Gemeenteblad van Eersel
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Eersel | Gemeenteblad 2025, 314874 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Eersel | Gemeenteblad 2025, 314874 | beleidsregel |
Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2024 -2038 Gemeente Eersel
De gemeente Eersel heeft sinds 2000 een Integraal Huisvestingsplan (IHP) voor onderwijs, dat invulling geeft aan de gemeentelijke zorgplicht voor onderwijshuisvesting. Het IHP is een strategisch instrument dat de kwaliteit van onderwijshuisvesting en leerlingenprognoses analyseert en strategische keuzes maakt, zowel op korte als lange termijn. Het stelt de gemeente in staat om een meerjarenperspectief af te stemmen op haar eigen investeringsbeleid en ervoor te zorgen dat de onderwijshuisvesting aansluit bij een breed beleidskader.
Het IHP houdt rekening met juridische kaders, waaronder de zorgplicht van de gemeente voor onderwijshuisvesting. Daarnaast anticipeert het IHP op mogelijke wet- en regelgevingswijzigingen, waaronder het wetsvoorstel voor stelselwijziging, wijzigingen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en ontwikkelingen in de kinderopvang. Ook regionale ontwikkelingen zijn vertaald binnen het voorliggend IHP. De verwachte groei van de Brainport-regio gaat invloed hebben op de leerlingenpopulatie en daarmee de omvang van schoolgebouwen.
Het IHP is ontwikkeld in vijf stappen: visie en beleid, analyse, scenario, financiële vertaling en van IHP naar planvorming.
De gemeente en schoolbesturen streven naar het versterken van de inhoudelijke samenhang tussen onderwijs, opvang en zorg, waarbij het kind altijd centraal staat. Dit wordt gefaciliteerd door bredere en gestructureerde samenwerkingsvormen, waarbij onderwijs, opvang en zorg idealiter dicht bij elkaar zijn gelegen.
De school van de toekomst wordt gezien als het hart van de wijk/kern, waar maatschappelijke voorzieningen geïntegreerd zijn of in de nabijheid zijn en iedereen zich welkom voelt. Door een goede afstemming tussen onderwijs, opvang en andere partners is er in de gemeente Eersel een compleet aanbod; kinderen krijgen zo passend mogelijk onderwijs en opvang; er kan worden ingezet op eventuele zorgbehoeften; en er wordt verbinding gelegd met cultuur, sport en de wijk, buurt of kern.
Bouwstenen voor onderwijs- en opvanghuisvesting
De uitgangspunten voor onderwijs- en opvanghuisvesting zijn verdeeld in drie hoofdthema's: kaders en uitgangspunten, vraag en aanbod, en kwaliteit en duurzaamheid.
De gemeente en de schoolbesturen delen de verantwoordelijkheid voor de schoolgebouwen. De gemeente is in principe verantwoordelijk voor nieuwbouw en uitbreidingen, terwijl de schoolbesturen verantwoordelijk zijn voor het onderhoud en de instandhouding van de onderwijshuisvesting. Er wordt gestreefd naar een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de huisvesting van scholen. Beide partijen zien kansen om de gescheiden geldstromen samen te voegen, wat kan leiden tot het behalen van gezamenlijke ambities die de kwaliteit van de onderwijshuisvesting kunnen vergroten.
Het IHP is het investeringskader voor de onderwijshuisvesting en geeft voor de gehele looptijd inzicht in de benodigde investeringen. Met de vaststelling van het IHP is ook het uitvoeringsprogramma voor de eerste vier jaar vastgesteld.
De gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties streven naar een goed gespreid en passend aanbod van onderwijs en opvang. Dit is belangrijk voor de bereikbaarheid van scholen en kinderopvang en moet aansluiten op het aantal leerlingen in het voedingsgebied. In de gemeente Eersel is er een goede geografische spreiding van scholen en kinderopvang, met minimaal één school en kinderopvanglocatie per kern.
De gemeente en schoolbesturen streven naar kwalitatief goede en duurzame onderwijshuisvesting. Ze volgen het Klimaatakkoord en streven naar energieneutraliteit (ENG) binnen de vernieuwingsopgave van het IHP. Duurzaamheid wordt breder gedefinieerd dan alleen energiebesparing en CO2-reductie, met aandacht voor onderwijskundige functionaliteit, gezondheid, circulariteit, toekomstbestendigheid en buitenruimte.
De gemeente Eersel staat op het gebied van onderwijshuisvesting voor een vervangings- en uitbreidingsopgave. Op basis van diverse analyses is het scholenlandschap in kaart gebracht. Zo zijn de leerlingenprognoses gekoppeld aan de capaciteitsanalyse en zijn alle gebouwen kwalitatief in kaart gebracht middels een Quickscan. De Quickscan geeft naast bouwkundige staat ook inzicht in de onderwijskundige functionaliteit, binnenmilieu, exploitatie, veiligheid en uitstraling van een gebouw.
Voortvloeiend uit de verschillende analyses worden de volgende projecten concreet opgenomen in het voorliggende IHP.
Uitbreidingsopgave: richting 2033 wordt bij ’t Busseltje, Kindcentrum Eersel (Wereldwijs en Jacobus) en Meester Gijbels een normatief ruimtetekort verwacht van meer dan 90 m². Deze scholen hebben daarmee recht op structurele uitbreiding. Ten behoeve van de uitbreidingsvragen wordt in het voorliggende IHP rekening gehouden met: nieuwe school kern Eersel, nieuwe gymzaal kern Eersel en uitbreiding door middel van verdieping op Meester Gijbels.
Op basis van de scenario’s is een financiële vertaling gemaakt. Het kostenkengetal waarmee gerekend is in het IHP, is bepaald aan de hand van het beoogde kwaliteitsniveau. De stichtingskosten zijn daarnaast vergeleken met de VNG normbedragen.
De volgende ambities zijn vertaald in het kengetal voor IHP kwaliteit:
Voor de projecten in de 2e termijn is een klein gedeelte van de investering naar de eerste termijn geschoven als voorbereidingskrediet. Hierdoor is het mogelijk al te starten met een haalbaarheidsonderzoek en kan er eventueel geanticipeerd worden op wat er in de tweede termijn gepland staat. Bijvoorbeeld: Sinte Lucij overweegt om de Vernieuwbouw gefaseerd uit te voeren en daarmee eerder te starten met verduurzamingsmaatregelen.
De verankering van het IHP kan verdeeld worden over het strategisch, tactisch en operationeel niveau.
We starten met een algehele toelichting op de doelstelling van het Integraal Huisvestingsplan (hierna IHP) en een toelichting op de wijze waarop het IHP is opgesteld.
De gemeente Eersel maakt al sinds 2000 een IHP voor onderwijs. Ze geeft hiermee invulling aan de gemeentelijke zorgplicht voor onderwijshuisvesting en de wens om dat op basis van een meerjarenplanning aan te pakken. Het IHP heeft een strategisch karakter, waarbij vanuit visie en beleid, de analyse van de kwaliteit van onderwijshuisvesting en leerlingenprognoses, strategische keuzes zijn gemaakt. Het IHP is een proactief middel op onderwijshuisvestingsbeleid, waarin gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties zich conformeren aan de vernieuwingsopgave van het onderwijsvastgoed. Het IHP zorgt ervoor dat:
Het voorliggende IHP is in (grofweg) vijf stappen tot stand gekomen. Tijdens meerdere overleggen zijn de stappen doorlopen met een afvaardiging van zowel gemeente als schoolbesturen en kinderopvangorganisaties.
De verschillende stappen staan hieronder kort toegelicht:
Visie en beleid: om te komen tot een gezamenlijke visie en beleidsuitgangspunten is met alle schoolbesturen en kinderopvangorganisaties die actief zijn in de gemeente Eersel gesproken over de toekomst van onderwijs- en opvanghuisvesting. De uitkomsten zijn vastgelegd in de visie op onderwijs en opvang en in bouwstenen.
Na dit eerste inleidende hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 de juridische kaders en de ontwikkelingen daarbinnen. Ook worden in dit hoofdstuk de beleidskaders voor dit IHP beschreven. In de hoofdstukken 3 en 4 wordt ingezoomd op de opgaven die zijn gedefinieerd voor de onderwijshuisvesting en opvang in de gemeente Eersel. In hoofdstuk 5 is doorgerekend wat de CO2-reductie is die de opgave bewerkstelt. Hoofdstuk 6 voorziet de opgaven uit hoofdstukken 3 en 4 van financiële uitgangspunten en een financiële vertaling. In hoofdstuk 7 zijn een aantal processtappen en uitgangspunten vermeld waar rekening mee dient te worden gehouden bij de uitvoering van het IHP.
Dit hoofdstuk gaat in op de juridische kaders en relevante ontwikkelingen, waaronder de wettelijke taak van de gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties. Vervolgens is in gezamenlijkheid het beleidsrijke kader bepaald. Allereerst wordt er ingegaan op de visie op onderwijs en opvang. Vervolgens worden de bouwstenen besproken. De bouwstenen geven inzicht in de visie ten aanzien van de onderwijshuisvesting (onder andere kwaliteit en duurzaamheid) en er wordt benoemd welke afspraken hierover worden gemaakt (onder andere vraag en aanbod).
2.1.1 Zorgplicht onderwijshuisvesting
Gemeenten hebben op het gebied van onderwijshuisvesting de zogeheten zorgplicht. De onderwijswetgeving stelt dat een gemeente dient te voorzien in voldoende en adequate onderwijshuisvesting voor het primair onderwijs (PO), (voortgezet) speciaal onderwijs ((V)SO) en voortgezet onderwijs (VO), voor zover dat van toepassing is in de gemeente. De voorzieningen in onderwijshuisvesting waarvoor de gemeente verantwoordelijk is, zijn vastgelegd in de wetgeving. Daarbij gaat het onder andere om (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding en herstel van constructiefouten. Het onderhoud (binnen- en buitenkant) en de exploitatie van schoolgebouwen zijn de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen.
De uitvoering van de zorgplicht wordt geregeld via een juridisch instrument, de Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs (hierna verordening). Op grond van de Gemeentewet (artikel 149), de Wet op het primair onderwijs (artikel 102), de Wet op de expertisecentra (artikel 100) en de Wet op het voortgezet onderwijs (artikel 76) is de gemeenteraad verplicht een verordening vast te stellen. Deze verordening bevat de basis van het onderwijshuisvestingsbeleid en regelt uitgangspunten voor onder andere de voorzieningen die schoolbesturen jaarlijks kunnen aanvragen bij een gemeente, criteria voor het toetsen van deze aanvragen en procedurele afspraken. De verordening van Eersel is voor het laatst vastgesteld op 7 juli 2015 door de gemeenteraad.
Sinds 2000 stelt de gemeente Eersel IHP op, waarmee de gemeente invulling geeft aan de gemeentelijke zorgplicht voor onderwijshuisvesting. Middels het IHP werkt de gemeente toe naar een beleidsrijk meerjarenplanning met een langere termijnvisie. In dat kader maakt de gemeente, in afwijking van de verordening en in lijn met het wetsvoorstel (zie paragraaf 2.2.1), bindende afspraken met de schoolbesturen over de uitvoering en realisering van de in de eerste vier jaren van het IHP opgenomen voorzieningen. Met de schoolbesturen is de afspraak gemaakt dat zij gedurende de eerste vier jaren van het IHP geen nieuwe verzoeken (op basis van de verordening) indienen, behoudens calamiteiten (bijvoorbeeld een niet-voorziene toename van het aantal leerlingen) en voorzieningen die op grond van nieuwe wet- en regelgeving in deze periode moeten worden uitgevoerd.
Schoolbesturen hebben in de gemeente Eersel soms wel en soms niet het juridisch eigendom van een schoolgebouw met de daarbij behorende ondergrond. Als ze wel juridisch eigenaar zijn, houdt dit in dat een schoolbestuur als eigenaar van een schoolgebouw en ondergrond juridisch aansprakelijk is. Wanneer een schoolbestuur geen gebruik meer maakt van het gebouw, valt het gebouw in juridisch eigendom terug aan de gemeente. De reden hiervoor is dat de gemeente het gebouw en de ondergrond heeft bekostigd. De gemeente heeft dus het economisch eigendom/claimrecht. Indien het schoolbestuur geen juridisch eigenaar is, vindt er een verrekening plaats (conform reeds gemaakte overeenkomsten).
Schoolbesturen kunnen een gedeelte van het gebouw in medegebruik geven aan instellingen die uit de openbare kas worden bekostigd met een ideëel doel (onder andere culturele, maatschappelijke instellingen) of verhuren (commerciële instellingen). In alle gevallen dient de gemeente daar toestemming voor te geven.
De schoolbesturen zijn juridisch eigenaar van de volgende scholen:
Van een aantal scholen is niet het schoolbestuur maar de gemeente juridisch eigenaar:
2.1.4 Verantwoordelijkheden en bekostiging onderwijs
In het huidige stelsel is de gemeente verantwoordelijk voor de voorzieningen betreffende onder andere nieuwbouw, uitbreiding en constructiefouten en ontvangen zij hiervoor een (ongeoormerkte) vergoeding in het gemeentefonds. Schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het in stand houden van de onderwijshuisvesting (onder andere middels onderhoud, schoonmaak en energieverbruik) en ontvangen hiervoor een lumpsum vergoeding. Dit stelsel vertoont een aantal tekortkomingen (lees: hiaten in regelgeving, zie figuur 2.1). Daarnaast geeft het stelsel beperkingen als het gaat om investeringen, tenzij deze van belang zijn in het verlagen van de exploitatiekosten.
De rijksoverheid stelt dat de ontwikkeling van het kind in de kinderopvang bijdraagt aan een goede start in het basisonderwijs en de samenleving. Sinds 1 januari 2018 is de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en een deel van de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang (Wet IKK) in werking.
Binnen de kinderopvang wordt onderscheid gemaakt naar de volgende vormen:
Per 1 augustus 2020 zijn gemeenten verplicht om per week ten minste 16 uur voor- en vroegschoolse educatie (VVE) aan te bieden aan kinderen van 2 tot 6 jaar die risico lopen op een onderwijsachterstand. Kinderen vanaf 2 jaar met een (risico op een) onderwijsachterstand door omgevingskenmerken kunnen voor- en vroegschoolse educatie volgen in de gemeente Eersel. Peuters zijn dan spelenderwijs bezig met taal, voorbereidend rekenen, motoriek en sociaal-emotionele vaardigheden. Door voor- en vroegschoolse educatie op de kinderopvang kunnen deze kinderen een betere start maken op de basisschool. Hiervoor hebben de gemeenten extra budget van de rijksoverheid gekregen, de OAB-middelen.
2.2.1 Wetsvoorstel stelselwijziging
Reeds in december 2016 hebben PO-raad, VO-raad en VNG een voorstel gestuurd aan toenmalig staatssecretaris Sander Dekker om de tekortkomingen in het huidige onderwijshuisvestingsstelsel op te lossen. Belangrijke oplossingen uit het voorstel zijn:
De in de wet beschreven jaarcyclus voor aanvragen onderwijshuisvesting wordt vervangen door een langere periode, waarin gemeenten na overleg met betrokken schoolbesturen het onderwijshuisvestingsbeleid en het investeringsprogramma voor een periode van 5 jaar vastleggen in een meerjarenprogramma (IHP), met een doorkijk tot ten minste het 20e jaar. De schoolbesturen worden verplicht om een meerjarenonderhoudsplan (MJOP) vast te stellen.
De mogelijkheid om renovatie als volwaardig alternatief voor vervangende nieuwbouw in te kunnen zetten. Renovatie moet worden opgenomen als voorziening in de wet. Renovatie dient daarbij te leiden tot een startsituatie (of startconditie) die in functioneel en kwalitatief opzicht gelijkwaardig is aan nieuwbouw en gericht is op een levensduurverlenging van ten minste 25 jaar.
De concretisering van het huisvestingsvoorstel van de sectorraden en de VNG gaat uit van het handhaven van de huidige financieringsstromen. Aanvullend kan de versoepeling van het investeringsverbod leiden tot een gezamenlijke financiering die de kwaliteit van onderwijshuisvesting kan vergroten dan wel het moment van investeren kan vervroegen.
Vooruitlopend op dit wetsvoorstel wordt hier door gemeenten en schoolbesturen al op ingespeeld en zijn er mogelijkheden om het investeringsverbod te rechtvaardigen. Een schoolbestuur kan bijvoorbeeld investeren in exploitatie verlagende maatregelen met een redelijke terugverdientijd.
2.2.2 Wijzigingen Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)1 in relatie tot normbedragen VNG
Per 1 januari 2021 is de wijziging met betrekking tot bijna energieneutrale gebouwen (BENG) uit het Bbl in werking getreden. De verplichting van BENG heeft gevolgen voor de kosten van onderwijshuisvesting. Hierdoor heeft de VNG de normbedragen in de Model Verordening in november 2020 aangepast. In de opvolgende jaren zijn de normbedragen geïndexeerd.
De verhoging van de normbedragen heeft (nog) geen invloed gehad op de algemene uitkering voor onderwijshuisvesting in het gemeentefonds. De rijksoverheid is een Interdepartementaal Beleidsonderzoek gestart waarbij wordt onderzocht welke opgaven er liggen op het gebied van onderwijshuisvesting (BENG, veroudering, verduurzamingsopgave etc.) en hoe hieraan voldaan kan worden.
2.2.3 Landelijke ontwikkelingen kinderopvang
Het kabinet verkent de mogelijkheden om kinderopvang gratis te maken, minimaal vanaf 2 jaar. Er was als doel gesteld om de systemen die hiervoor nodig zijn klaar te hebben in de zomer van 2023, zodat het nieuwe kinderopvangsysteem in 2025 zou kunnen ingaan. Dit traject heeft vertraging opgelopen en is uitgesteld naar 2027. Het streven is dat meer ouders gebruik kunnen gaan maken van de kinderopvang en het aantal kinderen dus kan toenemen. De haalbaarheid wordt op dit moment nog onderzocht, denk hierbij aan ruimten, personeel en kwaliteit voor de VVE-kinderen.
2.2.4 Energie en klimaatakkoord
Voortvloeiend uit het Klimaatakkoord hebben de PO-raad en de VO-raad sectorale routekaarten opgesteld, behorende bij de klimaatopgave om toe te werken naar een CO2-arme gebouwvoorraad. HEVO heeft deze doorrekening - in opdracht van de PO-raad en de VO-raad - uitgevoerd. Deze doorrekening richt zich enerzijds op de effectiviteit van mogelijke scenario’s op de totale reductie van gebouwgebonden CO2-productie. Anderzijds richt de doorrekening zich op de kosteneffectiviteit van de verschillende maatregelen die op de gebouwenvoorraad kunnen worden toegepast.
Op het gebied van de te behalen doelstellingen is de opdracht aan de sectoren om:
Medio 2021 is de Europese Klimaatwet aangescherpt. Nederland werkt nu nationaal aan 49% minder uitstoot. Nederland wil, als andere landen meedoen, de Europese doelstelling verhogen. Niet 49% minder uitstoot van broeikasgassen in 2030, maar 55%. Dit is nationaal nog niet verankerd, daarmee wordt nu nog vastgehouden aan de nationale doelstelling van 49% reductie.
De doelstellingen zijn als volgt:
Tabel 2.1: doelstellingen Klimaatakkoord van Parijs
Naast de doelstellingen op het gebied van CO2-reductie, hebben de beide sectorraden (PO-raad en VO-raad) daaraan toegevoegd dat een duurzaam schoolgebouw een schoolgebouw is dat optimaal ten dienste staat van het onderwijs dat erin aangeboden wordt. Een goed binnenklimaat resulteert in een hoger leerrendement en minder ziekteverzuim. Een schoolgebouw is daarmee niet alleen duurzaam voor wat betreft de CO2-uitstoot of het energieverbruik; het is een gebouw dat aansluit bij de onderwijskundige visie van de school, past bij het aantal leerlingen en toekomstbestendig is bij veranderingen.
2.3.1 Ontwikkeling Brainport-regio
De gemeente Eersel ligt in de Brainport regio. De verwachting is dat er in de Brainport-regio een groei aan werknemers komt. Alleen al ASML zal naar verwachting met circa 70.000 werknemers groeien in de komende 10 jaar. Deze groei wordt vaak de schaalsprong genoemd en heeft ook consequenties voor de gemeente Eersel. Door de economische groei van de regio neemt de woningbehoefte (vestigingsklimaat), en daarmee ook de behoefte aan voorzieningen, de komende jaren toe. Ten tijde van het opstellen van dit IHP is er nog geen beleids-/ontwikkelstrategie gevormd op deze ontwikkeling. Het is nog niet vertaald in concrete consequenties voor de gemeente Eersel en de regio.
Bij het opstellen van de leerlingenprognoses is rekening gehouden met de woningbouwontwikkelingen die de komende jaren zijn geprogrammeerd. Binnen het IHP wordt per locatie benoemd in hoeverre de kans bestaat of de schaalsprong invloed kan hebben op de leerlingenpopulatie en daarmee de omvang van een schoolgebouw en in hoeverre daarop geanticipeerd kan worden. De schaalsprong heeft niet alleen invloed op het leerlingenaantal, maar ook op bijvoorbeeld de leerlingenpopulatie doordat een steeds groter aantal kinderen zal bestaan uit nieuwkomers vanwege de expats die in de Brainportregio werken.
Wat betreft kinderopvang mag worden uitgegaan van een toenemende vraag vanuit ouders. Dit vloeit voort uit het voornemen van de overheid om opvang voor alle ouders toegankelijk te maken.
Ongeacht de keuze, de gemeente Eersel zal verder gaan groeien. Met inachtneming van de schaalsprong en de mogelijke keuzes, wordt er regionaal binnen verschillende dossiers verkend wat de consequenties zijn. Op gemeentelijk niveau, maar ook onderling tussen de verschillende schoolbesturen.
2.4. Visie op onderwijs en opvang
Bij het vorige IHP is stilgestaan bij de visie op onderwijs en opvang. Dit gedachtegoed is nog steeds van toepassing en zal daarmee bij dit IHP wederom leidend zijn. De citaten (kaders) zijn afkomstig uit het vorige IHP en vormen nog steeds de basis voor Eersel.
In de gemeente Eersel heeft elke school haar eigen identiteit, denominatie en onderwijsvisie. Alle scholen samen bieden een breed aanbod aan onderwijs aan, aan hun eigen doelgroep/verzorgingsgebied. Ouders en kinderen in de gemeente Eersel hebben hierdoor een ruime keuze qua onderwijsaanbod.
Onderwijsorganisaties hebben een belangrijke taak in de ontwikkeling van kinderen. Daarnaast zorgen ook andere (maatschappelijke) organisaties ervoor dat kinderen zich kunnen ontwikkelen tot evenwichtige, verantwoordelijke en sociale volwassenen. Denk hierbij aan kinderopvang (voor de doelgroep 0-4-jarigen), voor- en vroegschoolse educatie (2 4 jarigen), buitenschoolse opvang, jeugdzorg, culturele instellingen en sportverenigingen.
2.4.2 Doorlopende ontwikkellijnen
De betrokken onderwijs-/kindpartners en de gemeente pleiten voor het handhaven en waar mogelijk verbeteren van de inhoudelijke samenhang tussen het aanbod van onderwijs, opvang en zorg.
Het kind staat altijd centraal. De ondersteuningsstructuur dient voor alle betrokkenen (voor- en vroegschoolse voorzieningen, school, buitenschoolse opvang, ouders, zorg- en gespecialiseerde hulpverlening) helder en effectief te zijn en zoveel mogelijk preventief te werken. Er is aandacht voor maatwerk en talentontwikkeling. Een doorlopende ontwikkellijn beperkt zich niet enkel tot onderwijs-/opvangtijden. Ook buiten deze tijden dient er vanuit de maatschappij aandacht te zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden. Bij bijzondere leer- of zorgvragen kan de expertise uit het netwerk ingezet worden om eraan bij te dragen dat het kind in de eigen omgeving of de nabijheid daarvan geholpen kan worden.
Om een doorlopende ontwikkellijn nog beter te faciliteren, zoekt men bredere en gestructureerde samenwerkingsvormen. Inhoudelijke samenwerking en het aanbieden van arrangementen (regulier/speciaal, voor-/naschools) is essentieel om de juiste dienstverlening aan het kind te kunnen bieden. Om deze samenwerking vloeiend te laten verlopen zouden onderwijs, opvang en zorg idealiter in elkaars nabijheid gesitueerd worden en kunnen bijvoorbeeld het gezamenlijk overleg en het opleiden van personeel bijdragen aan het zijn van één team rondom het kind. Ook een structureel (multidisciplinair) overleg kan hier aan bijdragen. Deskundige zorg ‘in huis’ is een grote meerwaarde in de signalering en ondersteuning van het kind en levert maatschappelijk rendement op. Het uitwisselen van expertise en kennis tussen alle partners zorgt voor de juiste ondersteuning van ieder kind.
Samenwerking vraagt tijd en aandacht. Om elkaar beter te leren kennen, om elkaar te helpen en om de opgebouwde band te versterken en onderhouden. Er wordt samenwerking gezocht op meerdere vlakken (kinderopvang-onderwijs, onderwijs-onderwijs, onderwijs-zorg, onderwijs-bedrijfsleven etc.). In een tijd van hoge werkdruk en personeelstekorten is een efficiënte vorm van samenwerking noodzakelijk.
In de gemeente Eersel is naast regulier onderwijs ook (voortgezet) speciaal onderwijs aanwezig, namelijk De Groote Aard. Op De Groote Aard zitten niet alleen kinderen uit Eersel, maar ook kinderen uit een groter regionaal voedingsgebied. Er wordt onderwijs gegeven aan kinderen met een leer- en ontwikkelachterstand die extra ondersteuning behoeven in hun leerproces. Kinderen op De Groote Aard worden opgeleid om zoveel als mogelijk zelfstandig te werken/leven wanneer zij volwassen zijn.
In 2014 is de Wet op passend onderwijs ingevoerd. De wetgeving is erop gericht om passend onderwijs te bieden aan alle kinderen en jongeren waarbij inclusiviteit en thuis nabij belangrijke kernwaarden zijn. De scholen in Eersel zijn aangesloten bij de volgende samenwerkingsverbanden: SWV PO De Kempen en RSV PVO Eindhoven. Gezamenlijk zorgen de scholen voor een dekkend netwerk. De leerlingen in het reguliere onderwijs krijgen zoveel mogelijk de ondersteuning die zij nodig hebben op hun eigen school. In de praktijk betekent dit voor een aantal kinderen dat er samenwerking is van de reguliere scholen met andere organisaties (zoals jeugdhulp en gespecialiseerd onderwijs) en dat ook intern in de school of binnen een bestuur expertise aanwezig is die ondersteuning biedt aan de onderwijsprofessionals en/of de leerlingen.
Als het reguliere onderwijs onvoldoende kan aansluiten bij de behoeften van een kind, kan plaatsing in het (V)SO of SBO nodig zijn. Ook dit gespecialiseerde onderwijs werkt volop samen met netwerkpartners, zoals zorgspecialisten en stagebedrijven.
De school van de toekomst is het hart van de wijk/kern, waar maatschappelijke voorzieningen (zoals cultuur, sport en ontmoetingsfuncties) geïntegreerd of in de nabijheid zijn en iedereen zich welkom voelt: wijkbewoners, ouders en kinderen. De school staat centraal in de wijk en is toegankelijk voor iedereen. Het is een plek waar een breed palet aan partners zich inzet voor de ontwikkeling van kinderen en integraal met elkaar samenwerkt. Zo worden ook lokale ondernemers betrokken bij het onderwijs en is er aandacht voor de woningbouwontwikkelingen. De ontwikkeling van het kind staat centraal door het brede onderwijsaanbod en de mogelijkheid tot talentontwikkeling voor ieder individu.
Om de volgende redenen kan een samenwerking met maatschappelijke partners worden overwogen:
Door een goede afstemming tussen onderwijs, opvang en overige partners is er in de gemeente Eersel een compleet aanbod; krijgen de kinderen zo passend mogelijk opvang en onderwijs; kan ingezet worden op een eventuele zorgbehoefte; én wordt de verbinding gelegd met cultuur, sport en de wijk, buurt of kern.
2.5.1 Kaders en uitgangspunten
Deze bouwsteen geeft aan hoe gemeente en schoolbesturen omgaan met dit IHP.
Dit IHP is in lijn met het voorstel van PO-raad, VO-raad en VNG om IHP’s in de wetgeving te verankeren. In de geest van de nieuwe wet wordt het IHP vastgesteld als langetermijnplan waar gemeente en schoolbesturen zich aan committeren. Met name voor de projecten op de korte termijn is commitment van belang.
De gemeente en de schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de schoolgebouwen. In basis is de gemeente verantwoordelijk voor onder andere nieuwbouw en uitbreidingen en zijn de schoolbesturen verantwoordelijk voor het in stand houden van de onderwijshuisvesting (onder andere middels onderhoud, schoonmaak en energieverbruik), al dan niet via een verrekening. De schoolbesturen zijn ook verantwoordelijk voor het onderwijsaanbod en de kwaliteit daarvan. In het Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO) vindt de afstemming van deze verantwoordelijkheden plaats door middel van gezamenlijk overleg (minimaal jaarlijks). Deze samenwerking overstijgt de samenwerking op basis van de verordening. Voor het onderwijshuisvestingsbeleid wordt in eerste instantie voor alle betrokken partijen het IHP leidend, voordat er wordt teruggevallen op de verordening. In het geval dat huisvestingsvraagstukken een regionaal karakter hebben vindt, indien noodzakelijk, afstemming plaats met het regionale OOGO en/of samenwerkingsverbanden.
Gemeente en schoolbesturen zien de gezamenlijke verantwoordelijkheid. Gemeente en schoolbesturen zien een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor (de kwaliteit van) de huisvesting van scholen. Met inachtneming van het huidige stelsel zien beide partijen kansen om de gescheiden geldstromen (lees: investering door gemeente en exploitatie door schoolbesturen) samen te voegen. Dit kan leiden tot het behalen van de gezamenlijke ambities die de kwaliteit van onderwijshuisvesting kunnen vergroten, onder andere in exploitatie verlagende maatregelen of extra kwaliteit voor het onderwijs.
Het IHP werkt met termijnen (cycli) van 4 jaar en een scope van 15 jaar. Het IHP geeft inzicht in de projecten voor de looptijd van het IHP, waarbij de eerste termijn van 4 jaar het meest concreet is en de latere termijnen steeds meer indicatief zijn (doorkijk). Het actualiseren van het IHP duurt circa een jaar voor voorbereiding, ontwikkeling IHP en besluitvorming (2024). De eerste termijn is dus de periode 2024 tot 2027. Drie jaar na vaststelling van het IHP (2027) dient het IHP geactualiseerd te worden. De gemeente neemt het initiatief om de schoolbesturen uit te nodigen voor het herijken van het IHP.
Actuele prognose leerlingenaantallen. Uitgangspunt voor het IHP zijn de actuele leerlingenprognoses voor het primair, voortgezet en (voortgezet) speciaal onderwijs. De gemeente Eersel maakt onderdeel uit van een groeiende regio en op dit moment is nog niet duidelijk hoe deze groei (schaalsprong) in de gemeente zal uitpakken. Daarom zijn in het IHP bij iedere school de mogelijkheden en onmogelijkheden van een eventuele groei van de school (en kinderopvang) inzichtelijk gemaakt en of daarop wordt geanticipeerd of niet. Jaarlijks wordt de leerlingenprognose herijkt.
Het IHP is het investeringskader voor de onderwijshuisvesting. Het IHP geeft voor de gehele looptijd (15 jaar) inzicht in de benodigde investeringen. In het IHP wordt de prioritering van huisvestingsprojecten in de eerste termijn bepaald. Het IHP wordt opgesteld met het prijspeil van het moment van opstellen.
Jaarlijks wordt, bij het maken van de begroting, rekening gehouden met indexering van de VNG (onderwijshuisvesting). Omdat de begroting eerder vastgesteld wordt dan de indexering van de VNG bekend wordt gemaakt, wordt voor het jaar van de begroting geïndexeerd met de gemeentelijke prijsindex. De investeringen in het IHP worden omgerekend naar kapitaallasten (rente en afschrijving). Voor de gemiddelde kapitaallasten uit het IHP (over een periode van 15 jaren) wordt, rekening houdend met het saldo van de bestemmingsreserve onderwijshuisvesting, een structureel budget in de begroting opgenomen op basis van het prijspeil in de begroting.
Met vaststelling van het IHP is tevens het uitvoeringsprogramma voor de eerste vier jaar vastgesteld. Het uitvoeringsprogramma geeft zekerheid voor gemeente en schoolbesturen voor de komende vier jaar. Zodra een project actueel is, wordt het getoetst aan de randvoorwaarden als omschreven in het vastgestelde IHP. Denk hierbij aan wet- en regelgeving en leerlingenprognoses. Indien noodzakelijk, worden de gestelde randvoorwaarden uit dit IHP nog geactualiseerd wanneer er bijvoorbeeld tussentijdse wetswijzigingen of wijzigingen in de bouwregeling en beleid zijn of als de werkelijke aantallen niet in de pas lopen met de leerlingenprognoses.
De kredieten voor de investeringen in onderwijshuisvesting worden jaarlijks opgenomen in het onderwijshuisvestingsprogramma (OHP). Bij het vaststellen van het OHP (zijnde een jaarschijf van het IHP) aan het einde van het jaar voor het daarop volgende jaar, wordt uitgegaan van de VNG-normvergoeding voor dat jaar. In de eerstvolgende bestuursrapportage worden eventuele verschillen tussen de VNG-norm van dat jaar en de gemeentelijke prijsindex meegenomen. Omdat de investeringen passen binnen het vastgestelde IHP, wordt de uitwerking van de investering gedelegeerd naar het College van B&W.
Het IHP prevaleert voor het aanvragen van voorzieningen boven de verordening en vervangt daarmee, in de toekomst, de aanvraagprocedure voor nieuwbouw of renovatie en overige voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen (artikel 2.a lid 1 t/m lid 8 van de verordening). Er zijn echter uitzonderingen zoals het voorzien in huisvesting voor een nieuw te stichten school conform de verordening of aanvragen door onvoorziene omstandigheden. Op dergelijke onvoorziene omstandigheden na, is de afspraak dat er geen gebruik wordt gemaakt van de route via de verordening. Aanvragen voortkomend uit het IHP worden impliciet geacht een aanvraag te zijn op grond van de verordening. De reeds aangevraagde voorzieningen zijn meegenomen in dit IHP.
Deze bouwsteen geeft aan welk aanbod de gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties nastreven. Het gewenste aanbod van onderwijs en opvang is bepalend voor de huisvestingsoplossingen.
Het is van belang om een goede spreiding van onderwijs en opvang te hebben. Een goede spreiding van school- en opvanglocaties is belangrijk voor de bereikbaarheid van scholen/kinderopvang. School- en opvanggrootte en spreiding moeten aansluiten op het leerlingenaantal in het voedingsgebied. In de gemeente Eersel is er geografisch gezien een goede spreiding van scholen en kinderopvang, met minimaal één school en kinderopvanglocatie per kern.
Bij het ontwikkelen van nieuwe scholen/opvang of herpositioneren van bestaande scholen dient er aandacht te zijn voor de geografische spreiding van locaties:
De schoolbesturen streven naar een omvang van de school die past bij de vraag. De ‘ideale’ schoolgrootte bestaat niet. Het gaat niet zozeer om omvang, maar om kwaliteit en het in de toekomst kunnen meebewegen met de behoefte. Schoolbesturen maken daarbij zelf de afweging of de kwaliteit van hun onderwijs bij een bepaalde omvang (van de organisatie en de huisvesting) gegarandeerd kan worden. Kinderopvangorganisaties streven ook naar een omvang die past bij de situatie in de kern en/of school. Om te komen tot een gezonde verhouding van groepen onderwijs en opvang, wordt er per situatie een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd om te komen tot het beste en meest duurzame scenario.
Er wordt gestreefd naar een optimale afstemming tussen vraag en aanbod. Daarbij gaat het om het voorkomen van zowel normatieve ruimteoverschotten als ruimtetekorten. Daarvoor zijn een aantal uitganspunten geformuleerd:
Nieuwe gebouwen flexibel en aanpasbaar ontwerpen, om verbouwingen en uitbreidingen in de toekomst mogelijk te maken. Uitgangspunt daarbij is dat dragende wanden alleen op strategische plekken in een gebouw geplaatst worden (bijvoorbeeld gekoppeld aan blijvende gebouwfuncties zoals verticaal verkeer). Gebouwen dienen toekomstbestendig gemaakt te worden, waarbij eventuele functiewisselingen mogelijk zijn.
De groei van een school mag er niet toe leiden dat de kinderopvang-organisatie moet wijken uit het gebouw2. In dat geval gelden de afspraken over verhuur (zie punt 4).
Verhuizen van groepen leerlingen biedt mogelijkheden bij ruimtetekorten, op de korte termijn. Voor een langere termijn is dit geen oplossing. Verhuizing van groepen leerlingen kan ertoe leiden dat het gevoel van verbondenheid met de school vermindert. Per situatie zal beoordeeld moeten worden wat voor termijn de verhuizing betreft1.
Een leerlingenstop dient zoveel mogelijk vermeden te worden, maar kan in extreme gevallen een tijdelijke oplossing bieden. Als er een leerlingenstop komt, dienen leerlingen verwezen te worden naar een school die binnen een realistische reisafstand ligt en veilig te bereiken is. Voor het openbaar onderwijs kan er alleen verwezen worden naar openbare basisscholen, binnen de eigen gemeente. Anders dient de gemeente leerlingenvervoer te verzorgen.
Afspraken over verhuur en/of medegebruik in schoolgebouwen. Multifunctioneel gebruik van een schoolgebouw leidt veelal tot een hogere bezetting en daarmee tot een duurzamer gebruik van gebouwen. Samenwerking met verschillende typen gebouwgebruikers onder één dak vergroot de flexibiliteit; als de ene gebruiker minder ruimte nodig heeft, kan de andere gebruiker deze ruimte wellicht gaan huren. Op die manier kan leegstand (tijdelijk) intern opgevangen worden. Indien ruimten in onderwijshuisvesting in gebruik worden gegeven aan partijen anders dan het onderwijs (bijvoorbeeld een kinderopvangorganisatie en/of andere maatschappelijke partners) wordt, conform de onderwijswetgeving, ofwel ‘verhuur’ ofwel ‘medegebruik’ toegepast.
Voorwaarde voor medegebruik is dat het gaat om het gebruik door (uit de openbare kas bekostigd) onderwijs of voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het is aan het College van B&W om te bepalen welke activiteiten behoren tot culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden en of partijen vallen onder ‘verhuur’ of ‘medegebruik’. Doordat onderwijshuisvesting wordt gerealiseerd met maatschappelijk geld, ziet de gemeente medegebruik in scholen als meerwaarde. Hiermee wordt gestreefd naar een optimale bezettingsgraad van schoolgebouwen.
Medegebruik ontstaat bij leegstand in bestaande schoolgebouwen en bij het gezamenlijk gebruik van onderwijsruimten (bijvoorbeeld handenarbeid, aula, leerplein etc.). Bij medegebruik kan er sprake zijn van ‘exclusief gebruik van ruimten’ of ‘volgtijdelijk gebruik van ruimten’. Bij medegebruik wordt geen vergoeding voor de investeringslasten in rekening gebracht, maar uitsluitend een gebruiksvergoeding (bijdrage aan de exploitatie). De vaststelling hiervan is maatwerk.
In het geval van ‘verhuur’ wordt een huurtarief afgesproken dat voldoet aan de verplichtingen van de Wet Markt en Overheid. Indien dit in nieuwe projecten leidt tot een situatie waarbij geen enkele kinderopvangorganisatie een sluitend haalbaarheidsonderzoek heeft, zal gezocht worden naar een maatwerkoplossing. Met name in de kleinere kernen is het van belang dat het bestaande onderwijs- en opvangaanbod minimaal behouden blijft om de leefbaarheid te waarborgen.
Zowel binnen de bestaande gebouwen als bij nieuwe gebouwen worden afspraken gemaakt over zaken als looptijd overeenkomst, eigendomsverhouding, beheersvorm en samenwerkingsafspraken, exploitatie en financiële geldstromen (huuropbrengsten en exploitatielasten). Deze afspraken worden in overleg met gemeente, schoolbesturen en/of kinderopvangorganisaties besproken en vastgesteld. Uitgangspunt is dat de gemeente in geval van verhuur de huur ontvangt van de betreffende ruimten, minus de exploitatielasten.
Dergelijke afspraken dienen te volgen uit de inhoudelijke afspraken die aan de samenwerking ten grondslag liggen. Bij de planvorming van nieuwe gebouwen dient men hier bij aanvang al over na te denken, te concretiseren en te formaliseren.
Ruimte voor sport en beweging is onderdeel van de kwaliteit van het onderwijs. Het bewegingsonderwijs is volgend op het IHP en daarmee de programmering van de locaties. Indien een school vervangen wordt, dient verkend te worden of de gymzaal gelijktijdig vervangen gaat worden. Daarbij is het van belang om tevens te kijken naar de capaciteit voor het bewegingsonderwijs. In de verordening staan de kaders hiervoor omschreven. Per termijn wordt dit inzichtelijk gemaakt.
2.5.3 Kwaliteit en duurzaamheid
Deze bouwsteen geeft aan welke kwaliteitsambities gemeente en schoolbesturen nastreven op het gebied van kwaliteit en duurzaamheid. Het betreft ambities die afhankelijk zijn van de budgettaire ruimte die beschikbaar is. Dit onderdeel komt later in het IHP aan de orde.
Gemeente en schoolbesturen zien het realiseren van kwalitatief goede en duurzame onderwijshuisvesting als een maatschappelijke, gezamenlijke verantwoordelijkheid. Een kwalitatief goed en duurzaam gebouw heeft een positief effect op het onderwijs én op het leefklimaat voor de toekomstige generaties. Ook heeft het impact op de betaalbaarheid van de exploitatie van het gebouw.
De gemeente Eersel volgt het Klimaatakkoord. Om de doelstellingen uit het klimaatakkoord te kunnen behalen, is ENG binnen de vernieuwingsopgave een noodzakelijke ambitie binnen dit IHP. Deze ambitie is kostenverhogend. In hoofdstuk 6 worden de kosten voor deze ambitie inzichtelijk gemaakt. Per situatie zal er gekeken worden naar een gezonde balans tussen kwaliteit, duurzaamheid en de (financiële) middelen (kosten-batenanalyse). Per locatie dient in aanvullende onderzoeken, zoals een haalbaarheidsonderzoek, toegewerkt te worden naar een optimale balans tussen de diverse criteria passend bij het schoolgebouw en de omgeving.
Gemeente en schoolbesturen definiëren duurzaamheid breder dan alleen energiebesparing en CO 2 -reductie. De ambitie reikt verder dan de verordening voorschrijft. De ambities zullen kostenverhogend zijn (in hoofdstuk 6 worden de kosten per thema inzichtelijk gemaakt). Echter zijn er positieve effecten aan de onderstaande thema’s die niet in directe opbrengsten zijn uit te drukken, maar wel kunnen bijdragen aan een gezond leef-, leer- en werkklimaat. De volgende thema’s kunnen een bijdrage leveren:
Ten aanzien van goed onderwijs gaat het om onderwijskundige functionaliteit: nieuwe en gerenoveerde schoolgebouwen dienen onderwijsconcepten goed te faciliteren. Het gebouw dient aan te sluiten bij het onderwijsconcept van de school. Wanneer kindpartners (zoals kinderopvang, jeugdzorg en dergelijke) ook in het gebouw gehuisvest worden, dienen deze goed gefaciliteerd te worden.
Ten aanzien van gezondheid wordt rekening gehouden met de Frisse Scholen-thema’s lucht, temperatuur, licht en geluid (naast energie) om een prettig en gezond klimaat voor kinderen en medewerkers te realiseren. Voor de Frisse Scholen-thema’s kan worden gekozen voor een slimme mix van eisen per subonderdeel. Een goed binnenmilieu draagt bij aan minder ziekteverzuim bij leerlingen en docenten. Daarnaast heeft een beter binnenmilieu een positief effect op de leerprestaties van kinderen.
Ten aanzien van circulariteit wordt ernaar gestreefd bewust om te gaan met de toegepaste materialen en waar mogelijk gebruik te maken van natuurlijke, herbruikbare materialen. In het geval van nieuwbouw wordt gelet op de basisprincipes van circulariteit, zoals de toekomstige losmaakbaarheid van de gebouwelementen.
Ten aanzien van toekomstbestendigheid wordt ingezet op maximale flexibiliteit (onder andere het vermijden van dragende binnenwanden en de mogelijkheid tot uitbreiding op het perceel en binnen het gebouw) om ervoor te zorgen dat de schoolgebouwen in de toekomst ook andere onderwijsconcepten kunnen faciliteren. Het definitieve kwaliteitsniveau en de verdeling van de kosten worden nader geconcretiseerd binnen de budgettaire kaders.
Het IHP geeft schoolbesturen en gemeente inzicht in de vernieuwingstermijn van hun gebouwen. Het IHP biedt schoolbesturen de mogelijkheid om de instandhouding (onder andere onderhoud, schoonmaak en energieverbruik) en investeringen af te stemmen op de vernieuwingstermijn van de onderwijshuisvesting. Deze investeringen kunnen gekoppeld worden aan terugverdientijden, zodat er bewust omgegaan wordt met maatschappelijke gelden.
Schoolgebouwen dienen veilig en integraal toegankelijk te zijn. Conform Bbl dienen schoolgebouwen in de gemeente Eersel voor iedereen toegankelijk te zijn. De gebouwen dienen ruim van opzet te zijn en bij meerdere bouwlagen is de aanwezigheid van een lift noodzakelijk (conform Bbl). Kinderen en medewerkers van de school met een beperking kunnen op deze manier zelfstandig door het gebouw bewegen, zonder hulp van derden. Toegankelijkheid betekent ook dat het gebouw geschikt is voor diverse gebruikersgroepen; hierbij hoort een streven naar bijvoorbeeld meer samenwerking tussen primair onderwijs en speciaal onderwijs. Daarnaast moet de school ook veilig te bereiken zijn, hetzij met de fiets, hetzij lopend of met gemotoriseerde voertuigen. Mindervalide personen kunnen het gebouw op een passende manier bereiken en op een acceptabele afstand tot de entree parkeren.
Investeringen in duurzaamheid dienen gerelateerd te worden aan de gehele levenscyclus van gebouwen. Daarbij is een afstemming tussen de verantwoordelijkheden van gemeente en schoolbesturen van belang. Liever gezamenlijk goed investeren in deugdelijke maatregelen dan nadelige gevolgen te ondervinden in bijvoorbeeld exploitatie en onderhoud tijdens de levensduur van een gebouw.
Schoolbesturen en gemeente verkennen tijdens het IHP-traject de principes van Total Cost of Ownership (TCO). Bij TCO dragen schoolbesturen mogelijk bij aan een deel van de stichtingskosten van een nieuwbouw- of renovatieopgave. Deze investering komt de duurzaamheid en het binnenmilieu van het gebouw op het gebied van onderhoud, exploitatie en gezondheid ten goede, waardoor een investering aan de voorkant een besparing kan opleveren tijdens het gebruik van het gebouw. Een integrale afweging tussen investering en onderhouds- en exploitatiekosten is daarbij van belang. Schoolbesturen maken voor hun bijdrage gebruik van de lumpsum vergoeding die zij ontvangen van het rijk. In het IHP wordt rekening gehouden met het op dit moment nog geldende investeringsverbod voor het PO en de (exploitatie)tekorten die het PO (net als de gemeente) ervaart in de bekostiging.
Renovatie kan een duurzamer scenario zijn dan nieuwbouw. Ten aanzien van renovatie wordt aangesloten op het voorstel van PO-raad, VO-raad en VNG, zoals omschreven in paragraaf 2.2.1. Renovatie wordt door dit wetsvoorstel als volwaardig alternatief voor nieuwbouw gezien. Renovatie dient daarbij te leiden tot een startconditie van het schoolgebouw en een minimale levensduurverlenging van 25 jaar.
Per project wordt een afweging gemaakt of nieuwbouw of renovatie de beste oplossing is voor de betreffende school. Daarbij worden onder andere de volgende aspecten meegenomen in de afweging (willekeurige volgorde):
Er wordt rekening gehouden met de onderwijskundige functionaliteit van de gebouwen. Past de huisvesting bij het onderwijsconcept, nu en in de toekomst? Is de huisvesting voldoende flexibel aanpasbaar voor gebruik in de toekomst? Is het mogelijk om middels renovatie ervoor te zorgen dat de huisvesting weer past bij het onderwijsconcept? Dan is renovatie een optie.
Er wordt rekening gehouden met een goede bezetting van gebouwen. Een schoolgebouw wordt (bij voorkeur) niet gerenoveerd als er sprake is van een significant ruimtetekort dan wel -overschot, tenzij de eventuele overmaat kan worden toebedeeld aan andere gebouwgebruikers, kan worden afgestoten of kan worden benut ten behoeve van de verwachte leerlingengroei.
3. Analyse onderwijs- en opvanglandschap
In dit hoofdstuk wordt het huidige en toekomstige aanbod aan onderwijs in de gemeente Eersel beschreven. Daarnaast gaat dit hoofdstuk in op de methodiek om te komen tot een eerste prioritering (kwalitatieve analyse) en is er voor elke school een capaciteitsanalyse opgesteld (kwantitatieve analyse). Voor de kinderopvang is een inventarisatie gedaan van het huidige aanbod.
3.1. Huidig aanbod onderwijs en opvang
In de gemeente Eersel is een breed aanbod aan primair onderwijs-scholen. De scholen verschillen van denominatie, onderwijsconcept en omvang. Per kern is minimaal één school aanwezig. In deze kern hebben ouders een grotere keuze tussen onderwijsvormen. Ouders uit de andere kernen zijn beperkt tot de keuze van één basisschool, tenzij de keuze gemaakt wordt om buiten het verzorgings- of postcodegebied naar school te gaan. Gezamenlijk hebben de schoolbesturen en gemeente zeven schoolgebouwen waarin acht scholen gehuisvest zijn en verzorgen zij het onderwijs voor ruim 1.500 leerlingen.
In de gemeente Eersel is één VO-school aanwezig, namelijk het Rythovius College. Hier worden de volgende niveaus aangeboden: mavo, havo en vwo. Daarnaast heeft de school een rijk aanbod aan verdiepingsprogramma’s. Er worden vijf talentstromen aangeboden, namelijk Engels, Science, Sport, Ondernemerschap en Kunst. Het Rythovius College heeft een verzorgingsgebied dat groter is dan de gemeentegrens.
Binnen de regio liggen onder andere Pius X College (Bladel), Sondervick College (Veldhoven) en Scholengemeenschap Were Di (Valkenswaard).
(Voortgezet) speciaal onderwijs
In de gemeente Eersel is een gecombineerde SO- en VSO-school aanwezig, namelijk De Groote Aard. De Groote Aard biedt onderwijs aan kinderen met complexe ondersteuningsbehoeften. Er is een grote diversiteit aan leerlingen op de school. Van kinderen met een laag IQ tot kinderen die 'sociaal emotioneel een lager ontwikkelingsniveau hebben, ook wel de zogenoemde zmlk (zeer moeilijk lerende kinderen). Daarnaast biedt de school ook onderwijs aan de groep ernstig meervoudig beperkte leerlingen. Omdat er zowel leerlingen van basisschoolleeftijd als van middelbare schoolleeftijd aanwezig zijn, is het onderwijs erg gevarieerd.
Tabel 3.1: overzicht aanwezige scholen in de gemeente Eersel
In de gemeente Eersel zijn drie kinderopvangorganisaties actief, waarvan één organisatie ook daadwerkelijk in schoolgebouwen gevestigd is. De andere twee organisaties zijn in eigen gebouwen gevestigd. Per locatie is het aantal kindplaatsen in kaart gebracht. Er is onderscheid gemaakt tussen kinderdagopvang, peuterprogramma en buitenschoolse opvang.
Tabel 3.2: overzicht aanwezige kinderopvangorganisaties in de gemeente Eersel
In dit IHP wordt niet ingegaan op de capaciteit van de aanwezige gymvoorzieningen. Bij de gemeente Eersel zijn deze gegevens bekend. Er ligt wel een vraagstuk aangaande de gymfaciliteiten voor ’t Busseltje. ’t Busseltje heeft als enige school in de gemeente Eersel geen gymzaal in de directe nabijheid van de school en maakt gebruik van de gymzaal van De Groote Aard (op loopafstand) en De Kraanvogel. De gemeente verzorgt bij uitzondering het leerlingenvervoer van ’t Busseltje naar De Kraanvogel. Indien uit de scenariovorming blijkt dat de aanwezige gymvoorziening ook vervangen dient te worden, wordt deze opgenomen in de financiële doorrekening van dit IHP.
Daarnaast is het van belang om bij aanvang van projecten te kijken of er voldoende gymcapaciteit beschikbaar is bij de dichtstbijzijnde sportvoorziening en of de reisafstand hierbij realistisch en acceptabel is. Indien dit niet het geval is, is het noodzakelijk dat er aanvullende gymcapaciteit gerealiseerd wordt. In de verordening staan de kaders hiervoor omschreven.
Het uitgangspunt voor het voorliggende IHP is de prognose die is opgesteld in maart 2024 en gebaseerd is op de leerlingenaantallen per teldatum 1 oktober 2023. Het meest recente woningbouwprogramma 2024-2034 is input geweest voor deze leerlingenprognoses. De bekende woningbouwontwikkelingen zijn opgenomen in deze prognose, zijnde 1.210 woningen met een plancapaciteit van 1.433. Een deel van de groei zit hiermee in deze prognose. Echter, keuzes die nog gemaakt moeten worden bij onder andere de Kempische visie op wonen en de Bestuursopdracht Ontwikkelstrategie De Kempen, maken hier uiteraard nog geen onderdeel van uit.
Middels dit programma sorteert de gemeente voor op de schaalsprong tot 2030. In de prognose zijn de ontwikkelingen na 2030 nog niet verwerkt. Indien daarin wijzigingen of aanvullingen zijn en daarmee de onderwijsbehoefte wijzigt, dienen leerlingenprognoses herijkt te worden. De ruimtebehoeften kunnen op dat moment ook direct herijkt worden, zodat de consequenties in beeld gebracht kunnen worden.
In figuur 3.1 is de prognose voor het PO weergegeven. Hierin is te zien dat er in de komende jaren een toename is in leerlingenaantallen. In deze prognose is ook een afvlakking te zien na 2033. De leerlingenprognose van het VO laat eenzelfde toename in leerlingen zien (zie figuur 3.2). De stijging houdt stand tot het einde van de prognose (lees: 2041). Het (V)SO kent een relatief stabiel leerlingenaantal (tussen de 115 en 130), zie figuur 3.3. Het leerlingenaantal hangt sterk af van de regionale ontwikkelingen op het gebied van speciaal onderwijs.
Als referentiejaar voor het voorliggende IHP is 2033 aangehouden. De leerlingen-aantallen bij dit jaar worden gebruikt om de toekomstige ruimtebehoefte te berekenen. In 2033 zijn de voorgenomen woningbouwontwikkelingen gerealiseerd. De trendlijn voor het PO laat na 2033 ook een stabilisering zien. Bij het VO is er na 2033 een groei zichtbaar. Bij het VO is het belangrijk dat de mogelijkheid tot uitbreiding wordt meegenomen.
Voor de kinderopvang is geen prognose opgesteld. Dit is een taak van de kinderopvangorganisaties. Wel kan het volgende gesteld worden:
3.4. Analyse onderwijshuisvesting
In de basis (vanuit de verordening-methodiek) worden schoolgebouwen op kwaliteit en kwantiteit beoordeeld. In de volgende paragrafen worden de methodes inclusief conclusies beschreven. In de analyse is deels ook gekeken naar de ruimten van de kinderopvang, indien deze onderdeel zijn van het schoolgebouw.
Voor het ontwikkelen van scenario’s is inzicht in de kwaliteit van de huidige scholen een belangrijk uitgangspunt. Dit inzicht geeft richting aan de prioritering en toekomst¬perspectieven van de scholen in de gemeente. Voor het IHP is het niet alleen de vraag of een pand een kwalitatief goed gebouw is, maar of het pand een kwalitatief goed schoolgebouw is. In de beoordeling van het gebouwenbestand is daarom naast de bouwkundige staat ook gekeken naar onderwijskundige functionali¬teit, binnenmilieu, veiligheid, exploitatie en uitstraling van de schoolgebouwen.
Op basis van de door HEVO ontwikkelde en veelvuldig toegepaste methodiek is elk gebouw middels een quickscan op deze criteria beoordeeld en voorzien van een gewogen score. De totaalscore geeft op uniforme wijze richting aan de mate van urgentie tot een levensduurverlengende ingreep in relatie tot de gebouwkwaliteit:
Bij de quickscans zijn de voor onderwijs bestemde delen beoordeeld. In sommige gevallen hebben de kinderopvangdelen dezelfde kwaliteit, echter dit is niet in alle gevallen zo. De score voor het onderwijsgedeelte zal leidend zijn in de eerste prioritering. Bij de scenariovorming kan nader gespecificeerd worden of en hoe de kinderopvangruimten verbeterd kunnen worden, in relatie tot de GGD-eisen voor de kinderopvang.
In de onderstaande tabel 3.3 zijn de quickscanscores van de schoolgebouwen in de gemeente Eersel weergegeven. Deze scores en het bijbehorende advies voor termijnen waarbinnen vernieuwing zou moeten worden uitgevoerd geven een eerste prioritering. Uit de tabel is af te lezen dat er in de termijn 0-5 jaar één school toe is aan vernieuwing, namelijk het Rythovius College. In de termijn 5-10 jaar zijn drie scholen toe aan vernieuwing, namelijk De Groote Aard, Sint Jan en Sinte Lucij. De overige scholen zijn over 10 jaar of later pas toe aan vernieuwing.
Voor alle schoolgebouwen is de beschikbare capaciteit voor het onderwijs geanalyseerd. De capaciteitsanalyse maakt een normatief ruimtetekort of overschot per gebouw inzichtelijk. De ruimtebehoefte van het onderwijs wordt bepaald door het type onderwijs, de leerlingentelling en de prognose te vertalen naar ruimtebehoefte. Deze ruimtebehoefte wordt vergeleken met het aantal m² dat beschikbaar is: de brutovloeroppervlakte (bvo).
Op basis van de leerlingenaantallen kan voor ieder schoolgebouw de normatieve ruimtebehoefte bepaald worden. Voor het primair onderwijs kan de onderstaande formule gebruikt worden:
Normatieve ruimtebehoefte = aantal leerlingen * 5,03 + 200
In deze berekening is 5,03 het aantal vierkante meters waar een PO-school per kind recht op heeft, daarbovenop krijgt iedere PO-school eenmaal een ‘vaste voet’ van 200 m² toebedeeld. Uitzondering op deze berekening is basisschool Wereldwijs. Wereldwijs heeft een achterstandsscore. De achterstandsscore drukt de kans op een onderwijsachterstand van een leerling uit. De achterstandsscore leidt tot een toeslag op de ruimtebehoefte, dit is meegenomen in de capaciteitsberekening.
Voor SO, VSO en VO wordt een andere ruimtebehoeftebepaling toegepast. In het SO en VSO wordt de ruimtebehoefte bepaald door het type leerlingen waaraan onderwijs wordt geboden. Bij het VO is de ruimtebehoeftebepaling afhankelijk van de onderwijsniveaus die op de school gegeven worden.
Opmerking: dit is een genormeerde ruimtebehoefteberekening . In de praktijk zijn er efficiëntere en minder efficiënte gebouwen. Wanneer een school bijvoorbeeld veel gangen heeft, of een grote aula, kan er een genormeerd ruimteoverschot zijn, terwijl dit niet zo wordt ervaren. Er is relatief immers minder effectieve onderwijsruimte. Ook wordt in de praktijk gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot medegebruik of verhuur van ruimten. In het IHP is vanwege het beleidsrijke karakter ruimte voor nuance op de resultaten uit de ruimtebehoefteberekening .
De uitgevoerde analyses geven inzicht in de opgave voor de gemeente Eersel voor de komende jaren. Op basis van de analyses kunnen de volgende conclusies getrokken worden, als input voor de scenariovorming:
Algeheel bekeken is er een groei aan leerlingen in Eersel. Het actuele woningbouwprogramma loopt tot 2034. De verwachting is dat de groei daarna verder doorzet. Ook de keuzes in de Kempische visie op wonen en de Bestuursopdracht Ontwikkelstrategie De Kempen kunnen in de toekomst invloed hebben op het leerlingenaantal. De schaalsprong is daarmee voor de eerste termijn van het IHP geborgd. Bij de herijking van het IHP wordt hier opnieuw naar gekeken.
Dit hoofdstuk borduurt verder op de opgave uit het voorgaande hoofdstuk. Per kern wordt bekeken wat de problematiek is, welke verkenningen gedaan zijn en wat het scenario is voor het onderwijs en de opvang in de desbetreffende kern.
In de kern Eersel zijn meerdere scholen gevestigd. Op dit moment zijn er drie basisscholen (gevestigd in twee gebouwen), een voortgezet onderwijs-school en een speciaal onderwijs-school inclusief voortgezet speciaal onderwijs. In deze kern hebben ouders keuze qua basisschool.
Elk schoolgebouw kent haar eigen problematiek. In deze paragraaf wordt per locatie ingegaan op de programmering, de uitbreidingsmogelijkheden in relatie tot de schaalsprong, de afweging renovatie of nieuwbouw en daarmee het beoogde toekomstperspectief. Het betreft een voorkeursscenario, dat in een haalbaarheidsonderzoek nader verkend dient te worden.
Het Rythovius College (hierna Rythovius) is gebouwd in de jaren 60 en door de jaren heen aan verschillende zijden uitgebreid. De uitbreidingen verschillen van bouwjaar, uitvoeringsvorm en kwaliteit. Dit maakt het schoolgebouw complex in gebruik en in beoordeling van de kwaliteit. Bij de kwalitatieve beoordeling is het gebouw als geheel beschouwd. Bij een haalbaarheidsonderzoek kan gekeken worden naar een (eventuele) verdere verfijning/beoordeling van bouwdelen.
De school faciliteert daarnaast gedeeltelijk de samenwerking met de jeugdcoach en een jeugdhonk. Het is de wens van het schoolbestuur dat een dergelijke faciliteit terugkomt in de nieuwe situatie. Fysiek kan deze faciliteit gehuisvest worden in multifunctionele ruimten. Daarnaast is de toevoeging van de jeugdcoach afhankelijk van de bekostiging hiervan.
In het VO vormt sportonderwijs een belangrijk deel van het curriculum. Bij het Rythovius is op dit moment veel ruimte voor sport, zowel binnen als buiten. De wens van het schoolbestuur is om het sportaanbod binnen én buiten te behouden in de toekomst.
In aanvulling op het IHP is voor het Rythovius een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is het huidige gebouw beoordeeld en is de afweging gemaakt tussen renovatie met een levensduurverlenging van 40 jaar of nieuwbouw (al dan niet op een andere locatie).
Voorkeur: nieuwbouw op huidige locatie. Het schoolbestuur ziet mogelijkheden om de nieuwbouw te positioneren (deels) naast het huidige gebouw. In deze afweging is/wordt ook de impact op de omgeving en tijdelijke huisvesting meegenomen. De gymzalen worden behouden op de huidige locatie, waarbij wordt uitgegaan van renovatie van de twee oudste gymzalen. De twee andere gymzalen en multifunctionele ruimte zijn van recentere datum. Het ‘cluster’ sport staat los van de school, waardoor medegebruik beter te faciliteren is.
Schaalsprong: in ruimtebehoefte is gerekend met peiljaar 2033. Tijdens het ontwerp worden uitbreidingsmogelijkheden (ruimtelijk) meegenomen. Er wordt toegewerkt naar een integraal ontwerp. Tijdens het ontwerp wordt verkend of de uitvoering volledig of in fasen wordt gerealiseerd. Dit is mede afhankelijk van de leerlingenprognose (jaarlijks actualiseren).
De prognose van De Groote Aard laat een stabiel leerlingenaantal zien voor de komende jaren. Er wordt echter wel een verschuiving verwacht in het speciaal onderwijs. De zorgvraag voor kinderen in de regio neemt toe en andere locaties beginnen vol te raken. Hierdoor is het mogelijk dat De Groote Aard een grotere toestroom aan leerlingen gaat krijgen in de toekomst.
Het huidige gebouw van De Groote Aard is nog toereikend voor het aantal leerlingen, maar is niet ideaal ingedeeld en is vooral kwalitatief een aandachtspunt. Naast het onderwijs is er in het gebouw ook een zorggroep van Lunet zorg aanwezig. Lunet zorg biedt voor kinderen vanaf 0 jaar een dagprogramma aan. Dit is bedoeld voor kinderen die een ontwikkelingsachterstand of verstandelijke beperking hebben. De samenwerking tussen de school en Lunet zorg zorgt ervoor dat er veel specialistische kennis aanwezig is en er snel geschakeld kan worden wanneer er zorgen zijn bij een kind.
Voorkeur: het gebouw biedt mogelijkheden om te renoveren. Daarnaast wordt de functionele indeling gezien als kans. De lokalen zijn voor de groepsgrootte qua omvang voldoende. Tevens zijn er voldoende nevenruimten aanwezig, onder andere voor overleg en een time-out-ruimte. De omvang van het gebouw biedt mogelijkheden om te groeien en tussentijds eventueel zorgpartners toe te voegen. Daar zet het schoolbestuur nu al op in door enkele ruimten te verhuren aan Lunet zorg. Het vraagt een verkenning op welke wijze het budget nu al ingezet moet worden om in te spelen op de ‘groei’. De doelgroep is zeer gebaat bij een prikkelvrije leeromgeving. Tijdens de bouw zal ingezet moeten worden op tijdelijke huisvesting.
Openbare basisschool ’t Busseltje blijft naar verwachting groeien in leerlingen-aantallen. Het huidige gebouw en de omvang van het perceel zijn hiervoor niet toereikend. In 2022 is de laatste uitbreiding geweest in vierkante meters. Het gebouw is in verschillende termijnen gebouwd en de bouwdelen verschillen van kwaliteit.
Binnen het gebouw zijn naast de school ook de GGD en kinderdagopvang aanwezig. De samenwerking met de kinderopvangorganisatie wordt als zeer wenselijk beschouwd. Samenwerking tussen de school en de GGD komt minder voor vanwege de AVG-wetgeving.
Er zal voor ’t Busseltje een korte- en een lange termijnscenario gedefinieerd moeten worden. Daarbij wordt gekeken naar een structurele oplossing voor het primair onderwijs in de kern Eersel (lees: nieuw schoolgebouw). De korte termijn oplossing wordt gezocht in tijdelijke huisvesting.
Voorkeur: het gebouw heeft onlangs een renovatie ondergaan, maar enkele delen blijven in kwaliteit achter. Intentie is om het ruimtetekort tot 2028 met een tijdelijke oplossing in te vullen. Deze school groeit door de huidige woningbouw¬ontwikkelingen en is mede afhankelijk van de verdere ontwikkeling van de schaal¬sprong. De huidige locatie kent haar beperkingen; ruimtelijk en verkeerskundig (bereikbaarheid). Binnen het IHP wordt dit nader verkend onder de locatie ‘Nieuw schoolgebouw’.
In 2017 is het Kindcentrum Eersel (gedeeltelijk) gerenoveerd naar de huidige vorm. In het gebouw zijn sinds 2017 twee basisscholen gevestigd, namelijk Wereldwijs en Jacobus, en een kinderopvangorganisatie. Kijkend naar de prognose en de normatieve ruimtebehoefte is er op dit moment nog voldoende ruimte aanwezig in het gebouw voor beide basisscholen. Het schoolbestuur ervaart echter krapte in het gebouw.
Voorkeur: het gebouw is voorzien van een (gedeeltelijke) renovatie. Kwalitatief scoort het gebouw nog voldoende, maar enkele delen blijven in kwaliteit achter. Gezien de stijging in leerlingenaantal is er een capaciteitsvraagstuk voor onderwijs en kinderopvang. De huidige locatie kent haar beperkingen (ruimtelijk). Binnen het IHP wordt dit nader verkend onder de locatie ‘Nieuw schoolgebouw’.
In dit IHP wordt toegewerkt naar een structurele oplossing voor de kern Eersel. Met inachtneming van de groei op basis van de prognose en de beperkte uitbreidings¬mogelijkheden binnen de percelen van de betreffende basisscholen, is een ‘Nieuw schoolgebouw’ op een nader te bepalen locatie in deze kern de meest wenselijke oplossing, inclusief kinderopvang.
Basisschool Sint Jan is oorspronkelijk gebouwd in 1959. In 1979 heeft de school een uitbreiding gehad en in 2002 en 2016 hebben er renovaties plaatsgevonden. Sinds 2011 maakt Sint Jan onderdeel uit van MFA Duizel. In het gebouw is onder andere een kinderdagopvang aanwezig, die fysiek verbonden is met de basisschool.
Het huidige gebouw van Sint Jan kent beperkingen. Zowel op bouwkundig vlak als op energetisch vlak kan het gebouw profiteren van een vernieuwingsslag.
Voorkeur: het huidige gebouw heeft beperkte mogelijkheden om de indeling aan te passen ten behoeve van het onderwijs en om de samenwerking met de kinderopvangorganisatie te stimuleren. Het perceel biedt mogelijkheden om het gebouw logisch te positioneren en de samenwerking met de kinderopvang¬organisatie en de MFA-partners te versterken.
In 2015 is MFA De Leenhoef in gebruik genomen. In de MFA zijn onder andere basisschool Meester Gijbels, Gemeenschapshuis De Leenhoef en sporthal De Ladder gevestigd. In de MFA werd een peuterprogramma aangeboden maar op dit moment is er geen kinderdagopvang meer aanwezig. De kinderopvangorganisatie in Knegsel is elders gesitueerd. Qua kwaliteit voldoet het schoolgebouw aan de huidige eisen. Echter ontstaat er wel een capaciteitstekort op de school.
Naar verwachting zal in de kern Knegsel de schaalsprong ook gaan spelen. Knegsel ligt in een natuurrijk gebied waar weinig extra woningen gebouwd mogen worden. Wel is het mogelijk dat ouders uit Veldhoven gaan kiezen voor basisschool Meester Gijbels.
In de kern Steensel is basisschool SinteLucij gevestigd. Sinte Lucij is oorspronkelijk gebouwd in 1980. In 2002 en 2013 hebben er renovaties plaatsgevonden die niet levensduurverlengend waren. In het gebouw zit naast de school nog een kinderopvangorganisatie. Kwalitatief gezien is het gebouw toe aan vernieuwing. Kwantitatief gezien heeft de school momenteel een ruimteoverschot. Door middel van de SUVIS-regeling is het binnenmilieu deels aangepakt (wat heeft geleid tot een hogere score in de quickscan). Een deel van de investering dient nog gedaan te worden en is geparkeerd in afwachting van het IHP. In 2020 is een principeakkoord gegeven op de levensverlengende renovatie van Sinte Lucij. In dit akkoord is opgenomen dat de renovatie in het eerstvolgende IHP wordt ingebracht.
Voorkeur: zoals reeds in het principeakkoord bepaald, staan gemeente en schoolbestuur achter de mogelijkheid tot Renovatie. Renovatie of vernieuwbouw moet leiden tot minimaal 25 jaar levensduurverlenging. Naast investering vanwege de SUVIS regeling overweegt Het schoolbestuur om in te spelen op het verhogen van de isolatiewaarde ten gunste van de exploitatieverlaging. Het is wenselijk om dit scenario te verkennen en toe te werken naar een integraal ontwerp, dat in uitvoering gefaseerd kan plaatsvinden.
Basisschool Lambertus bevindt zich in een relatief jong gebouw dat kwalitatief goed is (bouwjaar 2004). Er is in het gebouw voldoende ruimte aanwezig. De overmaat neemt in de komende jaren wel af. Eventueel kan er verkend worden of de overmaat ingezet kan worden voor andere doeleinden, bijvoorbeeld uitbreiding van kinderopvang of toevoeging van nieuwe partners.
Basisschool De Disselboom is gehuisvest in MFA De Rosdoek, met onder andere een fysio, gymzaal en kinderdagopvang. Het gebouw dateert uit 1966. Door de jaren heen zijn er verschillende aanpassingen gedaan aan de MFA. Kwalitatief voldoet het gebouw aan de huidige eisen.
Normatief gezien is er geen structureel tekort bij De Disselboom, echter wordt er door de school en de kinderopvang wel een tekort ervaren. Op het perceel zijn er weinig tot geen uitbreidingsmogelijkheden Op dit moment zijn er grote lokalen aanwezig en is er weinig ruimte buiten het lokaal om te kunnen differentiëren in het onderwijs. Hierdoor voelt het onderwijsgedeelte van het gebouw krap aan, dit staat nog los van de schaalsprong.
In de tabel zijn per locatie het scenario en het tijdspad benoemd. Daarbij is rekening gehouden met de programmering conform de quickscanscore en met de capaciteitsvraagstukken. Voor locaties in termijn 1 en een enkele in termijn 2 is het voorkeursscenario aangegeven. Tevens is het capaciteitsvraagstuk vanuit onderwijs en opvang benoemd.
Figuur 4.7: scenario programmering op basis van quickscanscore
*Het schoolbestuur overweegt om voortijdig te investeren in een renovatie van de buitenschil (voorfinanciering door het schoolbestuur). Dit heeft ook te maken met de vertraging van het IHP en de specifieke uitkering ventilatie in scholen (SUVIS) die Sinte Lucij heeft ontvangen waarvoor de werkzaamheden voor 1 augustus 2025 afgerond moeten zijn.
De gemeente Eersel heeft, net als andere gemeenten, de verplichting om voor 2050 aan de klimaatdoelstellingen te voldoen. In dit hoofdstuk wordt gekeken of, door het uitvoeren van de projecten zoals omschreven in hoofdstuk 4, deze doelen behaald worden.
In het Klimaatakkoord van Parijs is gesteld dat men in 2030 de uitstoot van CO2 wil verminderen met 55% ten opzichte van de uitstoot in 1990; en verder terugdringen in 2050 met 95%. Aangestuurd vanuit het rijk zijn tal van sectoren gestart met het maken van plannen en het uitvoeren daarvan, om bij te dragen aan deze klimaatdoelen. Ook de gemeente Eersel heeft doelstellingen op dit gebied. Het energie- en CO2-neutraal maken van de schoolgebouwen in Eersel staat niet op zichzelf; op sectorniveau hebben de PO-raad, de VO-raad en de VNG routekaarten opgesteld om te komen tot verduurzaming van schoolgebouwen in Nederland. Daarbij is een oproep gedaan aan schoolbesturen om - in geval van nieuwbouw - minimaal voor energieneutraal (ENG), Nul op de Meter (NOM) met een gezond binnenklimaat te kiezen.
Het CO2MPAS is een door HEVO ontwikkeld model om op strategisch niveau inzichtelijk te maken welke inspanningen nodig zijn voor een gemeente om de klimaatdoelstellingen te behalen. In het model kunnen per schoolgebouw een aantal scenario’s gekozen worden, onder andere renovatie BENG, nieuwbouw ENG of (duurzame) ingrepen. Door meerdere variaties van scenario’s langs elkaar te zetten kunnen de consequenties in relatie tot het klimaatakkoord in beeld worden gebracht.
Als onderligger voor het model zijn van elk schoolgebouw de verbruiksgegevens (elektra en gas), het bouwjaar en het brutovloeroppervlak gebruikt. Daarbij is 2017 als referentiejaar gebruikt.
Dit IHP gaat uit van een doorkijk over 15 jaar (tot circa 2038), daarmee wordt inzichtelijk of de klimaatdoelstellingen van 2030 worden gehaald. In het vorige hoofdstuk zijn de verschillende ‘gebouwmaatregelen’ per locatie benoemd. In de CO2-reductieberekening zijn deze projecten opgenomen en doorgerekend. Hierbij zijn twee varianten doorgerekend, namelijk:
De onderstaande figuren laten zien dat, ongeacht de keuze voor BENG of ENG, voor de geplande projecten er meer gedaan zal moeten worden om de klimaat-doelstellingen van 2050 te behalen.
Om de klimaatdoelstellingen van 2030 te behalen dienen projecten uit latere termijnen naar voren gehaald te worden, ongeacht de keuze BENG of ENG. De variant waarbij projecten ENG uitgevoerd sluiten beter aan bij de klimaatdoelstellingen van 2030 en 2050. Om de doelstellingen van 2050 te behalen dient minimaal ENG het streven te zijn en dienen daarnaast de projecten buiten de scope van dit IHP ook verduurzaamd te worden. Indien er voor BENG wordt gekozen, dan moeten deze projecten vóór 2050 alsnog naar ENG omgezet worden. Dit is een extra investering, wat ook het (integrale) ontwerp niet ten goede komt. De vraag is of het omzetten van BENG naar ENG technisch mogelijk is.
De geschetste opties om de doelstellingen van 2050 te behalen zijn deels ook afhankelijk van wijzigingen in het Bbl. Op dit moment richt het Bbl zich nog op BENG bij nieuwbouw. In de toekomst (mogelijk bij de volgende herijking) verandert dit mogelijk naar ENG. Gemeente en schoolbesturen kunnen ervoor kiezen om voor te sorteren op de mogelijke wijziging in het Bbl en samen te streven naar ENG. Dit streven is tweeledig. Voor schoolbesturen betekent deze extra investering een verlaging van de exploitatiekosten (energieverbruik). De gemeente heeft een voorbeeldfunctie in het verduurzamen van de gebouwde omgeving.
Met inachtneming van het toekomstperspectief bestaat daarnaast de mogelijkheid voor schoolbesturen en gemeente om de onderwijshuisvesting tussentijds te verduurzamen. Deze maatregelen spelen in op de eerdergenoemde ambities, zoals het verlagen van de exploitatiekosten en de voorbeeldfunctie. Daarnaast kan worden voorgesorteerd op het toekomstperspectief renovatie. Dit gaat vooral op wanneer wordt geïnvesteerd in het ‘maximaal’ isoleren van de buitenschil of wanneer de luchtverversing tussentijds vervangen dient te worden. Belangrijke onderlegger daarvoor is het MJOP om daarmee het natuurlijke vervangingsmoment vast te stellen.
In dit hoofdstuk worden de beschreven scenario’s voorzien van een financieel kader. Er wordt eerst ingegaan op het kwaliteitsniveau en de kostenverdeling. Vervolgens wordt de budgetbenadering benoemd en worden de kosten vergeleken met de beschikbare dekkingsmogelijkheden.
Om het kwaliteitsniveau van de schoolgebouwen te verkennen is onderstaande vergelijking gemaakt. Daarbij is gebruik gemaakt van de kostenconfigurator van HEVO (kengetal benadering). Met de benadering kan de koppeling worden gemaakt tussen ambitie en realisme (lees: werkelijke kosten).
Vergoeding VNG-norm: jaarlijks actualiseert de VNG de normvergoeding, de verschillen met de kostenconfigurator kunnen ook jaarlijks verschillen. Dit jaar (prijspeil 1 januari 2024) heeft de VNG de prijsontwikkelingen van het afgelopen jaar grotendeels ingehaald. Vanuit de VNG worden geen kwalitatieve eisen gesteld aan de onderwijshuisvesting.
Zoals vermeld, worden er vanuit de VNG geen kwalitatieve eisen gesteld aan de normbedragen en daarmee aan de onderwijshuisvesting. Binnen de verordening zijn uitsluitend formules opgesteld en worden de bedragen jaarlijks geactualiseerd (advies VNG). Daarbij speelt mee dat de kengetal benadering van HEVO een andere systematiek kent, daardoor lastig te vergelijken is en jaarlijks kan verschillen.
Voor de vergelijking is gekeken naar de totale portefeuille en is een vergelijking gemaakt met de VNG-normbedragen middels de kostenconfigurator (beide prijspeil 1 januari 2024).
Daarmee kan onderstaand kwaliteitsniveau benaderd worden:
Dit kwaliteitsniveau past niet bij de beleidsambitie van dit IHP en voldoet niet aan de klimaatdoelstellingen.
Met de schoolbesturen en de gemeente Eersel is verkend wat wordt verstaan onder de verschillende niveaus en is benoemd wat passend is ten aanzien van het beoogde beleid voor de onderwijshuisvesting en daarmee voor de leer- en werkomgeving van het kind en de docenten. Daarin is benoemd dat de uitgangspunten verder gaan dan het wettelijk verplichte kwaliteitsniveau. De argumentatie daarvoor is als volgt:
Aansluitend op de visie en ambitie is benoemd welke eisen ten aanzien van het Programma Frisse Scholen hoger zijn. Gezonde onderwijshuisvesting van kinderen en docenten dient een randvoorwaarde te zijn voor een goed schoolgebouw. Tevens verhoogt dit de leerprestaties en leidt dit tot minder ziekteverzuim bij kinderen en docenten.
Onderdelen van de omschreven kwaliteitsambities komen eveneens ten goede aan de geformuleerde visie en integrale definitie van duurzaamheid: gezonde, exploitabele en toekomstbestendige schoolgebouwen. Schoolgebouwen waarin verschillende onderwijsvisies een plek kunnen krijgen, die aanpasbaar zijn naar de toekomst en waar een comfortabele ontwikkelomgeving verzekerd is.
Op basis van deze argumentatie is er gezocht naar de IHP-kwaliteitsambitie voor de gemeente Eersel. De IHP-kwaliteit past bij de gestelde ambitie en het niveau dat nagestreefd wordt. Bij nieuwbouw van een schoolgebouw worden de volgende gezamenlijke ambities nagestreefd:
Naast de gezamenlijke ambities kunnen er ook ambities vanuit het schoolbestuur of de gemeente zijn. Deze ambities zorgen voor verhoging van de kosten. Denk aan:
Per project wordt verkend wat het kwaliteitsniveau gaat zijn, waarbij minimaal wordt uitgegaan van ‘IHP-kwaliteit’. Extra toevoegingen kunnen door schoolbesturen of gemeente overwogen worden, inclusief de benodigde investering.
6.1.5 Kostenkengetal per gebouwmaatregel
De bepaling van de kwaliteitsambitie leidt tot indicatieve stichtingskosten per m² brutovloeroppervlakte (bvo)3. De kostenkengetallen zijn berekend via de HEVO kostenconfigurator. De kosten zijn per m² bepaald op prijspeil 1 januari 2024 inclusief btw . Dit kostenkengetal is - in opbouw en benadering - gelijk aan de normbekostiging volgens de VNG. In de tabellen (figuren 6.2, 6.3 en 6.4) is toegewerkt naar een kengetal voor nieuwbouw op basis van de kostenconfigurator, waarbij onderscheid is gemaakt naar PO, VO en (V)SO. In bijlage 2 is de volledige benadering opgenomen.
Door het kostenkengetal te vermenigvuldigen met de benodigde vierkante meters bvo voor onderwijs, worden de stichtingskosten bepaald.
Figuren 6.2 t/m 6.3 kengetallen voor nieuwbouw op basis van de kostenconfigurator PO, VO en (V)SO 2 Op basis van de huidige inzichten is er géén rekening gehouden met een marktwerking of regiotoeslag.
Kostenkengetal overige gebouwmaatregelen
In de voorgaande tabellen is toegewerkt naar een kengetal voor nieuwbouw op basis van de kostenconfigurator. In dit IHP is ook toegewerkt naar kengetallen voor de andere gebouwmaatregelen. In bijlage 3 zijn deze overige kostenkengetallen verantwoord.
6.2.2 Stichtingskosten incl. doorkijk
Door het kostenkengetal IHP-kwaliteit te vermenigvuldigen met de ruimtebehoefte worden de stichtingskosten per locatie verkregen. Onderstaand de uitgangspunten voor de stichtingskosten onderwijs en bewegingsonderwijs:
Voor Rythovius (termijn 1) is een afweging gemaakt in het haalbaarheidsonderzoek (advies nieuwbouw). In het IHP is rekening gehouden met nieuwbouw voor het onderwijs. Voor de gymzalen van het Rythovius wordt rekening gehouden met renovatie van 2 gymzalen en behoud van de overige gymzalen, daarbij zijn de VNG-normbedragen gehanteerd.
In onderstaande tabel is samengevat wat de stichtingskosten zijn voor onderwijs en het bewegingsonderwijs per termijn, met onderscheid naar VNG norm en de toeslagen voor IHP Kwaliteit. Daarbij is uitgegaan van de onderstaande termijnen:
Met de eerder genoemde argumenten in paragraaf 6.1.3 ‘IHP Kwaliteit’ is benoemd waarom gemeente en schoolbesturen dit kwaliteitsniveau willen nastreven. Met dit kwaliteitsniveau worden desinvesteringen in de toekomst voorkomen. De genoemde toeslagen betreft deels een integraal pakket. Zo nemen de kosten voor Frisse Scholen toe wanneer ENG niet worden gekozen en andersom. Op de portefeuille niveau is het verschil tussen de VNG normbedragen en IHP Kwaliteit benaderd op ca. 10%. In de doorrekening van figuur 6.6 is dit % niet terug te herleiden en kan per project verschillen. Dit komt mede doordat de VNG normbedragen en de kostenconfigurator (lees: kengetal benadering voor IHP Kwaliteit) een andere rekensystematiek kennen. Daarnaast is de benadering van de VNG normbedragen niet gebaseerd op een kwaliteitsniveau. Met de jaarlijkse indexering speelt de VNG deels in op de prijsstijgingen in de bouw, echter blijft de vergelijking met de kostenconfirgurator lastig.
Onderstaand de uitgangspunten voor de indicatieve kosten die voor termijn 1 zijn verkend, waarbij onderscheid is gemaakt in algemene en project specifieke kosten. Onderstaand de algemene kosten.
Onderstaand de kosten die zijn opgenomen voor de project specifieke kosten van het Rythovius en Nieuwe schoolgebouw (termijn 1):
Beperkte kosten voor parkeren voor Rythovius. Er wordt uitgegaan van huidige aantallen op het eigen terrein, mogelijke wel enkele aanpassingen tijdens de bouw, o.a. locatie invalideparkeerplaats. Voor het Nieuwe schoolgebouw is gerekend met een stelpost voor o.a. parkeervoorzieningen en infrastructurele aanpassingen.
De tijdelijke huisvesting van Rythovius is mede afhankelijk van de definitieve locatie, vooralsnog zien gemeente en schoolbestuur mogelijkheden om deze kosten te beperken. Wel zijn er faseringskosten, denk aan afsluiten installaties en bouwkundige werken en bouwrouting. Het Nieuwe schoolgebouw maakt gebruik de bestaande huisvesting en de tijdelijke huisvesting in figuur 6.7.
Aspecten waar nu geen zicht op is (lees: onvoorzien) en daarmee geen kosten voor zijn opgenomen:
Daarbij wordt rekening gehouden met de geldende rente/ afschrijvingstermijn, de resterende boekwaarde en een jaarlijkse indexering van de bouwkosten.
Het IHP 2024-2038 is doorgerekend op basis het prijspeil 2024. In de begroting worden deze investeringen jaarlijks geraamd op basis van het prijspeil van het begrotingsjaar. De kredieten worden op basis van het IHP beschikbaar gesteld waarbij geïndexeerd wordt naar actuele jaar. Het jaar van beschikbaarstelling is leidend voor de vergoeding aan het schoolbestuur. Indexering van de normbedragen vindt plaats op basis van de VNG-normvergoeding. Voor de overige vergoedingen wordt de prijsindexering uit de begroting gehanteerd.
Voor de kinderdagopvang zijn geen kapitaallasten opgenomen, het uitgangspunt is dat de dekking van de kinderopvang wordt ondervangen met een huurcontract.
6.4.2 Voorbereidingskrediet termijn 2
Met in achtneming van de groei van de gemeente (lees: capaciteitstekorten o.b.v. huidige prognose en schaalsprong) is het wenselijk om vooruit te blijven kijken naar de onderwijslocaties die in termijn 2 gepland staan. Voor deze locaties is afgesproken dat schoolbesturen (in termijn 1) onderzoek doen naar de afweging Renovatie/Nieuwbouw en daarnaast verkennen op welke wijze de capaciteitstekorten opgelost kunnen worden. Dit geldt voor de volgende locaties: De Groote Aard, Sint Jan en Sinte Lucij. In het voorbereidingskrediet zijn advieskosten opgenomen voor het haalbaarheidsonderzoek en de ontwerpkosten.
6.5.1 Investeringen door gemeente
Zoals verwoord in hoofdstuk 2 zijn gemeenten verantwoordelijk voor nieuwbouw en uitbreiding van scholen. Dit moeten zij bekostigen uit de bijdrage die zij ontvangen uit het gemeentefonds. De middelen zijn niet geoormerkt. Vanuit de VNG wordt geadviseerd welk normbedrag gekoppeld kan worden aan de benodigde voorziening. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd en stelt geen eisen aan het kwaliteitsniveau.
Schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het onderhoud en de exploitatie van onderwijshuisvesting. Als verantwoordelijke hiervoor en als gebruiker van de schoolgebouwen zijn schoolbesturen gebaat bij de kwaliteitsambitie. Voor het leveren van een bijdrage kunnen schoolbesturen gebruik maken van de vergoeding voor materiële instandhouding die zij ontvangen van het rijk (lumpsum vergoeding). Een deel van de kwaliteitsambitie kan bijvoorbeeld gefinancierd worden vanuit een besparing op onderhoud aan het bestaande gebouw voorafgaand aan een nieuwbouwopgave (besparing op investeringen in het lopende MJOP) of door duurzame keuzes te maken in het ontwerp (besparen in de exploitatie). Voor de eerste vorm dienen tijdig afspraken gemaakt te worden over de teruglevering van het gebouw aan de gemeente, en welke conditiescores acceptabel zijn. Het is mogelijk dat de bijdrage per m² bvo bij aanvang van de investering in één keer wordt ingebracht alsook dat het bedrag kan worden teruggestort vanuit de exploitatie.
De schoolbesturen geven aan dat zij voorzichtig zijn in het toezeggen van bijdragen aan Total Cost of Ownership (TCO). Daarvoor zijn de volgende argumenten benoemd:
Door de schoolbesturen is een notitie opgesteld waarin de bereidheid tot een bijdrage nader staat uitgeschreven. Alle schoolbesturen hebben de intentie om bij te dragen aan de kwaliteit van onderwijshuisvesting. De geldende wet- en regelgeving geeft die ruimte echter niet of slechts beperkt. Schoolbesturen kunnen uitsluitend investeren in exploitatie verlagende maatregelen welke binnen een redelijk termijn worden terugverdiend. Hierop wordt toegezien door de accountant.
Het investeringsverbod binnen het PO is niet van toepassing binnen het VO en daarmee heeft het schoolbestuur van het Rythovius (lees: OMO) meer mogelijkheden. Met OMO is een verkenning gedaan welke bijdrage geleverd kan worden. Het voorstel is om minimaal bij te dragen aan de stap van BENG naar ENG.
Taakstelling vanuit schoolbesturen
Schoolbesturen zijn bereid om bij te dragen aan de totale kwaliteit. De exacte hoogte van de bijdragen van de schoolbesturen aan de totale kwaliteit wordt nader bepaald bij de totstandkoming van de haalbaarheidsonderzoeken. Gemeente en schoolbesturen zijn overeengekomen de kansen voor TCO op projectniveau nader te willen onderzoeken en vast te willen leggen.
6.5.3 Investeringen door opvang en andere partners
Bij nieuwbouw kan de onderwijshuisvesting worden aangevuld met niet-onderwijs-functies die bijdragen aan de doelstellingen van onderwijs . Deze aanvullende functies dienen ook te worden gefinancierd. De gemeente heeft aangegeven dat de kinderopvang - in basis - door de gemeente gefinancierd dient te worden. De financiering van de overige partners zal onderdeel worden van de eerdergenoemde haalbaarheidsonderzoeken.
Indien commerciële partners onderdeel worden van de nieuwbouw én de gemeente draagt zorg voor de financiering van het betreffende bouwdeel, dan wordt uitgegaan van een marktconforme huur (conform de Wet Markt en Overheid). Voor de niet- commerciële partners wordt uitgegaan van een kostendekkende huur (medegebruik). Bij een marktconforme huur zijn er twee mogelijkheden. De gemeente kan het huurcontract met de kinderopvangorganisatie aangaan of de verhuur wordt via het schoolbestuur georganiseerd. Wanneer de gemeente het huurcontract aangaat is het Didam-arrest van toepassing. Het Didam-arrest zegt dat de gemeente beschikbare ruimtes algemeen moet publiceren. Het is wenselijk dat elke school (schoolbestuur) op inhoudelijke gronden een keuze maakt voor een aanbieder van kinderopvang.
Bij nieuwbouw, renovatie of uitbreiding van een schoolgebouw wordt een intentieverklaring opgesteld tussen gemeente, school en kindpartner waarin de samenwerkingsintenties worden vastgelegd.
Taakstelling vanuit ketenpartners
Afhankelijk van de behoefte van de school of gemeente wordt gestreefd naar een samenwerking met een kinderopvangorganisatie en eventueel andere maatschappelijke en/of ketenpartners. Indien ketenpartners onderdeel worden van het project, dan vraagt dit om aanvullende investeringen, waar dekking tegenover moet staan. Voor kinderopvang wordt uitgegaan van een langdurig huurcontract.
Er is nog geen rekening gehouden met subsidieregelingen zoals SUVIS, DUMAVA, groen schoolplein etc. Per project wordt verkend welke mogelijkheden er zijn en of men daarvoor in aanmerking komt. Indien dit het geval is, kan gesteld worden dat dit ten gunste komt van het totale IHP-budget en de fasering (snelheid).
Bij het uitvoeren van het IHP dient rekening gehouden te worden met enkele procesafspraken en randvoorwaarden.
De verankering van het IHP kan verdeeld worden over het strategisch, tactisch en operationeel niveau. Dit IHP is daarin het strategisch kader.
Na vaststelling van het IHP wordt de uitvoeringsplanning jaarlijks in het OOGO en het College van B&W gemonitord. Het monitoren is onderdeel van het tactisch niveau. Op dit niveau worden tevens afspraken gemaakt over het proces en de organisatie. De uitvoering van de projecten is onderdeel van het operationeel niveau. Voorafgaand aan ieder project worden de projectuitgangspunten vastgesteld op basis van een haalbaarheidsonderzoek.
Het IHP fungeert als beleidskader voor de uitgaven aan onderwijshuisvesting en daarmee als toetsingskader voor het opstarten van de projecten en eventuele tijdelijke voorzieningen.
Voor het IHP zal de verordening naast het IHP blijven bestaan om, in geval van calamiteiten, voorzieningen die op grond van nieuwe wet- en regelgeving in de eerste periode noodzakelijk zijn, uit te kunnen voeren.
Het IHP inclusief de financiële doorrekening wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Daarmee wordt het budget voor termijn 1 vastgesteld, wordt de doorkijk inzichtelijk gemaakt (zie figuur 6.2) en wordt het financiële kader onderdeel van de begrotings1261cyclus.
Met het vaststellen van het IHP wordt tevens het uitvoeringsprogramma voor de komende 4 jaar bindende afspraken zijn gemaakt tussen gemeente en schoolbesturen in afwijking op verordening. Hiermee vervalt de aanvraagprocedure conform de verordening. Met het uitvoeringsprogramma kan het College van B&W de beschikkingen afgeven. De voortgang van het uitvoeringsprogramma wordt gemonitord en vastgesteld in het OOGO, waarbij de betreffende kinderopvangorganisatie ook wordt uitgenodigd.
De onderwijslocaties zijn beperkt van omvang en daarmee is met name gekeken naar het structureel faciliteren van onderwijs en opvang. Dat betekent niet dat er geen mogelijkheden zijn om het volgtijdelijk gebruik van de school te stimuleren. Met inachtneming van de afspraken rondom verhuur en medegebruik worden alle contracten van de bestaande locaties herzien.
Op operationeel niveau worden per gedefinieerd project een aantal acties uitgevoerd en keuzes gemaakt. Allereerst dienen bij aanvang van een project de projectkaders geactualiseerd te worden. Dit kan door middel van een haalbaarheidsonderzoek.
Conform de verordening worden vervolgens op operationeel niveau afspraken gemaakt over onder andere het bouwheerschap, mogelijke partners en budgetverdeling (onder andere onderwijs, opvang en eventueel derden). Deze afspraken worden met elkaar vastgelegd in een notitie of overeenkomst.
Door vaststelling van het IHP krijgen gemeente, schoolbesturen en andere gebruikers zicht op de vervangingstermijnen van hun gebouwen. Dit stelt school-besturen in staat om vanuit hun verantwoordelijkheid voor onderhoud en exploitatie op een onderbouwde wijze te investeren in duurzaamheid. Daarbij kan met name worden ingezet op duurzaamheidsmaatregelen waar bij de terugverdientijden de vervangingstermijn niet wordt overschreden. Zo gaan investeringen in duurzaamheid niet ten koste van middelen voor onderwijs en worden desinvesteringen voorkomen. De tussentijdse verduurzaming als onderdeel van het onderhoud van schoolgebouwen is een taak van de schoolbesturen. Dit kan worden verwerkt in de duurzame meerjarenonderhoudsplannen (DMJOP’s) van de gebouwen.
7.5. Wijzigingen wet- en regelgeving
Dit IHP is opgesteld onder de wet- en regelgeving zoals deze geldt op het moment van opstellen daarvan. Echter, wet- en regelgeving is onderhavig aan voortschrijdend inzicht, zo ook de wetgeving met betrekking tot het onderwijshuisvestingsstelsel en kinderopvangstelsel. Bij (substantiële) wijzigingen van de benoemde stelsels, de Algemene Uitkeringen van het gemeentefonds, de wijze van bepalen van normbedragen, wijzigingen ten aanzien van Bbl, energieakkoorden of enig andere substantiële ontwikkeling, kan het nodig zijn om dit IHP (op onderdelen) aan te passen aan de dan geldende realiteit en mogelijkheden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-314874.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.