Gemeenteblad van Putten
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Putten | Gemeenteblad 2025, 309286 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Putten | Gemeenteblad 2025, 309286 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Jeugdhulp gemeente Putten 2025
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder. Hieronder kan in deze verordening ook een andere wettelijke vertegenwoordiger worden verstaan in die gevallen waarin het begrip ouder betrekking heeft op het wettelijk vertegenwoordigen van de jeugdige;
Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorzieningen
Artikel 4 Beschikbare maatwerkvoorzieningen
De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:
Een jeugdige komt in aanmerking voor diagnostiek of behandeling van ernstige dyslexie, indien aan de criteria van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling vastgesteld door het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie wordt voldaan, en:
a. de jeugdige zeven jaar of ouder is, maar de leeftijd van 13 jaar nog niet heeft bereikt en op het primair onderwijs (basisonderwijs) is ingeschreven; en
b. de basisschool de stappen doorlopen heeft zoals beschreven in het in het tweede lid genoemde protocol en daarbij is voldaan aan de landelijke criteria voor vergoede dyslexiezorg aan leerlingen met ernstige dyslexie.
Een vervoersvoorziening wordt – voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid – alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt, mits niet vanuit andere regelingen of instanties vergoed.
Er is sprake van een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid in de volgende situaties:
a. de jeugdige kan niet reizen met eigen vervoer of het openbaar vervoer, ook niet onder begeleiding van een volwassene, en ouders beschikken niet over passend vervoer om de jeugdige naar de jeugdhulp locatie te vervoeren; en
b. er is door ouders aangetoond dat ouders of andere personen uit het sociaal netwerk niet in staat kunnen worden geacht om zorg te dragen voor de begeleiding en het vervoer; en
c. de afstand naar de jeugdhulplocatie is meer dan 6 kilometer, gemeten over de weg met behulp van de ANWB-routeplanner met de optie de kortste route per fiets.
Er is geen sprake van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid in de volgende situaties:
a. ouders kunnen hun kind niet naar de jeugdhulplocatie vervoeren vanwege beïnvloedbare werkverplichtingen;
b. ouders hebben gekozen voor een jeugdhulpaanbieder buiten de regio, terwijl een vergelijkbaar aanbod binnen de regio beschikbaar is;
c. de jeugdige is in staat is om zelfstandig met eigen vervoer of met het openbaar vervoer te reizen;
d. ouders geven aan onvoldoende financiële middelen te hebben voor de reiskosten, hiervoor zijn de regelingen binnen de Participatiewet voorliggend;
e. ouders die op basis van een andere wet of verzekering in aanmerking komen voor een vergoeding van de vervoerskosten.
Hoofdstuk 4 Toegang tot maatwerkvoorzieningen
Artikel 8 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige of zijn ouders zo spoedig mogelijk de hulpvraag, hierbij wordt rekening gehouden met:
a. wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is;
b. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie;
c. of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen.
Als sprake is van problemen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, dan onderzoekt het college achtereenvolgens:
i. welke problemen of stoornissen dat zijn;
ii. welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
iii. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en van het sociaal netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden;
iv. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een algemene voorziening of maatwerkvoorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg;
v. hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders; en
vi. indien van toepassing, hoe de toekenning van een maatwerkvoorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.
Artikel 9 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Het college neemt bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen zoals bedoeld in artikel 8 tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Dit is ook het geval als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen. Dit uitgangspunt is gebaseerd op de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Uit het onderzoek kan blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders niet toereikend is, bijvoorbeeld omdat sprake is van:
a. (een) geobjectiveerde beperking(en) om noodzakelijke hulp te bieden;
b. een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden;
c. het op permanent toezicht aangewezen zijn van de jeugdige ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel en waarvoor geen Wlz-aanspraak bestaat of het op 24 uur per dag zorg in de nabijheid aangewezen zijn van de jeugdige, omdat de jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen en waarvoor geen Wlz-aanspraak bestaat;
d. overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht van de ouders of van het sociaal netwerk totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.
Bij de beoordeling van de overbelasting bedoeld in het eerste lid onder d, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouders hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouders maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:
a. de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;
c. de planbaarheid van de hulp;
d. de benodigde ondersteuningsintensiteit;
Artikel 10 Criteria maatwerkvoorzieningen
Een jeugdige of ouders kunnen binnen de kaders van de Jeugdwet en deze verordening in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening wanneer door het college of een andere wettelijke verwijzer is vastgesteld dat:
a. een maatwerkvoorziening aangewezen is gezien de aard en ernst van de hulpvraag;
b. de jeugdige zelf, of met zijn ouders of andere personen uit zijn sociaal netwerk, geen afdoende oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden;
c. een algemene voorziening niet adequaat is voor de oplossing van de hulpvraag;
d. de jeugdige of de ouders geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag volledig te beantwoorden.
Een maatwerkvoorziening voor jeugdhulp wordt alleen toegekend als de inzet van de voorziening naar het oordeel van het college doeltreffend geacht kan worden. Om doeltreffend te zijn geldt in ieder geval dat:
a. de in te zetten voorziening bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag;
b. de in te zetten voorziening behoudens het bepaalde in artikel 2.4 tweede lid sub b van de Jeugdwet – waar beschikbaar – een bewezen effectieve interventie is;
c. de in te zetten voorziening nooit een bewezen niet effectieve interventie is.
Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de interventies zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:
a. de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;
b. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;
c. de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg).
In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouders niet in aanmerking voor een door het college te verlenen maatwerkvoorziening als bedoeld in deze verordening.
Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval opgenomen:
a. wat de te verstrekken maatwerkvoorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn;
b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en
c. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.
Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval opgenomen:
a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;
b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;
e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en
f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
Artikel 12 Kwaliteitseisen toegang jeugdhulp
Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:
a. bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;
b. bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of
c. op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.
Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via het college op zorgvuldige wijze plaatsvindt. Hieronder wordt in het bijzonder verstaan dat het college voorzieningen treft die voorkomen dat de (toekomstige) jeugdhulpaanbieder tevens het advies geeft over de toe te kennen jeugdhulp of een daarop betrekking hebbend besluit neemt.
Paragraaf 2 Toegang jeugdhulp niet via het college
Artikel 13 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, overeenkomstig artikel 2.6 eerste lid onderdeel e van de Jeugdwet, naar een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde verwijzer van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.
Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouders is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met het college heeft, komt niet voor vergoeding door het college in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee het college wel een contract- of subsidierelatie heeft.
Artikel 14 Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling of kinderrechter
Het college zorgt conform de Jeugdwet voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering.
Artikel 15 Algemene weigeringsgronden
Een jeugdige of ouders komen niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als:
a. De jeugdige of ouders aanspraak maken op een andere- of overige voorziening die voorziet in de ondersteuningsbehoefte, of de mogelijkheid bestaat dat zij aanspraak kunnen maken op een voorliggende voorziening die voorziet in de ondersteuningsbehoefte, maar zij hiervoor geen aanvraag wensen in te dienen. Voorziet de voorliggende voorziening gedeeltelijk in de ondersteuningsbehoefte dan kan aanvullend alsnog een maatwerkvoorziening worden afgegeven.
b. De jeugdige of ouders onvoldoende meewerken aan het onderzoek waardoor het college geen juist onderzoek kan uitvoeren en hierdoor de ondersteuningsbehoefte niet op een juiste wijze kan vaststellen.
c. De maatwerkvoorziening niet voldoet aan de eisen met betrekking tot kwaliteit zoals bedoeld in paragraaf 4.1 van de Jeugdwet en artikel 5.1.1. Besluit Jeugdwet.
Artikel 16 Weigeringsgronden gelegen in de specifieke aanbieder van jeugdhulp
Het is niet toegestaan om jeugdhulp in te zetten van aanbieders:
a. die buitenlands hulpaanbod hebben en niet voldoen aan het afsprakenkader buitenlands jeugdhulp;
b. die alle zorg en ondersteuning aanbieden buiten EER-landen;
c. waarvan in de voorgaande vijf jaar het contract door het college is ontbonden wegens niet voldoen aan de contractuele voorwaarden;
d. die geen gegevens heeft aangeleverd voor de jaarverantwoording in de zorg, tenzij wordt voldaan voor de uitzondering voor solistisch werkende jeugdhulpverleners;
e. die niet voldoen aan de Wet normering topinkomens;
f. waar geen SKJ of BIG geregistreerde professionals werkzaam zijn, met uitzondering van aanbieders van vervoer.
Paragraaf 3 Aanvullende regels persoonsgebonden budget
Artikel 17 Het persoonsgebonden budget
Indien de jeugdige of zijn ouders zich in het gesprek zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de maatwerkvoorziening die het college via de gecontracteerde jeugdhulpaanbieder beschikbaar stelt niet passend achten en een pgb wensen, dan dienen zij hiertoe in aanvulling op het ondersteuningsplan een pgb-plan op te stellen.
In het plan zoals genoemd in het vorige lid is in ieder geval opgenomen:
a. de motivatie waarom zorg in natura niet passend en een persoonsgebonden budget gewenst is;
b. welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouders willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;
c. de voorgenomen uitvoerder van de maatwerkvoorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;
d. op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd;
e. de kosten, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief, van de uitvoering;
f. de motivatie ten aanzien van de pgb-vaardigheid aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 20 van deze verordening.
Artikel 18 Verstrekken van persoonsgebonden budget
Het college verstrekt een pgb als:
a. de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de maatwerkvoorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet passend achten;
b. uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 20 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en
c. naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 21 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de maatwerkvoorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.
Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vijf jaar voorafgaande aan de aanvraag:
a. fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;
b. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;
c. veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf;
d. op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd.
Het college weigert een persoonsgebonden budget conform artikel 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet als:
a. de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening; of
b. indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan de gronden opgenomen in artikel 24, tweede lid, sub a, d of e van deze verordening.
Artikel 19 Onderscheid formele en informele hulp binnen het persoonsgebonden budget
Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de budgethouder:
a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
b. personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
c. personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.
Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval:
Artikel 21 Kwaliteitseisen maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget
Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen maatwerkvoorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen:
a. Beschikt over een geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG).
b. Beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden.
c. Houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp.
d. Is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren.
e. Werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd.
f. Voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college.
g. Stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouders.
h. Stemt de hulp af op andere voorzieningen, algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen waar de jeugdige of zijn ouders gebruik van maken.
i. Respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouders en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie.
j. Neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouders voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis.
k. Meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college.
l. Werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid.
m. Is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.
Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen maatwerkvoorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen:
a. hetgeen is bepaald in artikel 19, eerste lid;
b. handelt in overeenstemming met de professionele standaard;
c. werkt op basis van een hulpverleningsplan;
d. werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;
e. hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en
f. stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.
Artikel 22 Hoogte van het persoonsgebonden budget
Het maximale tarief voor vervoer bedraagt:
a. indien de jeugdige per auto wordt vervoerd, de maximale belastingvrije reiskostenvergoeding, er is dan sprake van informeel vervoer;
b. indien de jeugdige per (rolstoel)taxi wordt vervoerd, de maximale tarieven voor taxivervoer uitgegaan van de tarieven per kilometer conform de kortste route van de ANWB-routeplanner.
Hoofdstuk 5 Herziening, intrekking, terugvordering en controle
Artikel 24 Herziening, intrekking en terugvordering
Degene aan wie krachtens deze verordening een maatwerkvoorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of direct uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening.
Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, herzien, intrekken of beëindigen als het college vaststelt dat:
a. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
b. de jeugdige of zijn ouders niet langer op de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;
c. de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten;
d. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of;
e. de jeugdige of zijn ouders de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd;
f. de jeugdige of zijn ouders met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulp-aanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 18, tweede lid.
Het besluit kan ingetrokken worden, wanneer de jeugdhulpaanbieder niet binnen zes maanden na het afgeven van het besluit gestart is met de zorg of als blijkt dat het persoonsgebonden budget binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
Artikel 25 Opschorting betaling uit het pgb
Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken, als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e van de Jeugdwet.
Indien de jeugdige langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet kan het college de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname.
Artikel 26 Voorkomen en bestrijding misbruik, oneigenlijk gebruik en ondoelmatig gebruik
Het college informeert de jeugdige en zijn ouders over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de krachtens deze verordening verstrekte maatwerkvoorzieningen.
Het college wijst personen (toezichthouders) aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.9 van de Jeugdwet dan wel bij deze verordening, ten aanzien van de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk en ondoelmatig gebruik van het bepaalde bij de Jeugdwet, dan wel deze verordening.
Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.
Hoofdstuk 6 Afstemming met andere voorzieningen
Artikel 28 Gezondheidszorg en langdurige zorg
Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die in behandeling zijn en de leeftijd van 18 jaar bereiken, waarvan de reële verwachting is dat deze zorg na de 18e verjaardag door zal lopen en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen, en hoe te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader.
Artikel 29 Gecertificeerde instellingen
Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over:
a. het overleg over de aangewezen jeugdhulp in het kader van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, zoals bedoeld in artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet;
b. het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;
c. de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt;
d. wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een persoonsgebonden budget kan zijn namens de jeugdige en zijn ouders;
e. hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet dient te worden.
Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de Jeugdwet.
Artikel 31 Voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht
Het college draagt zorg voor goede afstemming met de locaties voor kinderopvang, (speciaal) primair en voortgezet (speciaal) onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs aangaande de te treffen jeugdhulpvoorzieningen.
Artikel 33 Voorzieningen werk en inkomen
Het college draagt zorg voor het vroegtijdig signaleren van financiële factoren die in de weg kunnen staan voor het slagen van preventie en jeugdhulp en voor ondersteuning aan jeugdigen en hun ouders vanuit de gemeentelijke voorzieningen - zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen, minimaregelingen- om deze financiële factoren weg te nemen.
Hoofdstuk 7 Verhouding prijs en kwaliteit
Artikel 34 Verhouding prijs en kwaliteit
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:
Hoofdstuk 8 Vertrouwenspersoon, klachten en medezeggenschap
Het college draagt zorg voor een zorgvuldige behandeling van klachten van de jeugdige of zijn ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.
Artikel 37 Inspraak en medezeggenschap
Het college stelt de jeugdige of zijn ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
Het college kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouders afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 39 Intrekking oude verordening en overgangsrecht
Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van Verordening Jeugdhulp Putten 2018 te herzien:
a. op de gronden, vermeld in artikel 18 van de Verordening Jeugdhulp gemeente Putten 2018;
b. indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen;
c. indien de ouders of jeugdige wensen te veranderen van aanbieder of van verstrekkingsvorm;
d. indien de jeugdhulpaanbieder niet langer gecontracteerd is door het college.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-309286.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.