Gemeenteblad van Westland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Westland | Gemeenteblad 2025, 330795 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Westland | Gemeenteblad 2025, 330795 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Nadere regels re-integratie Participatiewet gemeente Westland 2025
Besluit van het college van de gemeente Westland tot vaststelling van nadere regels inzake de voorzieningen zoals genoemd in de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Westland 2025;
gelezen het voorstel van 8 juli 2025;
overwegende dat in de artikelen 11, 17, 18, 19, 20, 26, 27, 29, 32, 33 en 34 van de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Westland 2024 de mogelijkheid c.q. verplichting is opgenomen om nadere regels vast te stellen;
gelet op het advies van de uitvoeringsorganisatie Patijnenburg;
vast te stellen, de nadere regels re-integratie Participatiewet gemeente Westland 2025.
Artikel 37 van de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Westland 2024;
Alle begrippen die in deze nadere regels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de Gemeentewet en de re-integratieverordening participatiewet gemeente Westland 2024. In deze nadere regels wordt verstaan onder:
Artikel 3. Arbeidsdeskundig onderzoek
Het college kan voorafgaand aan een re-integratietraject een onderzoek (laten) doen naar de belastbaarheid van de belanghebbende ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden of het deelnemen aan een traject. Een arbeidsdeskundig onderzoek kan bestaan uit:
Artikel 4 Verlenging proefplaatsing (zie artikel 21 Verordening)
Een gemeente kan voor een werknemer die een uitkering krijgt op grond van de Participatiewet ook toestemming geven voor een proefplaatsing. Tijdens een proeftijd van twee maanden beoordeelt de werkgever of er een dienstverband mogelijk is. De werknemer behoudt gedurende deze periode zijn uitkering. Indien noodzakelijk en in zeer uitzonderlijke gevallen kan een proefplaatsing tot maximaal zes maanden worden verlengd. Voordat tot verlenging van de proefplaatsing wordt overgegaan wordt door de werkgever een goede onderbouwing voor de verlenging aangeleverd. Op basis van die onderbouwing wordt door de inkomensconsulent van de gemeente besloten tot al dan niet verlengen van de proefplaatsing.
Artikel 5. Loonkostensubsidie en Loonwaardebepaling (zie artikel 16 Verordening)
De ingangsdatum van de loonkostensubsidie kent verschillende varianten, deze zijn als volgt:
Ingangsdatum bij rappelleren. Op het moment dat werkgever een aanvraag voor loonkostensubsidie indient maar niet alle gevraagde documenten aanlevert dan wordt er twee keer gerappelleerd. Op het moment dat de gevraagde documenten binnen de gestelde termijn zijn ontvangen geldt de ingangsdatum van het contract als ingangsdatum van de loonkostensubsidie.
Artikel 9 Uitstroompremie (zie artikel 20 Verordening)
Aan de uitkeringsgerechtigde die tenminste één jaar onafgebroken een uitkering heeft en die aansluitend algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt en behoudt en daarmee een inkomen verwerft dat meer bedraagt dan de van toepassing zijnde norm, kan op grond van artikel 20 van de Verordening ambtshalve of op aanvraag een eenmalige uitstroompremie worden verstrekt.
Aan de belanghebbende die een op basis van de e-integratieverordening Participatiewet gemeente Westland 2024 toegekende gesubsidieerde baan heeft en die aansluitend algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt en behoudt, en daarmee een inkomen verwerft dat meer bedraagt dan de van toepassing zijnde norm, kan op aanvraag een eenmalige uitstroompremie worden verstrekt.
Artikel 10. Werkbegeleiding (zie art. 22 en 30 Verordening)
Werkbegeleiding kan ingezet worden wanneer de werkgever een werknemer in dienst neemt die behoort tot de doelgroep Participatiewet en waarbij vaststaat dat de betreffende ondersteuning noodzakelijk is. De noodzakelijkheid van de ondersteuning wordt vastgelegd in een werkbegeleidingsplan, waarbij doelen en een tijdpad benoemd worden.
Om de noodzaak van de inzet van werkbegeleiding vast te stellen, kan het college een medisch advies dan wel arbeidsdeskundig advies inwinnen. Er is sprake van noodzaak wanneer de werknemer zonder de ondersteuning niet in staat is om zijn werkzaamheden in redelijkheid te verrichten. Bovendien moet er een behoefte zijn aan deze ondersteuning vanuit zowel werkgever als werknemer. Dit wordt vastgelegd in een werkplekbegeleidingsvoorstel.
Artikel 12. Duur, intensiteit en kosten van werkbegeleiding
De tarieven voor werkbegeleiding zijn gelijk aan 50% van de regimetarieven interne jobcoaching van het UWV. Ook hier geldt dat deze tarieven periodiek worden aangepast aan de indexering van het UWV (daarvoor wordt verwezen naar de site van het UWV-Particulieren, Werkvoorzieningen, Interne jobcoaching). De tarieven zijn all-in, dit wil zeggen inclusief administratiekosten, reiskosten, reistijd, etc. Deze vergoeding is bedoeld als compensatie voor het productieverlies van de begeleidende medewerker. Het betreft hier maximale bedragen per half jaar op basis van een arbeidsovereenkomst van 24 uur of meer per week. Werkt de persoon minder dan 24 uur dan wordt het bedrag naar rato van het minder aantal uren werken vastgesteld.
Een voorbeeld van de tarieven voor interne werkbegeleiding op peildatum 01-01-2025 zijn als volgt;
Artikel 13. Jobcoaching (zie art. 25-29 Verordening)
Om de noodzaak van inzet jobcoaching vast te stellen, kan het college een medisch advies dan wel arbeidsdeskundig advies inwinnen. Er is sprake van noodzaak wanneer de werknemer zonder de ondersteuning niet in staat is om zijn werkzaamheden in redelijkheid te verrichten. Bovendien moet er een behoefte zijn aan deze ondersteuning vanuit zowel werkgever als werknemer.
Artikel 14. Voorwaarden jobcoaching
Om in aanmerking te kunnen komen voor jobcoaching dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
De noodzaak van de voorziening persoonlijke ondersteuning wordt ieder half jaar herbeoordeeld. Op basis van deze herbeoordeling kan de ondersteuning steeds met een halfjaar verlengd worden tot maximaal 2 jaar in totaal. Een verlenging van deze ondersteuning na 2 jaar kan uitsluitend plaatsvinden op aanvraag, tot maximaal totaal 3 jaar. Ook dan zal de noodzaak beoordeeld worden. De mate van begeleiding wordt bepaald door de consulent. Deze beoordeelt aldus de noodzaak, de duur en de omvang van de betreffende voorziening.
Artikel 15. Duur, intensiteit en kosten van jobcoaching
Voor de intensiteit van jobcoaching gelden binnen de gemeente Westland twee regimes met bijbehorende tarieven. De tarieven zijn gelijk aan de regimetarieven interne jobcoaching van het UWV en worden periodiek aangepast aan de indexering van het UWV (daarvoor wordt verwezen naar de site van het UWV-Particulieren, Werkvoorzieningen, Interne jobcoaching). Het betreft hier maximale bedragen per half jaar op basis van een arbeidsovereenkomst van 24 uur of meer per week. Een voorbeeld van de jobcoach tarieven op peildatum 01-01-2025 is als volgt;
Artikel 16. Niet uitkeringsontvangers (NUO’s):
NUO’s kunnen in aanmerking komen voor de in de re-integratieverordening opgenomen voorzieningen, met uitzondering van de voorzieningen genoemd in de artikelen 9 (scholing), 16 (loonkostensubsidie kwetsbare werknemers), 17 (werknemerscheque), 19 (leerwerkcheque), 20 (uitstroompremie), 31 (vervoersvoorziening) en 32 (specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteiten bij visuele of motorische handicap).
Artikel 19. Meeneembare voorzieningen (zie art. 33 Verordening)
Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de belanghebbende met een arbeidsbeperking om te kunnen werken. Meeneembare voorzieningen zijn bijzondere hulpmiddelen die een werkgever normaal gesproken niet in zijn bedrijf beschikbaar heeft. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn. De belanghebbende met een arbeidsbeperking kan deze meeneembare voorzieningen ook op een andere werkplek of bij een andere werkgever gebruiken.
Het college biedt meeneembare voorzieningen aan de belanghebbende als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
Het college biedt de meest adequate en goedkoopste oplossing, welk kwalitatief verantwoord is. De kosten van de meeneembare voorziening dienen proportioneel te zijn. Dat wil zeggen dat de investering in de werkplekaanpassing moet opwegen tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk. Bij de beoordeling of de kosten proportioneel zijn wordt onder andere betrokken;
Artikel 20. Werkplekaanpassingen (zie art. 34 Verordening)
Het college kan een aanpassing van de werkplek aanbieden aan een belanghebbende, als dit noodzakelijk is voor de belanghebbende met een arbeidsbeperking om zijn/haar werk uit te voeren. Dit ter beoordeling door een arbeidsdeskundige. Er is geen limitatieve lijst van werkplekaanpassingen. In principe kan elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is.
Artikel 22. Ontheffing arbeidsplicht
De plicht tot arbeidsinschakeling is vastgelegd in artikel 9 lid 1 van de Participatiewet. Alleen wanneer er dringende redenen aanwezig zijn, kan het college op grond van artikel 9 lid 2 van de Participatiewet in individuele gevallen besluiten tot een tijdelijke ontheffing van deze verplichting, alsmede de verplichting tot het naar vermogen verrichten van een tegenprestatie.
Een dringende reden is aanwezig wanneer betrokkene dusdanige belemmeringen heeft richting de arbeidsmarkt, dat er ook met de aanwezige re-integratiemiddelen (of met de inzet van andere voorzieningen) geen weg richting een (gedeeltelijke) zelfstandige bestaansvoorziening openstaat. Hierbij kan gedacht worden aan de volgende situaties:
Aldus vastgesteld door college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland in de vergadering van 8 juli 2025.
Burgemeester en wethouders van Westland,
de secretaris,
M.L.M. Weerts
de burgemeester,
B.R. Arends
In de Re-integratieverordening Participatiewet Westland 2024 wordt op hoofdlijnen ingegaan op de inzet van de gemeente op het gebied van re-integratie en arbeidstoeleiding. Voor de uitvoeringspraktijk is het nodig, dat deze hoofdlijnen nader worden uitgewerkt in nadere regels.
In dit artikel worden omschrijvingen gegeven van begrippen die in de nadere regels voorkomen, en waarvan het van belang is dat er telkens hetzelfde onder wordt verstaan. Bij het omschrijven van de begrippen is zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen in de Participatiewet en de verordening.
Artikel 2. Hoogte vergoeding voorziening
Voor dit artikel is geen nadere toelichting noodzakelijk.
Artikel 3. Arbeidsdeskundig onderzoek
Een arbeidsdeskundig onderzoek kan gestart worden op verzoek van de belanghebbende, als hij/zij zelf aangeeft beperkingen te hebben. Het kan ook gestart worden op initiatief van het college, als er daar een vermoeden is van beperkingen voor de arbeidsinschakeling. Het doel van het onderzoek is om vast te stellen of er inderdaad sprake is van dergelijke beperkingen, en duidelijk te krijgen of en zo ja, op welke wijze arbeidsinschakeling tot de mogelijkheden behoort.
Artikel 4. Begeleidingskosten beschut werk
Onder begeleidingskosten worden de personeelskosten verstaan die worden gemaakt voor het begeleiden van een werknemer beschut. Hieronder vallen onder andere werk(bege)leiders, assistent werk(bege)leiders, ontwikkelcoaches en jobcoaches. Dit zijn termen met een overlap. De definitie van’begeleiders’ is niet volledig af te bakenen. Dit komt doordat bedrijven veel vrijheid hebben om de begeleiding of ondersteuning naar eigen inzicht vorm te geven.
Onder deze kostencomponent worden de begeleiders verstaan van de werkgevers. De werkgever is in veruit de meeste gevallen de belangrijkste, soms ook de enige partij waar de begeleiding is belegd.
Werkgevers die een beroep doen op de maximale bijdrage begeleidingskosten beschut werk van
€ 8.600 moeten er rekening mee houden dat deze bijdrage bedoeld is voor compensatie van alle te maken kosten. Dit geldt dus ook voor bijvoorbeeld een eventuele voorziening werkplekaanpassing.
Artikel 5. Loonkostensubsidie en Loonwaardebepaling
Artikel 21 van de re-integratieverordening Participatiewet 2024 beschrijft het aanvraagproces van loonkostensubsidie. Als aanvulling op artikel 21 van deze verordening zijn de uitvoeringsregels in dit artikel opgesteld. Van de werkgever die een aanvraag om loonkostensubsidie doet, wordt verwacht dat de werkzoekende een arbeidsovereenkomst wordt aangeboden. De loonkostensubsidie wordt gebaseerd op de resultaten uit een loonwaardemeting. Dit is niet het geval als het college ten behoeve van arbeidsplaatsen gedurende de eerste zes maanden gebruik maakt van de mogelijkheid om een forfaitaire loonkostensubsidie (50% bruto WML) volgens artikel 10d, vijfde lid van de wet toe te kennen. De werkgever wordt door middel van loonkostensubsidie gecompenseerd in de ontbrekende loonwaarde van de werkzoekende. De wetgever heeft bepaald dat de maximale loonkostensubsidie niet meer mag bedragen dan 70% van het bruto wettelijk minimumloon en de aanspraak op vakantiebijslag op grond van artikel 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, vermeerderd met een bij ministeriële regeling nader te bepalen vergoeding voor werkgeverslasten.
De herbeoordelingsfrequentie van de loonwaarde wordt door middel van een loonwaardemeting afgestemd op de individuele omstandigheden van de werknemer en het perspectief op eventuele ontwikkelingsmogelijkheden. De in dit artikel genoemde loonkostensubsidie betreft een generieke regeling omdat ieder bedrijf of iedere onderneming, ongeacht de vestigingsplaats van de onderneming of de plaats van tewerkstelling van de werknemer, een beroep kan doen op subsidie wanneer deze onderneming een werkzoekende uit de doelgroep loonkostensubsidie uit de gemeente Westland in dienst neemt. De algemene rechtsgrond voor het terug- en invorderen van subsidie is geregeld in artikel 4:57 Awb. Artikel 5 lid 11 van deze nadere regels geeft het college de bevoegdheid voor het kunnen terug- en invorderen van onverschuldigd betaalde loonkostensubsidie aan een werkgever.
Artikel 10 t/m 12 Werkbegeleiding en Jobcoaching
Taakanalyse van de uit te voeren werkzaamheden
De uitkomst hiervan wordt verwerkt in een werkplekbegeleidingsvoorstel.
Uitvoering: Bij aanwezigheid van een jobcoach voert deze de analyse uit.
Arbeidsdeskundige wanneer geen jobcoach betrokken is.
Analyse met voorstel wordt ter goedkeuring aangeboden aan het college.
Een jobcoach begeleidt een persoon (werknemer) met een structurele functionele beperking of behorende tot de doelgroep loonkostensubsidie gedurende een maximale periode bij het verrichten van zijn taken op de werkplek. Verder is van belang dat de ondersteuning noodzakelijk is in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden kan verrichten. De jobcoach begeleidt naast de werknemer ook zijn werkgever.
De voorziening persoonlijke ondersteuning (jobcoaching) heeft als doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie waarin hij/zij uiteindelijk zonder begeleiding bij een reguliere werkgever kan werken. Aan het einde van een geslaagd traject kan de werknemer zelfstandig zijn/haar werk uitvoeren en/of is de werkgever zelf in staat de werknemer te begeleiden op zijn/haar werkplek.
Jobcoaching kan worden ingezet voor de volgende twee doelgroepen:
Het is mogelijk, indien van toepassing, de jobcoach in te zetten bij een werkstage of proefplaatsing. Dit wordt ook aangeraden vanuit de ervaring dat hierdoor de kans op succes en daarmee doorstroming naar regulier werk toeneemt.
Intensiteit en tarieven inzet jobcoaching
Voor meer uniformiteit is voor de inzet van de jobcoach regionaal aangesloten bij de begeleidingsregimes licht of zwaar die het UWV hanteert. Het ondersteuningsregime kan bepaald worden via een loonwaarde meting (of afzonderlijke meting door een externe).
De begeleidingsregimes worden toegepast ongeacht of jobcoaching geregeld wordt door de gemeente of door de werkgever. Mocht het begeleidingsniveau “zwaar” niet voldoende blijken te zijn dan zijn de extra kosten voor eigen rekening van de werkgever. Ook zijn de kosten van jobcoaching voor eigen rekening van de werkgever als jobcoaching na 2 jaar nodig blijft.
Optioneel kan in specifieke gevallen (hierbij is dus sprake van maatwerk, bijvoorbeeld bij langdurige ziekte) de mogelijkheid geboden worden de inzet van het instrument jobcoaching met nog eens twee keer een half jaar (tot maximaal 3 jaar) te verlengen. Hiermee wordt aangesloten op het aanbod Jobcoaching vanuit het UWV.
De gemeente is vrij in het bepalen van het beoordelingskader met betrekking tot welk begeleidingsniveau (licht of zwaar) van toepassing is op een werknemer. En de vraag of het volledige dan wel een deel van het bedrag beschikbaar wordt gesteld (uurtarief * benodigde uren inzet).
De reistijd/reiskosten van woon-werkverkeer kunnen niet bij de gemeente in rekening worden gebracht door de jobcoach (organisatie) of werkgever. Deze zijn voor eigen rekening van de jobcoach (organisatie) of werkgever.
Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals vermeld in artikel 17 lid 1 van de verordening.
De evaluatie over de werkbegeleiding wordt gedaan door Patijnenburg in samenwerking met de consulent Werk van de gemeente, de werkgever en de kandidaat. De evaluatie vindt plaats aan de hand van het begeleidingsplan en de voorwaarden voor toekenning van de werkbegeleiding.
Artikel 13 t/m 14 Interne werkbegeleiding
Onderscheid tussen jobcoaching en interne werkbegeleiding Er bestaat onderscheid in de begeleidingsbehoefte en omstandigheden van de werknemer. Op basis hiervan kan besloten worden voor inzet van de voorziening jobcoaching of interne werkbegeleiding. Het onderscheid tussen beide begeleidingsvormen betreft het volgende:
Jobcoaching is gericht op baanbehoud en zelfstandig functioneren van een kandidaat. Daarnaast kan jobcoaching gericht zijn op begeleiding van de werkgever met als doel de directe collega’s van de kandidaat en zijn directe leidinggevende zodanig te coachen, dat zij na afloop zelfstandig de begeleiding kunnen verzorgen.
Interne werkbegeleiding is gericht op begeleiding op de werkplek door een collega die getraind is in het begeleiden van de werknemers met een arbeidsbeperking. De focus ligt alleen op de werkplek en niet op andere leefgebieden, zoals bij jobcoaching wel het geval is. Deze vorm wordt ingezet wanneer er vooral behoefte is aan constante begeleiding op de werkplek en minder behoefte is aan ondersteuning op de andere leefgebieden.
Kerntaken en verantwoordelijkheden van de interne werkbegeleider zijn:
Interne werkbegeleiding beperkt zich tot begeleiding op de werkplek. Wanneer er bredere begeleiding wenselijk is heeft de werkbegeleider alleen een doorverwijzende rol naar de juiste instantie.
De behoefte aan jobcoaching wordt vastgesteld door:
Werkplekbezoek (indien van toepassing): Soms is het zinvol om een werkplekbezoek te doen. Dit kan helpen om een beeld te krijgen van de taken en de omgeving waarin de kandidaat zou moeten functioneren. De jobcoach of arbeidsdeskundige kan dan beoordelen of jobcoaching op die specifieke werkplek zinvol is en welke aanpassingen eventueel nodig zijn.
De besluitvorming over de noodzakelijkheid van de ondersteuning wordt gedocumenteerd en gemotiveerd, evenals het zorgvuldige proces voor het aanvragen van subsidies en het monitoren van de voortgang.
Voor dit artikel is geen nadere toelichting noodzakelijk.
De vervoersvoorziening wordt uit het re-integratiebudget bekostigd. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen, waarin de kosten voor de vervoersvoorziening een onevenredig beslag leggen op het re-integratiebudget, wordt op managementniveau overleg gevoerd en gekeken of aanvullende financiering via onder andere bijzondere bijstand mogelijk is.
Voor deze artikelen is geen nadere toelichting noodzakelijk.
Artikel 22. Tijdelijke ontheffing arbeidsverplichting
Medische en/of psychische gronden kúnnen een dringende reden zijn voor (tijdelijke) ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling en/of de verplichting tot het naar vermogen verrichten van een tegenprestatie. In bepaalde situaties zal de klantmanager heel goed in staat zijn dit te beoordelen zo nodig ondersteunt door een verklaring van huisarts of behandelend specialist. (Hierbij dienen de privacy regels in acht te worden genomen).
In die gevallen, dat naar het oordeel van de klantmanager onvoldoende duidelijk is dat verkrijgen of aanvaarden van arbeid en/of het naar vermogen verrichten van een tegenprestatie niet kan worden verlangd, kan een medisch advies worden opgevraagd. Het overleggen van een medische afsprakenkaart zegt niets over de belastbaarheid en wordt als bewijsstuk dan ook niet geaccepteerd.
Een beslissing tot het verlenen of weigeren van een tijdelijke ontheffing van de verplichting tot arbeidsinschakeling en/of naar vermogen verrichten van een tegenprestatie wordt in een beschikking geformuleerd, waartegen bezwaar mogelijk is. Voor de afloop van een tijdelijke ontheffing stelt de gemeente een nieuw onderzoek in om vast te stellen of de arbeidsverplichting kan worden opgelegd of dat er opnieuw gehele of gedeeltelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen en/of de verplichting tot het naar vermogen verrichten van een tegenprestatie gedurende een bepaalde termijn kan worden verleend.
Gehuwden: Voor gehuwden geldt de plicht tot arbeidsinschakeling binnen de hierboven geschetste algemene kaders in beginsel voor ieder van hen, ook als er binnen het gezin kinderen zijn. Wanneer de zorg voor kinderen moet worden gecombineerd met arbeid is het aan beide gehuwden om hierin samen tot een verdeling te komen, waarbij de kansen op toetreding tot de arbeidsmarkt leidend zijn. Met andere woorden: het kan niet zo zijn dat de ouder met een grote kans op toetreding tot de arbeidsmarkt geen uitvoering geeft aan de arbeidsverplichting vanwege de zorg voor de kinderen, terwijl de andere ouder deze zorg ook voor zijn rekening kan nemen.
Alleenstaande ouders: De alleenstaande ouder met kinderen tot 5 jaar kan gedurende een periode van maximaal 5 jaar gebruik maken van de wettelijke mogelijkheid ontheffing van de arbeidsverplichting en de verplichting tot het naar vermogen verrichten van een tegenprestatie te krijgen, door hiertoe een schriftelijk verzoek in te dienen. De alleenstaande ouder krijgt deze ontheffing eenmalig, ongeacht het aantal kinderen. De periode van 5 jaar hoeft niet in aaneensluitend te worden opgenomen, men mag deze termijn gefaseerd opnemen, bijvoorbeeld een keer twee jaar en een keer drie jaar. De re-integratieplicht blijft van toepassing. Voor een dergelijke ontheffing hoeft geen sprake te zijn van dringende redenen. Met cliënt wordt een plan van aanpak opgesteld waarin is opgenomen hoe betrokkene aan de re-integratieverplichtingen gaat voldoen. De uitvoering van dit plan heeft als doel dat cliënt na de periode van arbeidsontheffing klaar is om toe te treden tot de arbeidsmarkt. Een half jaar na het opstellen van het plan van aanpak vindt er een heronderzoek plaats. Daarna worden de heronderzoeken elke zes maanden herhaald.
Een ontheffing van de arbeidsverplichting en/of de verplichting tot het naar vermogen verrichten van een tegenprestatie op grond van dringende redenen kan aan de orde zijn wanneer voor de alleenstaande ouder (ongeacht de leeftijd van de kinderen) de combinatie van zorg met arbeid niet mogelijk is. Er moet dan sprake zijn van objectiveerbare omstandigheden, bijvoorbeeld ziekte of gedragsproblemen bij kinderen. Voorkomen moet worden dat arbeidsinschakeling negatieve gevolgen heeft voor de kwaliteit van zorg en opvoeding binnen het gezin.
In ieder geval ten aanzien van een alleenstaande ouder met zorg voor kinderen tot 12 jaar dient beoordeeld te worden:
Mantelzorg: Ook het verrichten van intensieve mantelzorgtaken kán een dringende reden zijn voor (gedeeltelijke) ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling en/of de verplichting tot het naar vermogen verrichten van een tegenprestatie. Dit is alleen het geval indien:
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-330795.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.