Gemeenteblad van Amsterdam
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Amsterdam | Gemeenteblad 2025, 432889 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Amsterdam | Gemeenteblad 2025, 432889 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Subsidieregeling Voorschoolse educatie en kinderopvangzorggroepen Amsterdam
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
In deze subsidieregeling wordt verstaan onder:
taakuren: uren van de beroepskrachten die worden ingezet voor indirecte werkzaamheden ten behoeve van de VE en die niet worden meegerekend bij de wettelijk voorgeschreven verhouding tussen het minimum aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal aanwezige kinderen in een groep in de kinderopvang;
Artikel 1.3 Reikwijdte en doel subsidieregeling
Het doel van deze subsidieregeling is een toegankelijk, kwalitatief hoogstaand en geografisch goed gespreid voorschools aanbod in de stad, door het subsidiëren van activiteiten die hieraan bijdragen. Met dit voorschools aanbod worden Amsterdamse peuters en hun ouders zo optimaal mogelijk toegerust voor de start bij de basisschool.
Artikel 1.4 Te onderscheiden subsidiabele activiteiten
Deze subsidieregeling bevat voorschriften over het verstrekken van subsidies voor de volgende te onderscheiden activiteiten:
Artikel 1.7 Aanvullende weigeringsgronden
In aanvulling op artikel 8, tweede lid, van de ASA 2023 kan het college geheel of gedeeltelijk weigeren een subsidie te verlenen als uit onderzoek van de toezichthouder blijkt dat niet wordt voldaan aan de kwaliteitseisen bij of krachtens de Wko.
Artikel 1.8 Aanvullende verplichtingen
Naast de verplichtingen op grond van artikel 9 en 10 van de ASA 2023, zijn aan de subsidie de volgende verplichtingen verbonden:
Hoofdstuk 2 Subsidie voorschoolse educatie
Paragraaf 2.1 Subsidie voor de voorbereiding op voorschoolse educatie
Subsidie voor de voorbereiding van VE kan uitsluitend worden aangevraagd door de houder van een kindercentrum dat is gevestigd in Amsterdam en is geregistreerd in het landelijk register kinderopvang.
Artikel 2.3 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens
In aanvulling op artikel 6, tweede lid, ASA 2023 worden bij de aanvraag om subsidie voor de voorbereiding van VE de volgende gegevens en stukken overgelegd:
Paragraaf 2.2 Subsidie voor het uitvoeren van voorschoolse educatie
Subsidie voor het uitvoeren van VE kan uitsluitend worden aangevraagd door de houder van een kindercentrum dat is gevestigd in Amsterdam en is geregistreerd in het landelijk register kinderopvang.
Artikel 2.8 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens
In aanvulling op artikel 6, tweede lid, ASA 2023 worden bij de aanvraag op grond van dit hoofdstuk de volgende gegevens en stukken overgelegd:
Artikel 2.9 Aanvullende weigeringsgronden
In aanvulling op artikel 1.7 kan het college geheel of gedeeltelijk een subsidie voor het uitvoeren van VE weigeren als:
Artikel 2.10 Aanvullende verplichtingen
In aanvulling op artikel 1.8 gelden voor de ontvanger van subsidie voor het uitvoeren van VE de volgende verplichtingen:
Artikel 2.11 Aanvraag vaststellen subsidie
In aanvulling op artikel 16, eerste lid, van de ASA 2023 bevat de aanvraag tot vaststelling van een subsidie voor het uitvoeren van VE hoger dan € 20.000, een overzicht met per gesubsidieerde groep het werkelijke gemiddeld aantal kinderen zonder een voorschooladvies en het werkelijke gemiddeld aantal kinderen met voorschooladvies dat minimaal 10 uur VE, verdeeld over minimaal 2 dagen per week, heeft gevolgd.
Hoofdstuk 3 Subsidie kinderopvangzorggroepen
Paragraaf 3.1 Subsidie voor de voorbereiding van een kinderopvangzorggroep
Subsidie voor de voorbereiding van een kinderopvangzorggroep kan uitsluitend worden aangevraagd door de houder van een kindercentrum in Amsterdam waar VE wordt uitgevoerd en dat als zodanig is geregistreerd in het landelijk register kinderopvang.
Artikel 3.3 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens
In aanvulling op artikel 6, tweede lid, ASA 2023 worden bij de aanvraag om subsidie voor de voorbereiding van een kinderopvangzorggroep de volgende gegevens en stukken overgelegd:
Paragraaf 3.2 Subsidie uitvoeren aangepast ontwikkelaanbod kinderopvangzorggroep
In afwijking van artikel 5 van de ASA 2023 kan subsidie voor het uitvoeren van een aangepast ontwikkelaanbod in een kinderopvangzorggroep uitsluitend worden aangevraagd door de houder van een kindercentrum in Amsterdam waar VE wordt uitgevoerd en dat als zodanig is geregistreerd in het landelijk register kinderopvang.
Artikel 3.8 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens
In aanvulling op artikel 6, tweede lid, ASA 2023 worden bij de aanvraag om een eenmalige of een boekjaarsubsidie voor het uitvoeren van een aangepast ontwikkelaanbod in een kinderopvangzorggroep de volgende gegevens en stukken overgelegd:
Artikel 3.9 Aanvullende weigeringsgronden
In aanvulling op artikel 1.7 kan het college geheel of gedeeltelijk een subsidie voor het uitvoeren van een aangepast ontwikkelaanbod in een kinderopvangzorggroep, weigeren te verlenen als:
Paragraaf 3.3 Subsidie plusvoorziening
Subsidie voor plusvoorzieningen kan uitsluitend worden aangevraagd door een organisatie die voor de uitvoering van een plusvoorziening in 2025 van het college een boekjaarsubsidie heeft ontvangen.
Artikel 3.13 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens
In aanvulling op artikel 6, tweede lid, ASA 2023 worden bij de aanvraag om een eenmalige subsidie voor het uitvoeren van een plusvoorziening overgelegd een volledig ingevuld aanvraagformulier dat in ieder geval een toelichting bevat op de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en de periode dat de plusvoorziening in 2026 nog geopend zal zijn.
Artikel 3.14 Aanvullende weigeringsgronden
In aanvulling op artikel 1.7 kan het college geheel of gedeeltelijk een subsidie voor het uitvoeren van een plusvoorziening weigeren te verlenen als:
De Subsidieregeling Voorschoolse educatie en ontwikkelaanbod Amsterdam 2019 wordt ingetrokken, met dien verstande dat:
een aanvraag om verlening of vaststelling van subsidie op grond van de Subsidieregeling Voorschoolse educatie en ontwikkelaanbod 2019 waarop bij de inwerkingtreding van de Subsidieregeling Voorschoolse educatie en kinderopvangzorggroepen Amsterdam 2026 nog niet is beslist, wordt afgedaan volgens de bepalingen van de Subsidieregeling Voorschoolse educatie en ontwikkelaanbod 2019, zoals die luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt;
Aldus vastgesteld in de vergadering van 23 september 2025.
De burgemeester
Femke Halsema
De waarnemend gemeentesecretaris
Thea de Vries
Het college wil kwalitatief goed voorschools aanbod voor alle Amsterdamse peuters zodat zij optimale ontwikkelkansen krijgen. Ieder kind ontwikkelt zich in zijn eigen tempo, met eigen talenten en behoeftes. Voorschools aanbod stimuleert deze ontwikkeling van peuters, in de omgeving waar zij opgroeien. Daarnaast draagt het bij aan een goede start op de basisschool.
In Amsterdam hebben kinderen vanaf 2 jaar toegang tot voorschools aanbod. Iedere voorschoolgroep biedt elk jaar minimaal 640 uur per jaar voorschools aanbod. Dit betekent dat kinderen 16 uur per week naar de voorschool kunnen. Locaties die meer dan 40 weken per jaar open zijn, kunnen het aantal uren voorschools aanbod over het jaar verdelen. Kinderen geplaatst op kinderopvangzorggroepen, kunnen minimaal 11 uur per week naar de voorschool. Bij kinderopvangzorggroepen zijn de activiteiten die georganiseerd worden rondom ouder- en thuisbetrokkenheid, zoals ouder-kindochtenden en huisbezoeken, onderdeel van het aanbod waardoor er gemiddeld 14 uur aanbod per week is.
Via deze subsidieregeling kunnen kinderopvangorganisaties investeren in de kwaliteit van hun personeel en een kwalitatief voorschools aanbod. Ze kunnen de samenwerking met scholen in de buurt versterken en tijd investeren in de peuters die een extra ondersteuningsbehoefte hebben.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Amsterdamse norm voor startbekwaamheid – Dit betekent dat de beroepskrachten die VE uitvoeren, beschikken over de basiskennis van het leervermogen en de ontwikkeling van jonge kinderen en de vaardigheden hebben om deze ontwikkeling te ondersteunen en te stimuleren. Daarnaast geldt dat zij moeten voldoen aan de Amsterdamse taalnorm voor voorschoolse educatie. Pedagogisch medewerkers die recent hun opleiding hebben afgerond aan een ROC in de regio Amsterdam, zijn doorgaans tot dit niveau opgeleid. Indien dit niet het geval is, zijn zij in elk geval in het bezit van het theoriegedeelte van de basistraining. De subsidieaanvrager dient ervoor te zorgen dat deze beroepskrachten alsnog in de gelegenheid worden gesteld het praktijkgedeelte af te ronden, om het niveau van startbekwaamheid te behalen. Eerder of elders afgestudeerde beroepskrachten dienen de basistraining VVE te volgen om bijgeschoold te worden. Deze training is in opdracht van de gemeente Amsterdam ontwikkeld met als doel om pedagogisch medewerkers kennis en vaardigheden aan te reiken zodat zij peuters optimale ontwikkelkansen kunnen bieden.
Amsterdamse taalnorm – Dit is de wettelijke taalnorm zoals neergelegd in artikel 4, lid 3a, van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie, aangevuld met ten minste niveau 2 F, bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, op het onderdeel schrijfvaardigheid.
VE-coach – De VE-coach heeft als taken beleidsontwikkeling en -evaluatie en coaching. De VE-coach ziet erop toe dat de pedagogisch medewerkers het voorschool programma op een vakkundige manier uitvoeren. Deze heeft hiervoor, aanvullend op de wettelijke voorwaarden, een coaching opleiding bij het ABC gevolgd. De ve-coach kan de werkzaamheden boventallig doen of als ‘meewerkend coach’ waarbij de coach zelf een pedagogisch medewerker is die de aanvullende taak heeft de kwaliteit in de eigen groep te waarborgen. De inzet van de boventallige coach wordt berekend op basis van het aantal kinderen met een voorschooladvies per locatie: 10 uur per kind met een voorschooladvies, maar minimaal 80 uur per jaar.
Artikel 1.3 Doel subsidieregeling
Het Amsterdams profiel voorschools aanbod beschrijft de extra voorwaarden die de gemeente Amsterdam stelt aan de kwaliteit van voorschoolse educatie aanvullend op de wettelijke eisen van het Rijk. Voorscholen hebben de standaard voor kwalitatief voorschools aanbod vertaald in 12 bouwstenen die concreet maken wat goede kwaliteit in de praktijk betekent op organisatie-, groeps- en individueel niveau. Met deze subsidieregeling kunnen kinderopvangorganisaties de kwaliteit van hun voorschools aanbod versterken zodat ieder Amsterdamse peuter gebruik kan maken van kwalitatief hoogstaand voorschools aanbod in de buurt.
Artikel 1.5 Subsidieplafonds en verdeelsleutels
Dit artikel geeft de voorschriften voor het instellen van subsidieplafonds en bijbehorende verdeelsleutels. Bij boekjaarsubsidies geldt dat alle aanvragen die niet worden geweigerd, in aanmerking komen voor een subsidie. Bij een onvoldoende budget in het subsidieplafond, worden alle boekjaarsubsidies met eenzelfde percentage gekort totdat plafond wel toereikend is. Voor eenmalige subsidies geldt dat deze worden afgehandeld in volgorde van binnenkomst totdat het subsidieplafond is bereikt. Dit echter met uitzondering van de eenmalige subsidies die in het kader van de afbouwperiode voor kinderopvangplusgroepen op grond van artikel 3.11 worden verleend in 2026. Deze worden conform de verdeelsleutel voor boekjaarsubsidies verleend en eventueel bij uitputting van het subsidieplafond met een gelijk percentage gekort.
Een eenmalige subsidie voor de voorbereiding op VE kan gedurende het gehele jaar worden aangevraagd. Zodra een kinderopvangorganisatie heeft aangetoond dat aan de kwaliteitseisen van de wet en de gemeente kan worden voldaan, kan een eenmalige subsidie worden aangevraagd voor het uitvoeren van VE voor de rest van het lopende jaar. Subsidie voor het hierop volgende boekjaar dient aangevraagd te worden voor 1 oktober van het daaraan voorafgaande jaar.
Artikel 1.7 Aanvullende weigeringsgronden
De Inspectie Kinderopvang beoordeelt in hoeverre er voldaan wordt aan de kwaliteitseisen en voorwaarden. Indien de Inspectie Kinderopvang tekortkomingen heeft geconstateerd, maakt het college de afweging of op grond hiervan een subsidie geweigerd dient te worden.
Hoofdstuk 2 Subsidie voorschoolse educatie
Paragraaf 2.1 Subsidie voor de voorbereiding van voorschoolse educatie
Artikel 2.1 Subsidiabele activiteiten
De subsidie ter voorbereiding van een nieuwe locatie VE kan voor verschillende activiteiten worden ingezet. Bijvoorbeeld voor de aanschaf van een erkend, integraal voorschoolse educatie-programma dat is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut. Programma’s worden uitsluitend in deze databank opgenomen als voldoende aannemelijk is dat zij bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen op de ontwikkelgebieden: taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling. Om de ontwikkeling van kinderen binnen deze domeinen in beeld te brengen, gebruiken organisaties een kindvolgsysteem. Als een bestaande voorschoollocatie dit programma en het kindvolgsysteem al heeft aangekocht kan een subsidie ter voorbereiding van VE enkel worden ingezet voor het opleiden van voldoende beroepskrachten.
Artikel 2.4 Aanvullende weigeringsgronden
Er wordt geen subsidie ter voorbereiding op het uitvoeren van voorschoolse educatie verleend, wanneer het een locatie betreft, waarvoor eerder een subsidie is verleend voor de voorbereiding op of uitvoeren van VE. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om een locatie die al als voorschool geregistreerd staat, maar waar sprake is van een overname door een andere kinderopvangorganisatie.
Paragraaf 2.2 Subsidie voor het uitvoeren van voorschoolse educatie
Artikel 2.5 Subsidiabele activiteiten
Uren inzet van de VE-coach voor beleidstaken
Hieronder vallen die activiteiten de noodzakelijk zijn voor het realiseren van een infrastructuur voor een goede uitvoer van VE op organisatieniveau. Voorbeelden hiervan zijn de ontwikkeling van een visie op VE, het opstellen van beleid over VE, evaluatie van het beleid en sturing op de diverse domeinen van VE. Ook het realiseren van een lerende cultuur voor beroepskrachten valt hieronder. Activiteiten die voortkomen vanuit de exploitatie en die noodzakelijk zijn voor het aanbieden van reguliere kinderopvang op het niveau van de Wet kinderopvang (Wko) vallen hier expliciet niet onder.
Uren inzet van de VE-coach voor coaching
De coach voorschoolse educatie (VE-coach) ziet erop toe dat de pedagogisch medewerkers het voorschoolprogramma op een vakkundige manier uitvoeren. Deze heeft hiervoor aanvullend op de wettelijke voorwaarden een coachingopleiding gevolgd. De gemeente Amsterdam heeft opdracht gegeven aan het ABC voor het ontwikkelen van een cursus die met deze subsidie gevolgd kan worden. De VE-coach kan de werkzaamheden als ‘meewerkend coach’ doen waarbij de coach zelf een pedagogisch medewerker is die de aanvullende taak heeft de kwaliteit in de eigen groep te waarborgen. De inzet van de boventallige coach wordt berekend op basis van het aantal kinderen met een voorschooladvies per locatie: 10 uur per kind met een advies, maar minimaal 80 uur per jaar.
Taakuren van de beroepskrachten VE voor een goede uitvoering van VE
Taakuren zijn die uren dat de beroepskracht niet ingezet wordt op de groep ten behoeve van de beroepskracht-kindratio, maar werkzaamheden verricht die gericht zijn op het effectief en efficiënt uitvoeren van een programma of methode voor voorschools aanbod. Taakuren kunnen zowel binnen als buiten de openingsuren van de locatie vallen. Activiteiten die verband houden met de reguliere exploitatie vallen niet onder de taakuren. Bij de regulier exploitatie gaat het bijvoorbeeld om werkoverleg over de algemene bedrijfsvoering of over reguliere wettelijke taken zoals het waarborgen van veiligheid & gezondheid, het opmaken van plaatsingsovereenkomsten, het voeren van functioneringsgesprekken met medewerkers, het bestellen van boodschappen voor het kindercentrum en het bieden van stagebegeleiding. Werkzaamheden die wel onder taakuren VE vallen zijn bijvoorbeeld: het voorbereiden van VE-activiteiten, het opstellen en bespreken van een VE-groepsplan en activiteitenplan, het evalueren van groepsplannen en activiteiten, het verwerken van observaties/bijhouden van de ontwikkeling van het kind, overleggen met de basisschool, overdrachtsgesprekken met de basisschool en studiedagen gezamenlijk met het basisonderwijs.
Uren inzet voor het realiseren van adequate ondersteuning bij zorg en het stimuleren van ouderbetrokkenheid
De organisatie is verantwoordelijk voor het organiseren van voldoende ondersteuning voor personeel en het initiëren van voldoende ondersteuning voor het kind wanneer peuters zich anders ontwikkelen dan je zou verwachten. De organisatie maakt daarvoor gebruik van de algemene zorgstructuur die beschikbaar is in de wijk of stadsbreed. Wanneer er zorgen zijn over een kind, zal de organisatie deze zorgen blijvend bespreken met ouders/verzorgers en waar nodig aanjagen dat een kind tijdige en relevante ondersteuning kan krijgen bij de ontwikkeling. Voor deze inzet kan subsidie worden aangevraagd. De subsidieontvanger moet ook de algemene ouderbetrokkenheid stimuleren op basis van een plan waarin de visie, doelen en gerichte ondersteuning zijn beschreven. Dit plan is gebaseerd op een analyse van wensen, behoeften en krachten van ouders en beschrijft hoe uitvoering wordt gegeven aan de vier subdoelen van ouderbetrokkenheid:
Subsidie kan worden ingezet voor training, coaching en opleiding van beroepskrachten op het gebied van VE.
Subsidie kan worden ingezet voor de aanschaf van voldoende materialen om een rijke speelleeromgeving te creëren, inclusief de buitenruimte, om het spel en de taal van het kind te ondersteunen en te stimuleren.
Artikel 2.9 Aanvullende weigeringsgronden
Om een inschatting te maken of er voldoende zicht is op het realiseren van kwalitatief goed aanbod VE wordt gebruik gemaakt van het risicoprofiel van het kindercentrum dat wordt opgesteld door de Inspectie kinderopvang van de GGD. Op basis van het bij de aanvraag voorgelegde verbeterplan maakt het college de afweging of op grond hiervan een subsidie geweigerd dient te worden.
Artikel 2.10 Aanvullende verplichtingen
Indien een kind op de wachtlijst na herhaalde pogingen vanuit de organisatie niet deelneemt, verwijdert de subsidieontvanger het kind van de wachtlijst en dient t de subsidieontvanger op grond van punt c. het kind terug te verwijzen naar het OKT.
Hoofdstuk 3 Subsidie kinderopvangzorggroepen
Paragraaf 3.1 Subsidie voor de voorbereiding van een kinderopvangzorggroep
Sommige peuters hebben te maken met een (ernstige) ontwikkelachterstand. Deze kinderen kunnen met een verwijzing van het Ouder- en Kind Team (OKT) een aangepast ontwikkelaanbod volgen bij een kinderopvangzorggroep in de buurt. Een pedagogisch medewerker van de kinderopvang draait samen met een medewerker vanuit de aanvullende jeugdhulp de groep. Ook is er een nauwe samenwerking met het OKT en de Jeugdgezondheidszorg en speciale aandacht voor ouder- en thuisbetrokkenheid.
Artikel 3.1 Subsidiabele activiteiten
De subsidie voor de voorbereiding op een kinderopvangzorggroep kan worden ingezet om beroepskrachten VE bij te scholen gericht op het werken met kinderen met een ernstige ontwikkelingsachterstand. Over het aanbod van scholing wordt afstemming gezocht met de aanvullende jeugdhulppartner zodat de scholing voldoende aansluit bij wat nodig is op de groep.
Bovendien kan de subsidie ingezet worden voor het inrichten van de organisatie op een kinderopvangzorggroep. Hieronder vallen activiteiten die nodig zijn voor het realiseren van een goede infrastructuur die noodzakelijk is voor een goede uitvoer van een kinderopvangzorggroep op organisatieniveau. Voorbeelden hiervan zijn het ontwikkelen van een visie op kinderopvangzorggroepen waarin het voorschools programma op aangepaste vorm wordt toegepast, het opstellen van beleid hierover en evaluatie van dit beleid. Onderdeel zijn ook het vaststellen van samenwerkingsafspraken met de aanvullende jeugdhulppartner en het OKT, het ontwikkelen van een werkwijze rondom de doorstroom van kinderen naar een passende vervolgplek en het, in afstemming met de aanvullende jeugdhulppartner, vaststellen van beleid over de invulling van de ouder- en thuisbetrokkenheid.
Ten slotte kan de subsidie ingezet worden voor het passend inrichten van de groepsruimte, waarbij het expliciet niet gaat om activiteiten die voortkomen vanuit de exploitatie die noodzakelijk zijn voor het aanbieden van reguliere kinderopvang vanuit de Wko. Hiermee wordt bedoeld dat aangepast aan de doelgroep specifiek ontwikkelingsmateriaal aangeschaft kan worden. Bij een passende inrichting van de groepsruimten behoort ook de buitenruimte.
Artikel 3.3 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens
Bij het opstellen van een opleidingsplan zorgt de subsidieontvanger bij de selectie van passende opleidingen voor de beroepskrachten VE voor afstemming met de aanvullende jeugdhulppartner.
Paragraaf 3.3 subsidie plusvoorziening
In deze paragraaf wordt geregeld dat de plusvoorzieningen die onder de Subsidieregeling Voorschoolse educatie en ontwikkelaanbod 2019 een boekjaar subsidie ontvingen voor een aangepast ontwikkelaanbod voor peuters nog tijdelijk kunnen voortzetten voor peuters waarvan het aanbod nog niet is afgerond. In principe kunnen geen nieuwe peuters instromen in 2026, tenzij het college hiervoor toestemming verleend.
Artikel 3.10 Aanvullende verplichtingen
De peuter krijgt ten minste 11 uur per week een aangepast ontwikkelaanbod maar dat mag ook meer zijn. Dit aanbod op de groep wordt aangevuld met een flexibel zelf in te vullen aanbod gericht op ouderbetrokkenheid en thuisstimulering waardoor het gemiddelde aanbod per week uitkomt op 14 uur per kind. Bij het zoeken naar een vervolgplek wordt indien nodig het samenwerkingsverband PO betrokken.
Artikel 3.13 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens
Alleen ontwikkelaanbod waaraan minimaal 3 peuters gezamenlijk deelnemen, komt in aanmerking voor de eenmalige subsidie. Om het aantal deelnemende peuters inzichtelijk te maken, wordt aan de aanvrager gevraagd om een beredeneerbare inschatting te maken van het aantal kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar per te onderscheiden groep dat voor het aantal weken dat de plusvoorziening in 2026 nog geopend zal zijn per week een ontwikkelaanbod zal volgen.
Een subsidieontvanger is verplicht om indien het aantal kinderen dat op een groep deelneemt aan een ontwikkelaanbod minder wordt dan 3 te zorgen in overleg met het OKT en ouders voor een warme overdracht naar een kinderopvangzorggroep of een andere passende vervolgplek.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-432889.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.