Algemene Plaatselijke Verordening ’s-Hertogenbosch 2016

De gemeenteraad van de gemeente ’s-Hertogenbosch,

In zijn vergadering van 9 september 2025

Gezien het voorstel van het college van 24 juni 2025 met reg.nr. 17891333

Besluit vast te stellen

De negende wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening 2016

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • 1.

    bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

  • 2.

    beperkingengebiedactiviteit : hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage onder A, bij de Omgevingswet;

  • 3.

    bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;

  • 4.

    bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

  • 5.

    bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

  • 6.

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • 7.

    gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet ;

  • 8.

    groepsfiets: een door meerdere personen door trapaandrijving voortbewogen fiets waarop, naast de bestuurder, drie of meer personen kunnen plaatsnemen;

  • 9.

    handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

  • 10.

    motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • 11.

    omgevingsvergunning: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A bij de Omgevingswet.

  • 12.

    openbare plaats:

  • a.

    de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;

  • b.

    andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten;

  • c.

    de openbare, voor iedereen toegankelijke parkeerterreinen en parkeergarages;

  • d.

    de weg als bedoeld onder 19;

  • 13.

    openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

  • 14.

    parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • 15.

    rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

  • 16.

    vaartuig: elk vaartuig, met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, dat feitelijk wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel tot verplaatsing te water;

  • 17.

    voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van trams en kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;

  • 18.

    uitweg: een verbinding tussen particulier terrein en de openbare weg die geschikt is voor gebruik door gemotoriseerd verkeer.

  • 19.

    weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

  • 20.

    woonboot: een vaartuig dat aan romp en opbouw herkenbaar is als schip en dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor en is bestemd tot woon- en nachtverblijf.

 

Artikel 1:2 Beslistermijn

  • 1.

    Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

  • 2.

    Het bestuursorgaan kan de termijn met ten hoogste acht weken verlengen, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

  • 3.

    Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover in deze verordening andere beslistermijnen zijn vastgesteld.

  • 4.

    Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

 

Artikel 1:3 Indiening aanvraag

  • 1.

    Indien een aanvraag om een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.

  • 2.

    Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

 

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

  • 1.

    Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  • 2.

    Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

 

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

  • 1.

    De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

 

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

  • 1.

    De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

    • a.

      indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    • b.

      indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

    • c.

      indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

    • d.

      indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

    • e.

      indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

 

Artikel 1:7 Termijnen

  • 1.

    De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

  • 2.

    De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

 

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

  • 1.

    De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      de openbare veiligheid;

    • c.

      de volksgezondheid;

    • d.

      de bescherming van het milieu.

  • 2.

    Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

 

Artikel 1:9 Lex silencio positivo

  • a.

    Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening:

    • Artikel 5:2 Bedrijfsmatig parkeren en stallen van voertuigen

    • Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

    • Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a.

    • Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen

    • Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen

    • Artikel 5:10 Aantasting groenvoorziening door voertuigen

    • Artikel 5:11 Inzamelen van geld of goederen

    • Artikel 5:24 Varen op openbaar water

    • Artikel 5:26 Beperking verkeer in natuurgebieden

  • b.

    Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening:

    • Artikel 2:3 (Omgevings)vergunning voor voorwerpen of stoffen op, aan of boven een openbare plaats

    • Artikel 2:4 Vergunning voor het beschadigen en veranderen van een weg

    • Artikel 2:5 Omgevingsvergunning voor het maken, veranderen van een uitweg

    • Artikel 2:10 Evenementen

    • Artikel 2:24 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

      Artikel 2:32 Voetbalvergunning

    • Artikel 2:39 Verbod exploiteren bedrijf zonder benodigde vergunning

    • Artikel 3:4 Vergunning seksinrichting

    • Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten

    • Artikel 4:4 Overige geluidhinder

    • Artikel 4:7 Omgevingsvergunning voor handelsreclame

    • Artikel 4:9 Kampeermiddelen buiten kampeerterreinen

    • Artikel 5:12 Venten e.d.

    • Artikel 5:14 Standplaatsvergunning

    • Artikel 5:27 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

 

Hoofdstuk 2 Openbare orde

Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

  • 1.

    Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, te vechten, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  • 2.

    Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie of een Buitengewoon opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  • 3.

    Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare orde of de (verkeers)veiligheid, ter voorkoming van wanordelijkheden of een ander algemeen belang zijn afgezet.

  • 4.

    Het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling of waarbij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat men daarmee bij een evenement de orde wil verstoren.

  • 5.

    De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  • 6.

    Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

 

Afdeling 3 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen

Artikel 2:3 (Omgevings-)vergunning voor voorwerpen of stoffen op, aan of boven een openbare plaats

  • 1.

    Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college een openbare plaats of een gedeelte ervan anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  • 2.

    Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

    • a.

      als het beoogde gebruik schade toebrengt aan een openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van een openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van een openbare plaats;

    • b.

      als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    • c.

      in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  • 3.

    Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1,5 meter breed en 2,2 meter hoog wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 meter breed en 4,2 meter hoog op de rijbaan voor fietsers en/of gemotoriseerd verkeer.

  • 4.

    Het college kan –naast de uitzonderingen genoemd in het vijfde lid- categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid niet geldt.

  • 5.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

    • b.

      zonneschermen, voor zover ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voor zover: 

      • 1.

        elk onderdeel zich meer dan 2.20 meter boven dat gedeelte bevindt en

      • 2.

        elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, zich op meer dan 0.50 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt en

      • 3.

        elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, minder dan 1.50 meter buiten de opgaande gevel reikt;

    • c.

      de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan. Degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten draagt er zorg voor, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;

    • d.

      voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, tenzij dit op grond van het zesde lid verboden is;

    • e.

      Plantenbakken, indien zij geen gevaar of hinder opleveren en voor zover:

      • 1.

        er maximaal twee plantenbakken per pand aanwezig zijn;

      • 2.

        de plantenbak tegen de gevel geplaatst is;

      • 3.

        de lengte- en breedtemaat van de plantenbak niet meer dan 40 cm is;

      • 4.

        de plantenbak maximaal 90 cm hoog is;

      • 5.

        de plantenbak van maximaal 90 cm met beplanting maximaal 120 cm hoog is.

    • f.

      zover elders in deze verordening vergunning of ontheffing voor het gebruik kan worden verleend of vergunning of ontheffing kan worden verleend waarin het gebruik is inbegrepen.

  • 6.

    Het is verboden op, in, over of boven een openbare plaats een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als:

    • a.

      deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt aan een openbare plaats

    • b.

      gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, of

    • c.

      een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

  • 7.

    Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of Waterschapsverordening.

 

Artikel 2:4 Vergunning voor het beschadigen en veranderen van een weg

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college de verharding van de weg op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.

  • 3.

    Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren 2016 (AVOI 2016).  

  • 4.

    Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of Waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

 

Artikel 2:5 Omgevingsvergunning voor het maken, veranderen van een uitweg

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:

    • a.

      een uitweg te maken naar de weg;

    • b.

      van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

    • c.

      verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van:

    • 1.

      de bruikbaarheid van de weg;

    • 2.

      het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    • 3.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    • 4.

      de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

  • 3.

    Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, Omgevingsverordening Noord-Brabant of Waterschapsverordening.

 

Afdeling 4 Veiligheid van de weg

 

Artikel 2:8 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  • 1.

    De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2.

    Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien in hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

 

Artikel 2:8a Messen en steekwapens

  • 1.

    Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

 

Afdeling 5 Toezicht op evenementen

Artikel 2:9 Begripsbepaling

  • 1.

    In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    • a.

      betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    • b.

      bioscoopvoorstellingen;

    • c.

      algemene kermissen als bedoeld in de Kermisverordening 's-Hertogenbosch 2018;

    • d.

      schouwburg- en/of theatervoorstellingen die plaatsvinden in een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

    • e.

      voetbalwedstrijden, als bedoeld in artikel 2:31, tweede lid;

    • f.

      markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;

    • g.

      kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    • h.

      het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

  • 2.

    Onder evenement wordt mede verstaan:

    • a.

      een herdenkingsplechtigheid;

    • b.

      een braderie;

    • c.

      een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:2 van deze verordening, op de weg;

    • d.

      een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan een openbare plaats;

    • e.

      een vechtsportevenement.

  • 3.

    In deze afdeling wordt onder organisator verstaan: een natuurlijke persoon of in geval van een rechtspersoon, de bestuurder van deze rechtspersoon dan wel diens gevolmachtigde(n), die een evenement laat organiseren, organiseert of wenst te organiseren.

  • 4.

    In deze afdeling wordt onder behandelclassificatie evenementen verstaan: de indeling van de verschillende evenementen op basis van de mogelijke risico's met betrekking tot de omgeving en het verkeer. De volgende evenementen worden onderscheiden:

    • a.

      0-evenement: evenement met een laag risicoprofiel, waarbij sprake is van een zeer beperkte impact op de directe omgeving en het verkeer, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd;

    • b.

      A-evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de openbare orde, omgeving en het verkeer;

    • c.

      B-evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de openbare orde, directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer;

    • d.

      C- evenement : hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de openbare orde, de gemeente en/of regionale gevolgen voor het verkeer.

  • 5.

    Onder evenementenkalender wordt in deze afdeling verstaan een op basis van een door de raad vastgestelde beoordelingscriteria door het college vast te stellen lijst met evenementen in de classificatie A, B en C die in een kalenderjaar in aanmerking komen voor een evenementenvergunning.

  • 6.

    In deze afdeling wordt onder bijzonder evenement verstaan: een evenement dat een uniek incidenteel karakter kent dat voor de gemeente een stedelijk of (inter-)nationaal belang heeft op het gebied van cultuur, citymarketing en/of sport.

 

Artikel 2:10 Evenement

  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement in de classificatie van A, B of C te (laten) organiseren.

  • 2.

    Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd.

  • 3.

    Met het oog op de in artikel 2:10b en de in artikel 1:8 genoemde belangen, kan de burgemeester over de uitoefening van de bevoegdheden in deze afdeling nadere regels vaststellen.

  • 4.

    Het is verboden zonder kennisgeving aan de burgemeester een 0-evenement te (laten) organiseren.

  • 5.

    Van een 0-evenement is sprake indien:

    • a.

      Het een evenement in de openlucht betreft;

    • b.

      Het evenement niet plaatsvindt op:

      • i.

        Gebiedsontsluitingswegen;

      • ii.

        Busroutes;

      • iii.

        Fietsroutes behorende bij het hoofdfietsroutenet;

      • iv.

        Een weg die de enige ontsluiting vormt voor een gebied of achterliggende straat;

    • c.

      het een eendaags evenement is;

    • d.

      het evenement plaatsvindt op één locatie;

    • e.

      het evenement plaatsvindt op maandag, dinsdag, woensdag of donderdag en niet vroeger dan 10.00 uur begint en niet later eindigt dan 23.00 uur. Er geen muziek ten gehore wordt gebracht na 22.00 uur;

    • f.

      het evenement plaatsvindt op vrijdag of zaterdag en niet vroeger dan 10.00 uur begint en niet later eindigt dan 24.00 uur. Er geen muziek ten gehore wordt gebracht na 23.00 uur;

    • g.

      het evenement geen geluidhinder veroorzaakt;

    • h.

      het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan tweehonderd personen;

    • i.

      indien er een tent wordt geplaatst deze voor niet meer dan vijftig personen toegankelijk is;

      het evenement geen belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;

    • j.

      het geen extra politiecapaciteit vergt;

    • k.

      er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt;

    • l.

      er een organisator is.

  • 6.

    De evenementen genoemd in het vijfde lid dienen ten minste tien werkdagen voorafgaand aan het evenement gemeld te worden aan de burgemeester door middel van het door de burgemeester vastgestelde kennisgevingsformulier.

  • 7.

    De burgemeester kan binnen vijf werkdagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het vijfde lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  • 8.

    Indien naar het oordeel van de burgemeester uit nieuwe feiten of omstandigheden na de kennisgeving er vrees bestaat voor verstoring van de openbare orde kan de burgemeester alsnog bepalen dat het verbod ingevolge lid 4 onverkort geldt.

  • 9.

    De burgemeester kan voorschriften vaststellen die gelden voor 0-evenementen. Het is verboden om te handelen in strijd met deze voorschriften.

  • 10.

    Het in het eerste lid bepaalde geldt niet indien:

    • a.

      het evenement betreft het op een openbare plaats op enige wijze voor publiek muziek ten gehore brengen, indien het aantal uitvoerenden niet meer dan drie bedraagt en er geen gebruik wordt gemaakt van geluidsversterkende apparatuur of van een draaiorgel;

    • b.

      het een wedstrijd op de weg betreft, voor zover artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.

  • 11.

    De burgemeester kan vrijstelling van het verbod als bedoeld in het eerste lid verlenen voor door hem aan te wijzen evenementen.

  • 12.

    De burgemeester kan voor de evenementen waarvoor op grond van het elfde lid vrijstelling is verleend algemene voorschriften vaststellen.

 

Artikel 2:10a Indienen aanvraag

  • 1.

    De aanvraag voor een vergunning voor A-, B- en C-evenementen als bedoeld in artikel 2:10 lid 1, dient te geschieden door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Voor een A-evenement dient de aanvraag uiterlijk acht weken voor de aanvang van het evenement plaats te vinden en uiterlijk twaalf weken voor de aanvang van een B- of C-evenement.

  • 2.

    In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      De contactgegevens van de organisator;

    • b.

      De locatie waar het evenement wordt gehouden;

    • c.

      De datum en het tijdstip van het evenement;

    • d.

      De inrichting van het evenemententerrein waaronder het op- en afbouwplan;

    • e.

      De maatregelen om mogelijke risico's voor verstoring van de openbare orde en veiligheid te voorkomen;

    • f.

      De omschrijving van het aard en het karakter van het evenement;

    • g.

      Het te verwachten aantal deelnemers en bezoekers;

    • h.

      Een omschrijving van de activiteiten en handelingen die in het kader van het evenement plaatsvinden;

    • i.

      Het veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;

    • j.

      De maatregelen die de organisator zelf zal nemen om wanordelijkheden zoveel mogelijk te voorkomen;

    • k.

      Een verkeers- en mobiliteitsplan wanneer sprake is van een impact op het verkeer.

  • 3.

    De burgemeester kan wegens bijzondere omstandigheden besluiten af te wijken van de in lid 1 genoemde termijnen.

 

Artikel 2:10b Weigeringsgronden

  • 1.

    De vergunning kan buiten behandeling worden gesteld indien niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 2:10a.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning geweigerd worden indien:

    • a.

      de organisator van het evenement verplicht is het college een verzoek te doen om het evenement te plaatsen op de evenementenkalender, zoals opgenomen in artikel 2:10c, en de organisator niet aan deze eis heeft voldaan;

    • b.

      de organisator van het evenement verplicht is het college een verzoek te doen om het evenement te plaatsen op de evenementenkalender, zoals opgenomen in artikel 2:10c, en het college heeft besloten het evenement niet op te nemen op de evenementenkalender;

    • c.

      de ontheffing zoals bedoeld in artikel 2:10d geweigerd is door het college;

    • d.

      de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie;

    • e.

      naar het oordeel van de burgemeester de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politie- en hulpverleningscapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare bezetting doet;

    • f.

      van het evenement een onevenredige belasting voor het woon- of leefmilieu in de omgeving te verwachten is;

    • g.

      tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een bestuurlijke sanctie is genomen of indien de organisator in deze periode zich herhaaldelijk niet aan de vergunningvoorschriften of wettelijke voorschriften heeft gehouden;

    • h.

      de organisator van een evenement in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    • i.

      het evenement verontreiniging tot gevolg heeft, afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de omgeving dan wel schade toebrengt aan groenvoorzieningen of voorzieningen van openbaar nut.

 

Artikel 2:10c Evenementenkalender

  • 1.

    Het college stelt jaarlijks vóór 1 januari een evenementenkalender vast op basis van de door de raad vastgestelde kaders met betrekking tot de vaststelling van de evenementenkalender. Deze kaders bestaan uit:

    • a.

      De locatieprofielen voor evenementenlocaties waarin de criteria zijn opgenomen met betrekking tot aard en soort van het evenement, veiligheid, belasting voor de woon- en leefomgeving en duurzaamheid;

    • b.

      De beleidsregels met betrekking tot het aantal evenementen en/of geluidbelastende evenementen in zijn totaliteit voor de gemeente en per locatie en de spreiding daarvan binnen de gemeente;

    • c.

      De beleidsregels met kwaliteitscriteria waarbij de volgende criteria een rol spelen bij plaatsing op de evenementenkalender;

      • i.

        Bijdragen aan de positie van 's-Hertogenbosch als toonaangevende datastad;

      • ii.

        Bijdragen aan cultuurparticipatie en Cultuurstad van het Zuiden;

      • iii.

        Zonder winstoogmerk en vrij en gratis toegankelijk;

      • iv.

        Voor jongeren georganiseerd;

      • v.

        Een lokale binding hebben;

      • vi.

        Maatschappelijk en duurzaam ondernemen;

      • vii.

        Afzien van het gebruik van vuurwerk.

  • 2.

    Degene die voornemens is een evenement te organiseren waarvoor een vergunning op grond van artikel 2:10 lid 1 vereist is, dient het college jaarlijks in de periode van 1 september tot

  • 1 oktober te verzoeken het betreffende evenement te plaatsen op de evenementenkalender voor het volgende jaar. Het verzoek dient te geschieden door middel van een of namens het college vastgesteld formulier. Een dergelijk verzoek is geen aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:10. Een verzoek gedaan voor 1 september van het jaar voorafgaand aan wanneer het evenement moet plaatsvinden, wordt buiten behandeling gesteld.

  • 3.

    De procedure totstandkoming van de evenementenkalender is als volgt:

    • a.

      Aan de hand van een risicoscan wordt beoordeeld of het een vergunningsplichtig evenement met A, B of C classificatie betreft of dat volstaan kan worden met een melding.

    • b.

      Verzoeken die volledig en vóór 1 oktober zijn ontvangen, worden gelijktijdig en gelijkwaardig in behandeling genomen.

    • c.

      De verzoeken worden eerst getoetst aan de locatieprofielen. Verzoeken die in strijd zijn met de locatieprofielen worden een plaats op de evenementenkalender geweigerd.

    • d.

      De verzoeken worden getoetst aan de beleidsregels met betrekking tot het aantal evenementen en/of evenementendagen en/of geluidbelastende evenementen in zijn totaliteit voor de gemeente en per locatie en de spreiding daarvan binnen de gemeente.

    • e.

      Als er sprake is van verzoeken die in strijd zijn met beleidsregels zoals bedoeld onder lid 3, sub d, wordt voorrang gegeven aan de evenementen die:

      • i.

        Bijdragen aan de positie van 's-Hertogenbosch als toonaangevende datastad;

      • ii.

        Bijdragen aan cultuurparticipatie en Cultuurstad van het Zuiden;

      • iii.

        Terugkerend evenement met een positieve integrale evaluatie;

      • iv.

        Subsidie ontvangen vanuit de Gemeente 's-Hertogenbosch en/of Provincie Noord-Brabant;

      • v.

        Zonder winstoogmerk en vrij en gratis toegankelijk zijn;

      • vi.

        Voor jongeren georganiseerd worden;

      • vii.

        Een lokale binding hebben;

      • viii.

        Maatschappelijk en duurzaam ondernemen;

      • ix.

        Afzien van het gebruik van vuurwerk.

    • f.

      Indien niet op basis van de criteria onder lid 3, sub e onder I tot en met IX een keuze uit de concurrerende aanmeldingen kan worden gemaakt, vindt een loting tussen deze aanmeldingen plaats.

    • g.

      Voor zover de afweging zoals hiervoor in lid 3 onder e niet kan leiden tot een keuze en een loting moet plaatsvinden, worden de betreffende verzoeken niet meegenomen bij het vaststellen van de evenementenkalender. Na loting wordt het ingelote verzoek alsnog op de evenementenkalender geplaatst.

  • 4.

    Evenementen die na 1 oktober bij het college worden aangemeld, worden niet meer op de evenementenkalender geplaatst. Na vaststelling van de evenementenkalender wordt de organisatie verzocht een evenementenvergunning zoals bedoeld in artikel 2:10 aan te vragen.

  • 5.

    Het college kan beleidsregels vaststellen over de procedure van totstandkoming van de evenementenkalender.

  • 6.

    Er hoeft niet te worden voldaan aan hetgeen gesteld is in lid 2 van dit artikel indien:

    • a.

      het een 0-evenement betreft;

    • b.

      het een bijzonder evenement is;

    • c.

      het een evenement betreft waarvoor vrijstelling is verleend op grond van artikel 2:10 lid 11.

 

Afdeling 6 Voor publiek openstaande gebouwen

Artikel 2:11 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen

  • 1.

    De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw – niet zijnde een horeca-inrichting of seksinrichting – of een bij dat gebouw behorend erf

  • 2.

    Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.

  • 3.

    Iedereen is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  • 4.

    Het is de rechthebbende op en de beheerder van het gebouw of erf als bedoeld in het eerste lid verboden daarin bezoekers toe te laten of daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is.

  • 5.

    Het is voor iedereen verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten gebouw of erf te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

  • 6.

    Onder bezoekers worden voor de toepassing van het vierde en vijfde lid niet verstaan de personen wier tegenwoordigheid in het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf wegens dringende omstandigheden vereist wordt.

  • 7.

    Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

 

Afdeling 7 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:14b Straatmuzikanten

  • 1.

    Het is verboden om als straatmuzikant voor publiek op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of weggedeelten.

  • 2.

    De burgemeester kan de werking van het in het eerste lid gestelde verbod beperken tot nader door hem aan te duiden dagen en uren.

  • 3.

    De burgemeester kan vrijstelling of ontheffing verlenen van het verbod.

  • 4.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. Van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

 

Artikel 2:15a Glasverbod (horeca)bedrijven

  • 1.

    Het is verboden in een door de burgemeester aangewezen gebied en binnen een door de burgemeester aangewezen periode, drank te verstrekken in drinkgerei van glas of in flessen van glas. Dit geldt voor:

  • 2.

    de houder van een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 eerste lid van de Horecaverordening ’s-Hertogenbosch 2017 respectievelijk van een ontheffing als bedoeld in artikel 35 van de Alcoholwet;

  • 3.

    een winkel waarin in overwegende mate levensmiddelen of tabak en aanverwante artikelen of uitsluitend alcoholhoudende dranken al dan niet tezamen met alcoholvrije dranken worden verkocht;

  • 4.

    een warenhuis;

  • 5.

    een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin hoofdzakelijk gerede etenswaren voor gebruik ter plaatse en/of elders dan ter plaatse plegen te worden verkocht, niet zijnde een horecalokaliteit;

  • 6.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet:

  • 7.

    In het inpandige gedeelte van een restaurant, van een afgescheiden restaurantgedeelte van een horecabedrijf, van een hotel of van een pension, dan wel op daarbij horende, niet aan de weg gelegen terrassen.

  • 8.

    Voor glaswerk dat zodanig is verpakt of wordt vervoerd dat het aannemelijk is dat het niet voor onmiddellijk gebruik zal of kan worden aangewend.

  • 9.

    De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

 

Artikel 2:18 Gebiedsontzeggingen

  • 1.

    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperk en van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid, aan degene die een strafbaar feit pleegt, een verbod opleggen om zich gedurende 48 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen waar, of in de nabijheid waarvan, het feit is gepleegd;

  • 2.

    De burgemeester kan, met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen, aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd, dat hij opnieuw een strafbaar feit pleegt, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste vier weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen waar, of in de nabijheid waarvan, het feit is gepleegd.

  • 3.

    Een verbod als genoemd in het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien het strafbare feit wordt geconstateerd binnen zes maanden na het opleggen van een eerder verbod op grond van het eerste of tweede lid;

  • 4.

    De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid genoemde verboden indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is, of in verband met de in het eerste lid genoemde belangen verantwoord;

  • 5.

    Het is verboden zich te gedragen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.

 

Artikel 2:20 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

  • 1.

    Het is verboden met een fiets, bromfiets of een ander voertuig overlast of hinder te veroorzaken of te doen laten veroorzaken op een terrein waar en gedurende de tijden dat een warenmarkt, kermis, muziek- of toneeluitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden zich met een fiets, bromfiets of een ander voertuig te bevinden op door het college of de burgemeester (ieder voor zover het de eigen bevoegdheden betreft) aangewezen uren en plaatsen op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

 

Artikel 2:24 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

  • 1.

    Het college kan buiten een inrichting in de zin van artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:

    • a.

      aanwezig te hebben, of

    • b.

      aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of

    • c.

      aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.

  • 2.

    Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven.

  • 3.

    Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

 

Afdeling 8 Drugsoverlast

Artikel 2:26 Verzameling van personen in verband met drugs

  • 1.

    Het is verboden op een openbare plaats, aan een verzameling personen deel te nemen indien deze verzameling van personen verband houdt met het openlijk gebruik van of de handel in middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet.

  • 2.

    Iedereen, die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie dan wel een buitengewoon opsporingsambtenaar direct zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen.

 

Afdeling 9 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2:30 Cameratoezicht op openbare plaatsen

  • 1.

    De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  • 2.

    De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van parkeergelegenheden die voor iedereen toegankelijk zijn.

 

Afdeling 10 Voetbalwedstrijden

Artikel 2:31 Betaald voetbalwedstrijden

  • 1.

    Voor de toepassing van deze Afdeling wordt verstaan onder:

    • a.

      organisator:

      • i.

        de betaald voetbalorganisatie FC Den Bosch, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaald voetbalorganisatie FC Den Bosch als thuisspelende ploeg betrokken is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateurvoetbalorganisatie;

      • ii.

        de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente ‘s-Hertogenbosch, waarbij tenminste één betaald voetbalorganisatie is betrokken of in geval van wedstrijden van vertegenwoordigende elftallen;

      • iii.

        degene die buiten de gevallen, genoemd onder i. en ii. een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij tenminste één betaald voetbalorganisatie is betrokken.

    • b.

      voetbalwedstrijd: een voetbalwedstrijd georganiseerd door een organisator als bedoeld onder a;

    • c.

      voetbalsupporter: iedereen die zich door kleding, uitrusting, meegevoerde voorwerpen of gedragingen manifesteert als aanhanger van een betaald voetbalorganisatie;

    • d.

      stadion: stadion De Vliert

    • e.

      omgeving van het stadion: Stadionlaan – Van Grobbendoncklaan – Westenburgerweg – Muntelbolwerk – Graafseweg – Hintham – De Grote Elst – Stadionlaan.

 

Artikel 2:32 Voetbalvergunning

  • 1.

    Het is de organisator verboden zonder vergunning van de burgemeester een voetbalwedstrijd te houden of te doen houden. Een vergunning kan meerdere wedstrijden betreffen.

  • 2.

    De organisator dient een aanvraag om vergunning uiterlijk vier weken vóór de datum van de voetbalwedstrijd in.

  • 3.

    De burgemeester kan van de in het tweede lid genoemde termijn afwijken en de uiterlijke datum van de aanvraag afzonderlijk bepalen.

  • 4.

    Op de aanvraag om vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

 

Artikel 2:33 Verbod voetbalwedstrijd en aanwijzing risicowedstrijd

  • 1.

    De burgemeester kan een voetbalwedstrijd verbieden:

    • a.

      uit vrees voor het ontstaan van een ernstige verstoring van de openbare orde;

    • b.

      met het oog op de bescherming van de veiligheid of volksgezondheid;

    • c.

      indien de aan de voetbalvergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet worden nageleefd.

  • 2.

    De burgemeester kan op elk moment een voetbalwedstrijd aanwijzen als een risicowedstrijd, als naar zijn oordeel daaraan een verhoogd risico is verbonden voor de openbare orde, veiligheid of volksgezondheid.

 

Artikel 2:34 Orde in verband met voetbalwedstrijden

  • 1.

    Vanaf vier uur voor het vastgestelde begin van een voetbalwedstrijd tot vier uur na afloop van een voetbalwedstrijd is het verboden om op een openbare plaats in de omgeving van het stadion stenen, stokken, metalen voorwerpen, flessen, brandbare stoffen of andere voorwerpen bij zich te hebben met het kennelijke doel om de openbare orde te verstoren.

  • 2.

    Het is verboden om in het stadion de orde te verstoren.

 

Artikel 2:34a Aangewezen routes en verplichte combi(vervoers)regeling
  • 1.

    Het is een voetbalsupporter verboden op de dag waarop een risicowedstrijd wordt gespeeld, zich te begeven of te bevinden buiten de door de burgemeester of de politie aangewezen routes.

  • 2.

    Het is een voetbalsupporter van een bezoekende voetbalorganisatie verboden op de dag waarop een risicowedstrijd wordt gespeeld gebruik te maken van andere manieren van vervoer naar en van het stadion dan de door de burgemeester voorgeschreven combi(vervoers)regeling.

 

Artikel 2:34b Verwijderingsplicht voetbalsupporters

Iedere voetbalsupporter tegen wie het vermoeden bestaat dat hij voornemens is de orde te verstoren, ofniet in het bezit is van een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd, is verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven.

 

Artikel 2:34c Stadionomgevingsverbod
  • 1.

    De burgemeester kan aan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in de omgeving van het stadion vanaf vier uur voor het vastgestelde aanvangstijdstip tot vier uur na afloop van voetbalwedstrijden. Het verbod geldt voor een bepaalde periode, welke niet langer is dan twee jaar.

  • 2.

    De burgemeester kan overgaan tot het opleggen van het in het eerste lid bedoelde verbod:

    • a.

      nadat vast is komen te staan dat de persoon de openbare orde in het stadion of in de omgeving van het stadion heeft verstoord op een dag dat een voetbalwedstrijd wordt gespeeld.

    • b.

      aan personen aan wie een stadionverbod is opgelegd.

  • 3.

    Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste lid opgelegd verbod.

 

Afdeling 13 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

 

Artikel 2:39 Verbod exploiteren bedrijf zonder benodigde vergunning

  • 1.

    In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a.

      exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend.

    • b.

      beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten;

    • c.

      bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een gebouw, of een daarbij behorend perceel niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

  • 2.

    De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat of indien er signalen zijn van ondermijnende activiteiten. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit of door de exploitant en/of beheerder onder druk staat. Het aanwijzingsbesluit bepaalt de duur van de periode dat de aanwijzing geldt. Deze duur bedraagt maximaal vijf jaar en kan - indien dat met het oog op de bovengenoemde belangen naar het oordeel van de burgemeester nodig is - eenmalig worden verlengd met nogmaals een termijn van maximaal vijf jaar.

  • 3.

    Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

    • a.

      in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied, of

    • b.

      in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteit, of

    • c.

      in door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteiten.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

    • a.

      in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    • b.

      indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    • c.

      indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    • d.

      indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;

    • e.

      indien niet voldaan is aan de bij of krachtens de in dit artikel gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    • f.

      indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    • g.

      indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 5.1 van de Omgevingswet;

    • h.

      indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen drie jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

  • 5.

    Naast en aanvulling op artikel 1:4 lid 1 kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden aan een exploitatievergunning die wordt verleend krachtens het derde lid van deze bepaling, die strekken ter bescherming van de belangen, zoals opgenomen in het vierde lid van deze bepaling.

  • 6.

    De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    • a.

      de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;

    • b.

      het adres, e-mailadres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    • c.

      het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    • d.

      indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

    • e.

      een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    • f.

      een verklaring omtrent gedrag (VOG);

    • g.

      een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd;

    • h.

      naast de bovengenoemde gegevens kunnen gegevens en bescheiden worden verlangd van de aanvrager die verband houden met registraties van het specifieke gebouw of de specifieke bedrijfsmatige activiteit, waarop de aangevraagde exploitatievergunning betrekking heeft;

    • i.

      indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

  • 7.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen:

    • a.

      in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    • b.

      indien het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    • c.

      indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    • d.

      indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is;

    • e.

      indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    • f.

      indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 5.1 van de Omgevingswet;

    • g.

      indien de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    • h.

      indien er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

    • i.

      indien door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

    • j.

      indien de voorschriften uit de vergunning niet worden nageleefd; en/of

    • k.

      indien de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd.

  • 8.

    Een vergunning kan ingevolge artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur voorts door de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken, indien er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de voornoemde wet.

  • Voordat daaraan toepassing wordt gegeven, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

  • 9.

    De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw bevelen indien het daarin gevestigde bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met k, van toepassing is.

  • 10.

    Het is iedereen verboden een overeenkomstig het zevende lid van deze bepaling gesloten bedrijf of gebouw te betreden of daarin te verblijven.

  • 11.

    De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien uit later bekend geworden feiten en omstandigheden moet worden afgeleid dat de bescherming van de belangen in verband waarmee deze regeling van kracht is, geen langere sluiting vergen.

  • 12.

    De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand, aan de burgemeester te melden en een wijziging van zijn vergunning aan te vragen. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. Indien niet binnen een maand na de verandering van omstandigheden een aanvraag wordt ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een bestaande vergunning vervalt, zodra de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, in werking treedt.

  • 13.

    Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is.

  • 14.

    Het aanwijzingsbesluit geldt voor het aangewezen gebouw, het aangewezen gebied en de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten direct na de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Voor bedrijven die vóór de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit in het aangewezen gebouw of gebied gevestigd waren en/of zich bezig hielden met de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten, dient in het aanwijzingsbesluit een redelijke overgangstermijn geboden te worden, na het verstrijken waarvan het verbod uit het derde lid van toepassing wordt.

 

Afdeling 14 Consumentenvuurwerk en carbidschieten

 

Artikel 2:40 Definitie

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1. van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

  • jaarwisseling: de periode gelegen tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar.

 

Artikel 2:42 Carbidschieten

  • 1.

    Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in de periode van 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar.

  • 3.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.

 

Artikel 2:43 Vervoeren of bij zich hebben van carbid of soortgelijke stoffen

  • 1.

    Het is verboden op een openbare plaats carbid of soortgelijke stoffen (of voorwerpen) als bedoeld in artikel 2:42 lid 1 te vervoeren of bij zich te hebben, waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze stoffen worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zullen worden gebruikt in strijd met het bepaalde in artikel 2:42.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die het aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing, voor zover de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn.

 

Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatsekswerk e.d.

Afdeling 1 Begripsbepalingen, bevoegdheid en nadere regels

Artikel 3:1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf;

  • b.

    bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:

    • i.

      de exploitant;

    • ii.

      de beheerder;

    • iii.

      de sekswerker;

    • iv.

      het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;

    • v.

      toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening;

    • vi.

      andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

  • c.

    binnenstad: de binnenstad van ’s-Hertogenbosch die is gelegen binnen de stadsmuren en die wordt begrensd door: Westwal, St. Janssingel, Buitenhaven, Oliemolensingel, Zuid-Willemsvaart (gedeeltelijk), Citadellaan, Kasterenwal, Noordwal, Muntelwal, Aawal, De Bossche Pad (gedeeltelijk), Oostwal, Hekellaan, Zuidwal, Spinhuiswal, Parklaan en Wilhelminaplein.

  • d.

    escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was sekswerk aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;

  • e.

    exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;

  • f.

    seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een seksbedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

  • g.

    sekswerk : het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • h.

    sekswerker: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • i.

    sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd.

  • j.

    thuissekswerk: sekswerk waarbij een natuurlijke persoon bedrijfsmatig en tegen betaling of anders dan om niet seksuele handelingen verricht in een woning waar de sekswerker staat ingeschreven.

 

Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatsekswerk, sekswinkels e.d.

Artikel 3:4 Seksinrichtingen

  • 1.

    Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.

  • 2.

    In de inrichting dient te allen tijde (een afschrift van) de vergunning aanwezig te zijn.

  • 3.

    In de aanvraag om en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      de persoonsgegevens van de exploitant;

    • b.

      de persoonsgegevens van de beheerder;

    • c.

      het aantal werkzame sekswerkers;

    • d.

      de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;

    • e.

      de plaatselijke en kadastrale ligging van de seksinrichting door middel van een situatietekening met een schaal van ten minste 1:1000;

    • f.

      de plattegrond van de seksinrichting door middel van een tekening met een schaal van ten minste 1:100;

    • g.

      bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; en

    • h.

      bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting.

    • i.

      de tijden waarbinnen de inrichting voor bezoekers is geopend en waarbinnen de exploitant en/of beheerder in de inrichting aanwezig zijn.

  • 4.

    Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing op sekswerk, mits wordt voldaan aan de volgende voorschriften en beperkingen:

    • a.

      maximaal één en dezelfde ter plaatse ingeschreven bewoner mag sekswerk in de woning verrichten.

    • b.

      de sekswerker dient ten minste drie maanden ingeschreven te staan in de Basisregistratie Personen op het woonadres waar het sekswerk plaatsvindt;

    • c.

      afdracht van verdiensten uit thuissekswerk aan een derde is niet toegestaan;

    • d.

      er is geen sprake van bemiddeling door derden, met uitzondering van advertentiesites waar de sekswerker zelf adverteert;

    • e.

      de werkruimte is hygiënisch;

    • f.

      de sekswerker is tenminste 21 jaar oud; en

    • g.

      de sekswerker ontvangt tussen 09.00 uur ’s nachts en 06.00 uur ’s ochtends geen klanten in de woning.

  • 5.

    Het bevoegd bestuursorgaan kan met het oog op de belangen bepaald in artikel 1:8 en artikel 3:14 tweede lid nadere regels stellen over de voorschriften en beperkingen ten aanzien van thuissekswerk.

 

Artikel 3:7 Sluitingstijden

  • 1.

    Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 23.00 en 9.00 uur.

  • 2.

    Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.

  • 3.

    Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:8, eerste lid, gesloten dient te zijn.

  • 4.

    Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, gebaseerde voorschriften.

 

Artikel 3:9 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder

  • 1.

    Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.

  • 2.

    De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting:

  • 3.

    geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en

  • 4.

    geen sekswerk wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

 

Artikel 3:10 Straat- en raamsekswerk

  • 1.

    Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot sekswerk te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken:

  • 2.

    Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

 

Afdeling 3 Beslissingstermijn en weigeringsgronden

Artikel 3:14 Weigeringsgronden

  • 1.

    De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien:

    • a.

      de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:6 gestelde eisen;

    • b.

      de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met het omgevingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;

    • c.

      indien het een aanvraag voor een seksinrichting betreft, het op grond van artikel 3:5 maximaal aantal te verlenen vergunningen in zijn geheel is verleend;

    • d.

      indien het een aanvraag voor een seksinrichting in de binnenstad betreft, onverminderd de weigeringsgrond onder c, het op grond van artikel 3:5 maximum aantal vergunningen voor seksinrichtingen in de binnenstad is verleend;

    • e.

      er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde;

    • f.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen dat in strijd zal worden gehandeld met de in artikel 3:9 opgenomen aanwezigheids- en/of toezichtseis.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • c.

      het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;

    • d.

      de veiligheid van personen of goederen;

    • e.

      de verkeersvrijheid of -veiligheid;

    • f.

      de gezondheid of zedelijkheid;

    • g.

      de arbeidsomstandigheden van de sekswerker.

 

Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1 Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting

Artikel 4:1 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • 1.

    activiteitenbesluit milieubeheer: zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • 3.

    gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

  • 4.

    gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

  • 5.

    houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • 6.

    incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen.

  • 7.

    inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4.2 tot en met 4:4 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer.

  • 8.

    onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

 

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

  • 1.

    De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet op ten hoogste 8 door het college per kalenderjaar ten behoeve van collectieve festiviteiten aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 2.

    In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente.

  • 3.

    Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  • 4.

    Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

 

Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten

  • 1.

    Het is een horeca inrichting toegestaan maximaal vier incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn. Dit geldt alleen voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

  • 2.

    Het is een zuivere sportinrichting toegestaan maximaal zeven incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn. Ten aanzien van muziekgeluid geldt dit alleen voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

  • 3.

    Het is een zuivere sportinrichting toegestaan maximaal 7 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sport- of recreatieactiviteiten waarbij artikel 3.148 eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is.

  • 4.

    De houder van een inrichting die een incidentele festiviteit houdt geeft daarvan ten minste twee weken voor aanvang van de festiviteit melding aan het college.

  • 5.

    Aan de meldingsplicht is voldaan wanneer het daartoe door het college vastgestelde formulier volledig en naar waarheid is ingevuld en tijdig is ingeleverd.

  • 6.

    De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  • 7.

    De leden 1 en 2 gelden slechts voor zover wordt voldaan aan de door het college ter voorkoming van geluidshinder te stellen voorwaarden.

  • 8.

    De incidentele festiviteiten dienen, uitgezonderd geluidnormen, plaats te vinden in overeenstemming met het omgevingsplan, omgevingsvergunning en overige wetten die van toepassing zijn voor de inrichting.

  • 9.

    Het college kan een incidentele festiviteit verbieden, wanneer er sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidhinder of een ontoelaatbare samenloop met festiviteiten die gelijktijdig plaatsvinden, dan wel voorwaarden of beperkingen stellen ter voorkoming van geluidoverlast.

 

Artikel 4:4 Overige geluidhinder

  • 1.

    Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2.

    Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 3.

    Het verbod geldt niet als het langtijdgemiddeld geluidniveau niet boven het ter plaatse heersende referentieniveau komt.

  • 4.

    Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

 

Afdeling 3 Maatregelen tegen ontsiering

Artikel 4:7 Omgevingsvergunning voor handelsreclame

  • 1.

    Het is het verboden, zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een openbare plaats;

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 2.3 is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:

    • a.

      op de weg constructies, borden of andere voorwerpen, bestemd of gebruikt tot handelsreclame, aan te brengen of te hebben;

    • b.

      de weg op enigerlei andere wijze tot handelsreclame te gebruiken of toe te laten dat deze tot handelsreclame gebruikt wordt.

  • 3.

    Een vergunning bedoeld in het eerste en tweede lid kan worden geweigerd:

    • a.

      indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    • b.

      in het belang van de verkeersveiligheid;

    • c.

      in het belang van de voorkoming of beperking van ernstige hinder voor de omgeving;

  • 4.

    Dit artikel geldt niet voor zover ook een andere omgevingsvergunning nodig is op grond van artikel 5.1 van de Omgevingswet.

 

Afdeling 4 Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 4:8 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is, dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

 

Artikel 4:9 Kampeermiddelen buiten kampeerterreinen

  • 1.

    Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplanis aangeduid.

  • 2.

    Het in lid 1 genoemde verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik voor korte perioden door de rechthebbende op diens eigen terrein. Het verbod geldt ook niet voor het plaatsen van schuilmiddelen ten behoeve van het nachtvissen, zonder enkele eisen, op de aangewezen en bestemde plekken van de viswateren met verhuurd visrecht aan een hengelsportvereniging.

  • 3.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      het voorkomen of beperken van overlast

    • b.

      de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of andere goederen

    • c.

      de zedelijkheid of gezondheid

    • d.

      de bescherming van de natuur en landschap;

    • e.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente.

 

Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

Afdeling 1 Parkeerexcessen

Artikel 5:2 Bedrijfsmatig parkeren en stallen van voertuigen

  • 1.

    Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel binnen zijn bedrijfsvoering een gewoonte van maakt voertuigen te parkeren, te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    • a.

      drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd of die in de reguliere bedrijfsvoeringplegen te worden ingezet, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

    • b.

      de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  • 2.

    Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

    • a.

      het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

    • b.

      het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  • 3.

    Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    • a.

      voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

    • b.

      voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

    • c.

      deelvoertuigen.

  • 4.

    Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

 

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

  • 1.

    Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  • 2.

    Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

  • 3.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

 

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of het Besluit activiteiten leefomgeving..

 

Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a.

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    • a.

      langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;

    • b.

      meer dan vijf cumulatieve dagen per maand op de weg te plaatsen of te hebben;

    • c.

      op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.

  • 3.

    Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarover regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

 

Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  • 1.

    Het is verboden met een voertuig, uitgezonderd de fiets tenzij anders aangegeven, te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

  • 2.

    Dit verbod is niet van toepassing:

    • a.

      op de weg;

    • b.

      op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;

    • c.

      op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  • 3.

    Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

 

Afdeling 4 Standplaatsen

Artikel 5:14 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  • 2.

    Het college kan de vergunning weigeren wegens strijd met het omgevingsplan en de gronden genoemd in artikel 1:8.

  • 3.

    De vergunning kan ook door het college worden geweigerd:

    • a.

      indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    • b.

      indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van een vergunning voor het hebben van een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

  • 4.

    Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor standplaatsen die worden ingenomen ten behoeve van het voeren van politieke campagne gedurende een periode van twee weken voorafgaande aan enige verkiezing als bedoeld in de Kieswet, dit echter uitsluitend voor wat betreft de door het college aan te wijzen plaatsen en tijden;

  • 5.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet of het Provinciaal wegenreglement.

  • 6.

    De weigeringsgrond in het derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.

  • 7.

    Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen.

  • 8.

    Bij het stellen van nadere regels kan het college bepalen dat vergunningen worden verleend met toepassing van een van de volgende procedures:

    • a.

      op volgorde van binnenkomst van de aanvragen;

    • b.

      door middel van een vergelijkende toets;

    • c.

      door middel van een loting;

    • d.

      door middel van een veiling.

 

Afdeling 5 Openbaar water

Artikel 5:16 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

  • 1.

    Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  • 2.

    Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.

  • 3.

    De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

  • 4.

    De verboden zijn niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Noord-Brabant of de Waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

 

Artikel 5:17 Ligplaats woonboten en andere vaartuigen

  • 1.

    Het is verboden op of aan het openbaar water een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats beschikbaar te stellen voor een:

  • 2.

    vaartuig, niet zijnde een woonboot, buiten de daarvoor door het college aangewezen gedeelten;

  • 3.

    woonboten buiten de in het omgevingsplan daarvoor bestemde locaties en zonder vergunning van het college.

  • 4.

    Het college is bevoegd nadere regels vast stellen ten aanzien van de volgende onderwerpen:

  • 5.

    het innemen, hebben, beschikbaar stellen of het inrichten van een ligplaats;

  • 6.

    het stellen van beperkingen naar soort en aantal vaartuigen en de gebruikstijden van de ligplaatsen.

  • 7.

    Onverminderd het bepaalde in lid 1 is het verboden een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats beschikbaar te stellen in strijd met de door het college vastgestelde nadere regels.

  • 8.

    Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Noord-Brabant of de Waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of het Binnenvaartpolitiereglement

 

Artikel 5:20 Beschadigen van waterstaatswerken

  • 1.

    Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregeld onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Omgevingsverordening Noord-Brabant of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.

 

Artikel 5:21 Reddingsmiddelen

  • 1.

    Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

  • 2.

    Artikel 5:22 Veiligheid op het water

  • 3.

    Het is voor iedereen die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  • 4.

    Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Omgevingsverordening Noord-Brabant of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.

 

Afdeling 6 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 5:25 Crossterreinen

  • 1.

    Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoel in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  • 2.

    Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:

    • a.

      in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    • c.

      in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  • 3.

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  • 4.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet,  afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of hetBesluit geluidproductie sportmotoren.

 

Artikel 5:26 Beperking verkeer in natuurgebieden

  • 1.

    Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.

  • 2.

    Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:

    • a.

      in het belang van het voorkomen van overlast;

    • b.

      in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    • c.

      in het belang van de veiligheid van het publiek.

  • 3.

    Het verbod in het eerst lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:

    • a.

      ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;

    • b.

      die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • c.

      die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • d.

      van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • e.

      voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  • 4.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:

  • 5.

    Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

 

Afdeling 7 Verbod vuur te stoken

Artikel 5:27 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

  • 1.

    Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voorzover het betreft:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden

  • Voor zover dat het geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.

  • 3.

    Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  • 5.

    Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Noord-Brabant.

 

Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6:2 Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:

  • de ambtenaren aangewezen in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering

  • de medewerkers van de afdeling Stadstoezicht die zijn belast met toezicht en handhaving openbare ruimte, waaronder begrepen de medewerker bestuursrechtelijke handhaving

  • de toezichthouders Omgevingswet

  • de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

 

 

 

 

De griffier,

Drs. W.G. Amesz

De voorzitter,

Drs. J.M.L.N. Mikkers

Naar boven