Subsidieverordening peuteropvang en voorschoolse educatie Voorne aan Zee 2025 - 2026

 

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

  • a.

    College: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorne aan Zee;

  • b.

    Doelgroeppeuters: peuters van 2 jaar en drie maanden tot 4 jaar die in aanmerking komen voor VVE op grond van de, door het college, vastgestelde criteria in de doelgroepdefinitie.

  • c.

    Indicatie VVE: een door de arts van de jeugdgezondheidszorg afgegeven verklaring aan ouder(s) waaruit blijkt dat deelname aan voor- en vroegschoolse educatie (VVE) geïndiceerd is.

  • d.

    Inkomensverklaring: een officiële verklaring van bijvoorbeeld de Belastingdienst met daarin inkomensvergegevens over een bepaald belastingjaar.

  • e.

    Kinderopvang: opvang opgenomen in het LRK volgens de vereisten van de Wet Kinderopvang;

  • f.

    KOT (Kinderopvangtoeslag): de tegemoetkoming van het Rijk (via de belastingdienst) aan ouders bedoeld als gedeeltelijke bijdrage in de kosten voor de kinderopvang.

  • g.

    LRK: Landelijk Register Kinderopvang op grond van artikel 1.47b, eerste lid van de

  • h.

    Wet kinderopvang met gegevens van alle geregistreerde kinderopvangvoorzieningen.

  • i.

    Opvangvoorziening: voorziening waar VE-peuteropvang aangeboden wordt in halve of hele dagen, niet zijndezijnde gastouderopvang of buitenschoolse opvang.

  • j.

    Ouder(s): ouder(s) of verzorger(s) in de zin van de Wet kinderopvang.

  • k.

    Ouderbijdrage: financiële vergoeding die ouders moeten betalen oor de afname van opvang in de peuterperiode. De hoogte van de ouderbijdrage wordt bepaald door de opvangvoorziening.

  • l.

    Ouderverklaring geen recht op kinderopvangtoeslag: een verklaring van ouders waarin staat dat ze geen recht hebben op kinderopvangtoeslag, zoals bedoeld in art. 1.1 van de wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzaalwerk.

  • m.

    Peuteropvang: een opvang, die valt binnen de definitie van de kinderopvang met een aanbod van voorschoolse opvang voor kinderen vanaf 2 jaar en drie maanden tot 4 jaar, bestaande uit 2-5 dagdelen van maximaal 4 uur per dag, met een maximum van 320 uur reguliere opvang per jaar.

  • n.

    SMI: sociaal medische indicatie. Dit is een tijdelijke tegemoetkoming om gezinnen, zonder kinderopvangtoeslag, bij medische problemen te ondersteunen in de kosten voor de kinderopvang.

  • o.

    Voorschoolsce voorzieningen: een opvanglocatie voor kinderen van 0 tot 4 jaar.

  • p.

    VVE: Voor- en Vroegschoolse Educatie; een integraal programma voorschoolse educatie, waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling van peuters van 2 jaar en drie maanden tot 4 jaar wordt gestimuleerd om met succes in te stromen in het basisonderwijs.

  • q.

    VVE-aanbod: Het aanbod is 960 uur over anderhalf jaar per doelgroeppeuter in de leeftijdsperiode 2½ tot 4 jaar. Het komt neer op maximaal 650 uur per jaar. Hierbij mag maximal 6 uur per dag VE meetellen voor deze urennorm. Waar nodig worden de uren gevarieerd naar leeftijd aangeboden. Peuters van 2 jaar en 3 maanden tot 2½ jaar mogen ook deelnemen aan de VE, maar die uren tellen niet mee in de urennorm van totaal 960 uur. De bekostiging valt wel onder deze subsidieverordening.

  • r.

    VVE-methodiek: een programma waarin, aantoonbaar en positief beoordeeld door de GGD, systematisch en samenhangend wordt gewerkt aan de ontwikkeling van kinderen op het gebied van taal, rekenen, motoriek, en de sociaal-emotionele ontwikkeling.

  • s.

    Toeslagouder(s): ouder(s) die recht heeft/hebben op de kinderopvangtoeslag van de rijksoverheid.

  • t.

    Niet-toeslagouder(s): ouder(s) die geen recht heeft/hebben op de kinderopvangtoeslag van het Rijk.

  • u.

    Normtarief: een door de gemeente te bepalen beoogde opbrengst per uur peuteropvang, ook wel de subsidienormprijs genoemd. Het werkelijke uurtarief van de aanbieder kan hiervan afwijken.

  • v.

    Wet IKK: Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang.

Hoofdstuk 2. Doelstellingen

Artikel 2 Algemene subsidieverordening

De voorliggende subsidieverordening is opgesteld voor (kinder)opvangorganisaties die voorschoolse educatie of die kortdurende reguliere kinderopvang aanbieden. Dit is een aanvulling op de Algemene subsidieverordening (Asv) van de gemeente.

Artikel 3 Doelstelling, doelgroep en toepassingsbereik

De doelgroep voor deze subsidieregeling zijn peuters van 2 jaar en 3 maanden tot 4 jaar oud, woonachtig in de gemeente Voorne aan Zee. Subsidie hiervoor wordt aangevraagd door de VE-aanbieders met locaties in de gemeente Voorne aan Zee. Deze subsidieverordening heeft tot doel:

  • 1.

    Het financieel toegankelijk maken van voorschoolse educatie bij de peuteropvang in gemeente Voorne aan Zee voor peuters in de leeftijd van 2 jaar en 3 maanden tot 4 jaar.

  • 2.

    Het toekennen van subsidies voor voorschoolse educatie aan gecertificeerde voorschoolse voorzieningen.

  • 3.

    Ouders stimuleren om hun kind een gecertificeerde voorschoolse voorziening te laten bezoeken en te laten deelnemen aan de voorschoolse educatie.

Artikel 4 Gemeentelijke doelstellingen voor het verstrekken van subsidie aan voorscholen

De activiteiten moeten een bijdrage leveren aan één of meerdere van onderstaande doelstellingen:

  • a.

    Peuters met een VVE-indicatie volgen voorschoolse educatie, dat voldoet aan het ‘Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie’;

  • b.

    Gestreefd wordt naar voldoende opvangaanbod voor peuters (met en zonder VVE-indicatie) en naar een groot bereik en intensieve toeleiding van peuters naar een voorschoolse voorziening;

  • c.

    Het voorkomen, vroegtijdig opsporen en aanpakken van taal- en onderwijsachterstanden bij peuters;

  • d.

    De ontwikkeling van doelgroeppeuters wordt op een gestructureerde en samenhangende wijze gestimuleerd op het gebied van spraak, taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling. Hierdoor wordt de kans vergroot op een start in het basisonderwijs zonder achterstanden. Een goede aansluiting van de voorschool op de basisschool is een voorwaarde om dit te kunnen bereiken.

Hoofdstuk 3. Subsidiemogelijkheden

Artikel 5 Subsidie voor deelname peuters

  • 1.

    Het college kan subsidie verstrekken aan een opvangorganisatie voor:

    • a.

      Reguliere kinderopvang van max. 8 uur per week voor een peuter van niet-toeslagouders (zonder KOT). Er geldt een maximum per kind van 320 uur per jaar voor deze peuters zonder VVE-indicatie;

    • b.

      VVE-kinderopvang (van maximaal 6 uur per dag) voor een peuter van niet-toeslagouders. Er geldt een maximum per kind van 975 uur in de leeftijd van 2½-4 jaar voor geïndiceerde peuters;

    • c.

      VVE-kinderopvang (van maximum 6 uur per dag) voor een peuter van toeslagouders (met KOT). Er geldt een maximum per kind van 975 uur in de leeftijd van 2½-4 jaar voor geïndiceerde peuters.

  • 2.

    De verleende subsidie kan, bij uitzondering, deels ingezet worden om de peuter na de vierde verjaardag langer op de VVE-kinderopvang te laten verblijven. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      Er is sprake van een speciale zorgbehoefte, onderbouwd door een zorgprofessional, waardoor het kind nog niet kan starten op het primair onderwijs;

    • b.

      De mogelijkheid voor de inzet van een Sociaal Medische Indicatie (smi) wordt in kaart gebracht;

    • c.

      De VVE-peuteropvang maakt samen met de ouders, de school en andere betrokken professionals een plan voor het kind;

    • d.

      De gemeente wordt betrokken bij het toepassen van deze uitzondering, waarbij rekening gehouden wordt met het beschikbare budget.

Artikel 6 Subsidie voor pedagogisch coach voor VVE-kinderopvang

Het college kan subsidie verstrekken ten behoeve van certificering van medewerers en de inzet van de VE-coach of pedagogische beleidsmedewerker op de VE-groep, conform het ‘Besluit bassisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie’. Hiervoor gelden de volgende uitganspunten:

  • a.

    Doel: het verhogen van de kwaliteit van het aanbod van voorschoolse educatie.

  • b.

    Norm: inzet pedagogisch beleidsmedewerker voor 10 uur per doelgroeppeuter per locatie per jaar.

  • c.

    Bedrag: per kind met VVE-indicatie geldt een toeslag van € 500,- op jaarbasis voor de inzet van de coach/perdagogisch beleidsmedewerker. Dit is gebaseerd op de norm van 10 uur per kind per jaar.

  • d.

    De norm van 10 uur betreft een rekenregel. Dat betekent dat de werkzaamheden niet één op één zijn terug te brengen op 10 uur per doelgroepkind. Het totaal aantal voorgschreven uren per locatie mag naar eigen inzicht worden ingezet, zolang de inzet gericht is op kwaliteitsverbetering van beroepskrachten en het VE-aanbod waar doelgroeppeuters aan deelnemen.

  • e.

    Profiel: Hbo of Mbo-4 werk- en denkniveau, gelijk aan de eisen zoals gesteld in de Wet IKK en zoals ze zijn uitgewerkt in de CAO Kinderopvang.

Artikel 7 Subsidie voor zorgondersteuning op de VE-groep (korte dagdelen setting)

Het college kan subsidie verlenen ten behoeve van de inzet van zorgondersteuning op de VE-groep. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:

  • a.

    Doel: verhogen van de zorgondersteuning van VE-doelgroepkinderen.

  • b.

    Norm: inzet voor 5 uur per peuter met VVE-indicatie per locatie per jaar (peildatum 1 jan.)

  • c.

    Bedrag: per kind met VVE-indicatie geldt een toeslag van € 250,- per jaar voor de inzet van de coach/ pedagogisch beleidsmedewerker op de groep. Dit is gebaseerd op de norm van 5 uur per jaar.

  • d.

    De norm van 5 uur betreft een rekenregel. Dat betekent dat de werkzaamheden van de pedagogisch beleidsmedewerker niet één op één zijn terug te brengen op 5 uur per doelgroepkind. Het totaal aantal vooregschreven uren per locatie mag naar eigen inzicht worden ingezet, zolang de inzet gericht is op de zorgondersteuning van doelgroeppeuters.

  • e.

    Profiel: Hbo of Mbo-4 werk- en denkniveau.

Artikel 8 Groepssubsidie (korte dagdelen setting)

Het college verleent subsidie aan een opvangorganisatie waarbij VE-groepen bestaan met doelgroeppeuters, zodat de pedagogisch medewerkers extra uren kunnen inzetten voor begeleiding van de doelgroepkinderen en hun ouders.

  • a.

    Doel: extra ondersteuning bieden voor groepen met (verhoudingsgewijs veel) doelgroeppeuters.

  • b.

    Bedrag: de maximum aan te vragen subsidie voor deze VE-groepen is € 8.000,- euro per kalenderjaar voor 4 dagdelen per week. Dit heeft ook betrekking op maatwerk en ondersteuning van VE-locaties in kleine kernen, net opstartende VE-locaties en certificering van personeel.

  • c.

    Aanvullend op lid b wordt een subsidie van maximaal € 5.000,- verstrekt voor 4 dagdelen van maximaal 5,5 uur per week bij meer dan 50% doelgroeppeuters in de VE-groep.

  • d.

    De locatie moet aantonen dat deze het hele jaar als VE-locatie geregistreerd staat in het LRK.

Artikel 9 Subsidie voor VE in kinderopvangsetting (lange dagdelen)

VE-kinderopvangorganisaties in een setting van lange dagdelen van meer dan 5,5 uur per dag kunnen subsidie aanvragen. Er wordt bij deze organisaties niet gewerkt met een vast aantal dagdelen waarop de doelgroepkinderen komen. Hier maken enkel ouders gebruik van mét recht op kinderopvangtoeslag.

  • a.

    Doel: voorschoolse voorzieningen zonder opvang in dagdelen ondersteunen bij het bieden van VE-aanbod aan doelgroeppeuters.

  • b.

    Bedrag: de maximaal aan te vragen subsidie voor dagdelen van meer dan 5,5 uur bedraagt

    € 23.500,- per staffel van acht VVE-peuters, ingeschreven op 1 januari van het subsidiejaar.

Hoofdstuk 4. Subsidieverlening

In art. 5, lid 1, staat benoemd voor welke peuters subsidie aangevraagd kan worden. In dit hoofdstuk wordt dit nader uitgewerkt.

Artikel 10 Aanvraag subsidie reguliere kinderopvang

  • 1.

    Een opvangorganisatie dient voor 10 oktober een subsidieaanvraag in voor het (kalender)jaar daarop.

  • 2.

    Een opvangorganisatie kan subsidie aanvragen voor deelname van een peuter aan reguliere kinderopvang, bestaande uit een aantal dagdelen per week. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      aanbod kinderopvang van maximaal 320 uur per jaar;

    • b.

      ouders zonder rechtop KOT van het Rijk geven de opvangorganisatie (aanbieder) inzicht in het gezamenlijk jaarinkomen. Op basis hiervan wordt de inkomensafhankelijke bijdrage door de aanbieder vastgesteld, conform de tabel ouderbijdragen van de kinderopvangtoeslag. De gemeente subsidieert het overige deel aan de aanbieder, dus het bedrag tussen de ouderbijdrage en het geldende fiscaal maximum voor kinderdagopvang per uur.

    • c.

      ouders betalen de ouderbijdrage aan de opvangorganisatie (aanbieder);

    • d.

      de aanvraag voor subsidie voor ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag betreft het fiscaal maximum van € 10,71 in 2025 minus de gemiddelde ouderbijdrage.

Artikel 11 Gegevens voor de subsidieaanvraag voor reguliere kinderopvang

  • 1.

    De voorschoolse voorziening neemt in de subsidieaanvraag de volgende punten op:

    • a.

      naam en locatie opvangorganisatie;

    • b.

      LRK nummer;

    • c.

      het aantal ouders dat, naar schatting in het nieuwe jaar, wel én dat geen recht heeft op kinderopvangtoeslag voor kinderen die geen VVE-indicatie hebben;

    • d.

      aantal contracturen in rekening gebracht per maand;

    • e.

      aantal maanden dat er een maandfactuur wordt verstuurd in het betreffende jaar: maximaal 12 maanden;

    • f.

      berekening van gevraagde subsidie voor ouders zonder recht op toeslag:

      aantal ouders zonder recht op KOT en zonder VVE-indicatie vermenigvuldigd met het fiscaal maximum, minus de gemiddelde ouderbijdrage, is de bijdrage van de gemeente. Dit vermenigvuldigd met het aantal in het contract overeengekomen uren per jaar is de aangevraagde subsidie.

    • g.

      Het College kan een format beschikbaar stellen voor de aanvraag van deze gegevens (bijlage 1). Ook kan het College een tabel opstellen voor het berekenen van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage voor ouders zonder recht op toeslag.

Artikel 12 Subsidie voor VE-aanbod in de kinderopvang

  • 1.

    Een opvangorganisatie dient voor 10 oktober een subsidieaanvraag in voor het (kalender)jaar daarop.

  • 2.

    Een organisatie voor kinderopvang kan subsidie aanvragen voor deelname van een peuter vanaf 2 jaar en drie maanden aan het VE-aanbod op een locatie in Voorne aan Zee, bestaande uit een aantal dagdelen per week. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      VE-aanbod van minimaal 640 en maximaal 650 uur per jaar;

    • b.

      een dagdeel VE duurt maximaal 4 uur per dag;

    • c.

      ouders betalen alleen een inkomensafhankelijke ouderbijdrage voor de eerste helft VE (eerste 50% ) aan de kinderopvangorganisatie. Voor de eerste helft subsideert de gemeente dus het bedrag tussen de ouderbijdrage en € 13,00 per uur;

    • d.

      de tweede, aanvullende, helft van het VE-aanbod wordt volledig gesubsidieerd door de gemeente (normtarief € 13,00 per uur);

  • 3.

    De subsidienormprijs (het normtarief) VVE peuteropvang wordt jaarlijks door het College vastgesteld. Vanaf januari 2025 is dit vastgesteld op € 13,00 per uur.

  • 4.

    De berekening van de subsidie is als volgt:

    • a.

      De berekening van de aangevraagde subsidie voor ouders met recht op toeslag:

      aantal ouders met recht op KOT voor een kind met VVE-indicatie vermenigvuldigd met het normtarief VE, minus het fiscaal maximum van het betreffende jaar, is de gemeentelijke bijdrage. Dit wordt vermenigvuldigd met de helft van het aantal in het contract overeengekomen uren per jaar en dat is de eerste helft van de aangevraagde subsidie. Er wordt vermenigvuldigd met de helft van het aantal uren per jaar, omdat de tweede helft van VE geheel door de gemeente vergoed wordt. Hiervoor betaalt de gemeente het VE-normtarief aan de aanbieder (tweede helft van subsidie aanvraag).

    • b.

      De berekening van de aangevraagde subsidie voor ouders zonder recht op toeslag:

      aantal ouders zonder recht op KOT en met een VVE-indicatie vermenigvuldigd met het normtarief VE, minus de gemiddelde ouderbijdrage, is de gemeentelijke bijdrage. Dit wordt vermenigvuldigd met de helft van het aantal in het contract overeengekomen uren per jaar en dat is de eerste helft van de aangevraagde subsidie. Er wordt vermenigvuldigd met de helft van het aantal uren per jaar, omdat de tweede helft van VE geheel door de gemeente vergoed wordt. Hiervoor betaalt de gemeente het VE-normtarief aan de aanbieder (tweede helft van subsidie aanvraag).

Artikel 13 Hoogte ouderbijdrage voor deelname aan VE-aanbod

  • 1.

    Voor ouders die wel in aanmerking komen voor KOT van het Rijk geldt het volgende:

    • a.

      ouders betalen voor de eerste 50% van het VE-aanbod het fiscaal maximum van de kinderopvangtoeslag. Dit maximum wordt jaarlijks vastgesteld door het Rijk en in 2025 is dit € 10,71 per uur. De ouders krijgen een inkomensafhankelijke teruggave van de Belastingdienst en vragen dit zelf daar aan;

    • b.

      de ouders betalen voor de tweede 50%, dus de tweede helft van het totaal aantal VE-uren, niets. De gemeente subsidieert dit aan de kinderopvangorganisatie (aanbieder).

  • 2.

    Voor ouders die niet in aanmerking komen voor KOT van het Rijk geldt het volgende:

    • a.

      ouders betalen voor de eerste 50%, dus de eerste helft van het totaal aantal VE-uren, een ouderbijdrage per uur conform de inkomensafhankelijke tabel ouderbijdragen voor de kinderopvangtoeslag. Deze wordt jaarlijks vastgesteld door het Rijk. De kinderopvangorganisatie stelt, op basis van de door ouders ingediende inkomstenopgaves, de hoogte van de ouderbijdrage vast.

    • b.

      de ouders betalen voor de tweede 50%, dus de tweede helft van het totaal aantal VE-uren, niets. De gemeente subsidieert dit aan de kinderopvangorganisatie (aanbieder).

  • 3.

    Ouders met een inkomen tot 120% van het minimum inkomen betalen netto geen ouderbijdrage voor de kinderopvang. Dit wordt door de gemeente gecompenseerd. Ouders betalen eerst de ouderbij-drage, zoals in lid 1 en 2 is beschreven en vragen daarvoor bijzondere bijstand aan bij de gemeente.

Artikel 14 Gegevens voor de subsidieaanvraag VE-aanbod

  • 1.

    De voorschoolse voorziening neemt in de subsidieaanvraag de volgende punten op:

    • a.

      naam en locatie peuteropvang;

    • b.

      LRK-nummer;

    • c.

      het aantal ouders dat, naar schatting in het nieuwe jaar, wel én dat geen recht heeft op kinderopvang voor kinderen met een VVE-indicatie;

    • d.

      aantal contracturen in rekening gebracht per maand aantal maanden dat er een maandfactuur wordt verstuurd in het betreffende jaar: maximaal 12 maanden;

    • e.

      de berekening van de aangevraagde subsidies per kalenderjaar.

  • 2.

    Het College kan een format beschikbaar stellen voor de aanvraag van deze gegevens (bijlage 1). Ook kan het College een tabel opstellen voor het correct berekenen van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage voor VVE-ouders zonder recht op toeslag.

Artikel 15 Toetsing recht op een gesubsidieerde peuterplaats

  • 1.

    Voor het toetsen of een peuter in aanmerking komt voor een gesubsidieerde reguliere peuterplaats dient de kinderopvangorganisatie vast te stellen of ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag van het Rijk. Dit gebeurt door de Verklaring geen recht op kinderopvangtoeslag in combinatie met een inkomensverklaring van beide ouders.

  • 2.

    De kinderopvangorganisatie houdt een administratie bij van de documenten aan de hand waarvan de toetsing ‘recht op subsidie’ is gedaan, en van de bevindingen van deze toetsing (steekproefsgewijze controle).

Artikel 16 Voorwaarden voor uitvoering reguliere peuteropvang of VVE kinderopvang

  • 1.

    Voor reguliere kinderopvang dienen organisaties te voldoen aan de wettelijke vereisten en criteria van de Wet OKE, de WPO en de Wet kinderopvang.

  • 2.

    Voor de VVE-kinderopvang dienen organisaties te voldoen aan de wettelijke vereisten en criteria van de Wet OKE, de WPO, de Wet kinderopvang, het Besluit Basisvoorwaarden Kwaliteit Voorschoolse Educatie en het gemeentelijke beleid voor de voorschoolse educatie.

  • 3.

    Indien ouders minder uren afnemen dan in contract is overeengekomen, gaan aanbieders met ouders hierover in gesprek. Bij voortdurend lager aantal afgenomen uren dan contract, past de aanbieder het contract aan volgens het werkelijk aantal afgenomen uren.

Artikel 17 Indexering

De genoemde subiside(norm)bedragen in deze verordening worden voor 2026 geindexeerd door het college.

Hoofdstuk 5. De subsidiebetaling en -vaststelling

Artikel 18 Uitbetaling

De verleende subsidies worden in zijn geheel (in één keer) overgemaakt naar de opvangorganisaties in januari van het subsidiejaar.

Artikel 19 Vaststelling

  • 1.

    De organisatie die subsidie heeft ontvangen levert uiterlijk op 1 mei van het erop volgende jaar een verzoek tot verantwoording in met een eindrapportage (inhoudelijk en financieel verslag).

  • 2.

    In de eindrapportage is in ieder geval opgenomen: Het aantal peuters, met hun postcode en woonplaats, dat per opvanglocatie in het afgelopen jaar is opgevangen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in de 3 categorieën, genoemd in art. 5, lid a.

  • 3.

    Ook geeft de organisatie die subsidie ontvangt inzicht in de manier waarop de ouderbetrokkenheid georganiseerd werd, de warme overdracht plaatsvond en de resultaten van VVE gemonitord zijn.

  • 4.

    Bij het jaarverslag is tevens een accountantsverklaring bijgevoegd.

  • 5.

    Het college stelt op basis van de ingediende verantwoording de definitieve subsidie vast binnen een termijn van 13 weken.

Hoofdstuk 6. Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 20 Citeertitel

Deze subsidieregeling wordt aangehaald als "Subsidieverordening peuteropvang en voorschoolse educatie Voorne aan Zee 2025-2026".

Artikel 21 Aanvullende beleidsregels en hardheidsclausule

  • 1.

    Het college treft de nodige maatregelen of neemt de nodige besluiten in gevallen waarin deze verordening niet voorziet.

  • 2.

    Het college kan aanvullende beleidsregels vaststellen met betrekking tot de uitvoering van deze subsidieverordening.

  • 3.

    Het college kan, in bijzondere gevallen, van één of meer artikelen van deze verordening afwijken als het daaraan vasthouden voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen.

  • 4.

    De toepassing van de vorige leden wordt gemotiveerd in het besluit.

Artikel 22 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze ‘Subsidieverordening peuteropvang en voorschoolse educatie Voorne aan Zee’ treedt in werking op 1 januari 2025 en loopt tot 31 december 2026.

  • 2.

    De ‘Subsidieverordening peuteropvang en voorschoolse educatie 2020’ van de gemeente Westvoorne wordt ingetrokken per 1 januari 2025.

  • 3.

    De ‘Verordeing subsidie peutropvang en voorschoolse educatie 2020’ van de gemeente Brielle wordt ingetrokken per 1 januari 2025.

  • 4.

    Deze verordening is van toepassing op de subsidieaanvragen voor 2025, ook aanvragen die vóór de ingangsdatum door de gemeente ontvangen worden.

Naar boven