Besluit Bevoegdheden Omgevingswet

De raad van de gemeente Leusden,

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 8 juli 2025;

 

gelet op artikel 2.8, 14.4, 16.15a en 16.55 van de Omgevingswet en afdeling 10.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht;

 

besluit

 

vast te stellen:

 

Besluit bevoegdheden Omgevingswet

  • 1.

    De bevoegdheid om delen van het omgevingsplan vast te stellen bij beleidsarme, technische wijzigingen en wijzigingen waarbij er geen of geringe beleidsruimte is, te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders, meer specifiek:

    • a.

      het aanpassen van het Omgevingsplan conform een verleende Omgevingsvergunning;

    • b.

      het aanpassen van het Omgevingsplan ten gevolge van een door de gemeenteraad of college vastgesteld beleidsstuk;

    • c.

      het aanpassen van het Omgevingsplan ten gevolge van door het Rijk of de provincie opgelegde instructieregels waarbij de gemeente geen beleidsruimte meer heeft;

    • d.

      het aanpassen van het Omgevingsplan ten gevolge van een rechterlijke uitspraak waar de gemeente geen beleidsruimte meer heeft;

    • e.

      het aanpassen van het Omgevingsplan voor zover dat onder de Wet Ruimtelijke Ordening als wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan opgenomen was;

    • f.

      het herstellen en verbeteren van verschrijvingen, verkeerde verwijzingen en inventarisatiefouten in regels of op de kaart;

    • g.

      het verwerken van inzichten uit nieuw onderzoek naar archeologie in de locatieaanduiding archeologische waarden;

    • h.

      het toevoegen en wijzigen van begripsbepalingen voor zover deze geen wezenlijke wijziging voor de fysieke leefomgeving tot gevolg hebben.

  • 2.

    De bevoegdheid om delen van het omgevingsplan vast te stellen bij ruimtelijke ontwikkelingen met beperkte ruimtelijke impact, te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders, meer specifiek bij het wijzigen van het Omgevingsplan:

    • a.

      ten behoeve het realiseren van 15 of minder woningen, of;

    • b.

      ten behoeve van de functiewijziging van niet-woonpanden naar zelfstandige woonruimtes/wooneenheden met 15 of minder woningen, of;

    • c.

      voor het bouwen, veranderen, uitbreiden van woongebouwen/ niet-woonpanden waarbij de nieuwe bouwhoogte de 15 meter niet overschrijdt.

  • 3.

    De bevoegdheid voor het nemen van een voorbereidingsbesluit met het oog op de voorbereiding, vaststelling en inwerkingtreding van het omgevingsplan, te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 14.4, lid 5 van de Omgevingswet.

  • 4.

    De volgende gevallen vast te stellen waarbij de raad op grond van artikel 16.15a onder b van de Omgevingswet om advies moet worden gevraagd, over aanvragen die niet passen binnen het Omgevingsplan en waarvoor een buitenplanse omgevingsvergunning nodig is:

    • a.

      als de aanvraag niet past binnen geldende beleidskaders, waaronder omgevingsvisie, omgevingsprogramma’s en andere vastgestelde beleidskaders, of;

    • b.

      als de aanvraag een ontwikkeling betreft

      • i.

        van 16 of meer woningen, of;

      • ii.

        van een functiewijziging van niet-woonpanden naar zelfstandige woonruimtes/wooneenheden met 16 of meer woningen, of;

      • iii.

        voor het bouwen, veranderen, uitbreiden van woongebouwen/niet-woonpanden waarbij de nieuwe bouwhoogte de 15 meter overschrijdt.

  • 5.

    De gemeenteraad wijst op grond van artikel 16.55, lid 7 van de Omgevingswet alle gevallen waarbij sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit aan voor participatie.

Toelichting  

  • 1.
    • a.

      Het aanpassen van het Omgevingsplan conform een verleende Omgevingsvergunning;

      Op grond van artikel 4.17 Omgevingswet moet een omgevingsvergunning (Bopa) die in afwijking van het omgevingsplan is verleend binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden verwerkt worden in het omgevingsplan. Omdat het gaat om het verwerken van onherroepelijke omgevingsvergunningen, is de afweging dat het betreffende project op de betreffende locatie acceptabel is al gemaakt. Er vindt daarom geen verdere belangenafweging plaats. Om die reden wordt voorgesteld de bevoegdheid voor het vaststellen van dit soort wijzigingen van het omgevingsplan te delegeren aan het college.

    • b.

      Het aanpassen van het Omgevingsplan ten gevolge van een door de gemeenteraad of college vastgesteld beleidsstuk;

      Voor het opstellen van een omgevingsplan stelt de gemeenteraad kaders. Dit gebeurt via de omgevingsvisie. In programma’s worden onderdelen uit de omgevingsvisie uitgewerkt. De bevoegdheid tot het opstellen van omgevingsprogramma’s ligt bij het college. Concrete ambities uit de omgevingsvisie en uit de omgevingsprogramma’s waarvan doorvertaling in het omgevingsplan nodig is, kunnen gedelegeerd worden aan het college. Ook andere door de raad of het college vastgestelde beleidsstukken die doorvertaling in het omgevingsplan behoeven, kunnen door het college worden verwerkt in het omgevingsplan. Het gaat immers om het vertalen van beleid waar al sprake is geweest van een inhoudelijke afweging en kaderstelling door de gemeenteraad. Een dergelijke aanpassing van delen van het omgevingsplan is aan te merken als uitvoering en daarmee ligt delegatie aan het college voor de hand.

    • c.

      Het aanpassen van het Omgevingsplan ten gevolge van door het Rijk of de provincie opgelegde instructieregels waarbij de gemeente geen beleidsruimte meer heeft;

      Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe deze een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Bijvoorbeeld het opnemen van de beschermingszones van de primaire waterkeringen in het omgevingsplan. Indien binnen deze regels geen afwegingsruimte aanwezig is, kan de bevoegdheid tot het wijzigen van het omgevingsplan naar aanleiding van een instructieregel gedelegeerd worden aan het college.

    • d.

      Het aanpassen van het Omgevingsplan ten gevolge van een rechterlijke uitspraak waar de gemeente geen beleidsruimte meer heeft;

      Hierbij gaat het om een uitspraak van een rechter op grond waarvan het omgevingsplan moet worden aangepast.

    • e.

      Het aanpassen van het Omgevingsplan voor zover dat onder de Wet Ruimtelijke Ordening als wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan opgenomen was;

      In veel van de huidige bestemmingsplannen zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Bij de vaststelling van deze bestemmingsplannen door de gemeenteraad is hiervoor bepaald dat het college het bestemmingsplan onder bepaalde voorwaarden kan wijzigen dan wel uitwerken. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet maken deze onderdeel uit van het tijdelijke omgevingsplan. Aangezien een wijzigingsbevoegdheid nu al de bevoegdheid van het college is, ligt het voor de hand, indien voldaan wordt aan de voorwaarden uit de in het tijdelijk omgevingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheden, het wijzigen van het omgevingsplan op dit punt te delegeren aan het college.

    • f.

      Het herstellen en verbeteren van verschrijvingen, verkeerde verwijzingen en inventarisatiefouten in de regels of op de kaart;

      Vanuit praktisch oogpunt wordt voorgesteld om de bevoegdheid tot het aanbrengen van technische of redactionele wijzigingen in het omgevingsplan te delegeren aan het college. Het gaat hierbij uitsluitend om wijzigingen die geen inhoudelijk gevolg hebben voor de geldende regels, de annotaties daarvan en elementen op de kaart.

    • g.

      Het verwerken van inzichten uit nieuw onderzoek naar archeologie in de locatieaanduiding archeologische waarden;

      Uit nader archeologisch onderzoek kan blijken dat de archeologische waarde op een specifieke locatie niet overeenkomt met de situatie zoals deze is vastgesteld. Het archeologisch beleid wordt hierop dan aangepast. Dit zijn zaken die dan ook aangepast moeten worden in het omgevingsplan. Om de procedure voor het aanpassen van het omgevingsplan in deze situaties sneller te laten verlopen ligt het delegeren van de vaststelling van het omgevingsplan op dit punt voor de hand.

    • h.

      Het toevoegen en wijzigen van begripsbepalingen voor zover deze geen wezenlijke wijziging voor de fysieke leefomgeving tot gevolg hebben.

      Het is mogelijk dat er begripsbepalingen in het omgevingsplan moeten worden toegevoegd of aangepast om de ‘leesbaarheid’ te verbeteren. In voornoemde gevallen gaat het niet om het aanpassen of toevoegen van begripsbepalingen die (nadelige) gevolgen (kunnen) hebben voor de fysieke leefomgeving dan wel (nadelige of beperkende) effecten tot gevolg hebben voor inwoners en initiatiefnemers of inhoudelijk besproken moet worden.

  • 3.

    Het nemen van een voorbereidingsbesluit met het oog op de voorbereiding, vaststelling en inwerkingtreding van het omgevingsplan;

    Op grond van artikel 4.14 Ow kan de gemeenteraad in opmaat naar een omgevingsplanwijziging voor een locatie een voorbereidingsbesluit nemen. Dit voorbereidingsbesluit wijzigt direct het omgevingsplan met voorbeschermingsregels die voorkomen dat deze locatie minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van het doel van het omgevingsplan. De voorbeschermingsregels komen dus via een voorbereidingsbesluit in het omgevingsplan terecht.

     

    De noodzaak tot het nemen van een voorbereidingsbesluit komt nauwelijks voor, maar wanneer dit nodig is, is het belangrijk dat er snel gehandeld kan worden. Gelet op de vergaderfrequentie van de raad in relatie tot die van het college en de daarbij horende aanlevertermijnen, kan het college hierin sneller acteren. Om die reden is in de Omgevingswet een delegatiemogelijkheid opgenomen voor de bevoegdheid tot het nemen van een voorbereidingsbesluit (artikel 4.14 lid 5 Ow). De achterliggende gedachte van de wetgever is hierbij geweest dat het college een omgevingsplan voorbereidt en daarmee dan ook goed in staat is om op een effectieve wijze een voorbereidingsbesluit te nemen.

Naar boven