Gedragscode burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder 2024

De raad van de gemeente Noordoostpolder,

 

gelezen het voorstel van burgemeester en griffier van 7 maart 2024, no. b24.00131;

 

gelet op artikel artikel 15, derde lid; artikel 41c, tweede lid en art. 69, tweede lid, van de Gemeentewet.

 

B E S L U I T:

 

In te trekken:

  • 1.

    Gedragscode integriteit burgemeester en wethouders Noordoostpolder 2021

Vast te stellen:

  • 1.

    De gedragscode burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder 2024

1. Inleiding

Goed bestuur is integer bestuur. Maar wat is nu precies integer bestuur? Op die vraag is geen eenduidig antwoord te geven. We geven hier allemaal net een andere invulling aan. Duidelijk is wel dat integriteit een individuele én gezamenlijke verantwoordelijkheid is. Daarnaast verandert de invulling ervan continue. Met deze gedragscode proberen we grip te krijgen op het begrip integriteit.

 

De Gemeentewet verplicht de gemeenteraad om voor zichzelf en voor de bestuurders een gedragscode vast te stellen. Recent is vanuit BZK een Handboek integriteit verschenen. We zijn van mening dat dit een heel gedegen document is, maar wel tamelijk omvangrijk. We hebben ervoor gekozen om de meest relevante aspecten in deze gedragscode op te nemen.

 

Aanvullend op de wettelijke regels die gelden voor politieke ambtsdragers, bevat de gedragscode een aantal materiële normen waaraan de politieke ambtsdragers zich committeren. De burgemeester heeft de wettelijke taak om de bestuurlijke integriteit van zijn gemeente te bevorderen. Hiermee is de verantwoordelijkheid voor de portefeuille ‘integriteit’ duidelijk belegd.

 

De wettelijke bepalingen bieden de ruimte om naar gelang de situatie handelend op te treden, waarbij niet alleen gedacht moet worden aan het optreden bij incidenten.

 

Belangrijk onderdeel is ook de preventie: ervoor te zorgen dat integriteit en integriteitsbewustzijn in de bestuurlijke gremia een plek krijgen en daarbij afspraken te maken over een regelmatige bespreking van het thema integriteit.

 

1.1 Meerdere perspectieven op integriteit

Dat doen we door in de gedragscode een onderscheid te maken tussen het juridische en het moreel-ethische perspectief op integriteit.

 

Het juridische perspectief is statisch en komt tot uiting in een deel van de normen die in de gedragscode zijn opgenomen. Deze normen vinden grotendeels hun oorsprong in wettelijke bepalingen.

 

Het moreel-ethisch perspectief op integriteit is dynamisch. Opvattingen over moraliteit veranderen namelijk in de loop van de tijd. Dat betekent dat collegeleden regelmatig met elkaar bespreken wat ‘integriteit’ en ‘integer bestuur’ voor hen inhouden. Dit betekent ook dat er in deze gedragscode afspraken staan over hoe te handelen in het geval van een dilemma of mogelijke schending.

 

Onze gezamenlijke (raad, college, directie en griffie) opvattingen over moraliteit leiden ook tot enkele aanvullende afspraken over gedrag. Integriteit is voor ons namelijk niet alleen een kwestie van (het respecteren van) wettelijke normen, maar ziet ook op ons gedrag en de onderlinge omgangsvormen binnen en buiten de gemeenteraad. Het draait in onze ogen om een respectvolle omgang met inwoners en organisaties, tussen politieke ambtsdragers en medewerkers en tussen politieke ambtsdragers onderling. Een omgang die vrij is van ongewenste omgangsvormen en die bijdraagt aan een veilig werk- en bestuursklimaat.

 

Tegelijkertijd moeten wij ervoor waken dat we integriteit (in het politieke debat) niet te breed oprekken en verwarren met politieke stijl en inhoudelijke voorkeuren. Integritisme1 en de inzet van integriteit als politiek wapen liggen dan op de loer.

 

1.2 De belangrijkste wettelijk vastgelegde integriteitsnormen (juridisch perspectief)

  • 1.

    Afleggen eed of belofte (artikelen 41a en 65 Gemeentewet).

  • 2.

    Persoonlijke belangen en beïnvloeding besluitvorming (artikel 58 jo artikel 28 Gemeentewet en artikel 2:4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht).

  • 3.

    Incompatibiliteiten en nevenfuncties:

    • Verboden overeenkomsten/handelingen (artikelen 41c, eerste lid, en 69, eerste lid, jo artikel 15, eerste en tweede lid, Gemeentewet).

    • Onverenigbaarheid van functies (artikelen 36b en 68 Gemeentewet en bij overtredeing van de compatibiliteitenregeling (artikelen 46, tweede lid, en 47 Gemeentewet).

    • Vervulling en openbaarmaking nevenfuncties en de (verrekeing van) de inkomsten daaruit (artikelen 41b, 44, 66 en 67 Gemeentewet).

1.3 Een glazen huis (moreel-ethisch perspectief)

Politieke ambtsdragers beseffen dat ze in een glazen huis leven. Tegelijkertijd zijn ze ook gewoon inwoner van de gemeente en gelden voor ons dezelfde regels en rechten als voor iedere andere inwoner. Leven als een onkreukbaar persoon is geen realistische verwachting. Evenwel zitten er grenzen aan hun gedrag. Er wordt van hen, meer dan van andere burgers, verwacht van onbesproken gedrag te zijn. Ze zijn zich bewust van deze voorbeeldfunctie en ze vertonen binnen en buiten het gemeentehuis fatsoenlijk gedrag. Ze onthouden zich van gedragingen die de goede uitoefening of het aanzien van hun ambt als representatieve bestuurder schaden.

 

Bestuurders hebben in de eerste plaats zelf een verantwoordelijkheid op het gebied van integriteit. Het bestuur besluit onder meer over het verlenen van subsidies en het verstrekken van vergunningen. Daarbij dienen zij een gelijk speelveld te creëren en belangenverstrengeling te voorkomen.

 

Bestuurders opereren in diverse lokale en regionale netwerken. Dit is van belang om voeling te houden met de maatschappij waarvoor ze het doen. Tegelijkertijd zijn zij zich bewust van de invloeden die van deze netwerken uitgaan en gaan ze hier op een zo integer mogelijke manier mee om. Dat wil zeggen dat ze transparant zijn over hun belangen en contacten en dat ze voorkomen dat besluitvorming wordt beïnvloed door persoonlijke belangen. Voor bestuurders zijn verschillende integriteitsnormen van belang, die bepalen hoe zij zich dienen te gedragen in hun hoedanigheid van bestuurder. Deze zijn zowel te vinden in de wetgeving als in een (wettelijk verplichte) gedragscode als deze, vastgesteld door de gemeenteraad.

 

1.4 Ondermijning

Ook zijn we ons bewust van de gevaren van ondermijning. Criminelen kunnen proberen op kies- of voordrachtslijsten terecht te komen of op een andere manier de besluitvorming te beïnvloeden. Door het hier te benoemen dragen we bij aan de bewustwording omtrent dit fenomeen, en stimuleren we om signalen van ondermijning te herkennen en om deze signalen te melden.

 

1.5 De gedragscode

De volksvertegenwoordiging stelt verplicht een gedragscode integriteit vast voor zijn leden, voor bestuurders en voor de kroonbenoemde. De inhoud daarvan is vrijgelaten – artikel 15, lid 3, 41c, lid 2, en 69, lid 2, Gemeentewet.

 

Het rechtskarakter van deze gedragscode is dat van een interne regeling. Het niet naleven van de gedragscode heeft geen rechtsgevolgen, behoudens de onder 1.2 genoemde wettelijke kaders. Dit betekent dat sprake is van zelfbinding. Dat maakt de gedragscode echter niet vrijblijvend. We hebben als burgemeester en wethouders de verantwoordelijkheid ten opzichte van elkaar en de inwoner om conform de gedragscode te handelen. Daarnaast hebben we de verantwoordelijkheid elkaar aan te spreken op gedrag dat niet in lijn is met de gedragscode. Als we er niet uitkomen stappen we naar de burgemeester of, in geval van de burgemeester, naar de commissaris.

 

Met deze gedragscode geven we nader invulling aan het begrip integriteit. Dat doen we door het opnemen van waarden, normen en afspraken over hoe integriteit levend te houden en procedures voor het geval er sprake is van een dilemma of wanneer integriteit echt in het gedrang komt. Wij zijn ons ervan bewust dat we er met deze gedragscode niet zijn. Individueel en gezamenlijk hebben we de verantwoordelijkheid deze gedragscode levend te houden en bij te dragen aan een ‘integer bestuur’ van Noordoostpolder.

 

Deze gedragscode geldt voor de burgemeester en de wethouders, maar richt zich ook tot de onderscheiden bestuursorganen, te weten het college van B&W en de burgemeester.

 

De gedragscode is openbaar en voor iedereen digitaal beschikbaar.

2. Kernwaarden integriteit

De gedragscode is een interne regeling in aanvulling op wettelijke regels. Deze gedragscode richt zich, naast de wettelijke regels, met name op bepalingen over omgangsvormen binnen en buiten het gemeentebestuur en op processtappen die gevolgd kunnen worden indien de integriteit mogelijk in het gedrang is. De nadruk in deze gedragscode ligt op de praktische aanpak van integriteit en niet op het juridisch uitputtend afkaderen van integriteit. Dat vereist van het gemeentebestuur dat een aantal kernbegrippen in het handelen leidend zijn.

 

2.1 Onafhankelijkheid

Het handelen als gemeentebestuur, individueel en gezamenlijk, is altijd en volledig gericht op het gemeentelijk belang. Dit doen we vanuit onze eigen waarden en overtuigingen en op onze eigen manier, maar altijd ‘zonder last’. Wij handelen niet uit eigen persoonlijke belangen en laten ons niet leiden door individuele belangen van inwoners of anderen. Bovendien doen we dit in alle openheid en zijn we altijd bereid verantwoording af te leggen over de keuzes die we maken.

 

2.2 Functionaliteit

Het handelen van het gemeentebestuur heeft een herkenbaar verband met de functie van gemeentebestuurder. Dat betekent dat wij de belangen van de gemeente, met haar inwoners, bedrijven, maatschappelijke instellingen en andere samenwerkingspartners, dienen, maar ons niet laten leiden door individuele belangen.

 

2.3 Respect

Wij gaan op een respectvolle manier om met de inwoners, raads- en commissieleden, organisatie en medewerkers van de gemeente en met elkaar. We hebben een voorbeeldfunctie en zijn ons daarvan bewust. We beseffen ons dat we het regelmatig niet met elkaar eens zijn, maar we respecteren onderlinge verschillen, laten de ander in zijn of haar waarde en zijn bereid naar de ander te luisteren. Er zijn geen excuses voor het uitsluiten of negeren van anderen.

3. Het juridische perspectief

Het juridische perspectief op integriteit is statisch en komt tot uiting in normen. Dit zijn de feitelijke gedragsregels. Deze normen vinden grotendeels hun oorsprong in wettelijke bepalingen.

 

3.1 Belangenverstrengeling / persoonlijke belangen

Artikel 36a Gemeentewet stelt in lid 2 een VOG verplicht:

 

Artikelen 41a en 65 Gemeentewet bepalen het afleggen van de eed of belofte voor wethouders en de burgemeester.

 

Bij belangenverstrengeling worden privébelangen onderdeel van (voorbereiding van) besluitvorming. Het is aan de collegeleden om te voorkomen dat een conflict ontstaat tussen de publieke taakuitoefening en privé-belangen. Ook de schijn van belangenverstrengeling moet worden vermeden.

Artikel 58 Gemeentewet bepaalt in dat licht, onder verwijzing naar artikel 28, dat

 

Een bestuurder niet deelneemt aan de stemming over

 

  • a.

    een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken;

  • b.

    de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij hoort (artikel 58 jo artikel 28 Gemeentewet).

Het bestuursorgaan waakt ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden (artikel 2:4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht).

 

3.2 Nevenfuncties (artikel 36b en 68 Gemeentewet)

Het is mogelijk dat bestuurders nevenfuncties bekleden. Daarbij is het volgende van belang:

Er zijn functies die onverenigbaar zijn met het zijn van wethouder of burgemeester.

 

Artikel 36b Gemeentewet somt onverenigbare functies voor wethouders op.

 

Artikel 68 Gemeentewet somt onverenigbare functies op voor de burgemeester.

 

Openbaarmaking inkomsten uit nevenfuncties: fulltime bestuurders maken hun inkomsten uit nevenfuncties openbaar; de opgave van neveninkomsten wordt ter inzage gelegd op het gemeentehuis, uiterlijk 1 april na het jaar waarin de inkomsten zijn genoten (artikelen 41b en 67 Gemeentewet).

 

Verrekening inkomsten nevenfuncties: bestuurders mogen geen vergoedingen ontvangen voor ambtshalve nevenfuncties; die worden in de gemeentekas gestort. Voor fulltime bestuurders is geregeld dat de inkomsten uit andere nevenfuncties voor een deel worden verrekend.

 

De regels voor nevenfuncties van wethouders en de burgemeester verschillen gedeeltelijk, daarom worden ze hieronder gesplitst weergegeven.

3.2.1 Nevenfuncties wethouders

Artikel 41b Gemeentewet vermeldt hoe wethouders om dienen te gaan met nevenfuncties:

 

  • 1.

    Een wethouder vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn wethouderschap.

  • 2.

    Een wethouder meldt zijn voornemen tot aanvaarding van een nevenfunctie aan de raad.

  • 3.

    Een wethouder maakt zijn nevenfuncties openbaar. De openbaarmaking vindt plaats terstond na benoeming tot wethouder of aanvaarding van een nevenfunctie en geschiedt zowel op elektronische wijze als door terinzagelegging op het gemeentehuis.

  • 4.

    Een wethouder die zijn ambt niet in deeltijd vervult, maakt tevens de inkomsten uit nevenfuncties openbaar. Openbaarmaking geschiedt zowel op elektronische wijze als door terinzagelegging op het gemeentehuis uiterlijk op 1 april na het kalenderjaar waarin de inkomsten zijn genoten.

  • 5.

    Onder inkomsten wordt verstaan: loon in de zin van artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de eindheffingsbestanddelen bedoeld in artikel 31 van die wet.

Voor wethouders bestaat dus de wettelijke verplichting om nevenfuncties openbaar te maken met het oog op een goede vervulling van hun ambt. Dit om te voorkomen dat er sprake kan zijn van (een schijn van) belangenverstrengeling. Onderstaande bepalingen zijn de uitwerking van de wettelijke verplichting in artikel 36b en 41b van de Gemeentewet om nevenfuncties openbaar te maken.

 

De wethouder levert de gemeentesecretaris de informatie aan over de nevenfuncties die openbaar gemaakt moeten worden, bij aanvang van het ambt. Als tijdens de ambtsperiode een nieuwe nevenfunctie aanvaard wordt of de omstandigheden met betrekking tot een bestaande nevenfunctie wijzigen, wordt de informatie die hierop betrekking heeft binnen drie weken voorzover het de burgemeester betreft en binnen één week voor zover het de wethouder aangaat, aangeleverd bij de gemeentesecretaris. Deze legt hiervoor een register aan en beheert dit register. Het register is openbaar en via internet beschikbaar.

 

De informatie betreft in ieder geval:

  • a.

    de omschrijving van de nevenfunctie

  • b.

    de organisatie voor wie de nevenfunctie wordt verricht;

  • c.

    of het al dan niet een nevenfunctie betreft uit hoofde van het ambt (qualitate qua – in de hoedanigheid van);

  • d.

    of de nevenfunctie bezoldigd of onbezoldigd is; en

  • e.

    indien bezoldigd wat de inkomsten daaruit zijn.

3.2.2 Nevenfuncties burgemeester

Voor het aanvaarden van nevenfuncties voor een burgemeester gelden de iets uitgebreidere regels uit artikel 67 Gemeentewet:

 

  • 1.

    De burgemeester vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op de goede vervulling van zijn burgemeestersambt of op de handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.

  • 2.

    De burgemeester meldt zijn voornemen tot aanvaarding van een nevenfunctie, anders dan uit hoofde van zijn burgemeestersambt, aan de raad.

  • 3.

    De burgemeester maakt nevenfuncties, anders dan uit hoofde van zijn burgemeestersambt, en de inkomsten uit die functies openbaar. De openbaarmaking van nevenfuncties vindt plaats terstond na benoeming tot burgemeester of aanvaarding van een nevenfunctie en geschiedt zowel op elektronische wijze als door terinzagelegging op het gemeentehuis. Openbaarmaking van de inkomsten geschiedt zowel op elektronische wijze als door terinzagelegging op het gemeentehuis uiterlijk op 1 april na het kalenderjaar waarin de inkomsten zijn genoten.

  • 4.

    Onder inkomsten wordt verstaan: loon in de zin van artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de eindheffingsbestanddelen bedoeld in artikel 31 van die wet.

3.3 Verboden handelingen (artikelen 41c en 69 Gemeentewet)

Voor wethouders en de burgemeester wordt in de Gemeentewet verwezen naar dezelfde verboden handelingen als die gelden voor raadsleden (artikel 15, eerste en tweede lid). Deze handelingen zijn verboden ter waarborging v an de zuiverheid in de verhoudingen tussen enerzijds wethouders en de burgemeester en anderzijds de gemeente.

 

Artikel 15 Gemeentewet luidt:

 

  • 1.

    Een lid van de raad mag niet:

    • a.

      als advocaat of adviseur in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de gemeente of het gemeentebestuur dan wel ten behoeve van de wederpartij van de gemeente of het gemeentebestuur;

    • b.

      als gemachtigde in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de wederpartij van de gemeente of het gemeentebestuur;

    • c.

      als vertegenwoordiger of adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het met de gemeente aangaan van:

      • 1e.

        overeenkomsten als bedoeld in onderdeel d;

      • 2e.

        overeenkomsten tot het leveren van onroerende zaken aan de gemeente.

    • d.

      rechtstreeks of middellijk een overeenkomst aangaan betreffende:

      • 1e.

        het aannemen van werk ten behoeve van de gemeente;

      • 2e.

        het buiten dienstbetrekking tegen beloning verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de gemeente;

      • 3e.

        het leveren van roerende zaken anders dan om niet aan de gemeente;

      • 4e.

        het verhuren van roerende zaken aan de gemeente;

      • 5e.

        het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van de gemeente;

      • 6e.

        het van de gemeente onderhands verwerven van onroerende zaken of beperkte rechten waaraan deze zijn onderworpen;

      • 7e.

        het onderhands huren of pachten van de gemeente.

  • 2.

    Van het eerste lid, aanhef en onder d, kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen2.

Wat wordt bedoeld met de term ‘adviseur’?

 

Er is een onderscheid tussen het als raadslid optreden als adviseur bij geschillen of als adviseur bij het aangaan van overeenkomsten.

 

Bij adviseur in geschillen gaat het om iedere vorm van advies aan een derde in verband met een geschil met de gemeente. Het verbod heeft betrekking op die adviezen die worden uitgebracht in het kader van een door het desbetreffende raadslid uitgeoefend bedrijf of beroep, of kort gezegd, al die adviezen waarbij het raadslid een professioneel belang heeft, zoals dat ook geldt ten aanzien van bijvoorbeeld advocaten.

 

Bij adviseur bij het aangaan van overeenkomsten past een bredere uitleg van het begrip adviseur. Daarbij gaat het om elke vorm van advisering van een wederpartij van de gemeente. Dus niet alleen advisering uitgebracht in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep.

 

Meer informatie: zie memo ‘Verboden handelingen’, te vinden bij basisstukken in het RIS (na inlog).

 

3.4 Informatie (artikel 2:5 Awb)

Een bestuurder heeft regelmatig de beschikking over niet openbare informatie. Informatie waarvan deze het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden mag nooit met derden worden gedeeld. Bij twijfel over het vertrouwelijke karakter van informatie raadpleegt de bestuurder de secretaris en/of burgemeester.

 

De burgemeester respectievelijk de wethouder zorgt ervoor dat vertrouwelijke en geheime informatie waarover hij beschikt veilig wordt bewaard. Het is belangrijk om de juiste maatregelen te treffen om te voorkomen dat onbevoegden vertrouwelijke en/of geheime gegevens kunnen bezitten, raadplegen of beschadigen. Daarbij moet in de digitale omgeving worden gedacht aan de beveiliging van de computers, smartphones e.d. met wachtwoorden en het niet onbeheerd achterlaten van gegevensdragers met vertrouwelijke/geheime informatie.

 

De burgemeester respectievelijk de wethouder maakt niet ten eigen bate of ten bate van derden gebruik van in de uitoefening van het ambt verkregen niet-openbare informatie.

 

3.5 Geschenken, faciliteiten, diensten, excursies, evenementen en buitenlandse reizen op uitnodiging van derden

De burgemeester respectievelijk de wethouder accepteert geen geschenken, faciliteiten en diensten als zijn onafhankelijke positie hierdoor kan worden beïnvloed.

Onverminderd dit uitgangspunt geldt een aantal regels over hoe om te gaan met geschenken, faciliteiten, diensten, excursies en buitenlandse reizen op uitnodiging van derden.

3.5.1 Geschenken,

Voor geschenken gelden de volgende regels:

 

  • a.

    De burgemeester respectievelijk de wethouder kan incidentele geschenken die een geschatte waarde van ten hoogste € 50 vertegenwoordigen behouden.

  • b.

    Geschenken die de burgemeester respectievelijk de wethouder uit hoofde van zijn ambt ontvangt en die een geschatte waarde van meer dan € 50 vertegenwoordigen worden, als zij niet worden teruggestuurd, eigendom van de gemeente.

  • c.

    Geschenken worden niet op het huisadres ontvangen.

  • d.

    De gemeentesecretaris legt een register aan van de geschenken met een geschatte waarde van meer dan € 50. In het register is aangegeven welke bestemming de gemeente hieraan heeft gegeven. Het register is openbaar en via internet beschikbaar.

3.5.2 Faciliteiten en diensten

Voor faciliteiten en diensten gelden de volgende regels:

 

  • a.

    De burgemeester respectievelijk de wethouder accepteert geen lunches, diners, recepties en andere uitnodigingen die door anderen betaald of georganiseerd worden, tenzij dat behoort tot de uitoefening van de functie en de aanwezigheid beschouwd kan worden als functioneel.

  • b.

    Bij twijfel legt de burgemeester respectievelijk de wethouder de uitnodiging ter bespreking voor aan het college van burgemeester en wethouders.

3.5.3 Excursies, evenementen en buitenlandse reizen voor rekening van derden

Hiervoor gelden de volgende regels:

 

  • a.

    Uitnodigingen voor excursies, evenementen en buitenlandse reizen voor rekening van anderen dan de gemeente legt de burgemeester respectievelijk de wethouder vooraf ter bespreking voor aan burgemeester en wethouders. Daarbij wordt ook gemeld wie de kosten voor zijn rekening heeft genomen, in geval het derden betreft.

  • b.

    De informatie over buitenlandse reizen voor rekening van derden wordt binnen één week na terugkeer in Nederland opgenomen in het register, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid.

3.6 Gebruik van voorzieningen van de gemeente

Aan bestuurders worden voorzieningen, vergoedingen en andere verstrekkingen (al dan niet in bruikleen) geboden die een goed functioneren van wethouder of burgemeester mogelijk maken. Het is aan hen om daar op een zorgvuldige manier mee om te gaan. Daarvoor gelden de volgende regels.

3.6.1 Functionele uitgaven, declaraties, gebruik van voorzieningen en gemeentelijke eigendommen

  • a.

    Het bestuursorgaan richt de financiële en administratieve organisatie zodanig in dat er een getrouw beeld mogelijk is van de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven en hanteert heldere procedures over de wijze waarop functionele uitgaven rechtstreeks in rekening worden gebracht of kunnen worden gedeclareerd bij de gemeente.

  • b.

    De burgemeester en de wethouder verantwoordt zich over zijn gebruik van de voorzieningen volgens de in het kader van het eerste lid vastgestelde regels en procedures.

  • c.

    De burgemeester respectievelijk een wethouder declareert geen kosten die reeds op andere wijze worden vergoed.

  • d.

    Gebruik van voorzieningen en eigendommen van de gemeente ten eigen bate of ten bate van derden is niet toegestaan, tenzij hier andere afspraken over gemaakt zijn.

3.6.2 Buitenlandse dienstreis

  • a.

    De burgemeester respectievelijk de wethouder meldt het voornemen tot een buitenlandse dienstreis3 of een uitnodiging daartoe aan burgemeester en wethouders. Hij verschaft daarbij informatie over het doel en de duur van de reis, de bijbehorende beleidsoverwegingen, de samenstelling van het gezelschap dat meereist, de geraamde kosten en de wijze waarop van de reis verslag wordt gedaan.

  • b.

    De burgemeester, onderscheidenlijk de wethouder meldt daarbij tevens als hij voornemens is om de buitenlandse reis voor privédoeleinden te verlengen. De extra kosten van de verlenging komen daarbij volledig voor eigen rekening.

  • c.

    Burgemeester en wethouders betrekken alle aspecten in de besluitvorming en informeren de gemeenteraad zo spoedig mogelijk over het genomen besluit.

  • d.

    De burgemeester respectievelijk een wethouder legt verantwoording af over afgelegde buitenlandse dienstreizen. Hij maakt in ieder geval openbaar wat het doel, de bestemming en de duur van de buitenlandse dienstreis is geweest en wat daarvan de kosten waren voor de gemeente.

3.7 Integer handelen rondom het aftreden

In onderstaande bepalingen is het voorkomen van de zogenaamde ‘draaideurconstructie’ geregeld. Het gaat dan over het gedurende het eerste jaar na aftreden de uitsluiting van betaalde werkzaamheden ten behoeve van de gemeente en over de uitsluiting van benoeming als commissaris of bestuurslid van een ‘verbonden partij’, ofwel van een organisatie waarin de gemeente een bestuurlijk en financieel belang heeft. Hiermee wordt mogelijke ‘vriendjespolitiek’ voorkomen en het risico op verstrengeling van persoonlijke en functionele belangen vermeden. De draaideurconstructie geldt uiteraard niet bij aanvaarding van het raadslidmaatschap. Het vooruitlopen op een nieuwe functie na aftreden geldt uiteraard evenzeer voor een functie bij de voormalige gemeente.

3.7.1 Voorafgaand aan het aftreden

  • 1.

    De burgemeester en de wethouder handelen in de uitoefening van hun ambt niet zodanig dat zij vooruitlopen op een functie na aftreden.

  • 2.

    De wethouder bespreekt het voornemen tot tussentijdse aanvaarding van een functie na aftreden met de burgemeester.

3.7.2 Werkzaamheden na het aftreden ten behoeve van de gemeente

  • 1.

    Burgemeester en wethouders sluiten de burgemeester en een wethouder gedurende een jaar na aftreden uit van het tegen beloning verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de gemeente.

  • 2.

    De uitsluiting geldt niet bij aanvaarding van een dienstbetrekking bij de gemeente waar hij burgemeester, onderscheidenlijk wethouder was. Voor werving, selectie en indiensttreding bij de gemeente zijn de voor het ambtelijk personeel geldende regels ter zake van overeenkomstige toepassing.

3.7.3 Werkzaamheden na het aftreden ten behoeve van een verbonden partij

  • 1.

    Burgemeester en wethouders dragen de burgemeester en een wethouder niet eerder dan een jaar na aftreden voor als kandidaat voor benoeming tot commissaris dan wel bestuurslid van een verbonden partij.

  • 2.

    Onder verbonden partij wordt verstaan hetgeen hieronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

4. Het moreel-ethisch perspectief

Het moreel-ethisch perspectief op integriteit is dynamisch. Opvattingen over moraliteit veranderen in de loop van de tijd. Dat betekent dat het college regelmatig met elkaar in gesprek gaat over wat integriteit en ‘integer bestuur’ voor inhouden. Dit betekent ook dat het college afspraken maakt over hoe te handelen in het geval van een dilemma of mogelijke schending. Daarnaast is het van belang om samen afspraken te maken over hoe politieke ambtsdragers met elkaar omgaan tijdens vergaderingen en daar buitenom.

 

4.1 Aandacht voor de gedragscode en integriteit

Het is van belang om integriteit blijvend op de agenda te houden. Gezamenlijk zijn we hiervoor als politiek ambtsdragers verantwoordelijk. Van de burgemeester en de gemeentesecretaris verwachten wij in het bijzonder een actieve houding bij het onder de aandacht brengen en houden van het thema integriteit.

 

Burgemeester en gemeentesecretaris organiseren jaarlijks bijeenkomsten voor bestuurders en (nieuwe) medewerkers over het thema integriteit, waarbij steeds aandacht wordt besteed aan het hoofdthema integriteit / gedragscode en aan een deelthema dat daarop betrekking heeft. Dit kan betrekking hebben op ‘leren van het verleden’ en ‘vooruitkijken om te voorkomen’.

 

4.2 Procesafspraken bij (vermoedens van) integriteitsschendingen binnen het gemeentebestuur

Ten behoeve een helder inzicht in verantwoordelijkheden en taken zijn procesafspraken vastgelegd die van toepassing zijn bij de handhaving van de integriteit van het gemeentebestuur. Het zijn procedurele afspraken die alle actoren – raads(commissie)leden, wethouders en burgemeester van de gemeente Noordoostpolder – met elkaar hebben gemaakt over een zorgvuldige handelwijze bij (mogelijke) integriteitsschendingen.

 

4.3 Omgangsvormen

Voor ons gaat integriteit ook over onderlinge omgangsvormen. Niet alleen binnen het gemeentehuis, maar ook daarbuiten. En deze gelden zowel online als offline. Met grensoverschrijdend gedrag bedoelen wij gedrag dat door de ander als zodanig wordt ervaren.

 

Tijdens de raads(commissie)vergadering

 

  • 1.

    De bestuurder voert het debat op de inhoud en speelt niet op de persoon.

  • 2.

    De bestuurder houdt zich tijdens vergaderingen aan het reglement van orde en volgt de aanwijzingen van de voorzitter op.

  • 3.

    De bestuurder laat zich tijdens vergaderingen in woord, gebaar en online niet onnodig grievend uit over collegeleden of raads(commissie)leden.

  • 4.

    De bestuurder onthoudt zich van grensoverschrijdend gedrag.

Buiten de raads(commissie)vergadering

 

  • 1.

    De bestuurder laat zich in het openbaar in woord, gebaar en geschrift (offline en online) niet onnodig grievend uit over collegeleden of raads(commissie)leden.

  • 2.

    De bestuurder onthoudt zich van grensoverschrijdend gedrag.

4.4 Bedreiging politieke ambtsdragers

In het kader van het (integer) uitvoeren van hun publieke taak gebeurt het wel dat politieke ambtsdragers worden bedreigd. Mocht dit onverhoopt het geval zijn, dan is daarvoor een handreiking geschreven onder de titel Memo bedreiging politieke ambtsdragers (zie RIS, na inlog).

Aldus besloten in de openbare vergadering van 25 maart 2024.

De griffier,

de voorzitter,

Naar boven