Verordening tot wijziging van de Verordening Fysieke leefomgeving Blaricum 2023

De raad van de gemeente Blaricum;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 mei 2025;

 

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

 

besluit:

 

vast te stellen de navolgende Verordening tot wijziging van de Verordening Fysieke leefomgeving Blaricum 2023:

Artikel I: de artikelen 3.70 t/m 3.77 als volgt te wijzigen:

 

Artikel 3.70 Begripsbepaling

  • 1.

    In deze paragraaf wordt onder bebouwde kom verstaan: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld overeenkomstig artikel 2.18, eerste lid onder f. jo. artikel 20.18 eerste lid onder de Omgevingswet.

  • 2.

    In deze paragraaf wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 3.71 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      bomen waarvan de stamomtrek, gemeten op 130 cm hoogte boven het maaiveld, minder is dan 95 cm (bij een meerstammige boom geldt de omvang van de dikste stam), tenzij de boom in het kader van een herplant naar aanleiding van een in het verleden verleende vergunning of een in het verleden opgelegde last onder dwangsom of bestuursdwang, minder dan 20 jaren op die standplaats aanwezig is;

    • b.

      houtopstand als bedoeld in de Omgevingswet die is gelegen buiten de bebouwde kom, tenzij die houtopstand:

      • -

        zich bevindt op erven en in tuinen;

      • -

        bestaat uit hoogstamfruitbomen die niet voor bedrijfsmatige doeleinden worden gehouden of geëxploiteerd;

      • -

        bestaat uit wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en/of eenrijige beplantingen langs landbouwgronden, voor zover bestaand uit geknotte populieren of wilgen;

    • c.

      wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voorzover bestaande uit niet-geknotte populieren of wilgen;

    • d.

      fruitbomen, windschermen om boomgaarden en kweekgoed, voor zover voor bedrijfsmatige doeleinden gehouden of geëxploiteerd;

    • e.

      naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, voor zover bedrijfsmatig geteeld en indien niet ouder dan twintig jaar;

    • f.

      houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld;

    • g.

      houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het college;

    • h.

      houtopstand die waarvoor het college toestemming geeft tot het direct vellen van de houtopstand, als er sprake is van een situatie van acuut spoedeisend belang;

    • i.

      boomsoorten opgenomen op de Europese Unielijst voor zorgwekkende invasieve uitheemse soorten alsmede Prunus serotina (bospest of Amerikaanse vogelkers).

Artikel 3.72 Aanvraag vergunning

De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

 

Artikel 3.73 Weigeringsgronden

  • 1.

    De vergunning kan worden geweigerd op grond van:

    • a.

      de natuurwaarde van de houtopstand;

    • b.

      de landschappelijke waarde van de houtopstand;

    • c.

      de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

    • d.

      de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

    • e.

      de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

    • f.

      de levensverwachting van de houtopstand;

    • g.

      de waarde van de houtopstand voor klimaatadaptie;

  • 2.

    De vergunning wordt geweigerd als de aanvraag ziet op een houtopstand die minder dan 20 jaar daarvoor is geplant bij wijze van herplant bij een eerder opgelegde herplantplicht, tenzij de vergunning wordt gevraagd in het kader van een zwaarwegend maatschappelijk belang, waaronder de veiligheid van verkeersdeelnemers.

Artikel 3.74 Bijzondere vergunningsvoorschriften

  • 1.

    Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

  • 2.

    Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij ook worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  • 3.

    Als het bevoegd gezag vaststelt dat niet ter plaatse of elders op het perceel kan worden herplant, kan het bevoegd gezag aan de vergunning het voorschrift verbinden dat de houtopstand niet mag worden geveld alvorens een geldelijke bijdrage is gestort in het gemeentelijk herplantfonds.

  • 4.

    Het college stelt nadere regels vast voor het bepalen van de hoogte van de in het vorige lid bedoelde geldelijke bijdrage.

Artikel 3.74A Meldplicht

  • 1.

    Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college een houtopstand te vellen of te doen vellen in de gevallen, zoals bedoeld in artikel 3.71, tweede lid, onder f, g en i. Deze meldplicht geldt niet voor het vellen of het doen vellen van houtopstand die op grond van een van de overige artikelleden van artikel 3.71, tweede lid, is uitgezonderd van de vergunningplicht van artikel 3.71.

  • 2.

    Het college kan regels stellen over de melding, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op:

    • a.

      de gegevens die bij de melding worden verstrekt;

    • b.

      de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan; en

    • c.

      de wijze waarop de melding wordt gedaan.

Artikel 3.75 Herplant-/instandhoudingsplicht

  • 1.

    Als houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld of op andere wijze is tenietgegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond of aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn.

  • 2.

    Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  • 3.

    Als het bevoegd gezag vaststelt dat niet ter plaatse of elders op het perceel kan worden herplant, kan het bevoegd gezag bepalen dat door de in het eerste lid genoemde (rechts)personen een geldelijke bijdrage dient te worden gestort in het gemeentelijk herplantfonds.

  • 4.

    Het college stelt nadere regels vast voor het bepalen van de hoogte van de in het vorige lid bedoelde geldelijke bijdrage.

  • 5.

    Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op houtopstand die is uitgezonderd van de vergunningplicht van artikel 3.71, eerste lid, omdat:

    • a.

      de houtopstand moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 3.71, tweede lid, onder g;

    • b.

      de houtopstand moet worden geveld vanwege een situatie van acuut spoedeisend belang als bedoeld in artikel 3.71, tweede lid, onder h.

  • 6.

    Als houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt of aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  • 7.

    Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, het vijfde of het zesde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 3.76 Schadevergoeding

Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de toepassing van artikel 3.71, artikel 3.74 of artikel 3.75, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet anderszins is verzekerd, kent het college hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

 

Artikel 3.77 Bestrijding van boomziekten

  • 1.

    Als zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, als hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    • a.

      de boom te vellen;

    • b.

      conform richtlijnen van de gemeente de gevelde boom direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

    • c.

      Conform richtlijnen van de gemeente de gevelde boom van het perceel af te voeren.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, als het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.

  • 3.

    Het is verboden om in strijd met het gestelde in het eerste lid of tweede lid te handelen of na te laten.

Artikel II: Artikel 8.4 komt te luiden: Deze verordening wordt aangehaald “Verordening fysieke leefomgeving Blaricum 2023, tweede wijziging”.

Artikel II  

Deze verordening kan worden aangehaald als “tweede wijzigingsverordening VFL Blaricum 2023’’.

Artikel III  

Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2025.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 8 juli 2025.

mevrouw T.D. de Jong

griffier

mevrouw Drs. B.M. de Reijke, MBA

Voorzitter

Naar boven