Gemeenteblad van Hof van Twente
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hof van Twente | Gemeenteblad 2025, 429592 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hof van Twente | Gemeenteblad 2025, 429592 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
VERORDENING FINANCIEEL BELEID, BEHEER EN ORGANISATIE HOF VAN TWENTE 2025:
De raad van de gemeente Hof van Twente;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders;
Paragraaf 1 Algemene bepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
- administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van
informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de
gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd.
- rechtmatigheidsverantwoording: de toelichting in de jaarrekening waarin het college
aangeeft in hoeverre de in de jaarrekening verantwoorde baten en lasten, alsmede de
balansmutaties, rechtmatig tot stand zijn gekomen.
- Besluit begroting en verantwoording (BBV): de wettelijke eisen voor de opzet en inhoud
van de begroting en jaarrekening zijn vastgelegd in dit besluit (o.b.v. artikel 196
- financieel beheer: het uitoefenen van bestuur over en toezicht op het beheer van
middelen en het uitoefenen van rechten van de gemeente Hof van Twente.
- doelmatigheid: het realiseren van bepaalde prestaties met een zo beperkt mogelijke inzet
van middelen dan wel gegeven een bepaalde hoeveelheid inzet van middelen het
realiseren van zoveel mogelijk prestaties.
- doeltreffendheid: de mate waarin de beoogde maatschappelijke effecten van het beleid
- verbonden partijen: rechtspersonen waarin de gemeente een bestuurlijke en financieel
Paragraaf 2 Begroting en verantwoording
1. Het college van burgemeester en wethouders (hierna het college) biedt jaarlijks, vóór
31 december, een bestuurlijke planning voor het volgende begrotingsjaar aan de
gemeenteraad (hierna de raad) aan. In deze planning zijn de data opgenomen met
betrekking tot het aanbieden en vaststellen van de planning- en control-documenten
middels de LTA (Lange Termijn Agenda) voor de raad.
2. De planning- en control-documenten in een kalenderjaar zijn: kaderbrief,
programmabegroting, jaarstukken en twee tussentijdse rapportages
Artikel 3 Kaders en programma-indeling voor de begroting en
1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die
2. De raad stelt per programma vast:
a. de omschrijving, de doelen en prestaties van het programma;
c. de beleidsindicatoren, waaronder in ieder geval de verplichte beleidsindicatoren,
bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het BBV.
3. De raad kan vaststellen over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de
verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden
4. De raad stelt vóór het zomerreces de financiële kaders vast voor de programmabegroting
van het volgende jaar. Het college biedt tijdig een voorstel voor deze kaders aan de raad
aan. Voor zover mogelijk worden ook beleidsmatige kaders aan de raad voorgesteld
(kaderbrief met perspectief). Het college gebruikt deze kaders voor het opstellen van de programmabegroting.
Artikel 4 Inrichting begroting en jaarstukken
1. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt:
a. De omschrijving, de doelen en prestaties van het programma van het programma
b. van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet
c. in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 20 en artikel 21 van het Besluit begroting
en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van
de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen
2. In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde
investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten
3. In het overzicht van de (geraamde) incidentele baten en lasten per programma worden
posten vanaf € 50.000 afzonderlijk gespecificeerd.
4. Bij de verschillenanalyse in de jaarrekening tussen de jaarrekening en de laatst
bijgestelde begroting worden in ieder geval de verschillen boven € 100.000 afzonderlijk
Artikel 5 Autorisatie begroting en investeringskredieten
1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per
programma en het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen.
2. Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op
een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil
ontvangen. De overige nieuwe investeringskredieten worden bij de
begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.
3. Het college informeert de raad als zij verwachten, dat de lasten van een programma de
geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden en/of te onderschrijden, de
investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet
dreigen te overschrijden en/of te onderschrijden, de baten van een programma de
geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden en/of te overschrijden. De raad geeft aan
of hij een voorstel wil voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten en/of baten van het
programma, voor het wijzigen van het geautoriseerde investeringskrediet, of voor het
4. Bij de behandeling van de tussentijdse rapportages in de raad bedoeld in artikel 6, eerste
lid, doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten,
het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid.
In geval van investeringen met een meerjarig karakter doet het college indien nodig ook
bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen
van de geautoriseerde investeringskredieten.
Artikel 6 Tussentijdse rapportages
1. Het college informeert de raad door middel van twee tussentijdse rapportages over de
realisatie van de begroting van de gemeente over:
a. Beleidsmatige financiële afwijkingen van de begroting voor zowel exploitatie als
b. prognose over de realisatie van de doelstellingen en prestaties
d. hernieuwd overzicht van het budgettair perspectief
2. De inrichting van de tussentijdse rapportages sluit aan bij de programma-indeling van de
1. Het college legt verantwoording af over de uitvoering van de programma’s. In de
a. wat de realisatie is per programma van de doelstellingen en prestaties;
b. welke budgetten zijn ingezet om de prestaties te realiseren;
c. een analyse op hoofdlijnen van de afwijkingen ten opzichte van de oorspronkelijke en
2. De programma’s in het jaarverslag bevatten een toelichting waarin oorzaken van
afwijkingen worden aangegeven en of deze van structurele aard zijn.
3. In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde
investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven in relatie tot de nog te
verrichten werkzaamheden weergegeven.
4. Vooruitlopend op het bestemmingsvoorstel over het jaarrekeningresultaat kan het college
de raad voorstellen om restantmiddelen op onderdelen van het rekeningresultaat over te
hevelen naar het volgende begrotingsjaar. Bij de jaarrekening en het tussentijds voorstel
in Q1 van het lopende jaar besluit de raad over deze budgetoverheveling. Met betrekking
tot de budgetoverhevelingen in Q1 van het lopende jaar kan het college uitgaven doen
vooruitlopend op instemming bij de jaarrekening.
5. Aan de budgetoverhevelingen zijn de volgende voorwaarden verbonden:
a. Alleen incidentele budgetten komen voor budgetoverheveling in aanmerking;
b. Erdient spraketezijnvaneen gerechtvaardigderedenopgrondwaarvan debijde
begroting voorgenomen activiteiten, plannen of prestaties niet of niet geheel konden
worden gerealiseerd. Aan de gemeenteraad wordt verantwoording afgelegd over de
vraag waarom de activiteiten niet binnen het begrotingsjaar tot uitvoering zijn
c. De uitvoering van de activiteit in het volgende begrotingsjaar past in de werkplanning
en niet ten koste gaat van andere begroting activiteiten van het volgende
d. Demiddelen kunnen slechts één keer worden overgeheveld. Indien de situatie in het
daaropvolgende jaar nog steeds ongewijzigd is, dan vallen de budgetten alsnog vrij
ten gunste van de algemene reserve;
e. Het over te hevelen budget maximaal het verschil is tussen het voor die activiteit
begrote bedrag en reeds verrichte uitgaven;
f. Het over te hevelen budget bedraagt minimaal € 25.000.
Paragraaf 3 Rechtmatigheidsverantwoording
Artikel 8 Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording
1. De raad stelt vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de
begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil
worden geïnformeerd over rechtmatigheid.
2. In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteert het college aan de
a. De verantwoordingsgrens is een totaalbedrag voor rechtmatigheidsfouten én
onduidelijkheden in het kader van de financiële rechtmatigheid.
b. De verantwoordingsgrens is vastgesteld op 2% van de totale lasten, exclusief de
3. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde fouten en onduidelijkheden
groter dan 5% van de verantwoordingsgrens nader toegelicht (de rapportagegrens).
Artikel 9 Voorwaardencriterium
1. Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de
eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De
eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking
op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen,
normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.
2. Het college biedt de raad ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan, uiterlijk
31 januari na afloop van het boekjaar. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) weten regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien.
Artikel 10 Begrotingscriterium
1. Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de
grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van
exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s,
waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen;
2. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door
de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5.
3. Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau
van het totaal geautoriseerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget,
passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig
4. Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd
indien deze niet tijdig aan de raad zijn gemeld. Wanneer de tussentijdse rapportagemomenten reeds zijn geweest, dan wordt als tijdig ook de toelichting van deze
afwijkingen in de jaarstukken beschouwd. Afwijkingen worden ook als acceptabel
aangemerkt in de volgende situaties:
a. Overschrijding van lasten en/of investeringen waarbij direct gerelateerde inkomsten
de overschrijding compenseren;
b. Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling;
c. De overschrijding is geautoriseerd door middel van de vaststelling van een
tussentijdse rapportage of afzonderlijk besluit door de raad voor het einde van het
5. Begrotingsonrechtmatigheden die passen binnen het bestaande beleid van de raad,
worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de
verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden),
maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering.
Artikel 11 Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium
1. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat
betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk
gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële
2. Het college zorgt voor en legt de regels vast voor het voorkomen van misbruik en
oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.
3. In de paragraaf bedrijfsvoering van het jaarverslag wordt over misbruik en oneigenlijk
gebruik gerapporteerd. In het jaarverslag van de vertrouwenspersoon wordt
gerapporteerd over integriteit binnen de eigen organisatie, waaronder fraude door eigen
Artikel 12 Waardering en afschrijving vaste activa
1. De raad stelt een nota waardering en afschrijving vaste activa vast, waarin beleidsregels
worden gesteld met betrekking tot de afschrijvingstermijnen, waarderingsgrondslagen en
2. Het college biedt de raad jaarlijks een meerjareninvesteringsplan aan als bijlage bij de
begroting, waarbij inzicht wordt verschaft in de geplande investeringen.
Artikel 13 Reserves en voorzieningen
1. Het college biedt de raad eens per raadsperiode een nota reserves en voorzieningen
aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt in ieder geval:
a. de vorming en besteding van reserves;
b. de vorming en besteding van voorzieningen.
2. Een voorstel voor de instelling van een reserve aan de raad, gaat het college in ieder
a. de argumenten die aan de keuze voor een reserve ten grondslag liggen;
b. het specifieke doel van de reserve;
d. de maximale hoogte van de reserve;
Artikel 14 Kostprijsberekening
1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in
rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd
aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de
overheadkosten en de renteomslag voor de financiering van de in gebruik zijnde activa
2. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden
daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW), de
gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid , de kosten voor straatreiniging daar
waar van toepassing betrokken.
3. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen
worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een
specifieke uitkering of subsidie, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en
in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die
4. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen
worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, binnen het taakveld overhead
apart geadministreerd en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de
vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.
5. Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen
waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die
worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als
bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt uitgegaan van een aandeel in de totale
overheadkosten ter grootte van de geraamde directe kosten van de economische
categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel die worden
besteed aan de desbetreffende goederen, werken, diensten, rechten en heffingen,
gedeeld door de totale geraamde directe kosten van de economische categorieën 1.1
Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel.
6. Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering
van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting
7. In afwijking van artikel 14 eerste lid wordt bij een verstrekte lening, voor de bepaling van
de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs, uitgegaan van het
rentetarief van een soortgelijke lening die voor de financiering van de verstrekte lening
zou worden aangetrokken indien de liquiditeitspositie van de gemeente daarom vraagt.
Dit tarief kan worden verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico.
Artikel 15 Prijzen economische activiteiten
1. Voor de levering van goederen, diensten en werken door de gemeente aan
overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen
treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht.
2. Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven
en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht.
3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden
gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten
4. Bij afwijking van het eerste, tweede of derde lid vanwege een publiek belang doet het
college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een
raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteiten wordt gemotiveerd.
5. Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in het vorige lid zijn
niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en er sprake is
van een van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 25h van de Mededingingswet.
Artikel 16 Financieringsfunctie
1. Het college biedt de raad eens per raadsperiode een treasurystatuut aan waarin regels
worden opgenomen voor het dagelijkse geldstromenbeheer en voor o.a. liquiditeitsrisico,
renterisico, kredietrisico. Het treasurystatuut wordt door de raad vastgesteld en behandelt
de werkwijze omtrent de financieringsfunctie.
2. Het college zorgt bij het uitoefenen van de financieringsfunctie voor voldoende
liquiditeiten tegen een reële prijs tegen een aanvaardbaar risico. Daarbij wordt voldaan
aan de richtlijnen in het treasurystatuut.
1. Het college biedt de raad ten minste eens per raadsperiode een nota grondbeleid aan.
De raad stelt de nota grondbeleid vast. De nota grondbeleid bevat in ieder geval:
a. de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente;
b. de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden;
c. de wijze waarop met de toerekening van bovenwijkse voorzieningen wordt
d. beleidsuitgangspunten betreffende de reserves voor grondexploitaties in relatie
tot de risico’s van grondexploitaties.
2. De raad stelt door middel van vaststelling van de begroting ook de in de paragraaf
grondbeleid genoemde grondprijzen vast.
3. De voorziening voor verliesgevende grondexploitaties wordt gewaardeerd tegen contante
De raad stelt een nota risicomanagement vast met daarin een beleidskader voor hoe de
gemeente de risico’s die zij loopt in kaart brengt, beheerst en het bedrag berekent dat zij
nodig heeft om de risico’s in financiële zin op te vangen. De nota bevat een beleidsregel voor
het weerstandsvermogen, dat wil zeggen de relatie tussen het gekwantificeerde totale risico
en de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen waarover de gemeente kan beschikken om
niet begrote uit risico’s voortvloeiende kosten op te vangen.
Paragraaf 5 Financiële organisatie en financieel beheer
Artikel 19 (Financiële) administratie
Het college draagt zorg voor een zodanige inrichting en werking van de (financiële)
administratie, dat deze de grondslag is voor:
a. het verstrekken van informatie aan de raad over de financiële positie van de gemeente;
b. het afleggen van verantwoording aan de raad over de rechtmatigheid, doeltreffendheid
en doelmatigheid van het gevoerde beleid.
c. het verstrekken van informatie aan de Europese Unie, het Rijk, de Provincie, alsmede
aan andere instellingen die specifieke verantwoordingsplichten opleggen aan
Artikel 20 (Financiële) organisatie
1. Het college draagt zorg voor een adequate scheiding van functies en taken, alsmede
voor een adequate mandatering van verantwoordelijkheden en bevoegdheden, zodanig
dat de rechtmatigheid van (financiële) beheershandelingen en de betrouwbaarheid van
de verstrekte (financiële) informatie geborgd worden.
2. Het college draagt zorg voor een eenduidige indeling van de gemeentelijke financiële
3. Het college draagt zorg voor het beleid en de interne regels voor de inkoop en de
aanbesteding van goederen, werken en diensten.
1. Het college draagt zorg voor systematische interne controle van de getrouwheid (de
juistheid, volledigheid en tijdigheid) van de (bestuurlijke) informatievoorziening en van de
rechtmatigheid van de beheerhandelingen.
2. Bij afwijkingen rapporteert het college daarover in de rechtmatigheidsverantwoording,
zoals beschreven in de paragraaf 3 artikel 8 lid 1.
Artikel 22 Intrekking oude regeling
De Financiële verordening Hof van Twente 2024 wordt ingetrokken op het moment dat de
Financiële verordening Hof van Twente 2025 in werking treedt.
Artikel 23 Inwerkingtreding en citeertitel
1. Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2025.
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening Hof van Twente 2025.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hof van Twente
H.M. Meerman drs. H.A.M. Nauta-van Moorsel MPM
De Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) heeft
haar basis in artikel 212, eerste lid, van de Gemeentewet, waarin is opgenomen dat de
raad bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid vaststelt, en daarnaast
de uitgangspunten voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële
organisatie. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid,
verantwoording en controle wordt voldaan. De Verordening financieel beleid, beheer en
organisatie (artikel 212 Gemeentewet) vult daarnaast de vrije ruimte nader in die iedere
gemeente heeft bij de inrichting van het eigen financieel beleid, beheer en organisatie en
De Gemeentewet biedt de belangrijkste kaders en regelt bijvoorbeeld dat er nadere eisen
worden gesteld aan de inrichting van de begroting en de jaarrekening. Dit wordt vervolgens
uitgewerkt in het Besluit begroting en verantwoording gemeentes en provincies (hierna:
BBV). Het BBV schrijft voor op welke wijze de gemeente moet begroten en verantwoorden
en de wijze waarop zij uitvoeringsinformatie vastlegt. Om een correcte interpretatie van deze
artikelen te waarborgen is er een commissie voor het Besluit begroting en verantwoording
provincies en gemeenten (hierna: commissie BBV). De commissie BBV draagt zorg voor een
eenduidige uitvoering en toepassing van het BBV, en voor een visie ten aanzien van
rechtmatigheid in de controleverklaring (artikel 75, tweede lid, van het BBV).
Richtlijnen van de commissie BBV aan gemeenten en andere decentrale overheden zijn een
belangrijk instrument van de commissie BBV om in navolging van artikel 75 van het BBV de
eenduidige uitvoering en toepassing van het BBV te bevorderen. De richtlijnen van de
commissie BBV worden onderverdeeld naar stellige uitspraken en aanbevelingen. De stellige
uitspraken zijn dwingend; een gemeente behoort zich hieraan te houden. Met stellige
uitspraken geeft de commissie BBV een interpretatie van de regelgeving die leidend is.
Indien een gemeente toch een afwijkende interpretatie kiest, dan moet zij dit expliciet
motiveren en kenbaar maken bij de begroting en jaarstukken. De aanbevelingen zijn niet
dwingend. Hierbij gaat het om uitspraken die ‘steun en richting geven aan de praktijk’. De
commissie BBV spoort gemeenten aan om deze aanbevelingen te volgen, omdat dat naar
haar oordeel bijdraagt aan het inzicht in de financiële positie (transparantie). Omdat deze
aanbevelingen vanuit de expertise van de commissie BBV zijn opgesteld, zijn specifiek die
aanbevelingen die gaan over de Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (artikel
212 Gemeentewet) opgenomen als onderdeel van de verordening.
In artikel 75, tweede lid, onder b, van het BBV is vastgelegd dat de commissie BBV een
kadernota rechtmatigheid opstelt voor het geven van een visie ten aanzien van rechtmatigheid in de controleverklaring. Met het instellen van de rechtmatigheidsverantwoording door
het college stelt de commissie BBV periodiek een Kadernota Rechtmatigheid op.
Rechtmatigheidsverantwoording door het college
Vanaf boekjaar 2023 neemt het college een rechtmatigheidsverantwoording op in de
jaarrekening. Deze verantwoording is een standaardmodel dat bij wet is vastgelegd en het
geeft inzicht in hoeverre de gemeente rechtmatig heeft gehandeld. Waar de accountant
voorheen een oordeel vormde over de getrouwheid én rechtmatigheid van de
jaarverslaggeving, beperkt de accountant zich nu tot een oordeel over het getrouwe beeld
van de jaarrekening (inclusief de rechtmatigheidsverantwoording). De accountant geeft vanaf
dit moment dus geen afzonderlijk oordeel meer over de rechtmatigheid.
Met de invoering van de rechtmatigheidsverantwoording toetst de accountant uitsluitend of
de jaarrekening getrouw is, maar toetst daarbij ook of de rechtmatigheidsverantwoording dat
is. Dit betekent onder meer dat afwijkingen van rechtmatigheid (voor zover deze niet tevens
van invloed zijn op het getrouwe beeld), geen invloed hebben op de strekking van de
controleverklaring. Hierdoor kan het bijvoorbeeld voorkomen dat er omvangrijke afwijkingen
van rechtmatigheid opgenomen zijn in de rechtmatigheidsverantwoording van het college
terwijl de strekking van de controleverklaring toch goedkeurend is, omdat de omvangrijke
rechtmatigheidsfouten getrouw opgenomen zijn in de rechtmatigheidsverantwoording.
De invoering van de rechtmatigheidsverantwoording is mede bedoeld om het gesprek te
ondersteunen tussen de raad en het college, over de (financiële) rechtmatigheid. Het doel
hiervan is om de kaderstellende en controlerende rol van de raad op dit vlak te versterken.
Het is daarnaast de verwachting dat dit een kwaliteitsimpuls zal geven aan de interne
processen en beheersing, zodat het college kan steunen op een adequaat functionerend
systeem. Ook is de verwachting dat er meer vooruitgekeken gaat worden naar het oplossen
van onrechtmatigheden, omdat het college ook beheersmaatregelen moet formuleren.
Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader toegelicht.
Artikel 3 Kaders en programma-indeling voor de begroting en verantwoording
De programma-indeling wordt door de raad vastgesteld. Artikel 66, eerste lid, onder c, van
het BBV bepaalt in aanvulling hierop dat de taakvelden aan de programma’s moeten worden
De raad stelt beleidsindicatoren per programma vast. Het is het zogenaamde SMART maken
van de begroting (de daarin vervatte informatie is specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch
en tijdgebonden) . Wat de verplichte beleidsindicatoren zijn, volgt uit de (ministeriële)
Regeling vaststelling beleidsindicatoren door gemeenten in programma’s en
programmaverantwoording, die zijn grondslag vindt in artikel 25, tweede lid, onder a, van het
Het BBV schrijft een aantal verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken voor. In
een paragraaf wordt de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting
loopt, geïnformeerd. Het (facultatieve) derde lid bepaalt, dat de raad bij aanvang van een
nieuwe raadsperiode kan aangeven, welke paragrafen hij nog meer wenst. Hierbij kan
bijvoorbeeld worden gedacht aan een paragraaf subsidies, een paragraaf duurzaamheid en
energietransitie of een paragraaf over digitale transformatie.
Artikel 4 Inrichting begroting en jaarstukken
In dit artikel zijn bepalingen opgenomen voor de inrichting van de begroting, die aanvullend
In het eerste lid, onder b, wordt de verplichting in artikel 20, tweede lid, onder b, van het BBV
om in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt, door te
bepalen dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van de
investeringen wordt gegeven. Dit is nodig om ook de autorisatie van investeringskredieten
mogelijk te maken. Bij investeringen moet ook worden gedacht aan grondexploitaties.
Het eerste lid, onder c, bepaalt, dat in aanvulling op het bepaalde in het BBV de gevolgen
van de begroting en meerjarenraming, investeringen en grondexploitatie voor de
gemeentelijke schuldpositie inzichtelijk worden gemaakt.
Het is verplicht om een overzicht te presenteren van de incidentele baten en lasten. Op die
manier kan beoordeeld worden of en in hoeverre er sprake is van een sluitende begroting.
Daarbij is het wenselijk per programma deze posten vanaf € 50.000 afzonderlijk te
Artikel 5 Autorisatie begroting en investeringskredieten
Op grond van artikel 189 van de Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad
neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen hij voor taken en activiteiten op de begroting
beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel 192 van de
Gemeentewet besluiten nemen voor het wijzigen van de begroting. De gemeente kan slechts
uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht (artikel 189,
derde lid, van de Gemeentewet). De raad kan kiezen op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. Autorisatie door de raad van de baten en de lasten vindt plaats op het niveau van
Naast lopende uitgaven doet een gemeente investeringen, waaronder investeringen in
grondexploitaties. Ook uitgaven voor investeringen moeten door de raad worden
geautoriseerd. Voor de autorisatie van deze investeringskredieten is er voor gekozen deze
bij de begrotingsbehandeling mee te nemen. Wel kan de raad bij de begrotingsbehandeling
aangeven, welke investeringskredieten hij op een later moment wil autoriseren. Zo kan de
raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling
van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke
investering blijft wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de
uitgaaf nog niet. Het college is nog niet bevoegd verplichtingen voor de investering aan te
Voor het behandelen van de daadwerkelijke begrotingswijzigingen en bijstellingen van beleid
is er voor gekozen deze mee te nemen bij de behandeling van de tussentijdse rapportages.
Bij investeringen met een meerjarig karakter, waaronder ook grondexploitaties, vindt bij elke
begroting een actualisatie van de ramingen plaats en doet het college aan de raad
voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten.
Artikel 6 Tussentijdse rapportages
De tussentijdse rapportages zijn een belangrijk onderdeel van de planning- en controlcyclus
voor de raad. Op basis van tussentijdse rapportages wordt de raad geïnformeerd over de
uitputting van budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de uitvoering van het
Artikel 8 Uitgangspunten rechtmatigheidsverantwoording
Bij de verantwoording over rechtmatigheid wordt gekeken naar negen criteria. Het college
legt verantwoording af over alle negen criteria in de jaarrekening. De eerste zes criteria zijn
niet opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording. Deze betreffen verantwoording met
betrekking tot getrouwheid en rechtmatigheid. Ze komen tot uitdrukking in de balans en het
overzicht van baten en lasten. Dit zijn het calculatiecriterium, valuteringcriterium,
adresseringscriterium, volledigheidscriterium, aanvaardbaarheidscriterium en
Daarnaast is er een aantal criteria waarbij de verantwoording specifiek gaat over
rechtmatigheid. Deze komen wel tot uitdrukking in de rechtmatigheidsverantwoording:
- begrotingscriterium: de financiële handelingen passen binnen het kader van de
- voorwaardencriterium: voorwaarden in wet- en regelgeving worden nageleefd, zoals
- misbruik en oneigenlijk gebruik criterium: er vindt een toetsing op juistheid en volledigheid
van gegevens die door derden zijn verstrekt, plaats met het oog op het voorkomen van
misbruik en oneigenlijk gebruik.
In relatie tot de invoering van de rechtmatigheidsverantwoording is in het eerste lid
opgenomen dat de raad vaststelt op welke wijze hij door middel van de paragraaf
bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken geïnformeerd wil worden over
In het tweede lid stelt de raad de verantwoordingsgrens vast, waarboven het college moet
rapporteren aan de raad. Deze grens moet tussen 0 en 2% liggen van de totale lasten van
de gemeente, exclusief de dotaties aan de reserves.
Het derde lid geeft aan boven welk bedrag afzonderlijke afwijkingen nader moeten worden
Artikel 9 Voorwaardencriterium
In het eerste lid wordt de definitie weergegeven van het voorwaardencriterium, het
Hierin is aangegeven dat jaarlijks het normenkader ten aanzien van de
rechtmatigheidsverantwoording door de gemeenteraad moet worden vastgesteld.
Artikel 10 Begrotingscriterium
Artikel 10 gaat expliciet in op de begrotingsrechtmatigheid. In het eerste lid wordt het begrip
begrotingsrechtmatigheid gedefinieerd.
De baten en lasten moeten zich bewegen binnen de door de raad goedgekeurde en
vastgestelde budgetplafonds. Indien er een overschrijding plaatsvindt is er in principe sprake
van een begrotingsonrechtmatigheid. Dat is geregeld in het tweede lid.
In het vierde lid is opgenomen dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt
beschouwd indien deze niet tijdig aan de raad zijn gemeld. Daarbij is aangegeven wat onder
tijdig wordt verstaan en in welke gevallen afwijkingen acceptabel zijn.
Artikel 11 Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium
Dit artikel voorziet in het zogenaamde “misbruik en oneigenlijk gebruik criterium”. In het
eerste lid wordt het criterium gedefinieerd. Van misbruik is sprake bij het opzettelijk niet, niet
tijdig, onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens met als doel ten onrechte
overheidssubsidies of -uitkeringen te verkrijgen of niet, dan wel een te laag bedrag, aan
heffingen aan de overheid te betalen. Van oneigenlijk gebruik is sprake indien bij het
aangaan van rechtshandelingen, al dan niet gecombineerd met feitelijke handelingen, het
verkrijgen van overheidsbijdragen of het niet dan wel tot een te laag bedrag betalen van
heffingen aan de overheid, in overeenstemming met de bewoordingen van de regelgeving is
maar in strijd met het doel en de strekking daarvan is.
Aan het college wordt opgedragen om regels op te stellen voor het voorkomen van misbruik
en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.
Artikel 12 Waardering en afschrijving vaste activa
In artikel 12, tweede lid, onder a, van de Gemeentewet is opgenomen, dat de Verordening
financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) in elk geval de regels
voor waardering en afschrijving van activa bevat. Hieraan is in artikel 12 invulling gegeven.
Het vaststellen van een nota waardering en afschrijving van vaste activa is voorgeschreven.
In deze nota worden beleidsregels met betrekking tot afschrijvingstermijnen opgenomen.
In het tweede lid is opgenomen dat jaarlijks een meerjareninvesteringsplan wordt opgesteld.
Dit biedt integraal inzicht en versterkt daarmee de sturingsmogelijkheden van de raad.
Artikel 13 Reserves en voorzieningen
Het vaststellen van een nota reserves en voorzieningen is voorgeschreven. In deze nota
worden beleidsregels voor de algemene reserve, bestemmingsreserves, afschrijvingsreserves en (onderhouds)voorzieningen opgenomen, waarbij ook op het rentebeleid rond
reserves en voorzieningen wordt ingegaan.
Artikel 14 Kostprijsberekening
Artikel 212, tweede lid, onder b, van de Gemeentewet bepaalt dat de verordening in ieder
geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het gemeentebestuur in
rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b en
heffing bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. De grondslagen voor de prijzen die
de gemeente bij overheidsbedrijven en derden in rekening brengt, en voor de tarieven van
rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door
De overheadkosten moeten apart worden verantwoord. Ze worden bij de gemeente niet
doorberekend aan de taakvelden. Daarmee is het niet mogelijk om de integrale kostprijzen in
de administratie van de baten en lasten op taakvelden van de beleidsbegroting, de financiële
begroting, het jaarverslag en de jaarrekening in beeld te brengen. De kostprijzen moeten
extracomptabel worden berekend en vastgelegd.
Het eerste lid bepaalt dat de kostprijsberekeningen extracomptabel worden vastgelegd en
dat de kostprijzen bestaan uit de directe kosten en een opslag voor de overhead en voor de
rente over de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering
van (vaste) activa die voor desbetreffende rechten en heffingen en voor desbetreffende
goederen, werken en diensten worden ingezet. Wat onder de directe kosten moet worden
verstaan is via het BBV, de notitie overhead en de taakveldbeschrijving helder gedefinieerd.
Op dat punt hoeft in deze verordening niets aanvullend te worden geregeld.
In het tweede lid wordt bepaald dat gemeenten de kosten voor compensabele BTW,
gederfde inkomsten vanwege het kwijtscheldingsbeleid en de kosten voor straatreiniging in
de kostenbasis kunnen meenemen.
Het derde en vierde lid bieden de mogelijkheid dat de overheadkosten die kunnen worden
toegerekend aan de verschillende specifieke uitkeringen of activiteiten die onder de vennootschapsbelastingplicht vallen, apart onder het taakveld overhead in de administratie worden
afgezonderd en in de belastingaangifte aan deze activiteiten worden toegerekend. Dit
afzonderen kan door voor deze kosten aparte (hulp-)kostenplaatsen aan te maken en de
kosten voortaan op deze (hulp-)kostenplaatsen te boeken.
De commissie BBV geeft aan dat de toerekening van overhead, zoals opgenomen in het
overzicht overhead, aan lokale heffingen en rechten niet mag afwijken van de overige
methodieken voor het toerekenen van overhead aan gemeentelijke taakvelden.
De notitie Overhead van de commissie BBV schrijft voor dat er sprake moet zijn van een
Als er sprake is van een rentetoerekening over het eigen vermogen, dan bepaalt het zesde
lid dat dit percentage jaarlijks bij de begroting wordt vastgesteld. De notitie rente van de
commissie BBV vormt hiervoor het kader.
Het zevende lid geeft voor de omslagrente voor de kostprijs van verstrekte leningen een
afwijkend voorschrift. Die kostprijs wordt gebaseerd op de rente van de lening die is aangetrokken voor de verstrekte lening. Die rente moet worden verhoogd met een risico-opslag
voor de kans dat de (een deel van) de lening niet wordt terugbetaald (debiteurenrisico).
Daarnaast moeten voor het bepalen van die kostprijs natuurlijk als directe kosten ook de
afsluitkosten e.d. worden meegenomen.
Artikel 15 Prijzen economische activiteiten
In de Wet Markt en Overheid (waarmee de Mededingingswet is gewijzigd) is opgenomen dat
als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of derden zij
deze activiteiten niet mag bevoordelen als het economische activiteiten betreft. Economische
activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt.
Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in dat ten minste een integrale kostprijs voor de
levering van goederen, diensten en werken en het verstrekken van leningen garanties en
kapitaal in rekening moet worden gebracht.
Van dit verbod kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid in het kader van
het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een raadbesluit het publiek belang van de
activiteit wordt gemotiveerd. Het raadbesluit moet worden aangemerkt als een
concretiserend besluit van algemene strekking. Het besluit moet worden bekendgemaakt in
een officieel elektronisch publicatieblad en moet open staan voor bezwaar en beroep.
Belanghebbenden kunnen dan binnen uiterlijk zes weken na bekendmaking van het besluit
een bezwaarschrift indienen bij de gemeente (artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
(hierna: Awb)). De gemeente moet binnen zes weken een besluit nemen over het bezwaarschrift of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld – binnen
twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het
bezwaarschrift is verstreken. Bij afwijzing van de bezwaren kan de belanghebbende beroep
instellen bij de bestuursrechter.
Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor de levering
van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van leningen, garanties en
kapitaal geldt een aantal uitzonderingen (artikel 25h van de Mededingingswet).
Artikel 16 Financieringsfunctie
Artikel 212, tweede lid, onder c, van de Gemeentewet bevat de bepaling, dat de Verordening
financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) in elk geval regels voor
de algemene doelstelling en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie
Artikel 20 bevat kaders voor het financieringsbeleid. De kaders voor de financiële organisatie
van de financieringsfunctie staan in artikel 20.
Het vaststellen van een treasurystatuut is voorgeschreven. Hierin worden uitgangspunten,
doelstellingen en limieten op het gebied van financiering vastgesteld.
Het vaststellen van een nota grondbeleid is voorgeschreven.
In dit lid is vastgelegd op welke wijze de grondprijzen worden vastgesteld
Het vaststellen van een nota risicomanagement is voorgeschreven
Artikel 19 (Financiële) administratie
Onder artikel 19 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de
gemeentelijke (financiële) administratie.
Artikel 20 (Financiële) organisatie
Onder artikel 22 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de
gemeentelijke (financiële) organisatie.
De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft van de
gemeentelijke financiën. Het eerste lid draagt het college op maatregelen te treffen, zodat
gedurende het jaar of vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de
cijfers in de administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen
die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen, rechtmatig (zijn)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-429592.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.