Beleidsregels bekostiging leerlingenvervoer gemeente Horst aan de Maas

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas;

 

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Verordening sociaal domein gemeente Horst aan de Maas;

 

b e s l u i t :

 

vast te stellen de:

 

Beleidsregels bekostiging leerlingenvervoer gemeente Horst aan de Maas

 

Hoofdstuk 1. Inleiding

De gemeente Horst aan de Maas vindt het belangrijk dat inwoners actief bijdragen aan de samenleving, zich onderdeel voelen van de gemeenschap en zo lang mogelijk in de eigen omgeving kunnen wonen en elkaar daarbij helpen. We zijn ervan overtuigd dat mensen op die manier het gezondst en gelukkigst blijven. We benaderen iedere inwoner met een open houding, oprechte interesse en kijken samen welke mogelijkheden in de eigen omgeving en daarbuiten kunnen bijdragen aan de oplossing. Hierbij kijken we naar wat wél kan en gebruiken wet- en regelgeving als middel om te komen tot een passende oplossing. Daarom is per 1 januari 2025 de Verordening sociaal domein gemeente Horst aan de Maas ingegaan. We bundelen zo verschillende verordeningen en we doen dit in begrijpelijke taal.

 

Deze beleidsregels sluiten aan op de verordening en bieden een leidraad voor de toepassing van de regels en afspraken in het leerlingenvervoer. De regels gaan in op de volgende onderwerpen:

  • Hulpvraag en proces (Hoofdstuk 3 van de verordening)

  • Vorm van hulp (Hoofdstuk 4 van de verordening)

  • Wonen en opgroeien in een veilige en gezonde omgeving (inclusief mobiliteit) (Hoofdstuk 6 van de Verordening)

De beleidsregels bekostiging leerlingenvervoer worden toegepast met inachtneming van de volgende grondhouding:

  • We gaan uit van goede intenties wanneer vragen aan ons worden gesteld.

  • We maken contact vanuit een open houding, oprechte interesse en willen begrijpen.

  • We kijken met een menselijke blik en schatten in waar iemand daadwerkelijk mee geholpen is.

  • We werken en handelen vanuit partnerschap en een gezamenlijke en gedeelde betrokkenheid, verantwoordelijkheid en eigenaarschap.

  • We zoeken elkaar op, voeren een open dialoog en komen samen tot oplossingen.

  • We nemen wetgeving en kaders mee in onze brede afweging, maar deze zijn vooral een middel om te komen tot een passende oplossing.

 

De grondhouding is ons vertrekpunt - in denken, doen en samenwerken. We gaan uit van vertrouwen: in de intenties én het handelen van onze organisatie, inwoners en partners. Vertrouwen betekent dat we ruimte geven om verantwoordelijkheid te nemen. Wordt dat vertrouwen aantoonbaar geschonden, dan volgen heldere en passende consequenties.

Hoofdstuk 2. Algemeen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

  • 1.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      aanvrager: ouder(s), verzorger(s) of voogd(en) van de leerling die in aanmerking wil komen voor leerlingenvervoer;

    • b.

      buitenschoolse opvang: voorziening die bestemd is voor schoolgaande kinderen van 4 tot en met 12 jaar en die alleen geopend is voor en/of na schooltijd en eventueel tussen de middag. Vaak ook op woensdagmiddag en tijdens de schoolvakanties;

    • c.

      co-ouderschap: er is sprake van co-ouderschap als de ouders die niet samenwonen om de beurt voor hun kind zorgen. Ouders moeten dit aantonen door een ouderschapsplan;

    • d.

      pleegouder: pleegouders nemen een kind van andere ouders op in hun gezin tot ouders de zorg zelf weer aankunnen. Pleegzorg is voor kinderen van 0 tot 18 jaar die tijdelijk niet bij hun eigen ouders kunnen wonen;

    • e.

      verordening: Verordening sociaal domein gemeente Horst aan de Maas;

    • f.

      beschikking: een beschikking is een officiële brief van de gemeente waarin een besluit over jouw aanvraag of situatie staat. Hierin staat of je recht hebt op bepaalde hulp of voorzieningen;

    • g.

      woning: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft.

    • h.

      samenwerkingsverband: de samenwerkingsverbanden passend onderwijs: samenwerkingsverband primair onderwijs Noord-Limburg (SVWPO3101) en samenwerkingsverband voortgezet onderwijs Noord-Limburg (SVWVO3101). Het samenwerkingsverband kijkt met hun expertise naar ondersteuning op school en de overstap tussen regulier en speciaal (basis) onderwijs.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet op primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet op de expertisecentra, de Algemene wet bestuursrecht en de verordening.

Artikel 2. Aanvraag

  • 1.

    De aanvraag leerlingenvervoer wordt bij de gemeente ingediend.

  • 2.

    Bij de aanvraag wordt gebruik gemaakt van het aanvraagformulier.

  • 3.

    Bij de aanvraag verstrekt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      De naam en het adres van de aanvrager;

    • b.

      Een schooladvies: Bij de aanvraag hoort een schooladvies van de school waar de leerling naartoe gaat. In dit schooladvies moet de school uitleggen welk vervoer er voor de leerling nodig is en waarom;

    • c.

      Er kan om andere relevante (medische) verklaringen worden gevraagd.

  • 4.

    Om er zeker van te zijn dat ouders een beschikking ontvangen voor de start van het nieuwe schooljaar, is het van belang om de aanvraag van het leerlingenvervoer in te dienen voor 1 juni. Alle leerlingen die al gebruik maken van het leerlingenvervoer ontvangen een seintje om de aanvraag jaarlijks opnieuw in te dienen.

  • 5.

    Tijdens het lopende schooljaar kunnen ouders ook nog een aanvraag doen. Deze gaat in op de door de ouders aangegeven datum, dat is meestal de eerste schooldag op de (nieuwe) school in dat schooljaar. Om het vervoer op tijd te laten starten moeten ouders de aanvraag ruim voor de startdatum indienen.

Artikel 3 Tussentijdse wijzigingen

  • 1.

    Ouders moeten in de loop van het schooljaar wijzigingen die van invloed zijn op het leerlingenvervoer aan de gemeente doorgeven.

  • 2.

    Van invloed op de vervoersvoorziening zijn onder andere:

    • a.

      Wijziging van het woonadres van de leerling, bijvoorbeeld door verhuizing;

    • b.

      Verandering van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs);

    • c.

      Wijziging van het adres van de school;

    • d.

      Wijziging van de schooltijden;

    • e.

      Wijziging in de gezinssituatie, in verband met het al dan niet kunnen begeleiden van leerlingen.

  • 3.

    Wanneer het vervoer onrechtmatig gebruikt wordt, dan kan de gemeente besluiten een bedrag terug te vorderen of de tegemoetkoming van een nieuwe vervoersvoorziening te verminderen.

Artikel 4. Beslissing

  • 1.

    De gemeente beslist binnen 8 weken nadat de volledige aanvraag is ontvangen. De aanvrager krijgt een beschikking waarin staat wat het besluit is;

  • 2.

    De beslistermijn kan een keer met 4 weken worden verlengd. De aanvrager wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld;

Artikel 5. Algemene weigeringsgronden

Tijdens de behandeling van de aanvraag onderzoekt de gemeente of voldaan wordt aan de criteria gesteld in de verordening en deze beleidsregels. Het moet gaan om schoolvervoer. Dit betekent: vervoer van thuis naar school en van school naar thuis.

In de volgende situaties is er geen sprake van leerlingenvervoer:

  • 1.

    Vervoer tussen schoolgebouwen onderling;

  • 2.

    Vervoer tussen school en zwembad of gymnastieklokaal;

  • 3.

    Vervoer vanwege een tijdelijke beperking (< 3 maanden) zoals een gebroken been;

  • 4.

    Vervoer voor andere doeleinden dan schoolonderwijs, zoals vervoer naar de buitenschoolse opvang (BSO), medische en paramedische behandelingen, huiswerkbegeleiding, sportvereniging, e.d.;

  • 5.

    Vervoer naar een verder weg gelegen school als ouders ervoor kiezen om hun kind geen onderwijs te laten volgen op de dichtstbijzijnde toegankelijke school.

Ouders zijn in dergelijke situaties zelf verantwoordelijk voor het vervoer van hun kind.

Hoofdstuk 3. Specifieke aspecten bij de beoordeling van de vervoersvoorziening

Artikel 6. Uitgangspunt vervoersvoorziening

We gaan uit van zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en zoeken naar de vervoersvoorziening die daar het beste bij past. We vragen ouders om te motiveren welke manier van vervoer volgens hen het beste past bij de leerling en een motivering waarom de andere vervoersvoorzieningen niet passend zijn.

Artikel 7. Duur van de toe te kennen vervoersvoorziening

  • 1.

    De vervoersvoorziening wordt toegekend voor de periode van 1 schooljaar, startend op de eerste schooldag. De gemeente kan in specifieke gevallen besluiten hiervan af te wijken. De verordening hanteert 1 augustus als datum voor het toekennen van een vervoersvoorziening (de eerste dag van het formele schooljaar).

  • 2.

    De periode van 1 schooljaar gebruiken we zodat we jaarlijks kunnen kijken of de vervoersmogelijkheden van de leerlingen zijn veranderd en of er mogelijk ontwikkelingsstappen gezet kunnen worden.

Artikel 8. Afstand berekenen

  • 1.

    Voor leerlingen in het basisonderwijs of het speciaal (basis) onderwijs geldt voor het verkrijgen van leerlingenvervoer een minimale afstand van vijf kilometer tussen de woning of opstapplaats en de dichtstbijzijnde passende school, zoals vermeld in regel 6.8.1. van de verordening;

  • 2.

    Om de afstand en reistijd tussen de woning en de school per fiets of auto te bepalen wordt de routeplanner van de ANWB gebruikt (www.anwb.nl). Hierbij wordt gebruik gemaakt van de optie ‘kortste route’, waarna het gemiddelde van zowel de heen- als de terugreis als kilometerafstand wordt vastgesteld. Bepalend is de ‘kortste route’ zonder gebruik van veerponten.

Artikel 9. Schooltijden

De gemeente verstrekt een vervoersvoorziening op standaard schooltijden en schooldagen zoals vermeld in de schoolgids.

Artikel 10. De rol van het samenwerkingsverband

Als de dichtstbijzijnde toegankelijke school geen passend onderwijs kan bieden aan de leerling, dan moet het samenwerkingsverband schriftelijk motiveren waarom deze school geen passend onderwijs kan bieden. Het samenwerkingsverband licht ook toe welke school er wel passend is en welke specifieke noodzakelijke ondersteuning deze school kan bieden ten opzichte van de andere scholen. Deze toelichting is in het bijzonder nodig als het een school buiten het regionale samenwerkingsverband betreft. De toelichting van het samenwerkingsverband is onderdeel van de aanvraag leerlingenvervoer.

Artikel 11. Adviezen van deskundigen

De gemeente onderzoekt of er een volledig beeld wordt gegeven over de mogelijkheden van zelfstandig reizen. Wanneer onduidelijkheid bestaat of de leerling zelfstandig, of eventueel met begeleiding, kan reizen, dan kan de gemeente aanvullende adviezen opvragen.

Artikel 12. Persoonlijk vervoersontwikkelingsplan

Voor kinderen van 10 jaar of ouder kan de gemeente samen met de ouders een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen in lijn met het ontwikkelingsperspectief van de leerling. Daarbij worden concrete afspraken gemaakt om met maatwerk toe te groeien naar zelfstandig vervoer. Bijvoorbeeld een tijdelijke proefperiode voor openbaar vervoer (OV) of fietsvervoer naast taxivervoer.

Artikel 13. Tijdelijke handicap

  • 1.

    Bij een tijdelijke handicap tot 3 maanden heeft de leerling geen recht op leerlingenvervoer. Ouders regelen zelf vervoer, bijvoorbeeld bij een gebroken been.

  • 2.

    Bij een tijdelijke handicap langer dan 3 maanden heeft de leerling tijdelijk recht op leerlingenvervoer. Bijvoorbeeld na een zware operatie of letsel waardoor een leerling het grootste deel van het schooljaar afhankelijk is van een rolstoel en/of krukken vanwege herstel of revalidatie.

  • 3.

    Bij een tijdelijke handicap moet de verwachte duur van de handicap aangetoond worden met een schriftelijke verklaring. Deze verklaring kan zijn van een medisch specialist, behandeld arts e.d. De gemeente kan advies van andere deskundigen vragen.

  • 4.

    Vervoer bij een tijdelijke handicap langer dan 3 maanden wordt toegekend voor de duur van het herstel en/of de revalidatie. Na deze periode wordt opnieuw gekeken wat er nodig is.

Artikel 14. Co-ouderschap

Bij co-ouderschap kan de leerling twee huisadressen hebben. Dan heeft de leerling op beide thuisadressen recht op bekostiging van leerlingenvervoer. De beide ouders moeten afzonderlijk, in de eigen woongemeente, een aanvraag indienen voor de dagen dat de leerling tijdens weekdagen bij hen verblijft. Het moet wel gaan om vaste dagen in de week.

Artikel 15. Buitenschoolse opvang

Als leerlingen na school buitenschoolse opvang (BSO) of een oppasadres bezoeken is het mogelijk om een alternatief uitstapadres door te geven.

De voorwaarden daarvoor zijn:

  • 1.

    Er is één opvangadres naast het huisadres toegestaan;

  • 2.

    Het opvangadres is in dezelfde woonplaats als het woonadres en ligt gunstig ten opzichte van de route van de taxi;

  • 3.

    Er is sprake van een vast patroon, dat wil zeggen één vast opvangadres alsook op vaste dagen per week;

  • 4.

    Gedurende het schooljaar wordt één opvangadres gehanteerd;

  • 5.

    Het vervoer vindt plaats in aansluiting op de reguliere eindtijd van de school volgens de schoolgids;

  • 6.

    Een volwassene is bij het opvangadres aanwezig om de leerling op te vangen. De chauffeur moet de leerling aan de volwassene kunnen overdragen bij de taxi(bus);

  • 7.

    Vervoer vanaf het opvangadres naar huis is niet mogelijk. Hiervoor zijn ouders zelf verantwoordelijk.

Artikel 16. Stagevervoer

Is de stage een onderdeel van het onderwijsprogramma (opgenomen in de schoolgids of het stagecontract) en krijgt de leerling dagelijks leerlingenvervoer naar de school dan wordt het stageadres ook als school aangemerkt. Dan bestaat aanspraak op vervoer naar het stageadres met toepassing van de criteria in de verordening. Aanvullende criteria daarbij zijn:

  • 1.

    Stageplaatsen liggen zoveel mogelijk dicht bij het huis- of het schooladres en bij voorkeur op de route tussen woning en school;

  • 2.

    De stagetijden sluiten aan op de reguliere schooltijden en vakanties.

Artikel 17. Tijdelijk verblijf in een (andere) gemeente bij crisissituaties

  • 1.

    Als een leerling door een crisissituatie in een crisisopvang wordt geplaatst (zoals een pleeggezin, bij familie of op een opvanglocatie in een andere gemeente), kan de leerling nog 6 weken naar zijn oude school gaan. Dit wordt 6 weken vergoed door de gemeente van afkomst.

  • 2.

    Na 6 weken wordt onderzocht wat er nodig is. De leerling gaat dan terug naar huis of naar een nieuwe woonplek. Als de leerling naar een nieuwe woonplek verhuist of als de crisisopvang langer duurt, moeten verzorgers binnen 6 weken een nieuwe passende school in de buurt zoeken.

  • 3.

    Na 6 weken moeten verzorgers een nieuwe aanvraag voor leerlingenvervoer indienen bij de nieuwe gemeente. Deze aanvraag wordt getoetst aan de afspraken in de verordening en deze beleidsregels.

Artikel 18. Ontzeggen van de toegang tot het aangepast vervoer bij ongewenst gedrag

Leerlingen moeten zich netjes en gepast gedragen in het aangepast vervoer. Ouders zijn verantwoordelijk voor het gedrag van hun kind in het vervoer. De afspraken over gedrag in het vervoer zijn vastgelegd in het Handboek(je) Leerlingenvervoer dat ouders bij de start van het schooljaar ontvangen. Bij ongewenst gedrag meldt de gemeente dit direct aan de school en ouders. Samen met school, ouders en vervoerder worden afspraken gemaakt om het gedrag te verbeteren. Als het ongewenst gedrag niet verbetert kan de gemeente het volgende doen:

  • 1.

    Ouders worden eerst gevraagd hun kind te begeleiden in de taxi(bus). Als ouders hun kind niet kunnen begeleiden of het gedrag verbetert niet dan wordt de vervoersvoorziening gewijzigd;

  • 2.

    Vervoer kan worden omgezet naar openbaar vervoer of eigen vervoer met begeleiding;

  • 3.

    Het vervoer kan tijdelijk of voor het hele schooljaar worden stopgezet.

Artikel 19. Leerlingenvervoer voor hoogbegaafde leerlingen

  • 1.

    Reguliere scholen binnen het regionale samenwerkingsverband organiseren zo veel als mogelijk een passend onderwijsaanbod voor hoogbegaafde leerlingen.

  • 2.

    Als hoogbegaafde leerlingen ondersteuning nodig hebben die niet op de dichtstbijzijnde school kan worden geboden, bijvoorbeeld bij een combinatie van hoogbegaafdheid met extra problematiek, is het onderwijsaanbod niet passend. Dan zijn de afspraken in de verordening en deze beleidsregels geldend.

  • 3.

    Bij hoogbegaafde leerlingen vragen we altijd om een aanvullende verklaring van een deskundige bij de aanvraag van leerlingenvervoer.

Hoofdstuk 4. Soorten vervoer en invulling

Artikel 20. Naar School op de Fiets

Als een leerling in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening en per fiets naar school kan, dan wordt een fietsvergoeding toegekend. Als een begeleider mee moet fietsen, dan krijgt die ook een fietsvergoeding. Uitgangspunt is dat leerlingen van 9 jaar en ouder die naar het regulier basisonderwijs gaan 8 kilometer kunnen fietsen. Dit komt neer op 30 minuten o.b.v. 15 km/u.

Artikel 21. Reizen met het OV

Als een leerling in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening en met het Openbaar Vervoer naar school kan reizen, dan wordt deze reis vergoed. Om de reistijd tussen de woning en de school per openbaar vervoer te bepalen wordt de reisplanner van 9292 gebruikt (www.9292.nl). Bij de reistijd wordt 5 minuten per enkele rit opgeteld voor de wachttijd bij de bushalte. Het kan dat een leerling gebruik kan maken van het openbaar vervoer met begeleiding. De begeleider brengt de leerling ’s morgens en gaat daarna weer naar huis. ’s Middags haalt de begeleider de leerling weer op.

Artikel 22. Begeleiding bij het reizen

Als een leerling jonger is dan 10 jaar wordt begeleiding bij het reizen vergoed. De gemeente legt de leeftijdsgrens voor het zelfstandig reizen bij 10 jaar. Leerlingen van 10 jaar of ouder zouden normaliter in staat moeten zijn om zonder begeleiding per fiets en per bus of trein te reizen.

Artikel 23. Eigen vervoer

Als een leerling in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening kunnen ouders in plaats van het aangewezen openbaar vervoer of aangepast vervoer ook kiezen om zelf per fiets of auto te reizen. De vergoeding van de gemeente voor het gebruik van een eigen vervoermiddel wordt berekend op basis van een kilometervergoeding voor dat vervoermiddel, afgeleid van de ‘Reisregeling binnenland’. Als ouders meerdere leerlingen tegelijk met de auto kunnen vervoeren, dan verstrekt de gemeente eenmaal de kilometervergoeding voor de auto.

Artikel 24. Aangepast vervoer

Als een leerling in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening, kan de leerling in aanmerking komen voor aangepast vervoer. Het aangepast vervoer is vervoer per taxi. Er zijn een aantal criteria om voor aangepast vervoer in aanmerking te komen. Die criteria zijn eenduidig in de verordening geregeld in regel 6.9.1. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat een leerling in het aangepaste vervoer om medische en/of psychosociale reden individueel vervoerd moet worden. Hierover gaat de gemeente met betrokkenen in gesprek.

Artikel 25. Opstapplaatsen

De gemeente kan bij het georganiseerd aangepast vervoer opstapplaatsen vaststellen. De leerlingen worden dan ’s morgens vanaf de aangewezen opstapplaats opgehaald en ’s middags daar ook weer afgezet. Of en waar opstapplaatsen gerealiseerd worden bij het aangepast vervoer is een afweging van de gemeente op basis van aspecten als reistijd, kosten en praktische mogelijkheden.

Artikel 26. Begeleiding bij vervoer: redelijke inzet ouders

Het reizen naar en van school en dus ook de begeleiding is in de eerste plaats een taak van de ouders. Als dat niet mogelijk is, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Ouders moeten motiveren waarom zij zelf of anderen niet hun kind kunnen begeleiden naar school en terug. In een 2-oudergezin is het feit dat één of beide ouders werken geen reden om over te gaan tot toekenning van aangepast vervoer.

Hoofdstuk 5. De vergoeding

Artikel 27. Fietsvergoeding

Voor de vergoeding voor het gebruik van een eigen fiets wordt gebruik gemaakt van de ‘Basisnormbedragen Leerlingenvervoer’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Als een begeleider meefietst wordt het werkelijk aantal fietskilometers van de leerling én de ouder vergoed. Dus voor de leerling 2x enkel en voor de begeleider 2x retour.

Artikel 28. Vergoeding van de kosten van openbaar vervoer

Het vaststellen van de kosten van openbaar vervoer en de daaraan gerelateerde vergoeding vindt plaats op basis van de beschikbaar gestelde informatie via 0900-9292, www.9292.nl. De vergoeding wordt gebaseerd op het goedkoopste OV-abonnement voor de leerling voor de heen- en terugreis naar school. Bij de declaratie moeten de ouders de facturen indienen.

Artikel 29. Vergoeding van de kosten van begeleiding in het openbaar vervoer

Als begeleiding noodzakelijk is wordt uitgegaan van de kosten van de leerling (retour) en wordt voor de begeleider per dag tweemaal retour gerekend. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:

  • 1.

    Er wordt alleen een vergoeding voor begeleiding betaald wanneer er ook daadwerkelijk met begeleiding wordt gereisd in het openbaar vervoer. Dit dient men aan te tonen met een vervoersbewijs/uitdraai OV-chipkaart;

  • 2.

    Wanneer er recht bestaat op een vergoeding voor openbaar vervoer en ouders kiezen er voor de leerling zelf te brengen, dan bestaat er alleen voor de leerling recht op een vergoeding en niet voor een begeleider.

Artikel 30. Vergoeding van de kosten voor eigen vervoer

Als ouders zelf de leerling naar school brengen, krijgen ze een vergoeding voor de kilometers van het thuisadres naar het schooladres die de ouder werkelijk aflegt om zijn kind naar school te brengen (tweemaal retour). Deze kilometervergoeding is gebaseerd op de norm reisregeling binnenland.

Artikel 31. Uitbetaling vergoeding

Voor die ouders/verzorgers die een vergoeding krijgen geldt dat de vergoeding na overlegging van een rittendeclaratie of uitdraai van de OV-chipkaart wordt overgemaakt. Dit kan per maand, halfjaar of jaar.

Hoofdstuk 6. Financiële verplichtingen

Artikel 32. Drempelbedrag

Voor ouders van leerlingen in het basisonderwijs en speciaal basisonderwijs geldt boven een vastgestelde inkomensgrens een eigen bijdrage. Deze eigen bijdrage is het drempelbedrag, dit wordt van de vergoeding af getrokken. Bij de bepaling van het drempelbedrag wordt uitgegaan van de kosten van openbaar vervoer voor de eerste 5 km. De ‘Basisnormbedragen Leerlingenvervoer’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) worden gebruikt voor bepaling van de inkomensgrenzen, het drempelbedrag en de hoogte van de eigen bijdrage zoals beschreven in de verordening sociaal domein, regel 6.9.2.

Artikel 33. Pleegouders en financiële verplichtingen

Pleegouders en Voogdijinstellingen hoeven geen eigen bijdrage te betalen voor het leerlingenvervoer.

Artikel 34. Inkomen bij gescheiden ouders

Voor de bepaling van de eigen bijdrage wordt er gekeken naar het gezamenlijke inkomen van beide ouders. In het geval dat er maar een verzorgende ouder in beeld is, wordt er alléén rekening gehouden met het inkomen van de ouder die het leerling daadwerkelijk verzorgd.

Hoofdstuk 7. Overige bepalingen

Artikel 35. Afwijken van bepalingen

In de verordening en beleidsregels staan de hoofdlijnen voor de bekostiging van leerlingenvervoer. Soms zijn er echter situaties die niet in deze regels zijn opgenomen. Regel 11.2 van de verordening bepaalt dat de gemeente mag afwijken van de regels als deze een onredelijk uitkomst heeft voor de inwoner of een andere betrokkene bij het besluit. De hardheidsclausule is bedoeld voor uitzonderlijke situaties, omdat de meeste situaties al in de regels zijn vastgelegd. Om ongewenste gevolgen te voorkomen, moet duidelijk worden uitgelegd waarom een situatie bijzonder is en waarom de hardheidsclausule wordt toegepast.

Artikel 36. Intrekking oude beleidsregels, inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De Beleidsregels bekostiging leerlingenvervoer gemeente Horst aan de Maas, vastgesteld op14 februari 2023, worden ingetrokken.

  • 2.

    Deze beleidsregels treden in werking op de dag na die van de bekendmaking.

  • 3.

    Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels bekostiging leerlingenvervoer gemeente Horst aan de Maas.

Aldus vastgesteld op 2 september 2025.

Burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas,

De burgemeester,

drs. R.F.I. Palmen

De secretaris,

drs. H. Mensink

Naar boven