Gemeenteblad van Eindhoven
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Eindhoven | Gemeenteblad 2025, 403508 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Eindhoven | Gemeenteblad 2025, 403508 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zestiende wijziging APV Eindhoven
De APV Eindhoven wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 1:6 aanhef en lid 1 worden aangevuld met de mogelijkheid tot schorsing:
Artikel 1:6 Intrekking, schorsing of wijziging van vergunning of ontheffing
1.De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken, geschorst, of gewijzigd:
a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;
e. indien de houder of de rechtverkrijgende dit verzoekt;
f. indien de houder, rechtverkrijgende, leidinggevende of beheerder van slecht levensgedrag is; of
g. indien de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie.
Artikel 2:10 Gebruik van of voorwerpen op, aan, onder of boven de weg
1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders de weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
2. Geen vergunning is vereist voor de door burgemeester en wethouders aan te wijzen categorieën en gevallen onder de door hen te stellen voorwaarden.
3. Behalve op de gronden genoemd in artikel 1:8, kan de vergunning worden geweigerd:
a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, of een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
b. als het beoogde gebruik op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
c. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
4. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de openbare orde, de volksgezondheid, de woon- en leefomgeving of de bescherming van het milieu nadere regels stellen ten aanzien van laadpalen, uitstallingen en reclameborden.
5. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam uitvoering wordt gegeven aan een publieke taak.
6. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester de weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
2. Geen vergunning is vereist voor de door de burgemeester aan te wijzen categorieën en gevallen onder de door hen te stellen voorwaarden.
3. Behalve op de gronden genoemd in artikel 1:8, kan de vergunning worden geweigerd:
a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, of een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
b. als het beoogde gebruik op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
c. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
4. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de volksgezondheid, de woon- en leefomgeving of de bescherming van het milieu nadere regels stellen ten aanzien van terrassen.
5. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam uitvoering wordt gegeven aan een publieke taak.
6. Het is verboden een terras voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de vergunning ter plaatse aanwezig is.
7. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:24 lid 1 sub b komt te luiden:
schouwburg-, muziek- of theatervoorstellingen die plaatsvinden in een locatie waarop milieubelastende activiteiten worden verricht als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet en die zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving en/of waarop de afdeling 22.3 van het Omgevingsplan van toepassing is;
Artikel 2:25 Evenementenvergunning
1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2. Onverminderd artikel 1:8 weigert de burgemeester de evenementenvergunning bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, als de organisator van dat evenement in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
3. Daarnaast kan de burgemeester een evenementenvergunning weigeren indien:
a. onevenredig veel beslag wordt gelegd op de hulpdiensten,
b. de persoon van de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop voor het evenement,
c. in de door de burgemeester en wethouders vastgestelde reserveringskalender evenementen al een reservering is opgenomen voor een ander evenement op de gevraagde tijd, locatie of in de directe nabijheid daarvan, of;
d. de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie of het evenement niet voldoet aan het locatieprofiel dat het college voor die locatie heeft vastgesteld.
4. Het college stelt nadere regels vast met betrekking tot de procedure, voorwaarden en criteria voor plaatsing op de reserveringskalender evenementen.
5. Het verbod geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994 en de Omgevingsverordening Noord-Brabant 2010.
6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
7. Bij de indiening van een vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
1. Het is verboden een openbare inrichting geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven tussen 02:00 uur en 08:00 uur.
2. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar het verbod uit het eerste lid niet geldt.
3. Het verbod uit het eerste lid geldt voor andere gebieden dan aangewezen in het tweede lid niet:
a. op nieuwjaarsdag, mits de openbare inrichting op dat moment niet gesloten hoeft te zijn op grond van de Omgevingswet, de Opiumwet, de Gemeentewet of artikel 2:40a.
b. tussen 06.00 uur en 08.00 uur in verband met het serveren van een alcoholvrij ontbijt.
4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.
5. De burgemeester kan bepalen dat een inrichting, al dan niet tijdelijk, tussen 02.00 uur en 06.00 uur voor publiek gesloten dient te zijn in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid, gezondheid of van het woon- en leefmilieu.
6. Het verbod geldt niet voor openbare inrichtingen die zijn genoemd in artikel 2:28 lid 3 onder b. Voor een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 2:28, derde lid onder b eerste gedachtestreepje gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.
7. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin is voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
8. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:30 lid 3 komt te luiden:
Artikel 2:30 Aanwezigheid leidinggevende
3. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester dat een persoon als leidinggevende dient te worden bijgeschreven op de vergunning alsmede als deze uit de vergunning moet worden geschrapt. De melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel behorende bij de vergunning.
Artikel 2:34 c komt te luiden:
Artikel 2:34c Indeling paracommerciële rechtspersonen
Paracommerciële rechtspersonen worden onderverdeeld naar aard, te weten:
a. paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sportieve of recreatieve aard;
b. paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sociaal-culturele aard;
c. paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van levensbeschouwelijke of godsdienstige aard;
d. paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sociaal-educatieve aard, waaronder mede worden verstaan studentenverenigingen en studieverenigingen.
Artikel 2:34j Bepalingen paracommerciële rechtspersonen van verzorgende aard (vervallen)
Artikel 2:40 a lid 5 komt te luiden:
Artikel 2:40a Bevel tijdelijke sluiting of sluitingstijden of maatregelen treffen
5. De burgemeester kan een of meer openbare bekendmakingen van het bevel laten aanbrengen bij de toegang. Het is verboden dat te beletten of te belemmeren. De rechthebbende moet ervoor zorgen dat die daar tijdens de geldingsduur aanwezig blijven.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik
1. Het is verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke of drinkgerei van welke aard dan ook met alcoholhoudende drank bij zich te hebben, als dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins overlast veroorzaken.
2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke of drinkgerei van welke aard dan ook met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
3. Het verbod is niet van toepassing op:
a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Artikel 2:48a – Verbod op (gevaarlijk) drinkgerei en verpakkingen
1. De houder van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 is verplicht zodanige maatregelen te nemen dat bezoekers van zijn inrichting geen drinkgerei van glas, verpakkingen bestemd voor drank van glas buiten de inrichting en het daarbij behorende terras te brengen.
2. Het is verboden op de weg of een andere door de burgemeester aangewezen openbare plaats, binnen een door de burgemeester vastgestelde periode, drinkgerei of verpakkingen van glas, blik of voor eenmalig gebruik bestemd (wegwerp)plastic, kennelijk bestemd voor het bewaren van dranken, bij zich te hebben of met zich mee te voeren.
3. Het is verboden om in een door de burgemeester aangewezen gebied en gedurende een door de burgemeester vastgestelde periode dranken te verstrekken in drinkgerei of verpakkingen van glas, blik of voor eenmalig gebruik bestemd (wegwerp)plastic, vanuit:
a. een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27;
b. een plaats waarvoor een ontheffing geldt op grond van artikel 35 van de Alcoholwet;
c. winkels, warenhuizen en andere locaties en ruimten als bedoeld in artikel 18, tweede lid, en/of artikel 19, tweede lid, onder a, van de Alcoholwet;
d. een locatie waarvoor een standplaatsvergunning is verleend.
4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot dit artikel, waaronder regels over herbruikbare statiegeldbekers.
5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de verboden in dit artikel. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 2:48 b, c en d vervallen:
Artikel 2:48b Glas-, blik- of (wegwerp)plastic verbod horeca (vervallen)
Artikel 2:48c Glas-, blik- of (wegwerp)plastic verbod op wegen (vervallen)
Artikel 2:48d Nadere regels (vervallen)
Artikel 2:52a Hinder door bromfietsen e.d.
Het is verboden buiten een locatie waarop milieubelastende activiteiten worden verricht als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet en die zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving en/of waarop de afdeling 22.3 van het Omgevingsplan van toepassing is, zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving hinder ontstaat.
Artikel 2:52c Aanbieden van deelvoertuigen op of aan de weg of het openbaar water
1. Het is verboden zonder concessieovereenkomst van de Gemeente Eindhoven deelvoertuigen, zoals bedoeld in artikel 1:1, die op of aan de weg staan ter gebruik aan derden aan te bieden.
2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen voor het experimenteren met vormen van deelvervoer. Een experiment is een tijdelijke proef met een maximale tijdsduur van één jaar. Indien een experiment als vast onderdeel van de APV of andere verordening kan worden opgenomen doen Burgemeester en wethouders daartoe een voorstel aan de gemeenteraad. Burgemeester en wethouders informeren de gemeenteraad over het aangaan van een experiment.
Artikel 2:60, eerste lid, aanhef, komt te luiden:
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
1.Het is verboden op door burgemeester en wethouders ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een locatie waarop milieubelastende activiteiten worden verricht als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet en die zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving en/of waarop de afdeling 22.3 van het Omgevingsplan van toepassing is, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
Artikel 2:64a Hinder door dieren
Het is degene die, buiten een locatie waarop milieubelastende activiteiten worden verricht als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet en die zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving en/of waarop de afdeling 22.3 van het Omgevingsplan van toepassing is, de zorg heeft voor een dier, verboden dat dier voor een omwonende of overigens voor de omgeving hinder te laten veroorzaken.
Artikel 2:80 Exploitatieplicht: Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
a. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2:28 of 3.2.1;
b. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.
2. De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan alsmede ter voorkoming van ondermijning, bedrijfsmatige activiteiten, gebouwen, bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Bij een aanwijzingsbesluit (en bij een verlenging hiervan) wordt een maximale termijn van 5 jaar gehanteerd waarbij verlenging van deze termijn alleen aan de orde is als uit een evaluatie blijkt dat de aanwijzing nog nodig is.
3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied.
4. De burgemeester kan in het aanwijzingsbesluit als bedoeld in het tweede en derde lid bepalen dat er gedurende de openingstijden van de bedrijfsmatige activiteit een leidinggevende aanwezig is.
Artikel 2:80a Aanvragen exploitatievergunning
1. De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier waarop de noodzakelijk door de aanvrager over te leggen gegevens zijn aangegeven. Dit formulier maakt onlosmakelijk deel uit van de vergunning.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:
a. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
b. als de exploitant, beheerder of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
c. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
d. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
e. als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer;
f. Als niet wordt voldaan aan specifieke voorwaarden die zijn opgenomen in het aanwijzingsbesluit.
Artikel 2:80b Wijzigen exploitatievergunning
De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een maand, aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet.
Artikel 2:80c Intrekken, schorsen of wijzigen exploitatievergunning
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken, schorsen of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat:
a. de exploitant, beheerder of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
b. de exploitant betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
c. er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;
d. er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
e. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of
f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.
Artikel 2:80d Sluiten van het pand
1. Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning of het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in artikel 2:80c van toepassing is, kan de burgemeester een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.
2. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf.
3. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
4. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin of daarop te verblijven.
5. De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
Artikel 2:80e Overige bepalingen
1. In afwijking van artikel 2:80 derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning.
2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
In artikel 4:1 worden navolgende begripsbepalingen aangepast:
In deze afdeling wordt verstaan onder:
collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal locaties is verbonden;
milieubelastende activiteit: milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet en die is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving en/of waarop de afdeling 22.3 van het Omgevingsplan van toepassing is.
Artikel 4:2 Collectieve en incidentele festiviteiten
1.De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 22.45 en 22.63 tot en met 22.71 van het Omgevingsplan gelden niet voor horeca-, recreatie- of sportlocaties tijdens de volgende collectieve festiviteiten:
a. carnavalsvrijdag tot en met carnavalsdinsdag;
c. koningsdag tot uiterlijk 24.00 uur;
f. de jaarwisseling vanaf 17.00 uur tot 12.00 uur op 1 januari.
2. Het is op een locatie, niet zijnde een horeca-, recreatie- of sportlocatie, toegestaan maximaal twee incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 22.45 en 22.63 tot en met 22.71 van het Omgevingsplan niet van toepassing zijn, mits de houder van de locatie ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld.
3. Het is op een horeca-, recreatie- en sportlocatie, toegestaan maximaal vijf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de artikelen 22.45 en 22.63 tot en met 22.71 van het Omgevingsplan niet van toepassing zijn, mits de houder van de locatie ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld.
4. Het derde lid geldt niet voor een horeca- en recreatie- locatie die is gelegen aan het Begijnenhof, het Catharinaplein (gevestigd in het Catharinahuis), de Molenstraat, het Stratumseind, de Stratumsedijk (het gedeelte tussen het Stratumseind en de Bilderdijklaan), de Oude Stadsgracht.
5. Naast het gestelde in het eerste lid en in afwijking van het derde lid is het een horeca-, recreatie- en sportlocatie binnen het gebied Strijp-S, zijnde het gebied dat wordt begrensd door de Beukenlaan, het spoor, de Glaslaan, de Kastanjelaan en Schootsestraat, met uitzondering van deze wegen, toegestaan maximaal tien incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden, mits de houder van de locatie ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld.
6. Naast het gestelde in het eerste lid en in afwijking van het derde lid is het een locatie voor het houden van muziekvoorstellingen in de openlucht in het Stadswandelpark, toegestaan maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden, mits de houder van de locatie ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld.
7. Het is op een sport- en recreatielocatie toegestaan om tijdens maximaal vijf incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sport- of recreatieactiviteiten waarbij artikel 22.239, eerste lid, van het Omgevingsplan niet van toepassing is, mits de houder van de locatie ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld.
8. Aan de kennisgevingsplicht, bedoeld in het tweede, derde, vijfde en zesde lid, is voldaan wanneer het daartoe door burgemeester en wethouders vastgestelde formulier volledig en naar waarheid is ingevuld en tijdig is ingeleverd.
9. Het gestelde in het tweede, derde en vijfde lid geldt slechts voor zover wordt voldaan aan de door burgemeester en wethouders ter voorkoming van geluidshinder te stellen voorwaarden.
10.Op deze procedure is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 4:3 Tijden vrijstelling van de geluidsnormen
1.Vrijstelling van de geluidsnormen van de artikelen 22.45 en 22.63 tot en met 22.71 uit het Omgevingsplan tijdens incidentele en collectieve festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2, kan verkregen worden vanaf 08:00 uur in de ochtend tot uiterlijk 02:00 uur de volgende dag, tenzij anders vermeld.
2. In afwijking van het eerste lid geldt de vrijstelling van de geluidsnormen van de artikelen 22.45 en 22.63 tot en met 22.71 uit het Omgevingsplan tijdens incidentele en collectieve festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 tot uiterlijk 04:00 uur van de volgende dag, indien deze plaatsvinden bij een horeca-, recreatie- of sportlocatie, op vrijdag en zaterdag en tijdens de volgende feestdagen (Carnavalsdagen, Eerste Paasdag, Koningsnacht, Hemelvaart, Eerste Pinksterdag, Kerstavond en Tweede Kerstdag), en deze locatie is gelegen:
a.in het gebied centrum, zijnde het gebied dat wordt begrensd door de Emmasingel, de Keizersgracht, de Wal, de P.C. Hooftlaan, de Hertogstraat, de Vestdijk en het 18 Septemberplein, inclusief de locaties die aan deze wegen zijn gelegen, met uitzondering van de locaties die zijn gelegen in het gebied ‘de Bergen’ (CBS wijkcode 112);
d. in het gebied Strijp S, zijnde het gebied dat wordt begrensd door de Beukenlaan, het spoor, de Glaslaan, de Kastanjelaan en Schootsestraat, met uitzondering van de locaties die gelegen zijn aan deze wegen.
3. In afwijking van het eerste lid geldt de vrijstelling van de geluidsnormen van de artikelen 22.45 en 22.63 tot en met 22.71 uit het Omgevingsplan tijdens incidentele en collectieve festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 tot uiterlijk 07:00 uur de volgende dag, wanneer aan de hieronder beschreven voorwaarden wordt voldaan:
a. maximaal 10 keer per jaar voor de locatie gelegen aan het Klokgebouw 50, mits de houder van de locatie minstens twee weken voor de aanvang van de festiviteit, zowel collectief als incidenteel, burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld;
b. op carnavalszaterdag en koningsnacht en daarnaast nog maximaal 5 keer per jaar voor de locatie gelegen aan de Lardinoisstraat 8, mits de houder van de locatie minstens twee weken voor de aanvang van de festiviteit, zowel collectief als incidenteel, burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld.
4. In afwijking van het eerste lid gelden onderstaande voorwaarden voor de vrijstelling van de geluidsnormen van de artikelen 22.45 en 22.63 tot en met 22.71 uit het Omgevingsplan tijdens incidentele en collectieve festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 voor de locatie als bedoeld in artikel 4:2, lid 6:
a. tijdens collectieve festiviteiten kunnen, naast reguliere (muziek)voorstellingen tot uiterlijk 23:00 uur, (grootschalige) evenementen worden georganiseerd, onder de voorwaarden zoals beschreven in het locatieprofiel evenementen Stadwandelpark;
b. per kalenderjaar mogen maximaal 5 incidentele festiviteiten gebruikt worden voor het houden van (grootschalige) evenementen, zoals beschreven in het locatieprofiel evenementen Stadwandelpark;
c. per kalenderjaar mogen maximaal 7 incidentele festiviteiten worden gebruikt voor culturele activiteiten op een zondagmiddag (12:00 tot 18:00 uur), waarbij het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, afkomstig van muziek of omroepgeluid, gemeten volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, uitgave 1999, en beoordeeld volgens deze handleiding, ter plaatse van de gevels van gevoelige objecten van derden maximaal 60 dB(A) en 75 dB(C) bedraagt. In afwijking van voornoemde handleiding wordt de bedrijfsduurcorrectie niet toegepast en is de straffactor van 10 dB vanwege de herkenbaarheid van het muziekgeluid niet van toepassing.
5. Aan de kennisgevingsplicht, bedoeld in het derde lid, is voldaan wanneer het daartoe door burgemeester en wethouders vastgestelde formulier volledig en naar waarheid is ingevuld en tijdig is ingeleverd.
Artikel 4:13, eerste lid, aanhef, komt te luiden:
Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.
1.Het is verboden buiten een locatie waarop milieubelastende activiteiten worden verricht als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet en die zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving en/of waarop de afdeling 22.3 van het Omgevingsplan van toepassing is, in de open lucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:
Artikel 5:18, vierde lid, komt te luiden:
4. Burgemeester en wethouders kunnen van dit verbod ontheffing verlenen;
Artikel 5:34, eerste lid, komt te luiden:
Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten locaties of anderszins vuur te stoken
1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een locatie waarop milieubelastende activiteiten worden verricht als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet en die zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving en/of waarop de afdeling 22.3 van het Omgevingsplan van toepassing is, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de 8e dag na de datum van uitgifte van het Gemeenteblad waarin het wordt geplaatst.
2. In afwijking van het eerste lid, treedt artikel 2:52c op 20 februari 2026 in werking.
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Phasellus feugiat enim ac diam posuere vulputate. Pellentesque habitant morbi tristique senectus et netus et malesuada fames ac turpis egestas. Cras fringilla volutpat ipsum.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-403508.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.