Gemeenteblad van Dordrecht
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Dordrecht | Gemeenteblad 2025, 340670 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Dordrecht | Gemeenteblad 2025, 340670 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Besluit 3e wijziging van het omgevingsplan Dordrecht - ONTWERP
Het COLLEGE van BURGEMEESTER EN WETHOUDERS van Dordrecht;
gezien het voorstel van burgemeester en wethouders inzake terinzagelegging wijziging omgevingsplan ten aanzien van groenblauwe regels en enkele aanpassingen in verband met de praktische toepasbaarheid van het omgevingsplan;
gelet op de doelen uit de omgevingsvisie voor Dordrecht;
gelet op de artikelen 2.4, 4.1 en 4.2 van de Omgevingswet;
besluit:
Voor te stellen het omgevingsplan van Dordrecht te wijzigen zoals weergegeven in Bijlage A.
Dit ontwerpbesluit voor '3e wijziging omgevingsplan Dordrecht’ inclusief bijbehorende stukken ter inzage te leggen vanaf 1 augustus tot en met 11 september 2025.
A
Artikel 5.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen de locatie 'bedrijventerrein met hoge milieucategorie' is het verboden zonder omgevingsvergunning de gebruiksactiviteit 'bedrijfsactiviteit' te starten die betrekking heeft op:
B
Na artikel 5.26 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
C
Artikel 6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de volgende activiteiten binnen de locatie 'begrensd gebied':
'gebouw bouwen';
'ander bouwwerk bouwen';
'bouwwerk in stand houden'.;
'bouwwerk slopen'.
D
Artikel 6.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden binnen de locatie 'welstandsgebied' zonder omgevingsvergunning de activiteit 'gebouw bouwen' uit te voeren.
Het is verboden binnen de locatie 'ontwikkelgebied' zonder omgevingsvergunning de activiteit 'gebouw bouwen' uit te voeren.
Het verbod in het eerste en tweede lid geldt niet voor gebouwen als
bedoeld in artikel 22.366.12 onderdeel a.
E
Artikel 6.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
F
Artikel 7.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 7.3, wordt alleen verleend als de activiteit bijdraagt aan de kwaliteit van het openbaar gebied.
Bij de beoordeling geven burgemeester en
wethoudersgeeft het college toepassing aan de
inrichtingseisen zoals opgenomen in de beleidsregel "stedenbouwkundige
voorwaarden ontwikkellocaties".
G
Artikel 8.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voordat over een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt beslist,
wordt door burgemeester en
wethoudershet college advies ingewonnen bij een archeologisch deskundige.
H
Artikel 8.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voordat over een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt beslist,
wordt door burgemeester en
wethoudershet college advies ingewonnen bij een archeologisch deskundige.
I
Artikel 8.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
J
Artikel 8.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
K
Artikel 8.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
L
Artikel 8.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
M
Artikel 8.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is binnen de functie-aanduiding rijksbeschermd stadsgezicht verboden zonder omgevingsvergunning:
N
Artikel 8.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen van een
bouwwerk in een rijksbeschermd stadsgezicht wordt een motivering
opgenomen dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander
bouwwerkkan of zal worden gebouwd.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen van een
bouwwerk op eenbinnen de locatie met
bouwhistorische verwachting'bouwhistorische verwachtingen', wordt
een bouwhistorisch rapport overgelegd.
O
Na artikel 8.44 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw bouwwerk in een rijksbeschermd stadsgezicht wordt een geveltekening van het bouwwerk met de gevels van de aangrenzende panden of percelen overgelegd.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stadsgezicht, waarbij de wijziging zichtbaar is vanuit de openbare ruimte, wordt een geveltekening van het bouwwerk met de gevels van de aangrenzende panden of percelen overgelegd.
P
Artikel 8.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de wijzigingen passen bij de bestaande historische bebouwing en structuur en met respect voor cultuurhistorische waarden; en
bij het slopen van een bouwwerk: naar het oordeel van het
bevoegd gezag aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen
bouwwerk een ander bouwwerkkan of zal worden gebouwd
dat passend is in het rijksbeschermd stadsgezicht.
Bij het bepalen of de wijzigingen passend zijn, wordt rekening gehouden met:
Q
Artikel 8.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
R
Het opschrift van artikel 8.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
S
Het opschrift van artikel 8.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
T
Na afdeling 14.6 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
het behouden en versterken van de biodiversiteit door natuurinclusief bouwen en ontwerpen;
voldoende waterberging zodat bij hevige neerslag geen afwenteling op het openbaar gebied of wateroverlast plaatsvindt en zodat water langer lokaal wordt vastgehouden voor drogere periodes;
het voorkómen of verminderen van hittestress;
het bieden van schuilplekken bij overstromingen.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'gebouw bouwen' uit te voeren.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een tekening van het bouwwerkperceel, met daarop de huidige situatie, het bouwplan en de groenblauwe ruimte(s);
een tabel waarin de oppervlaktes van het bouwwerkperceel, het bouwplan en de groenblauwe ruimte(s) zijn benoemd;
een inrichtingstekening van de groenblauwe ruimte(s) met de groenblauwe maatregelen;
een ecologische notitie hoe het bouwplan bijdraagt aan minimaal drie biotopen voor minimaal drie soorten of soortgroepen;
een waterplan voor de eis van minimaal 60 mm waterberging per m2 bebouwd oppervlak;
een doorsnede van de bebouwing en aanliggende straat/straten met NAP hoogtes;
indien het bouwplan een hoofdgebouw betreft, een motivering hoe rekening is gehouden met de risico's van overstroming; en
in de situatie dat tevens een omgevingsvergunning op grond van de Waterschapverordening is vereist, wordt aangegeven of in de uitwerking van de groenblauwe eisen rekening is gehouden met de eis van het waterschap dat voor het aanbrengen van verhardingen compensatie moet plaatsvinden.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als het bouwplan voldoet aan een goede groenblauwe inpassing.
Van een goede groenblauwe inpassing is in ieder geval sprake indien:
op het bouwwerkperceel wordt voldaan aan de minimale waterbergingseis van 60 mm per m2 bebouwd oppervlak van het bouwplan;
het bepaalde onder a geldt niet voor bouwplannen die een bebouwd oppervlakte hebben van minder dan 300 m2;
bij minder dan 0,2 meter water op straat mag geen schade optreden aan het bouwplan;
rekening wordt gehouden met de risico's van overstromingen;
een groenblauwe ruimte binnen het bouwwerkperceel is aangewezen met een oppervlakte dat minimaal 30% bedraagt van het bebouwd oppervlak van het bouwplan;
de inrichting van de groenblauwe ruimte voldoet aan de kwaliteitseisen uit de welstandsnota met betrekking tot:
Bij toepassing van de beoordelingsregels wordt door het college advies ingewonnen bij de adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit als het betreft:
Deze paragraaf is van toepassing op de activiteit:
'gebouw bouwen' binnen een locatie 'groenblauw ontwikkelgebied'; en
'woonrijp maken' binnen een locatie 'groenblauw ontwikkelgebied'.
Deze paragraaf is niet van toepassing op gebouwen die de grond niet raken.
Deze paragraaf is niet van toepassing op vergunningvrij gebouwen zoals bedoeld in hoofdstuk 6 en het Besluit bouwwerken leefomgeving.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
het behouden en het versterken van de biodiversiteit door inpassing van natuurinclusief bouwen en ontwerpen;
het hebben van voldoende waterberging zodat bij hevige neerslag geen waterschade optreedt bij gebouwen en in de openbare ruimte, en zodat water langer lokaal wordt vastgehouden voor drogere periodes;
het voorkómen of verminderen van hittestress;
het bieden van schuilplekken bij overstromingen;
het bevorderen van de gezondheid door middel van groene openbare plekken en routes die uitnodigen tot spelen, bewegen, sporten en ontmoeten; en
het hebben van groenblauwe wijken t.b.v. gezondheid, biodiversiteit, en klimaatadaptatie/ klimaatbestendigheid.
Het is binnen de locatie 'groenblauw ontwikkelgebied' verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'gebouw bouwen' uit te voeren.
Het is binnen de locatie 'groenblauw ontwikkelgebied' verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit 'woonrijp maken' uit te voeren.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het ontwikkelplan, bestaande uit een inrichtingstekening waarop is aangegeven welke gronden woonrijp gemaakt worden en welke gronden bebouwd gaan worden;
de 'groenblauwe ruimte' in m2 is benoemd en het percentage groenblauw ten opzichte van het de gehele locatie 'groenblauw ontwikkelgebied';
een inrichtingstekening met de groenblauwe maatregelen met nadere motivering hoe die maatregelen bijdragen aan de kwaliteitseisen uit het handboek Kwaliteit Openbare Ruimte en de welstandsnota;
een ecologische onderbouwing hoe het ontwikkelplan bijdraagt aan minimaal drie biotopen voor minimaal drie soorten of soortgroepen;
een speel-, sport-, beweeg- en ontmoetplan;
een klimaatberekening voor bepaling van de waterberging, schaduw en vluchtplekken;
een doorsnede van de bebouwing en aanliggende straat/straten met NAP hoogtes;
een beheerplan voor de groenblauwe ruimte; en
in de situatie dat tevens een omgevingsvergunning op grond van de Waterschapverordening is vereist, wordt aangegeven of in de uitwerking van de groenblauwe eisen rekening is gehouden met de eis van het waterschap dat voor het aanbrengen van verhardingen compensatie moet plaatsvinden.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de aanvraag voldoet aan een goede groenblauwe inpassing.
Van een goede groenblauwe inpassing in ieder geval sprake indien:
minimaal 40% van het ontwikkelplan wordt ingericht als 'groenblauwe ruimte' volgens de groenblauwe kwaliteitseisen uit het handboek KOR als het gaat om het openbaar gebied en voor gebouwen volgens de kwaliteitseisen uit de welstandsnota met betrekking tot:
binnen de gronden die binnen het ontwikkelplan ingericht worden treedt geen waterschade op aan bebouwing en infrastructuur bij een bui die 1 x per 100 jaar (T=100) kan voorkomen;
binnen de gronden van het ontwikkelplan blijven vitale en kwetsbare functies beschikbaar bij een bui die 1 x per 250 (T=250) jaar voor kan komen;
binnen het ontwikkelplan wordt voor bouwwerkpercelen voldaan aan de minimale waterbergingseis van 60 mm per m2 bebouwd oppervlak;
rekening wordt gehouden met de risico's van overstromingen;
binnen het ontwikkelplan wordt minimaal 30% schaduw in totaal, en 40% schaduw op langzaam verkeersroutes en speel-, beweeg-, sport- en ontmoetingsplekken gecreëerd; en
minimaal 5% van de gronden van het ontwikkelplan worden ingericht voor spelen, sporten, bewegen en ontmoeten.
Bij toepassing van de beoordelingsregels wordt door het college advies ingewonnen bij de adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit als het betreft:
Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten op of in de nabijheid van gronden met een groenblauwe inrichting.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
behouden en versterken van de biodiversiteit door inpassing van natuurinclusief bouwen en ontwerpen;
voldoende waterberging zodat bij hevige neerslag geen waterschade optreedt bij gebouwen en in de openbare ruimte, en zodat water langer lokaal wordt vastgehouden voor drogere periodes.
het voorkómen of verminderen van hittestress;
het bieden van schuilplekken bij overstromingen;
groene openbare plekken en routes die uitnodigen tot spelen, bewegen, sporten en ontmoeten om gezondheid te bevorderen; en
groenblauwe wijken ten behoeve van gezondheid, biodiversiteit, en klimaatadaptatie/ klimaatbestendigheid.
Degene die een activiteit verricht en weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat die activiteit schade kan toebrengen aan het behoud van biodiversiteit, een goede waterberging, een koele(re) omgeving, waterveiligheid of een gezonde leefomgeving, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om schade te voorkomen.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over een activiteit bedoeld in artikel 14.15.
U
Artikel 22.122 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de geur op een geurgevoelig object niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.23.
|
Activiteit |
Geurgevoelig object |
Grenswaarde |
|
Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk |
Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein |
0,5 ouE/m3 |
|
Gelegen: - op een gezoneerd industrieterrein; - op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; - op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, of - buiten de bebouwde kom |
1 ouE/m3 |
In afwijking van het eerste lid is de geur op een geurgevoelig object door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.24.
|
Activiteit |
Geurgevoelig object |
Grenswaarde |
|
Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, opgericht voor 1 februari 1996 |
Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein |
1,5 ouE/m3 |
|
Gelegen: - op een gezoneerd industrieterrein; - op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; - op een Activiteitenbesluit- bedrijventerrein, of - buiten de bebouwde kom |
3,5 ouE/m3 |
Op het berekenen van de geur is artikel 6.13 van de Omgevingsregeling van toepassing.
V
Artikel 25.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit kan onverminderd het bepaalde in artikel 17.9, eerste lid, van de wet de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning onder verantwoordelijkheid van de adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit overlaten aan een of meer daartoe aangewezen leden of een subcommissie.
De adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit kan in gevallen waar de mening van de commissie als bekend mag worden verondersteld, de secretaris namens de commissie laten adviseren.
W
Hoofdstuk 26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in deze afdeling zijn van toepassing op de activiteit 'inrichten openbaar gebied' in het openbaar toegankelijk gebied.
Onder de activiteit inrichten openbaar gebied wordt in deze afdeling verstaan werkzaamheden gericht op een functionele wijziging van het openbaar gebied.
Onder inrichten wordt mede verstaan het herinrichten van het openbaar gebied.
Aan de regels in deze afdeling wordt voldaan door het college.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
de kwaliteit van het openbaar gebied;
een goede toegankelijkheid van het openbaar gebied;
het beschermen van het woon- en leefklimaat;
het waarborgen van de veiligheid;
het voorkomen van hinder en overlast.
het beschermen en bevorderen van de gezondheid;
het behouden en versterken van de biodiversiteit; en
de klimaatbestendigheid.
X
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
een bouwwerk, geen gebouw zijnde;
een actor geregistreerd archeoloog;
openbare kinderspeelplaatsen, achtertuinen bij woningen, volks-/moestuinen, tuinen en verhardingen die horen bij een school en openbare plantsoenen in woonwijken;
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
niet-vormgegeven stoffen die aan de bodem worden toegevoegd met als resultaat dat samen met de in de bodem aanwezige grond een stabilisaat ontstaat, waaronder in ieder geval kalk, cement en gips;
de klassen die zijn vastgelegd in de bodemfunctiekaart. De meest actuele versie van de bodemfunctiekaart is te vinden via de website www.ozhz.nl/;
een bodemgevoelige locatie als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving in artikel 5.89h;
de klassen die zijn vastgelegd in de bodemkwaliteitskaarten. De meest actuele versie van de bodemkwaliteitskaarten is te vinden via de website www.ozhz.nl/;
onderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
de volgende werken en werkzaamheden gericht om het geschikt maken van gronden om te bouwen of om in te richten als publiek toegankelijke ruimte:
het ontdoen van bebouwing, bouwresten en andere boven- en ondergrondse obstakels;
het ontgraven, ophogen en egaliseren van het terrein;
het verwijderen van struiken, bomen en boomstronken;
het dempen van sloten en watergangen;
het treffen van grondwaterregulerende maatregelen;
het afvoeren van grondwater;
het aanleggen van duikers, rioleringen en gemalen, persleidingen;
het aanleggen van bouwwegen;
het aanleggen en inrichten van bouwpercelen;
overige voorkomende werkzaamheden;
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
bruto-vloeroppervlakte als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
een recreatieve activiteit die niet langer dan een dag duurt en waarbij geen overnachting plaatsvindt;
dienstverlenende activiteiten die bedrijfsmatig worden uitgevoerd in de vorm van diensten aan het publiek, personen, instellingen of andere bedrijven;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
religieuze gebouwen waaronder een moskee, synagoge en kerk;
een ruimte als bedoeld in artikel 3.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
gebouw:
dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit;
een deel van het bouwwerkperceel dat in een omgevingsvergunning is aangewezen ten behoeve van een natuurlijke inrichting van gronden of gevels van gebouwen bedoeld voor waterberging, behoud biodiversiteit en/of het tegengaan van hittestress;
het stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat als gevolg van de toevoeging van bindmiddelen aan de bodem;
de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit;
een locatie als bedoeld in artikel 7.28 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening;
het stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat als gevolg van de toevoeging van bindmiddelen aan de bodem;
een gebouwlocatie als bedoeld in artikel
7.277.28 van de Zuid-Hollandse
Omgevingsverordening;
een verontreiniginggebouw als bedoeld in artikel
7.307.27 van de Zuid-Hollandse
Omgevingsverordening
(ZHOV);
handreiking aandachtsgebieden in het omgevingsplan d.d. 24 maart 2023 (referentie BI3055I&BRP002F03) - Module A - Hogedruk aardgastransportleidingen, door Royal Haskoning DHV in opdracht van Gasunie/Velin.);
een verontreiniging als bedoeld in artikel 7.30 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV);
slak die is vrijgekomen bij de bereiding van ruwijzer in een hoogoven;
handreiking aandachtsgebieden in het omgevingsplan d.d. 24 maart 2023 (referentie BI3055I&BRP002F03) - Module A - Hogedruk aardgastransportleidingen, door Royal Haskoning DHV in opdracht van Gasunie/Velin.);
het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of spijzen, voor gebruik ter plaatse en/of nachtverblijf. Onder horeca wordt mede verstaan een afhaalwinkel/-centrum. In deze regels zijn de hierna te noemen klassen/categorieën van bedrijven te onderscheiden;
slak die is vrijgekomen bij de bereiding van ruwijzer in een hoogoven;
een horecabedrijf dat is gericht op het hoofdzakelijk overdag en in de avond verstrekken van dranken en etenswaren en/of het bieden van nachtverblijf, zoals een café, een restaurant, een croissanterie, een snackbar, een koffiehuis, een hotel;
het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of spijzen, voor gebruik ter plaatse en/of nachtverblijf. Onder horeca wordt mede verstaan een afhaalwinkel/-centrum. In deze regels zijn de hierna te noemen klassen/categorieën van bedrijven te onderscheiden;
een horecabedrijf dat voor het goed functioneren ook ’s nachts geopend moet zijn en dat tevens een groot aantal bezoekers aantrekt, zoals een discotheek, dancing, nachtclub;
een horecabedrijf dat is gericht op het hoofdzakelijk overdag en in de avond verstrekken van dranken en etenswaren en/of het bieden van nachtverblijf, zoals een café, een restaurant, een croissanterie, een snackbar, een koffiehuis, een hotel;
ISO 11423-1:1997: Water - Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden - Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
een horecabedrijf dat voor het goed functioneren ook ’s nachts geopend moet zijn en dat tevens een groot aantal bezoekers aantrekt, zoals een discotheek, dancing, nachtclub;
ISO 11423-1:1997: Water - Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden - Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling
geeneen emissiefactor voor geur is
vastgesteld, met
uitzondering en die vallen binnen een van
pelsdieren;de volgende diercategorieën:
slak die vrijkomt bij de bereiding van staal volgens de methode van Linz-Donawitz;
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren;
educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening;
slak die vrijkomt bij de bereiding van staal volgens de methode van Linz-Donawitz;
metaalslakken zoals hoogovenslak, fosforslak, gieterijslak, koperslak of LD-staalslak;
educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening;
een activiteit die een gebouw of locatie zeer kwetsbaar maakt, geluidgevoelig maakt, of luchtkwaliteitsgevoelig maakt;
metaalslakken zoals hoogovenslak, fosforslak, gieterijslak, koperslak of LD-staalslak;
NEN 5725:2017: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
een activiteit die een gebouw of locatie zeer kwetsbaar maakt, geluidgevoelig maakt, of luchtkwaliteitsgevoelig maakt;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 5725:2017: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6578:2011: Water - Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water - Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6578:2011: Water - Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water - Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6965:2005: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten - Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6966:2006: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN 6965:2005: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten - Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN 6966:2006: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 12673:1999: Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN 12673:1999: Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen - Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen - Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-21:20032019: Water - Bepaling van het
biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel
21: Methode voor
onverdunde monstersVerdunning en enting onder toevoeging van
allylthioureum, versie
20032019;
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water - Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water - Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water - Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water - Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water - Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-21:2012: Water - Bepaling van het
totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide
met doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel
21: Methode met
continu
doorstroomanalysedoorstroominjectie analyse
(CFAFIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water - Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-21:2002: Water - Ontsluiting voor
de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel
21: Ontsluiting
met salpeterzuurKoningswater ontsluiting, versie
2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met 'purge-and-trap' en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met 'purge-and-trap' en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water - Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water - Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-ISO 15705:2003: Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
NEN-ISO 15705:2003: Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
een activiteit gericht op het faciliteren van ontspanning of vrijetijdsbesteding, anders dan een sportactiviteit;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
een activiteit gericht op het faciliteren van ontspanning of vrijetijdsbesteding, anders dan een sportactiviteit;
standaardbodem als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit 2022, bijlage GII
de zones die zijn vastgelegd in de toepassingskaart, dit is een combinatie van bodemkwaliteitskaarten en bodemfunctiekaarten. De meest actuele versie van de toepassingskaart is te vinden via de website www.ozhz.nl/;
standaardbodem als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit 2022, bijlage GII
de transformatieladder voor gebedshuizen zoals opgenomen in de 'Kerkenvisie tussen hemel en aarde – een visie op gebedshuizen in Dordrecht';
de zones die zijn vastgelegd in de toepassingskaart, dit is een combinatie van bodemkwaliteitskaarten en bodemfunctiekaarten. De meest actuele versie van de toepassingskaart is te vinden via de website www.ozhz.nl/;
artikel 7.30 van ZHOV
de transformatieladder voor gebedshuizen zoals
opgenomen in de 'Kerkenvisie tussen hemel en aarde – een
visie op gebedshuizen in Dordrecht';
een perceel grond dat geen deel uitmaakt van de grond waarop de woning van de gebruiker staat, waarop de gebruiker gewassen kweekt voor eigen gebruik;
artikel 7.30 van ZHOV;
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen;
een perceel grond dat geen deel uitmaakt van de grond waarop de woning van de gebruiker staat, waarop de gebruiker gewassen kweekt voor eigen gebruik;
het houden van verblijf, het huren en tevens (laten) bewonen van onzelfstandige woonruimte of het gehuisvest zijn in een huis/woning, evenwel met uitzondering van woonvormen met een maatschappelijk karakter met intensieve begeleiding, met dien verstande dat bewoning in onzelfstandige woonruimte in een pand beperkt is en blijft tot maximaal vier personen;
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen;
werken en werkzaamheden ten behoeve van het (her)inrichten van de openbare ruimte:
het aanleggen en aanpassen van wegen en pleinen, zowel met een open verharding als asfalt, met bijbehorende (verkeers- en verkeersregulerende) voorzieningen;
het aanleggen van openbare verlichting en brandkranen met aansluitingen;
het plaatsen van straatmeubilair, speelvoorzieningen, hondentoiletten, sierende elementen en afrastering in de openbare ruimte;
het aanleggen van groenvoorzieningen;
het aanleggen van waterbergingsvoorzieningen;
het houden van verblijf, het huren en tevens (laten) bewonen van onzelfstandige woonruimte of het gehuisvest zijn in een huis/woning, evenwel met uitzondering van woonvormen met een maatschappelijk karakter met intensieve begeleiding, met dien verstande dat bewoning in onzelfstandige woonruimte in een pand beperkt is en blijft tot maximaal vier personen;
werken en werkzaamheden ten behoeve van het (her)inrichten van de openbare ruimte:
het aanleggen en aanpassen van wegen en pleinen, zowel met een open verharding als asfalt, met bijbehorende (verkeers- en verkeersregulerende) voorzieningen;
het aanleggen van openbare verlichting en brandkranen met aansluitingen;
het plaatsen van straatmeubilair, speelvoorzieningen, hondentoiletten, sierende elementen en afrastering in de openbare ruimte;
het aanleggen van groenvoorzieningen;
het aanleggen van waterbergingsvoorzieningen;
Y
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/gm0505/2024/Archeologische_waarde_1/nld@2024‑07‑02;10003
/join/id/regdata/gm0505/2024/Archeologische_waarde_2/nld@2024‑07‑02;10003
/join/id/regdata/gm0505/2024/Archeologische_waarde_3/nld@2024‑07‑02;10003
/join/id/regdata/gm0505/2023/Gemeentelijke_monumenten/nld@2024‑07‑02;10004
/join/id/regdata/gm0505/2024/Cultuurhistorische_waarden/nld@2024‑07‑02;10003
/join/id/regdata/gm0505/2023/Gebedshuizen/nld@2024‑07‑02;10003
/join/id/regdata/gm0505/2023/Rijksbeschermd_stadsgezicht/nld@2024‑07‑02;10004
/join/id/regdata/gm0505/2025/Bedrijventerrein_met_hoge_milieucategorie/nld@2025‑07‑10;10002
/join/id/regdata/gm0505/2025/Begrensd_gebied/nld@2025‑07‑10;10002
/join/id/regdata/gm0505/2025/Bodembeheergebied_grond_en_baggerspecie/nld@2025‑07‑10;10002
/join/id/regdata/gm0505/2025/Bopa_afwijking/nld@2025‑07‑10;10002
/join/id/regdata/gm0505/2025/Brandaandachtsgebied_leidingen/nld@2025‑07‑10;10002
/join/id/regdata/gm0505/2025/Brandaandachtsgebied_wegen/nld@2025‑07‑10;10002
/join/id/regdata/gm0505/2025/Brandvoorschriftengebied/nld@2025‑07‑14;10002
/join/id/regdata/gm0505/2025/Explosie-aandachtsgebied_wegen/nld@2025‑07‑10;10002
/join/id/regdata/gm0505/2024/Explosievoorschriftengebied_ONTWERP/nld@2025‑07‑10;10002
/join/id/regdata/gm0505/2025/Geluidaandachtsgebied_industrie_stedelijk_wonen/nld@2025‑07‑10;10002
/join/id/regdata/gm0505/2025/Geluidaandachtsgebied_snelweg_stedelijk_wonen/nld@2025‑07‑10;10002
/join/id/regdata/gm0505/2025/Geluidaandachtsgebied_50_stedelijk_wonen/nld@2025‑07‑10;10002
/join/id/regdata/gm0505/2025/Locaties_nazorg_Omgevingswet/nld@2025‑07‑10;10002
/join/id/regdata/gm0505/2025/Maatschappelijk_niet-milieugevoelig/nld@2025‑07‑10;10002
/join/id/regdata/gm0505/2025/Ontwikkelgebied/nld@2025‑07‑10;10002
/join/id/regdata/gm0505/2025/Recreatie-dagrecreatie/nld@2025‑07‑10;10003
/join/id/regdata/gm0505/2025/Welstandsgebied/nld@2025‑07‑10;10003
/join/id/regdata/gm0505/2025/Woonomgeving/nld@2025‑07‑10;10002
/join/id/regdata/gm0505/2025/Maximum_aantal_woningen/nld@2025‑07‑10;10002
/join/id/regdata/gm0505/2024/Maximum_bouwhoogte/nld@2025‑07‑10;10002
/join/id/regdata/gm0505/2025/Groenblauw_ontwikkelgebied/nld@2025‑07‑29;10002
/join/id/regdata/gm0505/2025/Bouwhistorische_verwachtingen/nld@2025‑07‑29;10002
Z
Na sectie 'Artikel 5.26 Mantelzorg bij bestaand bouwwerk' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
AA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften
te kunnen stellen na melding van een bouwhistorisch onderzoek bij
panden met cultuurhistorische waarden. Een
maatwerkvoorschrift kan aan de orde zijn als uit het bouwhistorisch
onderzoek blijkt dat het bouwhistorisch onderzoek niet volgens de
richtlijnen is opgesteld en concreet een aanvulling van de melder
wordt gevraagd.
CC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in deze afdeling komen in de plaats van de regels die nu nog gesteld zijn in de bestemmingsplannen in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan over het rijksbeschermd stadsgezicht. Dordrecht heeft formeel twee rijksbeschermde stadsgezichten: de binnenstad en de Schil. In vervolg te noemen het rijksbeschermd stadsgezicht.
In de huidige situatie is voor het beschermd stadsgezicht een
dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd Stadsgezicht' opgenomen.
Daarnaast is op de verbeelding een structuurbepalende lijn opgenomen.
Ter plaatse van die lijn is wijziging van de bestaande bebouwing
slechts toelaatbaar met behoud en zo nodig verbetering van de
structuur van de gevelwand. Nieuwe gewijzigde bebouwing dient in
schaal, gevelgeleding, hoogte differentiatie, kapvorm, silhouetvorming
en rooilijn aan te sluiten op de bestaande omgeving. Het college is
bevoegd nadere eisen te stellen, nadat eerst de Welstands- en
monumentencommissie om advies is gevraagd.
Burgemeester en wethouders
kunnenHet college kan tevens ter plaatse van de
overige gronden nadere eisen stellen. Die laatste bepaling is door de
rechtbank buiten toepassing verklaard in de uitspraak Houttuinen2.
In deze eerste wijziging van het omgevingsplan wordt een vergelijkbare regeling opgenomen, maar vervalt de structuurbepalende lijn. De aanvullende bouwbepaling wordt vervangen door een verbodsbepaling om zonder vergunning een pand in een beschermd stadsgezicht te slopen, nieuw te bouwen of te wijzigen. Om de vergunningaanvraag goed te kunnen beoordelen is een nader uitgewerkt toetsingskader opgesteld. Daarbij wordt ook rekening gehouden met panden met een vastgestelde bouwhistorische verwachting, voor zover een pand staat gemarkeerd op de Bouwhistorische Verwachtingenkaart of in een gebied ligt met hoge bouwhistorische verwachting.
Een vergunning wordt verleend als de aanvrager aantoont dat
aansluiting wordt gezocht bij de stedenbouwkundige en
cultuurhistorische waarden uit de bestaande omgeving, naast de waarden
van het pand zelf met betrekking tot gevelindeling, schaal, kapvorm en
dergelijke. Voordat het college beslist over de vergunning moeten de
bouwhistorische waarden zijn aangetoond en wordt eerst advies
ingewonnen van de commissie Ruimtelijke Kwaliteit.
Met dit artikel 8.40 wordt duidelijk gemaakt dat de regels in
deze paragraaf alleen van toepassing zijn op het verrichten van
activiteiten op in het omgevingsplan aangewezen locaties met de
functie-aanduiding rijksbeschermd stadsgezicht. Daarbij wordt geen
onderscheid gemaakt tussen het beschermd stadsgezicht Binnenstad en
het beschermd stadsgezicht Schil.
DD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De aanvraagvereisten zijn hier zo beperkt mogelijk gehouden. De
aanvrager is verplicht een motivering op te nemen waarom de
bouw- of sloopactiviteit
bijdraagt althans geen afbreuk doet aan het beschermd
stadsgezicht.
Indien een bouwplanhet slopen een pand met een bouwhistorische
verwachting betreft, dan geldt een aanvullende aanvraagvereiste in de
vorm van een bouwhistorisch rapport. De vraag om een bouwhistorisch
rapport maakt deel uit van de aanvraagvereisten om te voorkomen dat
voor de stad belangrijke historische informatie verloren gaat. In de
praktijk zal relatief eenvoudig aan deze eis voldaan kunnen worden
door in overleg met de gemeente de aanwezige waarden vast te leggen in
een rapportage. De indiener/verstoorder is verantwoordelijk om hierin
initiatief te nemen en de kosten op zich te nemen.
EE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De in dit artikel opgenomen beoordelingsregels zijn bedoeld om duidelijk te maken hoe het college bouwplannen in het rijksbeschermd stadsgezicht zal toetsen.
Een vergunning wordt verleend als de aanvrager aantoont dat aansluiting wordt gezocht bij de stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden in de bestaande omgeving en de waarden van het pand zelf met betrekking tot gevelindeling, schaal, kapvorm en dergelijke. Deze zorgen voor een continuering en/of verbetering van het (straat)aanzicht vanuit de openbare ruimte.
De regels in dit omgevingsplan zijn zo opgeschreven dat er geen
ruimte is om een binnenplanse vergunning te verlenen als sprake is van
een aantasting van het beschermd stadsgezicht. Ook niet als het
college toch een vergunning wil verlenen vanwege andere belangen. In
dat geval zal een buitenplanse omgevingsvergunning verleend moeten
worden. Hiervoor gelden niet de beoordelingsregels van artikel
8.458.47, maar de beoordelingsregels op basis van artikel 8.0 Bkl.
Echter is dit een zwaardere beoordeling omdat getoetst moet worden aan
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en
instructies.
FF
Na sectie 'Artikel 8.45 Beoordelingsregels vergunning rijksbeschermd stadsgezicht' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Dit artikel is toegevoegd naar aanleiding van een foutje in de regels. Deze aanvraagvereisten volgen naar aanleiding van de vergunningplicht uit artikel 8.42.
GG
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HH
Na sectie 'Artikel 8.46 Advies' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Dit artikel is toegevoegd naar aanleiding van een foutje in de regels. Deze aanvraagvereisten volgen naar aanleiding van de vergunningplicht uit artikel 8.42.
II
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KK
Sectie 'Artikel 11.84 Beoordelingsregels geluid stedelijk wonen' wordt geplaatst na sectie 'Artikel 11.86 Akoestische eisen appartementen geluid stedelijk wonen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De instructieregels van het Rijk laten toe dat in een omgevingsplan regels worden opgenomen die toestaan dat het geluid op een gebouw hoger is dan de standaardwaarden, tot maximaal de grenswaarden. Voordat hogere grenswaarden kunnen worden toegestaan dient eerst te worden nagegaan of (bron)maatregelen mogelijk zijn om aan de standaardwaarde te kunnen voldoen.
De standaardwaarden / grenswaarden zijn per bron:
De vraag of bronmaatregelen mogelijk zijn, is deels al beantwoord bij
de aanwijzing van de locaties geluidsaandachtsgebieden voor stedelijk
wonen. In de motivering behorende bij dit omgevingsplan is dat nader
onderbouwd. De regels in dit omgevingsplan verplichten degene die een
geluidgevoelig gebouw bouwt of gebruikt om eerst na te gaan of er
maatregelen mogelijk zijn om te kunnen voldoen aan de
standaardwaarden. Alleen als dat niet mogelijk is
kunnen burgemeester en
wethouderskan het college hogere waarden toestaan,
tot maximaal de grenswaarden. Daarbij moeten de opgenomen
beoordelingsregels als ondergrens worden gezien. Bij het toetsen van
de aanvraag omgevingsvergunning zal het college steeds de afweging
moeten maken om de oplossing te kiezen die akoestisch zo optimaal
mogelijk is. Dat vraagt van de bouwer een maximale inspanning. Zo
zullen eenzijdig georiënteerde woningen met een geluidluwe zijde aan
de geluidbelaste kant, niet snel een vergunning kunnen krijgen. Zo
nodig worden aan de vergunning voorschriften verbonden.
LL
Na sectie 'Artikel 11.107 Advies omgevingsvergunning explosie-aandachtsgebied wegen' worden zestien secties ingevoegd, luidende:
Dit artikel stelt regels over de activiteit 'gebouw bouwen' uit hoofdstuk 6 voor het gehele grondgebied. Alleen gebouwen die in hoofdstuk 6 als vergunningplichtig zijn aangewezen en die op de grond staan, vallen onder het toepassingsbereik van deze paragraaf. Voor een interne verbouwing of renovatie van woningen zal in veel gevallen geen vergunning groenblauw nodig zijn omdat geen sprake is van een vergunningplicht voor het bouwen van een gebouw. Zodra op grond van hoofdstuk een omgevingsvergunning nodig is voor het bouw van een gebouw zijn ook de regels in deze paragraaf van toepassing.
Bij sloop nieuwbouw kunnen de regels wel van toepassing zijn in het geval een bestaand gebouw wordt gesloopt en vanaf de grond opnieuw wordt gebouwd.
Vergelijkbaar aan de regels voor bodem zoals opgenomen in afdeling 11.2, zijn gebouwen die de grond niet raken uitgezonderd in het toepassingsbereik. Daarmee vallen uitbreidingen van een gebouw zoals een dakkapel, dakterras, dakopbouw, optopping van een gebouw, niet onder het toepassingsbereik van deze regels.
Dit artikel koppelt een extra vergunningplicht aan de vergunning die nodig is voor de activiteit gebouw bouwen als bedoeld in afdeling 6.4.
Op basis van overleg met de woningbouwcorporatie in Dordrecht is het van belang te benadrukken dat de activiteit verduurzaming en renovatie niet onder het toepassingsbereik vallen. Het betreft hier de activiteit bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die niet onder de activiteit gebouw bouwen worden gerekend. Het gebouw staat er immers al.
Dit artikel stelt eisen die bij de aanvraag omgevingsvergunning ingediend moeten worden. Het betreft aanvullende eisen ten opzichte van de aanvraagvereisten die gelden bij een omgevingsvergunning bouwen. Per onderdeel wordt hier een toelichting op gegeven.
a. In aansluiting op het Besluit bouwwerk leefomgeving is het begrip bouwwerkperceel als uitgangspunt genomen. Binnen het bouwwerkperceel moeten de groenblauwe maatregelen worden getroffen. In de meeste gevallen zal het bouwwerkperceel overeenkomen met de eigendomsgrenzen die in het kadaster zijn vastgelegd (kadastraal perceel) maar dat hoeft niet, bijvoorbeeld in een situatie waar bij elkaar behorende bebouwing meerdere kadastrale percelen/eigenaren betreft. Het is aan de aanvrager van een omgevingsvergunning om de grens van het bouwwerkperceel aan te geven en te motiveren waarom in het voorkomende geval niet de kadastrale eigendomsgrenzen zijn gevolgd. Binnen het bouwperceel wordt op de tekening aangegeven waar het bouwplan (het gebouw) gebouwd gaat worden. Tevens wordt aangegeven waar de groenblauwe ruimte wordt ingericht. Dat mag ook verticaal in het geval van groene gevels.
b. In tabelvorm worden de oppervlaktes uit de tekening onder a benoemd:
A. Totaal bebouwd oppervlak bouwplan (m2);
B. Totaal oppervlak bouwwerkperceel (m2);
C. Oppervlak groenblauwe ruimtes op het bouwwerkperceel per categorie (c1 = natuurlijk groen oppervlak, c2 = natuurlijk wateroppervlak, c3= boomkronen, c4 = natuurlijk gevel- en dakgroen en c5 = open verhardingen);
D. Totaal oppervlak groenblauwe ruimtes (C1+C2+C3+C4+C5);
E. Totaal percentage groenblauwe ruimtes op het bouwwerkperceel ten opzichte van het totale bouwplan (D/A * 100%).
c. De inrichtingstekening laat zien welke groenblauwe maatregelen worden genomen: bomen, wadi, groen dak, de afstroming van het regenwater etc.
d. In de notitie wordt beschreven hoe voldaan wordt aan de eisen natuurinclusief bouwen en ontwerpen volgens het NIBO-handboek dat als bijlage bij de welstandsnota is opgenomen (een notitie in de vorm van een formulier / format wordt nog opgesteld).
e. Een berekening gekoppeld aan de inrichtingstekening die aantoont wat de gevraagde totale waterbergingscapaciteit is (o.b.v. het bebouwd oppervlak van een bouwplan) en een overzicht van de waterberging(en) op het bouwwerkperceel met daarbij aangegeven hoe het regenwater in de waterberging terechtkomt, wat de bergingscapaciteit is en hoe er geledigd wordt en binnen welke tijd(ledigingstijd).
f. Een doorsnede van de bebouwing en aanliggende straat/straten met hoogtes aangegeven in NAP. Dit toont ten minste aan hoe schade wordt voorkomen bij 20 cm water op straat, de hoogte van de vluchtplek in NAP en buitendijks hoe schade wordt voorkomen bij een buitenwaterstand van NAP +4,0m. NAP hoogtes kunnen geraadpleegd worden op de AHN website: https://viewer.ahn.nl/
g. Een motivering hoe rekening kan worden gehouden met de risico's van overstroming kan heel eenvoudig door in het bouwplan een vluchtplek aan te wijzen als droge verdieping (hoogte van minimaal +3,0 m NAP), waar ten minste het geschatte aantal bewoners of gebruikers van het gebouw samen tijdelijk kan verblijven. Er dient ook een te openen raam of deur aanwezig te zijn, zodat er geëvacueerd kan worden indien nodig dan wel een plek geboden kan worden aan bewoners die niet over een vluchtplek beschikken. Als een vluchtplek niet mogelijk is wordt een uitgebreidere motivering ingediend waaruit of en hoe rekening is gehouden met overstromingsgevaar. Buitendijks geldt deze eis niet omdat daar sprake is van een getijdengebied, waar het water weer verdwijnt.
h. Naast het omgevingsplan kunnen ook de regels uit de Waterschapsverordening van het waterschap Hollandse Delta van toepassing zijn. Bij het toevoegen van 500 m2 verharding of meer dient compensatie plaats te vinden door het graven van oppervlaktewater en/of alternatieve voorzieningen (14% van het extra verhard oppervlak). Deze bepaling dwingt de aanvrager bij de uitwerking van groenblauwe maatregelen rekening te houden met de eisen die het waterschap stelt.
Bovengenoemde aanvraagvereisten zullen naarmate het bouwplan omvangrijker is ook een zwaardere motivering vragen. Een bouwplan voor een schuur kan beperkt blijven tot een tekening met toelichtende tekst terwijl een bouwplan voor 30 woningen een lichte motivering zal verlangen.
Een bouwplan moet voldoen aan de eis van een goede groenblauwe inpassing. Wat precies onder een goede groenblauwe inpassing wordt verstaan, is niet eenduidig vast te leggen en zal per situatie verschillend uitpakken. Bij een goede groenblauwe inpassing wordt gezocht naar inrichting die binnen redelijke eisen maximaal tegemoet komt aan oogmerken van deze groenblauwe regels. De opgestelde kwaliteitseisen in de welstandsnota geven daarbij houvast.
Het eerste lid biedt daarbij de mogelijkheid voor maatwerk in het geval niet aan het tweede lid kan worden voldaan, bijvoorbeeld omdat de aanvrager denkt een betere oplossing te hebben of omdat de eisen in het tweede lid ten koste gaan van de haalbaarheid van het bouwplan of omdat er strijdigheid ontstaat met de eisen die het waterschap stelt. De bewijslast ligt dan wel bij de aanvrager, die moet zorgen voor een goede motivering en een positief advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit.
In tweede lid is concreet aangegeven in welke gevallen in ieder geval sprake is van een goede groenblauwe inpassing. Per onderdeel is dat hieronder nader toegelicht:
a. waterbergingseis.
Met deze beoordelingsregel moet bereikt worden dat bouwwerkpercelen voldoende waterbergend vermogen hebben om afwenteling op het openbaar gebied en wateroverlast bij een hevige bui te voorkomen. Ieder bouwplan moet daar evenredig aan bijdragen. Bij volledige nieuwbouw geldt de eis voor het gehele perceel, bij uitbreidingen van bestaande bebouwing geldt de eis alleen ten opzichte van de uitbreiding.
De waterbergingseis houdt in dat een groot deel van de neerslag (60 mm) op privaat terrein wordt geïnfiltreerd, vastgehouden en/of geborgen in voorzieningen op privaat terrein. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is 60 mm per m2 van het bebouwd oppervlak van het nieuw aan te brengen gebouw. De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat:
- deze binnen 48 uur na de neerslaggebeurtenis weer volledig beschikbaar is (bij hergebruik van het regenwater mag maximaal 20% langer vastgehouden worden t.b.v. het hergebruik/drinkwaterbesparing);
- maximaal 1.25 mm per uur wordt geloosd in de gemeentelijke riolering (vertraagde afvoer).
Voorbeeld: Het bouwplan bevat 500 m2 bebouwd oppervlak. De eis is een
hemelwaterberging van 60 mm per m2 bebouwd oppervlak = 0.06 m* 500 m2
= 30 m3 (30.000 liter).
In het geval dat een bouwwerkperceel al meer dan 60 mm
waterberging kan opvangen, geldt nog steeds de eis dat bij toevoeging
van bebouwing extra waterberging wordt gerealiseerd. Als die eis
onredelijk uitpakt kan met toepassing van het eerste lid ook voor een
andere oplossing worden gekozen. Het zelfde geldt voor percelen die
buitendijks zijn gelegen en oppervlaktewater laten afstromen naar
omliggende rivieren. De 60 mm eis is dan mogelijk te streng. Door
toepassing van het eerste lid kan een andere oplossing worden gekozen
die op andere onderdelen bijdraagt aan de doelen klimaatbestendig,
biodiversiteit of gezondheid.
b. Om kleine bouwplannen niet te veel te belasten met waterbergingseisen is een uitzondering gemaakt voor bouwplannen die een bebouwd oppervlak hebben tot 300 m2.
c. Om te voorkomen dat water op straat nieuwe bebouwing in kan stromen, is het van belang de juiste hoogtepeilen te bepalen. Op grond van het artikel 'Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil' opgenomen in hoofdstuk 6 van dit omgevingsplan, stelt het college bij nieuwbouw het straatpeil vast. Ten opzichte van dat straatpeil moet nagegaan worden wat de gevolgen zijn bij water op straat. Voorbeeld: Er wordt een woning gebouwd aan een weg, waarvan de wegas op een hoogte ligt van NAP -0.5 m. Bij 20 cm water op straat (water tot NAP -0.3 m) mag geen schade optreden aan de woning. Dit kan bijvoorbeeld door het vloerpeil op minimaal NAP -0.3 m te zetten en/of een drempel toe te passen.
Bij het toepassen van een drempel moet wel de regel uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (20 mm) in acht worden genomen.
d. In een bouwplan wordt rekening wordt gehouden met de risico's van overstromingen. Dat kan op verschillende manieren. In de welstandsnota zal dat concreet uitgewerkt worden. Een bouwplan houdt rekening met de risico's op overstroming indien:
• het hoofdgebouw binnendijks voorziet in een vluchtplek op een hoogte van NAP +3,0m of op een locatie 'buitendijks' het hoofdgebouw minimaal op NAP +4,0m wordt gebouwd.
• als het gaat om vitale en kwetsbare functies als bij aanleg van objecten in de netwerken van vitale & kwetsbare functies deze worden aangelegd op NAP +4,43m of mag in ieder geval geen schade van water plaatsvinden bij een buitenwaterstand van NAP +4,43m.
• sprake is van een overstromingsbestendig ontwerp is een ontwerpstrategie gericht op het minimaliseren van schade aan gebouwen en infrastructuur door rekening te houden met mogelijke wateroverlast en hiertegen bestendige bouwtechnieken en materialen toe te passen.
In een aantal situaties zal het immers lastig blijken om aan deze eis te voldoen, bijvoorbeeld als het hoofdgebouw op een laag punt in Dordrecht is gesitueerd waardoor de verdieping niet 'droog' is bij een overstroming of als het hoofdgebouw gebouwd wordt op locaties waar al voldoende vluchtplekken aanwezig zijn (voor woongebieden 60% van de woningen voor grote bedrijventerreinen geldt in veel gevallen helemaal geen percentage). In al die gevallen kan de toepassing van onderdeel e buiten toepassing blijven mits op andere wijze rekening is gehouden met overstromingsrisico's.
e. Bij ieder bouwplan wordt aan de hand van het bebouwd oppervlak de groenblauwe ruimte bepaald. Bij een bebouwd oppervlak van 100 m2 moet 30% groenblauw worden ingericht, dat is dus 30 m2. De inrichting van die 30 m2 groenblauw moet op het bouwwerkperceel voldoen aan de kwaliteitseisen uit de welstandsnota.
f. De kwaliteitseisen zijn in de welstandsnota opgesomd, waarbij voor iedere eis moet worden aangegeven in hoeverre hieraan wordt bijgedragen. Het betreft dus een motiveringsplicht per kwaliteitseis. Op een bouwwerkperceel moet gezocht worden naar een groenblauwe inrichting die zo veel mogelijk bijdraagt aan die eisen. Dit moet de aanvrager stimuleren om een groenblauwe ruimte aan te wijzen waar op het perceel het grootste resultaat te halen is. De aanvrager is vrij in de keuze van de groenblauwe ruimte maar zal de meest meerwaarde kunnen bereiken als gekozen worden voor gronden of gevels die in de bestaande situatie de laagste kwaliteit hebben. Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal dit onderbouwd moeten worden.
In de welstandsnota wordt beschreven waaruit de groenblauwe ruimte kan bestaan. Indien sprake is van meerdere achtereenvolgende bouwplannen, zal per bouwplan de groenblauwe ruimte aangewezen moeten worden.
Dit artikel regelt dat de commissie ruimtelijke kwaliteit in twee situaties om advies wordt gevraagd. De eerste situatie betreft de toepassing van de beoordelingsregel dat de inrichting van de groenblauwe ruimte moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in de welstandsnota. De commissie toetst (marginaal) of de motivering per eis klopt en gaat na of er in redelijkheid (zonder extra kosten) een inrichting kan worden gekozen die meer bijdraagt aan de eisen. Op basis van het advies van de commissie kan het college weigeren een vergunning te verlenen als niet aan de eisen wordt voldaan of als naar het oordeel van de commissie met vergelijkbare maatregelen een beter resultaat kan worden gehaald.
In de tweede situatie wordt de commissie om advies gevraagd als niet voldaan kan worden aan de beoordelingsregels in het tweede lid en er een andere oplossing wordt gezocht, bijvoorbeeld omdat de kwaliteitseisen onredelijk uitwerken. De commissie brengt in dat geval een advies uit aan het college of in het bouwplan een passende groenblauwe inrichting is gekozen.
De locatie 'groenblauw ontwikkelgebied' is toegedeeld aan gebieden die door de gemeente zijn aangewezen voor herontwikkeling. Zodra een ontwikkelplan (een plan dat ziet op nieuwe inrichting en /of gebouwen) wordt opgestart zijn de regels in deze paragraaf van toepassing.
Voor bepaalde ontwikkelgebieden waar een integraal stedenbouwkundige plan is opgesteld, zal geen locatie 'groenblauw ontwikkelgebied' zijn aangewezen. De toepassing van groenblauwe maatregelen loopt hier via het stedenbouwkundig plan dat in het hoofdstuk 6 en 7 aan de activiteit bouwen en woonrijp maken is toegedeeld.
Dit artikel koppelt een extra vergunningplicht aan de vergunning die nodig is voor de activiteiten woonrijp maken en gebouw bouwen.
Dit artikel is bedoeld voor de ontwikkelfase maar blijft ook in de beheerfase, als de woonwijk gebouwd is volgens de groenblauwe regels, van toepassing. Een nieuw bouwplan zal dan opnieuw getoetst worden aan de groenblauwe regels.
Dit artikel stelt eisen die bij de aanvraag omgevingsvergunning ingediend moeten worden. Het betreft aanvullende eisen ten opzichte van de aanvraagvereisten die gelden bij een omgevingsvergunning bouwen. Per onderdeel wordt hier een toelichting op gegeven.
a en b. Het ontwikkelplan betreft de gronden waar de aanvraag omgevingsvergunning betrekking op heeft. Dat ontwikkelplan kan – bij gefaseerde planontwikkeling' kleiner zijn dan de locatie 'groenblauw ontwikkelgebied'. Het ontwikkelplan laat minimaal zien welke gronden ingericht worden tot nieuw openbaar gebied en indien tevens gebouwen worden gebouwd, op welke gronden gebouwen worden gebouwd.
c. Op de inrichtingstekening wordt aangegeven welke gronden binnen het ontwikkelgebied een groenblauwe inrichting gaan krijgen. Daarbinnen wordt aangegeven welke groenmaatregelen (bomen, wadi, groen dak, de afstroming van het regenwater etc.) worden genomen en hoe die bijdragen aan de gestelde kwaliteitseisen.
Op de tekening van hetzelfde blad een tabel met daarin:
A: Totaal oppervlak groenblauw ontwikkelgebied (m2);
B: Totaal oppervlak ontwikkelplan (m2) – zonder fases vaak gelijk aan A;
C: Oppervlak groenblauwe ruimtes in ontwikkelplan per categorie (c1 = natuurlijk groen oppervlak, c2 = natuurlijk water oppervlak, c3 = boomkronen, C4 = natuurlijk gevel- en dakgroen, C5- open verhardingen);
D: Totaal oppervlak groenblauwe ruimte in ontwikkelplan(C1+C2+C3+C4+C5);
E: Totaal percentage groenblauwe ruimte in ontwikkelplan ten opzichte van het totale groenblauwe ontwikkelplan(D/B * 100%).
Indien ontwikkelgebied uit meerdere ontwikkelplannen/fases bestaat, ook toevoegen:
F: Totaal percentage groenblauwe ruimte in groenblauw ontwikkelgebied ten opzichte van het totale groenblauwe ontwikkelgebied en bijdrage van het ingediende ontwikkelplan aan dat percentage.
d. In een motivering wordt beschreven hoe voldaan wordt aan natuurinclusief bouwen en ontwerpen volgens het NIBO-handboek dat als bijlage bij de welstandsnota is opgenomen. Hiervoor wordt nog een formulier opgesteld.
e. In het speel-, sport-, beweeg en ontmoetplan wordt beschreven hoe voldaan wordt aan 5% spelen, bewegen, sporten en ontmoeten. Het plan beschrijft hoe wordt voldaan aan de eis voor 5% ruimte voor spelen, bewegen, sporten en ontmoeten, waarvan 3% spelen en bewegen voor kinderen en jeugd ( 0 tot 19 jaar). Het bevat ten minste:
- wat het gevraagde oppervlak voor spelen, bewegen, sporten en ontmoeten is (o.b.v. totaal ontwikkelplan);
- wat het gevraagde oppervlak voor spelen en bewegen voor kinderen en jeugd is (3% o.b.v. totaal ontwikkelplan);
- een overzicht van de speel-, sport-, beweeg en ontmoetingsruimte (plekken en routes) in het project met daarbij de oppervlakken.
f. Bij de aanvraag wordt een berekening toegevoegd gekoppeld aan de inrichtingstekening die aantoont wat de gevraagde totale waterbergingscapaciteit is (o.b.v. het bebouwd oppervlak) en een overzicht van de waterberging(en) in het plan met daarbij de bergingscapaciteit en ledigingstijd.
De berekening gekoppeld aan de inrichtingstekening toont aan:
- dat er geen waterschade optreedt aan bebouwing en infrastructuur bij een bui die 1 x per 100 (T= 100) jaar kan voorkomen en dat vitale en kwetsbare functies beschikbaar blijven bij een bui die 1 x per 250 (T=250) jaar voor kan komen.
- wat de gevraagde totale waterbergingscapaciteit is (o.b.v. bebouwd oppervlak gebouwen);
- een overzicht van de waterberging(en) in het ontwikkelgebied met daarbij aangegeven hoe het regenwater in de waterberging terechtkomt, wat de bergingscapaciteit is en hoe er geledigd wordt en binnen welke tijd (ledigingstijd);
- wat het gevraagde schaduwpercentage is (o.b.v. oppervlak ontwikkelplan en oppervlak aan speel-, sport-, beweeg- en ontmoetingsruimte);
- een overzicht van de schaduw in het ontwikkelplan met daarbij wat het schaduwpercentage is;
- wat het gevraagde aantal gebouwen met een vluchtplek is;
- een overzicht van de gebouwen met een vluchtplek in het project met daarbij de aantallen.
Voorbeeld van overzicht schaduw in plan incl. schaduwpercentage t.o.v. projectgebied:
g. Indien sprake is van een bouwplan wordt een doorsnede van de bebouwing en aanliggende straat/straten met hoogtes aangegeven in NAP. Dit toont ten minste aan de hoogte van de vluchtplek in NAP en buitendijks hoe schade wordt voorkomen bij een buitenwaterstand van NAP +4,3 m. NAP hoogtes kunnen geraadpleegd worden op de AHN website: https://viewer.ahn.nl/
h. Met een beheerplan of nadere motivering wordt aangetoond hoe de groenblauwe maatregelen in stand gehouden worden met het oog op de zorgplicht die in paragraaf 14.7.3 is opgenomen.
i. Naast het omgevingsplan kunnen ook de regels uit de Waterschapsverordening van het waterschap Hollandse Delta van toepassing zijn. Bij het toevoegen van 500 m2 verharding of meer dient compensatie plaats te vinden door het graven van oppervlaktewater en/of alternatieve voorzieningen (14% van het extra verhard oppervlak). Deze bepaling dwingt de aanvrager bij de uitwerking van groenblauwe maatregelen rekening te houden met de eisen die het waterschap stelt.
Een ontwikkelplan moet voldoen aan de eis van een goede groenblauwe inpassing. Wat precies onder een goede groenblauwe inpassing wordt verstaan, is niet eenduidig vast te leggen en zal per situatie verschillend uitpakken. Bij een goede groenblauwe inpassing wordt gezocht naar een inrichting die binnen redelijke eisen maximaal tegemoet komt aan oogmerken van deze groenblauwe regels. De opgestelde kwaliteitseisen in het handboek Kwaliteit Openbare Ruimte en de welstandsnota geven daarbij houvast.
Het eerste lid biedt daarbij de mogelijkheid voor maatwerk in het geval niet aan het tweede lid kan worden voldaan, bijvoorbeeld omdat de aanvrager denkt een betere oplossing te hebben of omdat de eisen in het tweede lid ten koste gaan van de haalbaarheid van het bouwplan of omdat er strijdigheid ontstaat met de eisen die het waterschap stelt.
De bewijslast ligt dan wel bij de aanvrager, die moet zorgen voor een goede motivering en een positief advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit.
In tweede lid is concreet aangegeven in welke gevallen in ieder geval sprake is van een goede groenblauwe inpassing. Per onderdeel is dat hieronder nader toegelicht:
2a. 40% groenblauw
Iedere locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als 'groenblauw ontwikkelingsgebied' zal voor 40% van de oppervlakte uit een kwalitatief groenblauwe inrichting moeten bestaan. Bij de aanvraag omgevingsvergunning moet een groenblauwe ruimte worden aangewezen met een minimale oppervlakte van 40% van het ontwikkelplan. Daarbij kan het voorkomen dat het ontwikkelplan kleiner is dan de locatie 'groenblauw'. In dat geval dient per ontwikkelplan binnen de locatie 'groenblauw' aan de eis van 40% te voldoen. In het geval van gefaseerde ontwikkeling waarbij een eerste plan nog niet voldoet aan de eis van 40% omdat de groenblauwe ruimte voorzien is in een volgende fase, wordt niet voldaan aan de beoordelingsregel. In dat geval zal een oplossing gevonden moeten worden via lid 1. De aanvrager zal dan moeten aantonen dat aanleg van de groenblauwe ruimte in een volgende fase geborgd is.
De inrichting van de groenblauwe ruimte moet voldoen aan de kwaliteitseisen uit het handboek kwaliteit openbare ruimte en de welstandsnota. Die kwaliteitseisen zijn in deze documenten opgesomd, waarbij voor iedere eis moet worden aangegeven in hoeverre hier aan wordt bijgedragen. Het betreft dus een motiveringsplicht per kwaliteitseis. Binnen een ontwikkelplan moet gezocht worden naar een groenblauwe inrichting die zo veel mogelijk bijdraagt aan die eisen. Dit moet de aanvrager stimuleren om een groenblauwe ruimte aan te wijzen waar op het perceel het grootste resultaat te halen is. De aanvrager is vrij in de keuze van de groenblauwe ruimte maar zal de meest meerwaarde kunnen bereiken als gekozen worden voor gronden of gevels die in de bestaande situatie de laagste kwaliteit hebben. Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal dit onderbouwd moeten worden. In de welstandsnota wordt beschreven waaruit de groenblauwe ruimte kan bestaan.
2b. Waterschade
Aangetoond moet worden dat bij een bui die 1 x per 100 jaar (T=100) voorkomt, geen schade aan de gebouwde omgeving optreedt bijvoorbeeld doordat water bebouwing instroomt. Maatregelen die hier mogelijk zijn betreffen onder andere:
- berging in een gemengd riool en/of afvoer van een HWA-stelsel;
- tijdelijke berging op straat (zonder schade te veroorzaken aan gebouwen);
- voorzieningen voor infiltratie, vasthouden of bergen van water in het ontwikkelplan.
- bepalen geschikte hoogtepeilen (bouwpeil ten opzichte van uitgiftepeil).
Voorbeeld: Om waterschade te voorkomen bij T=100 (2025: 60 mm), wordt een HWA-stelsel gelegd dat 30 mm/uur af kan voeren. Daarnaast worden er voorzieningen getroffen met een capaciteit van 20 mm. De openbare ruimte wordt zo ingericht dat 10 mm water op straat geen schade veroorzaakt aan gebouwen.
Belangrijk om hierbij op te merken is dat een bui die nu 1x per 100 jaar voorkomt uitgedrukt kan worden in een regenbui van 60 mm. In de toekomst kan dit mogelijk bijgesteld worden tot bijvoorbeeld 90 mm. De norm van T=100 kan dan strenger uitpakken.
2c. Vitale en kwetsbare functies
Aangetoond moet worden dat bij een bui die 1 x per 250 jaar voorkomt, geen schade optreedt aan vitale en kwetsbare functies. Bron: aanpak gevolgenbeeld vitaal (90% versie). Procesleidraad voor het uitwerken van een onderdeel van bovenregionale stresstesten wateroverlast.
2d. waterbergingseis.
Met deze beoordelingsregel moet bereikt worden dat bouwwerkpercelen voldoende waterbergend vermogen hebben om afwenteling op het openbaar gebied of wateroverlast bij een hevige bui te voorkomen. Ieder bouwplan moet daar evenredig aan bijdragen. Bij volledige nieuwbouw geldt de eis voor het gehele perceel, bij uitbreidingen van bestaande bebouwing geldt de eis alleen ten opzichte van de uitbreiding.
De waterbergingseis houdt in dat een groot deel van de neerslag (60 mm) op privaat terrein wordt geïnfiltreerd, vastgehouden en/of geborgen in voorzieningen op privaat terrein. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is 60 mm per m2 van het bebouwd oppervlak van het nieuw aan te brengen bouwwerk. De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat:
- deze binnen 48 uur na de neerslaggebeurtenis weer volledig beschikbaar is (bij hergebruik van het regenwater mag maximaal 20% langer vastgehouden worden t.b.v. het hergebruik/drinkwaterbesparing);
- maximaal 1.25 mm per uur wordt geloosd in de gemeentelijke riolering (vertraagde afvoer).
Voorbeeld: Het bouwplan ontwikkelplan bevat 500 m2 bebouwd oppervlak. De eis is een hemelwaterberging van 60 mm per m2 bebouwd oppervlak = 0.06 m* 500 m2 = 30 m3 (30.000 liter).
In het geval dat een ontwikkelgebied al meer dan 60 mm waterberging kan opvangen, geldt nog steeds de eis dat bij toevoeging van bebouwing extra waterberging wordt gerealiseerd. Als die eis onredelijk uitpakt kan met toepassing van het eerste lid ook voor aan andere oplossing worden gekozen . Het zelfde geldt voor percelen die buitendijks zijn gelegen en oppervlaktewater laten afstromen naar omliggende rivieren. De 60 mm eis is dan mogelijk te strenge. Door toepassing van lid 1 kan een andere oplossing worden gekozen die wellicht op andere onderdelen bijdraagt aan de doelen klimaatbestendig, biodiversiteit of gezondheid.
2e. rekening houden met overstromingsrisico's
In een gebiedsontwikkeling wordt rekening wordt gehouden met de risico's van overstromingen. Dat kan op verschillende manieren. In de welstandsnota zal dat concreet uitgewerkt worden. Een plan houdt rekening met de risico's op overstroming indien:
• op een locatie 'binnendijks' minimaal 60% van de gebouwen worden ingericht met vluchtplekken op een hoogte van minimaal NAP +3,0m en op een locatie 'buitendijks' woningen worden gebouwd op een hoogte van minimaal NAP +4,0m of overstromingsbestendig;
• objecten in de netwerken van vitale & kwetsbare functies op een locatie 'buitendijks' minimaal op NAP +4,43m worden gebouwd.
• Hoofdgebouwen overstromingsbestendig worden aangelegd om ervoor te zorgen dat deze droog blijven en ontsluitingswegen begaanbaar blijven voor calamiteitenverkeer;
Indien buitendijks objecten in de netwerken van vitale en kwetsbare functies worden gebouwd dient te worden uitgegaan van een scenario waarbij een buitenwaterstand van NAP 4,43m optreedt. In dat geval worden deze objecten aangelegd op NAP +4,43m of mag in ieder geval geen schade van water plaatsvinden bij een buitenwaterstand van NAP +4,43m en blijven ontsluitingswegen begaanbaar voor calamiteitenverkeer (maximaal 20 cm waterdiepte op straat). Een overstromingsbestendig ontwerp is een ontwerpstrategie gericht op het minimaliseren van schade aan gebouwen en infrastructuur door rekening te houden met mogelijke wateroverlast en hiertegen bestendige bouwtechnieken en materialen toe te passen. Vitale en kwetsbare functies zijn producten, diensten en de onderliggende processen die, als zij uitvallen, maatschappelijke ontwrichting kunnen veroorzaken. Bron: aanpak gevolgenbeeld vitaal (90% versie). Procesleidraad voor het uitwerken van een onderdeel van bovenregionale stresstesten wateroverlast.
2f. schaduw
Ieder ontwikkelplan moet voorzien in voldoende schaduw om hittestress tegen te gaan. Binnen het ontwikkelplan wordt minimaal 30% schaduw in totaal, en 40% schaduw op langzaam verkeersroutes en speel-, sport-, beweeg- en ontmoetingsplekken gecreëerd.
Voor nieuwe bomen wordt gerekend met de grootte van de boomkroon na 20 jaar. De schaduw van bebouwing mag meegerekend worden. De hoeveelheid schaduw wordt berekend/ingeschat op de hoogste zonnestand (21 juni).
Voorbeeld: Het ontwikkelgebied is 10.000 m2. De eis is dat minimaal 30% schaduw gecreëerd wordt in totaal = 10.000 m2 * 0.3 = 3000 m2. Dit kan bijvoorbeeld door 60 grote bomen te planten, die na 20 jaar een boomkroon zullen hebben van elk 50 m2 (en in totaal 3000 m2).
2i. voldoende plekken voor spelen, bewegen, sporten en ontmoeten
Ieder ontwikkelplan zal moeten voorzien in voldoende openbare plekken voor spelen, bewegen, sporten en ontmoeten. Daarvoor moet een terrein of terreinen worden aangewezen met een oppervlakte van 5% van de gronden die zijn betrokken bij het ontwikkelplan. Deze plekken mogen samenvallen met de groenblauwe ruimte, mits dit niet ten koste gaat van de waterbergingseisen en eisen voor natuurinclusief bouwen en ontwerpen.
Minimaal 3% is voor speel- en beweegruimte voor de leeftijd 0 tot 19. Hiervan moet minimaal 33% formeel zijn (66% mag informeel zijn). De termen formeel en informeel zijn uitgelegd in het handboek KOR.
De overige 2% mag ook ingevuld worden met groenblauwe routes of plekken voor alle leeftijden.
Voorbeeld: Het projectgebied (volledige ontwikkeling) is 10.000 m2. De eis is dat minimaal 5% = 500 m2 wordt ingericht voor spelen, bewegen, sporten en ontmoeten. 3% (= 300 m2) dient voor spelen en bewegen voor kinderen en jeugd te zijn. De overige 2% mag anders worden ingevuld, bijvoorbeeld met routes of plekken voor alle leeftijden. Dit kan bijvoorbeeld met een formele beweegplek van 100 m2 (33% van 3%) + een informele speelplek van 200 m2 (66% van 3%) + 200 m2 aan groenblauwe routes (2%).
Dit artikel regelt dat de commissie ruimtelijke kwaliteit in twee situaties om advies wordt gevraagd. De eerste situatie betreft de toepassing van de beoordelingsregels dat de inrichting van de groenblauwe ruimte moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in het handboek kwaliteit openbare ruimte en de welstandsnota. De commissie toetst (marginaal) of de motivering per eis klopt en gaat na of er in redelijkheid (zonder extra kosten) een inrichting kan worden gekozen die meer bijdraagt aan de eisen. Op basis van het advies van de commissie kan het college weigeren een vergunning te verlenen als niet aan de eisen wordt voldaan of als naar het oordeel van de commissie met vergelijkbare maatregelen een beter resultaat kan worden gehaald.
In de tweede situatie wordt de commissie om advies gevraagd als niet voldaan kan worden aan de beoordelingsregels in het tweede lid en er een andere oplossing wordt gezocht, bijvoorbeeld omdat de kwaliteitseisen onredelijk uitwerken. De commissie brengt in dat geval een advies uit aan het college hoe tot een goede groen blauwe inpassing kan worden gekomen.
De doelstelling om Dordrecht gezond en klimaatbestendig te maken en biodiversiteit te behouden en te versterken vraagt dat een ieder daar aan bijdraagt. Alle gronden en gebouwen binnen de gemeente waar vanuit de oogmerken genoemd in artikel 14.14 groenblauwe maatregelen zijn getroffen, vallen onder het toepassingsbereik van de regels in deze paragraaf.
Een voorbeeld hiervan is de nieuwe woonwijk Amstelwijck. Om de wijk klimaatbestendig te maken zijn door de ontwikkelaar woningen opgeleverd met voortuinen die moeten zorgen voor voldoende waterberging, zodat bij hevige regenbuien instroom van water in de woningen voorkomen wordt. Deze voortuinen zijn ingericht met het oog op een goede waterberging en vallen daarmee onder het toepassingsbereik van deze paragraaf.
Dat zelfde geldt ook voor het openbaar gebied als dat een inrichting heeft gekregen die bedoeld was om uitwerking te even aan de doelen klimaatbestendig, gezondheid en biodiversiteit.
De regels voor groenblauwe inrichting zoals opgenomen in de paragrafen 14.7.1 en 14.7.2 van dit omgevingsplan hebben betrekking op het starten en uitvoeren van activiteiten, maar niet op de instandhouding daarvan. De regels in die paragrafen verplichten dus niet om de groenblauwe maatregelen ook in stand te houden. Dat wordt gezien als een te grote inmenging van overheid op de inrichting van gronden van particulieren. Het handhaven van die instandhoudingsplicht zou bovendien een te forse inspanning van de gemeente vragen. Het is niet realistisch bij iedere verleende vergunning na te gaan of de groenblauwe maatregelen nog steeds aanwezig zijn volgens de verleende vergunning en als dat niet het geval is handhavend op te treden. In plaats daarvan is gekozen voor een zorgplicht.
De zorgplicht in dit artikel maakt duidelijk dat iedere eigenaar van gronden waar groenblauwe maatregelen zijn getroffen een verantwoordelijkheid heeft om te voorkomen dat een situatie ontstaat die de groenblauwe maatregelen juist beoogd hebben te voorkomen.
In het eerder aangehaalde voorbeeld van de wijk Amstelwijck dwingt de zorgplicht eigenaren van woningen met groene voortuinen, die met het oog om het voorkomen van wateroverlast in de wijk zijn ingericht, om die voortuinen groen te houden of andere maatregelen te nemen die wateroverlast voor de buurt kan voorkomen.
Ook voor gemeente en ontwikkelaars zal deze zorgplicht verantwoordelijkheden met zich meebrengen. Dit is in lijn met rechtspraak die eerder is ontstaan op basis van de hemelwaterzorgplicht uit de Waterwet, zie onder andere de uitspraak van het Hof https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2014:7380
De zorgplicht in artikel 14.15 kan voor het college aanleiding zijn om in concrete situaties maatwerkvoorschriften te stellen, bijvoorbeeld een voorschrift die dwingt om bepaalde groenblauwe maatregelen te herstellen als dat vanuit de oogmerken in deze paragraaf noodzakelijk wordt geacht.
MM
Na sectie 'Artikel 25.18 Vervallen oude regeling' worden vijf secties ingevoegd, luidende:
Het oogmerk voor dit hoofdstuk is afgeleid uit de doelen van de omgevingsvisie.
De doelen groenblauw (klimaatbestendig, gezondheid en biodiversiteit) uit de omgevingsvisie 1.0 vragen van alle nieuwe ruimtelijke projecten, en dus ook van de projecten die de gemeente zelf uitvoert, een evenredige bijdrage om groenblauwe maatregelen te nemen.
Als het gaat om inrichtingsplannen openbaar gebied in het kader van de beheertaken van de gemeente is gekozen voor een algemene regel die zich richt tot de gemeente. Een vergunningstelsel met groenblauwe eisen wordt hier als een te zwaar instrument gezien als het gaat om het uitvoeren van de reguliere beheertaak van de gemeente. Ieder project zou dan een omgevingsvergunning vereisen met bijbehorende bezwaar- en beroepsprocedure, waar dat nu nog niet het geval is. Dat kan per project forse vertraging en extra kosten gaan opleveren.
Een algemene regel sluit beter aan bij de huidige werkwijze waar dit soort openbaar gebied projecten getoetst worden aan het handboek Kwaliteit Openbare Ruimte (KOR). Door het KOR aan te vullen met concrete richtlijnen voor groenblauwe maatregelen wordt op die manier afgedwongen dat dit soort projecten een evenredige bijdrage gaan leveren. De opgenomen adviesverplichting door de commissie ruimtelijke kwaliteit is daarbij een extra waarborg om na te gaan of de gemeente aan de kwaliteitseisen heeft voldaan. Doorwerking van de evenredige bijdrage vraagt nog wel een aanpassing in het handboek KOR met een paragraaf groenblauw en vaststelling daarvan door het college.
Deze regel vormt een juridische vertaling van een bestaande praktijk binnen de gemeente om volgens het handboek KOR te werken en daar een advies over in te winnen bij deskundigen. Die deskundigen vormde voorheen de ambtelijke werkgroep AKOR.
In de eerste wijziging van het omgevingsplan heeft de gemeente de commissie ruimtelijke kwaliteit ingesteld als vervanging van de ambtelijke adviescommissie AKOR.
De commissie ruimtelijke kwaliteit is deskundig op de onderwerpen cultuurhistorie, bouw- en architectuurhistorie, restauratiearchitectuur, landschap, stedenbouw, en architectuur en ecologie. De commissie beschikt daarmee over de deskundigheid om te beoordelen of een integraal werkproces is doorlopen. Specifieke deskundigheid die de commissie nog mist op het vlak van klimaatadaptatie en gezondheid kan desgewenst aangevuld worden.
De commissie zal gevraagd worden advies te geven over het gevolgde werkproces uit het handboek KOR: zijn alle belangen goed afgewogen? Vanuit de deskundigheid in de commissie kan bijvoorbeeld het advies zijn om een inrichtingsplan aan te passen omdat met andere maatregelen een vergelijkbaar of beter resultaat gehaald kan worden zonder extra kosten.
Uitspraak rechtbank Rotterdam 28 juni 2022. De rechtbank was van oordeel dat het college niet via nadere eisen de in het bestemmingsplan Historische binnenstad geboden bouwmogelijkheden mocht beperken. Een deel van de in het bestemmingsplan opgenomen nadere eisen regeling moest volgens de Rechtbank buiten toepassing worden gelaten vanwege strijd met artikel 3.6 Wro (exceptieve toetsing, ROT 20/5121 WABOA FR03). Terug naar link van noot.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-340670.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.