U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

ONTWERP Besluit van de raad van de gemeente Amsterdam tot wijziging van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam in verband het aanbrengen van diverse ondergeschikte verbeteringen van uiteenlopende aard (Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Veegwijziging)

De raad van de gemeente Amsterdam,

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van DATUM WORDT TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT,

gelet op: 

  • a.

    artikel 2.4 van de Omgevingswet, dat bepaalt dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vaststelt waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen;

  • b.

    artikel 16.30 en artikel 16.23, eerste lid, Omgevingswet, die bepalen dat: 

    • 1.

      op de voorbereiding van een omgevingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, met dien verstande dat een ieder een zienswijze bij de gemeenteraad mag indienen omtrent het ontwerp wijzigingsbesluit;

    • 2.

      de artikelen 3:43 tot en met 3:45 en afdeling 3.7 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zijn op een omgevingsplan; 

  • c.

    artikel 16.78, eerste lid, Omgevingswet, dat bepaalt dat een wijziging van een omgevingsplan in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit is bekend gemaakt; 

  • d.

    WORDT EVENTUEEL TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT

  • e.

    WORDT EVENTUEEL TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT.

Besluit;

Artikel I

Het Omgevingsplan gemeente Amsterdam wordt gewijzigd conform de wijzigingen zoals opgenomen in Bijlage A.

Artikel II

Dit besluit treedt in werking vier weken na bekendmaking ervan. 

Artikel III

Dit besluit wordt aangehaald als Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Veegwijziging. 

Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam, DATUM WORDT TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT

Niet getekend ontwerp-exemplaar 

BEROEPSCLAUSULE WORDT TOEGEVOEGD BIJ DEFINITIEF BESLUIT

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Artikel 2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.3 Vangnetbepaling strijdig gebruik

  • 1.

    Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is het ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming en de daarop betrekking hebbende regels over gebruik, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3, voor zover die van toepassing zijn.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, waarbij het  ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de daarin opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3, voor zover die van toepassing zijn.

  • 4.

    In aanvulling op het tweede lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, zonder dat daarbij het  ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de daarin opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken.

  • 5.

    Tot een gebruik dat in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel, bedoeld in het eerste lid, behoort in elk geval het inrichten en/of gebruiken van gronden en bouwwerken voor: 

    • a.

      groenvoorzieningen en waterpartijen;

    • b.

      nutsvoorzieningen;

    • c.

      ontsluitingsinfrastructuur ten behoeve van het gebruiksdoel;

    • d.

      het voorzien in de eigen parkeerbehoefte.

  • 6.

    Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: 

    • a.

      een bouwwerk dat met toepassing van artikel 4.19 is toegestaan;

    • b.

      een bijbehorend bouwwerk dat op grond van afdeling 5.3 is toegestaan. 

B

Artikel 2.85 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.85 Toestaan bedrijven met maatwerkvoorschrift

  • 1.

    In afwijking van artikel 2.83 of artikel 2.84 kan per maatwerkvoorschrift op verzoek of ambtshalve een bedrijf op een locatie worden toegestaan indienvoor zover dat bedrijf niet meer geluid, geur en stof uitstoot dan bedrijven die op grond van artikel 2.83, respectievelijk artikel 2.84 op die locatie zijn toegestaan.

  • 2.

    Bij de aanvraag om een maatwerkvoorschrift worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de voorgenomen activiteit;

    • b.

      een beschrijving van de te verwachten uitstoot van geluid, geur en stof; en

    • c.

      een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen om de uitstoot van geluid, geur en stof in de omgeving te beperken. 

  • 3.

    Om te borgen dat er wordt voldaan aan het eerste lid kan het bevoegd gezag in het maatwerkvoorschrift onder meer: 

    • a.

      het treffen van maatregelen of voorzieningen verplichten;

    • b.

      aan de bedrijfsactiviteit beperkingen stellen; 

    • c.

      aanwijzingen geven. 

C

Artikel 2.86 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.86 Bestaande bedrijven: eerbiedigende werking

Onverminderd het bepaalde in artikel 2.83 en 2.84 zijn ook bedrijven toegestaan die in bijlage VII zijn opgenomen.  

D

Artikel 2.188 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.188 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water', toegestaan gebruik 

  • 1.

    De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' hebben als gebruiksdoel waterberging, waterhuishouding en het realiseren, in stand houden en gebruiken van watervoorzieningen, waaronder in ieder geval worden begrepen sloten, vijvers, vaarten, kanalen, grachten, plassen, waterwegen en overige waterpartijen.

  • 2.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' in elk gevalmede bedoeld voor het realiseren, in stand houden en gebruiken van de volgende voorzieningen, bouwwerken en andere werken:

    • a.

      bruggen;

    • b.

      beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken;

    • c.

      groenvoorzieningen van ondergeschikte omvang;

    • d.

      nutsvoorzieningen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen;

    • e.

      waterstaatkundige werken.

  • 3.

    Bij het realiseren, in stand houden en gebruiken van de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, bouwwerken en andere werken worden de bepalingen zoals elders in dit omgevingsplan gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.  

  • 4.

    Gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.  

E

Artikel 2.195 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.195 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer', toegestaan gebruik 

  • 1.

    De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' hebben als gebruiksdoel het realiseren, in stand houden en gebruiken van wegen, stationsvoorzieningen, spoorwegen, metrolijnen, trambanen, woonerven, parkeervoorzieningen, voet- en fietspaden en pleinen.

  • 2.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' in elk gevalmede bedoeld voor het realiseren, in stand houden en gebruiken van de volgende voorzieningen, bouwwerken en andere werken:

    • a.

      bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen, taluds en zijkanten, waterstaatkundige en civieltechnische (kunst)werken, alsmede de aan de wegen liggende parkeerplaatsen;

    • b.

      beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare ondergeschikte werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken;

    • c.

      groenvoorzieningen en watervoorzieningen;

    • d.

      nutsvoorzieningen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen.

  • 3.

    Bij het realiseren, in stand houden en gebruiken van de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, bouwwerken en andere werken worden de bepalingen zoals elders in dit omgevingsplan gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.  

  • 4.

    Gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.  

F

Subparagraaf 2.3.14.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 2.3.14.3 Aanvullende regels over publiektoegankelijke parkeervoorzieningen en fietsstalling

Artikel 2.205 Publiektoegankelijke parkeervoorzieningen

Artikel 2.206 Publiektoegankelijke fietsstalling

G

Artikel 2.208 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.208 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen', toegestaan gebruik 

  • 1.

    De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' heeft als gebruiksdoel het realiseren, in stand houden en gebruiken van groenvoorzieningen in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, met de daarbij behorende waterpartijen.

  • 2.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald, zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' mede bedoeld voor het realiseren, in stand houden en gebruiken van de volgende voorzieningen, bouwwerken en andere werken:

    • a.

      voet- en fietspaden, speelplekken en speelvoorzieningen, straatmeubilair, objecten van beeldende kunst, en overige naar aard en omvang ondergeschikte bouwwerken en verhardingen;

    • b.

      faciliteiten en bouwwerken in de openbare ruimte ten behoeve buitensportactiviteiten, zoals skateboarden, panna, freestyle footbal en urban sport parcours;

    • c.

      vijvers, sloten, waterlopen, waterwegen en overige waterpartijen met bijbehorende beschoeiingen, (aanleg)steigers, bruggen en daarmee vergelijkbare naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken die zich verdragen met het in het tweedeeerste lid, gestelde doel bedoeld gebruiksdoel

    • d.

      nutsvoorzieningen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen;

    • e.

      waterstaatkundige werken.

  • 3.

    Bij het realiseren, in stand houden en gebruiken van de in het tweede lid bedoelde voorzieningen, bouwwerken en andere werken worden de bepalingen zoals elders in dit omgevingsplan gesteld, voor zover die op de desbetreffende activiteiten van toepassing zijn, in acht genomen.  

  • 4.

    Gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.  

H

Artikel 2.214 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.214 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruiksdoel ter plaatse van de volgende aanduidingen:

I

Artikel 4.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.10 Toepassingsbereik

  • 1.

    In deze paragraaf worden bouwwerken aangewezen waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, niet van toepassing is.

  • 2.

    Op bouwwerken waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, niet van toepassing is, iszijn artikel 2.3 en artikel 5.6 onverkort van toepassing.

J

Artikel 4.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.12 Uitzondering op de vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken, ruimtelijke regels over bouwwerken onverkort van toepassing 

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 4.7, geldt niet voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als die activiteit betrekking heeft op:

    • a.

      een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 

      • 1.

        op de grond staand; 

      • 2.

        gelegen in achtererfgebied; 

      • 3.

        op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; 

      • 4.

        niet hoger dan 5 m; 

      • 5.

        de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en 

      • 6.

        niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; 

    • b.

      een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 

      • 1.

        op de grond staand; 

      • 2.

        niet hoger dan 5 m; en 

      • 3.

        de oppervlakte niet meer dan 70 m2

    • c.

      een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 

      • 1.

        regels over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.24 zijn, gelet op artikel 4.26, niet van toepassing; 

      • 2.

        voorzien van een plat dak; 

      • 3.

        gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m; 

      • 4.

        onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet; 

      • 5.

        bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en 

      • 6.

        zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; 

    • d.

      een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

      • 1.

        niet hoger dan 4 m; en 

      • 2.

        alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; 

    • e.

      een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; 

    • f.

      een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 

      • 1.

        hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m; 

      • 2.

        op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 

      • 3.

        achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; 

    • g.

      een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om: 

      • 1.

        een silo; of 

      • 2.

        een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; 

    • h.

      een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of

    • i.

      een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 

      • 1.

        geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; 

      • 2.

        geen uitbreiding van het bouwvolume; 

      • 3.

        geen toename van de bouwhoogte; en 

      • 4.

        geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen;

    • j.

      een tuinhuis, kas of berging ter plaatse van de aanduiding ‘gebruiksdoel: volkstuinpark’;.

    • k.

      gewoon onderhoud in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet worden gewijzigd. 

  • 2.

    Het eerste lid laat onverlet dat bij een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die betrekking heeft op een bouwwerk, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan moet worden aan artikel 5.6.

K

Artikel 4.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.13 Vanwege cultureel erfgoed geldende beperking op artikel 4.12, vergunningplicht artikel 4.7 van toepassing 

  • 1.

    Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 4.12, eerste lid, niet van toepassing, met uitzondering van het bepaalde onder ki, voor zover het betreft inpandige aanpassingen.

  • 2.

    Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 4.12, eerste lid, niet van toepassing, met uitzondering van het bepaalde in de aanhef en onder d tot en met i, van dat artikel.

  • 3.

    Op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de aanduiding 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht' of 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht' is gegeven, is artikel 4.12, eerste lid, alleen van toepassing voor zover het gaat om: 

    • a.

      inpandige wijzigingen; 

    • b.

      een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; 

    • c.

      een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of 

    • d.

      een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

  • 4.

    Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' is artikel 4.12, eerste lid, aanhef en onder a en b, niet van toepassing als in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan voor de locatie waarop de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt verricht, regels zijn gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. 

  • 5.

    Het vierde lid is niet van toepassing als het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.

L

Artikel 4.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.16 Beoordelingsregel met betrekking tot ruimtelijke regels over bouwwerken

  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 2.3 en artikel 5.6.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt niet geweigerd op grond van het eerste lid, voor zover de omgevingsplanactiviteit bouwwerken passend is binnen: 

    • a.

      een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken of het gebruik van bouwwerken; of 

    • b.

      een onder oud recht verleende omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken of het gebruik van bouwwerken

  • 3.

    Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geweigerd op grond van het eerste lid, als:

    • a.

      in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels; en

    • b.

      het bevoegd gezag, gelet op artikel 22.281, van oordeel is dat de vergunning met toepassing van de onder a bedoelde regels kan worden verleend. 

  • 4.

    In afwijking van de voorgaande leden wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag:

    • a.

      een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;

    • b.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of

    • c.

      een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.

M

Artikel 4.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.19 Algemene mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van de ruimtelijke regels over bouwwerken 

Als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.6, en een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken om die reden zou moeten worden geweigerd, kan die omgevingsvergunning in afwijking van artikel 4.16, eerste lid, toch worden verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op: 

  • a.

    een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover dat vanwege artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet vergunningvrij is toegestaan;

  • b.

    een bouwwerk, bedoeld in artikel 4.12, voor zover daarop vanwege artikel 4.14 of artikel 4.13 de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, van toepassing is;

  • c.

    een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits: 

    • 1.

      voor zover gelegen binnen de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

      • I.

        niet hoger dan 5 meter; 

      • II.

        de oppervlakte niet meer dan 500 m2; en

    • 2.

      voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

      • I.

        niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

      • II.

        de oppervlakte niet meer dan 150 m2;

  • d.

    een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2.29, onder p, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, dat niet voldoet aan de in dat artikel genoemde eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      niet hoger dan 6 m; en

    • 2.

      oppervlakte niet meer dan 50 m²;

  • e.

    een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      niet hoger dan 10 m; en

    • 2.

      de oppervlakte niet meer dan 50 m²;

  • f.

    een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;

  • g.

    een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m; 

  • h.

    een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998;

  • i.

    een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen;

  • j.

    het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied;

  • k j.

    een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zoals gedenktekens, plastieken, straatmeubilair, vrijstaande muren, keermuren, trapconstructies, bebouwing ten behoeve van al dan niet ondergrondse afvalopslag, geluidwerende voorzieningen, steigers, duikers en andere waterstaatkundige werken, voor zover die niet reeds op grond van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn toegestaan;

  • l k.

    overschrijdingen van het bouwvlak, voor zover die in het belang zijn van een ruimtelijke en/of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken, wegen en anderszins, of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer bedraagt dan 1 meter;

  • m l.

    overschrijdingen van het bouwvlak ten behoeve van bordessen, erkers, galerijen, buitentrappen, pothuizen en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen ter hoogte van de eerste bouwlaag, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 3 meter bedraagt;

  • n m.

    overschrijdingen van het bouwvlak ten behoeve van luifels, erkers en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen vanaf de tweede bouwlaag, mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 3 meter bedraagt;

  • o n.

    overschrijdingen van het bouwvlak ten behoeve van hijsinrichtingen voor zover deze de vrije doorgang van het verkeer niet belemmeren, en mits de overschrijding van het bouwvlak niet meer dan 2 meter bedraagt;

  • p o.

    overschrijdingen van de maximum bouwhoogte ten behoeve van dakopbouwen, hijsinrichtingen, trappenhuizen, liftinstallaties en andere technische installaties, schoorstenen, andere vergelijkbare bouwwerken en ondergeschikte delen van gebouwen, mits de overschrijding ten opzichte van de maximum bouwhoogte, bedoeld in de artikel 5.17, niet meer bedraagt dan 3 meter en deze worden gerealiseerd op tenminste een aan de hoogteoverschrijding gelijke afstand van elke dakrand.

N

Artikel 4.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.20 Beoordelingsregels van toepassing op artikel 4.19

  • 1.

    Aan artikel 4.19 wordt alleen toepassing gegeven als: 

    • a.

      de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat; 

    • b.

      door de activiteit de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de locatie en de omgeving daarvan niet onevenredig wordt aangetast;

    • c.

      het belang van het behoud van cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet; 

    • d.

      de activiteit, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, niet plaatsvindt op een locatie als bedoeld in artikel 5.11; 

    • e.

      de activiteit, voor zover die leidt tot een overschrijding van de maximum bouwhoogtes zoals die zijn bepaald in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol, in overeenstemming is met:

      • 1.

        een door de verantwoordelijke minister afgegeven verklaring van geen bezwaar bij overschrijding van de toegestane bouwhoogte zoals bepaald in artikel 2.2.2 van dat besluit; of;

      • 2.

        een door de Inspectie Leefomgeving en Transport afgegeven advies bij overschrijding van de toegestane bouwhoogte zoals bepaald in artikel 2.2.2a van dat besluit;

    • f.

      de activiteit, voor zover die leidt tot een overschrijding van de maximum bouwhoogtes zoals die is bepaald in artikel 4.109, onder f, van de Omgevingsverordening Noord-Holland 2022, in overeenstemming is met door gedeputeerde staten afgegeven verklaring van geen bezwaar; en

    • g.

      het gebruik van het te bouwen bouwwerk in overeenstemming is met artikel 2.3.

  • 2.

    Aan artikel 4.19, aanhef en onder c, wordt geen toepassing gegeven als sprake is van strijd met een instructieregel, gesteld in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, of in de provinciale omgevingsverordening.  

  • 3.

    Bij de toepassing van artikel 4.19, wordt rekening gehouden met het belang van het voorkomen van hittestress, het behoud van groen, en het rainproof maken van Amsterdam. 

O

Artikel 4.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.23 Overige beoordelingsregels onverkort van toepassing, uitzonderingen

  • 1.

    Bij toepassing van artikel 4.19 zijn de overige in paragraaf 4.2.4 opgenomen beoordelingsregels onverkort van toepassing.

  • 2.

    Voor zover toepassing wordt gegeven aan artikel 4.19 en de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken heeft uitsluitend betrekking op een bouwwerk bedoeld in artikel 4.19, eerste lid, onder a of b, blijven in afwijking van het eerste lid de beoordelingsregels genoemd in de subparagrafen 4.2.4.3 tot en met 4.2.4.7 buiten toepassing. 

P

Artikel 4.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.24 Beoordelingsregel met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken

  • 1.

    De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doetdoen aan een goede omgevingskwaliteit.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.

  • 3.

    Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.

  • 4.

    Voor zover nog geen beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Q

Artikel 4.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.32 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie

  • 1.

    Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de resultaten van onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving

    • b.

      als de waarde toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 4.29, tweede tot en met vierde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen; en

    • c.

      als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving: een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.;

    • d.

      als een andere beschermende maatregel, bedoeld in artikel 4.28, eerste lid, aanhef en onder c, wordt getroffen: een toetsing volgens het toetsingsmodel Risicotoolbox bodem, waarmee wordt aangetoond dat geen sprake is van  overschrijding van het maximaal toelaatbaar humaan risico.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid, onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw-of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is verricht overeenkomstig NEN 5897 voor zover sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste lid, onder a, wordt ter plaatse van de aanduiding 'uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw' een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ongeacht de resultaten van het vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a Besluit activiteiten leefomgeving. 

  • 4.

    Het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk indien uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid niet rechtvaardigen.

  • 5.

    De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

R

Artikel 4.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.41 Vergunningvoorschriften met betrekking tot windhinder en windgevaar

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden dekunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare windhinder of windgevaar. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op:

  • a.

    het nemen van windhinder beperkende maatregel in, op, aan of bij de bebouwing; en

  • b.

    de vormgeving van bovengrondse bebouwing.

S

Artikel 4.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.56 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden dekunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen een onaanvaardbare mate van geluid op het geluidgevoelig gebouw. 

T

Artikel 4.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.63 Vergunningvoorschriften met betrekking tot grondwatereffecten bij ondergrondse gebouwen

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden dekunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het voorkomen van onaanvaardbare grondwatereffecten op de omgeving. 

U

Artikel 4.88 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.88 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling hemelwaterberging

  • 1.

    Als de aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk waarop paragraaf 4.4.2 van toepassing is, dan worden de gegevens en bescheiden verstrektwordt een rapport verstrekt met informatie waaruit blijkt dat aan dat onderdeel wordt voldaan. 

  • 2.

    De gegevens en bescheiden betreffen Het rapport bevat in ieder geval de volgende informatie:

    • a.

      een overzichtstekening en een profieltekening met maatvoering en hoogtes op schaal, welke aangeeft wat de verschillende dakoppervlakken en locatie van de te treffen maatregelen zijn;

    • b.

      een systeembeschrijving, in de vorm van tekst of een schematische weergave, welke aangeeft hoe de verschillende dakoppervlakken worden verbonden met de maatregelen voor hemelwaterverwerking; en

    • c.

      een totaalberekening welke aantoont hoe de hemelwaterbergingseis wordt behaald door het opgeven van de toeop te passen producten onder vermelding van fabricaat en model en/of materiaal, zoals grind- of grondsoortgeven welke oplossing wordt toegepast.

V

Artikel 4.92 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.92 Uitgestelde toepassing

Deze paragraaf wordt  toegepast met ingang van de dag dat artikel 21 van de Erfgoedverordening Amsterdam vervalt. 

W

Artikel 4.97 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.97 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de een omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht worden, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een nadere bepaling van de cultuurhistorische waarde van het te slopen bouwwerk of onderdelen daarvan aan de hand van een bouwhistorische opname;

  • b.

    gegevens waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 

X

Artikel 4.110 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.110 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een gebouw, ongeacht of daarvoor de vergunningplicht geldt, bedoeld in artikel 4.7. 

  • 2.

    Deze paragraaf is van toepassing op: 

    • a.

      nieuwe gebouwen;

    • b.

      bestaande gebouwen indien na 11 mei 2021:

      • 1.

        een ingrijpende renovatie als bedoeld in het artikel 5.20, vijfde lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving is uitgevoerd of wordt uitgevoerd mits de bruto vloeroppervlakte van het gebouw 1.000 m2 of meer is;

      • 2.

        aan het gebouw één of meer bouwlagen, een kelder of een souterrain is toegevoegd of wordt toegevoegd; of

      • 3.

        aan het gebouw een dakopbouw is toegevoegd of wordt toegevoegd mits:

        • I.

          de dakopbouw meer dan 50% van het totaal bebouwd oppervlak van het hoofdgebouw zoals van bovenaf gezien beslaat; of

        • II.

          met een minimum omvang van 100m2 oppervlakte;

      • 3 4.

        het bebouwde oppervlak is uitgebreid of wordt uitgebreid. 

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid is deze paragraaf niet van toepassing op gebouwen waarvoor:

    • a.

      voor 11 mei 2021 een omgevingsvergunning voor bouwen is aangevraagd; of 

    • b.

      voor 22 juni 2021 selectieprocedures voor gronduitgifte zijn gestart of overeenkomsten zijn aangegaan waaruit de intentie tot (her)ontwikkeling van een gebouw blijkt.

  • 4.

     

    Bij de toepassing het tweede lid, onderdeel b, onder 2 wordt onder het toevoegen van een kelder of souterrain mede verstaan het vergroten van een bestaande kelder of souterrain mits:

    • a.

      de uitbreiding van de kelder of het souterrain meer dan 50% van het totaal bebouwd oppervlak van het hoofdgebouw zoals van bovenaf gezien beslaat; of

    • b.

      de uitbreiding van de kelder of het souterrain een minimum omvang van 100 m2 oppervlakte heeft; of 

    • c.

      de bestaande kelder of souterrain wordt verdiept waardoor deze in gebruik genomen kan worden ten behoeve van een gebruiksfunctie of nevengebruiksfunctie als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving. 

Y

Artikel 4.112 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.112 Verbod op lozen zonder waterberging

  • 1.

    Het is verboden om vanaf een gebouw hemelwater in het openbaar riool of op de openbare ruimte, anders dan het oppervlaktewater, te lozen, tenzij een hemelwaterberging is aangebracht en in stand wordt gehouden.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover een bestaand gebouw als bedoeld in artikel 4.110, tweede lid, onder b, onderdeel 1 of 2, niet bestand is tegen het aanbrengen van een hemelwaterberging op dat gebouw en er rond dat bestaande gebouw geen of onvoldoende oppervlak aanwezig is om in hemelwaterberging te voorzien. 

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid geldt niet voor tijdelijke gebouwen, met een instandhoudingstermijn van maximaal 10 jaar, mits:

    • a.

      geen toename ontstaat van het al aanwezige verhard oppervlak; of 

    • b.

      het tijdelijke gebouw niet bestand is tegen het aanbrengen van een hemelwaterberging op dat gebouw en er rond het tijdelijke gebouw geen of onvoldoende oppervlak aanwezig is om in hemelwaterberging te voorzien; of

    • c.

      er sprake is van een bouwkeet of een ander gebouw als bedoeld in artikel 2.29, aanhef en onder q, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. 

Z

Artikel 4.113 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.113 Vereisten hemelwaterberging

  • 1.

    Een hemelwaterberging als bedoeld in artikel 4.112:

    • a.

      heeft ten minste een capaciteit van 60 liter per m2 bebouwd oppervlak;

    • b.

      loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool; en

    • c.

      is na 60 uur leeg.

  • 2.

    Een hemelwaterberging met hergebruiksysteem: 

    • a.

      heeft ten minste een capaciteit van 10590 liter per m2 bebouwd oppervlak; 

    • b.

      loost maximaal 1 liter per m2 bebouwd oppervlak per uur op een openbaar riool; 

    • c b.

      is na 7060 uur voor ten minste 33% leeg en na 14 dagen voor ten miste 66%; en

    • d c.

      leegt het restant op basis van het gebruik van het hergebruiksysteem. 

  • 3.

    Voor een waterberging met een centraal besturingssysteem geldt alleen het vereiste uit het eerste lid, onder a. 

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een gebouw dat zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kan worden gebouwd mits het is voorzien van een groen dak met een minimale waterbergingscapaciteit van 30 liter per m2

  • 5.

    In geval van uitbreiding van het bebouwd oppervlak van een bestaand gebouw als bedoeld in artikel 4.110, eerste lid onder b, onderdeel 3, wordt bij de toepassing van dit artikel onder bebouwd oppervlak het bebouwd oppervlak van de uitbreiding verstaan.

  • 6.

    Het geborgen hemelwater wordt in de ondergrond geïnfiltreerd. Als dat niet of maar deels mogelijk is, kan in het openbare riool worden geloosd.

  • 7.

    Het hemelwater dat na toepassing van het eerste, tweede of derde lid niet kan worden geborgen, kan worden geloosd in het openbare riool of op de openbare ruimte.

AA

Artikel 5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

Dit hoofdstuk is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bevat regels over bouwwerken.  

Dit hoofdstuk is van toepassing op bouwwerken en op het bouwen en in stand houden van bouwwerken.

BB

Het opschrift van afdeling 5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2 ALGEMEEN VERBOD BOUWWERKEN TE BOUWEN, EN IN STAND TE HOUDEN EN TE GEBRUIKEN IN STRIJD MET RUIMTELIJKE REGELS OVER BOUWWERKEN

CC

Artikel 5.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.6 Vangnetbepaling ruimtelijke regels bouwwerken 

  • 1.

    Het is verboden een bouwwerk te bouwen, en in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in dit hoofdstuk opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' geldt in afwijking van het eerste lid dat het verboden is een bouwwerk te bouwen, en in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met afdeling 5.3 of met in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken en het gebruik daarvan.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste en tweede lid is het daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld  en in werking is getreden verboden een bouwwerk te bouwen, en in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de daarin opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken en het gebruik daarvan.

DD

Artikel 5.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.12 Beperkingen op aangewezen locaties

  • 1.

    Artikel 5.8, aanhef en onder a, is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'beperkingen erfbebouwing'. 

  • 2.

    Artikel 5.8, aanhef en onder a, is niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbindingen'. 

  • 3.

    Ter plaatse van een in de Omgevingsregeling aangewezen reserveringsgebied voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg, bedoeld in artikel 5.33 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is artikel 4.12 niet van toepassing. 

  • 3.

    Ter plaatse van een in de Omgevingsregeling aangewezen reserveringsgebied voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg, bedoeld in artikel 5.33 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is artikel 4.12 niet van toepassing. 

EE

Artikel 5.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.13 Beperkingen vanwege strijdigheid met tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan

FF

Het opschrift van afdeling 5.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.4 GEBRUIK VAN BOUWWERKEN VERVALLEN

GG

Artikel 5.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.14 Bouwwerken uitsluitend toegestaan ten behoeve van het gebruiksdoel  Vervallen

[Gereserveerd]

Bouwwerken mogen uitsluitend worden gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met:  

  • a.

    een ter plaatse geldend gebruiksdoel als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid;

  • b.

    de ter plaatse geldende bestemming, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid; 

  • c.

    een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om af te wijken van de regels over gebruik, bedoeld in artikel 2.3;

  • d.

    een verleende omgevingsvergunning om af te wijken, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 

HH

Artikel 5.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.19 Minimale hoogte van de eerste bouwlaag

  • 1.

    Ter plaatse van de aanduiding 'minimum hoogte eerste bouwlaag' is de minimale hoogte van de eerste bouwlaag, gemeten vanaf de vloer van de eerste bouwlaag tot aan de bovenkant vloer van de tweede bouwlaag, in meters de daar bepaalde waarde.

  • 2.

    Indien de vloer van de eerste verdiepingbouwlaag onder het aangrenzend maaiveld ligt, wordt in afwijking van het eerste lid gemeten vanaf aangrenzende maaiveld tot aan de bovenkant vloer van de tweede bouwlaag.

II

Artikel 5.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.20 Voorgeschreven gevelrooilijn

  • 1.

    Ter plaatse van de aanduiding 'voorgeschreven rooilijn' geldt voor bovengrondse gebouwen dat de gevel aan de zijde ter plaatse van de aanduiding 'rooilijn' in die lijn dient temoet staan.  

  • 2.

    Ter plaatse van de aanduiding 'voorgeschreven rooilijn (minimum %)' geldt voor bovengrondse gebouwen dat de gevel aan de zijde ter plaatse van de aanduiding 'rooilijn' voor minimaal het daar bepaalde percentage in die lijn dient te staan.

JJ

Artikel 5.75 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.75 Voorgeschreven ontsluiting autoparkeervoorzieningparkeervoorziening

Ter plaatse van de aanduiding 'voorgeschreven ontsluiting parkeervoorziening' geldt dat een ontsluiting van een auto- of fietsparkeervoorziening uitsluitend is toegestaan ter plaatse van dezede aanduiding 'ontsluiting parkeervoorziening toegestaan'.

KK

Artikel 5.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.76 Aanwijzing niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen

LL

Artikel 6.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.10 Uitzonderingen op de vergunningplicht

Het verbod, bedoeld in artikel 6.9, geldt niet als:

  • a.

     de bedoelde activiteiten het normaal onderhoud en beheer betreffen; 

  • b.

    de bedoelde activiteiten waren toegestaan voor het van kracht worden van dit regelonderdeel en reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit regelonderdeel.

MM

Artikel 6.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.13 Advies netbeheerder

  • 1.

    Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van het hoogspanningsnetwerk over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteit het belang, bedoeld in artikel 6.8, derde lid, niet onevenredig wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

  • 2.

    Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning houdt het bevoegd gezag rekening met het in het eerste lid bedoelde advies.

NN

Artikel 6.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.20 Advies netbeheerder

  • 1.

    Voordat wordt besloten over een aanvraag om een  omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van het hoogspanningsnetwerk over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten het belang, bedoeld in artikel 6.15, derde lid, niet onevenredig wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

  • 2.

    Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning houdt het bevoegd gezag rekening met het in het eerste lid bedoelde advies.

OO

Artikel 6.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.27 Advies leidingbeheerder 

  • 1.

    Voordat wordt besloten over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen wint het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies in bij de beheerder van de buisleiding over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteiten het belang, bedoeld in artikel 6.22, derde lid, niet wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.

  • 2.

    Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning houdt het bevoegd gezag rekening met het in het eerste lid bedoelde advies.

PP

Het opschrift van afdeling 6.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.6 VERGUNNINGPLICHTIGE AANLEGACTIVITEITEN TER PLAATSE VAN DE AANDUIDINGEN 'RIJKSBESCHERMD STADS- OF DORPSGEZICHT' EN 'GEMEENTELIJK BESCHERMD STADS- OF DORPSGEZICHT'

QQ

Artikel 6.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.30 Voorrangsbepaling met betrekking tot regels in het tijdelijk deel omgevingsplan  

Ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' blijven de regels in deze afdeling buiten toepassing voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een aanlegvergunningplicht ter bescherming van het beschermd stads- of dorpsgezicht bevat. In dat geval zijn de regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing.   

RR

Artikel 7.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.10 Beoordelen aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid

  • 1.

    Bij de toepassing van de artikel 7.8 en 7.9 wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.

  • 2.

    Bij het bepalen van het gecumuleerde geluid wordt in ieder geval betrokken:

    • a.

      voor een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein: het geluid door die geluidbronsoort;

    • b.

      voor een geluidgevoelig gebouw binnen de 48 LdenLden geluidcontour of, voor zover de geldende geluidcontouren in Kosteneenheden zijn uitgedrukt, binnen de 20 Kosteneenheden geluidcontour van een luchthaven waarvoor op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenindelingbesluit, een luchthavenbesluit of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven is vereist: het geluid door luchtvaart;

    • c.

      voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een windturbine of een windpark op een industrieterrein hoger is dan 43 LdenLden: het geluid door die windturbine of dat windpark; en voor een geluidgevoelig gebouw waarop het geluid door een civiele buitenschietbaan, een

      militaire buitenschietbaan of een militair springterrein op een industrieterrein hoger is dan 50 BS,dan: het geluid door die buitenschietbaan of dat springterrein. 

  • 3.

    Op het bepalen van het gecumuleerde geluid zijn de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

SS

Artikel 9.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.27 Gegevens en bescheiden op industrieterrein met geluidproductieplafonds

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 9.28, of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 4.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      beschrijving van de aard en omvang van de activiteit;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die   is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 5.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

TT

Artikel 9.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.79 Waarden voor herhaald voorkomende trillingen 

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de herhaald voorkomende trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 9.79

    Tabel 9.79 Waarde voor herhaald voorkomende trillingen in trillinggevoelige ruimten

    Soort

    Waarden 

     

    07.00 – 23.00 uur

    23.00 - 07.00 uur

    A1 trillingssterkte Vmax

    0,2

    0,2

    A2 trillingssterkte Vmax

    0,8

    0,4

    A3 trillingssterkte Vper

    0,1

    0,1

     
  • 2.

    Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continueherhaarld voorkomende trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 9.79.

UU

Artikel 9.331 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.331 Gegevens en bescheiden voor het begin van de activiteit

  • 1.

    Als het gaat om afvoer van grond of als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag, worden ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 9.330, aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden verstrekt over: 

    • a.

      de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; 

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit; 

    • c.

      de verwachte duur ervan; en

    • d.

      de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding bedoeld in artikel 9.339 gaan verrichten. 

  • 2.

    Als een verkennend bodemonderzoek is verricht wordt dit samen met het vooronderzoek bodem ten minste een week voor het begin van het kleinschalig graven aan het bevoegd gezag verstrekt.

  • 3.

    Het verkennend bodemonderzoek wordt verstrekt in:

    • a.

      PDF-formaat; en

    • b.

      ook in XML-formaat volgens SIKB0101, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

  • 4.

    Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing, de verwachte datum van het begin van de activiteit of het wijzigen van de gegevens van de natuurlijke persoon of de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 5.

    Dit artikel is niet van toepassing bij een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. In dat geval is artikel 9.332 van toepassing.

VV

Artikel 10.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.2 Gedeeltelijk uitgestelde toepassing

Deze afdeling wordt toegepast met ingang van de dag dat hoofdstuk 3 van de Erfgoedverordening Amsterdam vervalt, met uitzondering van artikel 10.1 en de artikelen 10.11 tot en met 10.16 die vanaf inwerkingtreding van deze afdeling van toepassing zijn op gemeentelijke monumenten en op een aanvraag om een vergunning, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Erfgoedverordening Amsterdam. 

WW

Artikel 10.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.25 Aanwijzing adviseurs

  • 1.

    Gedeputeerde Staten zijn adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 11.19.

  • 2.

    De commissie, bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet, is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 11.19 en het college van burgemeester en wethouders voor die aanvraag bevoegd gezag is.

  • 3.

    Als het college van burgemeester en wethouders geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid, maar adviseur, is de commissie ook adviseur en richt het advies van de commissie zich tot het college van burgemeester en wethouders in plaats van tot het bevoegd gezag.

XX

Artikel 22.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

    de dagtekening.

YY

Artikel 22.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

  • 1.

    Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

ZZ

Artikel 22.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders

  • 1.

    Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

  • 2.

    Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

AAA

Artikel 22.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      ongewone voorvallen bij wonen.

BBB

Artikel 22.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

  • 1.

    Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders:

    • a.

      informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

    • b.

      informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;

    • c.

      andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

    • d.

      informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      ongewone voorvallen bij wonen.

CCC

Artikel 22.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.62 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.61, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

DDD

Artikel 22.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.63 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar:

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan: 

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt.

  • 3.

    Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.62 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 4.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 5.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

EEE

Artikel 22.138 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden 

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 22.137, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering, als:

    • a.

      het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of

    • b.

      het lozen plaatsvindt bij wonen.

  • 4.

    In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.

FFF

Artikel 22.143 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste zes maanden voor het veranderen van het lozen door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen of daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

GGG

Artikel 22.146 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 22.148, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

HHH

Artikel 22.158 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 22.156, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de opgeslagen goederen; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.

III

Artikel 22.168 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 22.167, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de activiteit; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

JJJ

Artikel 22.171 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het lozen, bedoeld in de artikelen 22.174 en 22.175, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing;

    • b.

      de plaats van de lozingspunten; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

KKK

Artikel 22.178 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.177 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de lozingsroute;

    • b.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

LLL

Artikel 22.182 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.181 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

MMM

Artikel 22.186 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.185 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

NNN

Artikel 22.189 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.188 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

OOO

Artikel 22.197 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.196 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

PPP

Artikel 22.225 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; en

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

QQQ

Artikel 22.228 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.227 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; en

      • 3.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

RRR

Artikel 22.234 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

SSS

Artikel 22.236 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 22.235 geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 22.235 geïnformeerd over de einddatum.

TTT

Artikel 22.238 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.237 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

UUU

Artikel 22.239 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.239 Licht

  • 1.

    Met het oog op het beperken van lichthinder is de verlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht uitgeschakeld:

    • a.

      tussen 23.00 uur en 07.00 uur; en

    • b.

      als er geen sport wordt beoefend en geen onderhoud plaatsvindt.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met:

    • a.

      de viering van festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt;

    • b.

      de viering van andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar; of

    • c.

      door het college van burgemeester en wethouders aangewezen activiteiten, anders dan festiviteiten als bedoeld onder b, waarbij het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel samen niet meer bedraagt dan twaalf dagen per kalenderjaar.

  • 3.

    Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het tweede lid die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.

VVV

Artikel 22.241 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.240 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

WWW

Artikel 22.247 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.246 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      gegevens over de lozingsroutes; en

    • e.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

XXX

Artikel 22.253 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.252 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      per dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren:

      • 1.

        gegevens over het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;

      • 2.

        een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en

      • 3.

        een beschrijving van het ventilatiesysteem;

    • e.

      per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactor worden gehouden,:

      • 1.

        een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter; en

      • 2.

        een doorsnedetekening per dierenverblijf met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en

    • f.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

YYY

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I Begripsbepalingen

aanbouw

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarnaar in de regels wordt verwezen, en waarmee in samenhang met die regeltekst regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

aanlegactiviteit

omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, ongeacht of die werkzaamheden plaatsvinden in het kader van het realiseren van een bouwwerk.

aanlegactiviteit archeologische beschermingszone

aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van dit omgevingsplan.

aanlegactiviteit belemmeringengebied buisleiding met gevaarlijke stoffen

aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.22, eerste lid, van dit omgevingsplan. 

aanlegactiviteit beschermd stads- of dorpsgezicht

aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.29, eerste lid, van dit omgevingsplan. 

aanlegactiviteit beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbinding

aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, van dit omgevingsplan.

aanlegactiviteit beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding

aanlegactiviteit, bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, van dit omgevingsplan. 

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

een cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de wet, als bedrijventerrein bestemd gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein

agrarisch bedrijf

een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of het houden van dieren, daaronder begrepen een productiegerichte paardenhouderij, houtteelt, zaadveredeling en de teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen.

ambachtelijk bedrijf

bedrijf dat goederen geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigt, bewerkt of herstelt naar ander gebruik.

ambulante handel

straathandel, uitgeoefend op een markt of op een staan- of ligplaats ambulante handel buiten de markt, niet zijnde venten.

AS SIKB 2000

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018.

bebouwingsgebied

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw.

Bed and Breakfast

het tegen betaling in gebruik geven van:

  • a.

    een ruimte binnen een zelfstandige woonruimte voor kort verblijf bij de bewoner van de zelfstandige woonruimte;

  • b.

    bij zelfstandige woonruimte behorende opstallen voor kort verblijf bij de bewoner van de zelfstandige woonruimte.

bedrijfswoning

een woning die gezien ligging en functie bedoeld is voor de huisvesting van personen wier aanwezigheid gelet op het gebruiksdoel van een gebouw of terrein noodzakelijk is.

Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam

Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam zoals die is vastgesteld en bekendgemaakt door het college van burgemeester en wethouders college, en geldt op het moment waarop een vergunningaanvraag wordt gedaan.

Besluit activiteiten leefomgeving

Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.

Besluit bouwwerken leefomgeving

Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de uitoefening van taken en bevoegdheden, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.

bestaande bouwhoogte

de bestaande bouwhoogte van elk afzonderlijk punt van het legaal gebouwd bestaand gebouw.   

bevoegd gezag

het college van burgemeester en wethouders, tenzij op grond van of krachtens de Omgevingswet een ander bestuursorgaan als bevoegd gezag is aangewezen.

bijgebouw

een op het bij een hoofdgebouw behorend erf gerealiseerd gebouw dat niet zoals een aanbouw of uitbouw in directe verbinding staat met het hoofdgebouw door bijvoorbeeld een opening of deur. 

bijna-geluidluwe gevel

een gevel waarop het berekende geluid niet hoger is dan de standaardwaarde plus daarbij opgeteld 3dB.

bijzondere bouwlagen

keldersouterrainkap of dakopbouw

bodemgevoelig gebouw

gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

bouwlaag

doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond, en met uitsluiting van bijzondere bouwlagen.

bodemgevoelige locatie

gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

bovengronds gebouw

gebouw of gedeelte van een gebouw, gelegen boven maaiveld.

BRL SIKB 2000

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013.

BRL SIKB 7000

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015

buisleiding met gevaarlijke stoffen

buisleiding als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

buurtcentrum

voor publiek toegankelijk gebouw waar sociaal-culturele activiteiten worden gefaciliteerd en georganiseerd voor met name buurtbewoners.

casino

speelcasino als bedoeld in artikel 27g, tweede lid, van de Wet op de kansspelen.

college

college van burgemeester en wethouders

consumentgerichte dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten met rechtstreeks contact aan consumenten, zoals bankfilialen met hoofdzakelijk een baliefunctie, reisbureaus, kappers, nagelstudio’s en naar de aard daarmee te vergelijken vormen van dienstverlening.

culturele voorziening

   

dagmarkt

markt die ten minste vier dagen per week wordt gehouden.

dakopbouw

een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak of een toevoeging aan een plat dak.

debatcentrum

voor publiek toegankelijke instelling die in hoofdzaak is gericht op het organiseren van debatten.

detailhandel

het bedrijfsmatig ter plekke te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, het verhuren of het leveren van goederen aan consumenten. Onder detailhandel wordt niet verstaan een onderneming die in hoofdzaak is gericht op het ter plekke te koop aanbieden van ter plaatse bereide, voor directe consumptie bedoelde fastfoodproducten. 

Erfgoedverordening Amsterdam 

Erfgoedverordening van Amsterdam, vastgesteld door de gemeenteraad op 16 december 2015, gemeenteblad 2015, nr. 301/1388.

faciliteit gericht op spel en vermaak

bowlingbaan, minigolf, speelparadijs, gamehal, arcadehal, gelegenheid voor laser-gamen, escaperoom, biljart- en snookerzaal, speel- en spelvoorziening, activiteit gericht op belevingen, en naar de aard daarmee te vergelijken faciliteiten en voorzieningen, niet zijnde een elders in deze paragraaf of elders in deze afdeling specifiek genoemde voorziening of faciliteit.

faciliteit op het gebied van ontspanning en vermaak

faciliteit op het gebied van ontspanning en vermaak, uitsluitend zijnde een: 

garagebox

gebouw, in hoofdzaak bedoeld voor het stallen van vervoersmiddelen. 

gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG)

gemiddeld hoogste grondwaterstand, bedoeld in artikel 4.61, eerste lid. 

gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG)

gemiddeld hoogste grondwaterstand, bedoeld in artikel 4.61, tweede lid. 

geurgevoelig gebouw

een gebouw als bedoeld in artikel 9.84 van dit omgevingsplan. 

grootschalige detailhandelsvestiging

een detailhandelsvestiging met een winkelvloeroppervlak van minimaal 1.500 m2 per bedrijfsvestiging in één branche.

hotel

onderneming gericht op het bedrijfsmatig aanbieden van faciliteiten ten behoeve van overnachten voor recreatief of zakelijk verblijf in een gebouw, voor de duur van 1 dag tot en met 12 maanden, anders dan op een kampeerterrein of vakantiepark, met inbegrip van bijbehorende faciliteiten voor hotelgasten en congresfaciliteiten. Onder een hotel wordt niet verstaan het gebruik van woonruimte of de daarbij behorende opstallen voor bed & breakfast, short stay of vakantieverhuur. 

Huisvestingsverordening 

Huisvestingsverordening Amsterdam 2020.

intensieve veehouderij

een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat slacht-, fok-, leg-, pels- of melkdieren houdt, zonder of nagenoeg zonder weidegang of vrije uitloop, met uitzondering van veehouderij waarin producten worden vervaardigd die gecertificeerd zijn volgens in Nederland geldende regelgeving van de Europese Unie voor biologische producten en met uitzondering van viskwekerij.

ISO 11423-1

ISO 11423-1:1997: Water - Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden - Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997

kantoorvloer

een ruimte, die hoofdzakelijk is ingericht voor bureauwerkzaamheden

kap

bouwlaag waarvan de dakconstructie bestaat uit ten minste één hellend dakvlak. 

kas

bouwwerk van hoofdzakelijk glas of ander lichtdoorlatend materiaal, bedoeld voor de teelt van assimilerende organismen.

kelder

bouwlaag, waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag maximaal 0,50 meter boven het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen.

kinderopvang

het bedrijfsmatig opvangen, verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen, zoals dat plaatsvindt in een kindercentrum, kinderdagverblijf, peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang, en naar de aard daarmee vergelijkbare activiteiten, niet zijnde opvang aan huis.

kunstijsbaan

een al dan niet overdekte voorziening voor het beoefenen van sport op kunstijs.

Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie

De kwaliteitsnorm zoals opgenomen in de landelijke richtlijn voor archeologisch onderzoek, bedoeld in artikel 5.5, onder b, van de Erfgoedwet.

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën: 

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; en

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • 1.

      rundvee tot 24 maanden;

    • 2.

      kalkoenen;

    • 3.

      eenden; of

    • 4.

      parelhoenders;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor

Landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren

lokale spoorweg

spoorweg die krachtens artikel 2, eerste lid, van de Wet lokaal spoor als zodanig is aangewezen.

loketverkoop

het verkopen van goederen of eetwaren vanuit de gevel van een gebouw gelegen aan de openbare weg. 

Luchthavenindelingbesluit Schiphol

Besluit van 26 november 2002 tot vaststelling van een luchthavenindelingbesluit voor de luchthaven Schiphol.

maatschappelijke dienstverlening

Het verlenen van publieksgerichte diensten of het bieden van voorzieningen op het gebied van educatie, onderwijs, welzijn, gezondheidszorg, en levensbeschouwing. Onder maatschappelijke dienstverlening vallen in elk geval:

  • a.

     instellingen gericht op het geven van basisonderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger beroeps en universitair onderwijs, en instellingen gericht op het geven van avondonderwijs; 

  • b.

    ziekenhuizen en daarmee vergelijkbare medische centra; 

  • c.

    overige voorzieningen voor medische zorgverlening zoals huisartsenposten,  GGZ-instellingen, revalidatiecentra, tandartsen- of fysiotherapiepraktijken, dierenartspraktijken;

  • d.

    overige dienstverlening op het gebied van zorg en welzijn zoals een verpleeghuis, een verzorgingshuisconsultatiebureaus, apotheken, afkickklinieken, jeugdzorginstelling, dak- en thuislozenopvang, drugsopvang, asielzoekerscentra;

  • e.

    overige voorzieningen op het gebied van maatschappelijke dienstverlening zoals een buurtcentrum, bibliotheek, kinderopvangmuziek- en dansschool, oefenstudio, religieuze instelling en school(werk)tuin.  

manege

bedrijf gericht op het lesgeven in paardrijden aan derden en daarvoor paarden houdt.

mantelzorg

intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.

markt

markt, zoals bedoeld in de Marktverordening.

marktplaats

marktplaats, zoals bedoeld in de Marktverordening.

mini-supermarkt

een zelfbedieningswinkel waar hoofdzakelijk voedingsmiddelen, waaronder verse groente, brood en vlees (= dagelijkse goederen), persoonlijke verzorging en soms enige niet-dagelijkse (bijvoorbeeld huishoudelijke) artikelen worden verkocht, met een maximum winkelvloeroppervlak van 300 m2.

museum of expositieruimte

voor het publiek toegankelijke instelling waar materiële en immateriële getuigenissen van de mens en zijn omgeving op het gebied van kunst, cultuur, historie en techniek worden verzameld, bewaard, onderzocht en/of tentoongesteld, en waarbij  informatie wordt verstrekt voor studie, educatie en/of recreatie.

muziek- en dansschool

instelling gericht op het bieden van onderwijs, niet zijnde onderwijs als bedoeld in subparagraaf 2.3.2.1, in hoofdzaak gericht op muziek, dans en kleinkunst, en daarmee vergelijkbare instellingen.

NEN 5725

NEN 5725:2017: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017.

NEN 5740

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016. 

NEN 6090

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017.

NEN 6578

NEN 6578:2011: Water - Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011.

NEN 6589

NEN 6589:2005/C1:2010: Water - Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010.

NEN 6600-1

NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019

NEN 6965

NEN 6965:2005: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten - Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005

NEN 6966

NEN 6966:2006: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006

NEN-EN 858-1/A1

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004.

NEN-EN 858-2

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003.

NEN-EN 872

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005.

NEN-EN 1825-1

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006.

NEN-EN 1825-2

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002.

NEN-EN 12566-1

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016.

NEN-EN 12673

NEN-EN 12673:1999: Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999

NEN-EN 16693

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015.

NEN-EN-ISO 2813

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen - Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014.

NEN-EN-ISO 5667-3

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

NEN-EN-ISO 9377-2

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000

NEN-EN-ISO 9562

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water - Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

NEN-EN-ISO 10301

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden, versie 1997

NEN-EN-ISO 10523

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water - Bepaling van de pH, versie 2012

NEN-EN-ISO 11885

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009.

NEN-EN-ISO 12846

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012.

NEN-EN-ISO 14403-1

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water - Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012

NEN-EN-ISO 14403-2

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water - Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012.

NEN-EN-ISO 15587-1

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002.

NEN-EN-ISO 15587-2

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002

NEN-EN-ISO 15680

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met 'purge-and-trap' en thermische desorptie, versie 2003.

NEN-EN-ISO 15682

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

NEN-EN-ISO 15913

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water - Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003

NEN-EN-ISO 17294-2

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016

NEN-EN-ISO 17852

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008

NEN-EN-ISO 17993

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004.

NEN-ISO 15705

NEN-ISO 15705:2003: Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik(ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003

NEN-ISO 15923-1

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013.

NTA 9065

NTA 9065:2012: Luchtkwaliteit - Geurmetingen - Meten en rekenen geur, versie 2012

nutstuin

(hoofdzakelijk) moestuin zonder tuinhuis van een lid van de vereniging van het volkstuinpark.

omgevingsplanactiviteit (spoor)weg

activiteit, bedoeld in artikel 7.4, onder a tot en met e, van dit omgevingsplan.

omgevingsplanactiviteit bouwwerken

omgevingsplanactiviteit bestaande uit het bouwen van een bouwwerk en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. 

omgevingsplanactiviteit culturele horeca

een niet zelfstandige horeca-activiteit die plaatsvindt binnen een culturele instelling en daarvan onderdeel is.

omgevingsplanactiviteit gemeentelijke monumenten

omgevingsplanactiviteit bestaande uit het verrichten van activiteiten in, aan, op of bij een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument.

omgevingsplanactiviteit slopen

omgevingsplanactiviteit bestaande uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk.

omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht

omgevingsplanactiviteit slopen binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.

Omgevingsregeling

regeling van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.

omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken 

omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, bedoeld in artikel 4.7 van dit omgevingsplan. 

ondergronds gebouw

onder het maaiveld gelegen gebouw of een gedeelte van een gebouw, zoals een kelder, souterrain of parkeerkelder, voor zover de onderkant van de vloer van de betreffende bouwlaag dieper is gelegen dan 0,5 meter onder het peil, uitgezonderd funderingsconstructies.

onzelfstandige woonruimte

woonruimte welke geen eigen toegang heeft of welke niet door een huishouden zelfstandig kan worden bewoond, zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, zoals een keuken en sanitaire voorzieningen.

overige instellingen met een gezondheidszorgfunctie

instellingen met een gezondheidszorgfunctie, bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover die niet vallen onder artikel 2.27 en artikel 2.28 van dit omgevingsplan.

paardenfokkerij

een agrarisch bedrijf gericht op het houden van paarden, waarbij uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden.

peil

in dit omgevingsplan wordt onder peil verstaan:

  • a.

    voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg of een tuin grenst: de hoogte van die weg of tuin ter plaatse van de hoofdtoegang van het gebouw;

  • b.

    voor bouwwerken op gronden met bestemming 'verkeer - railverkeer', met uitzondering van viaducten en duikers: de hoogte van de spoorstaaf;

  • c.

    voor bouwwerken op het perron: de hoogte van het perron;

  • d.

    als in het water wordt gebouwd: het plaatselijk aan te houden waterpeil;

  • e.

    in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;

perifere detailhandel

een detailhandelsvestiging die vooral volumineuze artikelen (goederen) verkoopt, uitsluitend voor zover het betreft detailhandel in auto's, boten, caravans en tenten, op het gebied van woninginrichting, waaronder de verkoop van keukens, badkamers en meubelen, en detailhandel in de vorm van doe-het-zelf bouwmarkten en tuincentra. 

periodieke markt

markt die gedurende maximaal 26 weken per kalenderjaar wordt gehouden.

prostitutie

het zich beschikbaar stellen om tegen vergoeding seksuele handelingen met een ander te verrichten.

prostitutiebedrijf

een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof het bedrijfsmatig is, gelegenheid wordt gegeven tot prostitutie

raamprostitutiebedrijf 

een prostitutiebedrijf, waar het werven van klanten gebeurt door prostituees die zichtbaar zijn vanaf de weg. 

religieuze instelling

voor publiek toegankelijke instelling die het ter plaatse bijeenkomen faciliteert om een godsdienst of levensovertuiging te belijden of uit te oefenen.

rijbaan

elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de fiets/bromfietspaden.

rijstrook

door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken.

ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan

ruimtelijk besluit of ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen.

ruwvoedergewassen

gewassen, zoals gras, maïs, voederbieten en luzerne, die in de volle grond worden geteeld en waarvan de opbrengst is bestemd als voer voor landbouwhuisdieren.

school(werk)tuin

het gebruik van tuinen, kassen en kwekerijen ten behoeve van educatie.

seksinrichting

inrichting zijnde een: 

  • a.

    seksautomatenhal: een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar door middel van één of meer automaten voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven;

  • b.

    seksbioscoop: een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar uitsluitend of hoofdzakelijk voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur; of

  • c.

    sekstheater: een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar ook anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven.

sekswinkel

een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waar uitsluitend of hoofdzakelijk zaken van erotisch-pornografische aard aan particulieren worden verkocht of verhuurd.

short stay

het structureel aanbieden van een woning voor tijdelijke bewoning aan een huishouden voor een aaneensluitende periode van tenminste een week en maximaal zes maanden. Voor het overige wordt de woning als woonruimte gebruikt. 

souterrain

bouwlaag waarvan de vloer onder het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen en waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag maximaal 1,50 meter boven het gemiddeld aangrenzende straatpeil is gelegen.

speelautomatenhal

speelautomatenhal als bedoeld in de Verordening kansspelautomaten en speelautomatenhallen Amsterdam.

sportvoorziening

   

  • a.

    terrein bedoeld voor de uitoefening van sport, zoals sportvelden en/of sportbanen, en de bijbehorende bouwwerken, zoals tribunes, dug-outs, lichtmasten en met verenigingsgebouwen, kantines, kleedkamers en andere naar de aard daarmee te vergelijken accommodaties; 

  • b.

    gebouw of gedeelte van een gebouw bedoeld voor de uitoefening van sport; en 

  • c.

    bouwwerk of andere faciliteit ten behoeve van de uitoefening van watersport in de openbare buitenruimte. 

staan- of ligplaats ambulante handel

plaats op of aan de openbare weg of het openbaar water buiten een markt, waarop de ambulante handel wordt uitgeoefend.

straatpeil

 

  • a.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg

    ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • b.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het

    terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.

studentenwoning

woonruimte die door burgemeester en wethouders is erkend als studentenwoning en die wordt verhuurd met een huurovereenkomst waarin is bepaald dat de woonruimte na beëindiging van de huurovereenkomst opnieuw aan een student zal worden verhuurd (campuscontract als bedoeld in artikel 274d, vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek).

supermarkt

een zelfbedieningswinkel waar hoofdzakelijk voedingsmiddelen, waaronder verse groente, brood en vlees (= dagelijkse goederen), persoonlijke verzorging en soms enige niet-dagelijkse (bijvoorbeeld huishoudelijke) artikelen worden verkocht en waarbij het winkelvloeroppervlak meer dan 300 m2 bedraagt.

TAM-omgevingsplan

wijzigingsbesluit van dit omgevingsplan, dat is gepubliceerd met toepassing van de IMRO-standaarden, bedoeld in artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. 

teeltondersteunende voorzieningen

voorzieningen die toegepast worden om de teelt van groente, fruit, bomen of potplanten te bevorderen en te beschermen, zoals hagelnetten, stellingen en regenkappen en teeltondersteunende kassen.

theater of concertzaal

instelling gericht op het aanbieden van voorstellingen en op- en uitvoeringen van toneel, kleinkunst, circus, muziek, muziektheater, opera, en daarmee vergelijkbare activiteiten.

uitbouw

een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, waarmee hij in functioneel opzicht verbonden is, en dat door de vorm als een afzonderlijke en duidelijk ondergeschikte aanvulling op dat hoofdgebouw onderscheiden kan worden en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

venten

venten, bedoeld in de Verordening staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten

verpleeghuis

voorziening voor veelal oudere maar ook jongere patiënten, die als gevolg van een of meer functiestoornissen (tijdelijk) niet meer zelfstandig kunnen functioneren en voortdurende verpleegkundige zorg behoeven in aansluiting op een medische behandeling.

verzorgingshuis

voorziening voor het bieden van uitgebreide zorg, ondersteuning en een beschutte woonomgeving, voor mensen die door ouderdom of ziekte niet meer zelfstandig kunnen wonen, ook niet met hulp van naasten, mantelzorg of thuiszorg. Hieronder wordt mede begrepen een hospice. 

volkstuin

tuin van een lid van een volkstuinpark op een volkstuinpark.

volkstuinpark

een complex van volkstuinen, nutstuinen, verenigingsgebouwen en gemeenschappelijke bouwwerken voor de leden van de vereniging of gebruikers van het volkstuinpark en gemeenschappelijke gronden.

watersport-gerelateerde faciliteit

voorziening die specifiek is bedoeld voor het beoefenen van sport op het water, met bijbehorende bouwwerken zoals steigers, opslag- of botenloods, clubhuis en kantine.

weekmarkt

markt die ten hoogste drie dagen per week wordt gehouden.

weg

alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.

wellness

een voorziening die is gericht op het aanbieden van faciliteiten voor ontspanning voor lichaam en geest in de vorm van combinaties van met name sauna, zwembaden, massageruimten, relaxruimten, zonnestudio's, of kapsalons.

wonen

het gebruik van woonruimte ten behoeve van bewoning, en het daaraan ondergeschikt zijnde gebruik van de bij de woonruimte behorende gronden en opstallen. 

woning

een zelfstandige woonruimte, of een geheel aan onzelfstandige woonruimten die onderdeel uitmaken van hetzelfde adres.

woonruimte

besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bedoeld of geschikt is voor bewoning door een huishouden.

zaalverhuur voor feesten en partijen

het op structurele basis tegen betaling of anders dan om niet beschikbaar stellen van ruimte binnen een horecazaak ten behoeve van feesten voor grotere groepen, al dan niet besloten of tegen entreegeld.

zakelijke en administratieve dienstverlening

een activiteit in de vorm van een onderneming of instelling die is gericht op dienstverlening op bestuurlijk, financieel, zakelijk, juridisch of administratief gebied, al dan niet met een daaraan ondergeschikt zijnde baliefunctie. 

zelfstandige woonruimte

woonruimte die een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte.

zorgwoning

woning of wooneenheid, bestemd voor verzorgd wonen, die niet via de reguliere woningdistributie beschikbaar komt, maar waarvan de bewoner(s) vanwege hun beperktere zelfredzaamheid vanaf aanvang van bewoning op basis van een ter zake van overheidswege gehanteerd systeem zijn geïndiceerd voor zorg, die beschikbaar is in de directe nabijheid van die woning of wooneenheid en welke zorg door die bewoner(s) ook daadwerkelijk wordt afgenomen.

ZZZ

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

A-locatie (parkeernormering)

/join/id/regdata/gm0363/2024/5fea7f74c2e04297b605d0dce41e8b63/nld@2024‑09‑25;12591980

aantal autoparkeerplaatsen

/join/id/regdata/gm0363/2025/eb8df99e55ec4491aa8cc05e0aed6ab0/nld@2025‑04‑07;12420999

aantal woningen

/join/id/regdata/gm0363/2025/fea0475ecb494f24876d60c4ae5f2a76/nld@2025‑04‑07;12420999

aanvraagvereiste kelder (opbarstbeheersmaatregelen)

/join/id/regdata/gm0363/2024/5108c049ffd74d6587bbf88d4cbd0e8f/nld@2024‑09‑25;12591980

aanvraagvereiste kelder (standstill)

/join/id/regdata/gm0363/2024/d1908c0408d74d90b09e553be591298a/nld@2024‑09‑25;12591980

activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken

/join/id/regdata/gm0363/2024/df07330dfb764bec88cf33882fa0bab6/nld@2024‑09‑25;12591980

afwijkend maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer

/join/id/regdata/gm0363/2025/a959592b38274bf7862bc16f44fa120f/nld@2025‑04‑07;12420999

afwijkende hoogte erfafscheiding

/join/id/regdata/gm0363/2025/ae973dc677c0470f9618c4d97be88e88/nld@2025‑04‑07;12420999

afwijkende maximum bouwhoogte bouwwerken geen gebouw zijnde

/join/id/regdata/gm0363/2025/8df3cedbbedc4ba0b775af4cb8d0114b/nld@2025‑06‑05;13104281

agrarisch bedrijfsperceel

/join/id/regdata/gm0363/2024/5317f3eb83224e22a1406b980eb206a1/nld@2024‑09‑25;12591980

agrarisch gebied – afwijkende geluidnorm

/join/id/regdata/gm0363/2024/6f92811ae00144db903cf4efc6f7fb06/nld@2024‑09‑25;12591980

B-locatie (parkeernormering)

/join/id/regdata/gm0363/2025/a98944eee6de4ac19c60a691033ba09e/nld@2025‑06‑11;12401052

/join/id/regdata/gm0363/2025/a98944eee6de4ac19c60a691033ba09e/nld@2025‑08‑26;14104177

baliefunctie uitgesloten

/join/id/regdata/gm0363/2024/985bc422683b4804b4a8a14f46f32140/nld@2024‑09‑25;12591980

baliefunctie uitsluitend op begane grond toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/a4573c5d8d2f405bafa85b8c9aede7b0/nld@2024‑09‑25;12591980

basisschool toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/4dbcadcf692042eb82380dde83aca903/nld@2024‑09‑25;12591980

bebouwingscontour geur

/join/id/regdata/gm0363/2024/99a0c15b66da456aa483fb9ad09befd9/nld@2024‑09‑25;12591980

Bed and Breakfast toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/aabbffee1a86480e831e62cc3eefdf0f/nld@2024‑09‑25;12591980

bedrijf op de begane grond

/join/id/regdata/gm0363/2025/b0890401c1a240e7bbe59be6bb63327e/nld@2025‑04‑07;12420999

bedrijfswoning

/join/id/regdata/gm0363/2024/fd62ec8149774013b33c2530127b7f4f/nld@2024‑09‑25;12591980

bedrijventerrein – afwijkende geluidwaarde

/join/id/regdata/gm0363/2024/99e3c20d43ac48fcb95e74966981e0bf/nld@2025‑02‑06;12524108

begraafplaats toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/bad3145415414ba1a9bdad9a6ecc5d9e/nld@2024‑09‑25;12591980

belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen

/join/id/regdata/gm0363/2024/f1180bfa9ddd443e83263f537f1a0f84/nld@2024‑09‑25;12591980

beperkingen erfbebouwing

/join/id/regdata/gm0363/2024/0461bf430af44db8bdd79798a191fd50/nld@2024‑09‑25;12591980

beperkingengebied plaatsgebonden risico

/join/id/regdata/gm0363/2024/4f5821e968ec403b95d4382934acdf56/nld@2024‑09‑25;12591980

beschermingszone archeologie

/join/id/regdata/gm0363/2024/24e285d708454795a562dac3ebc6b494/nld@2024‑09‑25;12591980

beschermingszone bovengrondse hoogspanningsverbindingen

/join/id/regdata/gm0363/2024/519f23fa3df7444e97c171399d775dcf/nld@2024‑09‑25;12591980

beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbinding

/join/id/regdata/gm0363/2025/8da6914ca983417298f3687103e0a5b8/nld@2025‑06‑11;12401052

bijbehorende hotelfaciliteiten ook voor niet-hotelgasten

/join/id/regdata/gm0363/2024/7bd6678e277f44edb689bd1038a76df9/nld@2024‑09‑25;12591980

bioscoop en filmhuis toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/6cd921036f794bc3904accb40cd3871d/nld@2024‑09‑25;12591980

bouwlaag met niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen

/join/id/regdata/gm0363/2025/e9e1c7b8510d406484b861e100cee2e0/nld@2025‑04‑07;12420999

/join/id/regdata/gm0363/2025/e9e1c7b8510d406484b861e100cee2e0/nld@2025‑08‑26;14104177

bouwlaag waarin consumentgerichte dienstverlening is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/687db5fddc3646bab29ac37ac341fa1a/nld@2025‑04‑07;12420999

/join/id/regdata/gm0363/2025/687db5fddc3646bab29ac37ac341fa1a/nld@2025‑08‑26;14104177

bouwlaag waarin culturele voorzieningen zijn toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/d65fd4d058e240bd98b92a7cd45af3bd/nld@2025‑04‑07;12420999

/join/id/regdata/gm0363/2025/d65fd4d058e240bd98b92a7cd45af3bd/nld@2025‑08‑26;14104177

bouwlaag waarin detailhandel is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/3034a32a6b8b4316a70d6959821240da/nld@2025‑04‑07;12420999

/join/id/regdata/gm0363/2025/3034a32a6b8b4316a70d6959821240da/nld@2025‑08‑26;14104177

bouwlaag waarin een mini-supermarkt is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/119360d6f8034d50a3938eea1362b2e3/nld@2025‑04‑07;12420999

/join/id/regdata/gm0363/2025/119360d6f8034d50a3938eea1362b2e3/nld@2025‑08‑26;14104177

bouwlaag waarin een prostitutiebedrijf is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/8472bf6738414b8faa8fde6b2c64ee82/nld@2025‑04‑07;12420999

/join/id/regdata/gm0363/2025/8472bf6738414b8faa8fde6b2c64ee82/nld@2025‑08‑26;14104177

bouwlaag waarin een seksinrichting is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/0ab682ac0e5343179123592f94d99e9c/nld@2025‑04‑07;12420999

/join/id/regdata/gm0363/2025/0ab682ac0e5343179123592f94d99e9c/nld@2025‑08‑26;14104177

bouwlaag waarin een supermarkt is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/c60f7cb030a34ea2b8f360f2b8b30a55/nld@2025‑04‑07;12420999

/join/id/regdata/gm0363/2025/c60f7cb030a34ea2b8f360f2b8b30a55/nld@2025‑08‑26;14104177

bouwlaag waarin faciliteiten voor ontspanning en vermaak is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/fe6acb27c4424e8cb08b631ca7f76864/nld@2025‑04‑07;12420999

/join/id/regdata/gm0363/2025/fe6acb27c4424e8cb08b631ca7f76864/nld@2025‑08‑26;14104177

bouwlaag waarin hotel is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/c930d93746e54597acda4bbd7330145c/nld@2025‑04‑07;12420999

/join/id/regdata/gm0363/2025/c930d93746e54597acda4bbd7330145c/nld@2025‑08‑26;14104177

bouwlaag waarin kinderopvang is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/7211c6b96d434d6383721a3352fcfa73/nld@2025‑04‑07;12420999

/join/id/regdata/gm0363/2025/7211c6b96d434d6383721a3352fcfa73/nld@2025‑08‑26;14104177

bouwlaag waarin maatschappelijke dienstverlening is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/c8cbec53306147558dbb832c50429335/nld@2025‑04‑07;12420999

/join/id/regdata/gm0363/2025/c8cbec53306147558dbb832c50429335/nld@2025‑08‑26;14104177

bouwlaag waarin sportvoorzieningen zijn toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/a74e602d201d4fed9d01a95fe5f08157/nld@2025‑04‑07;12420999

/join/id/regdata/gm0363/2025/a74e602d201d4fed9d01a95fe5f08157/nld@2025‑08‑26;14104177

bouwlaag waarin wonen is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/e2cb0b62c27b4df485ec836d1e8999ae/nld@2025‑04‑07;12420999

/join/id/regdata/gm0363/2025/e2cb0b62c27b4df485ec836d1e8999ae/nld@2025‑08‑26;14104177

bouwlaag waarin wonen niet is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/fcd011f4b5d246afbd4f99d61e221180/nld@2025‑04‑07;12420999

/join/id/regdata/gm0363/2025/fcd011f4b5d246afbd4f99d61e221180/nld@2025‑08‑26;14104177

bouwlaag waarin zakelijke en administratieve dienstverlening is toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/441e7667ebb34c63a26ac39bfda0550f/nld@2025‑04‑07;12420999

/join/id/regdata/gm0363/2025/441e7667ebb34c63a26ac39bfda0550f/nld@2025‑08‑26;14104177

bouwvlak

/join/id/regdata/gm0363/2024/a8f1b7d6c3384263b34dfe54e20ee27d/nld@2024‑09‑25;12591980

bouwwerken geen gebouw zijnde niet toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/74c2db1a5f6c4b7fb30f6afacb04da3d/nld@2024‑09‑25;12591980

bovengrondse metro toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/35fb0537184049b6aa74d1f6a166c7d2/nld@2024‑09‑25;12591980

brandvoorschriftengebied

/join/id/regdata/gm0363/2024/9408e050e6924b8f91e725e5b5d1c56f/nld@2024‑09‑25;12591980

C-locatie (parkeernormering)

/join/id/regdata/gm0363/2024/55647253b2b849b0957d679efbbf7d82/nld@2024‑09‑25;12591980

casino toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/37d7cf1ffa374b9b91510ce45a394888/nld@2024‑09‑25;12591980

civiel explosieaandachtsgebied

/join/id/regdata/gm0363/2024/0cbbebf84dce47a1bd7d741db42fe504/nld@2024‑09‑25;12591980

complexe bedrijven toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/8f1f077ba3e84d7a93b280fe119578b0/nld@2024‑09‑25;12591980

crematorium toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/5b4b57f1ee624ddf81c94f357adcd037/nld@2024‑09‑25;12591980

dagmarkt

/join/id/regdata/gm0363/2024/69281c26d9444c4fb66dea61c412101e/nld@2024‑09‑25;12591980

datacenters toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/7882dd20b27b4ce7a94441d54379f430/nld@2024‑09‑25;12591980

debatcentrum toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/db120551af2c46d5ac7e591bc67299a0/nld@2024‑09‑25;12591980

dierentuin toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/67a10c207e194dc6a9fbbe352a0dbb23/nld@2024‑09‑25;12591980

explosieaandachtsgebied vuurwerk

/join/id/regdata/gm0363/2024/4b120d7052334e69b5380f8d7cf11243/nld@2024‑09‑25;12591980

explosievoorschriftengebied

/join/id/regdata/gm0363/2024/6d8bc03ec05842eba2a5a7c0b6ff6148/nld@2024‑09‑25;12591980

functiemenging

/join/id/regdata/gm0363/2024/97865e0f318e4b98a4110b5365e8e695/nld@2024‑09‑25;12591980

garagebox

/join/id/regdata/gm0363/2024/79032264debd4a3087bace914e1c9835/nld@2024‑09‑25;12591980

gebouwde publiektoegankelijke parkeervoorziening

/join/id/regdata/gm0363/2024/28e00c1666504daeb7e5fb21c4c8d84d/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: ambulante handel

/join/id/regdata/gm0363/2024/f8df353de1794ad2a79b4ea7f1e5ea54/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: bedrijf

/join/id/regdata/gm0363/2024/9a36a44292fd4c5bbf2a80b70f1cbdbe/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van 110 kV of 150 kV

/join/id/regdata/gm0363/2024/2db6ef505e694a75ab904bb0e9745080/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: bovengrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV

/join/id/regdata/gm0363/2024/52e8a21190e54e0ebe7ea6648610bc14/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: buisleiding met gevaarlijke stoffen

/join/id/regdata/gm0363/2024/2822da2c52f140afad6ad3c57682aea0/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: consumentgerichte dienstverlening

/join/id/regdata/gm0363/2024/35dbde0065824d7185e2cb24e7cf8c3f/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: culturele voorziening

/join/id/regdata/gm0363/2024/5cfea604101a42d28ddd9e8564aa9737/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: detailhandel

/join/id/regdata/gm0363/2024/7869253fe8ba4717b186a864abbd4176/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: gewassenteelt in de open lucht

/join/id/regdata/gm0363/2024/e13002ea79b842e5b1d75bfd379fd91f/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: glastuinbouw

/join/id/regdata/gm0363/2024/b890110cb2a9443a952914d16c66a065/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: groen

/join/id/regdata/gm0363/2024/9bc2aa4e9ed2473391a7911326b59afd/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: hotel

/join/id/regdata/gm0363/2024/e472372918664f0283d124dbd07fd597/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: maatschappelijke dienstverlening

/join/id/regdata/gm0363/2024/87ddca9690b042e488bc13313ef23644/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: ondergrondse hoogspanningsverbinding van tenminste 220 kV

/join/id/regdata/gm0363/2024/a7fcde6c7ba946c4afb76859148c06bf/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: ontspanning en vermaak

/join/id/regdata/gm0363/2024/ca0a2897bbd446259e8f6f6895f31d65/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: prostitutiebedrijf

/join/id/regdata/gm0363/2024/91f437d1fc484b6c8b9d0f31316c375e/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: seksinrichting

/join/id/regdata/gm0363/2024/1bbfc7594d08428f9c1937379e53f9d5/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: sportvoorziening

/join/id/regdata/gm0363/2024/da90b5262a504fdbab2641942de55322/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: veehouderij of paardenfokkerij

/join/id/regdata/gm0363/2024/77affb56444a4126a8c1633039bcb3cf/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: verkeer

/join/id/regdata/gm0363/2024/774133cd121848fd92b4facecd5d7dfb/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: volkstuinpark

/join/id/regdata/gm0363/2024/8f5785e41f934b88bcc80d9e46b3d87b/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: water

/join/id/regdata/gm0363/2024/9ccf70e492004693ade99b1da2c44458/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: wonen

/join/id/regdata/gm0363/2024/bd9e3dc2b7b445d38b76232c332bc147/nld@2024‑09‑25;12591980

gebruiksdoel: zakelijke en administratieve dienstverlening

/join/id/regdata/gm0363/2024/a0336b6745d64f4f8e7f8a9db5818075/nld@2024‑09‑25;12591980

geen geluidgevoelige ruimten

/join/id/regdata/gm0363/2024/6bb4a6093c664589ad5e50e086acb146/nld@2024‑09‑25;12591980

geldwisselkantoor

/join/id/regdata/gm0363/2024/3fb253c7fffd48dcb23383a381bb95d0/nld@2024‑09‑25;12591980

geluidgevoelig gebouw met niet-geluidgevoelige gevel

/join/id/regdata/gm0363/2024/3c904166ec944b9e8d4c8fe3c4cd94c8/nld@2024‑09‑25;12591980

gemeenschappelijk gebouw

/join/id/regdata/gm0363/2024/622239f5fd674b06951579b2d2ef3099/nld@2024‑09‑25;12591980

gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

/join/id/regdata/gm0363/2024/70f87ae18ab74aae99d3fcbcf340501d/nld@2024‑09‑25;12591980

gemeentelijk monument

/join/id/regdata/gm0363/2024/9a9e3f5e4d3948d7a99ec157bd2db863/nld@2024‑09‑25;12591980

growshop

/join/id/regdata/gm0363/2024/faeb4929514d46dc88ea2a7ff898bc28/nld@2024‑09‑25;12591980

havengebonden bedrijf

/join/id/regdata/gm0363/2024/a7e980776f1d4513b9add497ed862df5/nld@2024‑09‑25;12591980

headshop

/join/id/regdata/gm0363/2024/fcd1adbe22394d0ca7bdc096b4544be4/nld@2024‑09‑25;12591980

hogeschool en universitair onderwijs toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/1fa142e7c67f4059a0012e6b35f2d074/nld@2024‑09‑25;12591980

huisvesting mantelzorg toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/8f62c1ff058a4b1bad2c4c32d53698c3/nld@2024‑09‑25;12591980

informatieplicht kleinschalig graven na spoedreparatie vitale ondergrondse infrastructuur

/join/id/regdata/gm0363/2024/047f49c3631e4026b0b4dc258314fe96/nld@2024‑09‑25;12591980

intensieve veehouderij

/join/id/regdata/gm0363/2024/3ee4777d7c7944cf90784a31e1965b79/nld@2024‑09‑25;12591980

internetcafé

/join/id/regdata/gm0363/2024/867a53ee2f0f456fabbf5268dae1fea2/nld@2024‑09‑25;12591980

kartbaan toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/e36ac73c81124cf796142c9772923e21/nld@2024‑09‑25;12591980

kas toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/c8e79339254044ccbcfad3beba997cb0/nld@2024‑09‑25;12591980

kinderboerderij

/join/id/regdata/gm0363/2024/1ed487e3976f454397f4532a9d437ce4/nld@2024‑09‑25;12591980

kinderopvang toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/6e8f0309694a46db9501542641f05146/nld@2024‑09‑25;12591980

kunstijsbaan toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/708484c1afe64c239ff04f9999477851/nld@2024‑09‑25;12591980

loketverkoop toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/9637481718e94f6c89449417c1c4b0da/nld@2024‑09‑25;12591980

manege toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/b6a1372efcf54973ad5f6ad15db8445a/nld@2024‑09‑25;12591980

maximaal aansluitvermogen datacenter

/join/id/regdata/gm0363/2025/16de19428852490ebb8fbc5196b7c868/nld@2025‑06‑05;13104281

/join/id/regdata/gm0363/2025/16de19428852490ebb8fbc5196b7c868/nld@2025‑08‑26;14104177

maximale milieuhindercategorie

/join/id/regdata/gm0363/2025/a1b58d18f14a4e41ad82cee37471978c/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum aantal bedden

/join/id/regdata/gm0363/2025/7b33741cd740401085235892cc5a2942/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum aantal bedden per kamer

/join/id/regdata/gm0363/2025/018f181c4547456a889f67510ac088f3/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum aantal bezoekers culturele voorziening

/join/id/regdata/gm0363/2025/40a9695e6d7f4d2c9a2cf30725c3eaa7/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum aantal bezoekers faciliteiten voor ontspanning en vermaak

/join/id/regdata/gm0363/2025/cb7b20b59b0c46a5b4d3981ed351311e/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum aantal bezoekers sportvoorziening

/join/id/regdata/gm0363/2025/4f88a6cdc1a14b96ad2b4a69826e8dd3/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum aantal hotelkamers

/join/id/regdata/gm0363/2025/8fab5c06322b49038af52264595762cb/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum aantal kinderopvang

/join/id/regdata/gm0363/2025/288aaf663b7d4fc584d8f9b4aa8bd37e/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum aantal marktplaatsen

/join/id/regdata/gm0363/2025/24df4e6058ea41efbc929b4e29fe2b49/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum aantal onzelfstandige woonruimten

/join/id/regdata/gm0363/2025/6311666523504a8483c611963ee55a59/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum aantal prostitutieramen

/join/id/regdata/gm0363/2025/6f7dcd7e82a847cd9c2f1da3f779a7cf/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum aantal publiektoegankelijke parkeerplaatsen

/join/id/regdata/gm0363/2025/fdd7cecad1474e1c82a05ac634bcc74b/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum aantal rijstroken

/join/id/regdata/gm0363/2025/a335fd8877bb48d4ae01c3cfae98d6bd/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum aantal staan- of ligplaatsen ambulante handel

/join/id/regdata/gm0363/2025/8a3183c16bc745a5a6b2eec57816a2b3/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum aantal supermarkten

/join/id/regdata/gm0363/2025/3a989b7edf0a4424a2416649fa826927/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum ashoogte windturbine

/join/id/regdata/gm0363/2025/c748cc6a4ed347eca61890bcfbda8d43/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bebouwd oppervlak

/join/id/regdata/gm0363/2025/620e9afa1a6646d5a8d2b853f1e08b97/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bebouwingspercentage

/join/id/regdata/gm0363/2025/d3ce92b0131d48ffb0e8519225061648/nld@2025‑06‑05;13104281

maximum bouwdiepte ondergronds gebouw

/join/id/regdata/gm0363/2025/74070727311043699d8c7aa2a34cd0b4/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bouwhoogte artistiek bouwwerk

/join/id/regdata/gm0363/2025/86f6af05793a4f658118bb892f7a691e/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bouwhoogte gebouw

/join/id/regdata/gm0363/2025/7d47d49a0f12433dacc6fe42dcb6f0a7/nld@2025‑04‑07;12420999

/join/id/regdata/gm0363/2025/7d47d49a0f12433dacc6fe42dcb6f0a7/nld@2025‑08‑26;14104177

maximum bouwhoogte gebouw t.o.v. NAP

/join/id/regdata/gm0363/2025/f8543019a3874e93a65424f1d6f1ec9f/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bouwhoogte infrastructureel kunstwerk

/join/id/regdata/gm0363/2025/5494bddd21bb48b8ad1d91935c8d8bd5/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bouwhoogte tribune

/join/id/regdata/gm0363/2025/37c3bbe88ee040ff92442140181b799b/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bruto-vloeroppervlak maatschappelijke dienstverlening

/join/id/regdata/gm0363/2025/542c8e9150a549a1aa0caae9ea7a513c/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bruto-vloeroppervlakte bebouwing

/join/id/regdata/gm0363/2025/09b12a71aab44aefad974581c95a8e31/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bruto-vloeroppervlakte bedrijf

/join/id/regdata/gm0363/2025/a88e04e1d6aa42ef81028df1cf784bc2/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bruto-vloeroppervlakte consumentgerichte dienstverlening

/join/id/regdata/gm0363/2025/e9b3cec7e52248398d669ee213d342d3/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bruto-vloeroppervlakte culturele voorzieningen

/join/id/regdata/gm0363/2025/a303b33b4a1d48dea50dc6464c7dd33e/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bruto-vloeroppervlakte detailhandel

/join/id/regdata/gm0363/2025/139dc29fa78545e991c0ac3b2e4a475d/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bruto-vloeroppervlakte faciliteiten voor ontspanning en vermaak

/join/id/regdata/gm0363/2025/09fb702478214caf9a27e18f24f74f56/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bruto-vloeroppervlakte gebouwen

/join/id/regdata/gm0363/2025/6cb3394b7e094d43b3fa7f04c941c1b6/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bruto-vloeroppervlakte hotel

/join/id/regdata/gm0363/2025/5b4337ce018444ac94052538a79da0c7/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bruto-vloeroppervlakte mini-supermarkt

/join/id/regdata/gm0363/2025/47443883deb2411881ee7e6240ac73d1/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bruto-vloeroppervlakte sportvoorziening

/join/id/regdata/gm0363/2025/f61d2793a9a1451fb2817f6b9ef688f5/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bruto-vloeroppervlakte supermarkt

/join/id/regdata/gm0363/2025/474db66bb48c4d129f5d1bc122bdd52e/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bruto-vloeroppervlakte verhuurbare vergader- en congresfaciliteiten

/join/id/regdata/gm0363/2025/4d04e811651348f887cca5a7e1a5cba2/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bruto-vloeroppervlakte wonen

/join/id/regdata/gm0363/2025/982708dd488c4251833fc2b38e5e5753/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum bruto-vloeroppervlakte zakelijke en administratieve dienstverlening

/join/id/regdata/gm0363/2025/b9b3425462a7487ab05e4c4c460f9f32/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum diepte vergunningvrije bodemverstoring

/join/id/regdata/gm0363/2025/04b0408bacdc4e7ab5d6b58a3310c255/nld@2025‑06‑05;13104281

maximum goothoogte

/join/id/regdata/gm0363/2025/020db429a11b4ca196a1608388c4fdc6/nld@2025‑04‑07;12420999

/join/id/regdata/gm0363/2025/020db429a11b4ca196a1608388c4fdc6/nld@2025‑08‑26;14104177

maximum hoogte hoogspanningsmast

/join/id/regdata/gm0363/2025/5f2323aa898e4933ab3bbb08e73d20c5/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum hoogte lichtmast

/join/id/regdata/gm0363/2025/8ddd52e0f678405286c0f3defd4474ec/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum oppervlak paardenbak

/join/id/regdata/gm0363/2025/c899ebae7f504ef3bb0696dc35696f61/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum oppervlak vergunningvrije bodemverstoring

/join/id/regdata/gm0363/2025/a59f21973a0143fead23ae84b8fcfc38/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum oppervlakte ondergronds gebouw

/join/id/regdata/gm0363/2025/5506b5c826a54498a94fa832478e18b4/nld@2025‑04‑07;12420999

maximum tiphoogte windturbine

/join/id/regdata/gm0363/2025/7feea144b8e449b396c43c5496fdefaa/nld@2025‑04‑07;12420999

middelbaar beroepsonderwijs toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/f604b17c2699401fa7eac8289b9e87c8/nld@2024‑09‑25;12591980

mini-supermarkt toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/7b043a7086ad49de8c43ecaa5ceabe53/nld@2024‑09‑25;12591980

minimum aantal fietsstallingsplaatsen

/join/id/regdata/gm0363/2025/2eb53f7243a44c2ba3d854f2fbfd752d/nld@2025‑04‑07;12420999

minimum aantal onzelfstandige woonruimten

/join/id/regdata/gm0363/2025/cb3cdf90f8c54855abe3915e8aa71c70/nld@2025‑04‑07;12420999

minimum aantal publiektoegankelijke fietsstallingsplaatsen

/join/id/regdata/gm0363/2025/effc7a91a21a41eca80099025926aa26/nld@2025‑04‑07;12420999

minimum aantal publiektoegankelijke parkeerplaatsen

/join/id/regdata/gm0363/2025/2d3e243b707b42ac84c8751b7f19edda/nld@2025‑04‑07;12420999

minimum bebouwd oppervlak

/join/id/regdata/gm0363/2025/8def934c95a64f20a82e0156068f96e6/nld@2025‑04‑07;12420999

minimum bebouwingspercentage

/join/id/regdata/gm0363/2025/760b65addb4445fe87ed8042d28e60fb/nld@2025‑04‑07;12420999

minimum bouwhoogte gebouw

/join/id/regdata/gm0363/2025/79ee20f96389418e854fd728bb513d94/nld@2025‑04‑07;12420999

minimum bruto-vloeroppervlakte bebouwing

/join/id/regdata/gm0363/2025/18d8dfcd0a154515a5f8c9651ee509fa/nld@2025‑04‑07;12420999

minimum bruto-vloeroppervlakte gebouwen

/join/id/regdata/gm0363/2025/cb4c5231a4c34ef89f9837d2946ed1cf/nld@2025‑04‑07;12420999

minimum hoogte eerste bouwlaag

/join/id/regdata/gm0363/2025/fe9b1d732cbc42df80fcf4a99ab20e1d/nld@2025‑04‑07;12420999

minimum hoogte onderdoorgang

/join/id/regdata/gm0363/2025/e01f0be46c2c45b883245f3f94b46376/nld@2025‑04‑07;12420999

mogelijke toepassing overschrijding grenswaarde geluid bij zeehavengebonden activiteiten

/join/id/regdata/gm0363/2024/88ce1bb8352e43ad8d198e87ba0b6a4e/nld@2024‑09‑25;12591980

museum en expositieruimte toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/c00747192f604350b0510d3cadec1786/nld@2024‑09‑25;12591980

nadere afweging geluid bij bouwplan noodzakelijk

/join/id/regdata/gm0363/2024/b9e014586e654d7f8bea75954c1f46a3/nld@2024‑09‑25;12591980

nadere afweging geluid bij gebruikswijziging noodzakelijk

/join/id/regdata/gm0363/2024/3622c719a30b41cebd4867c27c9af865/nld@2024‑09‑25;12591980

niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen

/join/id/regdata/gm0363/2024/578f5a40f019495ebd05aab38054bc2e/nld@2024‑09‑25;12591980

niet-overdekt zwembad toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/bb7dc71b98d44253983a0c4d35947c1f/nld@2024‑09‑25;12591980

niet-overdekte paardenbak toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/457575204bf04534834fa5a68981b030/nld@2024‑09‑25;12591980

nutstuinpark

/join/id/regdata/gm0363/2024/80a080db65124fb7aec7bad70db67be6/nld@2024‑09‑25;12591980

ondergronds gebouw toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/544d019ba061485391f1fa5332218e47/nld@2024‑09‑25;12591980

ondergrondse metro toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/9a590a5228c144dcadec2e218bd34b00/nld@2024‑09‑25;12591980

ontsluiting parkeervoorziening toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/000db2ae18834064950cd57512e74b1c/nld@2025‑08‑26;14104177

ontsluiting parkeervoorziening

/join/id/regdata/gm0363/2024/19faaa7e49124c21a1fe9e62e416770c/nld@2024‑09‑25;12591980

onzelfstandige woonruimte niet toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2025/c0b73950f1ba4d8bb95506c84c53d1dc/nld@2025‑06‑11;12401052

onzelfstandige woonruimte toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/7aeabeb1967145f4b6a9bbce828ba0d3/nld@2024‑09‑25;12591980

overige instellingen met gezondheidszorgfunctie met bedgebied toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/af54831bdf8f46a8bf04dc966e5bc652/nld@2024‑09‑25;12591980

overnachten niet toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/53102a7a78104c40b50794135b9bb664/nld@2024‑09‑25;12591980

parkeerterrein

/join/id/regdata/gm0363/2024/c3983764c9c24856b6112b24d301b6d5/nld@2024‑09‑25;12591980

parkeren op eigen terrein niet toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/764ca63afc0e484bab58fb14d296f319/nld@2024‑09‑25;12591980

peildatum bvo prostitutiebedrijf 1

/join/id/regdata/gm0363/2024/cf5dfbd2e61b4d51b546d8865d54f9c8/nld@2024‑09‑25;12591980

peildatum bvo prostitutiebedrijf 2

/join/id/regdata/gm0363/2024/a8cd50c7a51b4f6e982b110ebc17a539/nld@2024‑09‑25;12591980

peildatum bvo prostitutiebedrijf 3

/join/id/regdata/gm0363/2024/b9c2a4aae40645c98c1b30d379dfa9c7/nld@2024‑09‑25;12591980

peildatum bvo seksinrichting 1

/join/id/regdata/gm0363/2024/323a0f5e63a94c1fa1cf61a6e361cd1c/nld@2024‑09‑25;12591980

peildatum bvo seksinrichting 2

/join/id/regdata/gm0363/2024/f4d79b26430f49dbb0c1bc640b62e6e1/nld@2024‑09‑25;12591980

peildatum bvo seksinrichting 3

/join/id/regdata/gm0363/2024/918301c481e44f3bac789bcfce857668/nld@2024‑09‑25;12591980

periodieke markt

/join/id/regdata/gm0363/2024/1f3183e822fb496b89a82c9b7c2a796e/nld@2024‑09‑25;12591980

plaatsgebonden risico 10-5 windturbine

/join/id/regdata/gm0363/2024/22cb42048910493bb9f98e60e5202f05/nld@2024‑09‑25;12591980

publiektoegankelijke (brom)fietsstalling

/join/id/regdata/gm0363/2024/390e86f6e2cc4c6d965bb7338503b58b/nld@2024‑09‑25;12591980

raamprostitutiebedrijf toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/64467e79b00f4fc69b492a464575ff9d/nld@2024‑09‑25;12591980

Rie-bedrijven toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/2722953cf8694fc3879c61a96edabb9d/nld@2024‑09‑25;12591980

rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht

/join/id/regdata/gm0363/2024/3a753034d4f44c84b3c29167515d5b56/nld@2024‑09‑25;12591980

risicobedrijf toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/4eaef29b32d040fd86796769708f2060/nld@2024‑09‑25;12591980

risicogebied externe veiligheid

/join/id/regdata/gm0363/2024/dd5e76f613644f8d875aacddd7acea0c/nld@2024‑09‑25;12591980

rooilijn

/join/id/regdata/gm0363/2024/14452d9dad2e46f49942fbec0cb5652b/nld@2024‑09‑25;12591980

ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen

/join/id/regdata/gm0363/2024/46b13a6470aa4e178431220b193c5bdf/nld@2024‑09‑25;12591980

ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen

/join/id/regdata/gm0363/2024/b98b443889514292aa60e2daaf454e30/nld@2024‑09‑25;12591980

seedshop

/join/id/regdata/gm0363/2024/f64b64c459c5424ebaa5c65bf002e371/nld@2024‑09‑25;12591980

sekswinkel toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/33fe177d5ef94e058a3b869c54c373d6/nld@2024‑09‑25;12591980

short stay toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/784f848e1a0c4b07a7feeae300945da8/nld@2024‑09‑25;12591980

smartshop

/join/id/regdata/gm0363/2024/bd86d41bd48b468897c69fc085521b64/nld@2024‑09‑25;12591980

speelautomatenhal toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/860d9a4161924f69a1431a55a670a934/nld@2024‑09‑25;12591980

spel en vermaak toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/5a2bf94296e744b4a87e4ea7c5457184/nld@2024‑09‑25;12591980

spoorweg toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/e309c810ed0e4d50b52fcd9ea8c583c9/nld@2024‑09‑25;12591980

sportschool toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/ade8295a055946a0aa4a3d69ccfdf6e5/nld@2024‑09‑25;12591980

staan- of ligplaats ambulante handel buiten de markt

/join/id/regdata/gm0363/2024/41ae2e0e271c4d8281a002598514754e/nld@2024‑09‑25;12591980

supermarkt toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/620dc0efea534ca4b1a101dcd8c771e6/nld@2024‑09‑25;12591980

telefoneerinrichting

/join/id/regdata/gm0363/2024/368d4379830f43a8a86ded83fcfb545c/nld@2024‑09‑25;12591980

theater en concertzaal toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/89fb04b1b6824b7b97118dcd109706b7/nld@2024‑09‑25;12591980

tram toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/6edeb6ee709a4aac9988ea51f849279d/nld@2024‑09‑25;12591980

tuin

/join/id/regdata/gm0363/2024/150dcfc596c44283932c23ce0c174474/nld@2024‑09‑25;12591980

twee bedrijfswoningen toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/3cf91f0e7be34d119246731bb3181a18/nld@2024‑09‑25;12591980

uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw

/join/id/regdata/gm0363/2024/b0bfe3415c9b4a7fb7b4337928d212f2/nld@2024‑09‑25;12591980

uitsluitend ABC-goederen

/join/id/regdata/gm0363/2024/111f8f0f1c074896ba8cc49464aac525/nld@2024‑09‑25;12591980

uitsluitend afhaaldepot goederen

/join/id/regdata/gm0363/2024/8feabfb850e843ae810e9dd43e80f5b8/nld@2024‑09‑25;12591980

uitsluitend bouwmarkt

/join/id/regdata/gm0363/2024/e732338e5f7a44e1befc8019909a5b82/nld@2024‑09‑25;12591980

uitsluitend grootschalige detailhandel

/join/id/regdata/gm0363/2024/cd86aa0be8414a8895d5ca831d845575/nld@2024‑09‑25;12591980

uitsluitend kinderboerderij

/join/id/regdata/gm0363/2024/5d2513a1524c4d4e82f566aead54e5e7/nld@2024‑09‑25;12591980

uitsluitend kinderopvang zonder bedgebied toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/339bd4047eea4532ab6077fa6f968382/nld@2024‑09‑25;12591980

uitsluitend perifere detailhandel

/join/id/regdata/gm0363/2024/b857c651efcc4da6b7b480c368ad21f3/nld@2024‑09‑25;12591980

uitsluitend school(werk)tuin

/join/id/regdata/gm0363/2024/b8b77e3957154c0f86a7027860a33a25/nld@2024‑09‑25;12591980

uitsluitend studentenwoningen

/join/id/regdata/gm0363/2024/1d08d8c2969c4b95b4565b0251d57c4c/nld@2024‑09‑25;12591980

uitsluitend supermarkt toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/627876bdc82946cdaec22e8623934b1e/nld@2024‑09‑25;12591980

uitsluitend tuincentrum

/join/id/regdata/gm0363/2024/e18d5aa07c5e4b79833240521c731751/nld@2024‑09‑25;12591980

uitsluitend windturbine toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/7f5e5fea1be947618b4db77996ea0f53/nld@2024‑09‑25;12591980

uitsluitend woninginrichting

/join/id/regdata/gm0363/2024/ded22bfe093943b28f5df79bcf998044/nld@2024‑09‑25;12591980

uitzondering maximum percentage ondergeschikt kantoorvloer

/join/id/regdata/gm0363/2024/e911344e54d1409699d9463dd6546457/nld@2025‑02‑06;12524108

verenigingsgebouw

/join/id/regdata/gm0363/2024/83bcb5d91dbe4af7a5bd5ed5ce4df723/nld@2024‑09‑25;12591980

vergunningplicht bij wijziging ambachtelijk bedrijf

/join/id/regdata/gm0363/2024/e26123bf32b047cab10350ad1f0df622/nld@2024‑09‑25;12591980

verkoop LPG toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/47ae2f6ed5bf4234aab0f2d530e96d85/nld@2024‑09‑25;12591980

verkooppunt motorbrandstoffen toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/7648125de737466d939bb7db3df4cc4c/nld@2024‑09‑25;12591980

verpleeghuis of verzorgingshuis toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/468d2ab053b54f2390fe81942195add2/nld@2024‑09‑25;12591980

verplicht verkennend bodemonderzoek bij graven

/join/id/regdata/gm0363/2024/a09bdda99a0e456cb192c1b7f75ea292/nld@2024‑09‑25;12591980

verplicht verkennend bodemonderzoek bij kleinschalig graven

/join/id/regdata/gm0363/2024/4b063da5b41f4ebe9fb36a6054bd4b8d/nld@2024‑09‑25;12591980

voorgeschreven ontsluiting parkeervoorziening

/join/id/regdata/gm0363/2025/532f5f64488c45c69168e5b7632faa0f/nld@2025‑08‑26;14104177

voorgeschreven rooilijn

/join/id/regdata/gm0363/2024/f3a9dd2ae2e64dc5bc4dabc1686ac067/nld@2024‑09‑25;12591980

voorgeschreven rooilijn (minimum %)

/join/id/regdata/gm0363/2025/fd46f6576f784af8910a49fac8a13506/nld@2025‑04‑07;12420999

voormalige functionele binding - geluid

/join/id/regdata/gm0363/2024/70c8d916e0c84c65878470cebc66c9d2/nld@2024‑09‑25;12591980

voormalige functionele binding - geur

/join/id/regdata/gm0363/2024/4dbdd9316e0141f88e59d1c9a6c45981/nld@2024‑09‑25;12591980

voormalige functionele binding - slagschaduw

/join/id/regdata/gm0363/2024/8afebd6676bb426080110b4c335c72c4/nld@2024‑09‑25;12591980

voormalige functionele binding - trilling

/join/id/regdata/gm0363/2024/435fab2ebccf4e46a46e24cba90459bc/nld@2024‑09‑25;12591980

voortgezet onderwijs toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/aec256ab8616447aaeb70b8e331ddabb/nld@2024‑09‑25;12591980

vrijwaringsgebied ontplofbare stoffen voor civiel gebruik

/join/id/regdata/gm0363/2024/34a605e93bd14ee3bc5fb6f00f070896/nld@2024‑09‑25;12591980

vrijwaringsgebied vuurwerk

/join/id/regdata/gm0363/2024/3ae2f90379dd4e20b8c1a2ceba71edca/nld@2024‑09‑25;12591980

watersportvoorzieningen

/join/id/regdata/gm0363/2024/840839c5e31540b0875533dc60362d72/nld@2024‑09‑25;12591980

weekmarkt

/join/id/regdata/gm0363/2024/298881acc2e94d319246aa697cd8298e/nld@2024‑09‑25;12591980

weg toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/4c70d1af1a8745bca7dae3f2d5becfa1/nld@2024‑09‑25;12591980

wellness toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/97473188793b4681b22b7a5ce522733b/nld@2024‑09‑25;12591980

windturbine toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/94e4656a04ea436a9ac76c4eae95be89/nld@2024‑09‑25;12591980

woonschip - afwijkende geluidsnorm

/join/id/regdata/gm0363/2024/270127bbec214155898fb9816e8aba7e/nld@2024‑09‑25;12591980

ziekenhuis toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/1e820b3b041f4bbb847946c0bccd131e/nld@2024‑09‑25;12591980

Zone 1: hoge stallingsnorm fiets

/join/id/regdata/gm0363/2024/2e0c95a3f93742f2a89228136788021b/nld@2024‑09‑25;12591980

Zone 2: gemiddelde stallingsnorm fiets

/join/id/regdata/gm0363/2024/1d1307cc877c47d2a769d28a8c7794d8/nld@2024‑09‑25;12591980

Zone 3: lage stallingsnorm fiets

/join/id/regdata/gm0363/2024/74f0152fdb75470f988c022c66c95e8d/nld@2024‑09‑25;12591980

/join/id/regdata/gm0363/2024/74f0152fdb75470f988c022c66c95e8d/nld@2025‑08‑26;14104177

zorgwoning

/join/id/regdata/gm0363/2024/99867d9738bc49519f4e70e23c86462f/nld@2024‑09‑25;12591980

zwembad toegestaan

/join/id/regdata/gm0363/2024/9ecc40b6c6cb4621b8c6185bf0f7c07f/nld@2024‑09‑25;12591980

AAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

9.2.5.4 Toelaten van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden

Subparagraaf 5.1.4.2a.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels met betrekking tot het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of een industrieterrein. Dat omvat ook het wijzigen van toegelaten geluidgevoelige gebouwen voor zover dat een nadelig effect heeft op het geluid op die gebouwen. De instructieregels zien echter niet op geluidgevoelige gebouwen die al eerder toegelaten zijn. Voor een meer uitgebreide toelichting op de instructieregels dan hieronder gegeven, wordt verwezen naar hoofdstuk 9 van de Nota van Toelichting bij het Aanvullingsbesluit Geluid (Staatsblad 2020, 557). 

Twee algemeen geformuleerde normen vormen de basis voor het toelaten van geluidgevoelige gebouwen. Ten eerste moet in een omgevingsplan rekening gehouden worden met het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen. Ter uitvoering van die regel wordt in ieder geval de cumulatie van geluid bezien. Ten tweede moet het omgevingsplan erin voorzien dat het geluid van een weg, spoorweg of industrieterrein op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die norm wordt in ieder geval voldaan als het geluid voldoet aan de standaardwaarde, maar het besluit laat ruimte om gemotiveerd ook hogere geluidniveaus aanvaardbaar te achten.

Bij de standaardwaarde is in en om het gebouw sprake van een goed woon- en leefklimaat. De standaardwaarde beschermt het gebouw én de directe omgeving, zoals buitenruimten, tegen het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw moeten waar nodig geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te laten voldoen aan de standaardwaarde. Het betreft dan alle geluidbeperkende maatregelen die financieel doelmatig zijn en waartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Als dat niet mogelijk is, moeten geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om een overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk te beperken.

Hoewel dat voor geluid niet de voorkeur heeft, kan het bevoegd gezag besluiten om een geluidgevoelig gebouw toe te laten op een locatie waar het geluid op de gevel hoger is dan de standaardwaarde. Het geluidniveau mag dan niet hoger zijn dan de grenswaarde. Voorwaarde is dat wel geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk te beperken. Ook hierbij gaat het om geluidbeperkende maatregelen die financieel doelmatig zijn en waartegen geen overwegende bezwaren van

stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Het bevoegd gezag kan tussen de standaardwaarde en de grenswaarde een afweging maken over het geluid op de gevel. Wat in een bepaalde situatie voor wat betreft te treffen maatregelen mogelijk is en qua geluid toelaatbaar is, is een onderdeel van de integrale besluitvorming, waarbij alle factoren die in de betreffende casus aan de orde zijn tegen elkaar worden afgewogen.

Aan een overschrijding van de standaardwaarde wordt wel als extra voorwaarde gesteld dat de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het betreffende geluidgevoelig gebouw moet worden beoordeeld. Omdat het geluid boven de standaardwaarde ligt, is de gemeente verplicht om het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel te betrekken bij haar besluit. Het is aan de gemeente om te bepalen in welke gevallen boven de standaardwaarde het realiseren van een geluidluwe gevel gewenst wordt gevonden. 

De Wet geluidhinder bood de mogelijkheid om in situaties waarin sprake was van bijzondere stedenbouwkundige situaties, bijvoorbeeld bij het vervangen van een geluidbelaste woning door een nieuwe woning, meer geluid toelaatbaar te achten dan bij reguliere nieuwbouw. Die mogelijkheden zijn in dit besluit in een gestroomlijnde vorm voortgezet en bieden een zekere mate van afwegingsruimte boven de grenswaarden voor het geluid op de gevel. Die uitzonderingen zijn nodig om bepaalde gewenste maatschappelijke ontwikkelingen en verbeteringen niet te blokkeren. 

De drie flexibiliteitsgevallen zijn, kort samengevat, een nieuw geluidgevoelig gebouw dat wordt toegelaten:

  • ter vervanging van een bestaand ouder geluidgevoelig gebouw (vervangende nieuwbouw);

  • door functiewijziging van een bestaand gebouw (transformatie); of

  • in het geluidaandachtsgebied van een industrieterreinen met zeehavengebonden activiteiten.



De voornoemde flexibiliteitsartikelen worden pas toegepast in gevallen waarin het niet mogelijk is om het geluid te beperken tot de standaardwaarde en het ook niet mogelijk is om het geluid te beperken tot de grenswaarde. Toepassing van de flexibiliteitsartikelen is daarom alleen aan de orde als de maatregelen die daarvoor nodig zijn naar het oordeel van de gemeente niet financieel doelmatig zijn of dat daartegen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Omdat de grenswaarde wordt overschreden moeten wel geluidbeperkende maatregelen worden getroffen die de overschrijding van de grenswaarde zoveel mogelijk beperken. Bij het toestaan van overschrijdingen van de grenswaarde voor het geluid op de gevel worden zwaardere eisen gesteld aan de motivering dan bij gebruikmaking van de reguliere afwegingsruimte tussen standaardwaarde en grenswaarde. Uiteraard moet het geluid in nieuwe geluidgevoelige gebouwen ook altijd voldoen aan de binnenwaarden. Dat is geregeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Bij vervangende nieuwbouw, functiewijziging en zeehavengebonden activiteiten mag de grenswaarde met niet meer dan 5 dB worden overschreden.

Als geen sprake is van één van de bijzondere stedenbouwkundige situaties als in de vorige paragraaf beschreven of als het geluid op de nieuwe geluidgevoelige gebouwen hoger is dan de grenswaarde +5 dB, dan kan het geluid toch aanvaardbaar worden geacht als er geen sprake is van te openen delen in de gevel waarop de grenswaarde wordt overschreden, of als het gebouw wordt voorzien van een bouwkundige constructie die het geluid op ramen en deuren (te openen delen) beperkt tot de grenswaarde (dit is een zogenaamde ‘niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen’). Als ook dat niet mogelijk is, kan het geluidgevoelige gebouw nog worden toegelaten als zwaarwegende economische of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen. In dat geval wordt de gevel aangemerkt als niet-geluidgevoelige gevel. De geluidbelasting op een niet-geluidgevoelige gevel (al dan niet met bouwkundige maatregelen) wordt niet betrokken bij een eventuele wijzigen van de geluidbron of het toelaten van een nieuwe geluidbron.  

De geluidtoets voor geluidgevoelige gebouwen op geluidgevoelige locaties wordt in principe gemaakt bij een wijziging van het omgevingsplan waarmee een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten. Bij een dergelijke wijziging wordt gemotiveerd op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de instructieregels, opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarbij worden in het omgevingsplan die regels opgenomen, die ervoor zorgen dat sprake is van een aanvaardbaar geluid.  

Mogelijkheid om de beoordeling door te schuiven naar het concrete bouwinitiatief

Het toelaten van geluidgevoelige gebouwen gebeurt in beginsel door het wijzigen van het omgevingsplan. Met ruimtelijke regels over gebruik en bouwwerken wordt bepaald waar een geluidgevoelig gebouw kan komen. Dat met ruimtelijke regels op een bepaalde locatie in een geluidgevoelig gebouw wordt voorzien, betekent echter niet dat het zonder meer is toegestaan. Er geldt een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, waarbij aan een aantal aanvullende beoordelingsregels wordt getoetst. De Omgevingswet biedt de mogelijkheid om de finale beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar geluid door te schuiven naar de beoordeling van een vergunningaanvraag. Dat kan wenselijk zijn wanneer dat het eerste moment is waarop voldoende gegevens beschikbaar zijn om de geluidsbelasting en eventueel te betrekken maatregelen goed te kunnen beoordelen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de wijziging van een omgevingsplan voorziet in globale regels voor gebiedsontwikkeling, waarbij nog niet gedetailleerd is vastgesteld waar gebouwen komen, hoe die worden vormgegeven, wat de fasering van realisatie gaat zijn en waar geluidgevoelig gebruik wordt gevestigd. In dat geval kan het in de rede liggen de finale beoordeling door te schuiven naar de vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. 

In subparagraaf 4.2.4.7 van de planregels wordt in die mogelijkheid voorzien. In het betreffende onderdeel zijn beoordelingsregels opgenomen die betrekking hebben op de aanvaardbaarheid van het geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen. En ook voor de binnen de gebruiksregels toegestane omzetting van het gebruik van een bestaand gebouw naar een geluidgevoelig gebruik wordt de mogelijkheid geboden de finale beoordeling door te schuiven naar een concreet initiatief (onderdeel 3.2.6 van de planregels).  

Deze finale toets is alleen van toepassing op locaties waarvoor dat expliciet is bepaald. Uitgangspunt is dus dat de finale beoordeling plaatsvindt bij wijziging van het omgevingsplan. Is dat niet goed mogelijk, dan kan dat finale toetsmoment worden doorgeschoven. 

Het doorschuiven van het toetsen aan geluidregels betekent overigens niet dat bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan helemaal geen aandacht aan geluid hoeft te worden besteed. De uitvoerbaarheid van het omgevingsplan moet altijd en dus ook vanuit het perspectief van geluid aannemelijk worden gemaakt. Dat onderzoek kan dan wel globaal zijn, waarbij gebruik wordt gemaakt van de informatie die op dat moment beschikbaar is.

Bij de opbouw van de beoordelingsregels is de systematiek van paragraaf 5.1.4.2a.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving gevolgd. Daarbij is tevens voorzien in de mogelijkheid dat de grenswaarde in bepaalde gevallen kan worden overschreden. Zoals ook uit de Nota van Toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving blijkt, vraagt dit een zware motivering. Daarbij wordt voorzien in twee fasen in de besluitvorming. Allereerst wordt de mogelijkheid om een overschrijding van de grenswaarde aanvaardbaar te vinden bepaald in het omgevingsplan. Daartoe is bepaald dat de regels waarmee een overschrijding kan worden toegestaan alleen gelden ter plaatse van in het omgevingsplan aangegeven locaties. Het geografisch toepassingsbereik van de mogelijkheid is daarmee beperkt. Het aangegeven van die locaties gebeurt bij wijzigingsbesluit van het omgevingsplan. Het is aan de gemeenteraad (of, indien gedelegeerd, aan het college) om bij wijziging van het omgevingsplan te besluiten over de aanvaardbaarheid van mogelijke toepassing van deze mogelijkheid. Vervolgens vindt de definitieve beoordeling of een overschrijding van de grenswaarde aanvaardbaar is plaats in het kader van de concrete vergunningaanvraag voor een bouwwerk of wijziging gebruik. 

Vervangen van een bestaand ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan

Bij het vervangen van een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, bijvoorbeeld een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, hoeft op grond van artikel 5.785.78r, tweede lid, geen toepassing te worden gegeven aan paragraaf 5.1.4.2a.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Er is in dat geval immers sprake van geluidgevoelig gebouw dat reeds rechtmatig is toegestaan op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan. Hetzelfde geldt voor geluidgevoelige gebouwen die op grond een omgevingsvergunning voor een buitenplanse  omgevingsplanactiviteit zijn toegestaan. Het maakt daarbij niet uit of het gebouw daadwerkelijk is gerealiseerd. 

Bepalen geluidaandachtsgebied

Paragraaf 5.1.4.2a.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is alleen van toepassing op het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied

Wat onder een geluidaandachtsgebied moet worden verstaan is bepaald in bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Die begripsomschrijving is vanwege artikel 1.1 ook van toepassing op dit omgevingsplan. Verwezen wordt naar artikel 3.20 van datzelfde besluit. In het eerste lid is bepaald dat het gaat om een locatie langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde in Lden, bedoeld in tabel 3.34 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In het tweede lid is bepaald dat op het bepalen van het geluidaandachtsgebied de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing zijn.

Het geluidaandachtsgebied wordt bepaald op basis van de geluidcontour van de standaardwaarde. De rekenmethode om het geluidaandachtsgebied te bepalen is beschreven in bijlage IVc van de Omgevingsregeling. Voor het bepalen van het geluidaandachtsgebied wordt gebruikt gemaakt van de geluidbrongegevens. Bij het bepalen van het geluidaandachtsgebied wordt uitgegaan van een worst case-benadering, zodat zeker is dat alle locaties waarbij de standaardwaarde(n) mogelijk worden overschreden, worden meegenomen in het onderzoek. Dit betekent ook dat het alsnog mogelijk is dat uit het geluidonderzoek blijk dat binnen het geluidaandachtsgebied de standaardwaarde niet wordt overschreden (zie uitgebreider onder: nadere informatie over systematiek wegverkeerslawaai).

Het bepalen van een geluidaandachtsgebied is een rekenkundige exercitie. In artikel 11.52 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat een geluidaandachtsgebied moet worden vastgelegd in het geluidregister. Geluidaandachtsgebieden worden dus niet vastgelegd in het omgevingsplan (zie ook toelichting op artikel 3.20 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Geluidaandachtsgebieden worden als fysiek geografisch gebied vastgelegd. De geluidbrongegevens moeten daartoe worden aangeleverd ten behoeve van het geluidregister, via de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). De Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) wordt het digitale systeem voor het uitwisselen van geluidgegevens. Het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zijn verplicht geluidgegevens via deze voorziening te delen. De voorziening zorgt ervoor dat deze gegevens eenvoudig vindbaar, inzichtelijk en beschikbaar zijn. De CVGG wordt parallel aan het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ingericht. Naar verwachting komen relevante delen van de CVGG in de toekomst ook in het DSO. Gegevens voor het geluidregister worden aangeleverd met het Informatiemodel Geluid. Dit informatiemodel zal beschikbaar worden gesteld op de website van het Bureau sanering verkeerslawaai.   

 

BBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

9.2.12.2 Autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen

Artikel 5.134 van het Besluit kwaliteit bepaalt dat voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een reserveringsgebied voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg, het omgevingsplan geen bouwactiviteiten toelaat, met uitzondering van een bouwactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk dat wordt toegelaten voor een periode van ten hoogste vijf jaar. Artikel 5.132 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat dit niet van toepassing is voor zover activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen. Het verbod op het toelaten van nieuwe bouwactiviteiten heeft gelet op artikel 5.132 van het Besluit kwaliteit leefomgeving geen betrekking op die bouwwerken die onder de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vergunningvrij waren, en evenmin op bouwwerken die op grond van het ruimtelijk plan, zoals dat gold op het moment van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

Ten opzichte van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is het verbod op het toelaten van nieuwe bouwactiviteiten uitgebreid tot alle bouwactiviteiten, waar dit verbod voorheen was beperkt tot het bouwen van bouwwerken waarvoor een toenmalige omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was vereist. Deze wijziging houdt verband met de voorgenomen wijziging van de vergunningplicht voor de bouwactiviteit op grond van het omgevingsplan. Gemeenten kunnen zelf bepalen in hoeverre voor bouwactiviteiten een vergunningplicht moet gelden. 

De reserveringsgebieden voor de uitbreiding of aanleg van een autoweg, autosnelweg of hoofdspoorweg zijn de locaties, die in de Omgevingsregeling zijn aangewezen en waarvan de geometrische begrenzing in die regeling is vastgelegd. De volgende reserveringsgebieden zijn binnen Amsterdam relevant:

Geometrische begrenzing reserveringsgebieden voor de uitbreiding van een autoweg of autosnelweg
afbeelding binnen de regeling Bijlage III Omgevingsregeling

Met de Omgevingsregeling wordt binnen Amsterdam langs de oostelijke ring A10 een reserveringsgebied voor de uitbreiding van een autoweg of autosnelweg aangewezen. De instructieregel is hierop van toepassing. Hieraan wordt als volgt uitvoering gegeven. 

Een omgevingsplanactiviteit bouwwerken is (vergunningvrij of niet) alleen toegestaan als die niet in strijd is met de in hoofdstuk 5 gestelde regels over bouwwerken. Met de regels in die afdelingdat hoofdstuk wordt bepaald waar bouwwerken zijn toegestaan. Met uitzondering van afdeling 5.35.1 tot en met afdeling 5.45.3 geldt dat hoofdstuk niet waar het onder oud recht vastgestelde ruimtelijk plan (bestemmingsplannen en dergelijke) nog niet is vervangen. Bij het vervangen van dat nog geldende ruimtelijk plan moet voor het betreffende gebied worden bekeken op welke wijze uitvoering moet worden gegeven aan de instructieregels. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat er beperkingen moeten gaan gelden voor het toelaten van bouwwerken geen gebouw zijnde, die op grond van artikel 5.36, eerste lid, elders wel zijn toegestaan. Maar dat is afhankelijk van de ruimte die het te vervangen ruimtelijk plan biedt. Want als ook dat onder oud recht vastgestelde ruimtelijke plan dergelijke bouwwerken toestond, is sprake van een bouwactiviteit die al rechtmatig kon worden verricht of was toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen

Voor wat betreft afdeling 5.3 geldt dat die een generieke regeling bevat voor bouwwerken die in beginsel overal zijn toegestaan (artikel 5.8). Dit artikel komt een op een over vanuit het Besluit omgevingsrecht. Het betreft derhalve bouwwerken die al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van de instructieregels. Deze blijven toegestaan.   

CCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

10.11 Hemelwaterafvoer bij bouwwerken

Amsterdam heeft in het Omgevingsprogramma Riolering 2022-2027 de ambitie opgenomen om in de programmaperiode een bui van 70 mm in één uur aan te kunnen zonder dat schade aan huizen en vitale infrastructuur ontstaat. Om dit te bereiken zal zowel in de bestaande stad als in nieuw te ontwikkelen gebieden rekening moeten worden gehouden met extreme neerslag. Daarbij is onder meer van belang dat zowel op particulier terrein als op openbaar terrein voldoende waterberging wordt gerealiseerd. Een van de juridische instrumenten die een bijdrage kan leveren aan een klimaatbestendig en waterrobuust Amsterdam was onder oud recht een zogenaamde hemelwaterverordening. 

Op grond van artikel 10.32a lid 1 onder a van de Wet milieubeheer kon de gemeente bij verordening regels stellen over het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in de riolering. Die regels konden ook inhouden dat het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater in een openbaar vuilwaterriool binnen een in die verordening aangegeven termijn moet worden beëindigd. Dit bood de grondslag voor het opstellen van een hemelwaterverordening waarin het aanleggen en in stand houden van een waterberging bij bebouwd oppervlak wordt geregeld. Van die grondslag is in Amsterdam gebruik gemaakt (Gemeenteblad 2021 nr. 144493, 10 mei 2021). De bepalingen in deze hemelwaterverordening zijn zodanig opgesteld dat ze zoveel mogelijk al voldoen aan de eisen uit de nieuwe Omgevingswet. 

De hemelwaterverordening is bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel geworden van het omgevingsplan (zie ook paragraaf 6.2 van deze toelichting). Met inpassing van de regels in paragraaf 4.4.2 vindt daadwerkelijke integratie plaats. De regels zijn in die paragraaf opgenomen als algemene regels, die van toepassing zijn op de in artikel 4.110 aangegeven gebouwen. Ze gelden, ongeacht of sprake is van een vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Wel wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken preventief aan deze regels getoetst (artikel 4.86). 

Naast deze hemelwaterverordeningde waterbergingseisen in het omgevingsplan bestaat ook de Keurwaterschapsverordening van het Waterschap. Dede waterschappen (voorheen: de Keur is een verordening met daarin). In de waterschapsverordening staan voorschriften voor ruimtelijke ontwikkelingen van meer dan 500 m2 of 1.000 m² (afhankelijk van het waterschap). Daarbij geldt een verplichting tot compensatieberging. De twee verplichtingen staan elkaar niet in de weg. Integendeel, ze zijn complementair aan elkaar. Door bij ontwikkelingen groter dan 500 m2 of 1.000 m2 te voldoen aan de verplichting uit de hemelwaterverordeningwaterbergingseisen van dit omgevingsplan, wordt deels of in zijn geheel ook voldaan aan de Keur en alleen doorwaterschapsverordening. Door ervoor te zorgen dat er ook waterbergingen worden aangelegd en in stand worden gehouden in gevallen waarin de Keurwaterschapsverordening niet geldt, kan de gemeente het doel uit het Gemeentelijke RioleringsplanOmgevingsprogramma Riolering bereiken.

De hemelwaterverordening is bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel geworden van het omgevingsplan (zie ook paragraaf 6.2 van deze toelichting). Met inpassing van de regels in paragraaf 4.4.2 vindt daadwerkelijke integratie plaats. De regels zijn in die paragraaf opgenomen als algemene regels, die van toepassing zijn op de in artikel 4.110 aangegeven gebouwen. Ze gelden, ongeacht of sprake is van een vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Wel wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken preventief aan deze regels getoetst (artikel 4.86). 

Voor een meer inhoudelijke toelichting op de artikelen wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelgewijze toelichting. 

DDDD

Na sectie 10.19 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

10.20 Short stay

Short stay is gedefinieerd als ‘het structureel aanbieden van een zelfstandige woning voor tijdelijke bewoning aan een huishouden voor een aaneensluitende periode van tenminste een week en maximaal zes maanden’. Wanneer een bestaande woning in gebruik wordt genomen voor short stay is sprake van een vergunningplichtige vorm van woonruimteonttrekking in de zin van de Huisvestingswet. Tot begin 2014 werden door het college op aanvraag woonruimte onttrekkingsvergunningen ten behoeve van short stay verleend voor een periode van maximaal tien jaar. Eventuele strijdigheid met het ter plaatste geldende bestemmingsplan werd toegestaan met een vergunning op grond van de WABO. In 2014 heeft het college besloten gebruik van woningen ten behoeve van short stay niet meer met vergunningen te faciliteren. Dit vanwege het toenemende gebrek aan reguliere woningen voor regulier gebruik alsmede het gegeven dat dergelijke vergunningen werden misbruikt voor verhuur aan toeristen. Bij vaststelling van de Amsterdamse Aanpak Volkshuisvesting op 19 juli 2023 is nogmaals bevestigd dat geen nieuwe short stay wordt toegestaan. 

Ondanks dit beleid is er een aantal locaties waar permanente short stay legaal aanwezig is. Deze worden voorzien van een aanduiding 'short stay toegestaan', waarmee kan dit gebruik worden voortgezet.

EEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.3.3.1 Inleiding 

Hoofdstuk 3 bevat over verschillende onderwerpen algemene regels die betrekking hebben op gebruik. In afdeling 3.2 zijn algemene regels van ruimtelijke aard over gebruik van gronden en bouwwerken opgenomen. Deze regels gaan over onderwerpen waarover onder oud recht veelal regels werden opgenomen in ruimtelijke besluiten zoals bestemmingsplannen, maar bestemming-overstijgend waren. Dergelijke regels werden veelal in algemene regels in hoofdstuk 3 van bestemmingsplannen opgenomen, maar ook vaak per afzonderlijke bestemming. Dergelijke regels zijn ook gebruiksdoel-overstijgend zijn. Ze hebben betrekking op meerdere vormen van gebruik. In het omgevingsplan wordt er daarom voor gekozen om deze regels op te nemen in de vorm van algemene, overal geldende regels. Ze zijn van toepassing op meerdere vormen van ruimtelijk gebruik. Het gaat om de volgende onderwerpen: 

  • Inrichten en gebruik van bij een hoofdgebouw behorend erf en erfbebouwing (paragraaf 3.2.2 van de regels)

  • Parkeernormering voor auto’s en normering voor fietsstalling (paragraaf 3.2.3 van de regels)

  • Ondergeschikt kantoorgebruik (paragraaf 3.2.4 van de regels)

  • Ondergeschikte detailhandel (paragraaf 3.2.5 van de regels)

  • Het wijzigen van het gebruik als niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw (paragraaf 3.2.6 van de regels)

  • Huisvesting in verband met mantelzorg (paragraaf 3.2.7 van de regels)

  • Het wijzigen van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, de druk of de vervoerde stof (paragraaf 3.2.8)

  • Wijzigen gebruik van ambachtelijke bedrijven (paragraaf 3.2.9 van de regels)

  • Beperkingen voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico (paragraaf 3.2.10 van de regels)

  • Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied vuurwerk (paragraaf 3.2.11 van de regels)

  • Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied ontplofbare stoffen (paragraaf 3.2.12 van de regels)

  • Het uitoefenen van ondergeschikte horeca-activiteiten (paragraaf 3.2.13 van de regels)

  • Beschikbaar stellen van vergader Hospitaverhuur en congresfaciliteiten aan derdeninwoning (paragraaf 3.2.14 van de regels)

 

Deze regels zijn niet op één specifiek gebruiksdoel vast te pinnen. Ze hebben betrekking op uiteenlopende gebruiksdoelen, en zijn dan ook veelal binnen heel Amsterdam van toepassing. 

Voorrangsbepalingen

Veel van de onderwerpen, geregeld in afdeling 3.2, werden ook geregeld in onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen. Die regels zijn, evenals de regels in afdeling 3.2, onderdeel van het omgevingsplan. Deze regels kunnen inhoudelijk tegenstrijd zijn. Waar dat mogelijk het geval is, wordt gewerkt met een zogenoemde voorrangsregel. Die bepaalt dan dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' de regels in de betreffende (sub)paragraaf buiten toepassing blijven voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat tijdelijk deel van toepassing. 

In bijlage I is opgenomen dat onder een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan worden verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke. 

Het werkingsgebied van dit soort bepalingen is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, zal dat werkingsgebied, dat eerst heel Amsterdam is, geleidelijk aan steeds kleiner worden.  

FFFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.3.3.15 Hospitaverhuur en inwoning (paragraaf 3.2.14 van de regels) [gereserveerd]

GGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.4.2.2.8 Toets aan ruimtelijke regels over bouwwerken, mogelijkheid om van die regels af te wijken (subparagraaf 4.2.4.2 van de regels)

Zoals hiervoor is vermeld, wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken beoordeeld aan de hand van een de beoordelingsregels, opgenomen in paragraaf 4.2.4 van het omgevingsplan. Onderdeel van die beoordeling is een toets aan de ruimtelijke regels over bouwwerken (artikel 4.16). Daar waar het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervangen, wordt getoetst aan de daarin opgenomen ruimtelijke regels. Daar waar dat bestemmingsplan al wel is vervangen, wordt getoetst aan de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in hoofdstuk 5. Ook wordt getoetst of het beoogd gebruik gelet op artikel 2.3 is toegestaan.

Deze algemene ruimtelijke regels hebben betrekking op bouwwerken, ongeacht of voor een bouwwerk de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken van toepassing is. Bij bouwwerken waarvoor de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet van toepassing is, is het de initiatiefnemer zelf die ervoor zorg moet dragen dat aan deze algemene regels wordt voldaan. Er vindt vooraf immers geen toets plaats door het bevoegd gezag. Bij bouwwerken waarvoor de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wel geldt, vindt er (net als onder de toenmalige Wabo) een (preventieve) toets aan de ruimtelijke regels over bouwwerken plaats. Dat wordt geregeld met artikel 4.16. De daarin opgenomen beoordelingsregel houdt in dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 5.62.3. Daarin is in het eerste lid bepaald dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in hoofdstuk 5 opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' in afwijking van het eerste lid geldt dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met afdeling 5.3 of met het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Daarmee bepaalt artikel 5.6 kort gezegd dat een bouwwerk moet voldoen aan algemene ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die voorheen in bestemmingsplannen werden gesteld

In artikel 2.3 is bepaald dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3. Voor de situatie dat het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervangen, of dat er een TAM-IMRO-plan geldt, is een soortgelijke bepaling opgenomen. 

In artikel 5.6 is in het eerste lid bepaald dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in hoofdstuk 5 opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' in afwijking van het eerste lid geldt dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd en in stand gehouden op een wijze die in overeenstemming is met afdeling 5.3 of met het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Daarmee bepaalt artikel 5.6 kort gezegd dat een bouwwerk moet voldoen aan algemene ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die voorheen in bestemmingsplannen werden gesteld. 

Als een initiatief in strijd is met artikel 5.6, dan moet de vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken op grond van 4.16 worden geweigerd. In die gevallen zou medewerking alleen kunnen worden verleend met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Een dergelijke afwijkvergunning is vergelijkbaar met de buitenplanse afwijkmogelijkheid die er ook onder de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was. 

De afwijkmogelijkheid op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht had betrekking op: 

  • in het bestemmingsplan of de beheersverordening aangewezen gevallen (de zogenoemde binnenplanse afwijkmogelijkheid) 

  • bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (de zogenoemde kruimelgevallen, waarop de reguliere procedure van toepassing was) 

  • overige gevallen (waarop de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing was)

 

De Omgevingswet maakt dit onderscheid niet meer, maar laat wel ruimte aan gemeenten om zelf in het omgevingsplan te voorzien in afwijkmogelijkheden. In het omgevingsplan voor Amsterdam is daarvoor gekozen. Die mogelijkheid is opgenomen in subsubparagraaf 4.2.4.2.2 van het omgevingsplan. Op de inhoudelijke keuzes die daarbij zijn gemaakt, wordt in paragraaf 11.4.2.3.2.2 van deze toelichting ingegaan. 

Voor de systematiek is van belang dat de mogelijkheid om af te wijken van de ruimtelijke regels over bouwwerken is gekoppeld aan de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Onder de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bestond er voor zowel de activiteit bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a Wabo) als voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c Wabo) een afzonderlijke vergunningplicht. In het omgevingsplan is ervoor gekozen dat niet te doen. De afweging of in afwijking van de ruimtelijke regels over bouwwerken medewerking kan worden verleend, wordt gemaakt in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. 

Om die reden zijn ook de bouwactiviteiten die op grond van artikel 4.12 van het omgevingsplan in beginsel zijn vrijgesteld van de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, maar die in strijd zijn met ruimtelijke regels over bouwwerken, alsnog vergunningplichtig gemaakt (artikel 4.14). Op grond van de beoordelingsregel, zoals opgenomen in artikel 4.16, zou de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken juist vanwege die strijd met ruimtelijke regels over bouwwerken geweigerd moeten worden. In artikel 4.19 is echter bepaald dat de omgevingsvergunning in afwijking van artikel 4.16, eerste lid, toch kan worden verleend voor de aangegeven bouwwerken. De afwijkmogelijkheid loopt dus mee binnen de aanvraag om een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Artikel 4.20 bevat de inhoudelijke beoordelingsregels aan de hand waarvan wordt bekeken of de vergunning inderdaad in afwijking van artikel 4.16, eerste lid, kan worden verleend. In paragraaf 11.4.2.3.2.2 van deze toelichting wordt meer inhoudelijk op de betreffende artikelen ingegaan. 

HHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.4.2.2.10 Samenvatting van het stelsel voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, opgenomen in het omgevingsplan 

Hoewel het bouwvergunningstelsel met de ‘knip’ tussen de bouwtechnische en ruimtelijke bouwactiviteit, en opname van een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken in het omgevingsplan, aanzienlijk is gewijzigd ten opzichte van de situatie onder oud recht, zijn veel elementen behouden. Voor een initiatiefnemer die een bouwwerk wil gaan realiseren betekent het nieuwe stelsel op hoofdlijnen dat de hierna volgende route moet worden afgelegd. De betreffende route is in bijlage 1 in een stroomschema opgenomen.  

Uitgangspunt is dat er voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken een vergunningplicht geldt. Dat is bepaald in artikel 4.7. Daarnaast moet de initiatiefnemer de regels voor de technische bouwactiviteit, zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving, volgen. Het onderstaande heeft alleen betrekking op de ruimtelijke bouwactiviteit, zoals gereguleerd door middel van het omgevingsplan: de omgevingsplanactiviteit bouwwerken.  

Op de in artikel 4.7 van het omgevingsplan opgenomen vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken gelden uitzonderingen. 

Voor wat betreft de uitzonderingen op de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken moet een initiatiefnemer eerst kijken in artikel 2.29 en 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of een voorgenomen bouwactiviteit vrijgesteld is van regels in het omgevingsplan. Is dat het geval, dan geldt dat bouwactiviteit ongeacht wat het omgevingsplan daarover bepaalt, mag worden uitgevoerd. Er gelden echter uitzonderingen: 

  • is het te realiseren bouwwerk opgenomen in artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving, dan is het bouwwerk in beginsel zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken toegestaan. 

  • is echter één van de uitzonderingen, genoemd in artikel 2.30 Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing, dan gelden alsnog de regels uit het omgevingsplan.

 

Als het te realiseren bouwwerk niet is opgenomen in artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving, of als dat wel het geval is, maar één van de uitzonderingen van artikel 2.30 Besluit bouwwerken leefomgeving is van toepassing, dan moet worden bekeken of op grond van het omgevingsplan een vergunningplicht geldt of niet. Daarvoor wordt gekeken in paragraaf 4.2.3. Artikel 4.12 geeft gevallen aan waarvoor de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geldt. 

  • Valt het te realiseren bouwwerk niet onder artikel 4.12, dan geldt de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. 

  • Valt het te realiseren bouwwerk wel onder artikel 4.12, dan geldt in beginsel dat de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet van toepassing is. Hierop gelden op grond van artikel 4.13 echter uitzonderingen. Als dat artikel van toepassing is geldt alsnog de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. 

 

Valt het te realiseren bouwwerk onder de reikwijdte van artikel 4.12, en is geen van de uitzondering van artikel 4.13 van toepassing, dan geldt er geen vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Dat betekent nog niet dat het bouwwerk zondermeer mag worden gerealiseerd. Nog altijd moet worden voldaan aan de ruimtelijke regels over bouwwerken. Dat bepaalt artikel 5.6. Om elk misverstand te voorkomen, is dit expliciet opgenomen in artikel 4.12, tweede lid. Artikel 4.14 bepaalt vervolgens dat bij strijd met de ruimtelijke regels over bouwwerken artikel 4.12 niet van toepassing is. In dat geval geldt de vergunningplicht van artikel 4.7 wel. 

Om te kijken of het bouwplan voldoet aan ruimtelijke regels over bouwwerken, kan voor gebouwen in het achtererfgebied en erfafscheidingen het beste eerst gekeken worden in afdeling 5.3. In die afdeling is in artikel 5.8 voor in beginsel heel Amsterdam bepaald binnen welke randvoorwaarden gebouwen in het achtererfgebied en erfafscheidingen zijn toegestaan. Ook hierop geldt echter weer een aantal uitzonderingen (artikel 5.10 tot en met 5.13). 

  • Valt het te realiseren bouwwerk onder artikel 4.12, en is artikel 4.13 niet van toepassing, én valt het bouwwerk onder artikel 5.8, en zijn de uitzonderingen van artikel 5.10 tot en met 5.13 niet van toepassing, dan mag het bouwwerk zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit worden gerealiseerd. 

  • Valt het te realiseren bouwwerk onder artikel 4.12, en is artikel 4.13 niet van toepassing, maar valt het bouwwerk niet onder artikel 5.8, of is één van de uitzonderingen van artikel 5.10 tot en met 5.13 van toepassing, dan mag het bouwwerk alsnog zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit worden gerealiseerd als het past binnen de overige ruimtelijke regels over bouwwerken, gesteld in afdeling 5.45.5 tot en met 5.8 of in een nog geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.

 

Valt het te realiseren bouwwerk onder artikel 4.12, en is artikel 4.13 niet van toepassing, maar is het bouwwerk in strijd de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.6, dan geldt alsnog de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Dat bepaalt artikel 4.14. Mogelijk dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ondanks strijd met de ruimtelijke regels over bouwwerken toch kan worden verleend met toepassing van een binnenplanse afwijkmogelijkheid, opgenomen in subsubparagraaf 4.2.4.2.2. Is dat niet mogelijk, dan kan medewerking alleen worden verleend met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.  

IIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.4.2.3.2.1 Toets aan ruimtelijke regels over bouwwerken (subsubparagraaf 4.2.4.2.1 van de regels)

Net als op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht het geval was bij de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, is voorzien in een preventieve toets aan de ruimtelijke regels over bouwwerken. Dat wordt geregeld met artikel 4.16. De daarin opgenomen beoordelingsregel houdt in dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 2.3 en artikel 5.6

In artikel 2.3 is bepaald dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3. Voor de situatie dat het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervangen, of dat er een TAM-IMRO-plan geldt, is een soortgelijke bepaling opgenomen. 

Net als op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht het geval was bij de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, is voorzien in een preventieve toets aan de ruimtelijke regels over bouwwerken. Dat wordt geregeld met In artikel 4.16. De daarin opgenomen beoordelingsregel houdt in dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 5.6. Daarin  is in het eerste lid bepaald dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, en in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in hoofdstuk 5 opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' in afwijking van het eerste lid geldt dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, en in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met afdeling 5.3 of met het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Daarmee bepaalt artikel 5.6 kort gezegd dat een bouwwerk moet voldoen aan algemene ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die voorheen in bestemmingsplannen werden gesteld. 

Gebruik van bouwwerken 

Zoals aangegeven in paragraaf 11.4.2.2.4 heeft de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet alleen betrekking op het bouwen van een bouwwerk, maar ook op het in het in stand houden en gebruiken van dat te bouwen bouwwerk. Met deze nieuwe omschrijving wordt expliciet gemaakt dat deze vergunningplicht niet alleen ziet op een toestemming om het bouwwerk te mogen bouwen, maar eveneens ziet op het in stand mogen houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk in overeenstemming met de opgave in de vergunningaanvraag. De regels over gebruik waaraan de vergunning wordt getoetst, zijn de regels zoals opgenomen in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3. Waar het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan of daarmee vergelijkbaar besluit nog niet is vervallen, dient te worden getoetst aan de daarin opgenomen regels over gebruik. Ook is het mogelijk dat eerder omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is verleend, die erin voorziet dat mag worden afgeweken van de regels over gebruik. Een dergelijke afwijkvergunning kan ook zijn verleend op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 

Om ervoor te zorgen dat aan die afzonderlijke kaders wordt getoetst, is in hoofdstuk 5 ook een artikel opgenomen dat gaat over het gebruik van bouwwerken. Artikel 5.14 bepaalt  dat bouwwerken uitsluitend mogen worden gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met:  

  • a.

    een ter plaatse geldend gebruiksdoel als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid;

  • b.

    de ter plaatse geldende bestemming, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid; 

  • c.

    een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om af te wijken van de regels over gebruik, bedoeld in artikel 2.3;

  • d.

    een verleende omgevingsvergunning om af te wijken, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 

Met de toets op passendheid van het beoogd gebruik wordt een voortzetting gegeven aan de praktijk waarin wordt beoordeeld of het voorgenomen gebruik van het bouwwerk voldoet aan de in het omgevingsplan gestelde regels over het gebruik van bouwwerken. De in de rechtspraak ontwikkelde lijn kan hierbij worden voortgezet dat bij de toetsing van een bouwplan aan het omgevingsplan niet alleen wordt bezien of het bouwwerk in overeenstemming met het geldende gebruiksdoel kan worden gebruikt, maar ook of het bouwwerk met het oog op het daarbinnen toegestane gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat een bouwplan in strijd met het gebruiksdoel moet worden geoordeeld als redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere vormen van gebruik dan waarin gegeven de ter plaatse geldende gebruiksdoelen is voorzien. 

JJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.4.2.3.9 Beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico (subparagraaf 4.2.4.9 van de regels)

In subparagraaf 4.2.4.9 zijn beoordelingsregels opgenomen met betrekking tot de beoordeling van beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico. Met deze subparagraaf wordt uitvoering gegeven aan enkele instructieregels uit paragraaf 5.1.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze subparagraaf ziet erop dat binnen een ‘beperkingengebied externe veiligheid’ beperkt kwetsbare gebouwen niet zonder meer gebouwd kunnen worden.

Artikel 4.67 bepaalt dat deze subparagraaf alleen van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover de aanvraag betrekking heeft op een beperkt kwetsbaar gebouw ter plaatse van de aanduiding ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’ en het beperkt kwetsbaar gebouw geen functionele binding heeft met de activiteit waarvoor de aanduiding ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’ is opgenomen.

De regeling geldt alleen ten aanzien van beperkt kwetsbare gebouwen. Het bouwen van zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen is uiteraard ook niet toegestaan. Binnen het beperkingengebied worden immers geen gebruiksdoelen toegelaten die zeer kwetsbare of kwetsbare gebouwen kunnen bevatten. Ten aanzien van kwetsbare gebouwen is hiernaast nog een expliciet verbod opgenomen in hoofdstuk 3 aangezien sommige gebruiksdoelen (met name bedrijf of kantoor) zo wel beperkt kwetsbare als kwetsbare gebouwen kunnen bevatten. Op grond van de samenhang van de artikelen op grond van de samenhang van de artikelen 4.16, 5.14 en 2.3 is het bouwen van zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen niet toegestaan.

Wat een beperkt kwetsbaar gebouw is, volgt uit de wet. Beperkt kwetsbare gebouwen zijn in bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen. Gelet op artikel 1.1, tweede lid, van dit omgevingsplan is die begripsbepaling van toepassing.  

De beschermende regeling in deze subsubparagraaf hoeft alleen te gelden daar waar het plaatsgebonden risico 1 op de 1.000.000 per jaar of hoger is. Het plaatsgebonden risico is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit (artikel 5.6Besluit kwaliteit leefomgeving ).

Er geldt een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van een aangewezen risicoactiviteit van 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen. Hiermee wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11, eerste lid Besluit kwaliteit leefomgeving ). De term ‘rekening houden’ betekent in de systematiek van het Besluit kwaliteit leefomgeving dat van de standaardwaarde gemotiveerd afgeweken kan worden. De activiteiten waarvoor een plaatsgebonden risico geldt zijn in bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen.

De gebieden waar het plaatsgebonden risico 1 op de 1.000.000 per jaar of hoger is , worden in dit omgevingsplan aangewezen met de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico’. In onderdeel a is bepaald dat deze afdeling alleen daar van toepassing is. Daarbuiten geldt deze afdeling dus niet. Deze paragraaf geldt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’. De aanduiding ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’ wordt gekoppeld aan locaties waar het plaatsgebonden risico van een aangewezen risicoactiviteit 1 op de 1.000.000 per jaar of hoger is.

Het Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht er niet toe om het plaatsgebonden risico in het omgevingsplan aan te wijzen. Omwille van de zichtbaarheid en rechtszekerheid worden de locaties waar het plaatsgebonden risico 1 op de 1.000.000 per jaar of hoger is in dit omgevingsplan als ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’ aangewezen. Dit was ook gebruikelijk is conform de praktijk in voormalige bestemmingsplannen. 

Met de standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico wordt in de eerste instantie rekening gehouden door geen bouwmogelijkheden voor beperkt kwetsbare gebouwen op te nemen binnen het beperkingengebied plaatsgebonden risico. In voorkomende gevallen is het wel mogelijk om een nieuw beperkt kwetsbaar gebouw te bouwen mits er een zorgvuldige belangenafweging plaats vindt. 

KKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.4.3.1 Vergunningplichtige sloopactiviteiten ter plaatse van beschermd stads- of dorpsgezicht 

Paragraaf 4.3.1 reguleert de omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht voor zover het bouwwerken betreft binnen een gemeentelijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezichtgezicht. Onder een omgevingsplanactiviteit slopen wordt verstaan een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk. 

Voor de activiteit slopen was op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in een aantal gevallen een omgevingsvergunning verplicht (artikel 2.1 en artikel 2.2 Wabo). 

Dit betrof: 

  • het slopen van een bouwwerk in gevallen waarin dat in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit was bepaald (artikel 2.1 lid 1 onder g Wabo); 

  • het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht (artikel 2.1 lid 1 onder h Wabo); en 

  • het slopen van een bouwwerk binnen een gemeentelijk of provinciaal aangewezen stads- of dorpsgezicht, mits deze sloopactiviteit in de verordening als vergunningplichtig was aangemerkt (artikel 2.2 lid 1 onder c Wabo). 

 

Voor gemeentelijk beschermde stads- of dorpsgezichten bevatte de Erfgoedverordening een vergunningplicht voor het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk. Deze vergunningplicht wordt met paragraaf 4.3.1 overgenomen. Daarbij wordt het toepassingsbereik uitgebreid tot ook rijksbeschermde gezichten. 

Daarnaast kunnen ook onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen die betrekking hebben op beschermde gezichten sloopvergunningsregelingen bevatten. Al deze regelingen zijn of worden op termijn vervangen met het omgevingsplan. De vergunningplicht voor het slopen van een bouwwerk in gevallen waarin dat in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is bepaald blijft vooralsnog van toepassing op grond van die afzonderlijke in het betreffende plan opgenomen regeling. De regelingen zijn immers inclusief sloopvergunningplicht opgegaan in het omgevingsplan. 

LLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.5.1 Inleiding

In hoofdstuk 5 zijn ruimtelijke regels over bouwwerken  opgenomen. Voor een groot deel gaat het ruimtelijke regels over bouwwerken zoals die onder oud recht in bestemmingsplannen werden opgenomen. Het gaat om locatiegerichte regels, die bepalen wat waar gebouwd mag worden. Deze regels bepalen waar gebouwd mag worden, hoe hoog gebouwd mag worden, etcetera. Deze regels komen met name terecht in afdeling 5.45.5 tot en met afdeling 5.8. 

Daarnaast bevat dit hoofdstuk regels over bouwwerken die in beginsel overal gelden. Het gaat om regels die onder de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren opgenomen in artikel 2, Bijlage II Bor. Voor deze bouwwerken was onder oud recht geen omgevingsvergunning nog voor de activiteit bouwen, maar ook als sprake was van strijd met het geldende bestemmingsplan was er geen omgevingsvergunning nodig om af te wijken van het bestemmingsplan. Diezelfde systematiek is ook in dit omgevingsplan gevolgd, zie meer uitgebreid paragraaf 11.4.2.2 van deze toelichting. De regels over bouwwerken die in beginsel overal zijn toegestaan zijn opgenomen in afdeling 5.3. 

Binnen de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in dit hoofdstuk, zijn bouwwerken in principe aanvaardbaar. Dat betekent echter niet dat ze zondermeer mogen worden gerealiseerd en in gebruik genomen. Voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk geldt immers een vergunningplicht. Die is geregeld in artikel 4.7.  Er is voor een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken gekozen omdat een vergunningplicht het mogelijk maakt het concrete bouwvoornemen op een aantal aspecten te toetsen die zich niet laten vangen in vooraf, op planniveau vast te stellen concrete en objectieve normen. Meer toelichting daarop is te lezen in paragraaf 11.4.2.2.4. Een van de aspecten waarop een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt beoordeeld, is passendheid binnen de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in dit hoofdstuk (artikel 4.16). 

MMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.5.5 Locatiegerichte ruimtelijke regels over bouwwerken (afdelingen 5.45.5 tot en met 5.8 van de regels)

De afdelingen 5.45.5 tot en met 5.8 bevatten locatiegerichte ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die onder oud recht in bestemmingsplannen werden opgenomen. Ze bepalen waar gebouwd mag worden, in welke omvang, welke bouwhoogte is toegestaan, en de mogelijkheid aanvullende bouwregels te stellen. 

Artikel 5.2 bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' afdeling 5.5 tot en met afdeling 5.8 niet van toepassing zijn. Daar gelden de ruimtelijke regels over bouwwerken zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.  

Er is de volgende onderverdeling gemaakt. 

Gebruik van bouwwerken (afdeling  5.4 )

Welk gebruiksdoel op een locatie geldt, en welk gebruik daar is toegestaan, wordt geregeld in de hoofdstuk 2.  De vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken heeft betrekking op het bouwen van een bouwwerken, en op het in stand houden én gebruik ervan. Om die reden is in afdeling 5.4 een bepaling opgenomen die kort gezegd regelt dat bouwwerken uitsluitend mogen worden gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met ruimtelijke regels over gebruik. 

Deze afdeling is vervallen.

Gebouwen (afdeling  5.5 )

Afdeling 5.5 bevat ruimtelijke regels over gebouwen. Wat onder een gebouw wordt verstaan is bepaald in bijlage I van de Omgevingswet. Het betreft een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 

In deze afdeling worden eerst enkele hoofdregels gesteld. Zo wordt bepaald waar gebouwen mogen komen. Het gaat daarbij om zowel bovengrondse als ondergrondse gebouwen. De afdeling bevat tevens regels die bepalen wat de maximum bouwhoogte is. 

Aanvullend kunnen regels van toepassing zijn over bijvoorbeeld de goothoogte, de minimale hoogte van de eerste bouwlaag, het bebouwd oppervlakte dat is toegestaan, etcetera.   

Bouwwerken geen gebouwen zijnde (afdeling  5.6 )

Afdeling 5.6 bevat regels over bouwwerken geen gebouw zijnde. Op grond van bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt daaronder verstaan een bouwwerk of gedeelte daarvan, voor zover dat geen gebouw of onderdeel daarvan is. 

Als uitgangspunt is bepaald dat de maximum bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouw zijnde 1 meter bedraagt. Daarop kunnen allerlei locatiespecifieke uitzonderingen van toepassing zijn.  

Bijzondere bouwwerken (afdeling  5.7 )

Afdeling 5.7 bevat regels over bijzondere bouwwerken, zoals windturbines en tribunes. Het bijzondere zit hem er bijvoorbeeld in dat ze kunnen kwalificeren als gebouw, maar dat dit niet altijd het geval is. Ze zijn daarmee moeilijk te plaatsen. Daarvoor is deze afdeling bedoelt.  

Overige regels over bouwwerken (afdeling  5.8 )

Afdeling 5.8 biedt ruimte voor allerlei overige regels over bouwwerken. Het gaat veelal om locatiegerichte regels met maatwerk die betrekking hebben op specifieke gebouwen. 

NNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.6.4 Afdeling 6.4 Beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbindingen

Deze afdeling bevat regels, gesteld met het oog op het belang van de bruikbaarheid van de bovengrondse hoogspanningsverbindingen. 

In Amsterdam liggen veel ondergrondse hoogspanningskabelverbindingen. Deze zijn raadpleegbaar op de HoogspanningsNet Netkaart: https://webkaart.hoogspanningsnet.com/index2.php#12/52.3319/5.0151.

De meeste kabelverbindingen hebben een spanning van 50 kV. In het omgevingsplan wordt hiervoor geen beschermingsregeling getroffen. Het aanleggen en beschermen van deze leidingen wordt geregeld door de  Verordening Werken in de Openbare Ruimte Amsterdam (Wior) en de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon).

De zwaardere ondergrondse kabelverbindingen met een hoogspanning van 150 kV is wel een regeling opgenomen in het omgevingsplan om het gebruik en de bescherming daarvan te borgen. Voor de ondergrondse hoogspanningsverbindingen met een hoogspanning van 150 kV geldt weliswaar geen instructieregel, maar ook bij deze ondergrondse hoogspanningsverbindingen is van belang dat de bruikbaarheid daarvan beschermd wordt, zodat het netwerk veilig en doelmatig kan functioneren.  

Daar waar in paragraaf 2.3.16 is bepaald waar deze ondergrondse hoogspanningsverbindingen zijn toegelaten, bevat deze afdeling regels ter bescherming van het belang van het doelmatig en veilig functioneren van de verbinding.

Hierbij is een vergunningplicht in het leven geroepen die van toepassing is op aanlegactiviteiten die het belang van het doelmatig en veilig functioneren van de ondergrondse hoogspanningsverbindingen van 150 kV kunnen schaden. In de artikelen die hierop volgen worden achtereenvolgens de uitzonderingen op de vergunningplicht aangegeven, de beoordelingsregels gegeven op basis waarvan de vergunning al dan niet kan worden verleend, de aanvraagvereisten gesteld en de mogelijkheid tot het verbinden van voorschriften geboden. 

OOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.8 Hoofdstuk 8 Kostenverhaal 

Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat regels over kostenverhaal bij bouwactiviteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Kostenverhaal is verplicht voor kosten die zijn gemaakt voor werken, werkzaamheden en maatregelen in verband met (bouw)activiteiten. Kostenverhaal is niet aan de orde bij gronden die de gemeente, de provincie of de Staat in eigendom heeft of in erfpacht uitgeeft. Dan kunnen de hier bedoelde kostensoorten worden verrekend via de gronduitgifte of een aanpassing van de erfpachtcanon. Voor de overige gronden (vol eigendom) bevat afdeling 13.6 van de Omgevingswet de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. In dit omgevingsplan worden deze uitgewerkt voor een aangewezen kostenverhaalsgebied.

Hoewel de regels geen instructieregels zijn, is er voor de overzichtelijkheid voor gekozen in dit hoofdstuk ook een toelichting op te nemen over de wijze waarmee in dit omgevingsplan met kostenverhaal wordt omgegaan. Voor een meer uitgebreide toelichting op de regels over kostenverhaal, wordt verwezen naar de Memorie van Toelichting bij de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet (Kamerstuk 35133, nr. 3).  

Kostenverhaalsgebied en kostenverhaalsbijdrage

Als in het omgevingsplan nieuwe bouw- of gebruiksmogelijkheden worden opgenomen wordt bepaald of gelijktijdig regels voor kostenverhaal moeten worden opgenomen. Als dit het geval is dan wordt een kostenverhaalsgebied aangewezen in het omgevingsplan. Een kostenverhaalsgebied is het gebied waarbinnen een gebiedsontwikkeling plaatsvindt, waar nieuwe activiteiten en werkzaamheden zijn voorzien waarvan de kosten worden verhaald. Er zijn twee typen gebieden: een kostenverhaalsgebied met tijdvak voor integrale gebiedsontwikkeling (art. 13.14 Omgevingswet) en een kostenverhaalsgebied zonder tijdvak voor organische gebiedsontwikkeling (art. 13.15 Omgevingswet).

Na opname van een kostenverhaalsgebied in het omgevingsplan moet voor aangewezen bouw- en gebruiksactiviteiten een kostenverhaalsbijdrage worden betaald. De bijdrage wordt bepaald op basis van de regels voor een kostenverhaalsgebied.

Aangewezen activiteit en verbod activiteit uit te voeren.

Bij het opnemen van nieuwe bouw- of gebruiksmogelijkheden in het omgevingsplan wordt gelijktijdig bepaald of een kostenverhaalsgebied moet worden aangewezen.

Het schema hieronder laat zien in welke gevallen er een plicht tot kostenverhaal is. Allereerst moet de vraag beantwoord worden of sprake is van een bouw- of gebruiksactiviteit waarvoor kostenverhaal verplicht is (art. 13.11 Omgevingswet). In artikel 8.13 Omgevingsbesluit zijn deze activiteiten limitatief aangewezen. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of transformatie van gebouwen naar een andere functie, zoals een kantoor- of een winkelfunctie. 

afbeelding binnen de regeling

In sommige gevallen zijn de te verhalen kosten gering. Deze gevallen zijn opgesomd in art. 8.14 Omgevingsbesluit. Het bestuursorgaan kan besluiten in die gevallen geen kosten te verhalen (art. 13.11 Omgevingswet). Als de activiteit niet onder deze uitzondering valt is kostenverhaal verplicht.

Aanwijzing kostenverhaalsgebieden in het omgevingsplan en privaatrechtelijke overeenkomsten

Een kostenverhaalsbijdrage kan voldaan worden via afspraken die worden vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst of op basis van de regels voor een kostenverhaalsgebied in het omgevingsplan. Het schema hieronder laat stapsgewijs zien wanneer een overeenkomst kan worden afgesloten en wanneer een kostenverhaalsgebied moet worden aangewezen in het omgevingsplan.

Als kostenverhaal verplicht is wordt bij voorkeur een privaatrechtelijke anterieure overeenkomst afgesloten met een initiatiefnemer (art. 13.13 Omgevingswet). Deze moet zijn afgesloten voordat het omgevingsplan wordt vastgesteld. Voor aanvang van een activiteit wordt vervolgens de verschuldigde kostenverhaalsbijdrage betaald op basis van de afgesloten anterieure overeenkomst.

Wanneer het niet lukt om een overeenkomst te sluiten (of niet voor alle percelen in een kostenverhaalsgebied) moet het kostenverhaal in dit omgevingsplan worden geregeld door het aanwijzen van een kostenverhaalsgebied. Dit vindt plaats tegelijk met het mogelijk maken van de aangewezen activiteit in het omgevingsplan (artikel. 13.14 en 13.15 Omgevingswet). 

Het berekenen van een kostenverhaalsbijdrage op basis van dit omgevingsplan is dus alleen mogelijk als eerst een kostenverhaalsgebied is aangewezen (art. 13.18 Omgevingswet). Hierop zijn twee uitzonderingen. Een kostenverhaalsbijdrage kan ook worden opgelegd op basis van een exploitatieplan dat op basis van de Wet ruimtelijke ordening is vastgesteld. Deze is op basis van het overgangsrecht onderdeel van het omgevingsplan. Een tweede uitzondering vormt het geval dat wordt afgeweken van het omgevingsplan. Kostenverhaal kan ook plaatsvinden via de omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijkactiviteit (art. 13.14 lid 3 Omgevingswet).

afbeelding binnen de regeling

Exploitatieplannen Wet ruimtelijke ordening 

Voor inwerkingtreding van de Omgevingswet was het verhalen van kosten geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Als de kosten niet anderszins werden verzekerd moest voor een aangewezen bouwplan een exploitatieplan worden vastgesteld gelijktijdig met het bestemmingsplan. Op basis van het overgangsrecht Invoeringswet Ow zijn deze vastgestelde exploitatieplannen onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan van rechtswege. Zij vormen een toetsingskader voor een kostenverhaalsbijdrage, totdat voor het betreffende gebied nieuwe regels voor een kostenverhaalsgebied zijn opgenomen in het omgevingsplan.

Berekening en betaling kostenverhaalsbijdrage 

In artikel 13.12 Omgevingswet is opgenomen dat het verboden is een activiteit uit te voeren totdat het kostenverhaal is voldaan. Als een anterieure overeenkomst is afgesloten wordt voor aanvang van een activiteit de verschuldigde kostenverhaalsbijdrage betaald op basis van de afgesloten anterieure overeenkomst.

Als een kostenverhaalsgebied is aangewezen in dit omgevingsplan (of een exploitatieplan Wro van toepassing is), moet een initiatiefnemer die een aangewezen activiteit verricht een beschikking kostenverhaalsbijdrage aanvragen (artikel 13.18 Ow). De kostenverhaalsbijdrage wordt berekend op basis van de regels voor het betreffende kostenverhaalsgebied die zijn opgenomen in dit omgevingsplan. Na het voldoen van de bijdrage mag met een activiteit worden gestart (art. 13.12 Omgevingswet).

Het blijft mogelijk om na het aanwijzen van een kostenverhaalsgebied een privaatrechtelijke posterieure overeenkomst te sluiten. Er is dan echter geen sprake meer van contractsvrijheid zoals bij de anterieure overeenkomst. De kostenverhaalsbijdrage in een posterieure overeenkomst moet berekend worden op basis van de regels die in het omgevingsplan zijn opgenomen. Als een posterieure overeenkomst is afgesloten is het aanvragen van een beschikking kostenverhaalsbijdrage niet meer nodig. De verschuldigde kostenverhaalsbijdrage wordt betaald op basis van de afgesloten posterieure overeenkomst.

Opzet hoofdstuk

In hoofdstuk 8 worden per betreffend gebied de regels over kostenverhaal uit de Omgevingswet uitgewerkt voor aangewezen kostenverhaalsgebieden met en zonder tijdvak. Per kostenverhaalsgebied worden regels gegeven voor het berekenen van de kostenverhaalsbijdrage. Tot slot worden per kostenverhaalsgebied regels opgenomen voor de eindafrekening. 

Afdeling 8.1 bevat aanvraagvereisten die van toepassing zijn op een aanvraag van een beschikking ten behoeve van het betalen van een kostenverhaalsbijdrage als bedoeld in art. 13.18 Omgevingswet (Ow). 

Afdeling 8.2 is gereserveerd om per kostenverhaalsgebied met tijdvak regels te geven. Dit zijn kostenverhaalsgebieden voor integrale gebiedsontwikkelingen met een tijdvak voor de verwachte uitvoering. De regeling in het omgevingsplan is gebaseerd op de eisen die worden gesteld in afdeling 13.6 van de Ow. 

Afdeling 8.3 is gereserveerd om per kostenverhaalsgebied zonder tijdvak regels te geven. Dit zijn kostenverhaalsgebieden voor mogelijke organische gebiedsontwikkelingen waarvan de verwachte uitvoering niet bekend is. De regeling in het omgevingsplan is gebaseerd op de eisen die worden gesteld in afdeling 13.6 van de Ow. 

PPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.22.2 Afdeling 22.1

Afdeling 22.1, zoals dat is gaan gelden op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, betreft een algemeen deel, dat bestond uit een voorrangsbepaling (artikel 22.1) en twee overgangsrechtelijke bepalingen met betrekking tot cultureel erfgoed (artikel 22.2 en 22.3). Deze artikelen hebben betrekking op de toepassing van regels in hoofdstuk 22. Omdat die regels niet allemaal komen te vervallen, houden de betreffende regels deels betekenis. Artikel 22.1 en artikel 22.2 worden in aangepaste vorm gehandhaafd. Artikel 22.3 komt onder vervanging van regels elders in het omgevingsplan te vervallen. 

QQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.3 Vangnetbepaling strijdig gebruik

Artikel 2.3 regelt in samenhang met de regels in afdeling 2.3  welk gebruik op welke locatie is toegestaan. Met het artikel wordt de basis gelegd voor een voortzetting van de systematiek zoals die ook onder oud recht bestond. Die hield in dat in bestemmingsplannen werd bepaald welke bestemming op een locatie gold, waarbij in de bestemmingsomschrijving werd bepaald welk gebruik daar was beoogd, en waarbij tevens specifieke gebruiksregels over dat gebruik konden worden gesteld. Daarboven hing als het ware artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dat een verbod bevatte om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met die ruimtelijke regelingen. Die 'vangnetfunctie' wordt nu overgenomen door dit artikel. 

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een onder afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel of gebruiksdoelen en de daarop betrekking hebbende regels over gebruik, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3. In afdeling 2.3 wordt geregeld waar welk gebruiksdoel geldt. Aan een locatie kunnen meerdere gebruiksdoelen kunnen zijn gegeven. Met betrekking tot het gebruiksdoel worden ook regels gesteld over het gebruik. Hetzelfde geldt voor de regels over gebruik die zijn gesteld in afdeling 3.2. Ook die regels moeten op grond van dit eerste lid in acht worden genomen. Overigens geldt dit ook voor regels elders gesteld in dit omgevingsplan, die in ruimere zin ook betrekking hebben op het gebruik van gronden en bouwwerken, zoals bijvoorbeeld de regels over milieubelastende activiteiten, zoals gesteld in hoofdstuk 9. 

Tweede lid:

Het tweede lid is van overgangsrechtelijke aard, en regelt hetzelfde als het eerste lid voor gebieden waar het onder oud recht vastgesteld ruimtelijk plan nog niet is komen te vervallen. Bepaald wordt dat het ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming, of op een wijze die in strijd is met de daarop betrekking hebbende regels over gebruik. 

In bijlage I is opgenomen dat onder een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan worden verstaan ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel is van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke. Die ruimtelijke plannen bevatten zelf per bestemming regels over gebruik. Daar waar een ruimtelijk besluit  nog van toepassing zijn, wordt de vraag welk gebruik wel of niet is toegestaan beantwoord aan de hand van de daarin opgenomen regels. Het tweede lid regelt dit. 

Het werkingsgebied van dit artikel is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. 

Derde lid:

Het derde lid bepaalt dat, in afwijking van het eerste lid, daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in dat TAM-omgevingsplan opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken. Het derde lid is alleen van toepassing op de situatie dat bij het vaststellen van het TAM-omgevingsplan tevens is besloten dat daarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen. 

In bijlage I is opgenomen dat onder een TAM-omgevingsplan wordt verstaan een wijzigingsbesluit van dit omgevingsplan, dat is gepubliceerd met toepassing van de IMRO-standaarden, bedoeld in artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. In paragraaf 6.4 wordt meer uitgebreid ingegaan op het TAM-omgevingsplan. 

Een TAM-omgevingsplan, dat in juridisch opzicht een integraal onderdeel is van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam, bevat over het algemeen zelf ruimtelijke regels over gebruik van gronden en bouwwerken. Zolang de desbetreffende regels niet met toepassing van STOP-TP technisch zijn geïntegreerd in het Omgevingsplan gemeente Amsterdam, zijn deze regels mede bepalend voor de vraag welk gebruik wel of niet is toegestaan. 

Vierde lid:

Het vierde lid bepaalt dat, in aanvulling op het tweede lid, daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, zonder dat daarbij het  ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in dat TAM-omgevingsplan opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken. 

In de meeste gevallen zal een TAM-omgevingsplan voor het besluitgebied ervan in de plaats komen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Het is echter ook mogelijk dat met een TAM-omgevingsplan alleen aanvullende regels worden gegeven. In dat geval moeten ook de regels van het onder oud recht vastgesteld ruimtelijk plan van toepassing blijven. Het vierde lid voorziet daarin. Dit vierde lid is daarom aanvullend op het tweede lid. Dat betekent dat het tweede lid van toepassing blijft. 

Vijfde lid:

In bestemmingsplannen werd veelal in de bestemmingsomschrijving aangegeven dat gronden mede waren bedoeld voor bepaalde bijbehorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen en waterpartijen, nutsvoorzieningen, en eventueel voor het gebruiksdoel benodigde ontsluitingsinfrastructuur. Hoewel dergelijke bijbehorende voorzieningen moeten vanzelfsprekend moeten worden geacht in overeenstemming te zijn met alle gebruiksdoelen, is in het derde lid expliciet bepaald dat dit een gebruik betreft dat in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel. Een soortgelijke bepaling met betrekking tot een nog geldende bestemming is niet nodig, omdat dit in bestemmingsplannen geregeld is in de bestemmingsomschrijvingen. 

Zesde lid:

Het zesde lid bepaalt dat in bepaalde gevallen het eerste, tweede en derde lid niet van toepassing zijn.  

Onderdeel a: 

Artikel 4.19 bevat mogelijkheden om in bepaalde gevallen bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van regels over bouwwerken. In een aantal gevallen gaat het om afwijkingen die ertoe leiden dat niet alleen het bouwvlak wordt overschreden, maar ook de begrenzing van een gebruiksdoel. Hoewel een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ook betrekking heeft op het beoogde gebruik, kan de indruk ontstaan dat het bouwwerk dat dan wordt toegestaan weliswaar is vergund, maar dat het gebruik ervan in strijd is met artikel 2.3, eerste, tweede en derde lid. Dat is uiteraard niet beoogd. Onderdeel a maakt dit duidelijk.  

Onderdeel b:

Artikel 5.8 bepaalt dat bijbehorende bouwwerken binnen de daar aangegeven beperkingen, zijn toegestaan. Daarop kunnen bepaalde uitzonderingen van toepassing zijn (artikel 5.10 tot en met 5.13). Zijn die uitzonderingen niet van toepassing, dan mag het bijbehorend bouwwerk er komen. Deze regeling, opgenomen in afdeling 5.3, is overgekomen vanuit bijlage II van het toenmalige Bor. 

Onder bijbehorend bouwwerk wordt op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving verstaan een uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. Artikel 5.8 kan betrekking hebben op de uitbreiding van een woongebouw. Het gebruik van het bijbehorend bouwwerk is dan wonen. 

Het is mogelijk dat een bijbehorend bouwwerk wordt gerealiseerd in een gebied waar het nog geldende bestemmingsplan niet is vervangen. En dat op de plek waar het bijbehorend bouwwerk komt, een bestemming Tuin geldt. Het gebruik van een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van wonen is dan mogelijk in strijd met de geldende bestemming. Onder oud recht was dat geen probleem, want het toenmalig Bor ging voor het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan leverde dus geen probleem op. Nu is dat anders, omdat er geen hiërarchie zit tussen afdeling 5.3 en artikel 2.3. Dat maakt dat in bepaalde gevallen het bouwwerk op grond van afdeling 5.3 is toegestaan, maar dat er sprake is van strijdig gebruik. Dat gevolg is niet beoogd. 

onderdeel b regelt daarom dat het eerste, tweede en derde lid niet van toepassing zijn op een bijbehorend bouwwerk dat op grond van afdeling 5.3 is toegestaan.

RRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.89 Beperkende regel over waar datacenters zijn toegestaan

Artikel 2.89 bevat een beperkende regel over waar datacenters zijn toegestaan. Datacentra vragen veel ruimte en energie. Gelet hierop bevat paragraaf 5.1.7.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving een verbod voor gemeenten om hyperscale datacentra (datacentra met een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer) toe te laten. Ook de provincie Noord-Holland stelt voorwaarden aan het toelaten van datacenters in de Omgevingsverordening NH2022 in de vorm van instructieregels aan de gemeenten (zie artikelen 6.32a tot en met 6.32d). In aanvulling hierop voert de gemeente ook een restrictief vestigingsbeleid, zoals opgenomen in het vestigingsbeleid Datacenters gemeente Amsterdam 2020-2030 (vastgesteld door de gemeenteraad op 17 december 2020). Het beleid van de gemeente wordt naar verwachting in de loop van 2024 wordt herzien. 

 

Eerste lid: 

Gelet op de provinciale instructieregels en het gemeentelijk beleid mogen datacenters niet overal waar bedrijven zijn toegestaan zich vestigen, maar alleen op nader aangewezen locaties die voldoen aan de criteria van het beleid.

 

Tweede lid:

Om te voorkomen dat toegestane bestaande datacenters in capaciteit uitbreiden kan het aansluitvermogen met dit lid worden beperkt. Het aansluitvermogen wordt uitgedrukt in megavoltampère, een eenheid die wordt gebruikt om het schijnbaar vermogen van een elektrisch wisselspanningcircuit aan te duiden. De waarden zijn weergegeven op de bij deze regel behorende digitale kaart. 

Ook is het mogelijk om de omvang van een datacenter te beperken. Met artikel 2.82, eerste lid, kan worden voorzien in een beperking van de maximum bruto-vloeroppervlakte van een bedrijf. 

 

Derde lid: 

De provinciale instructieregels en het gemeentelijke beleid stellen voorwaarden aan de vestiging van datacenters. Bij het toelaten van datacenters (door middel van wijziging van het omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) wordt eraan getoetst. Om de naleving van die voorwaarden tijdens de gebruiksfase van het datacenter te kunnen borgen is in het derde lid het bevoegdheid opgenomen om eisen te stellen aan de daar genoemde onderwerpen. Deze onderwerpen zijn afgeleid van de provinciale en gemeentelijke voorwaarden. Deze zijn in de omgevingsverordening en het gemeentelijke beleid nader toegelicht.

SSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.188 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water', toegestaan gebruik 

Artikel 2.188 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water', en over het daar toegestaan gebruik.

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' bedoeld zijn voor waterberging, waterhuishouding en watervoorzieningen, waaronder in ieder geval worden begrepen sloten, vijvers, vaarten, kanalen, grachten, plassen, waterwegen en overige waterpartijen. Met dit gebruiksdoel wordt een vervolg gegeven aan een werkwijze die ook in bestemmingsplannen onder de voorheen geldende Wet ruimtelijke ordening werd gehanteerd met waterbestemmingen.  

Tweede lid:

In waterbestemmingen werd voorheen veelal ruimte gelaten voor allerlei voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Dit wordt in het tweede lid gecontinueerd. Het tweede lid bepaalt dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' in elk geval bedoeld zijn voor het realiseren, in stand houden en gebruiken van de daar aangegeven voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Het gaat om voorzieningen, bouwwerken en andere werken die over het algemeen passend zijn binnen groenvoorzieningen zoals bruggen, beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken, maar ook groenvoorzieningen van ondergeschikte omvang, nutsvoorzieningen, ondergrondse infrastructurele voorzieningen en waterstaatkundige werken. Daarbij wordt in de aanhef van het tweede lid wel het voorbehoud gemaakt dat elders in dit omgevingsplan een bepaling is opgenomen op grond waarvan in specifieke gevallen een bepaalde voorziening, een bepaald bouwwerk of ander werk, niet is toegestaan. Daarmee wordt ruimte gelaten voor locatiespecifieke maatwerkregels.    

Derde lid:

Het derde lid maakt expliciet dat het tweede lid niet betekent dat die het realiseren, in stand houden en gebruiken van daarin genoemde voorzieningen, bouwwerken, en andere werken, zondermeer zijn toegestaantoestaat. Er kunnen aanvullende regels van toepassing kunnen zijn, bij voorbeeld in de vorm van een vergunningplicht. Gedacht kan worden aan de regels voor het oprichten, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zoals die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van dit omgevingsplan, en die onverkort van toepassing zijn op het realiseren van de in het tweede lid genoemde bouwwerken. Voor zover het oprichten, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk niet vergunningvrij is, dan moet de bouwaanvraag ook worden getoetst op de vraag of het beoogde gebruik in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 2.3. Dat volgt uit artikel 4.16 in samenhang gelezen met artikel 5.14. Oftewel, een bouwaanvraag voor een vergunningplichtig bouwwerk wordt getoetst aan het gebruiksdoel zoals vastgelegd in dit artikel 2.188. In wezen is dit niet anders dan onder oud recht, waarbij de bouwvergunning wanneer die op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nodig was, werd geweigerd wanneer die in strijd was met de geldende bestemming.

Vierde lid:

Het vierde lid tot slot bepaalt dat gronden en bouwwerken ter plaatse van de functie 'water' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.  

TTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.195 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer', toegestaan gebruik 

Artikel 2.195 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer', en over het daar toegestaan gebruik.

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' bedoeld zijn voor het realiseren, in stand houden en gebruiken van wegen, OV-stations, spoorwegen, metrolijnen, trambanen, woonerven, publiek toegankelijke parkeergarages en publiek toegankelijke parkeerterreinen, overige parkeergelegenheid in de openbare ruimte, voet- en fietspaden, publiek toegankelijke fietsparkeergarages en publiek toegankelijke fietsparkeerterreinen, en pleinen.

Met dit gebruiksdoel wordt een vervolg gegeven aan een werkwijze die ook in bestemmingsplannen onder de voorheen geldende Wet ruimtelijke ordening werd gehanteerd met bestemmingen Verkeer. In bestemmingsplannen werd daarbij vaak onderscheid gemaakt tussen verschillende verkeersbestemmingen, waarbij de ene bijvoorbeeld wel wegen of spoorwegen toestond, en de andere niet. Dit onderscheid is in dit omgevingsplan niet gemaakt. In subparagraaf 2.3.14.2 zijn regels opgenomen die specifiek bepalen waar bepaalde specifieke vormen van verkeer, zoals wegen en spoorwegen, wel en niet zijn toegestaan.  

Tweede lid:

In verkeersbestemmingen werd voorheen veelal ruimte gelaten voor allerlei voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Dit wordt in het tweede lid gecontinueerd. Het tweede lid bepaalt dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' in elk gevalmede bedoeld zijn voor het realiseren, in stand houden en gebruiken van de daar aangegeven voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Het gaat om bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen, taluds en zijkanten, waterstaatkundige en civieltechnische (kunst)werken, alsmede de aan de wegen liggende parkeerplaatsen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen, beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare ondergeschikte werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken, groenvoorzieningen en watervoorzieningen van ondergeschikte omvang en nutsvoorzieningen.

Daarbij wordt in de aanhef van het tweede lid wel het voorbehoud gemaakt dat elders in dit omgevingsplan een bepaling is opgenomen op grond waarvan in specifieke gevallen een bepaalde voorziening, een bepaald bouwwerk of ander werk, niet is toegestaan. Daarmee wordt ruimte gelaten voor locatiespecifieke maatwerkregels.   

Derde lid:

Het derde lid maakt expliciet dat het tweede lid niet betekent dat die het realiseren, in stand houden en gebruiken van daarin genoemde voorzieningen, bouwwerken, en andere werken, zondermeer zijn toegestaantoestaat. Er kunnen aanvullende regels van toepassing kunnen zijn, bij voorbeeld in de vorm van een vergunningplicht. Gedacht kan worden aan de regels voor het oprichten, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zoals die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van dit omgevingsplan, en die onverkort van toepassing zijn op het realiseren van de in het tweede lid genoemde bouwwerken. Voor zover het oprichten, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk niet vergunningvrij is, dan moet de bouwaanvraag ook worden getoetst op de vraag of het beoogde gebruik in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 2.3. Dat volgt uit artikel 4.16 in samenhang gelezen met artikel 5.14. Oftewel, een bouwaanvraag voor een vergunningplichtig bouwwerk wordt getoetst aan het gebruiksdoel zoals vastgelegd in dit artikel 2.208. In wezen is dit niet anders dan onder oud recht, waarbij de bouwvergunning wanneer die op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nodig was, werd geweigerd wanneer die in strijd was met de geldende bestemming.

Vierde lid:

Het vierde lid tot slot bepaalt dat gronden en bouwwerken ter plaatse van de functie 'water' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.  

UUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.208 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen', toegestaan gebruik 

Artikel 2.208 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen', en over het daar toegestaan gebruik.

Eerste lid:  

In het eerste lid wordt bepaald dat locaties ter plaatse van de functie 'groen' bedoeld zijn voor groenvoorzieningen in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, met de daarbij behorende waterpartijen. 

Met dit gebruiksdoel wordt een vervolg gegeven aan een werkwijze die ook in bestemmingsplannen onder de voorheen geldende Wet ruimtelijke ordening werd gehanteerd met groenbestemmingen. Voor de gronden met een bestemming 'Groen' werd veelal in de bestemmingsomschrijving opgenomen dat die waren bedoeld voor groenvoorzieningen. Groenvoorzieningen werden dan in veel gevallen omschreven als groenvoorzieningen in de open lucht, waaronder in ieder geval werden begrepen (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, met de daarbij behorende waterpartijen. Deze omschrijving is als gebruiksdoel voor de gronden met de functie 'groen' overgenomen. 

Tweede lid:

In groenbestemmingen werd voorheen veelal ruimte gelaten voor allerlei voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Dit wordt in het tweede lid gecontinueerd. Het tweede lid bepaalt dat de gronden ter plaatse van de functie ‘groen’ mede bedoeld zijn voor het realiseren , in stand houden en gebruiken  van de daar aangegeven voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Het gaat om voorzieningen, bouwwerken en andere werken die over het algemeen passend zijn binnen groenvoorzieningen zoals (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, die het gebruik daarvan ondersteunen, of die over het algemeen geen afbreuk aan die groenvoorzieningen en het gebruik ervan. 

Daarbij wordt in de aanhef van het tweede lid wel het voorbehoud gemaakt dat elders in dit omgevingsplan een bepaling is opgenomen op grond waarvan in specifieke gevallen een bepaalde voorziening, een bepaald bouwwerk of ander werk, niet is toegestaan. Daarmee wordt ruimte gelaten voor locatiespecifieke maatwerkregels. Denkbaar is bijvoorbeeld dat in bepaalde parken het uitbreiden van verhardingen niet gewenst is. In dergelijke gevallen kan een beperkende maatwerkregel worden opgenomen die aan die gebieden wordt verbonden. Bij voorkeur worden dergelijke beperkingen, voor zover die specifiek betrekking hebben op gronden met de functie 'groen' en op de daarop betrekking hebbende regels, in dit regelonderdeel opgenomen.  

Derde lid:

Het derde lid maakt expliciet dat het tweede lid niet betekent dat die het realiseren, in stand houden en gebruiken van daarin genoemde voorzieningen, bouwwerken, en andere werken, zondermeer zijn toegestaantoestaat. Er kunnen aanvullende regels van toepassing kunnen zijn, bij voorbeeld in de vorm van een vergunningplicht. Gedacht kan worden aan de regels voor het oprichten, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zoals die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van dit omgevingsplan, en die onverkort van toepassing zijn op het realiseren van de in het tweede lid genoemde bouwwerken. Voor zover het oprichten, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk niet vergunningvrij is, dan moet de bouwaanvraag ook worden getoetst op de vraag of het beoogde gebruik in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 2.3. Dat volgt uit artikel 4.16 in samenhang gelezen met artikel 5.14. Oftewel, een bouwaanvraag voor een vergunningplichtig bouwwerk wordt getoetst aan het gebruiksdoel zoals vastgelegd in dit artikel 2.208. In wezen is dit niet anders dan onder oud recht, waarbij de bouwvergunning wanneer die op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nodig was, werd geweigerd wanneer die in strijd was met de geldende bestemming.

Vierde lid:

Het vierde lid tot slot bepaalt dat gronden en bouwwerken ter plaatse van de functie 'groen' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is.  

VVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.10 Toepassingsbereik

Met dit artikel wordt het toepassingsbereik van paragraaf 4.2.3 bepaalt. Het eerste lid bepaalt dat in deze paragraaf bouwwerken worden aangewezen waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, niet van toepassing is. Dat die vergunningplicht voor de elders in deze paragraaf aan te wijzen bouwwerken niet geldt, betekent echter niet dat die bouwwerken zijn toegestaan. Of een bouwwerk is toegestaan, en binnen welke ruimtelijke voorwaarden, wordt bepaald in artikel 5.6. Het tweede lid maakt duidelijk dat op bouwwerken waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, niet van toepassing is, artikel 5.6 onverkort van toepassing is. Het tweede lid heeft heeft vooral een signaalfunctie. Een regel van gelijke strekking is ten overvloede ook opgenomen in artikel 4.12, tweede lid. Ook blijft artikel 2.3, dat het gebruik van bouwwerken regelt, onverkort van toepassing. 

WWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.12 Uitzondering op de vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken, ruimtelijke regels over bouwwerken onverkort van toepassing 

Dit artikel 4.12 komt grotendeels in de plaats van artikel 22.27 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De inhoud daarvan is ongewijzigd. Wel zijn er aanvullingen op gedaan.   

Eerste lid: 

In het eerste lid zijn bouwwerken aangewezen waarvoor de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, niet van toepassing is. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen en een aanvulling van erf- en perceelafscheiding (hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter), voortgezet.

Onderdeel h zondert van de binnenplanse vergunningplicht uit buisleidingen anders dan buisleidingen waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is. Hierdoor ontstaat een vergelijkbare samenhang tussen dit artikelonderdeel van de bruidsschat en het genoemde artikelonderdeel uit het Besluit bouwwerken leefomgeving als de samenhang tussen de onderdelen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. 

In onderdeel i zijn ten opzichte van artikel 3, bijlage II van het voormalige Besluit omgevingsrecht enkele voorwaarden geschrapt (geen verandering van de draagconstructie of (sub)brandcompartimentering), aangezien die om bouwtechnische redenen gesteld werden en geen invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit van het bouwen zoals die door een omgevingsplan wordt gereguleerd. 

In onderdeel i is ten opzichte van artikel 22.27, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan, als vereiste toegevoegd dat de bouwhoogte niet mag toenemen. 

Onderdeel j is ten opzichte van artikel 22.27, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan, toegevoegd. Het bepaalt dat ook tuinhuizen, kassen en bergingen op volkstuinparken voor wat betreft de omgevingsplanactiviteit bouwwerken vergunningvrij zijn. Uiteraard mits voldaan wordt aan de ruimtelijke regels over bouwwerken, gesteld in hoofdstuk 5 (zie het tweede lid).

Onderdeel k is ten opzichte van artikel 22.27, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan, toegevoegd. Het bepaalt dat gewoon onderhoud in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument, voor wat betreft de omgevingsplanactiviteit bouwwerken vergunningvrij is, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet worden gewijzigd. Gewoon onderhoud aan monumenten wordt hiermee voor wat betreft de omgevingsplanactiviteit bouwwerken gelijkgesteld aan gewoon onderhoud aan bouwwerken die geen monument zijn. Artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zondert gewoon onderhoud, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet worden gewijzigd, uit van regels over bouwwerken in het omgevingsplan. Artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving bevat daarop weer een uitzondering voor monumenten. Dat maakt gewoon onderhoud aan monumenten een vergunningplichtige omgevingsplanactiviteit bouwwerken, tenzij het omgevingsplan die vergunningplicht laat vervallen. Het eerste lid voorziet hierin. Die uitzondering bestond onder oud recht niet, en is ook ongewenst. Bescherming van de monumentale waarde van waarde gaat niet over de band van de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, maar via een vergunningplicht voor activiteiten in, aan, op of bij monumenten. Voor wat betreft gemeentelijke en provinciale monumenten zijn daartoe regels opgenomen in hoofdstuk 10. Voor Rijksmonumenten is dat geregeld in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving.  

Tweede lid: 

Dat de vergunningplicht uit artikel 4.7 niet van toepassing is, betekent niet dat de betreffende bouwwerken zondermeer zijn toegestaan. Ook zonder vergunningplicht zal voldaan moeten worden aan de algemene regels over bouwwerken, zoals elders gesteld in dit omgevingsplan. De overige ruimtelijke regels over bouwwerken blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Het tweede lid maakt dit met een verwijziging naar artikel 5.6 duidelijk. Concreet betekent dit dat het bouwwerk ook passend moet zijn binnen de regels, gesteld in afdeling 5.5 tot en met afdeling 5.8 of, voor zover de ruimtelijke regels tijdelijk deel omgevingsplan nog niet zijn komen te vervallen, binnen de daarin gestelde regels. Als aan de ruimtelijke regels over bouwwerken niet wordt voldaan, verbindt artikel 4.14 daaraan de consequentie dat alsnog de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken geldt. 

Onderdeel van de regels in het tijdelijk deel kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.

XXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.13 Vanwege cultureel erfgoed geldende beperking op artikel 4.12, vergunningplicht artikel 4.7 van toepassing 

Dit artikel 4.13 komt in de plaats van artikel 22.28 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. 

Het artikel is inhoudelijk ongewijzigd overgenomen, zij het dat het toepassingsbereik van het derde lid is verruimd naar ook gemeentelijk beschermde stads- en dorpsgezichten. 

Dit artikel bevat uitzonderingen en aanvullende randvoorwaarden voor de in  artikel 4.12 aangewezen gevallen. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.   

Eerste en tweede lid:

Het eerste bevat een beperking voor de in  artikel 4.12, eerste lid, genoemde bouwwerken voor zover de activiteit in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Van die beperking is uitgezonderd gewoon onderhoud aan monumenten, zoals bedoeld in artikel 4.12, eerste lid, onder ki, voor zover het betreft inpandige aanpassingen. Voor inpandige aanpassingen aan monumenten die vanwege het monumentale belang een beoordeling op aanvaardbaarheid behoeven, gelden afzonderlijke vergunningplichten, waarbij die beoordeling centraal staat. Een daarop aanvullende vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voegt daaraan niets toe.  

Het tweede lid bevat een beperking voor de in  artikel 4.12 genoemde bouwwerken voor zover de activiteit bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. 

Voor de regulering van (bouw)activiteiten in de omgeving van – bij – (voor)beschermde monumenten is in ieder geval relevant de instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 1°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, dat de aantasting van de omgeving van deze monumenten moet worden voorkomen voor zover deze daardoor zouden worden ontsierd of beschadigd. Voor omgevingsplanactiviteiten in, aan, op of bij (voor)beschermde monumenten of archeologische monumenten zal het daarbij vooral draaien om de vraag of de activiteit van invloed kan zijn op de monumentale waarden. Het gevolg van de beperking is dat de betreffende activiteit niet vergunningvrij is. In het kader van de vergunningaanvraag kan de beoordeling plaatsvinden. 

Derde lid: 

In het derde lid is om dezelfde redenen een beperking op  artikel 4.12 opgenomen voor omgevingsplanactiviteiten bouwwerken die worden verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functieaanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht of gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Alleen de onder a tot en met d aangegeven gevallen zijn daar vergunningvrij. De mogelijkheden om binnen een rijks- of gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht meer omgevingsplanactiviteiten vergunningvrij te maken, worden enerzijds specifiek begrensd door het niveau van bescherming dat ten tijde van de aanwijzing als beschermd gezicht op grond van de Monumentenwet 1988 of de instructie op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet voldoende beschermend werd geacht. Anderzijds vormt de generieke instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 2°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in algemene zin een ondergrens.  

Deze instructieregel bepaalt dat aantasting van het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten (ongeacht op welk overheidsniveau deze zijn beschermd) moet worden voorkomen. Hoewel in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is opgemerkt dat het tweede lid, onder d, onder 2°, zich in eerste instantie richt op stads- en dorpsgezichten (en cultuurlandschappen) die op initiatief van de gemeente zelf worden beschermd, is de bepaling uitdrukkelijk ook van toepassing op rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Dit is ook nodig, omdat veel aanwijzingen als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht inmiddels zo’n vijftig jaar oud zijn en de meeste nog op het oude stelsel zijn geënt, waarin van rechtswege een bouwvergunningplicht gold. Daardoor zijn die als instructie aangemerkte oude aanwijzingen in de praktijk niet altijd leesbaar als een actuele en gedetailleerde instructie als bedoeld in artikel 2.34 van de Omgevingswet. De instructieregel in artikel 5.130, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht de gemeente in zo’n geval de karakteristieken van het beschermde gezicht aanvullend te analyseren en te betrekken bij de vraag of er ruimte is voor aanvullende vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten.   

In het licht van het voorgaande wordt ook nog gewezen op het – ook rechtstreeks de gemeenten bindende – verdrag van Granada.  Op basis van artikel 4 van dat verdrag moet het beschermingsregime zo ingericht worden dat het bevoegd gezag ter voorkoming van ontsiering, vernieling of afbraak van beschermd cultureel erfgoed in een passende controle en goedkeuringsprocedure in kennis wordt gesteld van alle plannen tot het slopen of wijzigen (“afbraak of verandering”) van een (voor)beschermd monument of aantasting van de omgeving van zo’n monument, of waardoor een beschermd gezicht of cultuurlandschap geheel dan wel gedeeltelijk wordt aangetast als gevolg van de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen, of belangrijke veranderingen waardoor het karakter van het gezicht of cultuurlandschap zou worden aangetast. Artikel 14, eerste lid, van dit verdrag vraagt verder in de verschillende stadia van besluitvorming te zorgen voor passende structuren voor informatie, overleg en samenwerking tussen de centrale overheid, de regionale en lokale overheden, culturele instellingen en verenigingen en het publiek (participatie). 

In de meeste gevallen zal een preventieve toets aan het omgevingsplan in de vorm van een vergunningplicht met het oog op bovenstaande overwegingen wenselijk blijven. De hoeveelheid activiteiten in, aan, op en bij beschermde monumenten en archeologische monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten die in een gebied vergunningvrij zullen kunnen worden na aanpassing van het omgevingsplan zal naar verwachting dus ook niet veel afwijken van de mogelijkheden die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet landelijk in het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen.  

Vierde en vijfde lid: 

Het vierde en vijfde lid moeten worden gelezen in samenhang met elkaar.

Het vierde lid is een voortzetting van artikel 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarbij op basis van de jurisprudentie één wijziging is aangebracht. Het vierde lid verklaart als hoofdregel de op grond van  artikel 4.12, aanhef en onder a en b, bestaande mogelijkheden om een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen zonder de vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit buiten toepassing, als er op de locatie van het bouwwerk op grond regels in het tijdelijk deel omgevingsplan regels gelden over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. 

In het vijfde lid is hierop weer een uitzondering gemaakt. In navolging van artikel 22.28, vierde lid, onder b, zoals dat bij wijze van bruidsschat onderdeel was geworden van dit omgevingsplan, is op basis van de jurisprudentie aan de regeling in dit omgevingsplan een vijfde lid opgenomen. Dit lid leidt ertoe dat de vergunningvrije bouwmogelijkheden voor een bijbehorend bouwwerk en een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf op grond van  artikel 4.12, aanhef en onder a en b, van dit omgevingsplan in een groter aantal gevallen van toepassing blijven, ook al gelden er op de locatie van het bouwwerk op grond regels in het tijdelijk deel omgevingsplan regels over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Het vijfde lid regelt namelijk dat die vergunningvrije bouwmogelijkheden in dat geval ook van toepassing blijven als dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een verbod bevat om zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit en daarop regels over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. 

Op het moment dat sprake is van een dergelijk verbod (een aanlegvergunningplicht) met daarop betrekking hebbende regels over het verrichten van archeologisch onderzoek, is er geen reden om de desbetreffende vergunningvrije gevallen uit  artikel 4.12 te beperken. In dat geval is de bescherming van de archeologische waarden op de locatie voldoende verzekerd door middel van die aanlegvergunningplicht. 

Dit vijfde lid is een uitvloeisel van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met nummer ECLI:NL:RVS:2014:2066. Bij deze uitspraak heeft de Afdeling kort samengevat geoordeeld dat het bestaan van een vergunningplicht voor een bouwactiviteit een eventuele vergunningplicht voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit onverlet laat. Om die reden is het niet langer meer nodig om de bescherming van archeologische waarden die gevolgen kunnen ondervinden van grondwerkzaamheden in het kader van een bouwactiviteit, te laten plaatsvinden via regels die betrekking hebben op die bouwactiviteit. Het zijn twee zelfstandige kaders. In de voormalige planologische regelingen die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is dit uiteraard nog niet tot uitdrukking gebracht. Om die reden gebeurt dit nu in het vijfde lid. 

Het vierde en vijfde lid hebben uitsluitend betrekking op locaties ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. Daar waar het voorheen geldende ruimtelijk plan is vervangen door nieuwe regels is, wanneer daartoe vanwege mogelijk te verwachten archeologische waarden aanleiding toe bestaat, op grond van afdeling 6.2 een aanlegvergunningplicht opgenomen. Die vergunningplicht ziet op het borgen van de bescherming van archeologische waarden. Een beperking van artikel 4.12 is in dat geval niet nodig. 

In artikel 22.28, vierde lid, onder a, zoals dat bij wijze van bruidsschat onderdeel was geworden van dit omgevingsplan, was ook de al onder het Besluit omgevingsrecht bestaande uitzondering op de in het vierde lid opgenomen hoofdregel opgenomen dat deze niet geldt als de oppervlakte van het bouwwerk minder dan 50 m2 bedraagt. Deze uitzondering is niet overgenomen. De reden is dat er binnen Amsterdam gebieden zijn waar de verwachting op mogelijk aanwezige archeologische waarden zo groot is dat ook bij grondwerkzaamheden met een oppervlak kleiner dan 50 m2 een aanleiding bestaat tot het doen van archeologisch onderzoek. 

YYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.16 Beoordelingsregel met betrekking tot ruimtelijke regels over bouwwerken

Artikel 4.16 komt in de plaats van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De redactie is enigszins aangepast. Artikel 4.16 is een voortzetting van artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op grond van artikel 4.16 wordt de vergunning geweigerd als het bouwplan in strijd is met de regels die in dit hoofdstukomgevingsplan zijn gesteld over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. Het artikel regelt de beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor wat betreft de toets aan ruimtelijke regels over bouwwerken.  

Eerste lid:  

Het eerste lid bepaalt dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels over bouwwerken en het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zoals gesteld in artikel 2.3 en artikel 5.6

In artikel 2.3 is bepaald dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3. Voor de situatie dat het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervangen, of dat er een TAM-IMRO-plan geldt, is een soortgelijke bepaling opgenomen. 

Het eerste lid bepaalt dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de activiteit in strijd is met de regels over bouwwerken en het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zoals gesteld in In artikel 5.6. Daarin  is in het eerste lid bepaald dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in hoofdstuk 5 opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' in afwijking van het eerste lid geldt dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, en in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met afdeling 5.3 of met het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Daarmee bepaalt artikel 5.6 kort gezegd dat een bouwwerk moet voldoen aan algemene ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die voorheen in bestemmingsplannen werden gesteld. 

Onderdeel van de ruimtelijke regels over bouwwerken is artikel 5.14 dat bepaalt dat het gebruik van een bouwwerk in overeenstemming dient te zijn met het ter plaatse geldend gebruiksdoel, de ter plaatse nog geldende bestemming, een verleende buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit om af te wijken van het gebruiksdoel of de nog geldende bestemming, of een onder oud recht verleende afwijkvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c toenmalige Wabo. Doordat ook op toelaatbaar gebruik getoetst wordt, wordt invulling gegeven aan het feit dat de in artikel 4.7 bedoelde vergunningplicht betrekking heeft op een activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk, maar ook op het in het in stand houden en gebruiken van dat te bouwen bouwwerk. Hiermee wordt aangesloten op de rechtspraktijk van voor de Omgevingswet dat een toets van een bouwaanvraag niet alleen betrekking heeft op regels over het bouwen van bouwwerken, maar ook of het voorgenomen gebruik van het bouwwerk niet in strijd is met de hiervoor in het omgevingsplan gestelde regels. Als aannemelijk is dat een bouwactiviteit ten dienste staat van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik, was dit immers in de rechtspraktijk een reden om de vergunning voor een bouwactiviteit mede aan te merken als aanvraag voor een afwijking van het bestemmingsplan (op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) en te weigeren als de vergunning niet met toepassing van artikel 2.12 van genoemde wet kan worden verleend. Als de opgave in de vergunningaanvraag over het voorgenomen gebruik geen aanleiding is geweest om de vergunning te weigeren, mag het bouwwerk in overeenstemming met die opgave worden gebruikt. Artikel 5.14 brengt mee dat de bouwvergunning uitsluitend kan worden verleend voor een gebruik dat dat niet in strijd is met het bepaalde in artikel 2.3 van dit omgevingsplan. Zoals ook aangegeven bij de toelichting op artikel 4.7 is van belang dat de vergunningplicht ziet op de combinatie van het bouwen, in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Er ontstaat met de nieuwe omschrijving dus geen zelfstandige vergunningplicht voor latere gebruiksveranderingen in het betrokken bouwwerk. Zolang voor een later tot stand te brengen ander gebruik op grond van hoofdstuk 3 van het omgevingsplan geen afzonderlijke vergunningplicht in het leven is geroepen en het nieuwe gebruik in overeenstemming is met de regels voor het gebruik van bouwwerken uit het omgevingsplan, is er een binnenplanse noch buitenplanse vergunning voor die gebruikswijziging nodig. Dit betekent tevens dat wanneer er sprake is van een gebruik van een bouwwerk dat niet in overeenstemming is artikel 2.3, dat artikel het artikel is waarop gehandhaafd wordt. In de beoordelingsregels die verder in deze paragraaf zijn opgenomen, kan wel een verwijzing staan naar elders in dit omgevingsplan gestelde regels. Daarmee wordt die elders gestelde regels van toepassing op de beoordeling. Verder is de verwijzing bij wijze van uitzondering naar regels over het gebruik van bouwwerken komen te vervallen. Die regels zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van dit omgevingsplan, waarmee de uitzondering overbodig is geworden. 

Middels de verwijziging naar artikel 2.3 wordt de vergunningaanvraag voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ook op toelaatbaar gebruik getoetst. Hiermee wordt invulling gegeven aan het feit dat de in artikel 4.7 bedoelde vergunningplicht betrekking heeft op een activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk, maar ook op het in het in stand houden en gebruiken van dat te bouwen bouwwerk. Hiermee wordt aangesloten op de rechtspraktijk van voor de Omgevingswet dat een toets van een bouwaanvraag niet alleen betrekking heeft op regels over het bouwen van bouwwerken, maar ook of het voorgenomen gebruik van het bouwwerk niet in strijd is met de hiervoor in het omgevingsplan gestelde regels. Als aannemelijk is dat een bouwactiviteit ten dienste staat van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik, was dit immers in de rechtspraktijk een reden om de vergunning voor een bouwactiviteit mede aan te merken als aanvraag voor een afwijking van het bestemmingsplan (op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) en te weigeren als de vergunning niet met toepassing van artikel 2.12 van genoemde wet kan worden verleend. Als de opgave in de vergunningaanvraag over het voorgenomen gebruik geen aanleiding is geweest om de vergunning te weigeren, mag het bouwwerk in overeenstemming met die opgave worden gebruikt. Artikel 4.16 bepaalt dat de bouwvergunning uitsluitend kan worden verleend voor een gebruik dat dat niet in strijd is met het bepaalde in artikel 2.3 van dit omgevingsplan. 

Zoals ook aangegeven bij de toelichting op artikel 4.7 is van belang dat de vergunningplicht ziet op de combinatie van het bouwen, in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Er ontstaat met de nieuwe omschrijving dus geen zelfstandige vergunningplicht voor latere gebruiksveranderingen in het betrokken bouwwerk. Zolang voor een later tot stand te brengen ander gebruik in hoofdstuk 2 of 3 geen afzonderlijke vergunningplicht in het leven is geroepen en het nieuwe gebruik in overeenstemming is met de regels voor het gebruik van bouwwerken uit het omgevingsplan, is er een binnenplanse noch buitenplanse vergunning voor die gebruikswijziging nodig. Dit betekent tevens dat wanneer er sprake is van een gebruik van een bouwwerk dat niet in overeenstemming is artikel 2.3, dat artikel het artikel is waarop gehandhaafd wordt. In de beoordelingsregels die verder in deze paragraaf zijn opgenomen, kan wel een verwijzing staan naar elders in dit omgevingsplan gestelde regels. Daarmee wordt die elders gestelde regels van toepassing op de beoordeling. Verder is de verwijzing bij wijze van uitzondering naar regels over het gebruik van bouwwerken komen te vervallen. Die regels zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van dit omgevingsplan, waarmee de uitzondering overbodig is geworden. 

Tweede lid: 

Met het tweede lid wordt voorzien in de mogelijkheid om vergunningverlening voor ontwikkeling te faseren. De fasering houdt in dat eerst met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit planologisch toestemming wordt gegeven voor een bepaalde ontwikkeling die niet past binnen de regels over bouwwerken en gebruik, zoals gesteld in het omgevingsplan. Onder een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt op grond van bijlage I van de Omgevingswet verstaan een activiteit, inhoudende a) een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of b) een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Als het planologisch voornemen in strijd is met het omgevingsplan, kan daarvoor omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden verleend. Vervolgens kan het concrete bouwplan worden uitgewerkt, waarna voor dat concrete bouwplan omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kan worden verleend, voor zover die activiteit passend is binnen de kaders van de reeds verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 

Ook onder oud recht was deze gefaseerde besluitvorming mogelijk, en werd hiervan veel gebruik gemaakt. Met artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving heeft de wetgever erin voorzien dat deze werkwijze kan worden voortgezet. Dat artikel bepaalt kort gezegd dat als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, er in ieder geval sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In beide gevallen gaat het om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Zowel het planologisch voornemen als de ruimtelijke bouwactiviteit zijn immers beide in strijd met het omgevingsplan. 

Hoewel sprake is van een overgangsrechtelijke regeling, biedt artikel 12.27a, aldus de wetgever, ook onder nieuw recht de mogelijkheid om vergunningverlening voor locatieontwikkelingen te faseren (Staatsblad 2022 172, p. 112 e.v.). "Het blijft hiermee [   ] mogelijk om eerst een appellabel «planologisch» basisbesluit te nemen in de vorm van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, op grondslag waarvan op een later moment een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het feitelijk verrichten van de (nader uitgewerkte) bouwactiviteit. De in eerste instantie verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een locatieontwikkeling kan bijvoorbeeld al toestemming geven voor bouwrijp maken, kappen van bomen, grondverzet, het aanbrengen van verhardingen en het tot stand brengen van een verkaveling. Ook kan als onderdeel van de vergunning de precieze locatie worden aangewezen waar bouwwerken (bijvoorbeeld woningen) mogen worden gebouwd. Daarbij kan ook al worden aangegeven welke maximale maatvoering de woningen hebben. Naarmate de eerste omgevingsvergunning verder is uitgewerkt, vormt deze nadere uitwerking de basis voor de latere vergunningverlening voor het geconcretiseerde bouwplan. Voor zover bij de eerste vergunning al uitdrukkelijk toegestaan, regelt artikel 12.27a, zoals hiervoor al toegelicht, dat voor de betrokken onderdelen van een bouwplan (zoals bijvoorbeeld de plaatsing in een bouwblok, de bouwhoogte en het bouwvolume) niet opnieuw een afweging hoeft plaats te vinden of hiermee wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het kader van de tweede vergunningaanvraag vindt alleen beoordeling plaats op de onderdelen van het bouwplan waarin de eerdere vergunning niet voorziet, zoals de beoordeling van de stedenbouwkundige-architectonische detaillering en de toets aan redelijke eisen van welstand."

Aan de mogelijkheid die artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving biedt, kleeft als nadeel dat niet alleen het 'planologisch' basisbesluit wordt genomen bij wijze van omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, maar dat dit ook zal gelden voor de latere vergunningverlening voor het geconcretiseerde bouwplan. De beoordelingsregels die betrekking hebben op een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voorzien er immers in dat de vergunning alleen wordt verleend voor zover die niet in strijd is met in het omgevingsplan gestelde regels over bouwwerken. Zie ook artikel 22.29, eerste lid, zoals dat bij wijze van bruidsschat onderdeel is geworden van het omgevingsplan zoals dat van rechtswege is ontstaan op 1 januari 2024. Dat staat er aan in de weg om een (binnenplanse) omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te verlenen. 

Deze ongewenste situatie wordt verholpen met het tweede lid van artikel 4.16. Dat voorziet erin dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet wordt geweigerd op grond van het eerste lid, voor zover de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit om af te wijken van ruimtelijke regels over bouwwerken, gesteld in hoofdstuk 5 of in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Daarmee beoogt het derde lid hetzelfde te doen als artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 

Bijkomend voordeel is dat ook een eenduidig beoordelingskader van toepassing is op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, ongeacht of die kan worden verleend op grond van binnenplanse ruimtelijke regels of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In beide gevallen zijn de overige beoordelingsregels, zoals opgenomen in deze paragraaf 4.2.4, onverkort van toepassing. Hetzelfde geldt voor de aanvraagvereisten.  

Het tweede lid heeft via artikel 5.14 ook betrekking op vormen van gebruik die niet passend zijn binnen de regels over gebruik, maar waar voor dat strijdig gebruik een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is verleend.

Tot slot wordt nog opgemerkt dat de wetgever in de toelichting op artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving heeft aangegeven dat de mogelijkheid voor het gefaseerd verlenen van een omgevingsvergunning, zoals artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving die biedt, kan vervallen op het moment waarop gemeenten beschikken over een samenhangend omgevingsplan dat voldoet aan alle eisen die de Omgevingswet daaraan stelt. Vanaf dat moment is het, aldus de wetgever, immers relatief eenvoudig om locatiegericht en op onderdelen tot aanpassing te komen van een geheel geconsolideerd omgevingsplan, teneinde nieuwe ruimtelijke initiatieven mogelijk te maken. Of die verwachting van de wetgever juist is, valt de komende jaren te bezien. De wetgever heeft zelf ook ruimte gelaten voor een heroverweging van dit standpunt een een permanente voorzien (Staatsblad 2022 172, p. 71). Voor Amsterdam is hierin met  het derde lid van artikel 4.16 voorzien. Mocht toekomstige wetgeving daartoe aanleiding geven, dan zal de regel worden heroverwogen.  

Derde lid: 

Onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen konden een binnenplanse afwijkmogelijkheid bevatten. Deze bestemmingsplannen zijn van rechtswege onderdeel geworden van het omgevingsplan. Op grond van artikel 22.280, zoals dat bij wijze van bruidsschat onderdeel is geworden van dit omgevingsplan, geldt een dergelijke afwijkmogelijkheid als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Deze mogelijkheid moet worden gezien als een bevoegdheid (artikel 22.281).  

Een dergelijke afwijkmogelijkheid kan betrekking hebben op het afwijken van zowel bouwregels als gebruiksregels. Voor zover een concreet voorgenomen omgevingsplanactiviteit bouwwerken in strijd is met de ruimtelijke regels over bouwwerken in het nog geldende bestemmingsplan, maar vergund zou kunnen worden met toepassing van de afwijkbevoegdheid, is het wenselijk dat de afwijkmogelijkheid kan worden betrokken bij de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Het derde lid voorziet daarin. Het beoogt dezelfde werking te hebben als artikel 2.10, tweede lid van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 

De werking van het derde lid kan beperkt blijven tot de mogelijkheid om met de regels van een nog niet vervallen bestemmingsplan af te kunnen wijken van regels over bouwwerken en gebruik, gesteld in datzelfde bestemmingsplan. Het is niet nodig een dergelijke voorzien te treffen voor als een omgevingsplanactiviteit bouwwerken binnenplans in het geheel niet vergunbaar is. Dan kan slechts met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toestemming worden verleend. Die omgevingsvergunning heeft dan betrekking op zowel het afwijken van de regels in het omgevingsplan als op de ruimtelijke bouwactiviteit.  

Opgemerkt wordt dat de binnenplanse afwijkmogelijkheid, zoals die in nog geldende bestemmingsplannen voorkomt, een bevoegdheid inhielden. Met de verwijziging in het derde lid, onder b, naar artikel 22.281, wordt duidelijk gemaakt dat dat het geval blijft. Artikel 22.281, zoals dat bij wijze van bruidsschat onderdeel is geworden van dit omgevingsplan, bepaalt dat de in een nog geldend bestemmingsplan opgenomen binnenplanse afwijkmogelijkheid wordt gelezen als een bevoegdheid. Daarmee blijft het net als onder de werking van het oude stelsel mogelijk een afweging te maken en de vergunning voor een geboden afwijkingsmogelijkheid in voorkomende omstandigheden toch te weigeren, in het geval de regels voor het verlenen van de afwijking zouden dwingen om de vergunning te verlenen.  

Vierde lid: 

Met het vierde lid wordt de werking, zoals beoogd met artikel 2.2 van de Vangnetregeling Omgevingswet, gecontinueerd nu de bruidsschat is vervangen. Met artikel 2.2 Vangnetregeling Omgevingswet is artikel 22.33 van de bruidsschat aangevuld. De in artikel 22.33 opgenomen grondslagen om een onder nieuw recht ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk te weigeren, werden daarmee uitgebreid. De aanvullende bepalingen regelen dat zo’n vergunning ook moet worden geweigerd als sprake is van een nog onder oud recht lopende procedure van een bestemmingsplan of inpassingsplan op grond van de voormalige Wet ruimtelijke ordening. De vergunning kan worden verleend als de activiteit in overeenstemming is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Hiermee wordt het regime van voorbereidingsbescherming, zoals dat bestond onder artikel 3.3 van de voormalige Wabo, voortgezet met de mogelijkheid de vergunning te weigeren. Hiermee wordt voorkomen dat voorbereidingsbescherming verloren zou gaan en onbedoeld vergunning zou moeten worden verleend voor ontwikkelingen die met het oog op de in voorbereiding zijnde nieuwe regeling ongewenst zijn. Hier is sprake van een ontbrekend overgangsrecht, wat in specifieke situaties onredelijk is. Met het vervallen van artikel 22.33 in de bruidsschat, verwijst artikel 2.2 Vangnetregeling Omgevingswet naar een niet langer bestaand artikel in het omgevingsplan. Met het hier opgenomen vierde lid wordt de werking ervan gecontinueerd. 

ZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.23 Overige beoordelingsregels onverkort van toepassing, uitzonderingen

Dit artikel  bepaalt (volledigheidshalve) dat de overige in deze paragraaf opgenomen beoordelingsregels onverkort van toepassing zijn. Zo wordt ook bij toepassing van artikel 4.19  bijvoorbeeld getoetst of het uiterlijk van het bouwwerk afbreuk doet aan de omgevingskwaliteit. Dat komt overeen met de welstandstoets zoals die in het verleden ook van toepassing was op gevallen die vielen onder artikel 4 van bijlage II Bor, die mogelijk waren op grond van algemene bouwregels in het bestemmingsplan, of die vergunbaar waren op grond van een binnenplanse afwijkmogelijkheid. Ook de andere beoordelingsaspecten worden, voor zover relevant, betrokken. 

Het tweede lid bevat hierop een uitzondering. Daarin is bepaald dat voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk bedoeld in artikel 4.19eerste lid, onder a of b, de beoordelingsregels genoemd in subparagraaf 4.2.4.3 tot en met 4.2.4.7 buiten toepassing blijven. Hiermee wordt voor deze bouwwerken een vervolg gegeven aan de situatie zoals die onder oud recht gold. Onder de toenmalige Wabo gold voor deze bouwwerken dat een bouwvergunning niet nodig was, maar dat bij strijd met het bestemmingsplan wel een afwijkvergunning nodig was. Dat hield in dat geen welstandsbeoordeling plaatsvond, maar dat uitsluitend werd een beoordeeld of werd voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Het tweede lid beoogt hieraan een vervolg te geven. 

AAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.32 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie

Artikel 4.32 bevat de aanvraagvereisten die specifiek verband houden met de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, bedoeld in subparagraaf 4.2.4.4. Dit artikel komt, voor zover betrekking hebbend op de beoordeling van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, in de plaats van artikel 22.35, onder j, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Aanvullend daarop zijn het tweede tot en met vijfde lid opgenomen voor een beleidsneutrale voortzetting van de regels over bouwen op verontreinigde bodem onder de voormalige Bouwverordening Amsterdam.

Eerste lid: 

Onderdeel a:

Volgens artikel 5.89ka van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het verplicht om in het omgevingsplan te eisen dat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw bodemonderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden verstrekt. Daarom verplicht dit onderdeel om bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij de aanvraag in te dienen. Het bodemonderzoek is nodig om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden of om eventueel vast te stellen dat er andere verontreinigingen aanwezig zijn (niet-genormeerde stoffen), waarvoor wel een detectiegrens is bepaald. In dat geval is een sanerende maatregel volgens het Besluit activiteiten leefomgeving of een sanering onder het overgangsrecht (genormeerde stoffen), of maatregelen bedoeld in artikel 4.31, een voorwaarde voor het bouwen. Zie verder de toelichting hierna op onderdeel b.

Onderdeel b:

Als sprake is van overschrijding van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem moeten daarnaast gegevens en bescheiden worden verstrekt die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel zal worden genomen. Dat kan bijvoorbeeld een melding zijn als bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een ingediend saneringsplan onder de Wet bodembescherming, of een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, of andere documentatie die aannemelijk maakt dat een sanerende of andere beschermende maatregel in voorbereiding is en zal worden uitgevoerd.

Onderdeel c:

Als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering is een onderbouwing noodzakelijk dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie, eventueel na het nemen van maatregelen zoals bedoeld in artikel 4.31. Een voorbeeld van een risico voor de gezondheid is dat de TCL (Toelaatbare Concentratie in Lucht) potentieel wordt overschreden in het bodemgevoelige gebouw. Voor de toetsing kan gebruik worden gemaakt van een programma zoals Volasoil, een onderdeel van de Risicotoolbox Bodem van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Onderdeel d:

In sommige situaties in het kader van het bouwen van een  bodemgevoelig gebouw is het niet nodig om bij overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit bodem een sanering volgens het Besluit activiteiten leefomgeving (of andere procedure conform het overgangsrecht) uit te voeren. Gelet op artikel 4.28, tweede lid, aanhef en onder c kan ook worden volstaan met een andere beschermende maatregel zoals

een gebruiksbeperking. In welke situaties dit aan de orde kan zijn is nader uitgewerkt in de beleidsregel ‘Andere beschermende maatregelen bij bouwen bodemgevoelig gebouw’. In die beleidsregel staat ook aangegeven dat het aan initiatiefnemers is om een toetsing door middel van de Risicotoolbox bodem van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) uit te voeren. De Risicotoolbox bodem is het wettelijk voorgeschreven model om te toetsen of de aanwezigheid van een verontreiniging in de bodem in combinatie met blootstellingsroutes (zoals grond die je binnen krijgt bij (moes)tuinieren) leidt tot overschrijding van het maximaal toelaatbaar humaan risico zoals opgenomen in de beleidsregel. De waarden voor het maximaal toelaatbaar humaan risico, uitgedrukt in in microgram per kilogram lichaamsgewicht per dag, zijn in bijlage Vb bij het Besluit kwaliteit leefomgeving opgenomen. 

Tweede lid:

In de bodem kan zich bodemvreemd materiaal bevinden. Als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal, wordt gebruik gemaakt van andere onderzoekrichtlijnen dan bij bodem met minder dan 50% bodemvreemd materiaal. Bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat wordt de bodem onderzocht met een asbestonderzoek volgens NEN 5707 als sprake is van minder dan 50% bodemvreemd materiaal. Als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal vindt een asbestonderzoek plaats volgens NEN 5897.

Derde lid:

Op grond van de inmiddels ingetrokken bouwverordening Amsterdam moest er na een vooronderzoek een verkennend bodemonderzoek volgen, met - onder bepaalde voorwaarden - een uitzondering voor de locaties die vallen binnen zones 1 en 2 van de Bodemkwaliteitskaart Amsterdam. Dit is in het derde lid beleidsneutraal omgezet naar het omgevingsplan. In zone 1 of 2 van de Bodemkwaliteitskaart Amsterdam is een verkennend onderzoek alleen verplicht als uit het vooronderzoek bodem een verdenking op specifieke bodemverontreiniging naar voren komt. Met een specifieke verontreiniging wordt een verontreiniging bedoeld die is veroorzaakt door een puntbron, bijvoorbeeld een lekkage bij een bedrijf. Naast specifieke verontreinigingen kunnen er ook diffuse verontreinigingen aanwezig zijn, die niet te relateren zijn aan een puntbron.

Vierde lid:

Bij tijdelijke bouwwerken (maximaal 15 jaar), wordt het verplicht uitvoeren van een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid, in relatie tot de beperkte instandhoudingstermijn van een tijdelijk bouwwerk niet altijd proportioneel geacht indien er geen of nauwelijks verdenkingen zijn van een specifieke verontreiniging (puntbron) op basis van het vooronderzoek. Wat onder een tijdelijk bouwwerk verstaan moet worden is in bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving bepaald, namelijk een bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 15 jaar op dezelfde locatie. De definitie van het Besluit bouwwerken leefomgeving is op dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing, gelet op artikel 1.1, tweede lid.

Vijfde lid:

Om het mogelijk te maken dat de gegevens uit een bodemonderzoeksrapport efficiënt kunnen worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem, regelt het vijfde lid dat de resultaten van een bodemonderzoek ook moeten worden verstrekt in het XML-formaat (naast indiening van het gehele onderzoeksrapport in PDF-formaat) voor zover de gegevens zich daarvoor lenen. Dit sluit aan bij de beoordelingsrichtlijnen en protocollen van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB) die van toepassing zijn op de organisaties die bodemonderzoek verrichten. In die richtlijnen en protocollen wordt voor de digitale uitwisseling van bodemgegevens uitgegaan van de datastandaard SIKB0101 waarin het bestandsformaat XML is voorgeschreven. Het eisen van een XML-formaat is beleidsneutraal, omdat in de Bouwverordening Amsterdam het uitvoeren van een bodemonderzoek volgens de Amsterdamse Richtlijn voor onderzoek (ARVO) was voorgeschreven, waarin de verplichting tot indienen XML-formaat is opgenomen.

Met een XML-bestand kunnen de resultaten van het bodemonderzoek, na beoordeling, geautomatiseerd en dus snel worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en zijn daarmee snel door iedereen online te raadplegen. 

Het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. Zie voor alle eisen die worden gesteld aan de aanlevering van bodemonderzoeksresultaten de Amsterdamse Richtlijn voor bodemonderzoek (ARVO).

BBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.51 Overschrijding grenswaarde; niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen

Artikel 4.51 biedt, analoog aan artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving, de mogelijkheid om de grenswaarde te overschrijden in een situatie waarin géén sprake is van een bijzondere stedenbouwkundige situatie zoals bedoeld in artikel 4.50, maar het geluidniveau wel erg hoog ligt. Hoewel het uitgangspunt is dat het geluid op de gevel van een nieuw geluidgevoelig gebouw (en dus ook in de omgeving van dat gebouw) bij voorkeur niet hoger is dan de standaardwaarde, zijn er situaties en omstandigheden denkbaar waarin nieuwbouw op hoogbelaste locaties kan worden toegestaan. Hierbij kan worden gedacht aan een appartementengebouw dat het geluid door een rijksweg afschermt waardoor achter dat gebouw grondgebonden woningen gebouwd kunnen worden waar het geluid wel voldoet aan de standaardwaarde. Een ander voorbeeld is een gebouw waarbij in de ontwerpfase rekening wordt gehouden met het geluid en de bewoners door het treffen van maatregelen binnen goed worden beschermd tegen het geluid van buiten. De gebouwen kunnen dan – mits goed gemotiveerd – met toepassing van artikel artikel 4.51 worden toegelaten. 

Dit artikel moet worden gelezen in samenhang met artikel 4.52, waarin is bepaald dat meer geluid dan de grenswaarde alleen toelaatbaar is als er geen geluidbeperkende maatregelen (aan de bron en in de overdracht) getroffen kunnen worden om de geluidbelasting te laten voldoen aan de grenswaarde van tabel 5.78u. Als dat wel mogelijk is, kan het betreffende gebouw namelijk worden toegelaten zonder dat de grenswaarde wordt overschreden. 

Eerste lid: 

Als het overschrijden van de grenswaarden alles overwegend toch nodig blijkt, kan de gemeente op grond van dit artikel het geluidgevoelige gebouw toelaten als aan het geluidgevoelige gebouw de onder a of b bedoelde bouwkundige maatregelen getroffen kunnen worden. Deze vervangen, in combinatie met artikel 4.103b van het Besluit bouwwerken leefomgeving, de zogenoemde 'dove gevel' uit de Wet geluidhinder, waarbij een aantal verbeteringen is doorgevoerd. 

Onderdeel a is de juridische opvolger van de échte dove gevel, dus een gevel waarin geheel geen te openen delen aanwezig zijn (voorheen artikel 1b, vierde lid, onder a, van de Wet geluidhinder). Onder te openen delen moeten worden verstaan alle constructieonderdelen in de uitwendige scheidingsconstructie die geopend kunnen worden waardoor de geluidwering vermindert en te veel buitengeluid in de woning kan dringen. Het gaat dan in ieder geval om ramen en deuren maar ook om klepraampjes, inspectieluiken enzovoort. Het openen kan verband houden met de toegang tot de woning (de voordeur) of een buitenruimte, maar ook met bouwkundige eisen die al in het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn gesteld, bijvoorbeeld met betrekking tot de spuiventilatie. Op geluidbelaste locaties worden luchtroosters die nodig zijn voor luchtverversing voorzien van geluiddempers om te kunnen voldoen aan de eisen ten aanzien van de geluidwering. Het openen leidt niet tot te veel buitengeluid in de woning. Deze zogenoemde suskasten worden daarom, net als voorheen, niet beschouwd als te openen deel als bedoeld in dit artikel. 

Naast de échte dove gevel kende de Wet geluidhinder de mogelijkheid voor een bouwkundige constructie met bij uitzondering te openen delen, waarbij voorwaarde was dat die bij uitzondering te openen delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte. In de praktijk werd zeer uiteenlopend invulling gegeven aan het begrip 'bij uitzondering te openen', ook wel op zodanige wijze dat feitelijk geen recht werd gedaan aan het uitzonderlijke karakter. De specifieke mogelijkheid die artikel 1b, vierde lid, onder b, van de Wet geluidhinder bood, komt daarom niet op dezelfde wijze terug onder de Omgevingswet. Er is wel een uitzondering gemaakt voor deuren die onderdeel zijn van een gemeenschappelijke doorgang. De term 'gemeenschappelijk' wordt hier gebruikt in de betekenis die artikel 2.7, tweede lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving er aan geeft: ten dienste van meer dan een gebruiksfunctie. Dit betreft bijvoorbeeld gemeenschappelijke toegangsdeuren, tussendeuren en nooduitgangen in een appartementengebouw, maar niet de voordeur van een appartement of de deur naar een bijbehorende buitenruimte. Door in de formulering van deze uitzondering aan te sluiten bij de terminologie die ook het Besluit bouwwerken leefomgeving in dit verband gebruikt, is deze uitzondering overigens bruikbaar voor alle soorten geluidgevoelige gebouwen zoals gedefinieerd in het eerste lid van artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

Onderdeel b van het eerste lid biedt een tweede mogelijkheid tot het treffen van bouwkundige maatregelen. In dit geval bevat de uitwendige scheidingsconstructie wél te openen delen, maar worden aan het gebouw maatregelen getroffen waarmee het geluid op de te openen delen die direct grenzen aan een verblijfsgebied of niet-gemeenschappelijke verkeersruimte wordt beperkt tot de grenswaarden. Deze mogelijkheid sluit beter aan bij de behoeften van de uitvoeringspraktijk. Bij toepassing van deze bepaling mogen ramen en deuren altijd geopend worden, omdat de bouwkundige constructie ervoor zorgt dat het geluid op alle te openen delen die direct grenzen aan een verblijfsgebied of niet-gemeenschappelijke verkeersruimte beperkt is tot de grenswaarden, waarbij er geen onderscheid is tussen normaal te openen delen en delen die bedoeld zijn om slechts bij uitzondering te openen. Voor de hal of gang maakt het daarbij niet uit of deze is aangeduid als verblijfsgebied of als verkeersruimte. Daarmee is de eenduidigheid en uitvoerbaarheid verbeterd. 

De term 'grenswaarden' is in meervoud. Mocht een gebouw door meerdere bronnen worden belast, bijvoorbeeld een bundel van een weg en een spoorweg, dan moet de constructie zo ontworpen worden dat het geluid op te openen delen van elk van die bronnen voldoet aan de grenswaarde voor die bron. De grenswaarden in het Besluit kwaliteit leefomgeving gelden namelijk, anders dan het gezamenlijke geluid, per bron. In het algemeen zal er overigens maar één maatgevende bron zijn. 

Net als in de Wet geluidhinder wordt geen maximum gesteld aan de geluidbelasting op een niet-geluidgevoelige gevel. Er wordt geen maximum gesteld aan het geluid op de onder a bedoelde uitwendige scheidingsconstructie zonder te openen delen, en ook niet aan het geluid op bouwkundige constructies (de maatregelen) die juist bedoeld zijn om het geluid op (te openen delen in) de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied te verminderen. Als bijvoorbeeld een vliesgevel of een lamellenscherm wordt toegepast, wordt geen eis gesteld aan het geluid op die bouwkundige voorzieningen. Die vliesgevel of dat lamellenscherm – of een andere bouwkundige maatregel – moet er wel voor zorgen dat het geluid op te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied wordt beperkt tot de grenswaarde.

Tweede lid: 

In het tweede lid is bepaald dat bij de toepassing van het eerste lid aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, in elk geval het voorschrift wordt verbonden dat de in het eerste lid bedoelde gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. 

Deze bepaling is analoog aan het tweede lid van artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving waarin is bepaald dat bij de toepassing van het eerste lid van artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving in het omgevingsplan wordt bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. Zoals toegelicht bij artikel 4.44 is met het omgevingsplan Amsterdam echter de keuze gemaakt de afweging door te schuiven naar de vergunningaanvraag. Dit zorgt ervoor dat op het juiste moment een bestuurlijke afweging plaatsvindt of van deze mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt. Gelet op de zeer hoge geluidbelastingen in dit soort situaties – hoger dan de grenswaarde – is een bestuurlijke afweging hierover vanzelfsprekend. 

Het belang van de instructieregel dat in het omgevingsplan wordt bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is, zoals opgenomen in het tweede lid van artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving, gaat echter verder dan er voor te zorgen dat een bestuurlijke afweging wordt gemaakt. 

Zo bevat artikel 4.103b van het Besluit bouwwerken leefomgeving specifieke regels over de geluidwerendheid van een niet-geluidgevoelige gevel en over de uitvoering van een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen. De aanwijzing van de 'niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' betekent onder meer dat het geluidgevoelige gebouw op grond van artikel 4.103b, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving 3 dB extra geluidwering krijgt. Hiermee is de geluidwering bestand tegen een toekomstige toename van het geluid. Volgens de begripsbepaling van niet-geluidgevoelige gevel, zoals die in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving is opgenomen en die op de hiervoor genoemde artikelen van toepassing is, wordt onder een niet-geluidgevoelige gevel verstaan een gevel die in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met toepassing van artikel 5.78y, tweede lid, 5.78aa, tweede lid, 12.13f of 12.13g Besluit kwaliteit leefomgeving als zodanig is aangemerkt. Een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen valt binnen de reikwijdte van die omschrijving mits deze in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als zodanig is aangemerkt. Het doorschuiven van deze afweging naar de vergunningaanvraag maakt dat pas op dat moment duidelijk wordt dat een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen noodzakelijk en aanvaardbaar is. Het vooraf in het omgevingsplan vastleggen van deze verplichting is dan niet mogelijk. Het is wel noodzakelijk dat die verplichting wordt opgelegd en gelet op het bepaalde in artikel 4.103b van het Besluit bouwwerken leefomgeving ook kenbaar is. Om die reden is de bepaling in het tweede lid opgenomen. 

Verder wordt in de artikelen 3.18 en 5.78i van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaald dat de regelonderdelen waarvan die artikelen het toepassingsbereik bepalen, niet van toepassing zijn op het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel. Die onderdelen zijn gericht tot de beheerders van wegen, spoorwegen en industrieterreinen, maar gelden dus niet daar waar een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is voorgeschreven. Specifieke aanduiding in het omgevingsplan maakt het voor de beheerders van wegen, spoorwegen en industrieterreinen duidelijk voor welke gevels de standaardwaarden en grenswaarden niet gelden en dat bijvoorbeeld bij de verbreding van een weg voor het betrokken bevoegd gezag direct duidelijk is welke gevels niet hoeven te worden getoetst. Door het aanwijzen in het omgevingsplan is dan geborgd dat de gevels blijven voldoen aan de eisen die in dit artikel zijn gesteld. 

Wanneer toepassing wordt gegeven aan artikel 4.51, tweede lid, wordt echter niet voldaan aan de omschrijving van een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen. De betreffende gevel is dan weliswaar in een omgevingsvergunning voor binnenplanse omgevingsplanactiviteit als zodanig aangemerkt, maar daarmee wordt niet aan het vereiste dat de gevel in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als zodanig is aangemerkt. Het aanmerken van een gevel als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen kan gebeuren met artikel 5.76, eerste lid, door het opnemen van de daar genoemde aanduiding. Dat vergt echter een wijziging van het omgevingsplan. Om vooruitlopend aan wijziging van het omgevingsplan toch te kunnen voldoen aan het vereiste zoals dat in de begripsbepaling is opgenomen, is in artikel 5.76, tweede lid, bepaald dat als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving tevens is aangewezen een gevel waarover met toepassing van artikel 4.51, tweede lid, in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken het is voorschrift verbonden dat het een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. 

Daarmee wordt juridisch voldaan aan het vereiste dat de betreffende gevel in het omgevingsplan als zodanig is aangewezen. Inhoudelijke doet het vergunningvoorschrift niet onder voor een geval waarin de gevel in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit als zodanig is aangemerkt. Uiteindelijk is het wel de bedoeling (net als bij de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit), dat de niet-geluidgevoelige gevel met een aanduiding als zodanig wordt aangemerkt. In artikel 5.76, tweede lid, wordt dit duidelijk gemaakt het begin van de bepaling, waarin is aangegeven dat dit geldt totdat de in het tweede lid bedoelde aanduiding aan een locatie is gegeven. 

Derde lid:

Het derde lid bepaalt dat artikel 4.49, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing zijn.  

CCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.92 Uitgestelde toepassing

Dit artikel bepaalt dat paragraaf 4.3.1 wordt toegepast met ingang van de dag dat artikel 21 van de Erfgoedverordening Amsterdam vervalt. Het treedt dus wel in werking, maar wordt nog niet toegepast. Daarmee wordt voorkomen dat zowel de vergunningplicht op grond van de erfgoedverordening, als de vergunningplicht op grond van deze paragraaf gaat gelden. Het voorstaande geldt voor zo zowel gemeentelijk als rijksbeschermde gezichten. Artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet bepaalt bevat een overgangsregeling. Tot het vervallen van artikel 21 van de Erfgoedverordening Amsterdam blijft die onverkort van toepassing. 

DDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.110 Toepassingsbereik

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op het bouwen en in stand houden van een gebouw, ongeacht of daarvoor de vergunningplicht geldt, bedoeld in artikel 4.7. 

Tweede lid: 

Deze paragraaf is van toepassing op alle nieuwe gebouwen die nog gebouwd moeten worden. Deze paragraaf is ook van toepassing op bestaande gebouwen waarbij na de inwerkingtreding van de voormalige Hemelwaterverordening bepaalde bouwactiviteiten zijn of worden uitgevoerd. Bij bestaande gebouwen wordt niet alleen gekeken naar de waterhuishoudkundige effecten, maar ook naar de redelijkheid om waterberging te eisen in relatie tot het waardeverhogend effect van de bouwactiviteit. 

Deze paragraaf De eerste situatie is van toepassing op alle nieuwe gebouwen die nog gebouwd moeten worden en op bestaande gebouwen die na de inwerkingtreding van de voormalige Hemelwaterverordeningals een bestaand gebouw ingrijpend zijnis of wordenwordt gerenoveerd, waar gebouwlagen aan zijn of worden toegevoegd of waar mits het bebouwd oppervlak is of wordt uitgebreidgebouw een minimum omvang van 1.000 m2 bruto vloeroppervlakte heeft. Van een ingrijpende renovatie is sprake als meer dan 25% van de integrale gebouwschil wordt vernieuwd, veranderd of vergroot. Het criterium ‘ingrijpende renovatie’ is afkomstig uit artikel 5.20, lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en vindt zijn oorsprong in de herziene richtlijn energieprestatie gebouwen. Het vijfde lid van artikel 5.20 Besluit bouwwerken leefomgeving bevat een omschrijving van het begrip 'ingrijpende renovatie'. De ratio achter het vierde lid van artikel 5.20, Besluit bouwwerken leefomgeving is dat het redelijk is om een aantal energie-eisen die voor nieuwbouw gelden ook van toepassing te laten zijn bij een ingrijpende renovatie indien meer dan 25% van de integrale bouwschil wordt vernieuwd, veranderd of vergroot. De reden om in die gevallen ook de waterbergingseisen van toepassing te verklaren is analoog hieraan: bij een ingrijpende renovatie is het ook redelijk om de eisen uit deze paragraaf te laten gelden. Dit geldt eveneens als er gebouwlagen aan het gebouw worden toegevoegd of als het bebouwd oppervlak wordt uitgebreid. Deze eisen zijn in het laatste geval overigens niet op het volledige bebouwd oppervlak van toepassing, maar slechts opOmdat bij kleine gebouwen de uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Voor het toevoegenwaterbergingseisen onredelijk verzwarend kunnen zijn, geldt bij deze categorie van bouwlagen betreft dit bouwlagen zowel op als ondergevallen een minimum omvang voor het bestaand gebouw, waaronder dus ooknamelijk 1.000 m2nieuwe kelders worden verstaanbvo. 

De waterbergingseisen gelden eveneens als aan het gebouw bouwlagen worden toegevoegd. Omdat de begripsbepaling van bouwlaag bijzondere bouwlagen (kelder, souterrain, kap of dakopbouw) uitsluit, zijn die bijzondere vormen expliciet benoemd. Omdat het niet redelijk is om bij alle dakopbouw waterberging te eisen (bijvoorbeeld bij kleine ruimtes die toegang naar de dak verschaffen), wordt hier eveneens een drempel toegevoegd. De eisen gelden alleen als de dakopbouw meer dan 50% van het totaal bebouwd oppervlak van het hoofdgebouw beslaat (relatieve minimum omvang) of als het een minimum omvang van 100 m2 heeft (absolute minimum omvang). Het zijn alternatieve voorwaarden. Het criterium met een absoluut omvang is toegevoegd omdat bij gebouwen met een grote dakoppervlakte (zoals bedrijfshallen, bouwmarken, woonwinkels) dakopbouw ook bij een kleiner percentage waardeverhogend effect kan hebben.

Tot slot is deze paragraaf ook van toepassing als het bebouwd oppervlak van een bestaand gebouw is of wordt uitgebreid. Het bebouwd oppervlakte is wat op het maaiveld is bebouwd. De waterbergingseisen zijn in dit geval overigens niet op het volledige bebouwd oppervlak van toepassing, maar slechts op de uitbreiding van het bebouwd oppervlak. 

Derde lid:

In het derde lid is een uitzondering op het toepassingsbereik gemaakt voor gevallen die onder het overgangsrecht van de voormalige Hemelwaterverordening vielen. Zo geldt deze paragraaf niet voor gebouwen waarvoor voor 11 mei 2021 (de inwerkingtreding van de Hemelwaterverordening) een omgevingsvergunning voor bouwen is aangevraagd. Eveneens geldt deze paragraaf niet voor gebouwen waarvoor binnen zes weken na de inwerkingtreding van de Hemelwaterverordening de selectieprocedure voor gronduitgifte is gestart, of een overeenkomst is aangegaan waaruit de intentie tot (her)ontwikkeling van een gebouw blijkt.

Onder omgevingsvergunning voor bouwen in dit lid worden de vergunning op grond van de inmiddels vervallen Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bedoeld. Het gaat immers om aanvragen die voor 11 mei 2021 zijn ingediend, dus onder het regime van de Wabo.

Vierde lid:

In het vierde lid wordt verduidelijkt dat onder toevoeging van een kelder of souterrain tevens wordt verstaan het uitbreiden van een bestaande kelder of souterrain. Omdat het niet redelijk is om bij iedere uitbreiding waterberging te eisen,  gelden die alleen boven bepaalde drempels, namelijk als de uitbreiding een bepaalde omvang heeft in relatieve en absolute zin. Ook geldt deze paragraaf als er een bestaande bouwlaag (bv. een kruipruimte) zodanig wordt verdiept dat daarmee een nieuw gebruiksruimte ontstaat (verticale uitbreiding). 

EEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.112 Verbod op lozen zonder waterberging

Eerste lid:

Kern van deze paragraaf is de bepaling in het eerste lid. Hierin staat de verplichting om bij gebouwen waterbergingen aan te leggen en in stand te houden. Dit om wateroverlast te beperken en schade aan huizen en vitale infrastructuur te voorkomen. Lozen in de bodem heeft echter de voorkeur omdat daarmee zowel extra belasting op de openbare riolering als extra belasting op het oppervlaktewater wordt voorkomen en lozen in de bodem het water behoudt voor het grondwater.

Het lozen op oppervlaktewater wordt met deze bepaling niet verboden omdat de gemeente daarvoor niet de bevoegdheid heeft. Dat is een bevoegdheid van een waterschap. Binnen Amsterdam zijn drie waterschappen aanwezig. Die hebben allemaal een eigen Waterschapsverordening. Een Waterschapsverordening bevat voorschriften om te borgen dat het watersysteem goed blijft functioneren. Daarbij geldt doorgaans een verplichting tot compensatie(berging) voor een toename in verhard oppervlak. Invulling geven aan de verplichtingen dit onderdeel van het omgevingsplan (de voormalige Hemelwaterverordening) kan soms ook ten goede komen aan de verplichting van de Waterschapsverordening. Het omgevingsplan en de Waterschapsverordening hebben van elkaar verschillende doelstellingen en belangen, waardoor zij naast elkaar blijven bestaan. Ontwikkelingen moeten daarom altijd op beide regelgeving worden getoetst.

Tweede lid:

In het tweede lid is geregeld dat de verplichting niet geldt voor bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd of waar een bouwlaag aan wordt toegevoegd, maar waarvan uit berekeningen blijkt dat de constructie de extra belasting van een hemelwaterberging op het bestaande gebouw niet kan dragen. Daarnaast moeten er rond het gebouw evenmin mogelijkheden zijn om in een hemelwaterberging te voorzien. Dit laatste is vooral bedoeld voor die situatie waarin niet over een tuin of andere grond rond het gebouw wordt beschikt en dus alleen constructief in een waterberging kan worden voorzien. De verplichting uit het eerste lid brengt in die gevallen met zich mee dat het niet mogelijk is een extra bouwlaag toe te voegen en dat zou een ongewenst effect van deze regeling zijn. De formulering 'voor zover' impliceert dat indien bij een bestaand gebouw dat ingrijpend wordt gerenoveerd of waar een bouwlaag aan wordt toegevoegd, mogelijk is om gedeeltelijk aan de waterbergingseisen te voldoen, dan dient men wel gedeeltelijk aan die eisen te voldoen. In de omgevingsvergunning worden de gedeeltelijke eisen vastgelegd. 

Derde lid:

In het derde lid is geregeld dat de verplichting tot waterberging uit het eerste lid, niet geldt voor tijdelijke gebouwen in een aantal gevallen. Deze uitzondering geldt voor gebouwen met een maximale instandhoudingstermijn van 10 jaar. Bij het opstellen van deze regeling is gekozen voor een termijn van 10 jaar omdat deze termijn onder het toenmalige recht gelijk was aan de maximale termijn van een tijdelijke omgevingsvergunning voor bouw die in strijd was met het bestemmingsplan. 

Onderdeel a

De eerste uitzonderingssituatie is als aantoonbaar blijkt dat het bestaand verhard oppervlak door het bebouwd oppervlak niet toeneemt. Het tijdelijke gebouw heeft in dat geval geen negatieve invloed op de bestaande waterhuishoudkundige situatie. Deze uitzondering is opgenomen omdat de kosten voor de waterbergingsmaatregelen relatief hoog zijn ten opzichte van de stichtingskosten van een tijdelijk gebouw. Daarbij komt dat de waterberging ook tijdelijk is en dus maar een tijdelijk verbetering geeft van de bestaande waterhuishoudkundige situatie. Aan het einde van de termijn moeten ook weer kosten worden gemaakt om de waterberging te verwijderen en deze is niet altijd weer herbruikbaar. 

Indien het bebouwd oppervlak deels een toename van het bestaand verhard oppervlak veroorzaakt, geldt voor het toegenomen verhard oppervlak wel de verplichting om in een hemelwaterberging te voorzien. In dat geval is er namelijk sprake van een directe negatieve beïnvloeding van waterhuishoudkundige situatie en daarmee een toename van risico op schade door wateroverlast. Het is dan noodzakelijk om waterberging te eisen, ook al is deze van tijdelijke aard. 

Voor gebouwen van permanente aard is het bebouwd oppervlak maatgevend. Het maakt niet uit of het oppervlak daarvoor verhard was of niet. Het is namelijk redelijk om van deze permanente gebouwen te verwachten dat ze een bijdrage leveren aan een goede waterhuishouding en niet alleen wordt ingezet om verslechtering voorkomen.

Onderdeel b

De tweede uitzonderingssituatie is als het constructief niet mogelijk is om op het tijdelijke gebouw waterberging te realiseren of er rondom het tijdelijke gebouw geen ruimte aanwezig is. In dat soort gevallen zijn alleen relatief dure maatregelen in de ondergrond mogelijk en gezien de tijdelijkheid is dat niet doelmatig. 

Onderdeel c

Tot slot zijn bouwketen uitgezonderd. Deze standaard bouwwerken zijn niet ontworpen op een extra belasting en staan voornamelijk is op plaatsen waar de beschikbare ruimt al schaars is. 

FFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.113 Vereisten hemelwaterberging

Via de regel om bij een gebouw te voorzien in een minimale waterbergingscapaciteit per m2 bebouwd oppervlak, wordt hemelwater langer vastgehouden op eigen terrein. Op die manier wordt de extra belasting op de openbare riolering beperkt.

De benodigde waterbergingscapaciteit kan op verschillende manieren worden gerealiseerd. Voorbeelden zijn een blauw-groen dak, het ingraven van infiltratiekratten, het aanleggen van een verdiept gedeelte in de tuin of het aanbrengen van een regenwater hergebruiksysteem voor de spoeling van het toilet of aansluiting van de wasmachine. Een combinatie van waterbergende voorzieningen is ook mogelijk.

Voor het beperken van wateroverlast is het essentieel dat de hemelwaterberging binnen afzienbare tijd na een bui weer beschikbaar is voor het opvangen van de volgende bui. Maar ook niet te snel want dan wordt het stedelijk watersysteem te veel belast. Daarom is in het eerste lid, onder c en in het tweede lid, onder c bepaald wanneer de hemelwaterberging weer beschikbaar moet zijn. Dit kan bijvoorbeeld door de hemelwaterberging als infiltratievoorziening in te richten, zodat het opgevangen water langzaam in de bodem zakt. Als dat niet mogelijk is, of maar deels mogelijk, mag op het gemeentelijke rioolstelsel worden geloosd. Dit met een maximum van 1 liter per m² bebouwd oppervlak per uur, ofwel 1,00 mm per uur (danwel 2,78 l/s*ha). Dit is geregeld in het eerste lid, onder b en het tweede lid, onder b.

Eerste lid:

Hemelwaterbergingen zonder hergebruiksystemen moeten een capaciteit van 60 liter per m2 per vierkante meter bebouwd oppervlak hebben. Dit betekent dat voor een perceel met een totaal bebouwd oppervlak van 100 m2 moet worden voorzien in een vorm van waterberging met een totale capaciteit van 6000 liter.

Tweede lid:

Hemelwaterbergingen met hergebruiksystemen (voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wasmachine) moeten een waterbergende inhoud hebben van 1,5 x 60 = 90 liter per m2 bebouwd oppervlak. Daarvan moet 30% binnen 60 uur weer leeg en beschikbaar zijn, het restant mag worden geledigd op basis van het gebruik van het aangesloten hergebruiksysteem. Dit is geregeld in het tweede lid a, c en d.

Derde lid:

Voor waterbergingen, waaronder ook hergebruiksystemen, die zijn aangestuurd door een centraal besturingssysteem, geldt een apart regime. Die mogen het water langer vasthouden dan de gestelde 60 uur. Dit systeem voorziet in een dynamische besturing die op basis van online neerslagvoorspellingen de aangesloten waterbergingen regelt. Dit is geregeld in het derde lid.

Vierde lid:

De verplichting om te voorzien in een minimale waterbergingscapaciteit van hemelwater geldt voor alle nieuwe gebouwen, ook gebouwen die zonder vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken als bedoeld in artikel 4.7 kan worden gebouwd. Voor gebouwen waarvoor op grond van paragraaf 4.2.3 dan wel op grond van artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving geen vergunning voor de omgevingsplanactiviteiten bouwwerken is vereist, geldt dat wanneer deze moeten zijn voorzien van een groen dak met een minimale waterbergingscapaciteit van 30 liter per m2, deze voldoet aan de eisen van het omgevingsplan. Vergunningsvrije gebouwen bevinden zich voornamelijk in achtertuinen, hebben een relatief klein oppervlak en zijn vaak niet aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Een groen dak compenseert dan deels het verlies aan tuin. Het is niet alleen goed voor de waterberging, maar ook voor het behouden van groen, biodiversiteit, het voorkomen van geluidsreflectie en opwarming.

Vijfde lid:

Als het bebouwd oppervlak wordt uitgebreid, dan zijn de eisen uit de vorige artikelleden niet op het volledige bebouwd oppervlak van toepassing, maar slechts op de uitbreiding van het bebouwd oppervlak. 

Zesde lid:

Het zesde lid brengt tot uitdrukking dat het de voorkeur heeft het hemelwater op het perceel in de bodem te infiltreren. Als dat niet of maar gedeeltelijk kan, kan op het riool of geloosd worden. Het is ook mogelijk op het oppervlaktewater te lozen. Lozing in het riool of oppervlaktewater ook nodig is indien er bij infiltratie van hemelwater in de bodem grondwateroverlast zal optreden. Als er een afzonderlijk hemelwaterriool aanwezig is, dan wordt hemelwater daarop geloosd (en niet op het vuilwaterriool). Bij afwezigheid van een gescheiden hemelwaterriool wordt hemelwater op dat gemengd riool (vuilwaterriool) geloosd.

Zevende lid:

Bij extreme neerslag, die de verplichte waterbergingscapaciteit in het betreffende werkingsgebied te boven gaat, kan gebruik worden gemaakt van de gemeentelijke voorzieningen. Het zevende lid maakt duidelijk dat de waterberging niet bedoeld is om alle mogelijke regenbuien op te vangen. Dit artikellid geeft invulling aan de wettelijke zorgplicht die de gemeente heeft voor het verwerken van hemelwater, als dat redelijkerwijs niet van de (ver)bouwer van een gebouw kan worden gevergd.

GGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

Artikel 5.1 bepaalt dat dit hoofdstuk van toepassing is op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken bouwwerken en regels bevat overop het bouwen en in stand houden van bouwwerken. In dit hoofdstuk zijn ruimtelijke regels opgenomen over waar bouwwerken zijn toegestaan, en in welke omvang. Daarmee lijken de regels in deze afdeling het meest op de bouwregels zoals die voorheen in bestemmingsplannen werden opgenomen. Ze bevatten algemene regels waaraan een bouwwerk op een specifieke locatie moet voldoen. Regels over het gebruik van bouwwerken zijn opgenomen in hoofdstuk 2. Of er wel of geen bouwvergunningplicht geldt voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van deze bouwwerken volgt uit afdeling 4.2. Als er voor bepaalde gevallen geen vergunningplicht geldt, zoals opgenomen in paragraaf 4.2.3, dan moet nog altijd wel voldaan worden aan de in hoofdstuk 5 gestelde regels over bouwwerken. Wanneer de vergunningplicht zoals opgenomen in artikel 4.7 wel van toepassing is, dan moet een aanvraag worden getoetst aan de regels in deze afdeling. Dat volgt uit de in artikel 4.16 opgenomen beoordelingsregel. 

HHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.2 Beperking geografisch toepassingsbereik (overgangsbepaling)

Artikel 5.2 is van overgangsrechtelijke aard. Bepaald is dat afdeling 5.5 tot en met afdeling 5.8 uitsluitend van toepassing zijn ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen'. Daarbuiten gelden de ruimtelijke regels over bouwwerken gelden zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan

In bijlage I is opgenomen dat onder het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan wordt verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke.

Hoewel alle regels in afdeling 5.5 tot en met afdeling 5.8 locatiegericht zijn, heeft een deel van de regels wel heel Amsterdam als werkingsgebied. Met andere woorden, het geografisch werkingsgebied van die regels is niet beperkt tot specifiek in de regel aangegeven locaties, maar bestaat uit heel het gemeentelijk grondgebied. Dat geldt bijvoorbeeld voor artikel 5.15, waarin in het eerste lid is bepaald dat een bovengronds gebouw uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding bouwvlak. Die bepaling is weliswaar locatiegericht (namelijk ter plaatse van het bouwvlak mag een gebouw komen), maar de regel moet overal binnen Amsterdam gelden; de regel bepaalt immers ook dat buiten het bouwvlak geen gebouw mag komen. Omdat uit de regel niet volgt dat het werkingsgebied ervan beperkt is, maakt artikel 1.3 ook duidelijk dat die regel overal geldt. 

Dit soort regels kunnen echter niet ineens voor heel Amsterdam de vergelijkbare regels uit alle ruimtelijke plannen in het tijdelijk deel vervangen. Die regels in dat tijdelijk deel blijven gelden totdat deze bij raadsbesluit zijn komen te vervallen. Dat betekent dat er in het omgevingsplan op één locatie over één en hetzelfde aspect meerdere regels van toepassing kunnen zijn. Artikel 5.2 bepaalt in dat geval dat afdeling 5.5 tot en met afdeling 5.8 niet van toepassing zijn, maar dat de ruimtelijke regels over bouwwerken gelden zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.  

IIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.6 Vangnetbepaling ruimtelijke regels bouwwerken 

Dit artikel bevat een algemene verbodsbepaling op het bouwen, en in stand houden en gebruiken van bouwwerken op een wijze die in strijd is met de in hoofdstuk 5 bedoelde ruimtelijke regels over bouwwerken. 

Het tweede lid bevat een overgangsrechtelijke bepaling voor daar waar het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervallen. 

Het derde lid bepaalt dat, in aanvulling op het eerste en tweede lid, daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld het verboden is een bouwwerk te bouwen, en in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in dat TAM-omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.

In bijlage I is opgenomen dat onder een TAM-omgevingsplan wordt verstaan een wijzigingsbesluit van dit omgevingsplan, dat is gepubliceerd met toepassing van de IMRO-standaarden, bedoeld in artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. In paragraaf 6.4 wordt meer uitgebreid ingegaan op het TAM-omgevingsplan. 

Een TAM-omgevingsplan, dat in juridisch opzicht een integraal onderdeel is van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam, bevat over het algemeen zelf ruimtelijke regels over bouwwerken. Zolang de desbetreffende regels niet met toepassing van STOP-TP technisch zijn geïntegreerd in het Omgevingsplan gemeente Amsterdam, zijn deze regels mede bepalend voor de vraag welk gebruik wel of niet is toegestaan. 

Daarbij is wel aangegeven dat dit in aanvulling is op het eerste en tweede lid. Dat betekent dat het eerste van toepassing blijft. Dat betekent dat voldaan moet worden aan óók de regels, gesteld in hoofdstuk 4. Het betekent dat ook het tweede lid van toepassing blijft, uiteraard voor zover het onder oud recht vastgesteld ruimtelijk plan nog niet is vervallen. In de meeste gevallen zal een TAM-omgevingsplan voor het besluitgebied ervan in de plaats komen van een dergelijk ruimtelijk plan. Het is echter ook mogelijk dat met een TAM-omgevingsplan alleen aanvullende regels worden gegeven. In dat geval moeten ook de regels van het onder oud recht vastgesteld ruimtelijk plan van toepassing blijven. 

JJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.12 Beperkingen op aangewezen locaties

Artikel 5.12 bepaalt, eerste en tweede lid, bepalen dat artikel 5.8, aanhef en onder a, niet van toepassing is ter plaatse van de aanduiding 'niet te bebouwen achtererf'genoemde aanduidingen. Dat maakt dat het op die locaties niet mogelijk is op grond van artikel 5.8, aanhef en onder a, een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding ervan te bouwen, in stand te houden en te gebruiken. Reeds bestaande bijbehorende bouwwerken, of nieuwe bijbehorende bouwwerken of een uitbreiding ervan, kunnen uitsluitend worden geconsolideerd of toegestaan met toepassing van de regels in afdeling 5.5, al dan niet voorafgegaan door een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Wanneer een nieuw bijbehorend bouwwerk, of een uitbreiding van een bestaand bijbehorend bouwwerk, wordt toegestaan met toepassing van de regels in afdeling 5.5, dan is het bouwen, in stand houden en gebruiken ervan vanwege artikel 4.12 vergunningvrij, tenzij een van de daarop van toepassing zijnde beperkingen geldt; in dat laatste geval geldt alsnog een vergunningplicht.  

KKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.13 Beperkingen vanwege strijdigheid met tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-omgevingsplan

In artikel 5.13 is een expliciete beperking opgenomen met betrekking tot artikel 5.8. Bepaald is dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' artikel 5.8, aanhef en onder a, niet van toepassing is voor zover in het daar geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is bepaald, of uit de daarin opgenomen regels volgt, dat de gronden niet dienen te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het voorheen geldende Besluit omgevingsrecht. Deze beperking is nodig omdat in een aantal bestemmingsplannen, die van rechtswege onderdeel zijn geworden van het omgevingsplan, een beperking is opgenomen ten aanzien van artikel 2, bijlage II, van het toenmalige Besluit omgevingsrecht. Dat gebeurde door in de betreffende ruimtelijke plannen een regel op te nemen op grond waarvan de betreffende gronden niet dienen te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het voorheen geldende Besluit omgevingsrecht. Die beperking kan bij het vervangen van het betreffende ruimtelijk deel worden overgenomen met toepassing van artikel 5.12, eerste lid. Totdat dit is verwezenlijkt, moet duidelijk zijn dat de betreffende beperking in het nog geldende ruimtelijk plan onverkort geldt. Artikel 5.13, eerste lid, zorgt daarvoor. 

In het tweede lid is een soortgelijke voorziening getroffen voor het geval in een TAM-omgevingsplan, waarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen, is bepaald dat artikel 5.8 niet van toepassing is. 

LLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.14 Bouwwerken uitsluitend toegestaan ten behoeve van het gebruiksdoel  Vervallen

Artikel 5.14 bepaalt dat bouwwerken uitsluitend mogen worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt ten behoeve van een ter plaatse geldend gebruiksdoel, bedoeld in artikel 2.3. Deze bepaling is van toepassing op alle bouwwerken, vergunningvrij of niet. In zoverre regelt deze bepaling hetzelfde als artikel 2.3

Voor zover een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken nodig is, dan wordt bij de vergunningaanvraag vanwege artikel 4.16 in samenhang met artikel 5.6 en artikel 5.14 ook getoetst of het beoogd gebruik in overeenstemming is met het ter plaatse geldend gebruiksdoel, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, dan wel de ter plaatse geldende bestemming, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid. Deze bepaling geldt overal binnen Amsterdam, ook daar waar nog een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan geldt. Om die reden is ook gerefereerd aan de ter plaatse geldende bestemming, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid.  

Buiten het omgevingsplan om kan met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden afgeweken van de regels in het omgevingsplan. Daarmee kan voor een bestaand gebouw of een nieuw gebouw een ander gebruik worden toegestaan dan dat op grond van artikel 2.4  2.3 is toegestaan. In onderdeel c is geregeld dat een bouwwerk ook gebruikt mag worden op een wijze die in overeenstemming is met een dergelijke verleende buitenplanse omgevingsvergunning. Onderdeel d regelt hetzelfde voor een buitenplanse omgevingsvergunning, verleend onder de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 

MMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.75 Voorgeschreven ontsluiting autoparkeervoorzieningparkeervoorziening

NNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.76 Aanwijzing niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen

In artikel 5.76 is de aanwijzing van niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen geregeld. Op grond van artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving kan in een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, erin worden voorzien dat het geluid op dat gebouw hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 5.78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bepaalde bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen. In het tweede lid van artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat bij de toepassing van het eerste lid in het omgevingsplan wordt bepaald dat de gevel een niet - geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. 

Aan deze mogelijkheid is invulling gegeven met artikel 4.51. Dat artikel biedt de mogelijkheid om de grenswaarde te overschrijden onder voorwaarde dat de in het eerste lid genoemde bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen. In het tweede lid is bepaald dat bij de toepassing van het eerste lid aan de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.7, in elk geval het voorschrift wordt verbonden dat de in het eerste lid bedoelde gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. Hiermee is nog niet voldaan aan het vereiste zoals opgenomen in artikel 5.78y, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, dat in het omgevingsplan wordt bepaald dat de betreffende gevel een niet-geluidluwe gevel met bouwkundige maatregelen is. Om dat te doen is artikel 5.76 opgenomen. 

Eerste lid:

In het eerste lid wordt expliciet gemaakt dat de gevel ter plaatse van de aanduiding 'niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is, bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het aanwijzen van een gevel als niet-geluidgevoelige gevel betekent dat de in het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde standaardwaarden en grenswaarden na de initiële toelating ervan verder niet meer gelden voor die gevel. 

De technische gevolgen voor het bouwwerk van die aanwijzing worden geregeld in artikel 4.103b van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Deze aanduiding betekent onder meer dat het geluidgevoelige gebouw op grond van artikel 4.103b, eerste lid, Bbl 3 dB extra geluidwering krijgt. Hiermee is de geluidwering bestand tegen een toekomstige toename van het geluid. De geluidwering wordt in overeenstemming met regels van het Bbl bepaald voor de uitwendige scheidingsconstructie van een gebouw, dus bijvoorbeeld inclusief het geluidwerende effect van de borstweringen van balkons. Overigens wordt de aanduiding in dit omgevingsplan voorafgegaan door een voorschrift dat aan de omgevingsvergunning voor het bouwwerk wordt verbonden. Daarmee is al wel geborgd dat de maatregelen worden getroffen, maar is nog niet de inzichtelijkheid voor de wegbeheerder gegeven. Daartoe dient dit artikel 5.76

Specifieke aanduiding in het omgevingsplan maakt het voor de beheerders van wegen, spoorwegen en industrieterreinen duidelijk voor welke gevels de standaardwaarden en grenswaarden niet gelden en dat bijvoorbeeld bij de verbreding van een weg voor het betrokken bevoegd gezag direct duidelijk is welke gevels niet hoeven te worden getoetst (zie toelichting bij artikel 4.51). Artikel 5.76 dient dus ook dat doel. 

Tweede lid:

Specifieke aanduiding in het omgevingsplan dat een bepaalde gevel een niet-geluidluwe gevel met bouwkundige maatregelen, zal niet tegelijkertijd met het verlenen van de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.7, kunnen gebeuren. In dit omgevingsvergunning wordt op grond van artikel 4.51, tweede lid, wel het voorschrift gegeven dat de betreffende gevel als zodanig ket worden uitgevoerd. Daarmee is dit vereiste wel bekend bij de initiatiefnemer voor het geluidgevoelig gebouw, maar is dit nog niet kenbaar bij de wegbeheerder. Daarvoor zal eerst het omgevingsplan moeten worden gewijzigd. En hoewel dit een technische wijziging betreft die een reeds vergunde situatie consolideert, zal hierop de normale wijzigingsprocedure van toepassing zijn. Om duidelijk te maken dat er ook sprake kan zijn van een niet-geluidluwe gevel met bouwkundige maatregelen zonder dat dit reeds specifiek in het omgevingsplan is aangeduid, is het tweede lid opgenomen. Daarin is bepaald dat totdat de in het eerste lid bedoelde aanduiding aan een locatie is gegeven, ook als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving, is aangewezen een gevel waarover met toepassing van artikel 4.51, tweede lid, in een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.7, het voorschrift is verbonden dat het een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. 

Overigens geldt ook voor buitenplanse omgevingsvergunningen dat wanneer daarbij wordt voorzien in een niet-geluidluwe gevel met bouwkundige maatregelen, dat dit niet direct specifiek in het omgevingsplan is aangeduid. Daarvoor geldt dat het omgevingsplan binnen een termijn van vijf jaar in overeenstemming moet zijn gebracht moet die vergunning (artikel 4.17 van de Omgevingswet). In beide gevallen geldt dat hoe eerder het omgevingsplan is gewijzigd, hoe eerder voor wegbeheerders duidelijk is waar sprake is van niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen. Dit neemt echter niet weg dat de wegbeheerder altijd verder zal moeten kijken dan het omgevingsplan, niet alleen vanwege de binnenplanse vergunningen, maar ook vanwege de buitenplanse.   

Derde lid:

In het derde lid is, analoog aan artikel 4.51, eerste lid, bepaald dat ter plaatse van de aanduiding 'geluidgevoelig gebouw met niet-geluidgevoelige gevel' ter plaatse van de aanduiding 'niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' aan een geluidgevoelig gebouw maatregelen dienen te worden getroffen en in stand gehouden die:

  • a.

    bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of

  • b.

    borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde.

Omdat deze bepaling niet alleen betrekking heeft op nog te bouwen geluidgevoelige gebouwen, maar ook op bestaande, is expliciet bepaald dat de betreffende maatregelen niet alleen moeten worden getroffen, maar ook in stand moeten worden gehouden. Overigens volgt dit ook uit de vergunning, bedoeld in artikel 4.7, die immers ook betrekking heeft op het in stand houden van het bouwwerk.  

Vierde lid:

Het vierde lid voorziet erin dat de verplichte realisatie van een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen alleen geldt voor die verdiepingen waar dat nodig is. Het bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwlaag met niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' het eerste lid alleen van toepassing is op de daar bepaalde bouwlaag of bouwlagen. Dat moet voorkomen dat er geveldelen worden uitgevoerd als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, zonder dat dit nodig is. 

Tot slot: geen binnenplanse afwijkmogelijkheid:

Onder oud recht werd in bestemmingsplannen vaak voorzien in een globale regeling, waarbij een dove gevel werd voorgeschreven, maar waarvan met een binnenplanse afwijkvergunning van die verplichting kon worden afgeweken. Een dergelijke afwijkvergunning kon dan worden verleend wanneer vanwege bijvoorbeeld gewijzigde omstandigheden als nog aan een vastgestelde hogere waarde of aan de voorkeursgrenswaarde kon worden voldaan. 

Een dergelijke systematiek is niet langer gewenst, omdat wegbeheerders bij het vaststellen van geluidproductieplafonds geen rekening wordt gehouden met het geluid op die niet-geluidgevoelige gevels. Dat geldt ook als geluidproductieplafonds worden verhoogd en het geluid toeneemt. Ook bij wegverbreding geldt dat voor het betrokken bevoegd gezag direct duidelijk dat aan die gevels niet hoeft te worden getoetst Om inzicht te krijgen in waar zich niet-geluidgevoelige gevels bevinden, zal de wegbeheerder naar verwachting eerst kijken in het omgevingsplan. Bij als zodanig aangegeven gevels, hoeft niet te worden getoetst (artikelen 3.18 en 5.78i van het Besluit kwaliteit leefomgeving). 

Wanneer binnenplanse kan worden afgeweken van de verplichting een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen ook daadwerkelijk als zodanig uit te voeren, dan zou de situatie zich kunnen voordoen dat bij het vaststellen of wijzigen van geluidproductieplafonds geen rekening wordt gehouden met geluid op een gevel die in het omgevingsplan weliswaar als niet-geluidgevoelig is aangemerkt, maar die niet als zodanig is uitgevoerd omdat ontheffing was verleend. Dat zou het ongewenste gevolg kunnen hebben dat op enig moment alsnog de grenswaarde wordt overschreden, echter zonder dat de negatieve gevolgen daarvan worden voorkomen door bronmaatregelen of bouwkundige maatregelen aan de gevel. Wanneer een gevel in het omgevingsplan is aangeduid als een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen, dan wordt ervan uitgegaan dat die gevel ook als zodanig is uitgevoerd. 

De verwachting is dat de behoefte aan een globale regeling, zoals in bestemmingsplannen veelal werd gehanteerd, minder groot zal zijn nu in het omgevingsplan is gekozen voor het doorschuiven van de definitieve afweging naar de omgevingsvergunning. Daarmee wordt immers direct op het niveau van de concrete bouwaanvraag beoordeeld of wel of geen niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen nodig is. 

Dit neemt niet weg dat zich altijd de situatie kan voordoen dat vanwege gewijzigde omstandigheden een lagere geluidbelasting zal optreden dan de grenswaarde, waardoor een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen niet langer nodig is. Het als zodanig uitvoeren van de gevel zal dan in veel gevallen ook ongewenst zijn. Dit kan worden bereikt door het omgevingsplan op dat moment te wijzingen en de aanduiding te laten vervallen, of door middel van een buitenplanse omgevingsvergunning ontheffing te verlenen van de verplichting de gevel als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen uit te voeren. Dit laatste is ongewenst, om dezelfde reden als waarom een binnenplanse afwijkmogelijkheid ongewenst is. Mocht daaraan desondanks toepassing worden gegeven dan is het zaak zo snel mogelijk nadat die vergunning is verleend het omgevingsplan alsnog te wijzingen, zodat voor wegbeheerders duidelijk is dat men wel rekening dient te houden met die gevel, waardoor de hiervoor geschetst situatie zich niet zal voordoen. 

OOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.13 Advies netbeheerder

Dit artikel bepaalt dat het bevoegd gezag schriftelijk of elektronisch advies inwint bij de beheerder van het hoogspanningsnetwerk over de vraag of door de voorgenomen aanlegactiviteit het belang, bedoeld in artikel 6.8, derde lid, niet onevenredig wordt geschaad en welke voorwaarden indien nodig kunnen worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade. Het tweede lid maakt duidelijk op welke wijze het advies bij de besluitvoering wordt betrokken. 

PPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.20 Advies netbeheerder

Het is van belang dat de beheerder van het hoogspanningsnetwerk vooraf op de hoogte wordt gesteld van de voorgenomen aanlegactiviteiten nabij de verbinding. Dit artikel bepaalt daarom dat het bevoegd gezag voordat wordt besloten over een aanvraag als bedoeld in artikel 6.16 advies vraagt aan de beheerder over de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het belang bedoeld in artikel 6.15, derde lid en over de benodigde voorschriften ter voorkoming van eventuele schade. Het tweede lid maakt duidelijk op welke wijze het advies bij de besluitvoering wordt betrokken. 

QQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.27 Advies leidingbeheerder 

Het is van belang dat de beheerder van de leiding vooraf op de hoogte wordt gesteld van de voorgenomen werkzaamheden. Tevens kan de beheerder deskundig advies geven over de gevolgen van de voorgenomen activiteit en de eventuele benodigde maatregelen ter voorkoming van eventuele schade. Het tweede lid maakt duidelijk op welke wijze het advies bij de besluitvoering wordt betrokken. 

RRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1 Toepassingsbereik

Hoofdstuk 7 bevat een regeling met betrekking tot het aanleggen of wijzigen van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg, of het wijzigen van gebruik van een lokale spoorweg, met het oog op het voorkomen van een onaanvaardbare mate van geluid op geluidgevoelige gebouwen. Met de regeling wordt uitvoering gegeven aan een deel de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het gaat om dat deel van de instructieregels die betrekking hebben op het geluid door de aanleg of wijziging van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg, of door de wijziging van gebruik van een lokale spoorweg. Artikel 7.1 bepaalt het toepassingsbereik van hoofdstuk 7. 

Eerste lid:

Het eerste lid regelt dat dit hoofdstuk van toepassing is op het geluid op de gevel van een geluidgevoelige gebouw als gevolg van de aanleg of wijziging van bepaalde wegen en lokale spoorwegen en op de wijziging van gebruik van een lokale spoorweg.

Onderdeel a: 

Onderdeel a maakt duidelijk dat het niet om alle wegen gaat. Het gaat alleen om verharde gemeentewegen en waterschapswegen waar ten minste 1.000 motorvoertuigen per etmaal van gebruik maken. Dit betekent dat wegen met weinig verkeer niet onder het toepassingsbereik vallen. Bepalend hierbij is de verwachte verkeersintensiteit in de te toetsen situatie. Dat is meestal de situatie in het maatgevend jaar. Dit is over het algemeen de situatie tien jaar na de beoogde realisatie van de wijziging die met een besluit wordt mogelijk gemaakt, in dit hoofdstuk de aanleg of wijziging van infrastructuur. Als een omgevingsplan zodanige ontwikkelingen toelaat dat de verkeersintensiteit op een rustige weg alsnog zal toenemen tot meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal, is het bepaalde in hoofdstuk 7 hierop van toepassing. 

De keuze voor 1.000 motorvoertuigen per etmaal is door het Rijk gebaseerd op de standaardwaarde. Onder deze drempel is de kans op het overschrijden van de standaardwaarde klein. Dat laatste is ook het geval voor niet verharde wegen en de wegen die in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 zijn aangewezen als erf. Daarom blijven ook die op grond van onderdeel a buiten beschouwing.

Onderdeel b:

Onder b is bepaald dat dit hoofdstuk ook van toepassing is op het geluid door de aanleg of wijziging van een lokale spoorweg, voor zover die niet bij omgevingsverordening zijn aangewezen (en geen geluidproductieplafonds hebben). Hiermee wordt aangesloten op artikel 5.78i, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

Op grond van de Omgevingswet wordt onder een lokale spoorweg verstaan een spoorweg die krachtens artikel 2, eerste lid, van de Wet lokaal spoor als zodanig is aangewezen. Daarin is bepaald dat lokale spoorwegen bij koninklijk besluit worden aangewezen. In het Besluit aanwijzing lokale spoorwegen zijn als lokale spoorweg aangewezen de spoorwegen, niet zijnde spoorwegen die uitsluitend in gebruik zijn ten behoeve van strikt historisch of toeristisch vervoer en niet zijnde spoorwegen in particulier eigendom die uitsluitend door de eigenaar voor diens goederenvervoer gebruikt worden, gelegen binnen de gemeente [   ] Amsterdam [   ], alsmede de daaraan verbonden spoorwegen naar de terreinen van werkplaatsen en remises.

Een lokale spoorweg is dus een spoorweg voor openbaar vervoer van personen met lokale spoorvervoerders of voor goederenvervoer, zoals (snel)tram of metro; hoofdspoorwegen zijn geen lokale spoorweg. Ook de terreinen van werkplaatsen en remises vallen er niet onder (artikel 3.24, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Voor het bepalen van het geluid voor lokaal spoor wordt dus alleen het geluid van doorgaand spoorverkeer wordt beschouwd. Het geluid van remises en werkplaatsen wordt afzonderlijk beoordeeld.

Onderdeel c: 

Onder c is bepaald dat het hoofdstuk ook van toepassing op het geluid als gevolg van de wijziging van gebruik van een lokale spoorweg. 

De bedoelde wijziging in het gebruik van een lokale spoorweg betreft besluiten en keuzes van gedeputeerde staten, het dagelijks bestuur van een vervoerregio, of de concessiehouder. De genoemde wijzigingen van het gebruik leiden in veel gevallen tot een toename van het geluid. De wijziging van het gebruik van een lokale spoorweg is zo gedefinieerd, dat alleen akoestisch relevante veranderingen een wijziging zijn in de zin van dit hoofdstuk. In artikel 5.78k van het Besluit kwaliteit leefomgeving is de grens is gelegd bij een toename van het geluid met meer dan 1,5 dB. Over het algemeen worden deze wijzigingen in het gebruik geregeld op grond van de Wet lokaal spoor en de Wet personenvervoer 2000.

Op grond van de Wet lokaal spoor berust de zorg voor de aanleg en het beheer van lokale spoorwegen bij gedeputeerde staten of het dagelijks bestuur van een vervoerregio. Zij belasten de beheerder van de lokale spoorweg of de vervoerder met de verkeersleiding over de lokale spoorweg. Hiertoe behoort onder meer de zorg voor een goede afwikkeling van het spoorverkeer en het treffen van de noodzakelijke verkeersmaatregelen.

Het openbaar vervoer over lokale spoorwegen vindt plaats door middel van daartoe door gedeputeerde staten of het dagelijks bestuur van een vervoerregio verleende concessies op grond van de Wet personenvervoer 2000. Een concessie bevat een omschrijving van het openbaar vervoer dat door de concessiehouder wordt aangeboden, van het gebied en van de duur waarvoor de concessie wordt verleend. Daarnaast bevat een concessie over het algemeen diverse kwaliteitseisen, waaronder de verbindingen die worden aangeboden, toegankelijkheid van voertuigen en milieueisen waaraan voertuigen moeten voldoen.

Voor het openbaar vervoer over lokale spoorwegen worden dienstregelingen vastgesteld. Er zal dus niet zomaar een autonome groei van verkeer optreden. Het verhogen van de treinintensiteit is dan een bewuste keuze van de concessiehouder.

Tweede lid:

Het tweede lid bepaalt (in navolging van artikel 5.78i van het Besluit kwaliteit leefomgeving) dat dit hoofdstuk niet van toepassing is op het geluid op een niet-geluidgevoelige gevel. Dat betekent dat de in dit hoofdstuk opgenomen regels over het geluid afkomstig van wegen en lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds niet van toepassing zijn op het geluid op niet-geluidgevoelige gevels. Er wordt dus geen rekening gehouden met het geluid op niet-geluidgevoelige gevels. Een niet-geluidgevoelige gevel is een gevel van een geluidgevoelig gebouw die op grond van het omgevingsplan als zodanig is aangemerkt, of die op grond van artikel 12.13g van het overgangsrecht in dat besluit als zodanig is aangemerkt (zie de begripsomschrijving in bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving).  

Derde lid:

Het derde lid bepaalt dat dit hoofdstuk uitsluitend geldt ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel vervallen'. Het betreft die gebieden waar een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan is vervangen. 

Daarbuiten geldt afdeling 22.4. Het betreft de gebieden waar het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervangen. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dat de aanleg of wijziging van een (spoor)weg mogelijk maakt, werd veelal in een finale beoordeling van de aanvaardbaarheid van het geluid voorzien. In dat geval kan van een nadere beoordeling worden afgezien, tenzij op grond van afdeling 22.4 alsnog een beoordeling nodig is.

Vierde lid:

Het vierde lid bevat een uitzondering op het derde lid. Zoals toegelicht in paragraaf 6.4 heeft het Rijk tijdelijk een alternatieve maatregel beschikbaar gesteld voor het publiceren van wijzigingen van het omgevingsplan: de TAM-IMRO. Daarmee hoeft niet via de nieuwe digitale standaarden een wijziging van het omgevingsplan beschikbaar gesteld te worden, maar kan dat nog via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening). Direct na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er tijdelijk geen plicht om de STOP/TPOD te gebruiken. Dit regelt artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO wordt een TAM-omgevingsplan genoemd. 

Hoewel een TAM-omgevingsplan met de oude standaard wordt gepubliceerd, waardoor het digitaal-technisch geen onderdeel is van het omgevingsplan, maakt het juridisch gezien daarvan wel onderdeel uit. Een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met toepassing van TAM-IMRO zal in heel veel gevallen gepaard gaan met het voor het besluitgebied laten vervallen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Echter kan daarbij niet de aanduiding, bedoeld in het derde lid, aan het besluitgebied worden gegeven met toepassing van de nieuwe standaard STOP-TP. Daaraan staat juist de toepassing van de oude standaard in de weg. Om hoofdstuk 7 toch van toepassing te laten zijn, bepaalt het vierde lid dat, in afwijking van het derde lid, dit hoofdstuk ook geldt ter plaatse van het besluitgebied van een TAM-omgevingsplan, maar uitsluitend voor zover daarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is komen te vervallen.

Die laatste uitzondering is nodig omdat een TAM-omgevingsplan niet altijd gepaard hoeft te gaan met het laten vervallen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. In dat geval blijft bijvoorbeeld een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan gewoon van toepassing, maar worden er met een TAM-omgevingsplan nieuwe regels toegevoegd. In dat geval blijft dit hoofdstuk buiten toepassing.  

SSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.11 Aanvraagvereisten algemeen

Artikel 10.11 bevat aanvraagvereisten die gelden voor iedere activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument. Dit artikel komt in de plaats van artikel 22.287 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. 

Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten in artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (ondertekening, naam en adres van de aanvrager, dagtekening en aanduiding van de gevraagde beschikking) en de aanvraagvereisten in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling (aanduiding van de activiteit, elektronisch adres en telefoonnummer van de aanvrager, aanduiding en begrenzing van de locatie van de activiteit en eventuele gegevens van een gemachtigde). 

Onderdeel a 

Onderdeel a van dit artikel betreft de identificatie van het gemeentelijk monument waarop de aanvraag betrekking heeft. 

Onderdeel b 

Onderdeel b betreft informatie over het huidige en het beoogde gebruik na verlening van de omgevingsvergunning. Deze gegevens zijn nodig om nut en noodzaak van de activiteit en de gevolgen daarvan voor het gemeentelijk monument te kunnen beoordelen. 

Onderdeel c 

Onderdeel c is nieuw ten opzichte van de voormalige Regeling omgevingsrecht. Dit aanvraagvereiste werd in de praktijk gemist, en dient enerzijds om inzicht te krijgen in de belangen van de aanvrager en de keuzes die ten grondslag liggen aan de aanvraag en anderzijds in de gevolgen voor (de monumentale waarde van) het gemeentelijk monument. Het aanvraagvereiste sluit ook aan op de algemene zorgplicht in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. Die brengt met zich dat een initiatiefnemer voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd nadelige gevolgen voor het gemeentelijk monument zoveel mogelijk moet voorkomen of beperken, of, als dit niet mogelijk is, de activiteit (in die vorm) achterwege laat. Overigens hoeft niet elk verlies van monumentale waarden tot weigering van de omgevingsvergunning te leiden. Bij de belangenafweging worden ook de belangen van de aanvrager betrokken. Dit volgt onder meer uit artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Vooroverleg met het bevoegd gezag is nuttig om te komen tot een haalbaar plan. De aanvrager kan in het kader van het aanvraagvereiste in dit onderdeel refereren aan dit overleg. 

Aanvullende aanvraagvereisten in de artikelen  10.12  tot en met  10.16

In artikel 10.11 zijn de algemene aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument opgenomen, die bij iedere aanvraag van toepassing zijn. 

Voor het overige zijn de aanvraagvereisten in verschillende artikelen gespecificeerd voor de volgende activiteiten: 

  • a.

    activiteiten die betrekking hebben op archeologische monumenten; 

  • b.

    het slopen (= geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen) van monumenten; 

  • c.

    het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van monumenten; 

  • d.

    het wijzigen van een monument (restauratie, verbouw, reconstructie of op een andere manier wijzigen) of het door herstel ontsieren of in gevaar brengen van een monument; 

  • e.

    het gebruiken van een monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.  

De artikelen 10.12 tot en met 10.16 voorzien in specifieke aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument. Bij een gemeentelijk monument gaat het op grond van bijlage I bij het Bbl om een monument of archeologisch monument als bedoeld in de Erfgoedwet waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven. Op grond van artikel 22.295 10.1, eerste lid, zijn deze aanvraagvereisten van overeenkomstige toepassing op eventuele voorbeschermde gemeentelijke monumenten in dit omgevingsplan. Bijlage I bij het Bbl definieert een voorbeschermd gemeentelijk monument voor zover in het kader van het omgevingsplan van belang als een monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding van gemeentelijk monument te geven. De artikelen 22.287  10.12 tot en met 22.295  10.16 zijn ook van toepassing op monumenten en archeologische momenten die een (voor)beschermde status hebben op grond van een gemeentelijke verordening en nog niet via een voorbeschermingsregel of functie-aanduiding in het omgevingsplan zijn overgezet. Dit volgt uit  artikel 22.2  10.1, derde en vierde lid van dit omgevingsplan. 

Voor de leesbaarheid wordt hierna alleen van gemeentelijk monument gesproken, maar kan steeds ook voorbeschermd gemeentelijk monument worden gelezen. 

Omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument komen overeen met de activiteiten die op grond van de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet onder de ‘rijksmonumentenactiviteit’ vallen: het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een monument of een archeologisch monument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Waar in deze begripsomschrijving gesproken wordt van ‘monument’ wordt alleen op gebouwde en aangelegde (groene) monumenten gedoeld. Waar gesproken wordt van ‘archeologisch monument’ wordt gedoeld op een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen (zie de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet en artikel 1.1 van de Erfgoedwet). 

Voor deze aanvraagvereisten hebben, zoals hierboven al aangegeven, de indieningsvereisten in de voormalige Regeling omgevingsrecht onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als basis gediend, aangevuld met indieningsvereisten voor archeologische rijksmonumenten op grond van de Monumentenwet 1988. De redactie is daarbij wel aangepast aan voortschrijdend inzicht en aan de stelselkeuzes van de Omgevingswet. 

Met deze uitsplitsing in activiteiten wordt voorkomen dat initiatiefnemers (vergunningaanvragers) worden geconfronteerd met aanvraagvereisten die niet relevant voor hen zijn. Deze insteek bestond al in de voormalige Regeling omgevingsrecht, maar is nu verder vereenvoudigd. Bij een aantal artikelen is ook een splitsing aangebracht in aanvraagvereisten die in beginsel altijd noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de voorgenomen activiteit in relatie tot het monument of archeologisch monument en zijn monumentale waarde (eerste lid), en aanvraagvereisten die niet in alle gevallen nodig zijn of die alleen voor bepaalde soorten gemeentelijke monumenten van toepassing zijn (tweede lid). 

De aard en de omvang van de activiteit en het soort gemeentelijk monument bepalen welke aanvraagvereisten in een concreet geval van toepassing zijn. Zo zijn voor de beoordeling van een vergunningaanvraag voor uitvoering van een restauratie- of (ver)bouwplan meer gegevens en bescheiden noodzakelijk dan voor het beoordelen van een vergunningaanvraag voor het aanbrengen van gevelreclame. Voorafgaand aan ingrijpende restauraties is het uitvoeren van een bouwhistorisch onderzoek vaak wenselijk, terwijl dit voor kleinere herstelwerkzaamheden meestal niet aan de orde zal zijn. Ook de locatie van de activiteiten is voor de aanvraagvereisten van belang. Als er werkzaamheden in het interieur worden uitgevoerd, zijn interieurfoto’s nodig, maar deze zijn doorgaans niet relevant als de ingrepen alleen de buitenkant van het monument betreffen. 

Door de grote verscheidenheid aan activiteiten die van invloed kunnen zijn op de monumentale waarde van een monument of archeologisch monument is geen volledig dekkend beeld te geven van alle mogelijke aanvraagvereisten. Het bevoegd gezag kan in specifieke gevallen, naast de genoemde aanvraagvereisten, op grond van artikel 4:2, tweede lid, in samenhang met artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht ook nog andere aanvraagvereisten formuleren. De gevraagde informatie moet uiteraard wel noodzakelijk zijn voor, en in directe relatie te staan tot, de beoordeling van de aanvraag. Het is dan ook in het algemeen bij voorgenomen omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument raadzaam voor een aanvrager om eerst in vooroverleg te treden met het bevoegd gezag en daarna pas over te gaan tot het maken van definitieve plannen. Zo krijgt hij vroegtijdig inzicht in welke aanvullende aanvraagvereisten in het concrete geval nodig worden geacht en kan rekening worden gehouden met eventuele toepasselijke kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten. 

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag zal het belang van de (archeologische) monumentenzorg bij het behoud van het monument of archeologisch monument in redelijkheid moeten worden afgewogen tegen de belangen van de aanvrager (eigenaar/gebruiker) en die van derde belanghebbenden. Bij die belangenafweging staat het voorkomen van nadelige gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het monument of archeologisch monument en de monumentale waarden ervan voorop. 

Ook zal er bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning rekening moeten worden gehouden met de volgende beginselen uit het verdrag van Granada (de op 3 oktober 1985 te Granada tot stand gekomen Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa; Trb. 1985, 163) en het verdrag van Valletta (het op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen herziene Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed; Trb. 1992, 32): 

  • a.

    het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten, 

  • b.

    het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van die monumenten,

  • c.

    het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden, en 

  • d.

    het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. 

Een aanvraag moet dus voldoende inzicht geven in de reden, aard en omvang van de activiteit, de impact op het monument of archeologisch monument en de monumentale waarde ervan, en het (voorgenomen) gebruik van het monument of archeologisch monument.

TTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders

UUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.278 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

Wat in artikel 22.334.17 van dit omgevingsplan is geregeld voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, is in artikel 22.278 op vergelijkbare wijze geregeld voor de omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid (ook wel de aanlegvergunning of aanlegactiviteit genoemd). Net als voor bouwactiviteiten regelde de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in artikel 3.3 een voorbeschermingsregime in de vorm van een aanhoudingsplicht voor de beslissing op aanvragen om een omgevingsvergunning voor de hier bedoelde aanlegactiviteiten. Voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit dergelijke aanlegactiviteiten komt artikel 22.278 voor de regeling uit artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in de plaats. Voor zijn verdere werking is artikel 22.278 identiek aan de werking van artikel 4.17. Voor de toelichting op die werking wordt dan ook verwezen naar de toelichting op artikel 4.17.

Derde lid: 

In het derde lid is artikel 2.5 van de Vangnetregeling Omgevingswet geintegreerd in de bruidsschat. Met artikel 2.2 Vangnetregeling Omgevingswet is artikel 22.278 van de bruidsschat aangevuld. De in artikel 22.278 opgenomen grondslagen om een onder nieuw recht ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid, werden daarmee uitgebreid. De aanvullende bepalingen regelen dat zo’n vergunning ook moet worden geweigerd als sprake is van een nog onder oud recht lopende procedure van een bestemmingsplan of inpassingsplan op grond van de voormalige Wet ruimtelijke ordening. De vergunning kan worden verleend als de activiteit in overeenstemming is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Hiermee wordt het regime van voorbereidingsbescherming, zoals dat bestond onder artikel 3.3 van de voormalige Wabo, voortgezet met de mogelijkheid de vergunning te weigeren. Hiermee wordt voorkomen dat voorbereidingsbescherming verloren zou gaan en onbedoeld vergunning zou moeten worden verleend voor ontwikkelingen die met het oog op de in voorbereiding zijnde nieuwe regeling ongewenst zijn. Hier is sprake van een ontbrekend overgangsrecht, wat in specifieke situaties onredelijk is. Duidelijkheidshalve is de inhoud van artikel 2.2 Vangnetregeling Omgevingswet geïntegreerd in het omgevingsplan. Daarmee staan de weigeringsgronden bij elkaar. 

VVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.283 Toepassingsbereik

Onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren de indieningsvereisten voor omgevingsvergunningen op rijksniveau geregeld, ook als de vergunningplicht was ingesteld in een bestemmingsplan of gemeentelijke verordening. Deze indieningsvereisten waren opgenomen in de voormalige Regeling omgevingsrecht en komen, voor zover het gaat om die laatste vergunningen, niet meer terug op rijksniveau. Daarom worden deze opgenomen in deze paragraaf. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in een bestemmingsplan, maken die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel uit van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van die wet. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in gemeentelijke verordeningen (artikel 2.2 van die wet) houden de aanvraagvereisten verband met artikel 22.8 van de Omgevingswet. Artikel 22.8 van de Omgevingswet brengt met zich dat zolang deze vergunningenstelsels nog niet zijn overgeheveld naar het omgevingsplan, de regeling van artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht feitelijk wordt gecontinueerd. Een in een autonome verordening opgenomen vergunningplicht, die krachtens artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werd aangemerkt als een Wabo-omgevingsvergunningplicht, wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet aangemerkt als een omgevingsvergunningplicht op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.

In deze afdeling zijn daarnaast nog de aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor twee andere activiteiten opgenomen. In de eerste plaats de activiteit die strekt tot het afwijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, waarvoor in dat tijdelijke deel is bepaald dat daarvan bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken. De hiermee samenhangende vergunningplicht die onder de gelding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht volgde uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, is opgenomen in artikel 22.280 van dit omgevingsplan. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de hiervoor gegeven toelichting op dat artikel.

De tweede activiteit waarvoor deze afdeling nog aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning bevat, is het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Ook dat artikel is een overgangsrechtelijke bepaling.

In artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was een vergunningplicht opgenomen voor het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht. Onder de Omgevingswet is dit geen afzonderlijke, in artikel 5.1 van die wet geregelde vergunningplicht meer, maar wordt het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten onderdeel van het omgevingsplan. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat bestemmingsplannen nog uitgingen van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing. Vanwege dit beschermingsregime zijn ook de indieningsvereisten voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zoals die waren opgenomen in artikel 6.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht naar deze afdeling overgeheveld.

De vier categorieën activiteiten waarop de aanvraagvereisten in deze afdeling betrekking hebben, komen terug in de nadere onderverdeling van paragraaf 22.5.2 van deze afdeling in een viertal subparagrafen.

De indieningsvereisten uit de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komen niet allemaal in identieke bewoordingen als aanvraagvereisten terug. Dat kan alleen al niet vanwege de begrippen uit het oude recht die in die regels voorkomen. In de artikelen 22.2 en 22.14 van de Omgevingswet is bepaald dat de bruidsschat bestaat uit rijksregels of daaraan gelijkwaardige regels. Door aan te sluiten op de terminologie van het nieuwe stelsel wordt invulling gegeven aan het opstellen van gelijkwaardige regels. Dat betekent bijvoorbeeld dat het begrip locatie wordt gehanteerd en niet het begrip grond. Wat betreft de aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument is aangesloten bij de formulering van de aanvraagvereisten voor een rijksmonumentenactiviteit die in de Omgevingsregeling zijn opgenomen.

De artikelen 22.287 tot en met 22.295 voorzien in specifieke aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument. Bij een gemeentelijk monument gaat het op grond van bijlage I bij het Bbl om een monument of archeologisch monument als bedoeld in de Erfgoedwet waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven. Op grond van artikel 22.295 zijn deze aanvraagvereisten van overeenkomstige toepassing op eventuele voorbeschermde gemeentelijke monumenten in dit omgevingsplan. Bijlage I bij het Bbl definieert een voorbeschermd gemeentelijk monument voor zover in het kader van het omgevingsplan van belang als een monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding van gemeentelijk monument te geven. De artikelen 22.287 tot en met 22.295 zijn ook van toepassing op monumenten en archeologische momenten die een (voor)beschermde status hebben op grond van een gemeentelijke verordening en nog niet via een voorbeschermingsregel of functie-aanduiding in het omgevingsplan zijn overgezet. Dit volgt uit artikel 22.2 van dit omgevingsplan.

Voor de leesbaarheid wordt hierna alleen van gemeentelijk monument gesproken, maar kan steeds ook voorbeschermd gemeentelijk monument worden gelezen.

Omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument komen overeen met de activiteiten die op grond van de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet onder de «rijksmonumentenactiviteit» vallen: het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een monument of een archeologisch monument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Waar in deze begripsomschrijving gesproken wordt van «monument» wordt alleen op gebouwde en aangelegde (groene) monumenten gedoeld. Waar gesproken wordt van «archeologisch monument» wordt gedoeld op een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen (zie de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet en artikel 1.1 van de Erfgoedwet).

Voor deze aanvraagvereisten hebben, zoals hierboven al aangegeven, de indieningsvereisten in de voormalige Regeling omgevingsrecht onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als basis gediend, aangevuld met indieningsvereisten voor archeologische rijksmonumenten op grond van de Monumentenwet 1988. De redactie is daarbij wel aangepast aan voortschrijdend inzicht en aan de stelselkeuzes van de Omgevingswet.

In 22.276 zijn de algemene aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument opgenomen, die bij iedere aanvraag van toepassing zijn. Voor het overige zijn de aanvraagvereisten in verschillende artikelen gespecificeerd voor de volgende activiteiten:

  • –.

    activiteiten die betrekking hebben op archeologische monumenten;

  • –.

    het slopen (= geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen) van monumenten;

  • –.

    het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van monumenten;

  • –.

    het wijzigen van een monument (restauratie, verbouw, reconstructie of op een andere manier wijzigen) of het door herstel ontsieren of in gevaar brengen van een monument;

  • –.

    het gebruiken van een monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Ook zijn er twee artikelen opgenomen met eisen aan tekeningen, een voor monumenten en een voor archeologische monumenten.

Met deze uitsplitsing in activiteiten wordt voorkomen dat initiatiefnemers (vergunningaanvragers) worden geconfronteerd met aanvraagvereisten die niet relevant voor hen zijn. Deze insteek bestond al in de voormalige Regeling omgevingsrecht, maar is nu verder vereenvoudigd. Bij een aantal artikelen is ook een splitsing aangebracht in aanvraagvereisten die in beginsel altijd noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de voorgenomen activiteit in relatie tot het monument of archeologisch monument en zijn monumentale waarde (eerste lid), en aanvraagvereisten die niet in alle gevallen nodig zijn of die alleen voor bepaalde soorten gemeentelijke monumenten van toepassing zijn (tweede lid).

De aard en de omvang van de activiteit en het soort gemeentelijk monument bepalen welke aanvraagvereisten in een concreet geval van toepassing zijn. Zo zijn voor de beoordeling van een vergunningaanvraag voor uitvoering van een restauratie- of (ver)bouwplan meer gegevens en bescheiden noodzakelijk dan voor het beoordelen van een vergunningaanvraag voor het aanbrengen van gevelreclame. Voorafgaand aan ingrijpende restauraties is het uitvoeren van een bouwhistorisch onderzoek vaak wenselijk, terwijl dit voor kleinere herstelwerkzaamheden meestal niet aan de orde zal zijn. Ook de locatie van de activiteiten is voor de aanvraagvereisten van belang. Als er werkzaamheden in het interieur worden uitgevoerd, zijn interieurfoto’s nodig, maar deze zijn doorgaans niet relevant als de ingrepen alleen de buitenkant van het monument betreffen.

Door de grote verscheidenheid aan activiteiten die van invloed kunnen zijn op de monumentale waarde van een monument of archeologisch monument is geen volledig dekkend beeld te geven van alle mogelijke aanvraagvereisten. Het bevoegd gezag kan in specifieke gevallen, naast de genoemde aanvraagvereisten, op grond van artikel 4:2, tweede lid, in samenhang met artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht ook nog andere aanvraagvereisten formuleren. De gevraagde informatie moet uiteraard wel noodzakelijk zijn voor, en in directe relatie te staan tot, de beoordeling van de aanvraag. Het is dan ook in het algemeen bij voorgenomen omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument raadzaam voor een aanvrager om eerst in vooroverleg te treden met het bevoegd gezag en daarna pas over te gaan tot het maken van definitieve plannen. Zo krijgt hij vroegtijdig inzicht in welke aanvullende aanvraagvereisten in het concrete geval nodig worden geacht en kan rekening worden gehouden met eventuele toepasselijke kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten.

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag zal het belang van de (archeologische) monumentenzorg bij het behoud van het monument of archeologisch monument in redelijkheid moeten worden afgewogen tegen de belangen van de aanvrager (eigenaar/gebruiker) en die van derde belanghebbenden. Bij die belangenafweging staat het voorkomen van nadelige gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het monument of archeologisch monument en de monumentale waarden ervan voorop. Ook zal er bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning rekening moeten worden gehouden met de volgende beginselen uit het verdrag van Granada (de op 3 oktober 1985 te Granada tot stand gekomen Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa; Trb. 1985, 163) en het verdrag van Valletta (het op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen herziene Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed; Trb. 1992, 32):

  • a.

    het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten,

  • b.

    het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van die monumenten,

  • c.

    het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden, en

  • d.

    het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

Een aanvraag moet dus voldoende inzicht geven in de reden, aard en omvang van de activiteit, de impact op het monument of archeologisch monument en de monumentale waarde ervan, en het (voorgenomen) gebruik van het monument of archeologisch monument.

De artikelen 22.287 tot en met 22.295 voorzagen in specifieke aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument. Deze artikelen zijn vervangen door de artikelen 10.11 tot en met 10.16. Op grond van artikel 10.2 zijn deze artikelen ook van toepassing op de vergunningplicht voor activiteiten met betrekking tot gemeentelijke monumenten, zoals opgenomen in de Erfgoedverordening, zolang die erfgoedverordening nodig niet is vervallen.

Toelichting

1 Artikel I: het wijzigen van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam, conform de wijzigingen zoals opgenomen in Bijlage A van het Wijzigingsbesluit

Artikel I voorziet erin het Omgevingsplan gemeente Amsterdam te wijzigen, conform de wijzigingen zoals opgenomen in Bijlage A. Die bijlage A bevat in renvooiweergave de daadwerkelijke wijziging van het omgevingsplan. Die wijzigingen leiden tot een nieuwe versie van het omgevingsplan, die geconsolideerd wordt weergegeven in de landelijke voorzieningen. Na publicatie in de landelijke voorzieningen zal het wijzigingsbesluit en de consolidatie ervan raadpleegbaar zijn in de landelijke voorzieningen. 

In de Motivering wordt het wijzigingsbesluit juridisch onderbouwd. 

2 Artikel II: inwerkingtredingsdatum

Artikel 16.78, eerste lid, van de Omgevingswet bepaalt dat een besluit tot wijziging van een omgevingsplan in werking treedt op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit bekend is gemaakt, tenzij bij het besluit een later tijdstip is bepaald. Er is geen aanleiding gebruik te maken van de mogelijkheid af te wijken van de hoofdregel. Artikel II van dit besluit bepaalt daarom dat dit besluit in werking treedt vier weken na bekendmaking ervan in werking treedt.  

3 Artikel III: aanhaaltitel

Niet alleen het omgevingsplan, maar ook elk afzonderlijk wijzigingsbesluit heeft een eigen aanhaaltitel. De aanhaaltitel voor voorliggend wijzigingsbesluit is Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Veegwijziging.

Motivering

1 Aanleiding en achtergrond

1.1 Aanleiding en achtergrond

Op 18 september 2024 heeft de raad van de gemeente Amsterdam het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling vastgesteld. Met deze eerste grootschalige wijziging van het omgevingsplan is een eerste grote stap gezet naar een integraal omgevingsplan voor heel Amsterdam. Dat omgevingsplan betreft een nieuw stelsel van gemeentelijke regelgeving gericht op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.  

Het is bij de bouw van een nieuw stelsel van regelgeving niet te vermijden dat de regels op onderdelen onvolkomenheden bevatten. In het Omgevingsplan gemeente Amsterdam zijn inmiddels enkele inconsistenties, onduidelijkheden, omissies en andere wetstechnische onvolkomenheden aangetroffen. Dit voorstel tot wijziging van het omgevingsplan bevat wetstechnische wijzigingen en wijzigingen van ondergeschikte aard om die onvolkomenheden op te lossen.

Daarbij worden ook onvolkomenheden weggenomen die zijn ontstaan vanuit de oorspronkelijke bruidsschatregeling. Fouten die het Rijk daarin ontdekt, worden door het Rijk zelf gerepareerd via de Vangnetregeling Omgevingswet. De Vangnetregeling wijzigt niet zelf het omgevingsplan, maar 'repareert' die middels rijksregels, die dan doorwerken bij de toepassing van het omgevingsplan. Die Vangnetregeling is onlangs weer aangevuld. Met voorliggende wijziging worden de regels die daarin zijn opgenomen, daadwerkelijk aan het Omgevingsplan gemeente Amsterdam toegevoegd. Omdat de bruidsschatregeling al grotendeels is gewijzigd, gebeurt dat veelal niet één op één, maar gaat daar vertaalslag overheen, zonder dat dit de inhoud ervan aantast.   

De onvolkomenheden die met voorliggende wijziging worden verholpen, vormen geen belemmering om met het omgevingsplan te gaan werken, maar het is wel van belang dat ze zo spoedig mogelijk opgelost worden. Dit gebeurt middels een veegwijziging. Eerder was de gedachte dit soort aanpassingen mee te laten lopen met inhoudelijke wijzigingsbesluiten, bijvoorbeeld bij het vervangen van bestemmingsplannen. Inmiddels is gebleken dat dit de overzichtelijkheid van de wijzigingsbesluiten (waarover ze gaan) niet ten goede komt. 

2 Onderdeelsgewijze toelichting bij Wijzigbijlage A

2.1 Onderdeel A: toevoeging nieuw lid aan artikel 2.3

Aan artikel 2.3 wordt een nieuw lid toegevoegd. Dat bepaalt dat in bepaalde gevallen het eerste, tweede en derde lid niet van toepassing zijn. Het lid bestaat uit twee onderdelen.  

Onderdeel a:

Artikel 4.19 bevat mogelijkheden om in bepaalde gevallen bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van regels over bouwwerken. In een aantal gevallen gaat het om afwijkingen die ertoe leiden dat niet alleen het bouwvlak wordt overschreden, maar ook de begrenzing van een gebruiksdoel. Hoewel een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ook betrekking heeft op het beoogde gebruik, kan de indruk ontstaan dat het bouwwerk dat dan wordt toegestaan weliswaar is vergund, maar dat het gebruik ervan in strijd is met artikel 2.3, eerste, tweede en derde lid. Dat is uiteraard niet beoogd. Onderdeel a maakt dit duidelijk.  

Onderdeel b:

Artikel 5.8 bepaalt dat bijbehorende bouwwerken binnen de daar aangegeven beperkingen, zijn toegestaan. Daarop kunnen bepaalde uitzonderingen van toepassing zijn (artikel 5.10 tot en met 5.13). Zijn die uitzonderingen niet van toepassing, dan mag het bijbehorend bouwwerk er komen. Deze regeling, opgenomen in afdeling 5.3, is overgekomen vanuit bijlage II van het toenmalige Bor.

Onder bijbehorend bouwwerk wordt op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving verstaan een uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. Artikel 5.8 kan betrekking hebben op de uitbreiding van een woongebouw. Het gebruik van het bijbehorend bouwwerk is dan wonen.

Het is mogelijk dat een bijbehorend bouwwerk wordt gerealiseerd in een gebied waar het nog geldende bestemmingsplan niet is vervangen. En dat op de plek waar het bijbehorend bouwwerk komt, een bestemming Tuin geldt. Het gebruik van een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van wonen is dan mogelijk in strijd met de geldende bestemming. Onder oud recht was dat geen probleem, want het toenmalig Bor ging voor het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan leverde dus geen probleem op. Nu is dat anders, omdat er geen hiërarchie zit tussen afdeling 5.3 en artikel 2.3. Dat maakt dat in bepaalde gevallen het bouwwerk op grond van afdeling 5.3 is toegestaan, maar dat er sprake is van strijdig gebruik. Dat gevolg is niet beoogd.

Onderdeel b regelt daarom dat het eerste, tweede en derde lid niet van toepassing zijn op een bijbehorend bouwwerk dat op grond van afdeling 5.3 is toegestaan.

2.2 Onderdelen I, L, BB, CC, FF en GG: aanpassing systematiek gebruikstoets omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

In de beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken is geregeld dat het beoogde gebruik ook wordt getoetst op passendheid binnen de regels over gebruik (zie onder meer paragraaf 11.4.2.3.2.1 van de algemene toelichting en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.16). 

In de huidige regelingsversie verloopt deze beoordeling over een aantal schijven. In artikel 4.16 wordt verwezen naar artikel 5.6. Artikel 5.6 stelt dat het verboden is een bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in hoofdstuk 5 opgenomen regels over bouwwerken. Met betrekking tot gebruik is in afdeling 5.4 een artikel opgenomen waarin het gebruik wordt geregeld (artikel 5.14). Dat gebeurt weer met een verwijzing naar artikel 2.3. Voor situaties waarbij het geldende bestemmingsplan nog niet is vervangen, of een TAM-omgevingsplan is vastgesteld, wordt voorzien in overgangsrechtelijke bepalingen. Niet alleen is dit omslachtig, het roept in de praktijk ook vragen op over welke bepaling bij strijdig gebruik de grondslag vormt voor handhaving.   

Het wijzigingsvoorstel voorziet in een vereenvoudiging. Daarbij blijft het wel zo dat bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt getoetst of het beoogde gebruik passend is binnen de regels over gebruik. 

Artikel 4.16, eerste lid, wordt aangepast. Bepaald wordt dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 2.3 en artikel 5.6. Ten opzichte van de geldende regeling is de toets aan artikel 2.3 toegevoegd. Dat artikel bepaalt kort gezegd dat het verboden is een bouwwerk te gebruiken in strijd met de regels over gebruik. Door deze directe verwijzing naar artikel 2.3 wordt de gebruikstoets geborgd. Onderdeel L van de wijzigbijlage voorziet hierin. 

Omdat rechtstreeks aan artikel 2.3 wordt getoetst, is er geen noodzaak meer om artikel 5.14 in stand te houden. Dat artikel kan worden geschrapt. Omdat dat het enige artikel was in afdeling 5.4, kan ook afdeling 5.4 worden geschrapt. Onderdelen FF en GG van de wijzigbijlage voorzien hierin. 

In verband met de wijzigingen wordt nog een aantal andere regels en opschriften geherformuleerd (onderdelen I, BB en CC).  

Met deze wijziging is is ook duidelijk welke bepaling de grondslag vormt voor handhaving wanneer een bestaand bouwwerk wordt gebruikt in strijd met de regels over gebruik. Dat is artikel 2.3. Artikel 5.6 vormt de grondslag voor handhaving in geval een bouwwerk is gerealiseerd dat in strijd is met ruimtelijke regels over bouwwerken. En artikel 4.7 vormt een grondslag voor handhaving voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, als die activiteit vergunningplichtig is.  

2.3 Onderdelen J en K: aanpassing artikel 4.12 en 4.13

Artikel 4.12 bevat een opsomming van bouwwerken waarvoor de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in beginsel niet geldt. Onderdeel k zondert die vergunningplicht uit voor gewoon onderhoud in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet worden gewijzigd. Hiermee werd voorzien in een omissie in de landelijke wetgeving. Inmiddels is per 1 januari 2025 artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving gewijzigd, waarmee deze uitzondering op de vergunningplicht ook voor monumenten landelijk is geregeld. Onderdeel k kan worden geschrapt. Hierin wordt voorzien met onderdeel J van de wijzigbijlage. 

In artikel 4.13 worden uitzonderingen gemaakt op artikel 4.12. Voor die uitzonderingen geldt alsnog de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Het eerste lid van artikel 4.13 heeft betrekking op gevallen waarbij de activiteit wordt verricht in, aan of op een monument. Dan geldt wel de vergunningsplicht. Daarop was weer een uitzondering opgenomen voor activiteiten, bedoeld in artikel 4.12, onder k. Vanwege het vervallen van dat onderdeel, kan ook die uitzondering in artikel 4.13, eerste lid worden geschrapt. Hierin wordt voorzien met onderdeel K van de wijzigbijlage. 

In artikel 4.12, onderdeel i, worden van de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken uitgezonderd een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 

  • a.

    geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; 

  • b.

    geen uitbreiding van het bouwvolume; 

  • c.

    geen toename van de bouwhoogte; en 

  • d.

    geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onder delen gestelde eisen. 

Voor zover deze veranderingen uitsluitend inpandig plaatsvinden, en dus geen wijziging aan het uitwendig uiterlijk van het bouwwerken meebrengen, dan is er geen enkele reden deze aanpassingen wel vergunningplichtig te laten zijn wanneer het een monument betreft. Toch zijn ze dat op dit moment. Voor inpandige aanpassingen aan monumenten die vanwege het monumentale belang een beoordeling op aanvaardbaarheid behoeven, gelden reeds afzonderlijke vergunningplichten, waarbij die beoordeling specifieke centraal staat. Een daarop aanvullende vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voegt daaraan niets toe. Om die reden wordt op de plaats waar een verwijzing stond naar artikel 4.12, onder k, een verwijzing opgenomen naar artikel 4.12, onder i, voor zover het betreft inpandige aanpassingen. Het gevolg daarvan is dat ook voor inpandige aanpassingen aan een monument geen vergunningplicht geldt voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Voor zover de betreffende aanpassing wel monumentvergunningplicht is, blijft dat zo. Onderdeel K van de wijzigbijlage voorziet hierin.    

2.4 Onderdeel M: schrappen onderdeel j van artikel 4.19

In het omgevingsplan is een mogelijkheid gecreëerd om in bepaalde gevallen bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken te kunnen afwijken van ruimtelijke regels over bouwwerken. De gevallen die het betreft, zijn opgenomen in artikel 4.19. Het gaat om gevallen die onder oud recht veelal als algemene binnenplanse afwijkmogelijkheid in bestemmingsplannen waren opgenomen, en om gevallen die onder oud recht werden genoemd in artikel 4, Bijlage II Bor, de zogenaamde kruimelgevallen. Daarbij is er voor gekozen om geen gebruiksafwijkingen op te nemen. De artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.19 zegt hierover het volgende: 

"De lijst van gevallen, zoals opgenomen in het eerste lid, is enerzijds beperkt ten opzichte van artikel 4, van bijlage II van het toenmalige besluit omgevingsrecht. De in het derde tot en met elfde lid van dat artikel 4 genoemde 'gebruiksafwijkingen' zijn niet overgenomen. Los van het feit dat positionering in hoofdstuk 2 meer voor de hand liggend zou zijn, betreft het (met uitzondering van het in het elfde lid genoemde geval) gebruiksafwijkingen waarvan het wenselijk is dat die na  (of voorafgaand aan) vergunningverlening ook daadwerkelijk in het omgevingsplan worden opgenomen. Bovendien zou voor de in het negende en elfde lid van dat artikel 4 genoemde gevallen een uitzondering moeten worden gemaakt vanwege regelgeving op het gebied van milieueffectrapportage. Dat zou de regeling nodeloos ingewikkeld maken. Ook zonder een eventuele uitzondering vanwege regelgeving op het gebied van milieueffectrapportage, zijn het dermate onbegrensde gevallen, dat een brede afweging met het oog op een evenwichtige toedeling van functies en locaties nodig is. De buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is daarom het aangewezen instrument om deze gevallen indien gewenst juridisch mogelijk te maken (naast uiteraard de mogelijkheid om het omgevingsplan te wijzigen)."    

In onderdeel j van artikel 4.19 is toch een gebruiksafwijking overgenomen uit artikel 4, Bijlage II van het toenmalig Bor. Het betreft de mogelijkheid om af te wijken voor 'het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied'. Voorgesteld wordt om deze mogelijkheid te schrappen. 

Blijkens de wetsgeschiedenis was deze mogelijkheid in het Bor bedoeld voor "het toevoegen van een aantal parkeerplaatsen in een groenstrook, het verleggen van trottoirs of het aanbrengen van groenvoorzieningen. Een herinrichting van openbaar gebied vindt vaak ook plaats in samenhang met het bouwen van een vergunningvrij bouwwerk, zoals vuilcontainers, sport- of speeltoestellen en straatmeubilair. Bij het beantwoorden van de vraag of er al dan niet sprake is van een ingrijpende herinrichting van openbaar gebied, zullen onder andere moeten worden betrokken de te verwachten gevolgen van de herinrichting voor omwonenden en gebruikers van het desbetreffende gebied" (Staatsblad 2014 333 p. 54). 

Deze afwijkmogelijkheid heeft vooral betekenis in situaties dat de ter plaatse geldende juridisch-planologische regeling zeer stringent is. Bijvoorbeeld dat binnen een groenbestemming van een onder oud recht vastgesteld bestemmingsplan geen verhardingen zijn toegestaan. Of dat binnen een verkeersbestemming precies is bepaald wat de uiterste grenzen van een weg zijn. 

Allereerst gaat het bij dit soort activiteiten over het algemeen niet om een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, maar om het aanleggen van verhardingen, niet zijnde een bouwwerk, en het gebruik daarvan. Positionering van deze afwijkmogelijkheid in artikel 4.19 is reeds om die reden ongewenst. Maar ook opname elders is ongewenst en onnodig. De geformuleerde afwijkmogelijkheid is ongewenst, omdat de toepassingsmogelijkheid onvoldoende concreet bepaald is. Want wanneer is sprake van een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied? Wanneer dat nodig is, dan kan voor werkzaamheden en gebruik die hier eventueel onder vallen, omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) worden verleend. Bovendien houdt dat ook de verplichting in dat het omgevingsplan daarmee in overeenstemming wordt gebracht. Bij gebruikswijzigingen is dat wenselijk, omdat daarmee duidelijk blijft waar welk gebruik is toegestaan. Overigens zal voor veel niet-ingrijpende herinrichtingen van openbaar gebied geen afwijkvergunning nodig zijn. De laatste jaren is in bestemmingsplannen juist voor dit soort herinrichtingen ruimte geboden. Dat wordt met het omgevingsplan voortgezet. Waar dat niet het geval is, is dat een bewuste keuze, en dan ligt de weg van een bopa voor de hand.  

Onderdeel M voorziet om deze redenen in het schrappen van onder j van artikel 4.19. 

2.7 onderdeel Q: toevoeging aanvraagvereiste aan artikel 4.32 (bouwen bodemgevoelig gebouw)

Op 10 juni 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders de Beleidsregel andere beschermende maatregelen bij bouwen bodemgevoelig gebouw vastgesteld. Hierin is bepaald dat initiatiefnemers bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken (de ‘ruimtelijke bouwvergunning’) een beoordeling met de Risicotoolbox Bodem van het RIVM moeten overleggen. Met dit wijzigingsbesluit wordt deze verplichting in artikel 4.32, eerste lid, van het omgevingsplan vastgelegd. Deze informatie kan op grond van artikel 4.90 (overige gegevens en bescheiden nodig voor de toetsing aan het omgevingsplan) nu ook al vereist worden, maar met deze expliciete regeling is het voor initiatiefnemers vooraf duidelijk welke informatie wordt verwacht. Onderdeel Q voorziet hierin. 

2.7 Onderdelen U, X, Y en Z: verduidelijking regels hemelwaterberging

Onderdeel U voorziet in aanpassing van artikel 4.88. Daarin zijn voor aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken aanvraagvereisten opgenomen met betrekking tot hemelwaterberging. Met de aanpassing van het eerste lid wordt bewerkstelligd dat de relevante informatie in verband met de waterbergingseisen op grond van paragraaf 4.4.2 samengevoegd in één rapport wordt aangeleverd. Hiermee wordt voorkomen dat de relevante gegevens en bescheiden verspreid over verschillende onderdelen van de aanvraag worden ingediend. Dit bevordert een snellere toetsing van de aanvraag. Met de aanpassing van het tweede lid worden de indieningsvereisten versimpeld. In plaats van een gedetailleerde beschrijving van de toe te passen techniek, kan volstaan worden met een globaler beschrijving ervan. In de praktijk is immers gebleken dat de gedetailleerde informatie op het moment van aanvragen nog niet beschikbaar is. 

Onderdeel X ziet op aanpassing van artikel 4.110. Dat artikel bepaalt in welke gevallen de paragraaf over hemelwaterafvoer (de voormalige Hemelwaterverordening) van toepassing is. Daar is onder meer bepaald dat bij het toevoegen van een of meer bouwlagen aan een bestaand gebouw de waterbergingseisen van toepassing zijn. In de praktijk is het onredelijk gebleken om bij bouwlagen van zeer beperkt omvang ook eisen te stellen in verband met hemelwaterafvoer. Daarom wordt het toepassingsbereik van deze paragraaf nader ingekaderd. 

Onderdeel Y voorziet in wijziging van artikel 4.112. Bouwketen waren uitgezonderd van de waterbergingseisen. Met deze aanpassing wordt verder aangesloten bij de regeling in het Besluit bouwwerken leefomgeving en worden ook overige tijdelijke gebouwen ten behoeve van bouw-, onderhouds- of sloopwerkzaamheden uitgezonderd. Ook bij die overige gebouwen op bouwlocaties (bv. een kleine opslag van bouwmaterieel) is het onredelijk om waterberging te verplichten. 

Met onderdeel Z wordt voorzien in wijziging van artikel 4.113, tweede lid. Bij de omzetting van de voormalige Hemelwaterverordening naar het Omgevingsplan Amsterdam, zijn de eisen voor het hergebruiksysteem per ongeluk verkeerd overgenomen. Met deze aanpassing worden de ‘oude’ eisen weer hersteld (berging van 90 liter water in plaats van 105 liter, en berging van 60 uur in plaats van 70 uur). Ook worden enkele eisen aan het hergebruiksysteem geschrapt waarmee de toepasbaarheid van deze techniek wordt vergroot. 

2.5 Onderdeel AA: verduidelijking 5.1 (toepassingsbereik hoofdstuk 5) 

Hoofdstuk 5 van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam bevat ruimtelijke regels over bouwwerken, aldus het opschrift. Dit maakt duidelijk dat in dit hoofdstuk de ruimtelijke regels over bouwwerken centraal staan. Dit in tegelstelling tot hoofdstuk 4, waarin de activiteiten met betrekking tot bouwwerken centraal staan, zoals de omgevingsplanactiviteit bouwwerken in afdeling 4.2. Artikel 5.1 bevat het toepassingsbereik van dit hoofdstuk. Onderdeel AA voorziet erin dat dit wordt aangepast naar een formulering die beter tot uitdrukking brengt dat de ruimtelijke regels over bouwwerken centraal staan. Hiermee is overigens geen verandering van het toepassingsbereik beoogt, maar uitsluitend een verduidelijking.  

2.6 Overige onderdelen

De hiervoor niet besproken onderdelen hebben betrekking op redactionele aanpassingen en vernummering van reeds bestaande artikelen en onderdelen. De regels wijzigen inhoudelijk niet. 

Naar boven