Gemeenteblad van Doetinchem
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Doetinchem | Gemeenteblad 2025, 388352 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Doetinchem | Gemeenteblad 2025, 388352 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De raad van de gemeente Doetinchem;
gezien het voorstel van burgemeester en wethouders over ‘Gewijzigde vaststelling wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-1G’;
overwegende dat,
gelet op het bepaalde in artikel 2.4 Omgevingswet de gemeenteraad bevoegd is het omgevingsplan gemeente Doetinchem te wijzigen;
met dit wijzigingsbesluit het omgevingsplan wordt gewijzigd voor de volgende planonderdelen:
het ontwerpwijzigingsbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken, met ingang van donderdag 1 mei 2025 zes weken ter inzage hebben gelegen;
met betrekking tot dit ontwerpwijzigingsbesluit 1 zienswijze is ingediend;
er naar aanleiding van de zienswijze geen aanpassingen zijn doorgevoerd in het wijzigingsbesluit;
er ambtshalve wel aanleiding is het wijzigingsbesluit aan te passen;
de financiën van het planonderdeel Amphionpark Doetinchem zijn vastgelegd in een grondexploitatie en een koop- en ontwikkelovereenkomst met de ontwikkelaar;
de onderliggende bestemmingsplannen en andere oude ruimtelijke besluiten voor de locatie van de planonderdelen Amphionpark Doetinchem, wijzigen percelen De Zumpe, Grote Beek, Ellegoor, Barlham, e.o. en de Twee kavels Plantage Allée niet meer van toepassing zijn;
de beeldvormende raadsvergadering d.d. 11 september 2025 kennis heeft genomen van het wijzigingsbesluit.
b e s l u i t :
Het 'Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-1G', zoals opgenomen in Bijlage A, gewijzigd vast te stellen;
Het 'Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-1G' de dag na afloop van de beroepstermijn in werking te laten treden;
Het beeldkwaliteitsplan Amphionpark vast te stellen en onderdeel uit te laten maken van de welstandsnota 'Welstand Doetinchem';
U kunt in beroep gaan tegen het besluit. Dit kan van vrijdag 17 oktober tot en met donderdag 27 november 2025. U doet dit bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hoe u dit kunt doen leest u op de website van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk daarvoor op deze pagina: raadvanstate.nl/overrvs/bestuursrechtspraak/hoger-beroep/.
Dit kan alleen bij één van de volgende situaties:
- Als u belang heeft bij het wijzigingsbesluit;
- Als u eerder en op tijd een zienswijze heeft gegeven op het ontwerpwijzigingsbesluit;
- Als u kan bewijzen dat u redelijkerwijs geen zienswijze kon geven op het ontwerpwijzigingsbesluit;
- Als u het niet eens bent met de aanpassingen in het vastgestelde wijzigingsbesluit vergeleken met het ontwerpwijzigingsbesluit.
Aldus besloten door de gemeenteraad van de gemeente Doetinchem in zijn vergadering van 25 september 2025.
mr. M. Bouwmans MBA MPM
Voorzitter
drs. B.P.M. Janssens
Griffier
A
Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Begripsbepalingen die in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit omgevingsplan.
Bijlage IIIII bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22.
Binnen het gebied algemeneruimtelijke regels tijdelijk deel omgevingsplan vervallen gelden naast het eerste en tweede lid de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in bijlage IIIIV.
B
Artikel 1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen het gebied algemeneruimtelijke regels tijdelijk deel omgevingsplan vervallen zijn de besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet niet van toepassing.
Binnen het gebied algemeneruimtelijke regels tijdelijk deel omgevingsplan vervallen geldt dat de regels zoals opgenomen in Hoofdstuk 1 tot en met 21 voorgaan op de regels opin Hoofdstuk 22 als ze daarmee in strijd zijn.
Binnen het gebied voorrangsregel - ruimtelijke regels tijdelijk deel omgevingsplan geldt dat de regels binnen dit omgevingsplan voorgaan op de besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Wanneer de regels uit hoofdstuk 4 strijdig zijn met de overige regels uit dit omgevingsplan, dan gaan de regels uit hoofdstuk 4 voor.
De indieningsvereisten en beoordelingsregels zoals genoemdbedoeld in afdeling 22.5 zijn van toepassing op de regels zoals opgenomen in Hoofdstuk 3 tot en met 21.
C
Titel 4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als voor gronden één of meerdere bijzondere gebieden gelden, die in hoofdstuk 4 staan, moet bij de beoordeling van binnenplanse omgevingsplanactiviteiten ook de bijbehorende aanvullende beoordelingsregels, aanvullende indieningsvereisten, regels over activiteiten en/of verboden in acht worden genomen.
[Vervallen]
D
Het opschrift van titel 4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
E
Voor afdeling 4.2.5 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
De afdeling 4.1.1 gaat over ammoniakbuffergebieden rondom zeer gevoelige natuur.
De regels in afdeling 4.1.1 gelden met als doel de toename van ammoniak rondom zeer gevoelige natuur niet toe te laten nemen.
De regels in afdeling 4.1.1 gelden binnen het gebied ammoniakbuffergebied.
F
Afdeling 4.2.5 wordt geplaatst na afdeling 4.1.1. Afdeling 4.2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De afdeling 4.1.2 gaat over nieuwe activiteiten met een extern veiligheidsrisico.
Deze regels in afdeling 4.2.54.1.2 gelden met als doel risico's voor mens en milieu te beperken.
De regels in afdeling 4.2.54.1.2 gelden binnen het gebied nieuwe risicobronnen uitgesloten.
Het is verboden om nieuwe activiteiten uit te voeren met een extern veiligheidsrisico als genoemd in Bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Alleen met een omgevingsvergunning zijn nieuwe risicobronnen toegestaan met externe veiligheidsrisico's zoals benoemd in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving toegestaan.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een nieuwe activiteit met een externe veiligheidsrisico zoals bedoeld in artikel 4.8 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat:
er geen (geprojecteerde) (zeer) kwetsbare gebouwen of kwetsbare locaties liggen in de plaatsgebonden risicocontour;
er zwaarwegende redenen zijn voor het realiseren van een nieuwe activiteit met een externe veiligheidsrisico als er (geprojecteerde) beperkt kwetsbare gebouwen of locaties liggen in de plaatsgebonden risicocontour;
het groepsrisico is verantwoord als in het brand-, explosie-, en/of gifwolkaandachtsgebied (geprojecteerde) (beperkt/zeer) kwetsbare gebouwen of (beperkt) kwetsbare locaties liggen;
aanvullende maatregelen om de externe veiligheidsrisico's te verminderen, zijn onderzocht en afgewogen.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.8 wordt alleen verleend als:
Binnen het gebied nieuwe risicobronnen uitgesloten is het verboden om nieuwe milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico's zoals genoemd in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving uit te voeren, tenzij anders in dit plan is aangegeven.
G
Afdeling 4.2.1 wordt geplaatst na afdeling 4.2.5. Afdeling 4.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De afdeling 4.1.3 gaat over:
De regels in afdeling 4.1.3 over buisleidingen voor het transport van gas gelden met als doel:
het behoud en het creëren van ruimte voor en in de nabijheid van het gastransportnet voor bestaande en toekomstige activiteiten van de landelijk netbeheerder;
bescherming van het gastransportnet tegen activiteiten binnen het belemmeringengebied van het gastransportnet; en
het waarborgen van de omgevingskwaliteit in de nabijheid van het gastransportnet.
De regels in afdeling 4.1.3 gelden binnen het gebied gasleiding.
Er mogen alleen bouwwerken voor het gebruik van de ondergrondse hogedruk aardgastransportleiding worden gebouwd, tenzij anders in dit plan is aangegeven.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mag maximaal 4 meter zijn.
In afwijking van tweede lid zijn overkappingen niet toegestaan.
Alleen met een omgevingsvergunning is het bouwen van een bouwwerk voor een andere toegelaten functie toegestaan.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals genoemd in artikel 4.16 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat de leidingbeheerder (Gasunie) geen negatieve gevolgen ziet voor de hoge druk aardgas transportleiding.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.16 wordt alleen verleend als:
de veiligheid van de gasleiding niet wordt geschaad;
geen (zeer) kwetsbaar gebouw of locatie wordt toegelaten;
het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de hoge druk aardgas transportleiding;
als uit het advies van de leidingbeheerder (Gasunie) blijkt dat er geen bezwaren zijn; en
de ruimtelijke uitwerking van de afwijking aanvaardbaar is.
Alleen met een omgevingsvergunning zijn werken geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.20 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.21.
Het verharden van gronden.
Het aanbrengen van beplantingen.
Het vellen van beplantingen.
Het rooien van beplantingen.
Het aanleggen van watergangen en andere waterpartijen.
Het dempen van watergangen en andere waterpartijen.
Het verlagen of afgraven van gronden.
Het egaliseren van gronden.
Het ophogen van gronden.
Het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
Het verlagen van het (grond)waterpeil.
Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.
De werken en werkzaamheden die horen bij het normale onderhoud en daarbij ook van onderhoudswerkzaamheden aan en vervangingswerkzaamheden van verhardingen, beplantingen en (tracés van) kabels en leidingen.
Het werken en werkzaamheden zijn die al in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit.
Het werken en werkzaamheden zijn die mogen worden uitgevoerd op basis van een verleende:
Graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.19 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat:
de werken of werkzaamheden geen belemmering vormen voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de hoge druk aardgastransportleiding;
de leidingbeheerder het rapport of ander document heeft beoordeeld en advies heeft gegeven.
Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 4.19 wordt alleen verleend als:
H
Afdeling 4.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
I
Afdeling 4.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
J
Na afdeling 4.2.1 worden twee afdelingen ingevoegd, luidende:
De afdeling 4.1.4 gaat over:
De regels in afdeling 4.1.4 gelden met als doel de hoogspanningsverbindingen en haar omgeving te beschermen.
De regels in afdeling 4.1.4 gelden binnen het gebied hoogspanningsverbindingen.
Binnen het gebied hoogspanningsverbinding - bovengronds een hoogspanningsverbinding bovengronds en masten en voorzieningen die daarbij horen.
Binnen het gebied hoogspanningsverbinding - ondergronds een hoogspanningsverbinding ondergronds en voorzieningen die daarbij horen.
Werken en werkzaamheden met betrekking tot het in stand houden van de infrastructuur van de hoogspanningsverbinding.
Bestaande bouwwerken die zijn gebouwd met een omgevingsvergunning.
Er mogen alleen bouwwerken voor de functie hoogspanningsverbindingworden gebouwd, tenzij anders in dit plan is aangegeven.
De oppervlakte van gebouwen mag maximaal 20 m2 zijn.
De bouwhoogte van gebouwen mag maximaal 4 meter zijn.
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen maximaal 3 meter zijn.
In afwijking van het vierde lid is binnen het gebied maximum bouwhoogte hoogspanningsmast voor hoogspanningsmasten de maximaal aangegeven bouwhoogte toegestaan.
Binnen het gebied doorvaarthoogte moet de doorvaarthoogte minimaal 25 meter zijn.
In afwijking van artikel 22.26 mogen bestaande vergunde bouwwerken zonder omgevingsvergunning worden vervangen, vernieuwd of veranderd als:
Alleen met een omgevingsvergunning is bouwen ten behoeve van een andere op deze locatie toegestane functie toegestaan.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.29 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de hoogspanningsverbinding.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.29 wordt alleen verleend als:
het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de hoogspanningsverbinding;
de leidingbeheerder akkoord is en het (schriftelijk) advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning; en
het geen kwetsbare gebouwen en/of locaties zijn, tenzij deze is opgenomen in bijlage Magneetveld kwetsbare gebouwen.
Alleen met een omgevingsvergunning zijn werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.33 en 4.34 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.35.
Het ophogen van gronden.
Het verlagen of afgraven van gronden.
Het verharden van gronden.
Het aanleggen of aanpassen van watergangen.
Het dempen van watergangen.
Het opslaan van goederen, stoffen en/of materialen.
Het aanbrengen van hoog opgaande beplantingen.
Het kappen van hoog opgaande beplantingen.
Het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, tenzij het gaat om de bovengrondse hoogspanningsverbinding als bedoeld in artikel 4.24.
Het ophogen van de gronden.
Het verlagen of afgraven van gronden.
Het indrijven van voorwerpen in de bodem, dieper dan 80 centimeter onder het maaiveld.
Het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en aanleggen van drainage, dieper dan 80 centimeter onder maaiveld.
Het aanbrengen van diepwortelende beplanting.
Het kappen van diepwortelende beplanting.
Het aanbrengen van oppervlakteverhardingen.
Het aanleggen, vergraven, verruimen van watergangen.
Het dempen van watergangen.
Het opslaan van goederen, stoffen en/of materialen.
Het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.
Werken en/of werkzaamheden die verband houden met de aanleg van de hoogspanningsverbindingen en de daarbij horende voorzieningen.
Werken en/of werkzaamheden die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer van de hoogspanningsverbinding en de belemmeringenstrook.
Het werken en werkzaamheden zijn die mogen worden uitgevoerd op basis van een verleende omgevingsvergunning.
Werken en/of werkzaamheden die betrekking hebben op het normaal onderhoud en beheer dat volgens de regels van de onderliggende geldende functies is toegestaan.
Graafwerkzaamheden die zijn opgenomen en de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.32 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat de werken of werkzaamheden geen negatieve gevolgen heeft voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de hoogspanningsverbinding.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.32 wordt alleen verleend als:
De afdeling 4.1.5 gaat over het gebied rondom de molens.
De regels in afdeling 4.1.5 gelden met als doel de windvang en het zicht van de molen te beschermen.
De regels in afdeling 4.1.5 gelden binnen het gebied molenbiotoop.
Binnen 100 meter afstand van de molen mogen bouwwerken niet hoger zijn dan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen. Meet deze hoogte vanaf het peil van de molen.
In het gebied tussen 100 en 400 meter afstand van de molen moet de maximale hoogte van bouwwerken bepaald worden met de volgende formule:
H= X/N + 0,2*Z
uitleg formule:
H staat voor de maximale hoogte in meters, te meten vanaf het peil van de molen.
X staat voor de kortste afstand in meters vanaf het te bouwen bouwwerk tot de wieken van de molen.
N is een verhoudingsfactor. Dit is 140 voor een open gebied, 75 voor ruw gebied en 50 voor besloten gebied.
Z staat voor de askophoogte van de molen in meters.
Bestaande vergunde bouwwerken in afwijking van het eerste en tweede lid zijn toegestaan.
Alleen met een omgevingsvergunning is het bouwen van een bouwwerk voor een andere toegelaten functie toegestaan.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 4.42 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat het functioneren van de molen niet wordt aangetast.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.42 wordt alleen verleend als:
Alleen met een omgevingsvergunning zijn werken geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.46 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.47.
Het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden met een uitgroeihoogte die hoger is dan op grond van artikel 4.41 is toegestaan voor bouwwerken.
Het ophogen van gronden hoger dan de hoogte die op grond van artikel 4.41 is toegestaan voor bouwwerken.
Het aanleggen van bovengrondse constructies, installaties en apparatuur met een hoogte die hoger is dan op grond van artikel 4.41 is toegestaan voor bouwwerken.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 4.45 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat het functioneren van de molen niet wordt aangetast.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.45 wordt alleen verleend als:
K
Afdeling 4.2.2 wordt geplaatst na afdeling 4.1.5. Afdeling 4.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De afdeling 4.1.6 gaat over:
De regels in afdeling 4.1.6 gelden met als doel de rioolwatertransportleidingen te beschermen.
De regels in afdeling 4.1.6 gelden binnen het gebied rioolleiding.
Er mogen alleen bouwwerken voor de functie riool worden gebouwd, tenzij in dit plan anders is aangegeven.
De bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouwen zijnde mag maximaal 4 meter zijn.
In afwijking van het tweede lid zijn overkappingen niet toegestaan.
Alleen met een omgevingsvergunning is het bouwen van een bouwwerk voor een andere toegelaten functie toegestaan.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.54 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de rioolwatertransportleiding.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.54 wordt alleen verleend als:
Alleen met een omgevingsvergunning zijn werken geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.58 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.59.
Het verharden van gronden.
Het aanleggen van beplantingen.
Het vellen van beplantingen.
Het rooien van beplantingen.
Het aanleggen van watergangen en andere waterpartijen.
Het dempen van watergangen en andere waterpartijen.
Het verlagen of afgraven van gronden.
Het egaliseren van gronden.
Het ophogen van gronden.
Het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
Het verlagen van het (grond)waterpeil.
Het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en/of daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.
Werken en werkzaamheden die horen bij het normale onderhoud en daarbij ook van de onderhoudswerkzaamheden en vervangingswerkzaamheden van verhardingen, beplantingen en (tracés van) kabels en leidingen.
Werken en werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd op basis van een verleende omgevingsvergunning waarin de te beschermen belangen al zijn meegewogen.
Werken en werkzaamheden die mogen op basis van een verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
Werken en werkzaamheden die mogen op basis van een verleende omgevingsvergunning voor het kappen.
Werken en werkzaamheden die mogen op basis van een ontgrondingsvergunning.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.57 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat de werken of werkzaamheden geen belemmering vormen voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de rioolwatertransportleidingen.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.57 wordt alleen verleend als:
L
Afdeling 4.2.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
M
Na afdeling 4.2.2 worden twee afdelingen ingevoegd, luidende:
De afdeling 4.1.7 gaat over het vestigen van één speelautomatenhal.
De regels in afdeling 4.1.7 gelden met als doel de vestiging van een speelautomatenhal te reguleren en te beperken.
De regels in afdeling 4.1.7 gelden binnen het gebied speelautomatenhal.
De afdeling 4.1.8 gaat over de aanleg en de instandhouding van waterkeringen en waterstaatkundige voorzieningen.
De regels in afdeling 4.1.8 gelden met als doel de waterkeringen te behouden en te beschermen.
De regels in afdeling 4.1.8 gelden binnen het gebied waterkering.
Alleen met een omgevingsvergunning is het bouwen van een bouwwerk voor een andere toegelaten functie toegestaan.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.70 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat het bouwwerk geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de waterkering.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.70 wordt alleen verleend als:
Alleen met een omgevingsvergunning kunnen werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.74 worden toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.75.
Het verharden van gronden.
Het aanbrengen van beplantingen.
Het vellen van beplantingen.
Het rooien van beplantingen.
Het aanleggen van watergangen en andere waterpartijen.
Het dempen van watergangen en andere waterpartijen.
Het verlagen of afgraven van gronden.
Het egaliseren van gronden.
Het ophogen van gronden.
Het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
Het verlagen van het (grond)waterpeil.
Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en/of de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.
Werken en werkzaamheden die horen bij het normale onderhoud en daarbij ook van de onderhoudswerkzaamheden en vervangingswerkzaamheden van verhardingen, beplantingen en (tracés van) kabels en leidingen.
Werken en werkzaamheden die mogen op basis van een verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
Werken en werkzaamheden die mogen op basis van een verleende omgevingsvergunning voor het kappen.
Werken en werkzaamheden die mogen op basis van een ontgrondingsvergunning.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.73 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat de werken of werkzaamheden geen belemmering vormt voor de aanleg, het functioneren, het onderhoud en de instandhouding van de waterkering.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.73 wordt alleen verleend als:
N
Het opschrift van titel 4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
O
Voor afdeling 4.3.1 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
De afdeling 4.2.1 gaat over (te verwachten) archeologische waarden in de bodem.
De regels in afdeling 4.2.1 gelden met als doel (te verwachten) archeologische waarden in de bodem te behouden, versterken, beschermen en/of herstellen.
De regels in afdeling 4.2.1 gelden binnen de gebieden archeologische (verwachtings) waarde, archeologisch monument en archeologische rijksmonument.
Het bevoegd gezag kan met inachtneming van het bepaalde in afdeling 4.2.1 voor alleen het onderdeel bouwen, maatwerkvoorschriften stellen als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat binnen het gebied behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond ('in situ') te behouden. Op de volgende punten kunnen maatwerkvoorschriften worden opgenomen:
Het bouwen van bouwwerken is niet toegestaan, tenzij anders in afdeling 4.2.1 is aangegeven.
Het bouwen van een bouwwerken is alleen toegestaan wanneer de oppervlakte van het bouwwerk kleiner of gelijk is aan de oppervlakte zoals aangegeven binnen het gebied archeologische oppervlakte en waarbij een bodemverstoring niet dieper gaat dan binnen het gebied archeologische diepte bodem is aangegeven, tenzij anders in afdeling 4.2.1 is aangegeven.
In afwijking van artikel 22.26 is vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut.
In afwijking van artikel 22.26 is vergroting van bestaande bouwwerken met maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering, met behoud van bestaande funderingen, toegestaan.
Alleen met een omgevingsvergunning kan in afwijking van artikel 4.82 eerste lid het bouwen van een bouwwerk voor een andere toegelaten functie worden toegestaan, tenzij het gaat om een enkelvoudige aanvraag bij een archeologisch rijksmonument dan is de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bevoegd gezag.
Alleen met een omgevingsvergunning kan in afwijking van artikel 4.82 tweede lid het bouwen van een bouwwerk voor een andere toegelaten functie worden toegestaan.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.83 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat de archeologische waarde van de gronden waarop wordt gebouwd en waar de bodem wordt verstoord voldoende is vastgesteld.
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.83 wordt alleen verleend als:
de archeologische waarde van de gronden niet wordt verstoord; en
het advies van de archeologisch deskundige wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap haar advies en instemming heeft gegeven over de archeologische rijksmonumentenactiviteit, hierbij moet het gaan om een meervoudige aanvraag bij een archeologisch rijksmonument. Het advies van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap moet betrokken worden bij het besluit op de omgevingsvergunning.
Wanneer uit het archeologisch rapport of ander document blijkt dat de archeologische waarden (mogelijk) worden verstoord kan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.83 alleen worden verleend als:
de archeologische waarde van de gronden kunnen worden behouden, beschermd of hersteld;
het advies van de archeologisch deskundige wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning; en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap haar advies en instemming heeft gegeven over de archeologische rijksmonumentenactiviteit, hierbij moet het gaan om een meervoudige aanvraag bij een rijksmonument. Het advies van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap moet betrokken worden bij het besluit op de omgevingsvergunning.
Alleen met een omgevingsvergunning zijn werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 4.88 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.89.
Wanneer het gaat om een enkelvoudige aanvraag bij een archeologisch rijksmonument dan is de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bevoegd gezag.
De bodem wordt met meer dan 1 meter verhoogd.
De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte zoals aangegeven binnen het gebied archeologische oppervlakte opgehoogd.
Grondwerkzaamheden.
Grondwerkzaamheden dieper dan de binnen het gebied maximum archeologische diepte bodem onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan binnen het gebied archeologische oppervlakte.
Het verlagen of afgraven van de bodem over een oppervlakte binnen het gebied van meer dan archeologische oppervlakte van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist. Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen.
Het verlagen of afgraven van de bodem van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist. Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen.
Het verlagen van het waterpeil.
Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
Het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
Het aanleggen van boom of boomgaard.
Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
Werken en werkzaamheden niet dieper dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld.
Werken en werkzaamheden met betrekking op het normale beheer en onderhoud.
Voor werken en werkzaamheden met betrekking tot het normale agrarische gebruik.
Werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.87 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt dat de archeologische waarde van de gronden waarop wordt gebouwd en waar de bodem wordt verstoord voldoende is vastgesteld.
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.87 wordt alleen verleend als:
de archeologische waarde van de gronden niet wordt verstoord; en
het advies van de archeologisch deskundige wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap haar advies en instemming heeft gegeven over de archeologische rijksmonumentenactiviteit, hierbij moet het gaan om een meervoudige aanvraag bij een archeologisch rijksmonument. Het advies van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap moet betrokken worden bij het besluit op de omgevingsvergunning.
Wanneer uit het archeologisch rapport of ander document blijkt dat er sprake is van (mogelijke) verstoring van de archeologische waarde kan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.87 worden verleend als:
de archeologische waarde van de gronden kunnen worden behouden, beschermd of hersteld.
het advies van de archeologisch deskundige is betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning; en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap haar advies en instemming heeft gegeven over de de archeologische rijksmonumentenactiviteit, hierbij moet het gaan om een meervoudige aanvraag bij een rijksmonument. Het advies van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap moet betrokken worden bij het besluit op de omgevingsvergunning.
Wanneer uit het archeologisch rapport of ander document blijkt dat de archeologische waarden van de gronden (mogelijk) worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning zoals bedoeld in afdeling 4.2.1:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen;
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
P
Het opschrift van afdeling 4.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Q
Paragraaf 4.3.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in afdeling 4.3.14.2.2 gelden met als doel bijzondere bomen te behouden, beschermen en herstellen.
De regels in afdeling 4.3.14.2.2 gelden binnen het gebied bijzondere boom.
R
Paragraaf 4.3.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is binnen het gebied bijzondere boom niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning te bouwen of werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren zoals genoemd in artikel 4.8.
Alleen met een omgevingsvergunning zijn bouwwerken of werken, niet zijnde bouwwerken of werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.98 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.99.
Het verlagen of afgraven van gronden.
Het egaliseren van gronden.
Het ophogen van gronden.
Het verharden van gronden.
het bouwen van bouwwerken.
Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.
Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen en het uitvoeren van werken, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid moet aanvullend op de gegevens en documenten die vereist zijn vanuit hoofdstuk 22 in elk geval een rapport of document ingediend worden waaruit blijkt dat er geen wezenlijke negatieve gevolgen zijn voor de bijzondere boom.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.97 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend, waaruit blijkt dat er geen wezenlijke negatieve gevolgen zijn voor de bijzondere boom.
In geval van bouwactiviteiten mogen deze bouwactiviteiten geen wezenlijke negatieve gevolgen hebben voor de bijzondere boom.
In geval van werken en werkzaamheden in de vorm van het aanbrengen van oppervlakte verhardingen, de aanleg van leidingen of het egaliseren, ophogen, verharden en afgraven van gronden mag door directe of indirecte gevolgen van die werken en werkzaamheden:
Er is sprake van een advies van een bomendeskundige waaruit blijkt dat wordt voldaan aan het genoemde in het eerste lid en/of het tweede lid. en het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.
S
Afdeling 4.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in afdeling 4.3.2 gelden met als doel (te verwachten) archeologische waarden in de bodem te behouden, versterken, beschermen en/of herstellen.
Het bevoegd gezag kan met inachtneming van het bepaalde in afdeling 4.3.2 voor alleen het onderdeel bouwen maatwerkvoorschriften stellen als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat binnen het gebied behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De maatwerkvoorschriften zijn erop gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond ('in situ') te behouden. Op de volgende punten kunnen maatwerkvoorschriften worden opgenomen:
De regels in paragraaf 4.3.2.2 gelden binnen het gebied archeologische waarde.
Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren zoals genoemd in artikel 4.16.
De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 50 m2 opgehoogd.
Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 50 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.
Het verlagen of afgraven van de bodem gaat dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 50 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.
Het verlagen van het waterpeil.
Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
Het aanleggen van bos of boomgaard.
Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
Werken en werkzaamheden die niet dieper gaan dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.
Voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk.
Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.
Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist of overige bepalingen van de Omgevingswet gelden.
Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld:
als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders;
gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen; of
als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, die is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.
Het bouwwerk is groter dan 50 m2 en er is ook een bodemverstoring van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen, dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.2 verder niet meer.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.
Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden.
Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning zoals genoemd in 4.15:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen;
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voorschriften verbinden, waaronder:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn;
de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen;
de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
De regels in paragraaf 4.3.2.4 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde 2.
Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.25.
De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 100 m2 opgehoogd.
Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 100 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.
Het verlagen of afgraven van de bodem over een oppervlakte van meer dan 100 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.
Het verlagen van het waterpeil.
Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
Het aanleggen van bos of boomgaard.
Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.
Voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.
Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.
Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist of overige bepalingen van de Omgevingswet gelden.
Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld:
als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 100 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.
Het bouwwerk is groter dan 100 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen, dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.4 niet meer.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.
Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden.
Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in artikel 4.24:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen;
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn;
de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen;
de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
De regels in paragraaf 4.3.2.5 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde 3.
Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.34.
De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 250 m2 opgehoogd.
Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.
Het verlagen of afgraven van de bodem gaat dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.
Het verlagen van het waterpeil.
Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
Het aanleggen van bos of boomgaard.
Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.
Voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.
Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.
Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Omgevingswet gelden.
Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld:
als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 250 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.
Het bouwwerk is groter dan 250 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 40 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.5 niet meer.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.
Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden.
Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in artikel 4.33:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen;
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn;
de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen;
de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
De regels in paragraaf 4.3.2.6 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde 4.
Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.43.
De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 250 m2 opgehoogd.
Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.
Het verlagen of afgraven van de bodem gaat dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.
Het verlagen van het waterpeil.
Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
Het aanleggen van bos of boomgaard.
Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.
Voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.
Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.
Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Omgevingswet gelden.
Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld:
als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 250 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.
Het bouwwerk is groter dan 250 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.6 niet meer.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.
Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden.
Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in 4.42:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen;
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn;
de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen;
de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
De regels in paragraaf 4.3.2.7 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde 5.
Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.52.
De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 opgehoogd.
Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.
Het verlagen of afgraven van de bodem over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.
Het verlagen van het waterpeil.
Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
Het aanleggen van bos of boomgaard.
Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.
voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.
Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.
Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Omgevingswet gelden.
Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld:
als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 1.000 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.
Het bouwwerk is groter dan 1.000 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.7 niet meer.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.
Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden.
Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in 4.51:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen;
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn;
de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen;
de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
De regels in paragraaf 4.3.2.8 gelden binnen het gebied archeologische verwachtingswaarde 6.
Het is alleen met een omgevingsvergunning toegestaan om werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren als genoemd in artikel 4.61.
De bodem wordt met meer dan 1 meter over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 opgehoogd.
Grondwerkzaamheden gaan dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 , hieronder moet ook worden verstaan woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput.
Het verlagen of afgraven van de bodem over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 . Dit geldt ook voor het verwijderen van bestaande funderingen als voor gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning voor nodig is.
Het verlagen van het waterpeil.
Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten.
Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
Het aanleggen van bos of boomgaard.
Het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd.
Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.
Voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik.
V oor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand gebouw.
Voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend.
Als op grond van de Omgevingswet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Omgevingswet gelden.
Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de archeologische waarde van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
In afwijking van het eerste lid is geen rapport of ander document nodig waarin de archeologische waarde is vastgesteld:
als op basis van een eerder archeologisch onderzoek is beoordeeld door een archeologisch deskundige dat op de locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 5.000 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders;
gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.
Het bouwwerk is groter dan 5.000 m2 en waar ook een bodemverstoring is van dieper dan 30 centimeter. Is het gebouw kleiner dan deze maatvoeringen dan is het bouwwerk vrijgesteld en geldt paragraaf 4.3.2.8 niet meer.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige die beoordeelt of de archeologische waarde voldoende in kaart is gebracht. Het advies wordt betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.
Archeologische waarden worden niet onevenredig aangetast.
Voor verlening van de omgevingsvergunning wordt advies gevraagd bij de archeologisch deskundige op het ingediende rapport of ander document. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, moet op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaatsvinden.
Wanneer uit het archeologische rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het bouwen dan het vergunde bouwwerk worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als genoemd in artikel 4.60:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen;
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning vergunningvoorschriften verbinden, waaronder:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel gericht zijn;
de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen;
de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
[Vervallen]
T
Het opschrift van afdeling 4.3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
U
Paragraaf 4.3.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in deze afdeling 4.3.3 gelden met als doel het in stand houden en versterken van de kenmerkende hoogteverschillen van het landschap.
De afdeling 4.2.3 gaat over landschappelijke waarden.
De regels in deze afdeling 4.3.34.2.3 gelden binnen het gebied reliëf.met als doel:
De landschappelijke waarde reliëf geldt binnen het gebied reliëf.
De landschappelijke waarde openheid geldt binnen het gebied openheid.
De landschappelijke waarde rivierduin geldt binnen het gebied rivierduin.
V
Paragraaf 4.3.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is binnen het gebied reliëf alleen toegestaan met een omgevingsvergunning te bouwen of werken, niet zijnde een bouwwerk of werkzaamheden uit te voeren zoals genoemd in artikel 4.71.
Alleen met een omgevingsvergunning zijn werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 4.106 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 4.107.
Het verlagen van de bodem.
Het egaliseren van gronden.
Het ophogen van gronden.
Het verharden van gronden.
Het aanleggen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterpartijen.
Het dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterpartijen.
Het afgraven van gronden.
Het bebossen of op een andere manier beplanten met houtopstanden.
Het aanbrengen van bovengrondse en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, met uitzondering van het aanbrengen van leidingen voor de aansluiting van percelen op het openbare voorzieningennet.
Bij de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid moet aanvullend op de gegevens en documenten die vereist zijn vanuit hoofdstuk 22 in elk geval een rapport of document ingediend worden waaruit blijkt dat er geen wezenlijke negatieve gevolgen zijn voor de aanwezige reliëf.
Werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis, in het kader van het normale beheer en onderhoud.
Werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die binnen een bouwvlak worden uitgevoerd.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 4.105 moet in elk geval een rapport of document ingediend worden waaruit blijkt dat er geen wezenlijke negatieve gevolgen zijn voor de aanwezige landschappelijke waarden.
In geval van werken en werkzaamheden in de vorm van de aanleg van leidingen of het egaliseren, ophogen, verharden en afgraven van gronden mag door directe of indirecte gevolgen van die werken en werkzaamheden de waarde van het reliëf niet onevenredig worden aangetast.
Er is sprake van een advies van een landschap en eventueel natuur deskundige waaruit blijkt dat wordt voldaan aan het genoemde in het eerste lid.
Als door het uitvoeren van het werk of door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige waarde(n).
De locatie mag niet gelegen zijn binnen het Gelders natuurnetwerk of de Groene ontwikkelingszone, tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardig belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones.
Een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 4.105 wordt alleen verleend als:
de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast;
er geen blijvende onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige waarde(n);
de locatie niet ligt binnen het Gelders Natuurnetwerk of de groene ontwikkelingszone, tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, of geen noemenswaardig belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones.
het advies van de landschapsdeskundige is betrokken bij het besluit op de omgevingsvergunning.
Geen omgevingsvergunning als genoemd in artikel 4.70 is nodig als:
het gaat om werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis, in het kader van het normale beheer en onderhoud;
werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die binnen een bouwvlak worden uitgevoerd;
werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden waarmee op basis van een al verleende vergunning is of mag worden begonnen op het tijdstip van inwerkingtreden van een wijziging van dit omgevingsplan.
W
Artikel 5.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning kan toch worden verleend voor de specifieke gevallen zoals genoemdbedoeld in dit artikel, wanneer voldaan wordt aan de aanvullende beoordelingsregels zoals genoemdbedoeld in artikel 5.14.
Het oprichten van bouwwerken van algemeen nut (zoals abri's, transformatorhuisjes, gasmeet- en regelstations en conmatics), mits de inhoud van elk van deze bouwwerken niet meer bedraagt dan 75 m3 en de bouwhoogte ervan niet meer bedraagt dan 4 meter.
Het overschrijden van de bouwregels over de goothoogte, de bouwhoogte en de (vloer)oppervlakte van gebouwen, met niet meer dan 10%, met uitzondering van de regels in de functie Wonen.
Het overschrijden van de bouwregels inzake de bouwhoogte en de oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met niet meer dan 10%.
Het in geringe mate aanpassen van het plan, teneinde enig onderdeel van het plan, zoals een bouwgrens, te veranderen, waarbij de grens met niet meer dan 3 meter wordt verschoven.
Het oprichten van masten voor mobiele (beeld)telefonie en zendmasten tot een bouwhoogte van maximaal 15 meter.
Het oprichten van kunstobjecten tot een bouwhoogte van maximaal 10 meter, voor alle (hoofd)functies, behalve de functie Bos, Groen en Natuur.
X
Subsubparagraaf 5.3.8.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Alleen met een omgevingsvergunning is het toegestaan omplaatsen van zonnepanelen op de grond te plaatsentoegestaan.
Een omgevingsvergunning zoals genoemdbedoeld in artikel 5.15 wordt alleen verleend als:
de zonnepanelen worden geplaatst op eigen grond, op het perceel dat als erf gebruikt wordt;
de hoogte maximaal 1,5 meter is;
de totale oppervlakte van de op de grond geplaatste zonnepanelen maximaal 100 m2 bedraagt; en
de zonnepanelen landschappelijk zijn/worden ingepast en hiervoor vooraf advies is ingewonnen bij ter zake deskundigen op het gebied van ecologie en landschap.
Y
Subsubparagraaf 5.3.8.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Alleen met een omgevingsvergunning is het toegestaan omplaatsen van een mini winturbine te plaatsenwindturbine toegestaan.
Een omgevingsvergunning zoals genoemdbedoeld in artikel 5.17 wordt alleen verleend als:
de as van de mini windturbine maximaal 5 meter uitsteekt boven het hoogste punt van het bouwwerk waarop de turbine geplaatst wordt;
de mini windturbine ruimtelijk en milieuhygiënisch aantoonbaar geen overlast veroorzaakt voor de omgeving; en
voor de mini windturbine geen vergunningplichtige beplanting verwijderd hoeft te worden.
Z
Subsubparagraaf 5.3.8.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Alleen met een omgevingsvergunning is het toegestaan omplaatsen van een kleine winturbine te plaatsentoegestaan.
Een omgevingsvergunning zoals genoemdbedoeld in artikel 5.19 wordt alleen verleend als:
de kleine windturbine een maximale as-hoogte heeft van 30 meter;
de kleine windturbine niet mag staan in het gebiedstype 'woongebieden', zoals weergegeven in de bijlage Algemeen - Gebiedstypen;
in het landelijk gebied op het erf gerealiseerd moet worden, op maximaal 100 meter afstand van het op dat erf aanwezige hoofdgebouw;
de kleine windturbine moet minimaal (A) mmeter van het beperkingengebied 'Leiding - GasGasleiding' af liggenafliggen, zoals berekend uit de volgende formule: A = H + 1/3 W, waarin A = minimale afstand, H = ashoogte, W = Wieklengte en de wieklengte = 1/2 ashoogte;
de kleine windturbine moet minimaal (A) meter van het beperkingengebied 'Hoogspanningsverbinding' afliggen, waarbij een vrije ruimte wordt aangehouden die minimaal gelijk of groter is dan de maximale werpafstand bij nominaal toerental, of indien deze groter is ashoogte plus ½ rotordiameter, van de betreffende windturbine;
de kleine windturbine ruimtelijk en milieuhygiënisch aantoonbaar geen overlast veroorzaakt voor de omgeving; en
voor de kleine windturbine geen vergunningplichtige beplanting verwijderd hoeft te worden.
AA
Artikel 5.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden bij ruimtelijke bouwactiviteiten bouw- en/of hoofdfunctiegrenzen functiegrenzen zoals opgenomen in hoofdstuk 6 te overschrijden.
Het verbod in het eerste lid geldt niet bij:
stoepen, stoeptreden, toegangsbruggen en funderingen, voorzover zij de grens van de weg niet overschrijden;
plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden voor ventilatiekanalen en schoorstenen, voorzover de overschrijding van de naar de weg gekeerde bouwgrens niet meer dan 12 centimeter bedraagt en daarbij de grens van de weg niet wordt overschreden;
gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, bloemenkozijnen, balkons, reclame-uitingen, galerijen en luifels, voorzover de overschrijding van de naar de weg gekeerde bouwgrens niet meer dan 50 centimeter bedraagt en zij niet lager zijn aangebracht dan:
ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voorzover dezen de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijden;
goten, ondergrondse afvoerleidingen en inrichtingen voor de verzameling van water en rioolstoffen;
hijsinrichtingen aan tot bewoning bestemde gebouwen, voorzover deze hijsinrichtingen in geen enkele stand:
BB
Artikel 6.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Nevenactiviteiten zoals genoemd in artikel 6.5 moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:
alleen nevenactiviteiten, genoemd in de Lijst van neven- en hergebruiksactiviteiten (bijlage Algemeen - Lijst van neven- en hergebruiksactiviteiten) zijn toegestaan;
nevenactiviteiten in de openlucht zijn alleen toegestaan bij de hoofdfunctie dagrecreatie, verblijfsrecreatie of zorgactiviteiten tot een oppervlakte van maximaal 200 m2;
de oppervlakte van de nevenactiviteit(en) mag maximaal 50 % van de oppervlakte van de bestaande bedrijfsgebouwen en bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning bedragen onder voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte van de nevenactiviteit(en) in totaal maximaal 350 m2 is;
verblijfsrecreatie is alleen toegestaan in de bestaande bedrijfswoning en de daaraan aangebouwde bijbehorende bouwwerken, zonder dat dit ten koste gaat van de woonfunctie van de bedrijfswoning, daarvan is in elk geval sprake als meer dan 40% van de woning wordt gebruikt voor verblijfsrecreatie.
CC
Het opschrift van paragraaf 6.1.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DD
Subparagraaf 6.1.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Alleen met een omgevingsvergunning zijn neven-/hergebruiksactiviteiten zoals deze zijn opgenomen in bijlage Algemeen - Lijst van neven- en hergebruiksactiviteiten toegestaan wanneer het gaat om activiteiten waarbij:
De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.8 wordt alleen verleend als:
de oppervlakte van de nevenactiviteit(en) maximaal 50 % van de oppervlakte van de bestaande gebouwen mag zijn, onder voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte van de nevenactiviteit(en) niet meer mag bedragen dan in de tabel hieronder is aangegeven. Daarbij moet rekening worden gehouden dat bij een combinatie van meerdere nevenactiviteiten maximaal de laagste oppervlaktenorm is toegestaan;
de landschappelijke inpassing is gewaarborgd in een landschappelijk inrichtingsplan, die voldoet aan het bepaalde in de bijlagen Algemeen - Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijke inpassing', Algemeen - Landschapstypen en Algemeen - Leidraad Toetsingskader Landschapselementen, en waarover advies is ingewonnen bij een deskundige op het gebied van landschap;
de (gezamenlijke) nevenactiviteit(en) van ondergeschikte betekenis is (zijn) aan het agrarisch bedrijf en de agrarische bedrijfsfunctie in bedrijfseconomische, ruimtelijke en visuele zin primair blijft.
In afwijking van artikel 6.9 eerste lid kan geen omgevingsvergunning worden verleend als de locatie is gelegen binnen het gebied groene ontwikkelingszonede groene ontwikkelingszone, tenzij kan worden aangetoond dat er geen ernstigesignificante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van de Groenegroene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, ofdan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones. De regels uit artikel 6.9 eerste lid blijven dan ook gelden.
EE
Het opschrift van artikel 6.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FF
Artikel 6.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.10 wordt alleen verleend als:
de gronden die in gebruik genomen gaan worden voor kamperen binnen het bouwvlak liggen of daar direct op aansluiten;
er maximaal 25 kampeerplaatsen zijn;
kamperen uitsluitend is in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;
gebouwen, zoals sanitaire ruimten, voldoen aan de volgende regels:
het kamperen van ondergeschikte betekenis is aan het agrarisch bedrijf en de agrarische bedrijfsfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft;
het kampeerterrein na realisatie landschappelijk is ingepast op een manier die voldoet zoals aangegeven in de bijlagen Algemeen - Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijke inpassing', Algemeen - Landschapstypen en Algemeen - Leidraad Toetsingskader Landschapselementen.
In afwijking van artikel 6.11 eerste lid kan geen omgevingsvergunning worden verleend als de locatie ligt binnen het gebied groene ontwikkelingszonede groene ontwikkelingszone, tenzij kan worden aangetoond dat er geen ernstige aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van de Groenegroene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, of geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones. De regels uit artikel 6.11 eerste lid blijven dan ook gelden.
GG
Artikel 6.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Nieuwvestiging van grondgebonden- en een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf is verboden.
Nieuwvestiging en uitbreiden van een geitenhouderij is verboden, daaronder wordt verstaan:
het vestigen van een geitenhouderij;
het geheel of gedeeltelijk wijzigen van een veehouderij of veehouderijtak met andere landbouwhuisdieren in een geitenhouderij;
het vergroten van het aantal geiten dat op een bestaande geitenhouderij wordt gehouden;
het vergroten van de oppervlakte van een dierenverblijf voor geiten, tenzij het vergunde, dan wel gemelde aantal geiten aantoonbaar niet groeit;
het oprichten van een dierenverblijf voor een geitenhouderij en een gebouw of gronden voor het houden van geiten in gebruik te nemen;
het tijdelijk gebruiken van bouwwerken of gronden tijdelijk te gebruiken voor een geitenhouderij.
Het gebruik van gronden en bouwwerken voor het houden van landbouwhuisdieren is in elk geval verboden als sprake is van een toename van stikstofdepositie vanaf het betreffende agrarische bedrijf ten opzichte van de bestaande stikstofdepositie van het betreffende agrarische bedrijf door het gebruik van gronden en overkappingen.
Het omschakelen van een grondgebonden veehouderijbedrijf(stak) naar een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf(stak) is niet toegestaan.
HH
Afdeling 6.5 wordt geplaatst na afdeling 6.1. Afdeling 6.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Afdeling 6.56.2 gaat over de functie evenementen.
De regels in afdeling 6.56.2 gelden binnen het gebied evenementenlocatie.
Binnen het gebied evenementenlocatie gelden de regels in afdeling 6.56.2 in aanvulling op het ter plaatse van toepassing zijnde ruimtelijke plan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
Voor zover de regels in afdeling 6.56.2 strijdig zijn met het ter plaatse van toepassing zijnde ruimtelijke plan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, hebben de regels in afdeling 6.56.2 voorrang op de regels waarmee de strijdigheid bestaat.
Evenementen zijn in de vorm van een voor publiek bestemde uitvoering / verrichting van vermaak, op het gebied van sport, muziek of op sociaal-cultureel vlak toegestaan.
De op- en afbouw van bij het evenement behorende voorzieningen mag in totaal maximaal 7 dagen duren.
De begin- en eindtijden van de evenementen moeten voldoen aan de tijden zoals staat in de tabel hieronder:
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 6.636.17 tweede lid voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor een langduriger evenementevenement dat langer duurt.
Het maatwerkvoorschrift wordt alleen genomen als:
er voldoende parkeerplaatsen al dan niet op eigen terrein beschikbaar zijn;
de aan te brengen voorzieningen tijdelijk zijn. Dit betekent dat het houden van een evenement niet mag leiden tot onomkeerbare voorzieningen en/of ingrepen; en
er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de binnen het gebied aanwezige waarden.
Binnen het gebied evenementenlocatie - binnenstad Doetinchem zijn evenementen toegestaan.
Er zijn maximaal 3 evenementen toegestaan van maximaal 30 dagen.
Er zijn maximaal 30 evenementen toegestaan van maximaal 6 dagen.
De duur van de evenementen is exclusief op- en afbouw.
Het aantal evenementen binnen het gebied evenementenlocatie - binnenstad Doetinchem is inclusief koopzondagen.
Binnen het gebied evenementenlocatie - Mark Tennantplantsoen zijn evenementen toegestaan.
Alleen met een omgevingsvergunning is voor één evenement per kalenderjaar een begintijd van 06:00 uur toegestaan.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.23 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt waarom het noodzakelijk is om eerder te beginnen dan de standaard begintijd zoals staat in artikel 6.636.17 derde lid.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.23 wordt alleen verleend als:
II
Afdeling 6.2 wordt geplaatst na afdeling 6.5. Afdeling 6.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Afdeling 6.26.3 gaat over de functie groen.
De regels in afdeling 6.26.3 gelden binnen het gebied groen .
Binnen het gebied groen is het gebruik van gronden toegestaan voor:
(structurele) groenvoorzieningen waaronder houtige opstandenhoutopstanden;
extensieve dagrecreatie en mogelijkheden voor ontmoeting en spelen;
fiets- en wandelpaden en verhardingen, niet zijnde parkeervoorzieningen;
waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen;
nutsvoorzieningen;
kunstobjecten;
bestaande inritten; en
straatmeubilair en speeltoestellen.
Alleen met een omgevingsvergunning is een nieuwe inrit toegestaan.
De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.176.29 wordt alleen verleend als:
de inrit noodzakelijk is om een perceel te ontsluiten;
de inrit geen onevenredige afbreuk doet aan de flora en fauna ter plaatse;
de waarde of beleving van de groenvoorziening niet onevenredig wordt aangetast;
als uit het advies van deskundige op het gebied van ecologie blijkt dat er geen bezwaren zijn vanuit ecologisch oogpunt;
als uit het advies van deskundige op het gebied van verkeer blijkt dat er geen bezwaren zijn vanuit verkeerskundig oogpunt; en
de ruimtelijke uitwerking van de afwijking aanvaardbaar is.
JJ
Na afdeling 6.2 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Afdeling 6.4 gaat over de functie natuur.
Binnen het gebied natuur is het volgende gebruik van gronden toegestaan:
instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige natuur- , visuele- en landschapswaarden;
extensieve dagrecreatie, als de onder a bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast;
waterpartijen, waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen, inclusief bijbehorende oevers;
fiets- en wandelpaden, als de onder a bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast;
kunstobjecten;
nutsvoorzieningen; en
bouwwerken en voorzieningen die horen bij de functie natuur.
KK
Afdeling 6.3 wordt geplaatst na afdeling 6.4. Afdeling 6.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Afdeling 6.36.5 gaat over de functie verkeer.
De regels in afdeling 6.36.5 gelden binnen het gebied verkeer.
Binnen het gebied verkeer is het gebruik van gronden toegestaan voor:
Bij mogelijkheden voor ontmoeting moet voldaan worden aan de voorwaarden die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in de Nota Terrassenbeleid, zoals vastgesteld bij besluit van burgemeester en wethouders van 5 maart 2013, rekening houdende dat wanneer de nota wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
Bij mogelijkheden voor ontmoeting moet voldaan worden aan de voorwaarden die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in de Nota Standplaatsenbeleid 2011, zoals vastgesteld bij besluit van burgemeester en wethouders van 22 november 2011, rekening houdende dat wanneer de nota wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
LL
Na afdeling 6.3 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Afdeling 6.6 gaat over de functie water.
Binnen het gebied water is het volgende gebruik van gronden toegestaan:
het ontvangen, bergen en/of afvoeren van water zoals waterpartijen, waterlopen en andere watergangen, inclusief bijbehorende oevers;
instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige natuur- , visuele en landschapswaarden;
extensieve dagrecreatie, als de onder b bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast;
infrastructurele voorzieningen;
groen- en nutsvoorzieningen;
bouwwerken die bij de functie water horen.
MM
Afdeling 6.4 wordt geplaatst na afdeling 6.6. Afdeling 6.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Afdeling 6.46.7 gaat over de functie wonen.
De regels in afdeling 6.46.7 gelden binnen het gebied wonen.
Het gebruik van gronden en bouwwerken voor woningen en de hierbij behorende bouwwerken en voorzieningen zijn binnen het gebied wonen toegestaan, tenzij anders in dit plan is aangeven.
Het gebruiken van woningen en aangebouwde bijbehorende bouwwerken voor een aan huis gebonden beroep en/of bedrijf binnen het gebied stedelijk gebied is toegestaan, als voldaan wordt aan de volgende regels:
het medegebruik van ondergeschikte betekenis is en de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft;
niet meer dan 40% van de totale vloeroppervlakte van de woning, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken die voor de functie wonen mogen worden gebruikt, mag worden gebruikt voor het aan huis gebonden beroep en/of bedrijf;
het medegebruik van aangebouwde bijbehorende bouwwerken zodanig beperkt blijft dat de afstand tussen de als zodanig gebruikte ruimte en de achterste bouwperceelsgrens minimaal 8 meter mag zijn. Als het hoofdgebouw op kortere afstand ligt, geldt die afstand als norm. De afstandsnorm geldt niet voor bouwwerken die binnen het bouwvlak liggen;
de woning moet blijven voldoen aan het bepaalde in het Besluit bouwwerken leefomgeving;
degene die het aan huis gebonden beroep en/of bedrijf uitoefent ook de bewoner van de woning moet zijn;
alleen bedrijven en/of beroepen aan huis toelaatbaar zijn, die behoren tot de Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven zoals opgenomen in de bijlage Algemeen - Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven;
geen detailhandel mag plaatsvinden, behalve:
een bedrijf geen winkeluitstraling mag hebben;
geen sprake mag zijn van werkzaamheden, activiteiten en/of opslag in de open lucht voor de uitoefening van het aan huis gebonden beroep en/of bedrijf; buitenactiviteiten gekoppeld aan gastouderschap zijn wel toegestaan; en
vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet mogen worden gebruikt voor de uitoefening van het aan huis gebonden beroep en/of bedrijf.
Het gebruiken van woningen en aangebouwde bijbehorende bouwwerken voor een aan huis gebonden beroep en/of bedrijf binnen het landelijk gebied is toegestaan, als voldaan wordt aan de volgende regels:
het medegebruik van ondergeschikte betekenis is en de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft;
voor het aan huis gebonden bedrijf of beroep mag niet meer dan 40 % van de totale oppervlakte van de vloeroppervlakte van de woning én de vloeroppervlakte van de bijbehorende bouwwerken, worden gebruikt, waarbij de vloeroppervlakte van de bijbehorende bouwwerken maximaal 100 m2 mag zijn;
de woning moet blijven voldoen aan het bepaalde in het Besluit bouwwerken leefomgeving;
degene die het aan huis gebonden bedrijf of beroep uitoefent ook de bewoner van de woning moet zijn;
alleen bedrijven of beroepen aan huis toelaatbaar zijn, die behoren tot de Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven zoals opgenomen in de bijlage Algemeen - Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven;
geen onevenredige verstoring van de voorzieningenstructuur mag plaatsvinden;
een detailhandel mag plaatsvinden, behalve:
een bedrijf geen winkeluitstraling mag hebben;
geen uitstalling van te verkopen artikelen mag plaatsvinden; geen showroom binnen of buiten;
het medegebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling én niet onevenredig veel extra verkeer mag worden aangetrokken;
het medegebruik geen nadelige invloed mag hebben op de parkeerbalans én op eigen terrein moet worden geparkeerd door gebruiker en bezoekers;
alleen onverlichte reclame-uitingen met een oppervlakte kleiner dan 0,5 m2 zijn toegestaan, waarvan de langste zijde minder dan 1 meter mag zijn;
geen sprake mag zijn van werkzaamheden, activiteiten en/of opslag in de open lucht voor de uitoefening van het aan huis gebonden bedrijf of beroep.
Binnen het gebied woningtype is alleen het aangegeven woningtype toegestaan.
Binnen het gebied maximum aantal woningen is maximaal het aantal aangegeven woningen toegestaan.
De regels in subparagraaf 6.4.3.36.7.3.3 gelden met als doel dat voldaan wordt aan de Doelgroepenverordening betaalbare woningen gemeente Doetinchem 2023 (vastgesteld op 30 november 2023). Wijzigt deze Doelgroepenverordeningdoelgroepenverordening, dan moet rekening worden gehouden met die wijziging.
De regels in subparagraaf 6.4.3.36.7.3.3 gelden binnen het gebied woningdifferentiatie.
Van het totaal aantal woningen moet binnen het gebied minimum percentage sociale huurwoning minimaal het aangegeven percentage een sociale huurwoning zijn, waarbij de instandhouding voor de in de Doelgroepenverordening betaalbare woningen gemeente Doetinchem 2023 (vastgesteld op 30 november 2023) omschreven doelgroep voor ten minste 25 jaar na ingebruikname is verzekerd, en rekening wordt gehouden met wijzigingen op de verordening.
Van het totaal aantal woningen moet binnen het gebied minimum percentage middenhuurwoning minimaal het aangegeven percentage een middenhuurwoning zijn, waarbij de instandhouding voor de in de Doelgroepenverordening betaalbare woningen gemeente Doetinchem 2023 (vastgesteld op 30 november 2023) omschreven doelgroep voor ten minste 15 jaar na ingebruikname is verzekerd, en rekening wordt gehouden met wijzigingen op de verordening.
Van het totaal aantal woningen moet binnen het gebied minimum percentage goedkope koopwoning minimaal het aangegeven percentage een sociale koopwoning in de categorie goedkope koopwoning zijn, waarbij de instandhouding voor de in de Doelgroepenverordening betaalbare woningen gemeente Doetinchem 2023 (vastgesteld op 30 november 2023) omschreven doelgroep voor ten minstetenminste 10 jaar na ingebruikname is verzekerd, en rekening wordt gehouden met wijzigingen op de verordening.
Van het totaal aantal woningen moet binnen het gebied minimum percentage sociale koopwoning (betaalbaar categorie 1) minimaal het aangegeven percentage een sociale koopwoning in de categorie betaalbare koopwoning categorie 1 zijn, waarbij de instandhouding voor de in de Doelgroepenverordening betaalbare woningen gemeente Doetinchem 2023 (vastgesteld op 30 november 2023) omschreven doelgroep voor ten minste 10 jaar na ingebruikname is verzekerd, en rekening wordt gehouden met wijzigingen op de verordening.
Van het totaal aantal woningen moet binnen het gebied minimum percentage sociale koopwoning (betaalbaar categorie 2) minimaal het aangegeven percentage een sociale koopwoning in de categorie betaalbare koopwoning categorie 2 zijn, waarbij de instandhouding voor de in de Doelgroepenverordening betaalbare woningen gemeente Doetinchem 2023 (vastgesteld op 30 november 2023) omschreven doelgroep voor ten minste 10 jaar na ingebruikname is verzekerd, en rekening wordt gehouden met wijzigingen op de verordening.
Aangebouwde bijbehorende bouwwerken mogen worden gebruikt voor de uitbreiding van de woonfunctie, als voldaan wordt aan de volgende regels:
het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor wonen is niet toegestaan;
de afstand tussen dat bouwwerk en de achterste bouwperceelsgrens minimaal 8 meter bedraagtis. Als het hoofdgebouw op kortere afstand ligt, geldt die afstand als norm. De afstandsnorm geldt niet voor bouwwerken die binnen het bouwvlak liggen; en
bewoning slechts is toegestaan door personen die deel uitmaken van dehet huishouden van de bijbehorende woning;.
het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor wonen niet is toegestaan.
In afwijking van artikel 5.3 zijn binnen het gebied besluitgebied - Terborgseweg naast 119 Doetinchem minimaal 65 parkeerplaatsen aanwezig, waarvan maximaal 28 op het maaiveld.
In afwijking van artikel 5.9 mag de gedeeltelijk verdiepte parkeergarage binnen het gebied Terborgseweg naast 119 - gedeeltelijk verdiepte parkeergarage maximaal 2,5 meter diep zijn.
Binnen het gebied Terborgseweg naast 119 - uitsluitend gedeeltelijk verdiepte parkeergarage zijn alleen een parkeergarage en bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan.
Alleen met een omgevingsvergunning is een ander beroep en/of bedrijf aan huis dan is opgenomen in de bijlage Algemeen - Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven toegestaan.
De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.356.55 wordt alleen verleend als het andere beroep en/of bedrijf naar aard, omvang en hinder gelijk is te stellen met één of meer in de bijlage Algemeen - Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven genoemde beroepen en bedrijven.
Alleen met een omgevingsvergunning kan de uitbreiding van de woonfunctie worden toegestaan tot een afstand van minimaal 3 meter tussen het bouwwerk en de achterste bouwperceelsgrens worden toegestaan.
De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.376.57 wordt alleen verleend, als voldaan worden aan de volgende regels::
het niet gaat om een vrijstaand bijbehorende bouwwerk.
het bouwperceel aan de achterzijde en ter hoogte van het (geplande) bijbehorende bouwwerk grenst aan (openbaar) gebied waar het gebruik groen, natuur, water, verkeer of daarmee vergelijkbaar gebruik is toegestaan; en
bewoning slechts is toegestaan door personen die deel uitmaken van dehet huishouden van de bijbehorende woning;
het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor wonen niet is toegestaan.
Alleen met een omgevingsvergunning kan het gebruik van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk voor een aan huis gebonden beroep en/of bedrijf worden toegestaan tot eenals de afstand van minimaal 3 meter tussen het bouwwerk en de achterste bouwperceelsgrens minimaal 3 meter is.
De omgevingsvergunning als genoemdzoals bedoeld in artikel 6.396.59 wordt alleen verleend, als voldaan worden aan de volgende regels:
het niet gaat om een vrijstaand bijbehorende bouwwerk.
het bouwperceel aan de achterzijde en ter hoogte van het (geplande) bijbehorende bouwwerk grenst aan (openbaar) gebied waar het gebruik groen, natuur, water, verkeer of daarmee vergelijkbaar gebruik is toegestaan; en
bewoning slechts is toegestaanbewoning gebeurd door personen die deel uitmaken van dehet huishouden van de bijbehorende woning;.
het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor wonen niet is toegestaan.
Alleen met een omgevingsvergunning is een aan huis gebonden beroep en/of bedrijf in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk toegestaan.
De omgevingsvergunning als genoemdzoals bedoeld in artikel 6.416.61 wordt alleen verleend, als voldaan worden aan de volgende regels:
Alleen met een omgevingsvergunning kan het gebruik van een aangebouwd of vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij een bestaande woning als woonruimte van mantelzorg worden toegestaan.
De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.436.63 wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende regels:
de mantelzorgwoning is functioneel verbonden is met het hoofdgebouw;
de totale oppervlakte die voor mantelzorg in gebruik wordt genomen maakt onderdeel uit maakt van de in artikel 7.87.9 en artikel 7.107.11 onderdeel a genoemde oppervlaktenorm (100 m2) en de woonunit strekt zich niet uituitstrekt tot meer dan één bouwlaag;
de afstand tussen het bijbehorend bouwwerk en de achterste bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 8 mmeter is; deze afstand kan worden teruggebracht naar 3 meter als de aangrenzende (openbare) grond ter hoogte van de geplande woonruimte aan (openbaar) gebied grenst waar het gebruik groen, natuur, water, verkeer of daarmee vergelijkbaar gebruik is toegestaan;
de hoogtenorm voor bijbehorende bouwwerken blijft onverminderd van kracht blijft; en
de woonruimte voldoet aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Alleen met een omgevingsvergunning kan een woonunit voor mantelzorg worden toegestaan als:
De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 6.456.65 wordt alleen verleend als:
Als de noodzaak voor mantelzorg is vervallen, moet de situatie in en om de woning worden teruggebracht in de oude staat, dan welof in overeenstemming met het omgevingsplan worden gebracht. Dat betekent dat daarna geen sprake meer is van extra woonruimte.
Het gebied Terborgseweg naast 119 - gebod bergingscapaciteit hemelwater mag alleen bebouwd worden en vervolgens in stand worden gehouden als de waterberging/infiltratie voor hemelwater wordt gerealiseerd en in stand gehouden uitgaande van tenminste 80 mm per m2 verhard oppervlak e.e.a., zoals opgenomen in bijlage Terborgseweg naast 119 Doetinchem - hemelwaterberging.
Het gebied Akkermansweg 2 - gebod bergingscapaciteit hemelwater mag alleen bebouwd worden en vervolgens in stand worden gehouden als de waterberging/infiltratie voor hemelwater wordt gerealiseerd en in stand gehouden uitgaande van tenminste 55 mm per m2 verhard oppervlak.
Het gebied Bultensweg 12 -14 - gebod bergingscapaciteit hemelwater mag alleen bebouwd worden en vervolgens in stand worden gehouden als de waterberging/infiltratie voor hemelwater wordt gerealiseerd en in stand gehouden uitgaande van tenminste 55 mm per m2 verhard oppervlak.
Het gebied Amphionpark - gebod bergingscapaciteit hemelwater mag alleen bebouwd worden en vervolgens in stand worden gehouden als de waterberging/infiltratie voor hemelwater wordt gerealiseerd en in stand gehouden uitgaande van tenminste 80 mm per m2 verhard oppervlak.
Binnen 1 jaar na ingebruikname van de gronden en bouwwerken moet binnen het gebied IJzevoordseweg 7 - gebod landschappelijke inpassing de landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals is opgenomen in bijlage IJzevoordseweg 7 Doetinchem - versterkingsplan.
Binnen 1 jaar na ingebruikname van de gronden en bouwwerken moet binnen het gebied Terborgseweg naast 119 - gebod landschappelijk inpassing de landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals is opgenomen in bijlage Terborgseweg naast 119 Doetinchem - Inrichtingsschets.
Binnen 1 jaar na ingebruikname van de gronden en bouwwerken moet voor ontwikkelingen binnen het gebied Broekhuizerstraat 10 - gebod landschappelijke inpassing de landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals is opgenomen in bijlage Broekhuizerstraat 10, 10a, 10b Wehl - Landschappelijk inpassingsplan.
Binnen 1 jaar na ingebruikname van de gronden en bouwwerken moet vanwege de ontwikkelingen binnen het gebied Akkermansweg 2 - gebod landschappelijke inpassing de landschappelijke inpassing zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals is opgenomen in bijlage Akkermansweg 2 - landschappelijk inpassingplan.
Binnen 1 jaar na ingebruikname van de gronden en bouwwerken moet vanwege de ontwikkelingen binnen het gebied Bultensweg 12 - gebod landschappelijke inpassing de landschappelijke inpassing voor het perceel Bultensweg 12 zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals is opgenomen in bijlage Bultensweg 12 en 14 - landschappelijk inpassingsplan.
Binnen 1 jaar na ingebruikname van de gronden en bouwwerken moet vanwege ontwikkelingen binnen het gebied Bultensweg 14 - gebod landschappelijke inpassing de landschappelijke inpassing voor het perceel Bultensweg 14 zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden zoals is opgenomen in bijlage Bultensweg 12 en 14 - landschappelijk inpassingsplan.
Binnen het gebied Amphionpark - gebod beeldkwaliteitsplan moet bijlage Amphionpark - Beeldkwaliteitsplan Amphionpark Doetinchem worden betrokken bij de toetsing aan de ruimtelijke kwaliteit. Wanneer het beeldkwaliteitsplan strijdig is met dit omgevingsplan gaan de regels uit het omgevingsplan voor.
Alleen met een omgevingsvergunning kan een gebod zoals genoemd in paragraaf 6.4.5 anders worden uitgevoerd.
Alleen met een omgevingsvergunning kan een gebod bergingscapaciteit hemelwater, gebod landschappelijke inpassing en/of gebod beeldkwaliteitsplan zoals genoemd in paragraaf 6.7.5 anders worden uitgevoerd.
Aanvullend op de gegevens en bescheiden die van toepassing zijn uit hoofdstuk 22 behoort in elk geval een rapport of ander document waarin de landschappelijke inpassing zoals deze moet worden gerealiseerd is vastgelegd.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.79 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend, waaruit blijkt dat:
De omgevingsvergunning als genoemdzoals bedoeld in artikel 6.576.79 wordt alleen verleend als:
aangetoond is dat een afwijking van het gebod noodzakelijk is en dat de afwijking zich uitsluitend daartoe beperkt;
aangetoond is dat aan de bedoeling van het gebod waarvan wordt afgeweken onverminderd invulling wordt gegeven;
de afwijking leidt niet tot een kwalitatieve verslechtering van het resultaat dat werd beoogd met het gebod waarvan wordt afgeweken;
de afwijking gerealiseerd en in stand gehouden wordt binnen, of voor een bepaalde of onbepaalde termijn overeenkomstig het gebod waarvan wordt afgeweken;
over de afwijking advies ingewonnen wordt bij een terzake deskundige adviseur; en
het advies van de deskundige is betrokken bij het besluit omgevingsvergunning; en
over de afwijking zo nodig afstemming plaatsvindt met een overlegpartner als bijvoorbeeld het Waterschap, Omgevingsdienst, VNOG en Provincie.
NN
Na artikel 7.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
OO
Paragraaf 7.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een hoofdgebouw is alleen toegestaan binnen het bouwvlak, tenzij anders in dit omgevingsplanplan is aangegeven.
Binnen het gebied maximum bouwhoogte hoofdgebouw is voor hoofdgebouwen de maximaal aangegeven bouwhoogte toegestaan, tenzij anders in dit plan is aangegeven.
Binnen het gebied maximum goothoogte hoofdgebouw is voor hoofdgebouwen de maximaal aangegeven goothoogte toegestaan, tenzij anders in dit plan is aangegeven.
PP
Artikel 7.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen het gebied maximum aantal woningen en bedrijfswoningen is voor woningen en bedrijfswoningen het maximaal aangegeven aantal woningen toegestaan, tenzij anders in dit plan is aangegeven.
Het opschrift van artikel 7.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RR
Het opschrift van artikel 7.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SS
Het opschrift van artikel 7.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TT
Artikel 7.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de gronden binnen het gebied wonen VAB locatie worden artikel 22.27 en 22.36 buiten toepassing verklaard en gelden de regels in dit artikel in afwijking van artikel 7.87.9.
Bijbehorende bouwwerken zijn alleen binnen het gebied bijbehorende bouwwerken VAB locatie toegestaan.
De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal de binnen het gebied maximum oppervlakte bijbehorende bouwwerken VAB aangegeven maximale oppervlakte zijn.
De goothoogte mag maximaal 3 meter zijn; als wordt aangebouwd aan een woning, geldt als maximum de hoogte van de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van die woning, vermeerderd met 30 centimeter.
De bouwhoogte mag maximaal 6 meter zijn.
UU
Artikel 7.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor het bouwen van bijhorende bouwwerken bij een woning of bedrijfswoning binnen het stedelijk gebied gelden de volgende regels:
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal 100 m2 per woning of bedrijfswoning zijn;
voor woningen geldt dat maximaal 50% van het bouwperceelsgedeelte buiten het bouwvlak mag worden bebouwd;
als de bouwmogelijkheden voor de woning in het bouwvlak niet volledig zijn benut, mogen deze worden gebruikt voor de realisatie van bijbehorende bouwwerken in datzelfde bouwvlak, zonder dat dit ten koste gaat van de onder sub a genoemde oppervlaktenorm;
bijbehorende bouwwerken mogen buiten het bouwvlak alleen vanaf 1 mmeter achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning of bedrijfswoning worden gebouwd;
binnen het bouwvlak mogen bijbehorende bouwwerken op één lijn met de woning of bedrijfswoning worden gebouwd;
bijbehorende bouwwerken mogen, met inachtneming van het bepaalde onder d, tot op de bouwperceelsgrenzen worden gebouwd;
de goothoogte mag maximaal 3 mmeter zijn; als wordt aangebouwd aan een woning of bedrijfswoning, geldt als maximum de hoogte van de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van die woning of bedrijfswoning, vermeerderd met 30 cmcentimeter;
de bouwhoogte mag maximaal 6 mmeter zijn;
in geval van een bijbehorende bouwwerk met een lessenaarsdak, waarvan de bouwhoogte meer dan 3 mmeter is, moet de afstand van de zijde waar de bouwhoogte wordt gemeten tot de bouwperceelsgrens minimaal de breedte van het bijbehorende bouwwerk zijn.
VV
Het opschrift van subparagraaf 7.2.3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WW
Artikel 7.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XX
Het opschrift van artikel 7.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YY
Subparagraaf 7.2.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen het gebied maximum bouwhoogte bouwwerkbouwwerken geen gebouwen zijnde is de aangegeven maximale bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouwen zijnde toegestaan, tenzij in dit plan anders is aangegeven.
In afwijking van het eerste lid mag de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde binnen het landelijk gebied bij de functie wonen de volgende hoogte zijn:
In afwijking van het eerste lid mag de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde binnen het stedelijk gebied bij de functie wonen de volgende hoogte zijn:
speeltoestellen en tuinmeubilair mogen maximaal 3,5 meter zijn;
verlichting en vergelijkbare bouwwerken mogen maximaal 6 meter zijn;
antennedragers inclusief antennes mogen maximaal 15 meter zijn;
afschermingen van technische installatie(s) op platte daken mogen tot maximaal 0,5 m boven het dakvlak worden gebouwd.
In afwijking van het eerste lid mag de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde binnen het stedelijk gebied bij de functie groen en verkeer de volgende hoogte zijn:
In afwijking van het eerste lid mag de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen binnen het gebied water de volgende hoogte zijn:
Alleen erfafscheidingen en extensieve recreatieve voorzieningen mogen worden gebouwd.
Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
de bouwhoogte mag maximaal 1,2 meter zijn;
realisatie van kuilvoerplaten, tunnelkassen, mestopslag, silo's, paardrijbakken en trainingsmolens zijn alleen toegestaan binnen het bouwvlak;
in afwijking van het bepaalde in subonder a mag de bouwhoogte van:
erf- en terreinafscheidingen binnen het bouwvlak en op ten minste 1 meter achter de naar de weg gekeerde bouwgrens, maximaal 2 meter zijn;
bouwwerken voor kuilvoerplaten maximaal 3 meter zijn;
trainingsmolens maximaal 6 meter zijn;
bouwwerken voor mestopslag maximaal 8 meter zijn, waarbij een maximale goothoogte van 6 meter geldt;
silo's, luchtwassers, antennedragers inclusief antennes, verlichting, vlaggenmasten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 10 meter zijn;
windmolens maximaal 15 meter zijn.
ZZ
Het opschrift van paragraaf 7.2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAA
Het opschrift van subparagraaf 7.2.5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBB
Het opschrift van artikel 7.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCC
Het opschrift van artikel 7.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDD
Het opschrift van artikel 7.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEE
Het opschrift van artikel 7.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFF
Artikel 7.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 7.197.20 wordt alleen verleend als:
wordt gebouwd tot aan de zijdelingse bouwperceelgrens , als het bouwperceel aan de zijde en ter hoogte van het (geplande) hoofdgebouw grenst aan (openbaar) gebied waar het gebruik groen, natuur, water, verkeer of daarmee vergelijkbaar gebruik is toegestaan;
als ook voldaan wordt aan de algemene beoordelingsregels en de overige geldende bouwregels.
GGG
Het opschrift van artikel 7.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHH
Artikel 7.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 7.217.22 wordt alleen verleend als:
er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden en waarden van aangrenzende gronden, alsmede de belangen van derden mogen niet onevenredig worden aangetast;
de geluidbelasting van het industrielawaai, wegverkeer en/of railverkeer op de gevels van de nieuwe woning is niet hoger is dan de standaardwaarden als genoemd in het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de ruimtelijke uitwerking van het plan moet aanvaardbaar zijn;
de goothoogte niet hoger is dan 4,5 meter;
de bouwhoogte niet hoger is dan 10 meter;
de inhoud niet meer bedraagt dan 750 m3.
III
Het opschrift van artikel 7.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJ
Artikel 7.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 7.237.24 wordt alleen verleend, als voldaan worden aan de volgende regels:
De mantelzorgwoning is functioneel verbonden met het hoofdgebouw;
de totale oppervlakte die voor mantelzorg in gebruik wordt genomen maakt onderdeel uit van de in artikel 7.87.9 en artikel 7.107.11 onderdeel a genoemde oppervlaktenorm (100 m2) en de woonunit strekt zich niet uit tot meer dan één bouwlaag;
de afstand tussen het bijbehorend bouwwerk en de achterste bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 8 mmeter; deze afstand kan worden teruggebracht naar 3 meter als de aangrenzende (openbare) grond ter hoogte van de geplande woonruimte aan (openbaar) gebied grenst waar het gebruik groen, natuur, water, verkeer of daarmee vergelijkbaar gebruik is toegestaan;
er moet sprake zijn van een ruimtelijke eenheid; de woonunit moet binnen een straal van 10 mmeter van het hoofdgebouw worden geplaatst;
de hoogtenorm voor bijbehorende bouwwerken blijft onverminderd van kracht;
de woonruimte voldoet aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
KKK
Het opschrift van artikel 7.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLL
Artikel 7.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 7.257.26 wordt alleen verleend, als:
MMM
Het opschrift van artikel 7.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNN
Subparagraaf 7.2.7.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Alleen met een omgevingsvergunning is het bouwen van een overkapping bij de woning of bedrijfswoningenbedrijfswoning vóór of op minder dan 1 meter achter de voorgevel toegestaan.
De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 7.287.29 wordt alleen verleend als:
de goothoogte maximaal 3 meter mag zijn, tenzij:
de bouwhoogte maximaal 3,5 meter mag zijn, als wordt aangebouwd aan een bijbehorend bouwwerk, geldt een bouwhoogte die maximaal 50 cm hoger is dan de goothoogte van dat bijbehorend bouwwerk;
de overkapping maximaal aan drie zijden gesloten is met wanden van een bestaand gebouw of een bestaand ander bouwwerk, zoals een erfafscheiding;
de maximale oppervlakte en bebouwingspercentage zoals aangegeven in artikel 7.87.9 blijven gelden.
In afwijking van artikel 7.297.30 eerste lid onder b kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het bouwen van een overkapping met een bouwhoogte van 6 meter, als de stedenbouwkundige situatie daarvoor geschikt is.
OOO
Subparagraaf 7.2.7.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Alleen met een omgevingsvergunning is een bouwhoogte van silo's tot een hoogte van maximaal 15 meter toegestaan.
De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 7.307.31 wordt alleen verleend als:
PPP
Na subparagraaf 7.2.7.5 wordt een subparagraaf ingevoegd, luidende:
Alleen met een omgevingsvergunning is een pakketkluis toegestaan.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 7.33 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend waaruit blijkt het realiseren van een pakketkluis geen negatieve gevolgen heeft voor de omgeving.
De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 7.33 wordt alleen verleend als:
QQQ
Artikel 7.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRR
Hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Afdeling 8.1 gaat over werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden als de bodem wordt bewerkt.
De regels in afdeling 8.1 gelden binnen het gebied werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden.
Alleen met een omgevingsvergunning zijn werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 8.4 toegestaan, tenzij het activiteiten zijn als genoemd in artikel 8.5.
Het aanleggen en/of verharden van wegen en paden en het aanleggen en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.
Het aanleggen van beplantingen.
Het vellen van beplantingen.
Het rooien van beplantingen.
Het aanleggen van watergangen en waterpartijen.
Het dempen van watergangen en waterpartijen.
Het verlagen van en/of het graven in de bodem en het afgraven, ophogen en/of egaliseren van gronden.
Het verlagen van het (grond)waterpeil.
Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
Het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en/of de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.
Werken en werkzaamheden voor het normale onderhoud.
Onderhoudswerkzaamheden aan en vervangingswerkzaamheden van verhardingen
Onderhoudswerkzaamheden aan en vervangingswerkzaamheden van beplantingen.
Onderhoudswerkzaamheden aan en vervangingswerkzaamheden van (tracés van) kabels en leidingen.
Werken en werkzaamheden die al mogen op basis van een vergunning.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.3 moet in elk geval een rapport of ander document worden ingediend. Hieruit blijkt dat de waarden binnen het gebied worden betrokken en de gevolgen van de activiteit(en) op deze waarden worden aangetoond.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.3 wordt alleen verleend als:
Afdeling 8.1 gaat over werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden voor zover sprake is van verstoring van de bodem.
De regels in afdeling 8.1 gelden binnen het gebied groen.
Alleen met een omgevingsvergunning kunnen werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals genoemd in artikel 8.4 worden toegestaan.
Het aanleggen en/of verharden van wegen en paden en het aanleggen en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.
Het aanleggen van beplantingen.
Het vellen van beplantingen.
Het rooien van beplantingen.
Het aanleggen van watergangen en waterpartijen.
Het dempen van watergangen en waterpartijen.
Het verlagen van en/of het graven in de bodem en het afgraven, ophogen en/of egaliseren van gronden.
Het verlagen van het (grond)waterpeil.
Het uitvoeren van heiwerkzaamheden en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
Het aanbrengen van ondergrondse kabels en leidingen en/of de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur.
Geen omgevingsvergunning als genoemd in artikel 8.3 is nodig als:
Ter beoordeling van het genoemde onder artikel 8.7 tweede lid, moet een rapport worden ingediend, waarin in ieder geval de waarden binnen het groen worden betrokken en waarbij wordt aangetoond dat deze waarden niet in belangrijke mate worden geschaad.
Voor verlening van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.3 wordt het ingediende rapport door een deskundige op het gebied van ecologie beoordeeld. Dit advies wordt betrokken bij het besluit over de omgevingsvergunning.
De waarden van het gebied niet in belangrijke mate worden geschaad.
SSS
Artikel 9.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTT
Artikel 9.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is de eerste aanvraag van het kalenderjaar.
Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als in de periode tussen 07:00-23:00 uur:
Er is sprake van een advies van een deskundige waaruit blijkt dat wordt voldaan aan het genoemde in het tweede lid.
UUU
Artikel 9.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen het gebied voorrangsregel - ruimtelijke plan tijdelijke deel omgevingsplan gelden de regels in paragraaf 9.2.1.2 in aanvulling op het ter plaatse van toepassing zijnde ruimtelijke plan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
Voor zover de regels in paragraaf 9.2.1.2 strijdig zijn met het ter plaatse van toepassing zijnde ruimtelijke plan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, hebben de regels in paragraaf 9.2.1.2 voorrang op de regels waarmee de strijdigheid bestaat.
De regels in paragraaf 9.2.1.2 gelden binnen het gebied algemene regels.
[Vervallen]
VVV
Het opschrift van artikel 9.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWW
Het opschrift van artikel 9.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXX
Het opschrift van artikel 9.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYY
Artikel 9.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift afwijken van artikel 9.119.10 om rechtstreeks lozen van verontreinigende stoffen in het grondwater toe te staan, als daarbij wordt voldaan aan de vereisten van artikel 11, derde lid, onder j, van de Kaderrichtlijn Water.
ZZZ
Het opschrift van artikel 9.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAA
Artikel 9.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op het lozen van grondwater op of in de bodem, afkomstig van een activiteit als genoemd in artikel 9.139.12 zijn de artikelen 22.138, eerste en tweede lid, en 22.139, tweede lid, van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing.
BBBB
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/gm0222/2024/7b06cca8ee314455be8cd9543556b91f/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/eee57a55190646eca795b3eb495360d2/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2025/0b49cc31284b479a802666118e1178a7/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/126763e1116a43d9a4992892e36a7292/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/13a23352cd7d418c9e7f735cea3c9b5b/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2025/a11cf7d6d3e64dadbbd2cfdbb1b2ad5b/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2025/bf87e2a42afd44bdb63a3b43d71fe83d/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2025/0324d7ed81364c43a85a35c9857dc6ef/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2025/29c7f27cf04e4a6483c70d469e61f543/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2025/fd5dc069b3df47edb46f0207413036c0/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2025/e76286f003374e0ca0cf9723cc728278/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/0641559504974868822fc1c245044b06/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2025/3fca63ca8ce04744bce17dd21c2edad3/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/f76fef08426d447fbd9e5ace66b3c2e7/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/9620bcbac6f44eab87d0fcd36c9fc595/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/b62ac3440fdb4142be23a4749817217a/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/d2066c4e58d04873bdd590336f1a50c4/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/23b3be57b2db410b829df946c22024ea/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/38cb04990f634bc3acab5a0f4f9bc0f5/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/c758fb26d2944e00ad321fe0525fcba6/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/544240d1a9da4036a1893c90ffd5cc60/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/c2ecc2fee08f4fad99f8d74ce76d2347/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/9c5d7f8ae8f14fb088f15cd2dce841dc/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/83aeb96d43ba4b9aa97a0cc0ed2da418/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/83aeb96d43ba4b9aa97a0cc0ed2da418/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/4dbd1fc1ef634d40abdaa63333b7ca1b/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/b93bb62945e34089ad4289db2626cfa2/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/3edfc00ec7144223b3115b51246d3567/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/87d5930c4af34922948fef80ef6f329e/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/4cd7bb05c2bb4f08a84f95bcd749c85c/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/25890181b3b74ba2a18303a650bdb706/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2025/0ace2e70921b44fbaf46f708ac72c5c7/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/8a3d870bc7574d7797eb8a6cba255b84/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/48770db69dc74f1bbf5b2cba41aaf867/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2025/c0e68a607d5b496db60319f966843d5a/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/21b4328440ad4d49a35d5d113b2008fa/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/030fa972cfcc4b02b39211d8faf9241c/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/edec3d0cd96a41daa8de9b30642c24dd/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/5c67f34038af49d49debf3708008cb8b/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2025/74ed5422ed35461b8fb8f3152b51137f/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/23521bdc18b641d39e5e9091bafbfd1c/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/c0d89fcae33146c98a3b1fdc78f8da7f/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/15a00984d732477688d401c2bf49465f/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/b062b39fef9448908c7861911354b7a3/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/8e027caee8054dff80abb87f364cbe6e/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/a0fa5531655a4cba8b6eed09c254d384/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/0b7ecd7cca5049b28c3b7729ec307667/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/20147e28cf454d838f6f00910b40fa19/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/40ab322a76414415841c3269ae194a3c/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/ba398f394863403fbafbfa70c77599ec/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/59c84b36a52c47c7be209f6d7ba19898/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/59c84b36a52c47c7be209f6d7ba19898/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/03f5c72d77c34f2cb479a542c5dd0d80/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/aababaca58704e5ea57b701cfd83dd31/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/aababaca58704e5ea57b701cfd83dd31/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/5fa6478a7991440693241fbea411a2ff/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/fd57bcc41fa44431aa2fddf1e58bbbbb/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/fd57bcc41fa44431aa2fddf1e58bbbbb/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/cd5e059c8332432aab7dbeccdd395a6d/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2025/a801ba14bbc74b32b600569dc5e7f43e/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/bfb7d40d5e13416ba6d2892782476b52/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/bfb7d40d5e13416ba6d2892782476b52/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/62386f0016f0492493a860dd6622a89b/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/5b11255ebd6e42319b512e0256b903c0/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/1ba7ffd9fcd64701b6b00fb9cacab186/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2025/bb587d2289e24582a958f282642a1659/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/0ac12b49babb490fa3569b52c9d086ac/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/8e63277737254156b1f5c74eb961f72c/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/e0ae6d49d4004acaa5f8a60d58559f97/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/e0ae6d49d4004acaa5f8a60d58559f97/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/a798a8055d4d4a8c95c98607a5369e43/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/f28d2a2ff7a94390b710534e430ec150/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/f28d2a2ff7a94390b710534e430ec150/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/ab93a1f869cd4b2bb75d45e846de00ab/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/0219bce3711d4767b13a175a335fb85d/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/0219bce3711d4767b13a175a335fb85d/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/9b002f395e054dc6982951c410398835/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2025/9bf5c80eee534c7882d7399b8bd15c61/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/70ad585852d243a3830e08a1975102bf/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/8eaec91783b14bcb9f788cbd6395298b/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/ec8030a6b1c24fd784597e541ef4566f/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/b9372f5e3a154b848b202f088a6c3fb7/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/d6525ac71a834e2d8bfa9237d31b0672/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/57ac3c240bd44cd6a3dc093131576fe4/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/57ac3c240bd44cd6a3dc093131576fe4/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/a9f7fa25794d40d6877a2c871dc2fe95/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/005d2dc3e361454cb61925c32bbc8f54/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/c8fc0bf61a2b4d1fa0b47664e217d324/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/bd38e60e251145ca837d2008feb1d0a7/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/2baa243c0ec2454dbf31058688adc518/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/85fe2a7d161c4ff98fd9c7cde3d76d72/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/85fe2a7d161c4ff98fd9c7cde3d76d72/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/095fcc996fa94201963ba8a394254dd3/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/15d868a062a84573bf097467a94fdd5e/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/be0a8fe825d94cba840dd1a718d0df64/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/c745ed2919b3426996e46f39e02b39be/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2025/1e4acfd84af74c6eb3bd2f085f94f6ad/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/4fbb2f4a2ca94724a44adc231919b08d/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/beafaaf3f8c748a7b1ad77b1e0e38363/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/1a4c61f17aba40b0aff7df0cd2ab6cb6/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/fb93097226ee4bc9b1e9c6af77e0ba93/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/10089824b15947f6856d56f55a10f8e1/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/10089824b15947f6856d56f55a10f8e1/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/7dab7fd158334107ab58bcf2ac4c5643/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/e7187558249e476da0c157c11c38af03/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/e7187558249e476da0c157c11c38af03/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2024/b64103cb0cf7450d8f63bbc59b737ce3/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/b64103cb0cf7450d8f63bbc59b737ce3/nld@2025‑09‑04;11351679
CCCC
Bijlage IV wordt geplaatst na bijlage I. Bijlage IV wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/gm0222/2024/0f4eba31baf34372b40bc6b4559740cd/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/cd6f6c1a0e5446b480a10f89c367de21/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/7f080e2702494309aa3fca0fc941cca4/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/ca983aec140643afb1ccfea0aa26b672/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/17056081414e4bfa853c6eb3c5787719/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/b29159f9ae7c4a48bd2d392128d7fa2f/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/a0932e1f910f411ea769a3d1b9545b25/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/628b47aa604341d4b139de47229728f6/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/7557ff7ab8f247f4984cd164f993fd83/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/bcf9736e28a2489a87b7aeb0238f87d9/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/91614e56de60489688de03048970d342/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/ec9e04e2bc0e48bf823107aa61a569ee/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/76a1f1aa286745ccb58c4ddd2b6c9029/nld@2024‑10‑25;06242649
/join/id/regdata/gm0222/2024/4dadeea75b444519a84aefbf38f65424/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2024/4533d78cbd614faf8ce73a1a39ccf5a8/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2025/63a7fca72a5b4a7c9c71f45d4cb6d02a/nld@2025‑02‑13;14402460
/join/id/regdata/gm0222/2025/f034928b970741eabf1adba78d79e4e2/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/regdata/gm0222/2025/3e88ee07ec5644d9b3f06f52112ef347/nld@2025‑09‑04;11351679
DDDD
Bijlage II wordt geplaatst na bijlage IV. Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van hoofdstuk 22 wordt verstaan onder:
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
gebouw:
dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
EEEE
Bijlage III wordt geplaatst na bijlage II. Bijlage III wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
gebied rondom een object (een bedrijf, buisleiding of weg), waarbinnen in geval van een calamiteit de bevolking ongewenste risico's loopt in de zin van doden en gewonden;
een bedrijf dat geheel of overwegend is gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van agrarische producten, zoals het telen van gewassen, het fokken en/of houden van dieren, waaronder productiegerichte paardenhouderijen;
bedrijvigheid, geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van agrarische producten, zoals het telen van gewassen, het fokken en/of houden van dieren, waaronder productiegerichte paardenhouderijen;
de regionaal (beleids)archeoloog of een andere door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg;
een onderzoek gericht op het opsporen, waarderen en/of behouden van archeologische resten, al dan niet ex-situ, conform de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg. Het onderzoek moet worden verricht door een dienst, bedrijf of instelling, gecertificeerd conform artikel 5.1 van de Erfgoedwet en werkend volgens de geldende kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie;
Een gebied met een daaraan toegekende hoge, middelmatige of lage archeologische verwachting in verband met de kennis en wetenschap van de in dat gebied te verwachten overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden;
een gebied met een daaraan toegekende archeologische waarde in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden;
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
het in procenten uitgedrukte deel van een bouwwerkperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd;
het bieden van de ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben. Hieronder wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur;
de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een (dienstverlenend) bedrijf of instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;
een woning in of bij een gebouw of op een terrein slechts bedoeld voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;
een strook grond ter plaatse van en aan weerszijden van de hoogspanningslijn of -kabel die dient om de veiligheid en het ongestoord functioneren van de leiding te kunnen garanderen;
beroeps- of bedrijfsactiviteit waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn (zie bijlage Algemeen - Lijst van aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend;
op het moment van inwerkingtreding van het omgevingsplan legaal aanwezig of op grond van een vergunning toegestaan;
(bedrijfs)woning(en) zoals dat is gerealiseerd of kan worden gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning, dan wel in geval een oorspronkelijk bouwwerk geamoveerd is, de in de voorgaande toepasselijke regeling rechtens was toegestaan;
de bouwhoogte van een bouwwerk zoals dat is gerealiseerd of kan worden gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning, dan wel in geval een oorspronkelijk bouwwerk geamoveerd is, de in de voorgaande toepasselijke regeling rechtens toegestane bouwhoogte;
de goothoogte van een gebouw zoals dat is gerealiseerd of kan worden gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning, dan wel in geval een oorspronkelijk gebouw geamoveerd is, de in de voorgaande toepasselijke regeling rechtens toegestane goothoogte;
de stikstofdepositie ten gevolge van het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren in de omvang zoals op 7 juli 2022 is toegestaan, het tijdstip van vaststelling van de beheersverordening, Landelijk gebied - 2020, reparatie 2022, overeenkomstig:
een onherroepelijke vergunning als bedoeld in artikel 19d Natuurbeschermingswet 1998 respectievelijk artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt, zoals opgenomen in bijlage Algemeen - Lijst vergunningen Wet natuurbescherming of
(indien geen sprake is van een onherroepelijke vergunning als onder a bedoeld) de bestaande stikstofdepositie ten gevolge van het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren in de omvang zoals feitelijk aanwezig en planologisch legaal in de periode van 1 jaar voorafgaand aan de vaststelling van de beheersverordening, Landelijk gebied - 2020, reparatie 2022, zoals is vastgesteld op 7 juli 2022.
houtopstand die vermeld wordt op de lijst met bijzondere bomen zoals opgenomen in de bomenverordening van de gemeente Doetinchem.
opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal;
oppervlak begroeid met een dusdanig aantal bomen dat de kruinen een min of meer gesloten geheel vormen of na volgroeiing van de bomen zullen vormen;
met bos begroeid gebied;
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
maatregel om de oorzaak van het probleem weg te nemen;
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen zijnde drank, etenswaren, verzorgingsproducten en goederen in aard en omvang daaraan gelijk te stellen, aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
detailhandel die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling zoals verkoop van auto`s, boten, caravans, tuininrichting artikelen, grove bouwmaterialen, keukens, meubels en woninginrichting en sanitair;
onderste horizontale lijn van een dakvlak dat geen goot heeft, bijvoorbeeld een rieten dak;
voorzieningen ten behoeve van diverse fauna nabij (Rijks)infrastructuur met als doel het opheffen van de barrièrewerking van genoemde infrastructuur;
al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt;
de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;
een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor verkoop, onderhoud en reparatie van motorvoertuigen, niet zijnde een carrosseriebedrijf en/of verfspuitinrichting, al dan niet met een verkooppunt voor motorbrandstoffen;
bouwwerk als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl);
gebied met een samenhangend netwerk van binnen de provincie Gelderland bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, zoals het Gelders Natuurnetwerk enopgenomen in de Groene ontwikkelingszone (Provinciale omgevingsverordening)omgevingsverordening van de provincie Gelderland;
de verdeling van de beschikbare geluidruimte per kavel passend binnen de geluidzonegrens, zoals vastgelegd op de verkavelingskaart behorend bij het zonebeheerplan (geluidruimte per m2);
een op grond van de Wet geluidhinder in het omgevingsplan vastgelegd gebied rond een industrieterrein waarbuiten de geluidbelasting ten gevolge van dat industrieterrein niet meer mag bedragen dan 50 dB(A);
een woning in een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat, al dan niet met de daarbij behorende bergingen;
de als zodanig aangeduide lijn, waar de voorgevel van een hoofdgebouw op moet zijn georiënteerd;
woningen met bijbehorende erven alsmede scholen, crèches en kinderopvangplaatsen met bijbehorende buitenspeelruimten, conform het voorzorgsbeleid hoogspanningsleidingen;
gebied met een andere functie dan natuur dat ruimtelijk is vervlochten met het Gelders Natuurnetwerkzoals opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland van de provincie Gelderland;
een zelfstandige verblijfsaccommodatie die naar afmetingen en inrichting specifiek bedoeld is voor een grotere groep van personen, tot uitdrukking komend in o.a. gezamenlijke faciliteiten voor logies, dagverblijf en maaltijdbereiding;
een agrarisch bedrijf waarbij de bedrijfsvoering geheel of nagenoeg geheel afhankelijk is van de grond als agrarisch productiemiddel, waaronder een grondgebonden veehouderijbedrijf;
beschermingsgebied grondwater waar het grondwater binnen 25 jaar bij een pompput voor de openbare drinkwatervoorziening kan zijn en waar geen afdoende beschermende kleilaag aanwezig is;
Het belangrijkste gebruik binnen een gebied;
een ondergrondse of bovengrondse verbinding met een spanningsniveau hoger dan 110 kV;
persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen;
beschermingsgebied grondwater waar het grondwater binnen duizend jaar bij een pompput voor de openbare drinkwatervoorziening kan zijn;
gebouw of gedeelte daarvan met alleen een of meer kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan;
een object dat als kunst gezien wordt en een bepaalde schoonheid heeft, niet door de natuur gemaakt;
Landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën: a; varkens, kippen, schapen of geiten; en b; als deze worden gehouden voor de vleesproductie: 1°; rundvee tot 24 maanden; 2°; kalkoenen; 3°; eenden; of 4°; parelhoenders;
Landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren;
gebruiksfunctie voor het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak (tot 4 maanden) aan personen;
gebouw of gedeelte van een gebouw met alleen logiesfuncties of nevengebruiksfuncties daarvan, waarin meer dan een logiesverblijf ligt, dat is aangewezen op een gezamenlijke verkeersroute;
voor een enkel persoon of een afzonderlijke groep personen bestemd gedeelte van een logiesfunctie;
een afdak met een diepte van meer dan 0,75 m, bevestigd aan de gevel van een gebouw zonder directe verbinding met de grond;
educatieve, sociale, medische en levensbeschouwelijke voorzieningen evenals voorzieningen voor openbare dienstverlening, of een combinatie daarvan, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;
huurwoning als bedoeld in artikel 5.161c, eerste lid, onder c van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
gebied rondom een historische of monumentale windmolen met een straal van 400 m gerekend vanaf het middelpunt van de molen, gericht op een onbelemmerde windvang;
een lijn van een bouwvlak, gekeerd naar de weg, die niet door gebouwen mag worden overschreden, behoudens krachtens deze regels toegelaten;
een park waar het spelen in de natuur, het ontdekken van de natuur en natuureducatie centraal staan;
agrarisch bedrijf dat hoofdzakelijk is gericht op veehouderij waarvan het voer voor de landbouwhuisdieren voor het grootste gedeelte niet geteeld wordt op de gronden die in de nabijheid van het agrarisch bouwvlak zijn gelegen en waarop de veehouderij rechten heeft;
voorziening ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorziening ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;
een bouwwerk, geen gebouw zijnde voorzien van een gesloten dak;
een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een ondergrond, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen;
detailhandel, niet zijnde kringloopwinkels, in de volgende categorieën:
keukens, badkamers, sanitair en tegels;
tuinmeubelen;
woninginrichtingsartikelen (zoals meubelen, woontextiel en slaapkamerinrichting);
woningstoffering (zoals gordijnen, parket, laminaat en houtvloeren);
bouwmarkten, tuincentra, meubel- annex woontextielzaken en/of woonwarenhuizen
plaatsgebonden risicocontour waarbinnen de kans 1 op de 1.000.000 per jaar is dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is;
een beroeps- of bedrijfsmatige werkruimte, gelegen in of aansluitend aan een woning en behorend bij die woning, voor de uitoefening van medische, paramedische en andere vrije beroepen en/of administratieve of daarmee gelijk te stellen beroepen;
een rechtopstaand bouwwerk geen gebouw zijnde dat aanmerkelijk hoger is dan breed voor de uiting van reclame;
een gebouw, uitsluitend bestemd om te dienen voor recreatief verblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun vaste woon- of verblijfplaats elders heeft/hebben;
Activiteit met externe veiligheidsrisico's als bedoeld in bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
ruimtelijk besluit of ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen.
een bouwwerk ten behoeve van opslagdoeleinden;
een huurwoning zoals bedoeld in artikel 5.161c, eerste lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
een sociale koopwoning, volgens de Doelgroepenverordening betaalbare woningen gemeente Doetinchem 2023 (vastgesteld op 30 november 2023), bestaat uitwanneer de volgende categorieën:gemeentelijke verordening wijzigt rekening gehouden wordt met de wijziging.
met dien verstande dat als de gemeentelijke verordening wijzigt met gevolgen voor de maximale kooprijs vrij op naam, rekening wordt gehouden met de wijziging;
de strook grond die zich aan beide zijden langs de hoogspanningslijn uitstrekt en waarbinnen het magneetveld gemiddeld over een jaar hoger dan 0,4 microtesla is of in de toekomst kan worden, berekend overeenkomstig de handreiking;
een toestel, als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet op de kansspelen;
een inrichting, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid onder b van de Wet op de kansspelen;
voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang vermeerderd met 30 centimeter;
voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: het hoogste punt van het aansluitende afwerkte bouwperceel (incidentele verhogingen niet meegerekend);
voor een bouwwerk dat in of op het water wordt gebouwd geldt het gemiddelde waterpeil ter plaatse ;
een vorm van prostitutie, waarbij de seksuele dienstverlening plaatsvindt op het woonadres van de prostituee en waarbij ook alleen door deze prostituee op dit adres wordt gewerkt als prostituee;
een demontabel en/of relatief eenvoudig verwijderbaar gebouw voor huisvesting voor mantelzorg onder welke benaming ook aangeduid, doch in het spraakgebruik als woonunit wordt aangemerkt, bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht ten dienste van woon-, dag- en/of nachtverblijf;
een toegangspartij of een uitgebouwde toegang is een uitbreiding van de toegangsruimte (hal) van een gebouw, die buiten de gevel uitsteekt en al dan niet in open verbinding staat met die ruimte;
een woning die deel uitmaakt van een blok van maximaal twee aaneengebouwde woningen;
de aard, de omvang, de intensiteit, maar ook de uitstraling van het gebruik en/of de functie van gronden en/of bouwwerken, bekeken vanuit de fysieke leefomgeving in zijn geheel;
bergruimte onder het dak en niet voor bewoning geschikt;
de naar de openbare weg gekeerde gevel van een gebouw, of als het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt;
een woning die voorheen een functionele binding had met een bedrijf. Een voormalige bedrijfswoning kan een woning zijn bij een agrarisch bedrijf, een horecabedrijf of een bedrijf gelegen op een bedrijventerrein;
een professionele dienstverlening, voornamelijk bestaande uit hoofdarbeid, waarbij gebruik wordt gemaakt van verworvenheden verkregen door een academische of een hogere beroepsopleiding;
beschermingsgebied grondwater waar het grondwater binnen één jaar bij een pompput voor de openbare drinkwatervoorziening kan zijn;
een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;
een kavel, waarop nutsvoorzieningen aanwezig zijn, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen;
ruimte in een gebouw dat geheel is afgedekt een dak en die in functioneel opzicht deel uitmaakt van de daaronder gelegen bouwlaag of bouwlagen;
gebied waar zonne-energie opgewekt of omgezet wordt;
een gebouw, of zelfstandig gedeelte van een gebouw dat bedoeld is voor de huisvesting van personen die niet zelfstandig kunnen wonen en die geestelijke en of lichamelijke verzorging behoeven. De verzorging kan voortdurend of nagenoeg voortdurend plaatsvinden en in het gebouw kan een afzonderlijke ruimte ten behoeve van de verzorging aanwezig zijn;
beplanting met wortelstelsel dat meer dan 1 m onder het maaiveld reikt of dat naar verwachting in de toekomst zal doen.
FFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Omgevingsvisie
in de omgevingsvisie legt de gemeente haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vast. Daaruit blijkt hoe de gemeente de fysieke leefomgeving wil ‘beschermen en benutten’. De gemeente stelt één omgevingsvisie voor het hele grondgebied vast. De ambities en beleidsdoelen zoals opgenomen in de omgevingsvisie, worden in het omgevingsplan verder uitgewerkt in (juridisch bindende) regels voor de fysieke leefomgeving. De gemeenteraad van de gemeente Doetinchem heeft een omgevingsvisie vastgesteld. Deze is te raadplegen via het omgevingsloket en via https:doetinchem.nl//www.doetinchem.nl/omgevingsvisie.
Programma
Via een vrijwillig programma kan de gemeente (het college van burgemeester en wethouders) beleid uit de omgevingsvisie concreter invullen voor specifieke gebieden, sectoren of onderwerpen. Het programma is zelfbindend. Dit betekent dat het alleen de gemeente zelf bindt. In een programma kunnen maatregelen zitten die vertaald moeten worden in regels in een omgevingsplan. De gemeente Doetinchem heeft (op dit moment) geen vrijwillige programma’s die van invloed zijn op de inhoud van het omgevingsplan.
In het omgevingsplan kunnen zogenaamde omgevingswaarden opgenomen zijn. Met een omgevingswaarde kan, om uitvoering te geven aan de omgevingsvisie, de gewenste kwaliteit voor de fysieke leefomgeving worden vastgelegd. Het gaat dan bijvoorbeeld om waarden voor de luchtkwaliteit of de waterkwaliteit. Bij een (dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde moet verplicht een programma worden opgesteld met maatregelen. Om te gaan en blijven voldoen aan de omgevingswaarde. In het omgevingsplan zijn (op dit moment) geen omgevingswaarden opgenomen.
Omgevingsvergunning
Wanneer de gevolgen van een activiteit voor de fysieke leefomgeving groot kunnen zijn, en de specifieke situatie van het geval bij de beoordeling van die gevolgen een rol speelt, is een voorafgaande beoordeling door een bestuursorgaan soms echter noodzakelijk. Dat kan worden geborgd in de vorm van een vergunningplicht. Met een omgevingsvergunning kunnen burgers, bedrijven en overheden toestemming vragen om activiteiten in de leefomgeving uit te voeren. In het omgevingsplan is opgenomen wanneer sprake is van een vergunningplicht en op basis van welke beoordelingsregels een aanvraag omgevingsvergunning wordt beoordeeld. Daarnaast kunnen ook vergunningsplichten zijn opgenomen in de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Ook in de Omgevingswet zelf, het Besluitactiviteiten leefomgeving (Bal) en Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) kunnen vergunningsplichten zijn opgenomen.
GGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het tijdelijk deel bestaat van het omgevingsplan van rechtswege bestaat uit:
De bruidsschat. Dit zijn rijksregels voor activiteiten die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn overgedragen aan gemeenten. Omdat deze regels op dat moment ook automatisch onderdeel zijn geworden van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, hebben ze hun werking behouden. De bruidsschat bestaat uit begripsbepalingen in hoofdstuk 1 en regels voor activiteiten in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan gemeente Doetinchem, te raadplegen via het omgevingsloket (https://omgevingswet.overheid.nl/home). Het is aan gemeenten om deze voormalige rijksregels naar eigen behoefte wel of niet aan te passen en te verwerken in het nieuwe deel van het omgevingsplan. De gemeenteraad van de gemeente Doetinchem heeft op 26 oktober 2023 besloten de bruidsschat niet direct te gaan aanpassen. Alleen waar dat nodig is om strijdigheden tussen wet- en regelgeving op te lossen.
Bestaande ruimtelijke regels. Dit zijn bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, beheerverordeningen, voorbereidingsbesluiten inclusief tracébesluiten die als voorbereidingsbesluit gelden, inpassingsplannen en exploitatieplannen. Concreet betekent dit dat bijvoorbeeld het bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied – 2021’ en de beheersverordening ‘Landelijk gebied – 2020, reparatie 2022’ onderdeel is van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (van rechtswege). Maar ook bestemmingsplannen die voor specifieke locaties zijn opgesteld. Bestemmingsplannen die vóór 1 januari 2024 als ontwerp in procedure zijn gebracht, kunnen na 1 januari 2024 worden afgerond op basis van wet- en regelgeving die gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze plannen worden ook onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De bestaande ruimtelijk regels staan gepubliceerd op en zijn te vinden via het omgevingsloket (https://omgevingswet.overheid.nl/home).
De gemeentelijke erfgoedverordening, geurverordening en verordening afvoer regen- en grondwater. De gemeente Doetinchem heeft geen van deze verordeningen. Daarom bestaat het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Doetinchem niet uit de genoemde verordeningen.
Naast bovengenoemde zaken bestaat het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Doetinchem ook uit een ‘Besluit over gebied of categorieën bouwwerken waar geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn (artikel12artikel 12 lid 2 Woningwet), hogere waarde besluiten (artikel 110a Wet geluidshinder) en vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14 Besluit externe veiligheid inrichtingen). Deze zijn niet via het omgevingsloket of via de landelijke voorziening ruimtelijkeplannen.nl te raadplegen.
HHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het omgevingsplan gemeente Doetinchem is in algemene zin opgebouwd vanuit de wetenschap dat iedereen via het Omgevingsloket de regels kan raadplegen die gelden op een locatie. En daarvoor niet het omgevingsplan als omgevingsdocument in het geheel hoeft te raadplegen. Dit betekent allereerst dat het omgevingsplan van de gemeente Doetinchem als omgevingsdocument is opgebouwd met het oog op de beheersbaarheid door planmakers. Daarnaast betekent dit ook dat de opbouw van het omgevingsplan qua volgordelijkheid is afgeleid van de manier waarop regels in het Omgevingsloket worden getoond. Tot slot betekent bovenstaande dat aan de regels van het omgevingsplan zo veel als mogelijk werkingsgebieden zijn verbonden en voorzien zijn van kenmerken. Om zo voor burgers, bedrijven, maatschappelijke organisatie én ook plantoetsers (via het omgevingsloket) duidelijkheid te bieden welke regels op een locatie gelden en voor welke activiteiten en werkzaamheden gelden. Tegelijkertijd is dit een blijvende doorontwikkeling van het omgevingsplan.
Hoofdstuk1: ALGEMENE BEPALINGEN
Dit hoofdstuk bevat artikelen ter verwijzing naar geldende bijlagen met begrippen en meet- en rekenbepalingen voor uitlegbaarheid en interpretatie van in het omgevingsplan opgenomen regels. Ook is vanuit het oogpunt van rechtszekerheid overgangsrecht opgenomen i.r.t. legaal gebruik en legale bouwwerken.
Hoofdstuk 2: DOELEN REGELS OMGEVINGSPLAN
Dit hoofdstuk bevat in algemene zin de doelen waarvoor in het omgevingsplan zijn of kunnen zijn opgenomen. Dit betekent dat alle regels in ieder geval als doel hebben een evenwichtige toedeling van functies aan locatie te bereiken. Daarnaast kunnen regels ook in het omgevingsplan zijn opgenomen met het oog op het bredere maatschappelijke doel van de Omgevingswet. Dit betekent dat regels in het omgevingsplan niet per definitie moeten bijdragen aan allee doelen die genoemd zijn in relatie tot het maatschappelijke doel van de Omgevingswet.
Hoofdstuk 3: GERESERVEERD
Hoofdstuk 4: REGELS OVER BIJZONDERE GEBIEDEN
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die verbonden zijn aan waardegebieden, beperkingengebieden en aandachtsgebieden. De paragraaf waardengebieden bevat regels die bepaalde waarden dan wel kwaliteiten in de fysieke leefomgeving moeten borgen. Het gaat bijvoorbeeld over archeologie, het Gelders Natuurnetwerk en cultuurhistorie. De paragraaf beperkingenbieden bevat regels die het gebruik van gronden en bouwen van bouwwerken kunnen beperken. Het gaat bijvoorbeeld om regels die verbonden zijn aan de aanwezigheid van leidingen, riolering en risicobronnen. In de paragraaf aandachtsgebieden kunnen gebieden met bijbehorende regels worden opgenomen die, in relatie tot externe veiligheid, een veilige leefomgeving moeten waarborgen. Daarnaast kan het gaan om gebieden waarbinnen het geluid op geluidgevoelige gebouwen ondanks aanwezigheid van verkeerswegen, spoorwegen en/of industriegebieden aanvaardbaar moet zijn.
Hoofdstuk 5: ALGEMENE REGELS OVER GEBRUIK EN/OF BOUWEN
Dit hoofdstuk bevat allereerst regels over indieningsvereisten en beoordelingsregels. In hoofdstuk 22 staan indieningsvereisten c.q. aanvraagvereisten en beoordelingsregels voor bepaalde activiteiten die vanuit voormalige regelingen van het Rijk zijn overgedragen aan gemeenten. Deze worden met regels in dit hoofdstuk onverkort van toepassing verklaart voor dat wat, voor zover relevant, in de overige hoofdstukken is geregeld over activiteiten. Tegelijkertijd kunnen voor het indienen en beoordelen van een omgevingsplanactiviteit ook andere c.q. aanvullende gemeentelijke indieningsvereisten en beoordelingsregels van toepassing zijn. Met regels in dit hoofdstuk wordt de verhouding tussen indieningsvereisten c.q. aanvraagvereisten en beoordelingsregels in hoofdstuk 22 en overige hoofdstukken van het omgevingsplan geregeld. Op termijn worden de regels uit hoofdstuk 22 geintergreerd in andere hoofdstukken van het omgevingsplan. Daarnaast bevat het hoofdstuk algemene bouw- en gebruiksregels. Dit zijn dus regels die in algemene zin voor een ieder/voor elke situatie geldt.
Hoofstuk 6: FUNCTIEGERELATEERDE REGELS OVER GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN
In dit hoofdstuk staan per functie (bijvoorbeeld Wonen, Groen, Verkeer, Detailhandel) regels over het algemeen toegestane gebruik van gronden en bouwwerken. Ook is opgenomen in welke gevallen met een omgevingsvergunning als binnenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden afgeweken van regels. Om inzicht te geven in hoe een verzoek daarvoor wordt beoordeeld, zijn bij iedere omgevingsplanactiviteit beoordelingsregels opgenomen. Ook is opgenomen of bepaalde gegevens en bescheiden worden verwacht om tot een beoordeling te kunnen komen. Dit zijn de indieningsvereisten.
Hoofdstuk 7: REGELS OVER BOUWEN, INSTANDHOUDEN EN GEBRUIKEN VAN BOUWWERKEN
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die gaan over het bouwen, instandhouden en gebruiken van bouwwerken. Binnen dit hoofdstuk zijn algemene regels opgenomen en regels die gelden voor specifieke locaties. Ook is opgenomen in welke gevallen met een omgevingsvergunning als binnenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden afgeweken van regels. Om inzicht te geven in hoe een verzoek daarvoor wordt beoordeeld, zijn bij iedere omgevingsplanactiviteit beoordelingsregels opgenomen. Ook is opgenomen of bepaalde gegevens en bescheiden worden verwacht om tot een beoordeling te kunnen komen. Dit zijn de indieningsvereisten.
Hoofdstuk 8: REGELS OVER HET UITVOEREN VAN WERKEN, NIET ZIJNDE EEN BOUWWERK, OF VAN WERKZAAMHEDEN
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die gaan over het uitvoeren van werken en werkzaamheden, bijvoorbeeld het aanleggen verhardingen en beplantingen.
Hoofdstuk 9: REGELS OVER MILIEU
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die gaan over onderwerpen die gaan over milieu, zoals geur en geluid. Daarmee wordt mede met dit hoofdstuk het thema milieu geintergreerd in het omgevingsplan. Dit hoofdstuk zal gedurende de periode tot 2032 verder vulling krijgen met regels die gaan over milieu(belastende activiteiten).
Hoofdstuk 10 tot en met 21: Gereserveerd
Deze hoofdstukken zijn gereserveerd voor toekomstige invulling.
Hoofdstuk 22: ACTIVITEITEN (de Bruidsschat)
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een groot aantal rijksregels overgedragen aan gemeenten. Die overdracht vond plaats met de zogenaamde bruidsschat. Deze bruidsschat is van rechtswege toegevoegd aan het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op 25 maart 2023 heeft de gemeente Doetinchem deze voormalige rijksregels technisch in beheer genomen (juridisch geldend vanaf 27 maart 2023).
Hoofstuk 23: Slotbepalingen
De slotbepalingen bevat de citeertitel van het omgevingsplan van de gemeente Doetinchem.
Bijlage I Overzicht informatieobjecten
Dit onderdeel van het omgevingsplan bevat een overzicht van locaties die het werkingsgebied van een juridische regel of tekst vastlegt. Door in de tekst van het omgevingsplan naar het informatieobject te verwijzen krijgt het informatieobject juridische status en is het dus juridisch bindend.
Bijlage II Overzicht Documentenbijlagen
Dit onderdeel van het omgevingsplan bevat bijlagen die verbonden zijn aan regels in het omgevingsplan. Door in regels van het omgevingsplan naar de bijlage te verwijzen krijgt het de bijlage juridische status en is het dus juridisch bindend.
Bijlage IIIII BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN
Dit onderdeel van het omgevingsplan bevat de definitie van begrippen die voorkomen in regels in hoofdstuk 22 in het omgevingsplan. Dit draagt bij aan de uitlegbaarheid en interpretatie van regels.
Bijlage IIIIV Begrippen
Dit onderdeel van het omgevingsplan bevat de definitie van begrippen die worden gebruikt in de regels die zijn opgenomen in het omgevingsplan. Dit draagt bij aan de uitlegbaarheid en interpretatie van regels.
Bijlage IV Overzicht Documentenbijlagen
Dit onderdeel van het omgevingsplan bevat bijlagen die verbonden zijn aan regels in het omgevingsplan. Door in regels van het omgevingsplan naar de bijlage te verwijzen krijgt het de bijlage juridische status en is het dus juridisch bindend.
Toelichting (algemeen en artikelsgewijs)
De toelichting op het omgevingsplan bestaat uit twee onderdelen. Een algemeen deel en een artikelsgewijs deel. In het artikelsgewijs deel kan per artikel worden uitgelegd wat de concrete strekking ervan is, en met het oog op welke specifieke doelen de regels in het artikel zijn gesteld. In sommige gevallen bevat die artikelsgewijze uitleg ook een juridische of beleidsmatige onderbouwing. De algemene en artikelsgewijze toelichting op het omgevingsplan zijn niet juridisch bindend.
IIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De gemeente Doetinchem wijzigt het omgevingsplan in principe op twee momenten per jaar. Voor meerdere locaties en/of onderwerpen wordt dan tegelijkertijd in één procedure en met één wijzigingsbesluit het omgevingsplan gewijzigd. Dit noemen we ook wel een veegplan. Op deze manier kan de onderlinge samenhang beter worden geborgd en kan met risico’s op samenloop beter worden omgegaan. Meer informatie hierover is te vinden via https:doetinchem.nl//www.doetinchem.nl/omgevingsplan-wijzigen.
JJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De gemeenteraad neemt in principe altijd het besluit over de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan. De gemeenteraad kan bepalen in welke gevallen de vaststelling door het college van burgemeester en wethouders kan plaatsvinden. Het (delegatie)besluit dat hierover door de gemeenteraad van de gemeente Doetinchem is genomen, is te vinden via https://www.officielebekendmakingen.nl/officielebekendmakingen.nl. Of over een wijziging van het omgevingsplan is besloten door de gemeenteraad of het college van burgemeester en wethouders, is zichtbaar in het opschrift van het besluit. Deze is voorzien van de letter ‘G’ als de gemeenteraad besluit en van de letter ‘C’ als het college van burgemeester en wethouders besluit. Bijvoorbeeld Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2024-1G.
KKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In deze paragraaf zijn de wijzigingen van het omgevingsplan gemeente Doetinchem opgenomen waarover door de gemeenteraad een besluit is genomen. Alle door de gemeenteraad vastgestelde wijzigingen zijn te raadplegen via www.officielebekendmakingen.nlofficielebekendmakingen.nl en www.omgevingswet.overheid.nlomgevingswet.overheid.nl.
Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2024-1G
Met dit wijzigingsbesluit zijn voor de volgende locaties de regels in het omgevingsplan gewijzigd:
Locatie | Inhoud |
Terborgseweg naast 119 Doetinchem | Realisatie van 54 woningen |
IJzevoordseweg 7 Doetinchem | Realisatie van 1 woning in combinatie met sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen |
Broekhuizerstraat 10, 10a, 10b Wehl | Vormverandering en vergroting agrarische bouwvlak waarvan een deel wordt uitgesloten van het houden van landbouwhuisdieren en andere activiteiten die geur veroorzaken |
Gehele grondgebied | Verwerking instructieregels grondwaterkwaliteit provincie Gelderland |
Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2024-2G
Met dit wijzigingsbesluit zijn voor de volgende locaties de regels in het omgevingsplan gewijzigd:
Locatie | Inhoud |
Akkermansweg 2 Gaanderen | Vormverandering van het agrarische bouwvlak |
Bultensweg 12 + 14 Doetinchem | Realisatie van drie nieuwe woningen, waarvan twee in één woongebouw en één vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen door sloop van de voormalige agrarische bebouwing |
Evenementenlocatie 6 Simonsplein Dtc | Het opsplitsen van de evenementenlocatie ‘6 Simonsplein Dtc’ in twee aparte evenementenlocaties, Binnenstad Doetinchem en Mark Tennantplantsoen. |
Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-1G
Met dit wijzigingsbesluit zijn voor de volgende locaties de regels in het omgevingsplan gewijzigd:
Locatie | Inhoud |
Amphionpark Doetinchem | Realisatie van maximaal 130 woningen en appartementen |
Dubbelfuncties en gebiedsaanduidingen | Het beleidsarm omzetten van een deel van de voormalige dubbelfuncties en gebiedsaanduidingen van het tijdelijke deel naar het nieuwe deel van het omgevingsplan |
Wijzigen percelen De Zumpe, Grote Beek, Ellegoor, Barlham, e.o. | Het omzetten van enkele percelen van agrarisch (met waarden) naar de functies natuur en groen |
Twee kavels Plantage Allée | Wijzigen van het bouwvlak en de bouwhoogte |
LLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In deze paragraaf zijn de wijzigingen van het omgevingsplan gemeente Doetinchem opgenomen waarover door het college van burgemeester en wethouders een besluit is genomen. Alle door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde wijzigingen zijn te raadplegen via www.officielebekendmakingen.nlofficielebekendmakingen.nl en www.omgevingswet.overheid.nlomgevingswet.overheid.nl.
<<gereserveerd>>
MMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. Het gaat om een zogenaamde statische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet of de AMvB’s geen invloed hebben op de betekenis van de begrippen in hoofdstuk 22.
Bijlage IIIII bij dit omgevingsplan bevat de overige begripsbepalingen die voor hoofdstuk 22 nog nodig zijn in aanvulling op de begrippen van de wet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling.
NNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPP
Sectie ' Aanvang evenement evenementenlocatie - binnenstad Doetinchem' wordt geplaatst na sectie ' Geur - emissiepunten en emissiebronnen verboden'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De artikelen in deze subparagraaf bepalen dat voor maximaal één evenement per kalenderjaar binnen het gebied 'evenementenlocatie - binnenstad Doetinchem' een uitzonderlijke begintijd van 06:00 uur kan worden toegestaan. Dit kan alleen als hiervoor een omgevingsvergunning is verleend. Zonder deze vergunning geldt de standaard begintijd zoals staat in artikel 6.636.17 derde lid.
QQQQ
Sectie ' Parkeren Terborgseweg naast 119 Doetinchem' wordt geplaatst na sectie ' Aanvang evenement evenementenlocatie - binnenstad Doetinchem'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRR
Sectie ' Bergingscapaciteit hemelwater' wordt geplaatst na sectie ' Parkeren Terborgseweg naast 119 Doetinchem'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSS
Sectie ' Landschappelijke inpassing' wordt geplaatst na sectie ' Bergingscapaciteit hemelwater'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 7.97.10 regelt de mogelijkheden voor het realiseren van bijbehorende bouwwerken binnen het gebied 'wonen VAB locatie'. VAB staat voor vrijkomende agrarische bebouwing, wat betekent dat het gebied bedoeld is voor herontwikkeling van voormalige agrarische gebouwen naar een woonfunctie. Dit artikel wijkt af van artikel 7.87.9 in dit omgevingsplan en verklaart de artikelen 22.27 en 22.36 buiten toepassing. Hiermee wordt een specifieke regeling getroffen voor dit gebied.
Binnen het aangewezen gebied zijn bijbehorende bouwwerken uitsluitend toegestaan binnen het daarvoor aangegeven gebied. Daarnaast wordt de gezamenlijke oppervlakte van deze bouwwerken beperkt tot de in het plan aangegeven maximale oppervlakte. Dit voorkomt een te intensieve bebouwing en waarborgt een evenwichtige ruimtelijke inrichting.
De regels stellen tevens grenzen aan de bouwhoogten. De maximale goothoogte bedraagt 3 meter, tenzij het bouwwerk wordt aangebouwd aan een woning. In dat geval mag de goothoogte de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van de woning met 30 centimeter overschrijden. De maximale bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken is vastgesteld op 6 meter. Deze beperkingen zorgen ervoor dat de bebouwing in harmonie blijft met de bestaande woningen en de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving gewaarborgd wordt.
UUUU
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.
In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in Bijlage IIIII bij dit omgevingsplan.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.
BBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage IIIII.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
CCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/pubdata/gm0222/2025/2b4b26b0804a4b679973e65683cfda70/nld@2025‑09‑04;11351679
/join/id/pubdata/gm0222/2025/d409f45326274285b29e9523462cb345/nld@2025‑09‑04;11351679
De onderbouwing waarom het omgevingsplan wordt gewijzigd voor de locaties en/of onderwerpen die genoemd zijn in de aanhef, is opgenomen in het document 'Toelichting planonderdelen wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-1G'. Dit document is te raadplegen via doetinchem.nl/wijziging-2025-1G. Daarnaast wordt verwezen naar het Raadsvoorstel wijzigingsbesluit 2025-1G, de Nota van aanpassingen en de Nota van zienswijzen. Deze zijn als bijlagen aan dit besluit toegevoegd.
Voor de onderdelen van het 'Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-1G' zijn, voor zover nodig, onderbouwingen opgesteld. Hierin is onderbouwd hoe de wijziging van het omgevingsplan zich verhoudt tot beleid van het Rijk, provincie, waterschap en gemeente. Dit geldt ook voor instructieregels van Rijk en/of provincie. Daarnaast zijn in de onderbouwingen relevante omgevingsaspecten beschreven en zijn uitkomsten van eventueel onderzoek opgenomen. Op basis van de opgestelde onderbouwingen en bijbehorende bijlagen is geconcludeerd dat wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De opgestelde onderbouwingen en, voor zover van toepassing, bijbehorende onderzoeken zijn op het besluit betrekking hebbende stukken.
Amphionpark Doetinchem
Voor de ontwikkeling van het Amphionpark te Doetinchem is er een onderbouwing opgesteld, waaruit kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze onderbouwing staat in Motivering Amphionpark Doetinchem.
Dubbelfuncties en gebiedsaanduidingen
Het beleidsarm omzetten van een groot deel van de dubbelfuncties en gebiedsaanduidingen uit het omgevingsplan van rechtswege naar het nieuwe deel van het omgevingsplan is een stap binnen de transitie richting een omgevingsplan dat volledig in lijn is met de Omgevingswet. De beschermingszones die met dit wijzigingsbesluit in het nieuwe deel van het omgevingsplan terechtkomen zijn gelijk gebleven ten opzichte van de zones die zijn opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege en waar nodig geactualiseerd. Hiermee is aangetoond dat wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Wijzigen percelen De Zumpe, Grote Beek, Ellegoor, Barlham, e.o.
De provincie Gelderland heeft in de Omgevingsverordening Gelderland gebieden aangewezen ten behoeve van het ontwikkelen, beheren en behouden van natuur. Dit is gedaan in de vorm van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Bij het aanwijzen van deze gebieden is door de provincie aangetoond dat wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Met voorliggend plan worden de functies in overeenstemming gebracht met het feitelijke dan wel beoogde gebruik (natuur).
Plantage Allée Wehl
Van de twee westelijke kavels (perceel WEH00H7009 (deels)) aan de Plantage Allée worden het bouwvlak en de bouwhoogte gewijzigd op initiatief van de gemeente. Het doel is om de planologische regels in overeenstemming te brengen met het stedenbouwkundige plan, het beeldkwaliteitsplan en het inrichtingsplan voor Heideslag fase II en aan te laten sluiten bij de twee oostelijke kavels. Hiermee wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit bepaalt dat bij de vaststelling van een omgevingsplan gemotiveerd moet worden hoe bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarom heeft over het 'ontwerp wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-1G' afstemming plaatsgevonden met de provincie Gelderland, het waterschap Rijn en IJssel, de Gasunie, TenneT en de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland. De afstemming heeft plaatsgevonden op basis van de opgestelde onderbouwingen. De uitkomsten van de afstemming zijn te raadplegen in het document 'Toelichting planonderdelen wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-1G' via doetinchem.nl/wijziging-2025-1G.
De stukken die betrekking hebben op het 'Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-1G' en dienen ter onderbouwing van het besluit zijn tijdens de procedure, tot het wijzigingsbesluit onherroepelijk is, te raadplegen via doetinchem.nl/wijziging-2025-1G.
Plan-mer-beoordeling
Het ontwerp 'Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-1G' vormt het kader voor de realisatie van maximaal 130 woningen, de transitie van de dubbelfuncties en gebiedsaanduidingen, het wijzigen van percelen De Zumpe, Grote Beek, Ellegoor, Barlham, e.o. en het wijzigen van het bouwvlak en de bouwhoogte van twee kavels aan de Plantage Allée. Het 'Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-1G' voorziet in relatief kleine wijzigingen van het omgevingsplan. Daarnaast is de gemeente het bevoegd gezag voor het plan. Daarmee is sprake van een plan-mer-beoordeling.
Geen aanzienlijke milieueffecten
De milieueffecten van het planonderdeel Amphionpark Doetinchem zijn beschreven in de opgestelde onderbouwing. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling geen aanzienlijk effect op het milieu heeft. Op basis van deze informatie wordt ook geconcludeerd dat het wijzigingsbesluit als plan (de ruimtelijke ontwikkelingen gezamenlijk) geen aanzienlijke effecten op het milieu hebben. Het plan zorgt niet voor significante wijzigingen op het gebied van geluid, lucht(kwaliteit), geur of verkeersintensiteiten. Ook beïnvloedt het plan geen andere plannen in of buiten de gemeente Doetinchem. Op basis van voorgaande is geen plan-mer nodig.
/join/id/pubdata/gm0222/2025/b05bb28f002b47d69d43563d87d44c93/nld@2025‑09‑04;11351679
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-388352.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.