Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Utrecht

 

Burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,

 

Gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 12, 35, 48, 51 en 55 van de Participatiewet;

 

Overwegende dat:

 

  • zij op grond artikel 35 van de Participatiewet het recht op bijzondere bijstand moeten vaststellen en hierbij beleidsruimte hebben;

  • er op grond van artikel 12 van de Participatiewet recht bestaat op bijstand voor een persoon van 18,19 of 20 jaar, voor zover de noodzakelijke kosten hoger zijn dan de bijstandsnorm en geen beroep op ouders kan worden gedaan en ook hierbij beleidsruimte is;

  • het gewenst is ter invulling van deze beleidsruimte een beleidsregel vast te stellen over het meetellen van inkomen en vermogen, bepaalde bedragen, vorm van de bijstand en overige afwegingen.

 

Besluiten de volgende beleidsregel vast te stellen: Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Utrecht

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Definities

Deze beleidsregel verstaat onder:

  • a.

    Draagkracht: het deel van het inkomen en vermogen dat de alleenstaande of het gezin naar het oordeel van burgemeester en wethouders zelf kan bijdragen aan de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan;

  • b.

    Draagkrachtperiode: de periode waarover de draagkracht wordt vastgesteld;

  • c.

    Wet: Participatiewet.

Artikel 2 Uitgangspunten vaststellen van het recht

  • 1.

    Het recht op bijzondere bijstand wordt beoordeeld op basis van de uitgangspunten en artikel 35 van de wet en deze beleidsregel. De volgende vier vragen moeten hierbij in volgorde positief worden beantwoord:

    • a.

      Doen de kosten zich voor?

    • b.

      Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk?

    • c.

      Vloeien de kosten voort uit bijzondere omstandigheden?

    • d.

      Kunnen de kosten niet (volledig) worden voldaan uit de draagkracht?

  • 2.

    Voor de veel voorkomende kosten zoals opgenomen in deze beleidsregel gaan burgemeester en wethouders ervan uit dat deze in het individuele geval noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, indien aan de voorwaarden uit deze beleidsregel wordt voldaan.

Artikel 3 Indienen van een aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag voor bijzondere bijstand wordt schriftelijk of digitaal ingediend op een door burgemeester en wethouders beschikbaar gesteld formulier.

  • 2.

    2. Om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand moet een aanvraag worden ingediend, voordat de kosten ontstaan, met uitzondering van de kosten die zijn genoemd in artikel 11, 23 en 25.

  • 3.

    Indien het vooraf indienen als bedoeld in lid 2 vanwege een dringende omstandigheid niet mogelijk is, wordt bijstand met terugwerkende kracht toegekend, op voorwaarde dat de aanvraag alsnog zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen 1 maand na het ontstaan van de kosten, is gedaan.

Artikel 4 Bewijsstukken en bestedingsverplichting

  • 1.

    Belanghebbende levert bij de aanvraag bewijsstukken aan waaruit volgt dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd, op korte termijn gemaakt moeten worden of, in geval van een situatie als bedoeld in artikel 3 lid 3, de bewijsstukken van de gemaakte kosten.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders leggen bij toekenning van bijzondere bijstand de verplichting op om deze te gebruiken voor de toegekende kosten.

  • 3.

    Betalingsbewijzen van vooraf toegekende bijzondere bijstand moeten door belanghebbende 12 maanden na toekenning worden bewaard en worden alleen bij een gegronde reden opgevraagd.

  • 4.

    Voor de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand levert belanghebbende bewijsstukken aan over inkomen en vermogen, en voor wat betreft bewijsstukken over inkomen, dit inkomen niet op een andere manier te verifiëren is.

Hoofdstuk 2 Draagkrachtregels

Artikel 5 Algemene uitgangspunten

  • 1.

    Het inkomen is gelijk aan de som van alle netto inkomensbestanddelen waarover de belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, inclusief vakantietoeslag.

  • 2.

    Bij de berekening van de draagkracht worden de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag en andere inkomens- en vermogensbestanddelen die bij de verlening van algemene bijstand worden vrijgelaten, niet meegenomen.

  • 3.

    Belanghebbende met een bijstandsuitkering of die in een wettelijke schuldsanering of lopende minnelijke schuldregeling vanuit de gemeentelijke schulddienstverlening zit, wordt geacht geen draagkracht te hebben.

  • 4.

    Bij incidentele bijzondere bijstand wordt de draagkracht over de vastgestelde draagkrachtperiode volledig verrekend.

  • 5.

    Bij periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht maandelijks verrekend met de maandelijkse kosten.

Artikel 6 Berekening draagkracht

  • 1.

    De draagkracht bestaat uit twee onderdelen. Draagkracht uit vermogen en draagkracht uit inkomen.

  • 2.

    Het vermogen, voor zover dat op de datum van aanvraag meer bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens, bedoeld in artikel 34, derde lid, van de wet, wordt volledig aangemerkt als draagkracht.

  • 3.

    Voor draagkracht uit inkomen geldt het volgende:

    • a.

      Over inkomen tot en met 125% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm geldt geen draagkracht;

    • b.

      Over inkomen van meer dan 125% maar minder dan 200% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, geldt 50% hiervan als draagkracht;

    • c.

      Over inkomen van meer dan 200% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm geldt 100% hiervan als draagkracht.

  • 4.

    Bij het vaststellen van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in lid 3 wordt geen rekening gehouden met verlagingen op grond van paragraaf 3.3 en wordt geen rekening gehouden met kostendelende medebewoners als bedoeld in artikel 19a van de wet.

  • 5.

    De belanghebbende die op de datum van een aanvraag beschikt over een geldige U-pas wordt voor de berekening van draagkracht geacht een inkomen te hebben lager dan 125% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

  • 6.

    In afwijking van lid 3 wordt voor de woonkostentoeslag als bedoeld in artikel 21 en 22, en voor de kosten van bewindvoering, curatele en mentorschap als bedoeld in artikel 25, alle inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm als draagkracht aangemerkt. Lid 4 en 5 zijn in dat geval niet van toepassing.

  • 7.

    In geval géén sprake is van een schuldenbewind vanwege verkwisting of het het hebben van problematische schulden als bedoeld in artikel 431 lid 1 onderdeel b van het Burgerlijk wetboek, Boek 1, wordt in afwijking van lid 6, ten behoeve van de berekening van draagkracht de van toepassing zijnde bijstandsnorm verhoogd met €125,-.

Artikel 7 Draagkrachtperiode en wijzigingen

  • 1.

    De draagkracht in het inkomen en vermogen wordt vastgesteld over een periode van 12 maanden met ingang van de eerste dag van de maand waarin de aanvraag wordt ingediend. De draagkrachtperiode vangt aan met ingang van de eerste dag van de eerste maand waarin de aanvraag wordt ingediend.

  • 2.

    2. In afwijking van lid 1 wordt bij periodieke bijzondere bijstand de draagkracht vastgesteld over de periode gelijk aan de periode van toekenning.

  • 3.

    Een eenmaal vastgestelde draagkracht over de draagkrachtperiode verandert niet bij wijzigingen in het inkomen of vermogen, tenzij dit in het voordeel van belanghebbende is en hiervoor een verzoek wordt ingediend.

  • 4.

    Lid 3 is niet van toepassing voor de vastgestelde draagkracht bij woonkostentoeslag en de kosten van bewindvoering, curatele en mentorschap. Bij wijzigingen in het inkomen of vermogen wordt in dat geval de draagkracht aangepast per de eerste van de maand .

Artikel 8 Drempelbedrag

Burgemeester en wethouders passen het drempelbedrag, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de wet is niet toe.

Hoofdstuk 3 Veel voorkomende kosten

Paragraaf 3.1 aanvullende bijstand 18,19 en 20 jarigen.

Artikel 9 Aanvullende bijstand levensonderhoud voor personen jonger dan 21 jaar

  • 1.

    Burgemeester en wethouders verstrekken met inachtneming van artikel 12 van de wet, aan de persoon van 18 tot en met 20 jaar die noodgedwongen niet meer bij diens ouders woont, maandelijks aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud.

  • 2.

    De hoogte van de aanvullende bijzondere bijstand is het verschil tussen de jongerennorm als bedoeld in artikel 20 van de wet en het bedrag aan bijstand dat een 21-jarige in dezelfde situatie zou krijgen.

  • 3.

    Indien de persoon van 18 tot en met 20 jaar in een inrichting verblijft is de hoogte van de aanvullende bijzondere bijstand gelijk aan de norm als bedoeld in artikel 23 van de wet.

  • 4.

    Van noodgedwongen niet meer bij ouders wonen is in ieder geval sprake als de persoon van 18, 19 of 20 jaar niet meer bij ouders woont én:

    • a.

      de zorg heeft voor één of meer kinderen, of;

    • b.

      een ernstig verstoorde relatie heeft met ouders, of;

    • c.

      in het kader van de Jeugdwet buiten het gezinsverband van ouders woont, of;

    • d.

      geen ouders meer heeft of ouders die in het buitenland wonen, of;

    • e.

      aantoonbaar gedurende een periode langer dan 12 maanden direct voorafgaande aan de aanvraag niet in gezinsverband van ouders heeft gewoond.

  • 5.

    Van een situatie, als bedoeld in artikel 12 onder a en b, van de wet is in ieder geval sprake als:

    • a.

      beide ouders overleden zijn, of;

    • b.

      beide ouders zich bevinden in het buitenland en daar onbereikbaar zijn, of;

    • c.

      er sprake is van een ernstig verstoorde relatie met ouders.

  • 6.

    De draagkrachtregels als bedoeld in hoofdstuk 2 zijn niet van toepassing. Inkomsten worden in mindering gebracht op de bijstandsnorm inclusief aanvullende bijstand.

Paragraaf 3.2 Zorgkosten en andere kosten met een medisch karakter

Artikel 10 Algemeen

Voor zorgkosten wordt geen bijzondere bijstand toegekend, tenzij er sprake is van zeer dringende redenen. De zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet langdurige zorg (Wlz) zijn passende en toereikende voorliggende voorzieningen voor zorgkosten.

Artikel 11 Regeling zorgkosten

  • 1.

    Burgemeester en wethouders verstrekken, in afwijking van artikel 10, bijzondere bijstand voor kosten van:

    • a.

      eigen bijdrage Wmo;

    • b.

      eigen bijdrage Wlz voor zorg thuis;

    • c.

      eigen bijdrage voor medicijnen, die deels worden vergoed vanuit de basisverzekering;

    • d.

      fysiotherapie/oefentherapie;

    • e.

      mondzorg;

    • f.

      bril voor ten laste komende kind;

  • aan de belanghebbende met een inkomen niet hoger dan 125% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en geen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet. Artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, zijn hierbij van toepassing.

  • 2.

    De bijzondere bijstand voor de kosten samen als bedoeld in lid 1 bedraagt maximaal € 200,- per kalenderjaar per gezinslid.

  • 3.

    De belanghebbende die op de datum van de aanvraag beschikt over een geldige U-pas voldoet aan de gestelde inkomensvoorwaarde als bedoeld in lid 1.

  • 4.

    Het bij aanvraag voldoen aan de voorwaarden voor inkomen en vermogen als bedoeld in lid 1 en 3 werkt door bij een nieuwe aanvraag binnen hetzelfde kalenderjaar.

  • 5.

    De draagkrachtregels als bedoeld in hoofdstuk 2 zijn niet van toepassing.

Artikel 12 Orthodontiekosten ten laste komend kind

  • 1.

    In afwijking van artikel 10 en in aanvulling op de vergoeding op grond van artikel 11, verstrekken burgemeester en wethouders bijzondere bijstand tot een maximum van € 1.000 per minderjarige voor kosten van orthodontie, indien er aantoonbaar orthodontiekosten zijn gemaakt van ten minste € 2.000.

  • 2.

    In afwijking van artikel 4, derde lid, wordt de bijzondere bijstand uitbetaald na overlegging van een betalingsbewijs.

Artikel 13 Dieetkosten

  • 1.

    Burgemeester en wethouders verstrekken bijzondere bijstand voor de extra kosten van een medisch noodzakelijk dieet, indien de noodzaak tot het volgen van dit dieet is vastgesteld op basis van een geneeskundig advies, tenzij zonder dit advies kan worden vastgesteld dat de noodzaak aanwezig is.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld conform de actuele dieetlijst en berekening van de Belastingdienst voor aftrekbare zorgkosten.

Artikel 14 Extra kosten maaltijdvoorziening voor de warme maaltijd

  • 1.

    Burgemeester en wethouders verstrekken bijzondere bijstand voor de extra kosten van een maaltijdvoorziening voor de warme maaltijd, indien de noodzaak voor het gebruik van een maaltijdvoorziening is vastgesteld op basis van een geneeskundig advies, tenzij zonder dit advies vastgesteld kan worden dat deze noodzaak er is.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van een vast bedrag per dag, zoals opgenomen in de bijlage “Forfaitaire bedragen” onder A.

Artikel 15 Extra kosten kledingslijtage

  • 1.

    Burgemeester en wethouders verstrekken bijzondere bijstand voor de extra kosten van kledingslijtage vanwege een medische aandoening indien de noodzaak is vastgesteld op basis van een geneeskundig advies, tenzij zonder dit advies vastgesteld kan worden dat deze noodzaak er is.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van een forfaitair bedrag per maand, zoals opgenomen in de bijlage “Forfaitaire bedragen” onder B.

Paragraaf 3.3 Kosten in verband met wonen

Artikel 16 Verhuiskosten

  • 1.

    Burgemeester en wethouders verstrekken bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van een verhuizing, indien sprake is van een niet-voorzienbare en noodzakelijke verhuizing.

  • 2.

    Voor bijzondere bijstand komen uitsluitend de volgende kosten in aanmerking:

    • a.

      Dubbele huur: maximaal één maand, indien de dubbele huur aantoonbaar en onvermijdelijk is;

    • b.

      Administratiekosten;

    • c.

      Waarborgsom;

    • d.

      Huur verhuisbusje;

    • e.

      Materiaalkosten voor het opknappen van de woning, zoals de kosten voor verf, behang en vloerbedekking.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor lid 1 onder d en e worden vastgesteld op basis van een forfaitair bedrag zoals opgenomen in de bijlage “Forfaitaire bedragen” onder C.

  • 4.

    Bijzondere bijstand voor een waarborgsom als bedoeld in lid 1 wordt verstrekt als geldlening.

Artikel 17 Kosten woninginrichting

  • 1.

    Burgemeester en wethouders verstrekken bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van woninginrichting aan belanghebbenden die een woning betrekken en behoren tot één van de volgende doelgroepen:

    • a.

      statushouders die op basis van de taakstelling voor het eerst in Utrecht worden gehuisvest;

    • b.

      personen die na afloop van een Voorlopige Vergunning tot Verblijf (VVTV) in Utrecht een woning betrekken;

    • c.

      dak- of thuislozen die zelfstandig gaan wonen;

    • d.

      personen die na verblijf in een mannen- of vrouwenopvanghuis een eigen woning betrekken;

    • e.

      personen die na langdurige detentie of (psychiatrische) opname zelfstandig gaan wonen;

    • f.

      personen die vanwege hun individuele omstandigheden aantoonbaar gelijkgesteld kunnen worden met één van de hierboven genoemde doelgroepen.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van een forfaitair bedrag zoals opgenomen in de bijlage “Forfaitaire bedragen” onder D.

Artikel 18 Kosten wasmachine, koelkast en kookplaat

  • 1.

    Burgemeester en wethouders verstrekken bijzondere bijstand voor de noodzakelijke vervanging van een wasmachine, koelkast of kookplaat.

  • 2.

    Bijstand voor de vervanging van een wasmachine, koelkast of kookplaat wordt maximaal één keer per tien jaar per product verstrekt.

  • 3.

    Indien belanghebbende op het moment van de aanvraag een hoger vermogen heeft dan het bedrag van 1 keer de van toepassing zijnde bijstandsnorm is er geen sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2 lid 1 onder c en is er geen recht op bijzondere bijstand.

  • 4.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van de forfaitaire bedragen zoals opgenomen in de bijlage “Forfaitaire bedragen” onder E.

Artikel 19 Kosten eerste babyspullen

  • 1.

    Burgemeester en wethouders verstrekken eenmalig bijzondere bijstand voor de kosten van eerste babyspullen, indien:

    • a.

      de aanstaande moeder ten minste zes maanden zwanger is;

    • b.

      de belanghebbende niet beschikt over eerste noodzakelijke babyspullen, bijvoorbeeld uit een eerdere geboorte.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van een forfaitair bedrag zoals opgenomen in de bijlage “Forfaitaire bedragen” onder F.

Artikel 20 Woonkosten tijdens opname en detentie

  • 1.

    Burgemeester en wethouders verstrekken bijzondere bijstand voor de noodzakelijke vaste kosten voor het aanhouden van een woning van een belanghebbende met een bijstandsuitkering die tijdelijk is opgenomen in een inrichting en bij wie de bijstandsnorm is omgezet naar de norm in inrichting verblijvend, indien:

    • a.

      de opname naar verwachting niet langer dan twaalf maanden duurt;

    • b.

      er geen andere personen in de woning achterblijven; en

    • c.

      Utrecht tijdens de opname de gemeente van domicilie blijft.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders verstrekken bijzondere bijstand voor de noodzakelijke vaste kosten voor het aanhouden van een woning van een belanghebbende ingeval van detentie, indien:

    • a.

      de detentie plaatsvindt in Nederland;

    • b.

      detentie naar verwachting niet langer dan zes maanden duurt;

    • c.

      sprake is van bijzondere sociale of medische omstandigheden die aantoonbaar maken dat verlies van de woning ernstig nadeel veroorzaakt;

    • d.

      de belanghebbende voorafgaand aan detentie geen mogelijkheid had te reserveren of andere maatregelen te treffen om de kosten te voorkomen;

    • e.

      er geen andere personen in de woning achterblijven; En

    • f.

      geen inkomen of vermogen heeft om deze kosten te kunnen dragen waarbij in afwijking van Hoofdstuk 2 alle beschikbare middelen aangewend moeten worden.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand als bedoeld in lid 1 en 2 wordt vastgesteld op het bedrag van de huur minus de huurtoeslag en een forfaitair bedrag voor de vastrechtkosten per maand, zoals opgenomen in de bijlage “Forfaitaire bedragen” onder C.

Artikel 21 – Woonkostentoeslag voor huurwoningen

  • 1.

    De Wet op de huurtoeslag geldt als een passende en toereikende voorliggende voorziening voor alle huurwoningen.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 wordt woonkostentoeslag verstrekt voor zelfstandige huurwoningen, indien belanghebbende door een plotselinge en onvoorzienbare inkomensdaling tijdelijk niet meer kan voorzien in de noodzakelijke woonkosten, en:

    • a.

      er tijdelijk nog geen recht op volledige huurtoeslag bestaat, of

    • b.

      er geen recht bestaat op huurtoeslag of volledige huurtoeslag, omdat de rekenhuur boven de maximale huurtoeslaggrens ligt waarover huurtoeslag wordt berekend.

  • 3.

    De woonkostentoeslag wordt vastgesteld op het verschil tussen de maandelijkse rekenhuur (conform artikel 1, onder d, van de Wet op de huurtoeslag) en het bedrag van gebruikelijke woonkosten zoals opgenomen in de bijlage “Forfaitaire bedragen” onder C, waarbij de woonkostentoeslag niet hoger is dan het maandelijkse verlies aan inkomen.

  • 4.

    De woonkostentoeslag wordt verstrekt voor maximaal twaalf maanden.

  • 5.

    Als de rekenhuur boven de maximale huurtoeslaggrens voor huurtoeslag ligt waarover huurtoeslag wordt berekend, geldt de verplichting om zo snel mogelijk goedkopere passende woonruimte te vinden of op een andere manier de financiële middelen en de woonkosten meer met elkaar in evenwicht te brengen. Burgemeester en wethouders leggen hierbij nadere verplichtingen op.

Artikel 22 – Woonkostentoeslag voor koopwoningen

  • 1.

    Burgemeester en wethouders verstrekken bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag aan de belanghebbende die als gevolg van een plotselinge en onvoorzienbare inkomensdaling tijdelijk niet meer kan voorzien in de noodzakelijke woonkosten van de koopwoning.

  • 2.

    De woonkostentoeslag wordt uitsluitend verstrekt indien:

    • a.

      de woning de hoofdverblijfplaats is van belanghebbende;

    • b.

      de woning niet wordt verhuurd of als tweede woning wordt aangehouden;

    • c.

      geen beroep mogelijk is op een passende voorliggende voorziening, zoals een krediet of herfinanciering.

  • 3.

    Tot noodzakelijke woonkosten worden uitsluitend gerekend:

    • a.

      de hypotheekrente;

    • b.

      een forfaitair bedrag aan overige eigenaarslasten, zoals opgenomen in de bijlage “Forfaitaire bedragen” onder C

  • 4.

    De woonkostentoeslag wordt vastgesteld op het verschil tussen de maandelijks noodzakelijke woonkosten als bedoeld in lid 3 en het bedrag van gebruikelijke woonkosten zoals opgenomen in de bijlage “Forfaitaire bedragen” onder C, waarbij de woonkostentoeslag niet hoger is dan het maandelijkse verlies aan inkomen.

  • 5.

    De woonkostentoeslag wordt verstrekt voor maximaal twaalf maanden.

  • 6.

    De belanghebbende heeft de verplichting om zo snel mogelijk goedkopere passende woonruimte te vinden of op een andere manier de financiële middelen en de woonkosten meer met elkaar in evenwicht te brengen. Burgemeester en wethouders leggen hierbij nadere verplichtingen op.

Paragraaf 3.4 Overige kosten

Artikel 23 Kosten rechtsbijstand

  • 1.

    Burgemeester en wethouders verlenen bijzondere bijstand aan de belanghebbende voor de kosten van:

    • a.

      de eigen bijdrage zoals vastgesteld door de Raad voor Rechtsbijstand, en

    • b.

      het griffierecht,

    • c.

      indien aan de belanghebbende een toevoeging is verleend in de procedure waaruit deze kosten voortvloeien.

  • 2.

    Bijstand voor deze kosten kan met terugwerkende kracht worden verstrekt, indien:

    • a.

      de aanvraag voor de eigen bijdrage wordt ingediend binnen drie maanden na de datum van afgifte van de toevoeging, of

    • b.

      de aanvraag wordt ingediend binnen één maand na de datum van de nota van de advocaat voor de eigen bijdrage of voor het griffierecht.

  • 3.

    Indien een verzoek tot peiljaarverlegging op grond van de Wet op de rechtsbijstand kan leiden tot een lagere eigen bijdrage, is de belanghebbende verplicht het verzoek tijdig bij de Raad voor de Rechtsbijstand in te dienen.

Artikel 24 Reiskosten bezoek familielid

  • 1.

    Burgemeester en wethouders verstrekken bijzondere bijstand aan belanghebbende voor reiskosten binnen Nederland, indien sprake is van bezoek aan een partner of familielid in de 1e of 2e graad, en:

    • a.

      het bezoek verband houdt met opname in ziekenhuis, een instelling of bij detentie;

    • b.

      de bezoeklocatie zich buiten de gemeente Utrecht bevindt;

    • c.

      de reisafstand ten minste 30 kilometer enkele reis bedraagt.

  • 2.

    Hierbij geldt ten aanzien van de noodzaak het uitgangspunt van:

    • maximaal 1 bezoek per 2 weken, of;

    • maximaal 5 bezoeken per week bij een minderjarig kind.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van:

    • a.

      werkelijke kosten van openbaar vervoer; of

    • b.

      een vergoeding op basis van de onbelaste kilometervergoeding zoals gehanteerd door de Belastingdienst bij reizen met eigen vervoer.

Artikel 25 Kosten bewindvoerder, curatele en mentorschap

  • 1.

    De kosten van een curator, bewindvoerder en mentor komen in aanmerking voor bijzondere bijstand indien hieraan een rechterlijke uitspraak ten grondslag ligt.

  • 2.

    Indien de aanvraag voor deze kosten is gedaan binnen drie maanden na de datum van de uitspraak door de rechter, wordt met de bijstandsverlening aangesloten bij de ingangsdatum van de bewindvoering, mentorschap of curatele. Voor aanvragen die later dan drie maanden na de uitspraak worden gedaan, telt de eerste dag van de maand van aanvraag als ingangsdatum.

  • 3.

    Voor de kosten van budgetbeheer wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.

  • 4.

    Voor de kosten van een WSNP-bewindvoerdersloon wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.

  • 5.

    Voor de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

Artikel 26 Begrafenis- en crematiekosten

  • 1.

    Burgemeester en wethouders verstrekken bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van een begrafenis of crematie, indien:

    • a.

      de belanghebbende erfgenaam is van de overledene, zoals vastgesteld op basis van het testament of, bij het ontbreken daarvan, volgens het wettelijk erfrecht (titel 2 van Boek 4 BW);

    • b.

      de belanghebbende (mede) opdracht heeft gegeven tot de uitvaart of hiervoor kan of hiervoor kan worden aangesproken door opdrachtgever en daarmee financieel aansprakelijk is voor (een deel van) de kosten;

    • c.

      het aandeel in de uitvaartkosten niet kan worden voldaan uit het erfdeel.

  • 2.

    De bijzondere bijstand wordt uitsluitend verstrekt voor zover de kosten niet kunnen worden voldaan uit de middelen van de overledene, waaronder:

    • uitvaart- of levensverzekeringen,

    • spaartegoeden,

    • nalatenschap,

    • lidmaatschap van een uitvaartvereniging of depositofonds.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van het maximale forfaitair bedrag zoals opgenomen in de bijlage “Forfaitaire bedragen” onder G, waarbij wordt uitgegaan van het aandeel van de kosten van de belanghebbende.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 27 Intrekking

De beleidsregel Richtlijnen bijzondere bijstand gemeente Utrecht wordt bij het in werking treden van deze beleidsregel ingetrokken.

Artikel 28 Overgangsbepalingen

  • 1.

    De beleidsregel Richtlijnen bijzondere bijstand gemeente Utrecht blijft van toepassing op bijzondere bijstand verstrekt op grond van die beleidsregel en op aanvragen om bijzondere bijstand die voor 1 oktober 2025 zijn ingediend.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 blijft voor reeds toegekende bijstand voor de kosten van bewindvoering, curatele en mentorschap de beleidsregel Richtlijnen bijzondere bijstand gemeente Utrecht tot 1 maart 2026 van toepassing.

Artikel 29 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op 1 oktober 2025.

Artikel 30 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Utrecht.

 

 

Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, in de vergadering van 23 september 2025

De burgemeester

Sharon A.M. Dijksma

De secretaris,

Michiel J. Ruis

Toelichting bij Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Utrecht

 

Algemeen

Bijzondere bijstand is een gebonden bevoegdheid. Dit betekent dat wanneer voldaan wordt aan de wettelijke voorwaarden van bijzondere bijstand (als bedoeld in artikel 35 van de wet) bijstand niet geweigerd kan worden.

In deze beleidsregel is een afwegingskader vastgelegd voor vaker voorkomende kosten waarvoor bijzondere bijstand verleend moet worden. Ook is invulling gegeven aan kan-bepalingen die burgemeester en wethouders op grond van artikel 35 mogen inkleuren en als laatste is zogenaamd buitenwettelijk beleid vastgelegd.

Vorm van de bijstandsverlening:

De bijzondere bijstand wordt, onverminderd de toepassing van artikel 48 van de wet, om niet verstrekt. Dus als gift en hoeft niet te worden terugbetaald.

Wanneer zich de situatie voordoet dat er bijvoorbeeld sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan of op korte termi jn kunnen beschikken over middelen kan na individuele afweging besloten worden de bijzondere bijstand als geldlening te verstrekken. In sommige gevallen volgt uit de beleidsregel op artikelniveau dat bijzondere bijstand voor bepaalde kosten de vorm van een geldlening heeft .

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 2

De uitgangspunten inzake het vaststellen van het recht op bijzondere bijstand aan de hand van de opgenomen vragen volgen uit vast jurisprudentie van de CRvB ( o.a. C RvB 24-04-2007, ECLI:NL:CRVB:2007 :BA4282). Naast deze beoordeling gelden ook de algemene voorwaarden die voor algemene bijstand gelden (artikel 11 tot en met 16 van de wet). Belangrijke voorwaarde voor recht op bijzondere bijstand is dat er geen recht is als een beroep kan worden gedaan op een passende en toereikende voorliggende voorziening.

In lid 1 is het stappenplan zoals opgesteld door de CRvB opgenomen. In lid 2 is geregeld dat indien voor beschreven kosten aan de voorwaarden die in de beleidsregel zijn opgenomen wordt voldaan, de vragen over de noodzaak en bijzonderheid van de kosten niet beantwoord hoeven te worden. De kosten die voor bijzondere bijstand in aanmerking komen beperken zich nadrukkelijk niet tot de in deze beleidsregel genoemde kosten .

Artikel 3

In afwijking van lid 1 wordt het recht op bijzondere bijstand ambtshalve vastgesteld , indien een schriftelijke of digitale aanvraag vanwege individuele omstandigheden niet mogelijk is . Dat volgt uit artikel 43 lid 1 van de wet.

Artikel 44 uit de wet is onverkort van toepassing op de bijzondere bijstand. Bij zondere bijs tand toekennen met terugwerkende kracht, dus voor kosten die zijn opgekomen voordat een aanvraag is gedaa n , mag in beginsel niet.

Voor de kosten van r echtsbijstand en bewindvoering, curatele en mentorschap gelden afwijkende regels. Indien door dringende omstandigheden van een inwoner niet verwacht kon worden dat er vooraf een aanvraag is gedaan, wordt hiervan afgeweken mits de aanvraag alsnog binnen een maand is ingediend. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een spoedbehandeling bij de tandarts vanwege plotselinge pijnklachten. Maar ook andere omstandigheden kunnen zich hierbij voordoen. Vanzelfsprekend dient het recht op bijstand nog wel beoordeeld te kunnen worden. Of de kosten al wel of niet zijn betaald door de belanghebbende, is bij de beoordeling van het recht in dit geval niet van belang. Vanzelfsprekend kunnen zich situaties voordoen waarbij er niet is voldaan aan het vooraf aanvragen én ook niet aan de voorwaarden uit artikel 3 lid 3. In individuele gevallen kan op grond van de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artike l 4.84 van de Algemene wet bestuursrecht alsnog bijstand worden verstrekt indien het handelen volgens deze beleidsregel gevolgen heeft voor een belanghebbende die onevenredig is met het doel van de beleidsregels. Dat geldt niet alleen voor deze bepaling in artikel 3 maar voor de gehele beleidsregel.

Artikel 4

Bij de uitvoering van deze regels gaan we uit van het vertrouwen dat de inwoner juiste en volledige informatie geeft en dat de belanghebbende de bijstand gebruikt voor het doel waarvoor deze wordt verstrekt . Om die reden is het uitgangspunt dat vooraf het recht wordt bepaald en de bijstand wordt uitbetaald, zonder dat eerst een rekening / betalingsbewijs moet word en overlegd . Naast de vermindering van administratieve last en het blijk geven van vertrouwen , wordt hiermee in veel gevallen ook voorkomen dat mensen noodzakelijke kosten eerst zelf moeten voorschieten en daarmee een probleem ontstaat.

Indie n in het individuele geval een gegrond e reden bestaat om aan te nemen dat de bijstand niet wordt besteed voor de toegekende kosten , kan worden afgeweken van de bepaling in lid 1. In lid 2 wordt de bestedingsverplichting opgelegd. De grondslag hiervoor is artikel 55 van de wet. Uit lid 4 volgt een belangrijk uitgangspunt, dat er gee n bewijsstukken over het inkomen worden opgevraagd die we zelf kunnen verifiëren via bijvoorbeeld Suwinet . Vanzelfsprekend moet een belanghebbende, los van deze bepaling, op verzoek gegevens aanleveren, indien dat anderszins nodig is om het recht op bijzondere bijstand vast te stellen. Een aanvrager die een lopende bijstandsuitkering ontvangt hoeft geen geg evens over inkomen en vermogen aan te leveren tenzij voor een specifieke kostensoort een andere bepaling over middelen geldt, bijvoorbeeld bij artikel 18. Een aanvrager zonder uitkering maar met een geldige U pas hoeft geen bewijs stukken over inkomen te overleggen gelet op de bepaling in artikel 6 lid 5 . In geval sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6 lid 5 en 6 kan het wel nodig zijn om bij een U pas houder naast bewijsstukken van vermogen ook bewijsstukken van inkomen op te vragen indien dit onvoldoende geverifieerd kan worden via bijvoorbeeld Suwinet .

Artikel 5

Over inkomen waar op beslag ligt kan een belanghebbende redelijkerwijs niet beschikken en wordt dus buiten beschouwing gelaten bij het vaststellen van het inkomen in het kader van een draagkrachtberekening . Uit lid 4 volgt dat bij incidentele bijzondere bijstand de eventueel aanwezige draagkracht direct en volledig wordt verrekend. Is de draagkracht over de draagkrachtperiode hoger dan de toe te kennen noodzakelijke kosten, wordt de aanvraag afgewezen. In beginsel kan dit ook niet anders . Uit lid 5 volgt dat bij periodieke bijstand, de aanwezig draagkracht maandelijks wordt verrekend over de periode van toekenning. In afwijking van lid 4 wordt dus niet eerst alle draagkracht verrekend voordat er wordt betaald. Dit is een keuze die de gemeenten mag maken. Voor zowel de inwoner als de uitvoering is het handiger en beter uitlegbaar om bij toekenning van periodieke bijzondere bijstand draagkracht ook maandelijk s te verrekenen. Indien zich de combinatie voordoet dat bij periodiek bijstand er ook draagkracht uit vermogen is, wordt ook hier per maand over de toegekende periode rekening mee gehouden.

Artikel 6

De draagkracht uit inkomen wordt berekend door het inkomen per maand van een belanghebbende af te zetten tegen de van toepassing zijnde bijstandsnorm (in een maand). Dat volgt uit artikel 35 van de wet . Om het maandinkomen van een belanghebbende vast te stellen wordt in principe gekeken naar de kalendermaand voorafgaand aan de bijzondere bijstandsaanvraag .

Als er sprake is van sterk wisselende inkomsten is het gemiddelde maandinkomen over de drie kalendermaanden voorafgaand aan de aanvraag het uitgangspunt. Als bij het vaststellen van het inkomen van een zelfstandig e de hoogte in redelijkheid niet is af te leiden vanuit de opgave over de voorgaande drie maanden kan naar een andere periode worden gekeken, zoals het kalenderjaar voorafgaand aan de aanvraag .

Indien een 18, 19 of 20 jarige , in aanvulling op de reguliere bijstandsnorm bedoel in artikel 20 van de wet, aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud ontvangt als bedoeld in artikel 9 van deze beleidsregel , zetten we inkomsten af tegen de bijstandsnorm inclusief de aanvullende bij zondere bijstand.

Artikel 5 lid 3 kan voor verwarring zorgen in de context van artikel 6 lid 6 in geval van bewindvoeringskosten in combinatie met een schuldregeling van de de gemeente en de vraag of er sprake is van draagkracht bij een inkomen boven de bijstandsnorm . A ls er ruimte is in het V TL B (vrij te laten bedrag) voordat er een schuld regeling wordt opgestart is dat voorliggend en dienen de kosten van bewind voering primair uit het beschikbare inkomen te worden voldaan en is een aanvraag voor bijzondere bijstand niet aan de orde. Als de aanvraag voor bijzondere bijstand voor bewindvoer ingskosten er is voordat er een schuldregeling is wordt vanzelfsprekend gewoon rekening gehouden met alle inkomen boven de bijstandsnorm . Met de afdeling Schulddienstverlening zijn werk afspraken gemaakt over deze situaties .

Artikel 7

Uit lid 3 volgt dat een vastgestelde draagkracht niet wijzigt gedurende de draagkrachtperiode . Omdat bij de berekening van draagkracht wordt ge rekend met inkomsten die in de toekomst liggen kan een belanghebbende hierdoor bij daling van het inkomen in die periode worden benadeeld. Op verzoek kan een nieuwe berekening worden gemaakt wat ook tot aanpass ing van het eerdere besluit kan leiden. Wijzigingen in het inkomen of vermogen moeten bij de kosten als bedoel in lid 4 direct worden doorgegeven en zullen ook direct leiden tot aanpassing van de draagkracht. Feitelijk wordt de draagkracht iedere maand opnieuw beoordeeld. Voor een eenvoudige uitvoering kiezen we ervoor de draagkracht altijd per de eerste van de maand te wijzigen.

Artikel 9

Bij deze specifieke vorm van bijzondere bijstand zijn de draagkrachtregels niet van toepassing, maar de gebruikelijke regels voor inkomen en vermogen zoals die gelden bij algemene bijstand , inclusie f de bepaling en uit artikel 31 lid 2 en artikel 34 lid 2 van de wet.

Artikel 12

Om in aanmerking te komen voor deze vergoeding moeten er al orthodontie kosten zijn gemaakt voor het betreffende kind van € 200 0,- . ( Voor dit bedrag kan in redelijkheid worden voorzien door een aanvullende verzekering af te sluiten ) . Of de reeds gemaakte kosten worden gedekt door een aanvullende verzekering of door iemand zelf moeten worden betaald is niet van belang voor het recht op de maximale vergoeding van € 1000.

Ar tikel 13

Onder dieetkosten worden verstaan: de meerkosten ten opzichte van de kosten van normale gezonde voeding. Deze meerkosten komen voort uit een (medisch noodzakelijk) dieet.

Dieetpreparaten zijn voedingsmiddelen die in vergelijking met normale voeding een gewijzigde chemische samenstelling en een gewijzigde fysische samenstelling hebben. Voorbeelden van dieetpreparaten zijn de drinkvoedingen zoals Nutridrink , Fortimel en dergelijke. De Wlz en Zvw zijn voor de kosten van dieetpreparaten een voorliggende, toereikende en passende voorzieningen.

Voedingssupplementen komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking

Artikel 16

Verhuiskosten zijn algemeen noodzakelijke kosten welke in beginsel uit het eigen middelen v oldaan moeten worden. Bij een noodzakelijke en onvoorzienbare verhuizing wordt wel bijzondere bijstand verleend onder de voorwaarde dat de onvoorzienbaarheid en noodzaak zijn onderbouwd met objectieve bewijsstukken en bijvoorbeeld geen beroep mogelijk is op een voorliggende voorziening. Bij een medische reden kan bijvoorbeeld de Wmo een voorliggende voorziening zijn.

Artikel 17

Het gaat in alle situaties op een periode die vrij direct aanslui t op de periode van bijvoorbeeld crisisopvang, verblijf in een inrichting of detentie . Het gaat bij dit artikel om volledige woninginrichting, waarbij er wordt gewerkt met forfaitaire bedragen. In deze bedragen zijn zowel stofferingskosten ( zoals verf, behang, etc ) als duurzame gebruiksgoederen en andere inrichtingskosten inbegrepen.

Toel ichting bij artikel 17 lid 1 onder f : het gaat om situaties vergelijkbaar met de overige doelgroepen uit dit artikel : De verhuizing is noodzakelijk. Klant heeft geen eigen woninginrichting of kan hier niet over beschikken. Klant betrekt eigen woning in Utrecht.

Artikel 18

Kosten voor vervanging van d uurzame gebruiksgoederen zoals de wasmachine, kookplaat en koelkast zijn algemeen noodzakelijke kosten van het bestaa n welke uit eigen middelen voldaan moeten worden . Op basis van dit (buitenwettelijk begunstigende) artikel is bepaald dat bepaalde kosten onder bepaalde omstandigheden wel voor bijstandsvertrekking in aanmerking komen . De gewone draagkrachtregels uit hoofdstuk 2 zijn van toepassing. In lid 3 is echter in aanvulling daarop bepaald dat als een belanghebbende bij aanvraag een hoger vermogen heeft dan 1 x keer de bijstandsnorm (waarbij art.34 lid 2 van de wet buiten toepassing blijft) er geen recht bestaat op bijstand voor deze kosten. In dat geval kan iemand direct zelf voorzien in deze kosten e n worden de kosten niet beoordeeld als kosten die voortkomen uit bijzondere omstandigheden.

Artikel 19

Bijzondere bijstand voor de kosten van een eerste babyuitzet word en in beginsel alleen toegekend voor een eerste kindje. In de omstandigheid dat het niet om een eerste kindje gaat maar de belanghebbende geen babyspullen meer heeft en dit in redelijkheid niet verwijtbaar is, wordt bijstand toegekend.

Artikel 20

De bepalingen in lid 1 onder b en lid 2 onder e zijn opgenomen omdat in die situatie in beginsel een achterblijvend persoon de woonkosten op zich kan nemen. Vanzelfsprekend moet wel beoordeeld worden of dit in een specifieke situatie ook mogelijk is. Wanneer er sprake is van een achterblijvende partner is bijzondere bijstand voor de doorbetaling van de woonkosten nooit aan de orde.

Artikel 21 en 22

De W et op de h uurtoeslag is voor alle huurwoningen (zelfstandig en onzelfstandig en ongeacht de hoogte van de huur en ongeacht of feitelijk huurtoeslag wordt ontvangen ) aan te merken als een voorliggende voorziening die toereikend en passend i s.

In artikel 21 wordt in afwijking van dat uitgangspunt geregeld dat voor een zelfstandige huurwoning onder de genoemde voorwaarden toch bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag wordt verstrekt.

Zowel voor woonkostentoeslag voor een huurwoning als koopwoning geldt een maximale termijn van 12 maanden. Wanneer de rekenhuur boven de maximale ( gesubsidieerde) huurgrens ligt of in geval van een koopwoning worden altijd nadere verplichtingen opgelegd om zo snel mogelijk goedkopere passende woonruimte te vinden of op een andere manier de financiële middelen en de woonkosten meer met elkaar in evenwicht te brengen. Op basis van de in dividu ele omstandigheden en de ingeschatte mogelijkheid om op kortere termijn een oplossing te vinden voor de hoge woonkosten waarvoor bijstand wordt verstrekt, kan een kortere periode toegekend worden dan 12 maanden.

Alleen in uitzonderlijke situaties kan op basis van de i nherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4.84 van de Awb worden afgeweken van de maximale termijn van 12 maanden. Daarbij moe t in ieder geval door belanghebbende aantoonbaar zijn voldaan aan alle nadere verplichtingen die zijn opgelegd .

Wanneer d e situatie zich voordoet dat de WKT langer dan 12 maanden moet worden verstrekt heeft bijzonder bijstand altijd de vorm van een geldlening in geval van :

  • een koopwoning en het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d van de wet;

  • een huurwoning op grond van tekortschietend besef , indien niet of onvoldoende aan verlichtingen is gehouden en desondanks toch een verlenging vanwege dringende redenen noodzakelijk is.

Wanneer er sprake is van h ypotheekrenteaftrek in de vorm van een Voorlopige Teruggaaf of fiscale aftrek achteraf wordt hiermee rekening gehouden. Het voordeel van de hypotheekrenteaftrek wordt meegenomen bij de bepaling van het inkomen en dus bij de draagkrachtberekening.

De situatie kan zich voordoen dat een belanghebbende zowel algemene bijstand ontvangt als woonkostentoeslag.  De V oorlopige T erugga af kan niet 2 keer als inkomen in aanmerking worden genomen. I n dat geval wordt de te ruggave in mindering gebracht op de woonkostentoeslag.

D e wijze waarop de hoogte van de woonkostentoeslag wordt vastgesteld is geregeld in artikel 21 lid 3 en 22 lid 4. Na vaststelling van de woonkostentoeslag moet vervolgens nog rekening worden gehouden met de maandelijkse draagkracht.

Artikel 2 3

De Wet op de Rechtsbijstand ( Wrb ) is een voorliggende voorziening die de financiering van rechtsbijstand voor mensen met een laag inkomen regelt. De Raad voor Rechtsbijstand voert de Wrb uit en beslist op verzoek om een toevoeging voor een rechtsbijstandsverlener. De Raad regelt ook de betaling aan de advocaat.

De Wrb dekt alleen geen griffiegelden, de kosten die je betaalt om een zaak bij de rechtbank in te dienen. Daarnaast moet de persoon die hulp zoekt een eigen bijdrage betalen aan de advocaat. Deze bijdrage hangt af van het inkomen van die persoon. De kosten voor de eigen bijdrage en griffiegelden kunnen wel in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Als iemand vraagt om bijstand voor deze kosten, moet de gemeente volgens artikel 35 van de Participatiewet beoordelen of die bijstand terecht is. De gemeente moet ervan uitgaan dat de rechtsbijstand nodig is, als er een toevoeging is verleend .

Een belanghebbende is verplicht een verzoek tot peiljaarverlegging te doen indien hij een toevoeging heeft ontvangen met een hoge eigen bijdrage en het actuele inkomen lager is dan 2 jaar geleden. Het verzoek moet binnen zes weken na de eerste beslissing over de eigen bijdrage zijn ontvangen door de Raad voor de Rechtsbijstand.

Artikel 2 4

Reiskosten zijn incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan welke uit het eigen inkomen betaald moeten worden. Dat geldt ook voor incidentele kosten voor het bezoek aan familieleden die bijvoorbeeld in detentie of in het ziekenhuis liggen.

In dit artikel is alleen geregeld de noodzakelijke bezoeken aan familieleden. Andere reiskosten ( zoals eigen kosten geneeskundige behandeling) vallen hier niet onder. Uiteraar d zullen andere verzoeken voor bijzondere bijstand voor reiskosten zelfstandig op basis van de algemene BB uitgangspunten moeten worden beoordeeld (artikel 2)

Om de noodzaak van het bezoek vast te stellen dienen vooraf bewijsstukken te worden overlegd over de opname en de opnameduur, zoals een b ewijs van behandeling (afsprakenkaart) , o pname bewijs, detentieverklaring, bewijs van uit huisplaatsing van het kind . De consulent bepaalt op basis daarvan de periode van toekenning.

Berekening route reisdoel via de ANWB routeplanner voor het openbaar vervoer (OV) of kilometers als men reist met de auto (optie ‘kortste route’).

We hanteren in principe een maximaal bedrag van € 250 per toekenning (per jaar). Hiervan kan in bijzondere situatie van afgeweken worden.

In bijzondere situaties, zoals terminale ziekte of een advies van reclassering of instelling, kan hiervan gemotiveerd worden afgeweken.

Artikel 25

Zie de toelichting bij artikel 6 voor situaties waarbij er sprake is van een schuldregeling en een inkomen boven de bijstandsnorm. In die gevallen zal eerst naar een verhoging van het VTLB moeten worden gekeken voordat er bijstand kan worden beoordeeld.

Artikel 2 6

In eerste instantie is de eventuele (huwelijks)partner voor de kosten aansprakelijk en vervolgens familieleden in de 1e graad, dan wel enig andere erfgenaam.

De begrafeniskosten zijn voor rekening van de opdrachtgever, welke daarvoor zonodig de nabestaanden kan aanspreken. De nabestaanden, voor zover zij erfgenaam of bloedverwant zijn en op grond van artikelen 392 – 396 BW:1 tot onderhoud van de overledene verplicht zijn, kunnen ieder afzonderlijk voor hun aandeel in de kosten, bijstand aanvragen in de gemeente waarin zij woonachtig zijn.

Er kan slechts bijstand worden toegekend indien de nabestaanden over onvoldoende middelen beschikken om de begrafeniskosten te betalen. Ook dient er rekening te worden gehouden met de eigen middelen van de overledene, de draagkracht van de aanvrager, alsmede met de noodzakelijke kosten van lijkbezorging.

Artikel 28

In principe blijven besluiten, waaronder ook de vastgestelde draagkracht en draagkrachtperiode die zijn genomen onder de RBBU ongewijzigd.

Een uitzondering hierop zijn de besluiten waarbij er periodieke bijzondere bijstand is verstrekt de kosten van bewindvoering, curatele en mentorschap. Deze lopen door tot uiterlijk 1 februari 2026. Personen die periodieke bijzondere bijstand toegekend hebben gekregen voor deze kosten voor een periode die doorloopt na 1 oktober 2025, moeten tijdig doormiddel van een besluit op de hoogte worden gesteld van de intrekking van het eerder genomen besluit per 1 februari 2026.

 

Bijlage – Forfaitaire bedragen bijzondere bijstand

 

A. Meerkosten maaltijdvoorziening

Kosten per dag

Bedrag

Maaltijdvoorziening

€ 2,25

B. Meerkosten kledingslijtage

Kledingpakket

Bedrag per maand

Volwassene

€ 30,00

Kinderen tot 18 jaar

€ 35,00

Kinderen tot 12 jaar

€ 20,00

C. Woon- en verhuiskosten

Kostenpost

Bedrag

Huur verhuisbusje

Verf/vloer/behang

€ 150

€ 800

 

Vastrechtkosten per maand

€ 30

 

Eigenaarslasten koopwoning per maand

€ 100

Gebruikelijk woonkosten per maand

€ 400

 

D. Volledige woninginrichting

Gezinssituatie

Bedrag

Alleenstaande kamerbewoner

€ 1.100

Alleenstaande of stel (zelfstandige woning)

€ 2.500

Met 1 kind of andere medebewoner(s)

€ 3.400

Met 2 kinderen of andere medebewoner(s)

€ 3.800

Met 3 kinderen of andere medebewoner(s)

€ 4.200

Met 4 kinderen of andere medebewoner(s)

€ 4.600

Voor elk extra kind of medebewoner

+ € 200

E. Noodzakelijke gebruiksproducten

Product

Bedrag

Wasmachine

€ 400

Koelkast

€ 250

(Elektrische) kookplaat

€ 300

F. Babyuitzet

Kostenpost

Bedrag

Eerste noodzakelijke babyuitzet

€ 600

G. Kosten uitvaart

Maximaal bedrag

Bedrag

Sobere, respectvolle uitvaart

€ 3.500

 

Naar boven