden waaronder ze zijn verleend, worden nageleefd en de situatie onveranderd blijft.
Voor activiteiten met onomkeerbare gevolgen bepaalt artikel 16.79, tweede lid, van de Omgevingswet dat een verleende omgevingsvergunning niet direct in werking treedt. Het bevoegd gezag moet de inwerkingtreding vaststellen op vier weken na de dag van bekendmaking (bij toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure) of vier weken na de dag van terinzagelegging (bij toepassing van de uitgebreide procedure).
Deze termijn is bedoeld om belanghebbenden de mogelijkheid te geven bezwaar of beroep in te stellen, voordat de vergunning feitelijk kan worden gebruikt.
Wanneer een omgevingsvergunning meerdere vergunningplichtige activiteiten omvat, geldt de uitgestelde inwerkingtreding voor de gehele vergunning. Dit betekent dat alle activiteiten die onder dezelfde vergunning vallen pas na afloop van de genoemde termijn in werking mogen treden.
De omgevingsvergunning tot Vellen, zoals bedoeld in de verordening, vervalt wanneer er binnen één jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning geen volledig gebruik van is gemaakt. Deze termijn kan in bijzondere gevallen door het College worden aangepast. Deze regeling voorkomt dat vergunningen onbeperkt geldig blijven zonder dat er daadwerkelijk actie wordt ondernomen.
Dit artikel regelt de overgang van oude naar nieuwe regelgeving en eventuele conflicten die kunnen ontstaan bij de invoering van deze verordening. Het zorgt ervoor dat bestaande vergunningen, procedures en rechten zoveel mogelijk worden gerespecteerd, tenzij deze strijdig zijn met de nieuwe regels.
De overgangsbepalingen bieden duidelijkheid over de toepassing van de verordening op lopende projecten en waarborgen rechtszekerheid voor betrokken partijen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-437610.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.