Beleidsregels handhaving kinderopvang gemeente Montfoort 2025

 

Beleidsregels handhaving kinderopvang gemeente Montfoort 2025

 

Het college van burgemeester en wethouders van Montfoort;

 

gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht en op de artikelen 1.61 lid 1, 1.65 lid 1 en lid 4, 1.66 en 1.72 lid 1 Wet kinderopvang;

 

Overwegende dat:

 

- Kinderopvang een belangrijke plaats heeft in onze samenleving. Kwalitatief goede kinderopvang draagt bij aan een goede start voor kinderen in de maatschappij en draagt bij aan een goede ontwikkeling en aan het welbevinden van kinderen. In de kinderopvang moeten kinderen zich veilig voelen en de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen. Zo draagt kinderopvang bij aan een goede start voor kinderen in het basisonderwijs en de samenleving.

 

- Het bevorderen van de ontwikkeling van kinderen een doel van de wetgever was bij het opstellen van de Wet kinderopvang. De houder van een kinderopvangvoorziening is verantwoordelijk voor het leveren van kwalitatief goede kinderopvang. Het is belangrijk dat direct vanaf de start van een opvanglocatie verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang wordt aangeboden. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind in een veilige en gezonde, stimulerende en vertrouwde omgeving achterlaten.

 

- Kwalitatief goede kinderopvang:

  • *

    structureel voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen;

  • *

    plaatsvindt in een veilige en gezonde omgeving;

  • *

    wordt geboden door vaste en vertrouwde personen in vaste groepen;

  • *

    bijdraagt aan de persoonlijke en sociale ontwikkeling van kinderen;

  • *

    belangrijke normen en waarden meegeeft aan kinderen.

     

Besluit:

 

vast te stellen “Beleidsregels handhaving kinderopvang gemeente Montfoort 2025”.

 

 Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

 

Artikel 1: Begripsomschrijvingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

* Afwegingsmodel: In het afwegingsmodel is vastgelegd welke bestuurlijke handhavingsmaatregel(en) het college doorgaans oplegt. Per domein staat de hersteltermijn waarbinnen overtredingen moeten zijn hersteld en de hoogte van financiële sancties.

* Boetebedrag: Bedrag van de op te leggen bestuurlijk boete, vastgesteld per overtreding in het bijgevoegde afwegingsmodel.

* College: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montfoort.

* Gemeente: Gemeente Montfoort.

* GGD: GGD regio Utrecht.

* Inspectieonderzoek: Een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste lid Wet kinderopvang.

* LRK: Landelijk Register Kinderopvang.

* Toezichthouder: De aangewezen toezichthouder van de GGD. De toezichthouder kinderopvang onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en legt de bevindingen vast in een inspectierapport.

* Houder: De aanbieder van kinderopvang. In de Wet kinderopvang is de wettelijke definitie opgenomen.

* Recidive: Dezelfde of soortgelijke overtreding van een kwaliteitseis op een kinderopvangvoorziening begaan door dezelfde houder of gastouder binnen twee jaar.

 

Artikel 2: Toepassing

1. Deze beleidsregels zijn van toepassing op de gemeentelijke inzet om toezicht te houden op de kwaliteit van de kinderopvang, aanvragen tot exploitatie en wijzigingsverzoeken voor kinderopvang af te handelen, en te handhaven naar aanleiding van het niet naleven van voorschriften van de bij of krachtens de Wet kinderopvang gestelde regelgeving.

 

2. Deze beleidsregels zijn van toepassing op alle kinderdagverblijven met of zonder voorschoolse educatie, buitenschoolse opvang, gastouderopvang en gastouderbureaus binnen de gemeente Montfoort.

 

Hoofdstuk 2: Registreren, starten en wijzigen

 

Artikel 3: Toestemming

1. Een kinderopvangvoorziening mag pas starten met haar werkzaamheden als zij daarvoor toestemming heeft gekregen van het college. Deze toestemming staat in een besluit waarin staat ook de datum staat waarop de voorziening mag starten. Dit besluit heet: de toestemming tot exploitatie. Het aanvragen hiervan kan met een door de rijksoverheid vastgesteld aanvraagformulier. Deze is te vinden op rijksoverheid.nl en op landelijkregisterkinderopvang.nl.

 

2. Een kinderopvangvoorziening moet vanaf registratie voldoen aan alle kwaliteitseisen en verantwoorde opvang aanbieden. Het college geeft dan ook alleen toestemming voor exploitatie als de toezichthouder van oordeel is dat een houder van een kinderopvangvoorziening vanaf de start kan voldoen aan de kwaliteitseisen en verantwoorde en kwalitatief goede opvang kan aanbieden. Deze werkwijze staat bekend als Streng aan de poort. 

 

3. Binnen drie maanden na registratie beoordeelt de toezichthouder of de voorziening in de praktijk ook aan de kwaliteitseisen voldoet.

 

4. Handhaving bij een andere voorziening van de houder, kan aanleiding zijn om te besluiten dat een houder geen nieuwe opvang mag starten totdat alle overtredingen zijn hersteld.

 

5. Het college kijkt naast de beoordeling op de eisen vanuit de Wet kinderopvang bij een nieuwe aanvraag ook naar andere vergunningen die van belang zijn voor de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen. Zoals bestemmingsplannen en het voldoen aan alle relevante eisen met betrekking tot bouw, brandveiligheid en bestemmingen. Relevante stukken moeten aanwezig en in orde zijn.

 

6. Als er toestemming is gegeven, registreert het college de voorziening in het LRK.

 

Artikel 4: Niet-gemelde kinderopvang of kinderopvang zonder toestemming

Als een kinderopvangvoorziening start zonder hiervoor schriftelijke toestemming te hebben gevraagd of verkregen, is sprake van niet gemelde oftewel illegale kinderopvang. Dit is een ernstige overtreding. Het college treedt hiertegen streng op. De locatie moet meteen sluiten en de houder kan een bestuurlijke boete krijgen. Daarnaast kan het college aangifte doen bij het Openbaar Ministerie. Het exploiteren van een kinderopvangvoorziening zonder toestemming van het college is strafbaar. Dit is een economisch delict (artikel 1 lid 2 Wet op de economische delicten).

 

Artikel 5: Wijzigingen doorgeven

1. Na het verkrijgen van de toestemming kunnen er wijzigingen in de geregistreerde gegevens plaatsvinden. Het is van belang elke wijziging direct door te geven aan het college. Het college kan een boete opleggen als een doorgevoerde wijziging niet of te laat is doorgegeven.

 

2. Het kan bij wijzigingen bijvoorbeeld gaan om:

* Toekenning van een KvK-vestigingsnummer;

* Wijziging (correspondentie)adres; bezoekadres en telefoonnummer, contactpersoon;

* Beëindiging van de exploitatie van de kinderopvangvoorziening.

*Wijziging houder of rechtsvorm

- Als een andere houder een kinderopvangvoorziening wil overnemen moet deze nieuwe houder hiervoor vooraf toestemming vragen. Dit geldt ook als de houder een andere rechtsvorm krijgt, ook dit is een houderwijziging. Ook als de bestuurder hetzelfde blijft.

- Een houderwijziging wordt behandeld als een nieuwe aanvraag. Het college bepaalt de inhoud van een onderzoek in deze gevallen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de toezichthouder.

* Wijziging aantal kindplaatsen

- Bij de toestemming tot exploitatie is het maximumaantal kindplaatsen aangegeven. Dit maximumaantal kindplaatsen neemt de toezichthouder mee in de beoordeling of de houder redelijkerwijs aan de kwaliteitseisen voldoet.

- Wanneer dit aantal later wijzigt, is het van belang dat de houder dit als wijziging doorgeeft. Voor een verhoging van het aantal kindplaatsen is aanvullende toestemming van het college nodig. Om hierover een besluit te kunnen nemen is een advies van de toezichthouder nodig.

* Wijziging extra bemiddelingsrelatie en beëindiging bemiddelingsrelatie

- Als een gastouder zich wil aansluiten bij een extra gastouderbureau, dan moet dit gastouderbureau deze extra bemiddelingsrelatie aanvragen via een wijzigingsformulier. Ook het beëindigen van een bemiddelingsrelatie moet tijdig worden gemeld. Bij het toezicht op een gastouderbureau kijkt het college ook naar de aangesloten gastouders.

* Verhuizing

- Verhuizing van een kinderopvangvoorziening geldt als een nieuwe aanvraag.

- Bij een gastouderbureau of ouderparticipatiecrèche kan er sprake zijn van een verhuizing zonder dat een nieuwe aanvraag tot exploitatie nodig is. De verhuizing van een gastouderbureau of ouderparticipatiecrèche kan daarom via een wijzigingsformulier worden doorgegeven.

 

3. Wijzigingen moeten worden ingediend met een wijzigingsformulier. Deze is te vinden op rijksoverheid.nl en ook op landelijkregisterkinderopvang.nl.

 

4. De houder moet het wijzigingsverzoek minimaal 8 weken voor de gewenste wijzigingsdatum indienen. Het college beoordeelt of er een onderzoek door de toezichthouder moet plaatsvinden. Het college besluit binnen 8 weken of de wijziging kan plaatsvinden en kan worden geregistreerd. Voor sommige wijzigingen (zoals het wijzigen van een telefoonnummer of correspondentieadres) wordt geen besluit afgegeven.

 

5. Het college informeert de houder als de wijziging is opgenomen in het LRK.

 

6. Een gastouder moet wijzigingen bij het gastouderbureau melden. Het gastouderbureau moet wijzigingen voor gastouderopvang doorgeven aan de gemeente.

 

Hoofdstuk 3: Toezicht

 

Artikel 6: Toezichthouder

1. Het toezicht op de naleving van de kwaliteitseisen in de kinderopvang wordt uitgevoerd door de toezichthouder kinderopvang van de GGD.

 

2. De toezichthouder is onafhankelijk en beoordeelt of een kinderopvangvoorziening voldoet aan de kwaliteitseisen. Vervolgens adviseert de toezichthouder het college op basis van de bevindingen.

 

3. De toezichthouder werkt risico gestuurd en stelt dus voor kindercentra en gastouderbureaus na elk jaarlijks onderzoek (en zo nodig vaker) een risicoprofiel op om de inspectielast te bepalen. Hiervoor gebruikt de toezichthouder een landelijk vastgesteld model, met verschillende indicatoren.

 

4. Overtredingen bij een of meerdere kindercentra van een houder kunnen ook leiden tot verscherpt toezicht bij andere kindercentra van dezelfde houder. Bij gastouders betrekt de toezichthouder het risicoprofiel van het gastouderbureau.

5. De toezichthouder vormt een oordeel aan de hand van onder andere observaties, de inrichting en het gebruik van alle ruimtes waar kinderen gebruik van maken, gesprekken met medewerkers en/of houder(s), documentenonderzoek en contact met de oudercommissie.

 

Artikel 7: Onderzoek

De toezichthouder voert diverse onderzoeken uit, te weten:

* onderzoeken voor registratie

* onderzoeken na registratie

* reguliere jaarlijkse inspectieonderzoeken

* incidentele onderzoeken

* nader onderzoek (na geconstateerde overtreding(en))

* thema-onderzoeken

Minimaal 1 keer per jaar bezoekt de toezichthouder onaangekondigd ieder kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang en gastouderbureau. Daarnaast bezoekt de toezichthouder ook jaarlijks ten minste 50% van de geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang, waarbij iedere gastouderlocatie ten minste eens per 3 jaar bezocht wordt.

 

Artikel 8: Flexibel toezicht

Door het gebruik van de flexibele inspectieactiviteit kunnen inspecties meer op maat worden uitgevoerd. De toezichthouder beoordeelt altijd of de houder voldoet aan de eisen die betrekking hebben op:

* Verklaringen Omtrent het Gedrag;

* registratie in het Personenregister kinderopvang;

* pedagogische kwaliteit;

* voorschoolse educatie (als daar op de locatie sprake van is).

 

Afhankelijk van onder andere het risicoprofiel en bepaalde speerpunten onderzoekt de toezichthouder de overige eisen. Ook houdt de toezichthouder op locatieniveau rekening met locatiekenmerken, meldingen en signalen.

 

Artikel 9: Herstelaanbod

1. De toezichthouder beoordeelt de kwaliteit op locatie, maakt hiervan een rapport en adviseert aan het college. Bij overtredingen biedt de toezichthouder, onder voorwaarden, de mogelijkheid om aan te tonen hoe de houder deze oplost, nog tijdens de onderzoeksperiode. Dit is het herstelaanbod. Uitgangspunt van de toezichthouder daarvoor is altijd dat sprake is van structureel blijvend herstel.

2. De afweging of een houder een herstelaanbod krijgt en welke termijn daarvoor geldt ligt bij de toezichthouder. Daarmee is een herstelaanbod ook geen vooraf vaststaand recht.

3. De toezichthouder bespreekt verbetermaatregelen en legt de nodige afspraken vast. Binnen de door de toezichthouder gestelde tijd moeten maatregelen worden genomen om de gewenste kwaliteit te bereiken en een vastgestelde overtreding te herstellen. Dit gebeurt vóórdat het conceptrapport is opgesteld. Na afloop van de afgesproken periode beoordeelt de toezichthouder of een overtreding structureel is opgeheven.

4. Elke overtreding kan in aanmerking komen voor herstelaanbod, tenzij:

  • *

    aard en ernst van de overtreding zich niet leent voor het herstelaanbod;

  • *

    er te veel overtredingen zijn;

  • *

    de houder in de voorgaande 2 jaar al in de gelegenheid is gesteld om dezelfde of een vergelijkbare overtreding op te heffen;

  • *

    de toezichthouder direct gemeentelijk ingrijpen noodzakelijk acht;

  • *

    herstel niet mogelijk is binnen de onderzoeksperiode;

5. Kinderopvanglocaties waar de kwaliteit structureel tekortschiet, komen doorgaans niet voor een herstelaanbod in aanmerking omdat zij niet aan de criteria voldoen.

6. De toezichthouder beschrijft in het rapport de overtreding én of het herstelaanbod op tijd is nagekomen. Daarbij kijkt de toezichthouder vooral of de overtredingen hersteld zijn en of de kwaliteit structureel verbeterd is. Na afloop van de onderzoeksperiode geeft de toezichthouder een advies aan het college.

 

Artikel 10: Schriftelijke bevelen

1. Als de kwaliteit van de kinderopvang dusdanig ernstig tekortschiet dat de veiligheid en gezondheid van de kinderen direct in het geding komt, heeft de toezichthouder de mogelijkheid om zelf in te grijpen. Dit gebeurt met een schriftelijk bevel. Dit doet de toezichthouder in ernstige gevallen, als het nemen van maatregelen geen uitstel kan lijden. Het bevel heeft een geldigheidsduur van 7 dagen.

 

2. In het bevel geeft de toezichthouder aan wat de overtreding(en) is/zijn, welke actie de houder moet nemen en binnen welke termijn de houder dit moet doen. Als de overtreding(en) niet of onvoldoende is/zijn hersteld, treedt het college verder op bijvoorbeeld door het bevel te verlengen

 

Artikel 11: Signalering

1. Het college stimuleert ouders, beroepskrachten, professionals, omwonenden of andere betrokkenen om meldingen en signalen over de kwaliteit te delen.

 

2. Met signaal-gestuurd-toezicht reageert de toezichthouder op signalen uit de samenleving. Daarnaast heeft de toezichthouder afspraken gemaakt met houders dat zij bepaalde incidenten bij de toezichthouder melden. Ook informatie van de politie of Dienst Toeslagen kan voor de toezichthouder belangrijk zijn. Na elk signaal wordt bepaald welke actie nodig is, bijvoorbeeld een extra onderzoek of extra aandacht aan de aard van het signaal tijdens een jaarlijks onderzoek.

 

3. De toezichthouder deelt ook zelf signalen met andere toezichthouders in de kinderopvang. Dit zijn bijvoorbeeld de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en gemeentelijk toezicht op het gebied van brandveiligheid.

 

4. De toezichthouder deelt signalen met toezichthouders kinderopvang in een andere GGD-regio.

 

Artikel 12: Gastouderopvang en gastouderbureaus

1. Gastouderopvang vindt plaats in de woning van de gastouder of van het kind, en is kleinschalig en persoonlijk. De gastouderopvang moet een veilige en gezonde omgeving zijn voor kinderen.

 

2. De wettelijke kwaliteits- en toezichteisen wijken op enkele punten af van die voor kindercentra. Dit betreft bijvoorbeeld de kwalificatie-eis. Ook is er geen vierogenprincipe (eis dat de gastouder altijd gezien of gehoord moet kunnen worden door een andere volwassene er is) en dus minder zicht op de dagelijkse praktijk. Ook zijn de verantwoordelijkheden anders verdeeld: niet alleen de gastouder (de houder van de voorziening) is verantwoordelijk voor de kwaliteit, maar ook het gastouderbureau dat bemiddelt en begeleidt.

 

3. De toezichthouder kan binnen het inspectieonderzoek bij een gastouderbureau contact opnemen met de aangesloten gastouders, ook als hun voorziening voor gastouderopvang is gevestigd buiten onze gemeente.

 

4. Zoveel mogelijk van de inspecties bij gastouders en gastouderbureaus zijn onaangekondigd.

 

5. Wanneer de toezichthouder tijdens een inspectieonderzoek bij een gastouder een overtreding van het gastouderbureau vaststelt dan legt de toezichthouder deze overtreding ook vast in een inspectierapport. Daarnaast kan de toezichthouder zorgen over een gastouderbureau en signalen uit inspectieonderzoeken delen met de toezichthouder die toezicht houdt op het gastouderbureau.

 

6. Gastouderbureaus dragen direct bij aan de kwaliteit van de gastouderopvang door goede begeleiding en bemiddeling. Zij zijn verplicht hun gastouders meerdere keren per jaar te bezoeken.

 

Artikel 13: Voor- en vroegschoolse educatie

1. Diverse kinderdagverblijven in de gemeente Montfoort bieden voorschoolse educatie aan. Deze kinderdagverblijven staan vermeld in het LRK. Deze kinderdagverblijven hebben een educatief aanbod om peuters te stimuleren in hun ontwikkeling, met een focus op de taalontwikkeling, en voor te bereiden op de basisschool. De voorschoolse educatie is onderdeel van het Onderwijsachterstandenbeleid (OAB).

 

2. Voor voorschoolse educatie gelden aanvullende wettelijke en gemeentelijke kwaliteitseisen, waar de toezichthouder toezicht op houdt. De toezichthouder heeft hierbij een signaalfunctie richting de Inspectie van het Onderwijs die toezicht houdt op de gehele voor- en vroegschoolse educatie (vve).

 

3. De wettelijke kwaliteitseisen maken standaard onderdeel uit van het jaarlijks onderzoek. Dit zijn bijvoorbeeld eisen aan het minimaal aantal uur aanbod, de opleidingseisen van de beroepskrachten en het vastleggen van de werkwijze in het pedagogisch beleidsplan en de uitvoering van het beleid.

 

Hoofdstuk 4: Handhaving

 

Artikel 14: Afwegingen voor handhaving

 

1. Bij overtreding van de kwaliteitseisen kan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montfoort bestuurlijke maatregelen opleggen. De gemeente handhaaft conform het bijgevoegde Afwegingsmodel Handhaving Kinderopvang. Dit afwegingsmodel maakt integraal deel uit van deze beleidsregels. Het model wordt gehanteerd bij het uitvoeren van handhavingsacties die nodig zijn wanneer een houder niet voldoet aan één of meerdere kwaliteitseisen van:

  • *

    de Wet kinderopvang,

  • *

    de Beleidsregels Innovatie & Kwaliteit Kinderopvang van de staatssecretaris van OCW,

  • *

    het Besluit kwaliteit kinderopvang,

  • *

    de Regeling Wet kinderopvang,

  • *

    het Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang,

  • *

    de Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorziening voor gastouderopvang,

  • *

    het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie,

  • *

    het Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang.

     

2. Het college heeft de mogelijkheid om zowel herstellend als bestraffend te handhaven. Het college kan gelijktijdig een herstelmaatregel en een bestuurlijke boete opleggen voor dezelfde overtreding.

 

3. Als een overtreding niet in de beleidsregels opgenomen is, zoekt het college aansluiting bij vergelijkbare overtredingen in de beleidsregels.

 

4. Bij elk besluit weegt het college af welk handhavingsmiddel geschikt, noodzakelijk en proportioneel is.

 

Artikel 15: Handhavingsbesluiten

1. Het college besluit welke handhavingsmaatregel passend en geboden is. Dit wordt per overtreding, locatie en houder afgewogen.

 

2. Het college stelt handhavingsbesluiten zo duidelijk en eenvoudig mogelijk op en combineert zoveel mogelijk handhavingsbesluiten, zoals meerdere aanwijzingen, in één brief aan de houder met een duidelijke toelichting, zodat minder verwarring ontstaat over wat het college verwacht van de ontvanger.

 

3. Het college betrekt bij elk besluit alle feiten en weegt alle belangen af. Daarbij wordt afgewogen welke handhavingsmaatregel geschikt en noodzakelijk is. In iedere casus beoordeelt het college of evenredigheid bestaat tussen de ernst van een vastgestelde overtreding en de zwaarte van de op te leggen sanctie.

 

4. Bij de besluitvorming betrekt het college in elk geval:

* het inspectierapport, met daarin:

- gerapporteerde overtreding(en);

- bevindingen en conclusies van de toezichthouder;

- indien van toepassing, de beschrijving van de omstandigheden;

- het advies van de toezichthouder;

- de reactie van de houder in het inspectierapport;

* reacties van de houder aan het college;

* de handhavingsgeschiedenis op locatieniveau en organisatieniveau;

* de inspectiegeschiedenis op locatieniveau en organisatieniveau;

* alle betrokken belangen waaronder het zwaarwegende belang van ouders en kinderen.

 

5. Zodra een handhavingsbesluit wordt verstuurd is het college van oordeel dat het onderzoek van de toezichthouder zorgvuldig is uitgevoerd.

 

Artikel 16: Recidive

1. De houder is verantwoordelijk voor de naleving van de kwaliteitseisen. Daarmee is de houder de overtreder in het geval de kwaliteitseisen niet zijn nageleefd. Elke herhaling van een overtreding van een voorschrift, waarvoor eerder een herstelaanbod is gedaan of handhaving is ingezet, is recidive.

 

2. Bij recidive zet het college doorgaans direct een zwaarder handhavingsmiddel in.

 

3. Wanneer een houder een overtreding binnen 2 jaar na het opleggen van een aanwijzing herhaalt, dan legt het college voor nieuwe overtredingen een last onder dwangsom op.

 

4. Indien een overtreding herhaald wordt na het opleggen en invorderen van een last onder dwangsom of het opleggen van een bestuurlijke boete, legt het college een hogere dwangsom of boete op. In beginsel wordt het bedrag uit het afwegingsmodel bij een eerste herhaling van een overtreding met 50% verhoogd. Bij een tweede recidive wordt het bedrag verdubbeld.

 

5. Wanneer binnen 2 jaar twee keer voor dezelfde overtreding een last onder dwangsom en/of boete is opgelegd en ingevorderd, vervolgt het college de handhaving doorgaans met het exploitatieverbod. De houder voldoet immers langere tijd niet aan de minimale kwaliteitseisen; de kwaliteit van opvang schiet structureel tekort. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang gaat voor het (financiële) belang van de houder en het personeel.

 

Artikel 17: Gastouderopvang en gastouderbureaus

1. Bij de handhaving op de gastouderopvang, zijn de volgende zaken van belang:

* Lagere boetes en dwangsommen voor de gastouder: door de beperkte omvang heeft een gastouder ook minder financiële draagkracht. Het college houdt hier rekening mee in de vaststelling van de bedragen voor boetes en dwangsommen.

* Boetes bij niet gemelde wijzigingen: gastouderbureaus zijn medeverantwoordelijk voor het toezicht op de gastouderopvang en de toezichthouder doet alleen steekproefsgewijs onderzoek. Daarom is het van belang dat goed zicht is op de opvang: hoe is het geregeld, waar is wel en geen opvang en wie kan daarvoor worden aangesproken. Het college legt daarom direct boetes op bij het niet melden van een uitbreiding, het niet melden van de start of beëindiging van bemiddelingsrelaties en het niet melden van de beëindiging van de exploitatie van de voorziening. Boetes worden opgelegd aan het gastouderbureau, zij moeten wijzigingen tijdig melden.

* Snellere sluiting: bij een gastouder gaat het college sneller over tot sluiting (exploitatieverbod) van de opvangvoorziening en intrekking van de toestemming. De kwaliteit van de opvang is namelijk onlosmakelijk verbonden aan de gastouder en het college verwacht daarom geen verbetering na herhaling van overtredingen.

* Signaal naar andere gemeenten: als het college handhavingsmaatregelen inzet bij een gastouderbureau in een andere gemeente, informeert zij het betreffende college.

* Personenregister kinderopvang: Het gastouderbureau is verantwoordelijk voor registratie en wijzigingen in het personenregister kinderopvang. Hiervoor is het gastouderbureau afhankelijk van informatie van de gastouder. Het ligt op de weg van het gastouderbureau om ervoor te zorgen dat zij tijdig de juiste informatie van hun gastouders ontvangen. Het ontbreken van informatie over wijzigingen in het huishouden van gastouders of in de groepssamenstelling bij bemiddeling van een gastouder door meerdere gastouderbureaus ligt in de risicosfeer van het gastouderbureau. Het is aan een gastouderbureaus om aan te tonen dat zij er redelijkerwijs alles aan hebben gedaan om overtredingen te voorkomen.

 

2. De toezichthouder kan bij een onderzoek bij een voorziening voor gastouderopvang binnen onze gemeente een overtreding vaststellen, begaan door een gastouderbureau gevestigd buiten onze gemeente. Handhaving is ook mogelijk bij gastouderbureaus gevestigd buiten onze gemeente, zij het in een iets andere vorm:

* Aan gastouderbureaus gevestigd buiten onze gemeente mag het college geen aanwijzing opleggen. Ook het opleggen van een last onder dwangsom is in dit geval geen geschikt handhavingsmiddel. Immers, het college is doorgaans niet zelf verantwoordelijk voor het toezicht op deze bureaus. Een last onder dwangsom is alleen een effectief handhavingsmiddel als deze ook wordt ingevorderd bij herhaling van een overtreding. Nu het college hierop buiten haar gemeentegrenzen geen toezicht kan houden, vervalt de effectiviteit van dit handhavingsmiddel.

* Het enige handhavingsmiddel dat geschikt en daarmee noodzakelijk voor handhaving bij deze bureaus is het opleggen van een bestuurlijke boete.

 

Artikel 18: Voor- en vroegschoolse educatie (vve)

1. Als sprake is van een overtreding van de wettelijke basisvoorwaarden voor voor- en vroegschoolse educatie, informeert de toezichthouder de Inspectie van het Onderwijs. Deze gebruikt de informatie als signaal in het eigen toezicht. De toezichthouder kan ook voor de vve specifieke eisen een herstelaanbod doen.

 

2. Het college verstrekt subsidie aan kinderdagverblijven met voorschoolse educatie om een ander kwaliteitsniveau te realiseren. Als de toezichthouder een overtreding vaststelt van de wettelijke kwaliteitseisen voorschoolse educatie, zet het college de handhavingsmiddelen in die hiervoor zijn beschreven. Als een aanwijzing niet is opgevolgd, treedt het college eerst op binnen de subsidierelatie. Overtredingen kunnen grond zijn voor het weigeren van een subsidieaanvraag of leiden tot lagere subsidievaststelling. Bij overtredingen van de aanvullende gemeentelijke kwaliteitseisen treedt het college direct op binnen de subsidierelatie.

 

Artikel 19: Publicatie handhavingsbesluiten

Het college maakt handhavingsbesluiten openbaar in het Landelijk Register Kinderopvang zodra deze onherroepelijk zijn. Een handhavingsbesluit is onherroepelijk zodra alle bezwaar- en beroepsprocedures tegen het besluit zijn afgerond. In besluiten staat hoe in bezwaar en/of beroep gegaan kan worden.

 

Hoofdstuk 5: Sancties

 

Artikel 20: Schriftelijke waarschuwing

Een schriftelijke waarschuwing valt onder herstellende handhaving, en is erop gericht dat een begane overtreding hersteld wordt en structureel hersteld blijft. In beginsel handhaaft het college altijd herstellend. Het doel is de kwaliteit van opvang zo snel mogelijk te herstellen zodat de houder kwalitatief goede kinderopvang aanbiedt en kinderen weer in een veilige en gezonde omgeving opgevangen worden en verantwoorde kinderopvang krijgen.

 

Voordat de eerste juridische stap van een aanwijzing wordt gezet, kan daarom een schriftelijke waarschuwing worden gegeven om de houder te bewegen een overtreding binnen een gestelde termijn te herstellen. Een schriftelijke waarschuwing heeft geen juridische status. Een schriftelijke waarschuwing wordt niet gegeven bij ernstige overtredingen of als er sprake is van recidive.

 

Artikel 21: Aanwijzing

Als een houder de voorschriften zoals vastgelegd in de Wet Kinderopvang niet of onvoldoende naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing ontvangen. Met de aanwijzing zet het college in op structurele verbetering. Dat betekent dat de overtreding niet alleen moet worden opgeheven, maar dat een houder ook maatregelen moet nemen om te voorkomen dat hij de overtreding opnieuw begaat.

 

In de aanwijzing staat welke maatregelen de houder, binnen welk termijn, moet nemen om de wettelijke voorwaarden na te leven. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie.

 

De aanwijzing blijft geldig, ook nadat de overtreding is hersteld. De gemeente betrekt deze aanwijzing bij handhavingsbesluiten in de opvolgende 2 jaren.

 

Artikel 22: Last onder dwangsom

Als de aanwijzing niet tot structureel herstel van de overtreding heeft geleid, legt het college in principe een last onder dwangsom op. Het college kan ook direct een last onder dwangsom opleggen zonder dat eerst een aanwijzing is gegeven. Met een last onder dwangsom legt het college de houder de plicht op om maatregelen uit te voeren binnen een aangegeven termijn. Als een houder binnen de hersteltermijn de overtreding opheft en/of niet herhaalt, hoeft deze de dwangsom niet te betalen.

 

Is vastgesteld dat een overtreding niet is opgeheven of is herhaald, dan moet de houder de dwangsom betalen. Met een last onder dwangsom kan op meerdere herhalingen worden gehandhaafd. Een last onder dwangsom kent daarvoor een maximumbedrag.

 

Als er binnen 2 jaar, sinds de laatste opgelegde aanwijzing, een overtreding van dezelfde kwaliteitseis is vastgesteld legt het college doorgaans een last onder dwangsom op. Ook als de kwaliteitseis in de tussenliggende periode is beoordeeld en er geen overtreding is vastgesteld.

 

Artikel 23: Schriftelijk bevel

Als de kwaliteit van de kinderopvang dusdanig ernstig tekortschiet dat de veiligheid en gezondheid van de kinderen direct in het geding komt, heeft de toezichthouder de mogelijkheid om zelf in te grijpen met een schriftelijk bevel.

 

Als de toezichthouder een schriftelijk bevel heeft opgelegd en de overtreding(en) zijn naar het oordeel van de toezichthouder niet of onvoldoende hersteld, dan kan het college het bevel verlengen met minimaal 7 dagen en zolang de houder nodig heeft om de overtreding(en), naar het oordeel van de toezichthouder, structureel te herstellen.

 

Artikel 24: Exploitatieverbod

Zodra er geen sprake (meer) is van verantwoorde kinderopvang sluit het college de kinderopvang tijdelijk. Wat onder verantwoorde kinderopvang wordt verstaan is vastgelegd in artikel 1.49 van de Wet kinderopvang. Ook kan de kinderopvang gesloten worden zolang de houder een bevel van de toezichthouder of aanwijzing niet opvolgt.

 

Daarnaast gaat het college over tot tijdelijke sluiting bij locaties waar de kwaliteit structureel ondermaats is. Eerdere minder zware handhavingsmaatregelen hebben dan niet tot (structureel) herstel geleid. Bij deze tijdelijke sluiting moet de kinderopvang gesloten blijven zolang niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Pas als de houder aantoont dat de kwaliteit verbeterd is en blijft, mag de kinderopvang weer open. De toezichthouder beoordeelt dit tijdens een inspectieonderzoek.

 

Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang weegt altijd zwaarder dan het belang van continuïteit van opvang of een financieel belang.

 

Als het college een kinderopvanglocatie sluit, moet de houder de ouders zelf op de hoogte stellen van deze sluiting. Als de houder dit niet doet, informeert het college of de toezichthouder ouders hierover.

 

Artikel 25: Intrekken toestemming

Lukt het de houder na sluiting van een locatie niet om (binnen redelijke termijn) de overtredingen structureel op te heffen, kan het college de toestemming tot exploitatie intrekken. Ook als een houder de kwaliteitseisen structureel niet naleeft, na verbetering opnieuw overtredingen begaat, veel en/of ernstige overtredingen of overtredingen die redelijkerwijs niet kunnen worden hersteld, sluit het college de kinderopvang permanent. Dit doet zij door de toestemming tot exploitatie in te trekken en de voorziening te verwijderen uit het LRK.

 

Het college kan de toestemming ook direct intrekken als:

- niet langer wordt voldaan aan de definitie van kinderopvang, ouderparticipatiecrèche, gastouderopvang, gastouder of gastouderbureau;

- er sprake is van (een) overtreding(en) die, naar het oordeel van de toezichthouder, niet hersteld kan (kunnen) worden.

 

Artikel 26: Last onder bestuursdwang

Bij een last onder bestuursdwang neemt het college bepaalde maatregelen om de overtreding van de kwaliteitseis op te heffen. Dit handhavingsmiddel is bijvoorbeeld geschikt om een kinderopvangvoorziening te sluiten en gesloten te houden bij overtreding van een exploitatieverbod. Alle kosten die gemaakt worden bij de last onder bestuursdwang zijn voor rekening van de houder. De last onder bestuursdwang is te vinden in paragraaf 5.3.1. van de Algemene wet bestuursrecht.

 

Artikel 27: Bestuurlijke boete

Voor enkele ernstige overtredingen legt het college altijd een boete op, ook als de houder maatregelen neemt om herhaling of voortduren van een overtreding te voorkomen. Deze boetes staan in de tabellen ‘Directe boete’ uit het afwegingsmodel. Overtredingen van de in het afwegingsmodel genoemde voorschriften kunnen dusdanig ernstige gevolgen hebben dat kinderen deze levenslang met zich mee kunnen dragen. Dit zijn dan ook zeer ernstige overtredingen, in beginsel legt het college hiervoor altijd een boete op.

 

Elke overtreding beoordeelt en bestraft het college afzonderlijk, ook als één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden. Daarnaast legt het college een boete op als een houder na het opleggen van een aanwijzing geen maatregelen heeft genomen om herhaling of voortduren van een overtreding te voorkomen. Zodra één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden, beoordeelt het college of het totale boetebedrag dat kan worden opgelegd evenredig is met de ernst van de overtredingen en de mate waarin de kwaliteit van opvang negatief werd beïnvloed.

 

Een boete heeft altijd financiële gevolgen voor de overtreder. De draagkracht van een overtreder speelt geen rol bij het bepalen van de hoogte van een boete. Deze draagkracht is voor het college immers moeilijk vast te stellen. Een boete treft niet elke overtreder even zwaar. Als de overtreder kan aantonen dat hij een boete niet in één keer kan betalen zonder dat de continuïteit van de opvang in gevaar komt, dan is dat in beginsel geen reden om een boete te matigen of van het opleggen van een boete af te zien. Wel kan dit reden zijn om een betalingsregeling toe te staan.

 

Ook het (vrijwillig) sluiten van een locatie is geen reden om van het opleggen van een boete af te zien.

 

Hoofdstuk 6: Overige bepalingen

 

Artikel 28: Overgangsrecht

Indien een aanwijzing wordt gegeven of een sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze beleidsregels, blijft het beleid zoals dat gold op het moment van de overtreding, van toepassing.

 

Artikel 29: Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.

 

Artikel 30: Intrekken oude regeling

De ‘Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang Montfoort’ die per 1 januari 2018 in werking zijn getreden, worden ingetrokken.

 

Artikel 31: Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels handhaving kinderopvang gemeente Montfoort 2025”.

 

Ondertekening

 

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montfoort in zijn vergadering van 26 augustus 2025.

 

Het college van burgemeester en wethouders,

 

M.H. van der Veer

gemeentesecretaris

 

mr. P.J. van Hartskamp - de Jong

burgemeester

 

 

 Bijlage: Afwegingsmodel Handhaving Kinderopvang

In het afwegingsmodel is vastgelegd welke bestuurlijke handhavingsmaatregel(en) het college doorgaans oplegt. Per domein staat de hersteltermijn waarbinnen overtredingen moeten zijn hersteld en de hoogte van financiële sancties.

Naar boven