Gemeenteblad van Berkelland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Berkelland | Gemeenteblad 2025, 346511 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Berkelland | Gemeenteblad 2025, 346511 | beleidsregel |
Leidraad Inrichting Openbare Ruimte
Voor u ligt de LIOR (Leidraad inrichting Openbare Ruimte). Hierin zijn de algemene technische inrichtingseisen voor de openbare ruimte van de gemeente Berkelland opgenomen.
De gemeente Berkelland werkt met de LIOR vanwege de volgende aspecten:
De LIOR is van toepassing op alle projecten en werkzaamheden in de openbare ruimte. In opdrachten en (exploitatie-)overeenkomsten met derden wordt de op het moment van de start van de uitvoering van de realisatie van het werk geldende versie van de LIOR expliciet van toepassing verklaard. Met de ondertekening van de opdracht en/of overeenkomst verplichten alle partijen zich te houden aan de eisen en procesregels van de LIOR.
Alle inrichtingseisen en processen zijn eisen. Wij maken geen verschil tussen een randvoorwaarde, uitgangspunt of eis. Alles is een eis, tenzij het expliciet anders is benoemd als ambitie of wens.
Afwijken is alleen mogelijk met een schriftelijk onderbouwde argumentatie, met akkoord van de opdrachtgever, projectleider en/of beheerder.
De LIOR is geen beleidsregel of anderszins een wettelijke regel. Inwoners of andere externe partijen kunnen hier geen rechten aan ontlenen.
Participatie en overleg met bewoners en ondernemers over de inrichting valt niet onder de technische eisen. Dit dient apart te worden meegegeven in de opdracht voor het maken van een inrichtingsplan.
Klimaat (hoofdstuk 3) en de Duurzaamheid (hoofdstuk 4) zijn voor alle projecten van belang. De proceseisen en inrichtingseisen dienen in elk project nageleefd te worden.
2. Beheerbewust ontwerpen en inrichten
2.1. ROL VAN HET TEAM ADVIES EN BEHEER OR EN/OF OPDRACHTGEVERSCHAP IN HET PROJECT
Elk project kent een zestal standaardfasen:
In elk van de zes fasen vervult (vervullen) de vertegenwoordiger(s) van het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte en/of opdrachtgeverschap minimaal de rol van stakeholder. Soms ook die van projectmedewerker of opdrachtgever.
Team Advies en Beheer Openbare Ruimte biedt als platform voor haar rol de periodieke ‘beheertafel’. Van ontwikkelaars wordt verwacht dat ze het platform gebruiken om ontwerpen en documenten ter toetsing aan te bieden en om (samen) te sparren over aanpakken of oplossingen.
De beheerders van de openbare ruimte zitten elke drie weken aan de beheertafel. Documenten dienen minimaal een week voor de datum van de beheertafel aangeleverd te worden. De maximale duur van een beoordelingstraject is daarmee vier weken.
Binnen de initiatief- en definitiefasen levert het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte en/of opdrachtgeverschap beheergegevens, beschikbare informatie, kwaliteitseisen, randvoorwaarden, wensen en ambities. Indien van toepassing ook middelen in de vorm van geld en tijd of de toezegging daartoe.
Gevraagd van de projectorganisatie:
Binnen de ontwikkel- en voorbereidingsfasen denkt het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte en/of opdrachtgeverschap mee in het participatie- én ontwerpproces, levert zij (beheer)informatie en bewaakt zij de duurzame beheerbaarheid van het beoogde eindresultaat.
Gevraagd van de projectorganisatie:
Aangeboden aan projectorganisatie:
Binnen de realisatiefase denkt het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte en/of opdrachtgeverschap mee in het technische ontwerpproces, levert zij (beheer)informatie en bewaakt zij de duurzame beheerbaarheid van het beoogde eindresultaat.
Gevraagd van de projectorganisatie:
Het tweede deel van de realisatiefase behelst het bouwproces. Daarin kan een aantal stop- en/of bijwoonmomenten nuttig zijn, zoals bijvoorbeeld:
Voor stop- en/of bijwoonmomenten groenvoorzieningen, zie §11.6.
2.1.5. Afronding: toetsing en oplevering
Binnen de afrondingsfase krijgt het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte en/of opdrachtgeverschap een rol bij de toetsing op duurzame beheerbaarheid en oplevering van het eindresultaat.
Gevraagd van de projectorganisatie:
Vooropnamemoment: voorafgaand aan de oplevering volgens het UAV organiseert de projectleider en/of directievoerder een vooropname (of ‘beheerschouw’). Tijdens de vooropname schouwen de projectleider en/of directievoerder en de toezichthouder met een vertegenwoordiging van het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte en/of opdrachtgeverschap het resultaat. Doel is om eventuele opmerkingen te verzamelen en te verwerken vóór de formele eerste oplevering.
De actuele (nieuw gerealiseerde) geometrie van de ontwikkelde locatie wordt opgenomen in de BGT (basiskaart grootschalige topografie) en wordt verrijkt en verwerkt in de beheersystemen. Belangrijk daarbij is dat de uitvoerende partij revisietekeningen en -gegevens van alle ondergrondse voorzieningen aanlevert. Het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte en/of opdrachtgeverschap meet zélf de bovengrondse revisie in. (Let op: voorstel!)
Belangrijk: het werk kan pas werkelijk aan Team Advies en Beheer Openbare Ruimte en/of opdrachtgeverschap worden overgedragen als alle revisiegegevens zijn geleverd en zijn goedgekeurd.
Na de afronding van een project vindt overdracht van de ingerichte openbare ruimte plaats aan de gemeente en/of beheerders om het in eigendom en in duurzaam beheer te nemen. Deze paragraaf geeft een globaal overzicht van de kwaliteitseisen die van toepassing zijn. Daarnaast past de gemeente Berkelland de kwaliteitseisen uit de vigerende Standaard RAW bepalingen van het CROW toe.
Naast de vaste (verplichte) eindinspectie kunnen ook facultatieve aanleg- en tusseninspecties plaatsvinden. Deze staan bij de desbetreffende onderwerpen nader uitgewerkt in deze LIOR. Aan de hand van de eindinspectie wordt besloten of de voorziening voldoet en overgenomen kan worden.
Voor de opleveringsdocumenten zie §12.7.
Na de overdracht (overname) van het gehele werk is de gemeente Berkelland (Team Advies en Beheer Openbare Ruimte en/of opdrachtgeverschap) eigenaar van de openbare ruimte en ook verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud.
Bij deelopleveringen wordt een rapport gemaakt van nul-situatie bij ingebruikname van de voorziening terwijl het gehele werk nog niet is opgeleverd. De gemeente is vanaf dat moment aansprakelijk voor het gebruik van de voorziening en voor schade die ontstaat tijdens dat gebruik. De garantietermijn blijft van kracht conform de UAV-paragraaf 11.
In alle situaties geldt, na oplevering aan de gemeente, een minimale garantietermijn van 1 kalenderjaar die onderdeel uitmaakt van de aanleg. Bij groenvoorzieningen behoort 1 jaar onderhoud en de inboet tot de garantietermijn. Bij asfaltconstructies wordt een minimale garantietermijn van 3 jaren gehanteerd.
Bij deelopleveringen wordt een rapport gemaakt van nul-situatie bij ingebruikname van de voorziening terwijl het gehele werk nog niet is opgeleverd. De gemeente is vanaf dat moment aansprakelijk voor het gebruik van de voorziening en voor schade die ontstaat tijdens dat gebruik. De garantietermijn blijft van kracht conform de UAV-paragraaf 11.
3.1. NOODZAAK KLIMAATADAPTATIE IN BEBOUWD GEBIED
De gemiddelde temperatuur stijgt. Dat brengt extremer weer mee: natter, droger, heter. Hierdoor nemen wateroverlast en hittestress toe. Maatregelen in de gebouwde omgeving kunnen de negatieve gevolgen van extremer weer fors beperken. Zowel op bouwwerk- als gebiedsniveau zijn maatregelen mogelijk. Belangrijk is klimaat adaptieve maatregelen structureel vanaf de ontwerpfase van bouwprojecten mee te nemen.
Nederland is nog onvoldoende voorbereid op extremer weer. Dat leidt tot zorgen over overlast bij inwoners en bedrijven. Niets doen is geen optie. Er zijn veel technische maatregelen mogelijk, maar deze worden beperkt toegepast.
De gemeente Berkelland werkt aan een klimaatbestendige leefomgeving. In het Coalitieakkoord 2022-2026 is de ambitie opgenomen om een groene leefomgeving te creëren die verdroging en vernatting kan opvangen.
Het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie uit 2018 is een plan van Nederlandse overheden om wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen te beperken. Het doel van het plan is dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en water robuust is ingericht. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk werken samen aan zeven geformuleerde ambities (zie volgende afbeelding) en zijn daarvoor verenigd in 45 werkregio's. Gemeente Berkelland valt onder de werkregio Samenwerkingsverband Regio Achterhoek+. Vanuit de ambities komt onder andere de noodzaak naar voren tot het uitvoeren van de klimaatstresstesten, voeren van risicodialoog en opstellen van een strategie en uitvoeringsprogramma binnen de werkregio.
Het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie 2018 is gebaseerd op de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie uit 2015. Deze Deltabeslissing maakt deel uit van het Deltaprogramma. De Deltabeslissing moet elke zes jaar worden herijkt. In 2021 vond de meest recente herijking plaats. Een van de belangrijkste voorstellen uit de eerste herijking is om tussendoelen te formuleren. Zo is een tussendoel dat gemeenten uiterlijk in 2024 in hun omgevingsvisie vastleggen dat klimaatbestendig en water robuust inrichten onderdeel zijn van de ruimtelijke inrichting.
In de Watervisie 2030 beschrijft de gemeente ambities met betrekking tot het aanpassen aan klimaatverandering, die zijn gericht op het zoveel mogelijk beperken van de negatieve gevolgen van klimaatverandering:
Dat bereiken wij door alle fysieke veranderingen te benutten voor aanpassingen aan de inrichting van de openbare ruimte. De onderhoud- en vervangingscyclus van riolering, wegen, groenvoorzieningen en vastgoed is hierbij leidend. Vanaf nu wordt bij de voorbereiding en uitvoering van alle fysieke projecten van de gemeente en het waterschap rekening gehouden met klimaatverandering;
3.4.1. Klimaatadaptie en ruimtelijke adaptatie
Klimaatadaptatie houdt in dat we ons voorbereiden op de gevolgen en risico’s van het veranderende klimaat en onszelf en de omgeving hierop aanpassen. Het begrip ‘ruimtelijke adaptatie’ valt onder klimaatadaptatie. De begrippen worden veelal door elkaar gebruikt.
Ruimtelijke adaptatie is een onderdeel van klimaatadaptatie en houdt in: het aanpassen van onze leefomgeving aan klimaatverandering en de gevolgen van overstromingen, wateroverlast, droogte en hitte.
3.5. HULPMIDDELEN EN CONCRETE MAATREGELEN
De afgelopen jaren is er meer aandacht voor Klimaatadaptatie. Dat is (nog) niet structureel terug te zien in bouwopdrachten. Wel zijn er diverse hulpmiddelen ontwikkeld. Op de website ruimtelijkeadaptatie/hulpmiddelen staat een overzicht met hulpmiddelen. Deze zijn te selecteren op vier thema’s: wateroverlast, hitte, droogte en overstroming.
Het aanbod is divers, praktische handboeken en instrumenten, lesmodules en workshops. Zowel gratis toegankelijke als betaalde hulpmiddelen zijn opgenomen. De hulpmiddelen kunnen in verschillende fases van het bouwproces worden ingezet. Ze bieden kansen om met opdrachtgevers het gesprek aan te gaan over de noodzaak van maatregelen en mogelijke oplossingen.
Onderstaande lijst hulpmiddelen met concrete maatregelen zijn gratis te gebruiken. De lijst is slechts een greep uit het overzicht op de website:
De Klimaatadaptatie app biedt inzicht in maatregelen voor nieuwbouw, herstructurering of renovatieprojecten. Op gebouw- en gebiedsniveau. Op basis van diverse criteria rangschikt de app geschikte maatregelen;
De Factsheet Groene Daken biedt praktische technische en financiële informatie en geeft de meerwaarde aan van groene daken voor wateroverlast, energie en biodiversiteit;
Het boek “Het klimaat past ook in uw straatje” geeft voorbeelden van klimaatbestendige herinrichtingsmogelijkheden van woonstraten. Het boek toont, voor vaak voorkomende woonstraten, aan dat bij herinrichting een klimaatbestendige inrichting vaak eenvoudig is en niet meer hoeft te kosten dan een traditionele herinrichting;
Het softwarepakket “Raintools” analyseert de effectiviteit van regenwatervoorzieningen op niveau van gebouw, tuin en openbaar gebied;
De Toolbox klimaatadaptieve stad biedt een handvat voor het verkennen van maatregelen op wijk, straat of kavelniveau. Met betrekking tot wateroverlast, droogte en/of hitte. Welke maatregel is het effectiefst op welke plek? Wat kost het? De Toolbox kan door bedrijven worden gebruikt.
De handleiding Groenblauwe netwerken geeft een overzicht van ontwerpoplossingen en maatregelen, En geeft daarnaast veel voorbeeldprojecten, met een (nog beperkte) beschrijving van de gezamenlijke (proces)aanpak door verschillende stakeholders.
Naast bovenstaande hulpmiddelen bevat de site Klimaat Adaptatie ook handreikingen voor specifieke meerjarenprogramma’s. Zo heeft het Ministerie van IenW (Infrastructuur en Waterstaat) voor het MIRT (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport) een Handreiking Duurzaamheid en Klimaatadaptatie ontwikkeld.
Naast gratis beschikbare hulpmiddelen geeft de site ook een overzicht van hulpmiddelen waarvoor betaald moet worden. Zo is Bluelabel een waterkwetsbaarheidsscan die op de vierkante meter inzicht geeft in regenwateroverlast. Bluelabel wordt gebruikt door gemeenten, waterschappen en bedrijven (waaronder verzekeringsmaatschappijen, beleggers en hypotheekverstrekkers). Voor ontwikkelende bouwers in de GWW en B&U is Bluelabel in te zetten om risicovolle plekken te identificeren en daar maatregelen te treffen om schade te voorkomen.
In het kader van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie heeft de gemeente Berkelland stresstesten laten uitvoeren op het gebied van wateroverlast, hitte, droogte en overstroming. De resultaten zijn te vinden op de Klimaatatlas Berkelland.
3.6.1. 3 bomen zichtbaar vanuit elk huis
De eerste regel is dat iedereen vanuit huis minstens 3 bomen (van behoorlijke omvang) moet kunnen zien. Recent onderzoek toont het belang aan van zichtbaar groen voor de mentale gezondheid en welzijn.
Bovendien moet elke buurt minimaal 30 procent boomkroonbedekking hebben. Tot slot mag niemand meer dan 300 meter van een park of groene ruimte wonen waar meerdere recreatieve activiteiten mogelijk zijn.
3.6.2. 30% boomkroonbedekking in elke buurt
Onderzoek toont aan dat er een verband is tussen de boomkroonbedekkingsgraad en bijvoorbeeld de koeling van de omgeving, een beter luchtmilieu, mentale en fysieke gezondheid. Door meer buurten te vergroenen worden de bewoners aangemoedigd om meer tijd buiten door te brengen wat op zijn beurt de sociale cohesie bevordert.
Veel ambitieuze wereldsteden hebben 30% boomkroonpercentage als doel gesteld. Op wijkniveau zou 30% een minimum moeten zijn, en waar mogelijk liefst nog een hoger percentage.
3.6.3. 300 m vanaf het dichtstbijzijnde park of groene ruimte
Niemand mag meer dan 300 meter van een park of groene ruimte wonen waar je kunt recreëren. Veel studies onderstrepen het belang van de nabijheid van een gemakkelijke toegang tot hoogwaardige groene ruimte die voor recreatie kunnen worden gebruikt. Als afstand wordt vaak een wandeling van vijf tot tien minuten genoemd. Dit stimuleert het recreatief gebruik van groen en dat heeft op zijn beurt positieve invloed op zowel de lichamelijke als de geestelijke gezondheid.
Uiteraard verschilt de lokale context; de behoeften in bijvoorbeeld voorsteden met een lagere dichtheid van de bebouwing zullen verschillen van die in dichtbebouwde stedelijke gebieden.
4.1. SUSTAINABLE DEVELOPMENT GOALS
Naast de 3-30-300 regel streeft de Gemeente Berkelland naar het zo duurzaam mogelijk realiseren van projecten en ontwikkelingen en koopt zo duurzaam mogelijk in. Deze ambitie hanteert ze als randvoorwaarde voor elk project en ziet ze ook graag bij externe ontwikkelaars.
Het is de wens duurzaamheid vorm te geven in elk onderdeel van elk project, maar specifiek op de volgende Sustainable Development Goals (SDG’s) van de Verenigde Naties. Voor meer informatie over SDG’s zie SDG Nederland.
In de onderstaande tabel zijn een aantal geselecteerde SDG’s opgenomen inclusief een beknopte weergaven van de gekoppelde doelen én de richting voor de bijdrage van elke ontwikkelaar.
De gemeente Berkelland wil (of zelfs moet) in een hoog tempo verduurzamen. We hebben namelijk een maatschappelijke uitdaging. In 2050 moet Nederland volledig circulair zijn. Om dat te bereiken, moeten we slimmer en zuiniger met grondstoffen omgaan.
In de huidige markt krijgen materialen en producten aan het einde van de levensduur van een project nauwelijks de kans om verhandeld te worden. Ze worden na de levensduur van een project vaak afgevoerd als afval of grondstof voor een nieuw product. Terwijl ze qua levensduur nog jaren mee kunnen in een ander civieltechnisch project of voor particulier gebruik.
De gemeente Berkelland is voornemens om bij reconstructie niet alle materialen te verwijderen, af te voeren en nieuwe materialen te (laten) leveren. Hergebruik van bestaande materialen moet ten alle tijden worden overwogen.
Voor het hergebruik van materialen maakt de gemeente Berkelland gebruik van Duspot. Middels de machingtool DuSpot komt vraag en aanbod van vrijkomende materialen in verschillende fases van een project bij elkaar. DuSpot doet dit op gebruiksvriendelijke en overzichtelijke wijze.
Van de ontwikkelaar wordt verwacht dat ook zij gebruikt maakt van DuSpot. Enerzijds voor de vrij te komen materialen maar anderzijds ook voor de te gebruiken materialen.
4.3. LOKAAL INHUREN VAN (BEMANDE) MACHINES, VAKMENSEN EN ANDERE GWW ARTIKELEN
Om de milieu impact op projecten te minimaliseren wil de gemeente Berkelland lokaal inhuren stimuleren. Met lokaal inhuren reduceer je reis- en transportkilometers en verklein je de CO2-voetafdruk van een project.
Voor het inhuren van (bemande) machines, vakmensen en andere verhuurartikelen kan gebruik worden gemaakt van Planmeister. Planmeister is een online platform waar vraag- en aanbod op het gebied van machines en vakmensen bij elkaar komen.
Wat Planmeister bijzonder maakt, is de focus op duurzaamheid. Door nauw samen te werken met regionale partijen, verminder je onnodige transportkosten en draag je bij aan een positieve impact op het milieu. Planmeister biedt een groeiend netwerk van meer dan 1200 GWW bedrijven die zich inzetten voor een duurzame en efficiënte toekomst in de GWW.
Van de ontwikkelaar wordt verwacht dat ook zij gebruikt maakt van Planmeister. Of dat de ontwikkelaar minimaal aan kan tonen dat zij op een vergelijkbare wijze haar bedrijfsvoering heeft ingericht.
Ten behoeve van grondwerk is er een regionaal bodembeheerplan met bijhorende bodemkwaliteitskaart en bodemfunctiekaart aanwezig. Het is mogelijk om grond her te gebruiken binnen de eigen zone. Grondverzet op basis van het bodembeheerplan is tussen de gemeenten binnen de regio mogelijk. Het één en ander is mogelijk in overleg met de Coördinator grondstromen en depotbeheer.
De bodemkwaliteitskaart geeft de chemische bodemkwaliteit weer binnen de zone van
0 tot 2 m beneden maaiveld. De bodemkwaliteitskaart mag, onder voorwaarden, gebruikt worden als bewijsmiddel voor toe te passen grond. Hiermee worden kosten voor onderzoek bespaard. In de bodemfunctiekaart is het grondgebied opgedeeld in de functies industrie, wonen en overig.
Hergebruik van grond en baggerspecie mag uitsluitend plaatsvinden in nuttige toepassingen. Als grond of baggerspecie wordt gebruikt in een niet-nuttige toepassing, dan wordt dit gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen en gelden, op grond van de Europese kaderrichtlijn afvalstoffen, strengere regels. De onderstaande toepassingen worden beoordeeld als nuttige toepassingen:
De verantwoordelijkheid voor naleving van de regels bij het toepassen van grond en baggerspecie ligt bij degene die toepast. Deze is ook verplicht de toepassing te melden bij het landelijk meldpunt bodemkwaliteit. De meldingsplicht geldt ook voor tijdelijke opslag.
Het besluit bodemkwaliteit bepaalt dat voor grondverzet een hygiënische verklaring (hierna bewijsmiddel) nodig is. De bodemkwaliteitskaart is zo’n geldig bewijsmiddel. Uitgangspunt van de bodemkwaliteitskaart is dat deze geldig is voor het gezoneerde gebied en enkel voor onverdachte locaties. Dit betekent dat de volgende locaties uitgesloten zijn:
Als er sprake is van een locatie die is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart, dan moet voorafgaand aan het grondverzet een ander geldig bewijsmiddel overlegd worden. Deze overige bewijsmiddelen zijn opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit (hierna te noemen: Besluit).
Het Besluit kent een uitzondering op de verplichte kwaliteitsbepaling en meldingsverplichting. In gevallen waar uitgenomen grond of baggerspecie niet wordt bewerkt en op of nabij de plaats van herkomst en onder dezelfde condities opnieuw in dezelfde toepassing wordt teruggebracht, is dit toegestaan zonder kwaliteitsbepaling, toetsing aan de functie en hoeft deze toepassing niet te worden gemeld. In het Handvat “tijdelijke uitnamen van grond en baggerspecie” (Agentschap NL, 7 juli 2010) is een checklist opgenomen om te beoordelen of sprake is van tijdelijke uitnamen.
Uitzondering hierop zijn locaties waar de bodem is verontreinigd en waar deze verontreiniging op grond van de Wet bodembescherming niet mag worden verplaatst of weggenomen zonder toestemming van het Bevoegd Gezag.
Voor informatie en met vragen kunt u terecht bij bodem@odachterhoek.nl.
Ontgravingen ten bate van verhardingen moeten tot aan de vaste zandlaag plaatsvinden met een maximum van (t.o.v. nieuw maaiveld):
De ontgravingsbreedte van rijbanen en fietspaden is gelijk aan de verhardingsbreedte vermeerderd met 0,50 m aan weerszijde. De cunetten moeten worden aangevuld met zand in zandbed.
Plantvakken en groenstroken moeten uit grond bestaan. De grond moet voldoen aan de kwaliteit zoals beschreven in hoofdstuk 11 (Groenvoorzieningen). Is dat niet het geval, dan moeten deze worden ontgraven en worden aangevuld met grond die wel voldoet tot maximaal 0,10 m boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG).
Zand dat in een zandbed wordt verwerkt moet voldoen aan de eisen zoals in de vigerende standaard RAW bepalingen, artikel 22.06.03 staat omschreven.
In afwijking van artikel 22.02.07 lid 05 van de vigerende standaard RAW bepalingen moet de verdichtingsgraad van het zand in aanvulling of in ophoging per monster ten minste 98% bedragen. De eis voor de gemiddelde verdichtingsgraad is niet van toepassing.
Indien een terrein wordt opgehoogd, moet voorafgaand het huidige maaiveld worden ontdaan van vegetatie en moeten de storende lagen worden doorbroken door middel van bijvoorbeeld frezen. Bij de uitvoering van de werkzaamheden verslempen van de grond voorkomen door:
Indien het terrein wordt opgehoogd moet zorggedragen worden voor een goede verbinding tussen de bestaande ondergrond en de nieuwe ophoging. Dit om waterproblematiek te voorkomen. Tijdens de uitvoering wordt er overal met (zwaar)materieel gereden. Door zowel infra- als bouwaannemers met verdichting van de ondergrond en/of ophoging en dus waterproblematiek tot gevolg. Met andere woorden:
Dit geldt zowel voor openbaar gebied als voor particulier gebied.
Grondbewerking ten bate van groenvoorziening altijd uitvoeren in droge omstandigheden.
Dit hoofdstuk bevat uitgewerkt beleid voor riolering en water. Het is van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gebouwen. Verder is het van toepassing op werken in de openbare ruimte. Het is een uitwerking van het door de gemeenteraad vastgestelde watertakenplan.
6.1. AFVALWATERBELEID VOOR NIEUWBOUW.
Onderstaande kaders vermelden:
6.2. HEMELWATERBELEID VOOR NIEUWBOUW.
Onderstaande kaders vermelden:
6.3. GRONDWATERBELEID VOOR NIEUWBOUW.
Onderstaande kaders vermelden:
7. Riolering en water: ontwerpregels
7.2. WADI’S EN ANDERE INFILTRATIEVOORZIENINGEN.
Wadi’s verdienen onder veel omstandigheden de voorkeur als infiltratievoorziening. Voor de keuze van geschikte infiltratievoorzieningen wordt verwezen naar de Kennisbank van Stichting RIONED.
Voor wadi’s worden de volgende ontwerprichtlijnen gehanteerd:
Het ontwerp moet aan de volgende eisen voldoen:
7.3. WATERGANG, STUW EN ZAKSLOOT
Bij realisatie van een watergang moet altijd een vergunning worden aangevraagd bij het Waterschap Rijn en IJssel. Bij het Waterschap is nadere informatie te verkrijgen over deze vergunning.
Het ontwerp van de watergang moet minimaal aan de volgende eisen voldoen:
De dimensionering moet voldoen aan de volgende eisen:
Het aansluiten van de droogweerafvoer op het gemeentelijk riool in overleg met de gemeente Berkelland. De kosten voor het maken van de rioolaansluitingen in de openbare ruimte zijn voor rekening van de exploitant. Van de rioolaansluitingen moet voor aanvang, een ontwerp ter goedkeuring bij de gemeente ingediend worden.
Na aanleg van de riolering moet er een rioolinspectie worden uitgevoerd. De resultaten worden vastgelegd in een rapportage en worden verstrekt aan het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte. De omschrijving van de ernst van gebreken en de mate van vervuiling ten behoeve van de rapportage, moet in overeenstemming zijn met de classificatie volgens “NEN-EN 13508-2+A1:2011 Onderzoek en beoordeling van de buitenriolering – Deel 2: Coderingsysteem voor visuele inspectie”.
De rapportage moet in gedigitaliseerde vorm worden aangeleverd. De rapportage moet zijn opgesteld in het Standaard Uitwisselingsformaat RibX 1.3.2 of hoger voor Riool Inspectiebestanden.
Na aanleg van de riolering moet er binnen één maand een revisietekening worden verstrekt aan het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte, zowel in *.pdf als in *.dwg. De revisietekening moet worden opgesteld in x,y – coördinaten in het RD-stelsel. Tevens moeten de in te meten en te verwerken revisiegegevens op basis van NEN-EN 1610 + NEN 3218-1:2019 nl worden gemaakt.
Op de revisietekeningen moeten minimaal de volgende gegevens worden vermeld:
Nieuwe tracés moeten voldoen aan profiel 7 van de combi SION, zie AVOI, en worden afgestemd met de combi SION.
Het tracé zoveel als mogelijk projecteren onder trottoirs. Maar niet onder (weg)fundering en/of waterbergende voorzieningen zoals infiltratiekratten.
In verband met de positionering van de NUTS-stroken zijn bij nieuwe ontwikkelingen woonerven niet toegestaan. Woonwijken dienen te worden ingericht als erftoegangswegen met ontwerpsnelheid 30 km/u.
Voor alsnog is het standaard dwarsprofiel 1,80 m breed en voorzien van een gasleiding. De combi is bezig dit profiel aan te passen tot een gasloos dwarsprofiel met een breedte van 1,80 m. Daarnaast wordt tegenwoordig in de praktijk gas en telecom omgedraaid. Waarbij het gas het verste van de woning af ligt.
8.3. BESTAANDE KABELS EN LEIDINGEN
Binnen de grenzen van gemeente Berkelland is sinds 27 april 2019 de “Verlegregeling kabels en leidingen gemeente Berkelland” van toepassing. Deze regeling zorgt ervoor dat netbeheerders aanspraak kunnen maken op een nadeelcompensatie. Als een leiding, die conform vergunning is aangelegd, moet worden verlegd, dan kent het college van burgemeesters en wethouders met inachtneming van deze regeling, een vergoeding toe.
De verlegregeling is te raadplegen op Beleidsregel Kabels en Leidingen
|
Zie tevens: www.ongehinderd.nl/voor/gemeenten/ |
|
|
|
|
|
Om te voorkomen dat er bij elk ontwerp discussie ontstaat over de toe te passen materialisering en maatvoering is er een standaard. Standaardisering betekent niet dat alles er hetzelfde uit komt te zien. Er is voldoende keuzemogelijkheid in inrichting van het profiel, profielmaten en keus van materiaal om verschil te kunnen maken zonder de eenheid en herkenbaarheid te niet te doen. Tevens vraagt elke straat zijn eigen inrichting i.v.m. profielbreedte, aantal woningen, parkeerdruk, inritten, en dergelijke Het aanpassen van de openbare ruimte gebeurt altijd in samenspraak (bijvoorbeeld een inloopavond) met de bewoners en/of buurtvertegenwoordigers. |
|
De maatvoering van de rijbaan is afhankelijk van de verkeersintensiteit, fietsroutes, wel of niet parkeren en type weg. De gemeente Berkelland onderscheidt verschillende type wegen en hanteert daarvoor de ontwerpprincipes van de ASVV 2021 (CROW-publicatie 740).
Voor enkele basisprincipes zie onderstaande tabel.
In verband met het projecteren van een NUTS-strook in de openbare ruimte is het toepassen van woonerven niet wenselijk. Zie ook hoofdstuk 8.1.
De definitieve ontwerpbreedte en inrichting moet altijd in overleg met het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte worden bepaald.
De genoemde maatvoering in de ASVV is theoretisch. Met als uitgangspunt ontwerpen op tegel- en/of steenmaat. Daar waar dit niet mogelijk dient dit in een dwarsprofiel te worden aangegeven.
Daarnaast gelden de volgende aandachts- en/of uitgangspunten:
Wegvakken worden op elkaar aangesloten door middel van bochtstralen. De bochtstralen moeten geschikt zijn voor een maatgevend voertuig om te kunnen passeren. De grootte van de bochtstraal is afhankelijk van de effectieve breedte en de toegestane rijrichtingen van beide wegvakken die op elkaar aansluiten, zie onderstaande figuur.
Een indicatie voor de bochtstralen bij kruisingsvlakken:
Een indicatie voor de bochtstralen bij in de rijbaan:
Wel of geen markering op de rijbaan is afhankelijk van de verkeersintensiteit, fietsroutes, wel of niet parkeren en type weg. De gemeente Berkelland hanteert daarvoor de ontwerpprincipes van de verschillende online kennis modules van het CROW, namelijk:
Daarnaast gelden de volgende aandachts- en/of uitgangspunten;
Omdat de breedte van de verschillende typen fietsinfrastructuur afhankelijk is van meerdere factoren, wordt in onderstaande tabel bij elk type een bandbreedte weergegeven.
Daarnaast gelden de volgende aandachts- en/of uitgangspunten;
Wanneer een laadpaal wordt toegepast en de positionering van de desbetreffende laadpaal moet voldoen aan de nog op te stellen “plaatsingsbeleid laadpalen”.
Voor nu gelden de volgende aandachts- en uitgangspunten. Ontwerp en aantallen in overleg met de gemeente Berkelland:
Bij het toepassen van laadpalen in de openbare ruimte gelden de volgende aandachtspunten:
Is er een keuze gemaakt voor één of meerdere laadpalen dan gelden de volgende uitgangspunten:
Voor het bepalen van de ontwerpuitgangspunten is gebruik gemaakt van informatie uit het Handboek voor Toegankelijkheid (handboek-voor-toegankelijkheid) en het document Voetpaden voor iedereen. Wanneer hieronder wordt gesproken over breedte, dan wordt de breedte van de loopruimte exclusief opsluiting bedoeld.
Daarnaast gelden de volgende aandachts- en/of uitgangspunten;
Ten behoeve van rolstoelen en scootmobielen moet bij voetgangerssluisjes en aansluitingen van twee trottoirs (en achterpaden) voldoende manoeuvreerruimte te worden aangebracht. De som van de vrije breedtes van de twee kruisende paden moet minimaal 2,35 m zijn waarbij de kruisende paden elk een vrije breedte heeft van ≥ 1,05 m;
9.6.1. Oversteekplaatsen (trottoiropgangen)
Trottoiropgangen bevinden zich bij oversteekplaatsen en nabij parkeervoorzieningen. Zij hebben tot doel om voetgangers (onder andere mensen in een rolstoel, met een rollator of mensen met een kinderwagen) eenvoudig van en op het trottoir te laten komen.
Daarnaast gelden de volgende aandachts- en/of uitgangspunten;
9.7. MIDDENBERMEN EN VERKEERSGELEIDERS
Middenbermen en verkeersgeleiders tot een breedte van 1,50 m worden voorzien van een verharding. Groene middenbermen zijn minimaal 1,50 m breed. Ze kunnen worden ingericht met gazon of heesters. In geval van beplanting mag de soort hier niet hoger worden dan 0,60 m.
Daarnaast gelden de volgende aandachts- en/of uitgangspunten;
9.8. VERKEERSDREMPELS EN PLATEAU’S
Verkeersplateaus worden aangelegd om de weggebruikers te attenderen op hun snelheid, vooral op bijzondere locaties (bijv. kruispunten en oversteken) waar een aanpassing van de rijsnelheid gewenst is ten behoeve van de verkeersveiligheid. Verkeersplateaus hebben in tegenstelling tot verkeersdrempels een horizontaal bovenvlak.
Daarnaast gelden de volgende aandachts- en/of uitgangspunten;
Alle verhardingen van beton, betonnen elementverharding, kantopsluitingen (m.u.v. hulpstukken) en stampbeton moeten zijn vervaardigd van “Duurzaam beton”. Duurzaam beton moet bestaan uit secundair toeslagmateriaal. De minimale eis voor secundair toeslagmateriaal (% v/v) staat op Moederbestek. Meer info is te vinden op Bouwcirculair. Het secundair toeslagmateriaal in duurzaam beton moet zijn voorzien van CE-markering op basis van de NEN-EN 12620.
Duurzaam beton moet een MKI-waarde hebben. De maximale eis voor de MKI-waarde (€) staat op Moederbestek. De MKI-waarde voor duurzaam beton moet berekend zijn volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken.
9.9.4. Materialisatie per wegcategorie
Daarnaast gelden de volgende aandachts- en/of uitgangspunten;
9.9.5. Materialisatie fietspaden
Daarnaast gelden de volgende aandachts- en/of uitgangspunten;
9.9.6. Materialisatie met betrekking tot klimaatadaptatie
Daarnaast gelden de volgende aandachts- en/of uitgangspunten;
Groene bestrating kan en mag worden toegepast. Het is echter van belang dat de open ruimten groen worden en groen blijven. Daarnaast moet de onderhoudsinspanning beperkt blijven tot incidenteel maaien en bemesten. Daarom dient de initiatiefnemer / ontwerper een toelichting met de volgende onderwerpen te verstrekken:
Voor elk ontwerp moet een verlichtingsplan worden gemaakt. Dit plan moet ter goedkeuring worden voorgelegd aan het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte en moet minimaal voldoen aan de volgende eisen:
Na aanleg moet er een revisietekening worden verstrekt aan het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte, zowel in *.pdf als in *.dwg. Op deze tekening staan de lichtmasten met de daarbij horende lichtmastnummers en type lichtmast (in x,y – coördinaten in het RD-stelsel). De verschillende type masten aangeven op tekening door middel van afwijkende symbolen. Op de revisietekeningen moeten minimaal de volgende gegevens zijn vermeld:
Het ontwerp met betrekking tot de verkeertekens, moet voldoen aan het gestelde in de “Uitvoeringsvoorschriften BABW betreffende verkeerstekens” en Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990. Aanvullend hierop moet het ontwerp voldoen aan de volgende eisen:
Alle bebording moet zijn vormgegeven volgens het modelnummer, conform het vigerende VNVF Bordenboek. (Vereniging Nederlandse Verkeersborden Fabrikanten).
Voor alle verkeersborden, bebakening, plaatsnaamborden en schrikhekken geldt dat ze moeten voldoen aan de volgende ontwerpeisen:
De komgrens wordt aangeduid door middel van een komportaal in combinatie met een plaatsnaambord en de benodigde zonebebordingen.
Richtlijn is het beleidsplan “Spelen en bewegen in de openbare ruimte”. Dit beleidsplan is in februari 2022 door de gemeenteraad vastgesteld.
Alleen als het speelbeleid dit toelaat, kunnen er speeltoestellen worden geplaatst of vervangen.
Informele speeltoestellen die in een locatie worden toegepast waar ook formele speeltoestellen staan, worden gezien als speeltoestel en moeten voorzien van een keuringsrapport conform het WAS (Warenwetbesluit veiligheid Attractie- en Speeltoestellen).
De geplaatste speeltoestellen moeten veilig zijn en aan de wettelijke eisen voldoen. Daarom stelt het WAS eisen aan speeltoestellen. Speelvoorzieningen dienen te voldoen aan het attractiebesluit. Ook speelaanleidingen die niet vallen onder het WAS moeten veilig zijn. Een keuringsrapport van de leverancier of bevoegde keuringsinstantie dient bij oplevering aan de gemeente te worden overhandigd. Dit geldt voor zowel de geplaatste toestellen als voor de gemaakte speelaanleidingen, in dat geval is een omgevingskeuring vereist. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor alle aangebrachte voorzieningen tot het moment van oplevering.
Gemeente Berkelland heeft een lijst van leveranciers, die voldoen aan de gestelde eisen in het beleidsplan, en om de hoeveelheid leveranciers voor onderdelen in verband met reparaties beperkt te houden.
De ontwikkelaar dient ten behoeve van de oplevering een keuringsrapport in te leveren bij de projectleider van de gemeente. Het rapport dient opgesteld te zijn door een bevoegd keuringsinstituut.
10.4.2. Nieuwe speelvoorziening
In een speelvoorziening moet minimaal 1 zitgelegenheid en 1 boom aanwezig zijn. De speelvoorziening is goed bereikbaar en liefst centraal gelegen in een wijk.
Een nieuwe speelvoorziening met speeltoestellen moet voldoende van omvang zijn. Uitgangspunt is minimaal 4 speelelementen, rekening houdend met de doelgroep waar de locatie voor bestemd is. Er wordt uit gegaan van minimaal 40 kinderen in de leeftijd van 0-14 jaar om een speelvoorziening met speeltoestellen te realiseren.
In de gemeente Berkelland worden twee systemen toegepast voor het ophalen van huisvuil; minicontainers en ondergrondse containers. Ten behoeve van het ontwerp wordt de keuze van het systeem, de locatiekeuze en de rijroute in samenspraak met Team Advies en Beheer Openbare Ruimte van de gemeente Berkelland bepaald. Meestal worden de ondergrondse containers toegepast bij gestapelde woningbouw en minicontainers bij niet gestapelde woningbouw. Ondergrondse containers worden door het Team Advies en Beheer Openbare Ruimte op afroep ter beschikking gesteld. Belangrijk is dat deze tijdig bij Team Advies en Beheer Openbare Ruimte worden besteld.
10.6.1. Eisen aan opstelplaats minicontainer
Bij het bepalen van een geschikte locatie en/of clusterplaats voor minicontainers moet rekening worden gehouden met de onderstaande randvoorwaarden:
10.6.2. Ondergrondse vuilopslag
De volgende algemene uitgangspunten bij locatiebepaling voor ondergronds vuilopslag zijn:
Om biodiversiteit te verhogen hebben inheemse soorten en ecologisch groenbeheer de voorkeur.
Waar grasvelden breder dan 3 m worden aangelegd, die geen functie hebben als speelveld, worden deze ingericht als bloemrijk gras. Dit houdt in dat het wordt ingezaaid met vaste inheemse bloemsoorten (geen gras). En wordt aangelegd volgens het principe van bloemrijk gras, zoals verder in dit hoofdstuk toegelicht.
Gestreefd wordt naar aanleggen van groene verbindingen tussen grotere groenelementen.
De cultuurhistorische en landschappelijke identiteit worden versterkt. Denk aan het inpassen van specifieke landschapselementen in de overgang naar bebouwing.
11.2. BODEMEISEN GROEN EN BOMEN
11.2.1. Eisen bodem groenvoorzieningen
Groenvakken bevatten een minimale laagdikte teelgrond:
Groenvakken bevatten een minimale % organische stof als stabiele humus voor:
Als onderdeel van het voorlopig ontwerp en/of definitief ontwerp dient door de ontwikkelende partij een beplantingsplan opgesteld te worden waarin zowel de locaties, soortkeuzes, maten, plantverbanden, standplaatsverbeteringen en contour groeiplaats voor bomen in (half)verharding zijn weergegeven. De groenvoorzieningen dienen op een verantwoorde wijze onderhouden te kunnen worden en bereikbaar te zijn voor het daarvoor gestelde doel (onder andere onderhoudsmachines). Deze “Groen” tekeningen dienen via de projectleider van de gemeente ter goedkeuring te worden aangeboden.
11.3.1. Uitgangspunten groenvoorzieningen
In algemene zin dienen hierbij de volgende algemene uitgangspunten te worden gehanteerd:
De aannemer en/of onderaannemer dient aantoonbaar minimaal in het bezit te zijn van een geldig “Groenkeur-certificaat BRL Groenvoorziening”.
De onderhoudstermijn op het totale groenwerk bedraagt minimaal 12 maanden, liefst 36 maanden. Inboet inbegrepen.
Bij behoud van de oorspronkelijke grond en/of teelgrond in het project dient vooraf een analyserapport, volgens bodemanalyse voor de groenvoorziening, aan de directie te worden voorgelegd om te bepalen of de grond als groeimedium geschikt is. Er dient door de ontwikkelende partij aangegeven te worden met welke middelen en hoeveelheden de grond verbeterd wordt teneinde in de buurt van de streefwaarde van het % organische stof te komen.
Na aanbrengen (teel)grond en/of bemesting, maar voor inplant en/of inzaaien, dient aangetoond te worden of het gewenste streefpercentage organische stof is behaald middels een analyserapport volgens bodemanalyse voor de groenvoorziening.
Analyserapport volgens bodemanalyse voor de groenvoorziening, minimaal controleren op:
Voor (toekomstig) gemeentelijke bomen willen de gemeente Berkelland richtlijnen geven voor ontwerp en inrichting. In een goed ontwerp is rekening gehouden met de voorwaarden voor bestaande en nieuwe bomen om goed te kunnen groeien.
11.4.1. Beschermen te behouden bestaande bomen
Bij het maken van een nieuw plan worden bestaande bomen en beplantingen voor zover mogelijk behouden, mits ze nog een goede conditie en toekomstverwachting hebben.
Voor het behoud van de bestaande bomen stelt de ontwikkelaar een beschermingsplan op en legt deze ter goedkeuring voor aan de projectleider van de gemeente. In het beschermingsplan moet in ieder geval zorggedragen worden voor bescherming tegen aanrijschade, verdichting van de bodem onder de kroon, kroon-, tak- en stamschade, verdroging als gevolg van bronnering en verandering van het bestaande maaiveld gedurende de gehele periode van de werkzaamheden, van bouwrijp- tot en met woonrijp maken.
Schade door verstoring van de omgeving van de boom willen de gemeente Berkelland voorkomen. Bij graafwerkzaamheden moet er zo min mogelijk wortelbeschadiging zijn. Dit geldt ook voor schade door verdichting, bovengrondse beschadiging en bodemverontreiniging.
Hiervoor worden de richtlijnen uit het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen gehanteerd. De bomenposter “Werken rond Bomen” is een uitgave van Vereniging Stadswerk en ondersteunt de inhoud van het Handboek Bomen. Bij diverse bestekken en werkzaamheden verwijzen wij naar deze richtlijnen.
Bij schade aan boom en of wortels dient, via de projectleider van de gemeente, een deskundige te worden ingeschakeld. Eventuele onderzoeks- en herstelkosten zijn voor rekening van de ontwikkelaar en/of aannemer.
De boom heeft voldoende ruimte nodig zodat hij kan uitgroeien zonder hinderlijk te worden voor de omgeving. Er moet rekening gehouden worden met de grootte, groeivorm en eventuele opkroonhoogte van de boom als hij volwassen is.
Er moet genoeg ondergrondse ruimte zijn die doorwortelbaar is. Een richtlijn is ¾ m3 per m2 kroonprojectie.
Een goede doorwortelbare bodem moet voldoen aan een aantal voorwaarden:
Eisen groeiplaats in volle grond (doorwortelbare ruimte)
Eisen groeiplaats in (gedeeltelijke) verharding en/of halfverharding
Voor bomen in volle grond waarin de doorwortelbare ruimte niet behaald kan worden, waarvan de streefwaarde minder dan 75% is, zijn aanvullende maatregelen onder de verharding en/of halfverharding noodzakelijk in de vorm van een groeiplaatsconstructie:
Voor bomen in volledige verharding of halfverharding dient een volledige groeiplaatsconstructie te worden aangelegd:
Hoeveelheid, type constructie en te nemen maatregelen (water en luchttoevoer) ter goedkeuring voorleggen aan de projectleider van de gemeente, in overeenstemming met een groendeskundige van de gemeente.
Groeiplaatsconstructies dienen zo veel mogelijk voorkomen te worden.
Het is ook mogelijk om bestaande grond (geen zand) te hergebruiken en te verbeteren tot het gewenste organische stof percentage. Ervan uitgaande dat deze grond minimaal 1 à 2% organische stof bevat.
Maximale hoeveelheid op te mengen bodemverbeteraar:
De bomen zijn van A kwaliteit, bij kweker minimaal 3x verplant en zijn voorzien van een “draadkluit”, afkomstig van zandgrond of leemhoudend zand en neonicotinevrij gekweekt. De ontwikkelaar vraagt goedkeuring vooraf voor de te leveren partij. Gemeente keurt, merkt en zoekt zo nodig de partij bomen uit;
Bij aanplant van bomen een watergeef regime meenemen gedurende onderhoudsperiode. Water geven naar behoefte gedurende 1 groeiseizoen, uitgaan van minimaal 10 x. Gietrand behoeft niet te worden verwijderd aan einde onderhoudsperiode. De gemeente neemt aan het eind van de periode de (onbeschadigde) gietrand over in beheer;
Ontwikkelaar dient een lijst bij te houden wanneer genoemde posten, controle en water geven, hebben plaats gevonden en wat het resultaat hiervan is. De ontwikkelaar verstrekt deze gegevens te allen tijde als de opdrachtgever daarom vraagt. De ontwikkelaar verstrekt de lijst met totale gegevens aan de opdrachtgever bij het einde van de onderhoudstermijn;
Bosplantsoen vakken zijn minimaal 5 m breed.
Het is ook mogelijk om bestaande grond (geen zand) te hergebruiken en te verbeteren tot het gewenste organische stof percentage. Ervan uitgaande dat deze grond minimaal 1 % organische stof bevat.
Maximale hoeveelheid op te mengen bodemverbeteraar:
Het is ook mogelijk om bestaande grond (geen zand) te hergebruiken en te verbeteren tot het gewenste organische stof percentage. Ervan uitgaande dat deze grond minimaal 1 tot 2% organische stof bevat.
Maximale hoeveelheid op te mengen bodemverbeteraar:
Het is ook mogelijk om bestaande grond (geen zand) te hergebruiken en te verbeteren tot het gewenste organische stof percentage. Ervan uitgaande dat deze grond minimaal 1 - 2% organische stof bevat.
Maximale hoeveelheid op te mengen bodemverbeteraar:
Ontwikkelaar dient de beplanting zo nodig water te geven. Ontwikkelaar dient een lijst bij te houden wanneer watergiften, indien noodzakelijk, hebben plaats gevonden en wat het resultaat hiervan is. De ontwikkelaar versterkt deze gegevens ten aller tijde als de opdrachtgever daarom vraagt. De ontwikkelaar verstrekt de lijst met totale gegevens aan de Gemeente bij het einde van de onderhoudstermijn;
Uitgangspunt is gazon en/of speelweide, strak en egaal aan te leggen en te behouden.
Het is ook mogelijk om bestaande grond (geen zand) te hergebruiken en te verbeteren tot het gewenste organische stof percentage. Ervan uitgaande dat deze grond minimaal 1 % organische stof bevat.
Maximale hoeveelheid op te mengen bodemverbeteraar:
11.5.5. Bloemrijk gras binnen de bebouwde kom
Eisen groeiplaats bloemrijke vegetatie
Maaien terrein in mei of juni, en in september. Tijdens maaibeurt geen afval kapot maaien. Geen vervuiling op omliggende bestrating. Maaisel afvoeren en geen vervuiling op terrein en op omliggende bestrating; Indien er veel storingsonkruiden zijn, in het eerste jaar na inzaaien, een extra maaibeurt toepassen, en het maaisel afvoeren;
In principe worden er geen vaste planten toegepast in het (toekomstig) openbaar groen. In bijzondere situaties kan dit in overleg deel uitmaken van het plan. Dan gelden de volgende eisen:
Het is ook mogelijk om bestaande grond (geen zand) te hergebruiken en te verbeteren tot het gewenste organische stof percentage. Ervan uitgaande dat deze grond minimaal 1 tot 2% organische stof bevat.
Maximale hoeveelheid op te mengen bodemverbeteraar:
11.5.6. Natuurvriendelijke oevers
Oevers worden natuurvriendelijk aangelegd. Indien de ruimte het toelaat, wordt een plas-drasberm op 0,10 – 0,50 m onder het gemiddelde waterpeil gegraven, van minimaal 1 m breed.
Het talud op de overgang van water naar land is flauw en is minimaal 1:4.
In principe kan elke groenvoorziening verlaagd of komvormig worden aangelegd waar dit de bedoelde functionaliteit niet aantast.
Op bepaalde plekken kan het wenselijk zijn om de functie van wadi te optimaliseren en deze dieper aan te leggen. Daarbij wordt rekening gehouden met de grondwaterstand en infiltratiemogelijkheden, om te voorkomen dat er te lang water in blijft staan. Een wadi dient binnen 24-48 uur weer droog zijn.
De bodem van de wadi kan indien nodig worden voorzien van granulaat, drainage en/of een kolk voor extra doorlatendheid en/of de afvoer van hemelwater.
Alle werken moeten worden uitgevoerd overeenkomstig met de vigerende Standaard RAW Bepalingen, zoals vastgesteld en uitgegeven door de Stichting CROW. Tot de Standaard RAW Bepalingen behoort mede, als ware zij er letterlijk in opgenomen, de door de Stichting CROW uitgegeven Errata op de Standaard, zoals deze op de dag van aanbesteding luidt.
De Standaard RAW Bepalingen is tegen betaling verkrijgbaar bij de Stichting CROW. Bestellingen uitsluitend via de CROW-website. De Errata op de Standaard is gratis als pdf-bestand te downloaden vanaf de RAW-website.
12.2. BEREIKBAARHEID, LEEFBAARHEID, VEILIGHEID EN COMMUNICATIE
Van de initiatiefnemer wordt een BLVC-plan (Bereikbaarheid, Leefbaarheid, Veiligheid en Communicatie) verlangt. Het plan moet afgestemd zijn met belangrijke stakeholders, maar minimaal met de hulpdiensten (politie, brandweer en ambulancedienst) en de Gemeente Berkelland. Tenminste 10 werkdagen voor aanvang van het werk moet het definitieve plan worden ingediend bij de toezichthouder van de Gemeente Berkelland. Afhankelijk van omvang en duur van het project zijn aanvullende vergunningen en verkeersbesluiten noodzakelijk. Bij het vervaardigen van het plan moet dan rekening worden gehouden met de benodigde doorlooptijden.
Een BLVC-plan bestaat minimaal uit de volgende onderdelen:
In aanvulling op artikel 01.12.01 van de Standaard wordt bepaald dat de eigenaar en/of gebruiker van een aan het werk grenzend of daarachterliggend perceel (en aan hulpdiensten), verleent de initiatiefnemer de nodige hulp om hinder, welke voor hem uit zijn werk voortvloeit, zoveel mogelijk te beperken.
De initiatiefnemer draagt zorg dat de betrokken percelen te allen tijde bereikbaar zijn.
Bij werk in uitvoering moet een loopstrook voor de percelen vrijgehouden worden.
De initiatiefnemer mag zonder toestemming van de gemeente Berkelland geen wegen voor het verkeer afsluiten.
Brandkranen, sifons, afsluiters, kabelmoffen, putafdekkingen van riolen en gemalen en andere aan te brengen delen moeten steeds bereikbaar en/of bedienbaar zijn.
In aanvulling op artikel 01.12.03 van de Standaard moeten de materialen die tijdens of als gevolg van het uitvoeren van werken op de openbare ruimte of in de watergang terechtkomen terstond worden verwijderd.
Het werkterrein evenals de omgeving moet ordelijk en schoon worden gehouden en te worden voorzien van (tijdelijke) veilige verharding en (tijdelijke) verlichting.
Ophalen van huisvuil moet altijd mogelijk zijn, met minimale extra inspanning van de perceeleigenaar en/of gebruikers. Zo nodig moet hierbij hulp worden verleend.
De verkeershinder voor het verkeer op de rijweg moet tot een minimum beperkt worden. De verkeersmaatregelen moeten afgestemd en goedgekeurd zijn door de hulpdiensten en alle wegbeheerders op of langs wiens wegen tijdelijke maatregelen worden genomen, bebording wordt geplaatst, omleidingsverkeer wordt geleid of extra verkeer wordt verwacht.
Bebording, afzettingen en verlichting uitvoeren overeenkomstig de CROW-publicatie:
“Standaardmaatregelen op niet-autosnelwegen, Werk in Uitvoering 96b – 2020, publicatie 530B”.
De initiatiefnemer is zowel tijdens als buiten de werktijden verantwoordelijk voor de verkeersmaatregelen.
De toegestane werktijden zijn op maandag t/m vrijdag van 7.00 uur tot 19.00 uur. Dit geldt tevens voor het opstarten en/of warmdraaien van materieel. Het werken buiten deze werktijden is alleen mogelijk in overleg met, en na toestemming van de Gemeente Berkelland.
De Gemeente Berkelland kan vooraf restricties opleggen aan de werktijden, bijvoorbeeld in verband met de verkeersdruk tijdens (school)spitsen of evenementen.
Bouwstoffen worden geacht te zijn gekeurd in de zin van paragraaf 18 van de U.A.V. 2012.
Voor de definitieve openbare ruimten kunnen nieuwe (te leveren) materialen worden toegepast. Na oplevering moet de ontwikkelaar een overzicht verstrekken waarop alle toegepaste materialen staan vermeld. Gegevens (leverancier, type- en/of artikelnummer, afmeting, kleur, certificering en hoeveelheid) moeten overzichtelijk worden aangeleverd door middel van een *.xlsx-bestand.
Vrijgekomen betonnen materialen moeten worden afgevoerd naar een verwerkingsinrichting die beschikt over een certificaat voor de productie van recyclinggranulaat conform BRL 2506, Recyclinggranulaten (metselwerkgranulaat, menggranulaat, betongranulaat, fijn granulaat) voor toepassing in GWW-werken en in beton.
12.6. MAATREGELEN I.V.M. BESCHERMING TE HANDHAVEN VEGETATIE
Alle werken rondom bestaande bomen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften van “Handboek bomen” uitgegeven door Norm instituut bomen. Het “Handboek Bomen” is tegen betaling verkrijgbaar bij Norm instituut bomen.
Bij schade aan bomen wordt de hoogte van het schadebedrag vastgesteld aan de hand van de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen (VVTB) e.e.a. zoals omschreven in “De standaard”. In afwijking van “de Standaard” zijn de taxatiekosten voor rekening van de initiatiefnemer of de veroorzaker.
12.7. DOCUMENTEN AANLEVEREN VOOR OVERDRACHT
Uiterlijk bij overdracht van het openbaar gebied naar de gemeente overhandigt de initiatiefnemer alle stukken aan de gemeente. Indien hierin zaken ontbreken, kan het openbaar gebied niet overgedragen worden en blijft het onderhoud bij de initiatiefnemer. Pas na aanleveren van alle stukken kan overgegaan worden tot de “Overdracht”.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-346511.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.