Gemeenteblad van Horst aan de Maas
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Horst aan de Maas | Gemeenteblad 2025, 312668 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Horst aan de Maas | Gemeenteblad 2025, 312668 | beleidsregel |
Beleidsregel beoordeling slecht levensgedrag Horst aan de Maas 2025
De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas,
dat de burgemeester bevoegd is te beslissen op aanvragen voor een exploitatievergunning voor openbare inrichtingen, speelautomatenhallen, het uitoefenen van een bedrijf in aangewezen gebouwen of gebieden of aangewezen bedrijfsmatige activiteiten, seksinrichtingen, evenementenvergunningen, alcoholwetvergunningen, ontheffingen artikel 35 Alcoholwet, vergunningen voor het aanwezig hebben van kansspelautomaten;
dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is te beslissen op aanvragen voor een exploitatievergunning voor de huisvesting van arbeidsmigranten, vaste standplaatsen, incidentele standplaatsen, maatschappelijke standplaatsen, tijdelijke seizoenstandplaatsen en standplaatsen op de weekmarkt;
dat het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester de bevoegdheid hebben om de aanvraag om bovengenoemde vergunning te weigeren of een verleende vergunning in te trekken als de persoon van de aanvrager, vergunninghouder, exploitant, leidinggevende, of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
Deze beleidsnotitie beschrijft de invulling die de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders geven aan het begrip ‘levensgedrag’ zoals opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente Horst aan de Maas (hierna: APV OOV), Beleidsregels standplaatsen gemeente Horst aan de Maas (hierna: Standplaatsenbeleid), de Marktverordening Horst aan de Maas 2025 (hierna: Marktverordening), de Alcoholwet, de Wet op de kansspelen en het Speelautomatenbesluit 2000.
Vergunninghouders, exploitanten en leidinggevenden van alcohol schenkende horecabedrijven en slijterijen mogen op grond van de Alcoholwet in geen enkel opzicht van slecht levensgedrag zijn.1 Ook diegene onder wiens onmiddellijke leiding de verstrekking van alcohol geschiedt in het kader van een ontheffing artikel 35 Alcoholwet mag in geen enkel opzicht van slecht levensgedrag zijn.2 De eisen van zedelijk gedrag van vergunninghouders, exploitanten en leidinggevenden van alcohol schenkende horecabedrijven en slijterijen zijn uitgewerkt in hoofdstuk 3 van het Alcoholbesluit.
Op grond van de APV, het Standplaatsenbeleid, de Marktverordening, de Wet op de kansspelen en het Speelautomatenbesluit 2000 geldt hetzelfde voor de:
In deze beleidsregel worden bovengenoemde rollen voor het gemak aangeduid als “exploitanten en leidinggevenden”.
Exploitanten en leidinggevenden hebben een bijzondere verantwoordelijkheid. Het exploiteren van de hierboven genoemde ondernemingen, huisvestingslocaties, evenementen, of beter gezegd, het niet verantwoord exploiteren ervan, kan tot een verstoring van de openbare orde leiden of het omliggende woon- en leefklimaat nadelig beïnvloeden.
De levensgedragtoets is een noodzakelijke preventieve toets om de risico’s op inbreuken op de openbare orde en veiligheid en een goed woon- en leefklimaat te beperken. Slecht levensgedrag is een grond om de vergunning te weigeren of in te trekken of om een aspirant leidinggevende en/of beheerder niet bij te schrijven op de vergunning.5
Op grond van jurisprudentie beschikken de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders over beoordelingsruimte bij de invulling van het ‘slechtlevensgedrag-criterium’. Deze beoordelingsruimte is niet in strijd met (artikel 10 van) de Dienstenrichtlijn, mits voldaan wordt aan een aantal randvoorwaarden. De randvoorwaarden zijn verder uitgeschreven in deze beleidsregel. De bedoeling van deze beleidsregel is om meer duidelijkheid te geven over de term slecht levensgedrag voor de verschillende vergunningen en ontheffing artikel 35 Alcoholwet die de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders kunnen verlenen.
Bij het beoordelen van het ‘levensgedrag’ wordt gekeken naar uiteenlopende feiten en omstandigheden die iets zeggen over het gedrag van de betrokkene. Er moet voldoende vertrouwen kunnen worden gesteld in exploitanten en leidinggevenden. Bij de beoordeling wordt vooral gekeken naar strafbare feiten, maar bijvoorbeeld ook liegen over feiten die relevant zijn voor de beoordeling van het levensgedrag is relevant voor de beoordeling.
De beoordelingen die worden gemaakt in het kader van het criterium ‘levensgedrag’ vinden plaats aan de hand van diverse informatiebronnen. De beoordelingen zijn onder andere afhankelijk van het type zaak en de omgeving van de zaak. In de verschillende vergunningstelsels kunnen accenten verschillen. Deze beleidsregels zijn van toepassing op alle vergunnings- en ontheffingsprocedures waarbij het levensgedrag als weigerings- of intrekkingsgrond geldt.
Het doel van deze beleidsnotitie is om meer inzicht te geven in de wijze waarop de levensgedragtoets plaatsvindt. Omdat het bij het beoordelen van het ‘levensgedrag’ gaat om maatwerk, kan rekening worden gehouden met het betrekken van andere feiten en omstandigheden die niet specifiek zijn benoemd in deze beleidsregel, maar die wel relevant kunnen zijn voor de belangen die de Alcoholwet, APV, Standplaatsenbeleid, Marktverordening, de Wet op de kansspelen en het Speelautomatenbesluit 2000 beogen te behartigen.
Hoofdstuk 2: Relevante gegevens
Om het levensgedrag te toetsen worden diverse gegevens, in samenhang, gewogen. Hieronder volgt een niet-limitatieve opsomming van de belangrijkste informatiebronnen:
Bij de levensgedrag toets worden altijd open bronnen, de politie en het Justitieel Documentatie Systeem geraadpleegd. Andere informatiebronnen, met uitzondering van eigen handhavings-gegevens, worden niet standaard geraadpleegd voor het beoordelen van het levensgedrag. Indien noodzakelijk voor de beoordeling kan via het Regionaal Informatie en Expertise Centrum informatie worden uitgewisseld met o.a. de Nederlandse Arbeidsinspectie, de Belastingdienst, de Douane en de IND.
Hoofdstuk 3: Beoordeling levensgedrag
Exploitanten en leidinggevenden hebben een belangrijke rol als het gaat om het woon- en leefklimaat in de omgeving van de onderneming, huisvestingslocatie of evenement en ook als het gaat om de openbare orde en veiligheid. Ze spelen een belangrijke rol in het creëren van een rustige en veilige omgeving en hebben hierin een voorbeeldfunctie:
Geen standaard criteria bij toetsing
Wanneer precies sprake is van slecht levensgedrag, dusdanig dat dit van invloed is op het exploiteren van de onderneming, huisvestingslocatie of evenement is niet concreet te benoemen. Vanwege de diversiteit in (strafbare) feiten die hierbij een rol kunnen spelen, zijn hier geen standaard criteria voor op te stellen. In sommige gevallen is één gedraging voldoende om slecht levensgedrag aan te nemen. In andere gevallen zijn het meerdere gedragingen die op zichzelf staand onvoldoende zijn, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot het oordeel dat sprake is van slecht levensgedrag. Of er sprake is van slecht levensgedrag dat moet leiden tot het weigeren of intrekken van de vergunning of ontheffing wordt daarom per individueel geval bepaald.
Elke beoordeling is maatwerk; alle feiten en omstandigheden worden in onderlinge samenhang en in relatie met de vergunning gewogen. De beoordeling is afhankelijk van verschillende factoren, zoals het aantal relevante feiten, een patroon van deze feiten, wanneer de feiten zijn gepleegd, het type feiten, een combinatie van feiten, de omstandigheden rondom het feit, de hoogte van de strafmaat, of goed wordt meegewerkt aan toezicht en de houding daarbij van exploitanten en leidinggevenden.
De toetsing vindt plaats bij de vergunningaanvraag en bij een bijschrijving of wijziging van exploitanten en leidinggevenden. Ook gedurende de looptijd van een vergunning kan er aanleiding zijn om het levensgedrag opnieuw te beoordelen. Bijvoorbeeld als er sprake is van nieuwe (strafbare) feiten, feiten en omstandigheden die op een later moment bekend worden of naar aanleiding van signalen over de onderneming, huisvestingslocatie of evenement. Dit kan ook naar aanleiding van signalen over een andere onderneming, huisvestingslocatie of evenement van dezelfde exploitant en/of leidinggevende.
Voor een beter begrip hoe de toetsing wordt uitgevoerd, wordt hierna een aantal richtlijnen en uitgangspunten geformuleerd. Paragraaf 3.3 beschrijft de levensgedragtoets voor openbare inrichtingen en paragraaf 3.5 beschrijft de levensgedragtoets in het kader van de overige exploitatievormen uit de APV, Marktverordening, Wet op de Kansspelen en het Speelautomatenbesluit.
Bij het beoordelen van iemands levensgedrag worden ook feiten en omstandigheden meegewogen die niet in of in de directe omgeving van de onderneming, huisvestingslocatie of evenement plaatsvinden. Deze informatie kan inzicht geven in het gedrag en de houding van de persoon en kan relevant zijn voor de beoordeling van het levensgedrag.6 Het gedrag van de exploitant of leidinggevende kan een indicatie zijn van hun vermogen om de regels en voorschriften na te leven bij een alcoholschenkende openbare inrichting.
De beoordeling van de vraag of iemand van slecht levensgedrag is, beperkt zich niet tot dezelfde feiten en gedragingen die bij de toetsing van Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) in ogenschouw worden genomen. Een VOG vormt een aanknopingspunt voor de veronderstelling dat een aanvrager over de vereiste eigenschappen en kwaliteiten beschikt. Dit neemt echter niet weg dat het bestuursorgaan op grond van de Alcoholwet, de APV OOV, het Standplaatsenbeleid, de Marktverordening, de Wet op de kansspelen en het Speelautomatenbesluit 2000 een zelfstandige bevoegdheid heeft in de beoordeling van het levensgedrag.
Feiten die zijn geseponeerd wegens bijvoorbeeld onvoldoende bewijs/gering feit/medeschuld benadeelde worden in beginsel niet meegewogen. Informatie uit de betreffende zaak over het gedrag van betrokkene kan echter wel worden meegenomen in de beoordeling. Een exploitant kan bijvoorbeeld zijn vrijgesproken voor een geweldsdelict, maar het feitencomplex kan informatie bevatten over de houding en het gedrag van de exploitant die relevant is voor de toets aan het woon- en leefklimaat. Het geweldsdelict zal niet worden meegenomen in de beoordeling, maar relevante informatie over de houding en het gedrag van de exploitant wel. Een dergelijk feitencomplex zal geen opzichzelfstaande weigeringsgrond opleveren.
3.3 Openbare inrichtingen (o.a. horeca, logies, rookwaren of spijzen)
Op grond van artikel 8 lid 1 sub b van de Alcoholwet en artikel 2.9, 2.12 en 2.13 van de APV OOV mag een vergunninghouder, exploitant of leidinggevende niet van slecht levensgedrag zijn. Ook diegene onder wiens onmiddellijke leiding de verstrekking van alcohol geschiedt in het kader van een ontheffing artikel 35 Alcoholwet mag in geen enkel opzicht van slecht levensgedrag zijn.
Bij de levensgedragtoets zijn met name strafrechtelijke gegevens relevant, maar ook andere feiten en omstandigheden die iets zeggen over het gedrag van betrokkenen kunnen relevant zijn. Bij beantwoording van de vraag of sprake is van slecht levensgedrag heeft de burgemeester beoordelingsruimte.
Naast de vrije beoordelingsruimte zijn er ook imperatieve weigeringsgronden voor de alcoholschenkende horecabedrijven en slijtersbedrijven. Op grond van artikel 8 lid 2 van de Alcoholwet moeten exploitanten en leidinggevenden voldoen aan de eisen zoals gesteld in het Alcoholbesluit (hoofdstuk 3). Indien de aanvrager zich schuldig heeft gemaakt aan de in het Alcoholbesluit omschreven feiten, komt de aanvrager niet in aanmerking voor een alcoholvergunning of wordt de verleende vergunning ingetrokken. Zo geldt bijvoorbeeld dat een leidinggevende binnen de laatste vijf jaar geen leidinggevende geweest mag zijn van een inrichting waarvan de vergunning is ingetrokken op grond van artikel 31 lid 1 sub c van de Alcoholwet of die voor ten minste een maand is gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet of van artikel 174 Gemeentewet of van een op grond van artikel 149 van de Gemeentewet vastgestelde verordening, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Voor de alcoholvrije horecabedrijven geldt echter dat dit geen imperatieve weigeringsgronden zijn. Ondanks dat wordt op basis van het beleid hier nog steeds zwaar gewicht aan toegekend.
De feiten en omstandigheden die worden meegewogen in het oordeel over het levensgedrag moeten relevant zijn voor de exploitatie van een openbare inrichting. Die feiten en omstandigheden moeten verband houden met de vraag of de openbare inrichting kan worden geëxploiteerd op een manier die geen gevaar oplevert voor de veiligheid, de openbare orde en het woon- en leefklimaat.
De aard van de zaak is van belang bij de afweging van (strafbare) overtredingen. In het geval van alcoholschenkende horecabedrijven en slijtersbedrijven wordt een grotere nadruk gelegd op alcoholgerelateerde overtredingen in vergelijking met alcoholvrije horecabedrijven. Bij alcoholschenkende horecabedrijven en slijtersbedrijven wegen overtredingen zoals rijden onder invloed van alcohol en openbaar dronkenschap in beginsel zwaar mee in de beoordeling. De exploitanten en leidinggevenden hebben een voorbeeldfunctie en zijn verantwoordelijk voor hun bezoekers. Zij dienen hun verantwoordelijkheid naar de bezoekers te tonen en hen bijvoorbeeld, indien dit noodzakelijk is, ervan te weerhouden alcohol en/of drugs in te nemen.
Levensgedrag waarvan geen weerslag te verwachten is op het woon- en leefklimaat, de openbare orde of de veiligheid, kan geen grond zijn voor weigering of intrekking van een vergunning.
3.4 Beoordelingsaspecten openbare inrichtingen
Bij de beoordeling van exploitanten en leidinggevenden van openbare inrichtingen worden de onderstaande punten in ogenschouw genomen:
Wat voor type zaak betreft het?
Een lunchroom, shishalounge of fastfoodrestaurant zijn verschillend van karakter/aard en trekken overwegend een ander publiek aan. Ze brengen daarom verschillende risico’s en verantwoordelijkheden voor de exploitant en leidinggevende met zich mee.
In welke periode zijn de feiten gepleegd?
Op grond van hoofdstuk 3 van het Alcoholbesluit mag ten aanzien van de gestelde eisen van het zedelijk gedrag niet verder worden teruggekeken dan 5 jaar. Het zou namelijk onredelijk kunnen zijn om iemand ieder klein incident tegen te werpen dat langer dan 5 jaar geleden is gebeurd. Op die manier ontneem je diegene een tweede kans. Het is mede afhankelijk van de zwaarte van het incident en een eventueel patroon van incidenten, hoelang deze nog wordt meegewogen. Dit geldt alleen bij vergunninghouders, exploitanten en leidinggevenden van alcohol schenkende horecabedrijven en slijterijen.
Voor de overige vergunningen die aangehaald zijn in deze beleidsregel wordt in principe bij de beoordeling van slecht levensgedrag tot 10 jaar teruggekeken. Maar incidenten van de laatste 5 jaar tellen zwaarder mee dan incidenten van langer dan 5 jaar geleden. Wanneer meerdere feiten en gedragingen naar voren komen, zijn het tijdsbestek waarbinnen deze zijn gepleegd, de aard en de omvang van de feiten en gedragingen en de tijd die inmiddels is verstreken, van belang. Ook het patroon van feiten gedurende een langere termijn kan van belang zijn, omdat daaruit het beeld kan ontstaan dat men het niet nauw neemt met het naleven van wet- en regelgeving.
Richtlijn: er wordt tot 10 jaar teruggekeken. Recentere feiten (<5 jaar) wegen zwaarder dan oudere feiten (>5 jaar). Bij meerdere feiten wordt gekeken naar het tijdsbestek en naar een mogelijk patroon. Bij een patroon van antecedenten, waarbij het vermoeden bestaat van een "criminele carrière" zal bij de beoordeling langer dan 10 jaar worden teruggekeken.
Hebben er de afgelopen 10 jaar geen feiten voorgedaan die relevant zijn voor de levensgedragtoets, dan zal de vergunning niet worden geweigerd of ingetrokken op grond van slecht levensgedrag.
Bij de berekening van de periode van 10 jaar gelden de volgende uitgangspunten:
Voor de berekening van de laatste 10 jaar telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis is ondergaan niet mee.7
Wat voor type feiten betreft het?
In bijlage I staat een overzicht van de meest belangrijke feiten die meewegen in de levensgedragtoets. Bij het beoordelen van het type feiten wordt gekeken naar de ernst van het feit en de belangen die de strafbaarstelling/handhaving van het feit beoogt te beschermen.
Bij de levensgedragtoets gaat het om gedragingen die naar hun aard en ernst de vrees rechtvaardigen dat de aanwezigheid van de exploitant/leidinggevende als verantwoordelijke voor de exploitatie het woon- en leefklimaat in de omgeving van het bedrijf, de openbare orde of de veiligheid nadelig beïnvloedt. Ook wordt rekening gehouden met gedragingen die op zichzelf niet als ernstig kunnen worden beschouwd, maar die in samenhang met andere gedragingen een bepaald gedragspatroon opleveren. Het gaat dan om een patroon waaruit blijkt dat de betrokkene de voor hem geldende regels niet naleeft, zodat ook dan de vrees voor een negatieve beïnvloeding van het woon- en leefklimaat en/of de openbare orde en de veiligheid bestaat.
Zijn de feiten aan de zaak te relateren?
Het is niet vereist dat de feiten aan een horeca inrichting te relateren zijn. Als dit wel het geval is, kan dit zwaar meewegen. Denk bijvoorbeeld aan een leidinggevende die tijdens de uitoefening van zijn functie betrokken is geraakt bij geweldsincidenten of een leidinggevende die onder invloed van alcohol en/of drugs verkeert tijdens de uitoefening van zijn functie.
Is er een straf of een maatregel opgelegd en hoe hoog is deze straf of maatregel? Ook transacties en beschikkingen tellen mee. Het is niet vereist dat er een straf is opgelegd om een feit mee te kunnen nemen in de beoordeling van het levensgedrag.
Leeftijd op pleegdatum en huidige leeftijd van betrokkene
Ook (strafbare) feiten gepleegd als minderjarige worden bij de beoordeling betrokken. Bij de beoordeling speelt de leeftijd waarop het feit is gepleegd, de ernst van het feit en de ontwikkeling op latere leeftijd een rol.
3.5 De levensgedragtoets bij andere exploitatievormen
Behalve voor openbare inrichtingen kent de APV nog meer exploitaties waarbij het levensgedrag een criterium is voor vergunningverlening. Het betreft de volgende exploitaties:
Hierbij gelden dezelfde uitgangspunten als omschreven in paragraaf 3.3 en 3.4 over openbare inrichtingen. Wel kunnen accenten in de beoordeling verschillen. De aard van de zaak is relevant voor het wegen van (strafbare) feiten. Zo zijn bijvoorbeeld bij speelgelegenheden feiten rondom illegaal gokken extra relevant. Hieronder volgt voor vier van de hierboven genoemde exploitaties een nadere toelichting.
De levensgedragtoets kan toegepast worden bij evenementen, waarvoor een vergunningplicht geldt. De levensgedragtoets wordt in ieder geval toegepast bij aanvragen voor meerjarige evenementenvergunningen en bij een aanvraag voor een vergunning zoals bedoeld in artikel 2:5 lid 2 sub f van de APV OOV (een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s). Hiermee geven we inhoud aan de oproep van de Nederlandse Vechtsportautoriteit van oktober 2017 en handelen we volgens de landelijke ‘Handreiking vechtsportgala’s’. Ook als er signalen zijn die aanleiding geven tot een nader onderzoek passen we de levensgedragtoets toe.
3.5.2 Ontheffing artikel 35 Alcoholwet
Meestal is de aanvraag voor een evenementenvergunning gekoppeld aan de aanvraag voor een ontheffing artikel 35 van de Alcoholwet. De levensgedragtoets bij de ontheffing artikel 35 van de Alcoholwet wordt in ieder geval toegepast bij een aanvraag voor een vergunning voor een evenement als bedoeld in artikel 2:5 lid 2 sub f van de APV OOV (een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s). De levensgedragtoets kan worden uitgevoerd bij overige aanvragen voor overige ontheffingen artikel 35 van de Alcoholwet. Dit zal het geval zijn als er signalen zijn die aanleiding geven tot een nader onderzoek. Dit betekent dat in beginsel de levensgedragtoets bij de overige vergunningsplichtige- en meldingsplichtige evenementen niet standaard wordt uitgevoerd.
3.5.4 Het uitoefenen van een bedrijf in aangewezen gebouwen of gebieden of aangewezen bedrijfsmatige activiteiten.
De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar een vergunning verplicht is voor bepaalde bedrijfsmatige activiteiten. Een vergunningplicht voor een pand, gebied of branche wordt ingesteld op basis van (bestuurlijke) rapportages en/of analyses van de politie en andere partners waarin de noodzaak voor het gebruik van dit instrument wordt onderbouwd. Deze rapportages en analyses tonen aan dat de activiteiten een negatieve invloed hebben op het woon- en leefklimaat in de omgeving van de bedrijven, dat de openbare orde en veiligheid als gevolg van de activiteiten worden bedreigd, of dat op andere wijze niet te tolereren ondermijning wordt veroorzaakt.
De vergunningplicht voorkomt criminele activiteiten of activiteiten die overlast geven. Vanwege de kwetsbaarheid van deze bedrijfsmatige activiteiten wordt van exploitanten en leidinggevenden een bijzondere verantwoordelijkheid geëist om mogelijk crimineel gedrag te voorkomen. Zij moeten daarom meewerken aan controles van toezichthouders en voorkomen dat ze crimineel gedrag faciliteren.
Deze beleidsregel is vastgesteld door de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas op 8 juli 2025 en treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking. De gemeente werkt vanaf dan met deze beleidsregel.
Deze beleidsregel heet: “Beleidsregel beoordeling levensgedrag gemeente Horst aan de Maas 2025”
Aldus vastgesteld op 8 juli 2025
De burgemeester van Horst aan de Maas
Drs. R.F.I. Palmen
Het college van burgemeester van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas
De burgemeester
Drs. R.F.I. Palmen
De secretaris
Drs. H. Mensink
Bijlage I Levensgedrag – overzicht meest relevante strafbare feiten en gedragingen
De onderstaande lijst betreft een niet-limitatieve opsomming van feiten en gedragingen die meewegen in de beoordeling van het levensgedrag. Feiten en gedragingen die hier niet zijn beschreven kunnen ook leiden tot de conclusie ‘slecht levensgedrag’.
Niet meewerken met de politie, BOA’s en toezichthouders en het niet opvolgen van rechtelijke uitspraken
Misstanden huisvesting arbeidsmigranten
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-312668.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.