Gemeenteblad van Soest
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Soest | Gemeenteblad 2025, 308945 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Soest | Gemeenteblad 2025, 308945 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Huisvestingsverordening gemeente Soest 2025 - 1
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1.1. Begripsbepalingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
twee of meer personen met of zonder kinderen, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren waarbij er sprake is van bewuste wederzijdse zorg en taakverdeling die het enkel gezamenlijk bewonen van een bepaalde woonruimte te boven gaat en waarbij de intentie bestaat om voor onbepaalde periode samen te wonen;
mate van toegankelijkheid: de mate waarin woonruimte toegankelijk is voor mensen met een zorgvraag, waaronder in ieder geval wordt verstaan a) in hoeverre de woonruimte toegankelijk is voor gebruikers van een rolstoel, rollator of ander loophulpmiddel, b) op welke verdieping de woonruimte gelegen is, c) indien de woonruimte niet op de begane grond gelegen is of niet vanaf aansluitende maaiveld te betreden is, of de woonruimte bereikbaar is met een lift;
Hoofdstuk 2. Huisvestingsvergunning voor woonruimte
Paragraaf 2.1. Vergunningplicht
Artikel 2.1.1. Aanwijzing vergunningplichtige woonruimte
Indien de wettelijke koopprijsgrens overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de wet bij ministeriele regeling met ingang van een kalenderjaar is aangepast, geldt met ingang van dat kalenderjaar in plaats van het in het eerste lid, onder c genoemde bedrag, de voor dat kalenderjaar geldende wettelijke koopprijsgrens.
Paragraaf 2.2. Aanvragen, verlenen en weigeren van de huisvestingsvergunning
Artikel 2.2.2. Woningzoekenden die in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning
Om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning voldoet een woningzoekende aan de volgende voorwaarde: het huishouden van de woningzoekende heeft tenminste één lid dat niet minderjarig als bedoeld in artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is.
Artikel 2.2.4. Inhoud van de huisvestingsvergunning
Burgemeester en wethouders kunnen aan een of meerdere binnen hun gemeente werkzame woningcorporatie(s) het mandaat verlenen om namens hen te beslissen op aanvragen om een huisvestingsvergunning. Het mandaat beperkt zich tot aanvragen die betrekking hebben op woonruimte die verhuurd wordt door de gemandateerde woningcorporatie.
Paragraaf 2.3. Woonruimte van woningcorporaties
Artikel 2.3.1. Reikwijdte van deze paragraaf
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op woonruimte van woningcorporaties zoals bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a.
Artikel 2.3.2. Aanvullende begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
aanbodmodel: methode voor de verdeling van woonruimte waarbij beschikbare woonruimte overeenkomstig de artikelen 2.3.3 en 2.3.4 te huur wordt aangeboden en de volgorde waarin woningzoekenden voor de aangeboden woonruimte in aanmerking komen, wordt bepaald overeenkomstig het artikel 2.3.9, eerste lid, en voor zover van toepassing de artikelen 2.3.10 tot en met 2.3.12;
Artikel 2.3.5. Digitaal platform voor woningzoekenden
Artikel 2.3.6. Aanvullende bepalingen over de huisvestingsvergunning
Artikel 2.3.7. Voorrang op basis van woningtypen
Als een woonruimte behoort tot een in de onderstaande tabel behorend woningtype, kan bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voorrang worden gegeven aan woningzoekenden die behoren tot in de tabel achter dat woningtype genoemde voorrangsgroep.
Artikel 2.3.8. Voorrang vanwege economische en maatschappelijke gebondenheid
Toepassing van de in het vorige lid bedoelde voorrang blijft achterwege indien verlening van een huisvestingsvergunning tot gevolg zou hebben dat meer dan 50% van de huisvestingsvergunningen met voorrang zouden worden verleend aan woningzoekenden die economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn.
Artikel 2.3.10. Volgordebepaling bij seniorenwoning
Van de woningzoekenden die behoren tot de voorrangsgroep die gelet op de tabel van artikel 2.3.7 behoren bij het woningtype ‘seniorenwoning’, komen achtereenvolgens voor de huisvestingsvergunning in aanmerking:
Artikel 2.3.11. Volgordebepaling op basis van urgentieduur en inschrijfduur
De volgorde waarin woningzoekenden als bedoeld in artikel 2.3.9, eerste lid, onder a, achtereenvolgens in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning, wordt bepaald op basis van de ingangsdatum van hun urgentieverklaringen en, voor zover dat geen uitsluitsel geeft, op basis van hun inschrijfduur.
Artikel 2.3.12. Volgordebepaling bij woonduur
Bij urgent woningzoekenden die zijn ingedeeld in de urgentiecategorieën ‘stadsvernieuwing’ wordt voor de toepassing van artikel 2.3.11 hun woonduur gelijkgesteld met inschrijfduur.
Artikel 2.3.14. Hardheidsclausule
Burgemeester en wethouders kunnen bij een beslissing op een aanvraag om een huisvestingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 2.2.3, tweede lid, of artikel 2.3.6, tweede lid, voor zover toepassing van die bepalingen gelet op de in artikel 2 van de wet genoemde belangen naar hun oordeel leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Paragraaf 2.5. Nieuw te bouwen voor verkoop bestemde woonruimte
Artikel 2.5.1. Reikwijdte van deze paragraaf
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op woonruimte zoals bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onder c, en derde lid.
Artikel 2.5.5. Aanvullende bepalingen over de huisvestingsvergunning
Artikel 2.5.6. Volgordebepaling
Toepassing van de in het vorige lid, onder a en b, bedoelde voorrang blijft achterwege indien verlening van een huisvestingsvergunning tot gevolg zou hebben dat meer dan 50% van de huisvestingsvergunningen met voorrang zouden worden verleend aan woningzoekenden die economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn.
Artikel 2.5.8. Hardheidsclausule
Burgemeester en wethouders kunnen bij een beslissing op een aanvraag om een huisvestingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 2.2.3, tweede lid, of artikel 2.5.5, tweede lid, voor zover toepassing van die bepalingen gelet op de in artikel 2 van de wet genoemde belangen naar hun oordeel leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Hoofdstuk 3. De urgentieverklaring voor woonruimte van corporaties
Paragraaf 3.1. Aanvraag, verlening en weigering van de urgentieverklaring
Artikel 3.1.2. Algemene weigeringsgronden
Artikel 3.1.3. Specifieke weigeringsgronden
Artikel 3.1.4. Inhoud van de urgentieverklaring
Artikel 3.1.6. Intrekken en wijzigen van een urgentieverklaring
Burgemeester en wethouders kunnen een woningzoekende, al dan niet op zijn of haar verzoek, in een andere urgentiecategorie indelen als gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven. Indien zij daartoe overgaan, verstrekken burgemeester en wethouders de woningzoekende dan een nieuwe urgentieverklaring.
Artikel 3.1.7. Specifieke gronden voor intrekking en wijziging van een urgentieverklaring
Burgemeester en wethouders kunnen een urgentieverklaring waarmee een woningzoekende is ingedeeld in één van de in de artikelen 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3 of 3.2.4 bedoelde urgentiecategorieën uitsluitend intrekken als:
Paragraaf 3.2. Urgentiecategorieën
Artikel 3.2.1. Uitstroom naar zelfstandig wonen
Tot de in het vorige lid bedoelde categorieën behoren woningzoekenden:
die een verblijf in een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg verlaten waar zij geneeskundige geestelijke zorg ontvingen of woningzoekenden die in verband met geneeskundige zorg als bedoeld in artikel 10, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet in een instelling verbleven in verband met zorg zoals psychiaters en klinisch-psychologen plegen te bieden en deze verlaten;
die na een verblijf van tenminste drie aaneengesloten maanden een inrichting of voorziening als bedoeld in artikel 3a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, een penitentiaire inrichting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet of een instelling voor forensische zorg als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet forensische zorg verlaten;
Een woningzoekende die mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verleent of ontvangt komt in aanmerking voor indeling in de urgentiecategorie ‘mantelzorg’ indien:
de in onderdeel b bedoelde acht uur mantelzorg per week is verleend gedurende ten minste vier dagen per week, tenzij de medische problematiek zoals Alzheimer, schizofrenie of andere chronische psychische aandoeningen 24 uur per dag nabijheid vereisen en de hulp op onverwachte momenten wordt geboden;
Artikel 3.2.3. Ernstige chronische medische problematiek
Een woningzoekende komt in aanmerking voor indeling in de urgentiecategorie ‘ernstige en chronische medische problematiek’ indien:
de woningzoekende kampt met ernstige en chronische medische problematiek, waarbij de huidige woonsituatie levensontwrichtend is omdat de woningzoekende niet meer in staat is zelfstandig te functioneren in de huidige woonruimte, dan wel de behandeling van het probleem aantoonbaar in hoge mate ongunstig door de woonsituatie wordt beïnvloed;
de woningzoekende met ernstige en chronische problematiek van psychische aard op het moment van aanvraag tenminste twaalf maanden onder behandeling is of is geweest voor het betreffende medische probleem bij een specialistische, tweedelijns instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg voor geneeskundige geestelijke zorg of instelling voor geneeskundige zorg als bedoeld in artikel 10, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet in verband met zorg zoals psychiaters en klinisch-psychologen plegen te bieden, of vrijgevestigd psychiater in Nederland.
Burgemeester en wethouders kunnen zich bij de beoordeling of de in het vorige lid, onder b tot en met e genoemde, omstandigheden zich voordoen, laten adviseren door een ter zake deskundige medische of sociaal-medische adviseur die geen behandelrelatie heeft met de in het eerste lid bedoelde woningzoekende.
Bij indeling in de in het eerste lid bedoelde urgentiecategorie van een woningzoekende op grond van ernstige en chronische problematiek van psychische aard kunnen burgemeester en wethouders de voorwaarde opleggen dat de woningzoekende of een lid van diens huishouden psychiatrische zorg of begeleiding aanvaardt. De voorwaarde wordt dan in de urgentieverklaring vermeld.
Artikel 3.2.4. Deelname aan overheidsprogramma
Indien dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders nodig is voor het zelfstandig wonen van de woningzoekende, kan bij de indeling in de in het eerste lid bedoelde urgentiecategorie de voorwaarde opgelegd worden dat de woningzoekende voor een door burgemeester en wethouders te bepalen duur begeleiding ontvangt van een instelling in de regio indien dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders nodig is voor het zelfstandig wonen van de woningzoekende.
Artikel 3.2.6. Sociale problematiek
Een woningzoekende kan door verlening van een urgentieverklaring ingedeeld worden in de urgentiecategorie ‘sociaal’ indien:
aanvrager als gevolg van de onder b. bedoelde omstandigheden naar het oordeel van burgemeester en wethouders redelijkerwijs niet anders kan, dan de huidige woonruimte binnen drie maanden te verlaten en verhuizing naar een nieuwe woonruimte in substantiële mate blijvend bijdraagt aan het wegnemen van deze problemen; en,
Artikel 3.2.7. Relatiebeëindiging
Artikel 3.2.8. Stadsvernieuwing
Een woningzoekende kan door verlening van een urgentieverklaring ingedeeld worden in de urgentiecategorie ‘stadsvernieuwing’ indien:
de woningcorporatie met de huurder overeenstemming heeft bereikt over een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten die tenminste gelijkwaardig is aan de tegemoetkoming op grond van het Sociaal Plan dat ten behoeve van de wijkontwikkelingsplannen door woningcorporaties, huurdersorganisaties en burgemeester en wethouders is overeengekomen.
Artikel 3.2.10. Hardheidsclausule
Burgemeester en wethouders kunnen bij een beslissing op een aanvraag om een urgentieverklaring afwijken van het bepaalde in artikel 3.1.2, eerste lid, of artikel 3.1.3, eerste lid, voor zover toepassing van die bepalingen gelet op de in artikel 2 van de wet genoemde belangen of gelet op het belang om dringend te voorzien in de behoefte aan woonruimte van woningzoekenden met een huisvestingsprobleem naar hun oordeel leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Hoofdstuk 4. Standplaatsen voor woonwagens
Paragraaf 4.2. Aanvragen, verlenen en weigeren van de huisvestingsvergunning voor standplaatsen
Artikel 4.2.2. Woningzoekenden die in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning
Om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning voldoet een woningzoekende aan de volgende voorwaarde: het huishouden van de woningzoekende heeft tenminste één lid dat niet minderjarig als bedoeld in artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is.
Artikel 4.2.4. Inhoud van de huisvestingsvergunning
Burgemeester en wethouders kunnen aan een binnen hun gemeente werkzame woningcorporatie het mandaat verlenen om namens hen te beslissen op aanvragen om een huisvestingsvergunning. Het mandaat beperkt zich tot aanvragen die betrekking hebben op standplaats die verhuurd wordt door de gemandateerde woningcorporatie.
Paragraaf 4.3. Inschrijving van woningzoekenden en bekendmaken van het aanbod
Paragraaf 4.4. Volgorde waarin woningzoekenden voor een standplaats in aanmerking komen
Artikel 4.4.2. Specifieke volgordebepaling
Van de woningzoekenden die gelet op artikel 4.4.1, eerste lid, onder c, in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning, komt als eerste de woningzoekende met de langste inschrijfduur voor een huisvestingsvergunning in aanmerking. Bij gelijke inschrijfduur komt als eerste de woningzoekende met de hoogste leeftijd in aanmerking.
Hoofdstuk 5. Overige bepalingen
Paragraaf 5.1. Bestuurlijke boete
Artikel 5.1.1. Bestuurlijke boete
In afwijking van het vorige lid, onder b, bedraagt de bestuurlijke boete voor een overtreding van het verbod bedoeld in artikel 8, tweede lid, € 103.000 indien binnen een tijdvak van vier jaar voorafgaand aan een constatering door een toezichthouder van die overtreding een bestuurlijke boete is opgelegd voor overtreding van hetzelfde verbod.
Artikel 5.2.1. Overgangsregeling
Indien op het moment waarop deze verordening in werking treedt:
nog niet besloten is op een bezwaar dat voorafgaand aan dat moment is ingesteld tegen een besluit op een aanvraag om een huisvestingsvergunning of een aanvraag om urgentieverklaring, wordt op dat bezwaar beslist met toepassing van het recht zoals dat gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening;
Ingezetenen van de gemeente Soest die uiterlijk 1 juli 2021 zijn ingeschreven als woningzoekenden als bedoeld in artikel 2.3.5. krijgen 3 jaar inschrijfduur bijgeteld op het moment dat zij reageren op een woning in de gemeente Soest, tenzij zij voor een overgangsregeling in een andere gemeente in aanmerking komen en daarvoor kiezen.
Woningzoekenden die op 1 mei 2025 staan ingeschreven op de actuele wachtlijst (woonwagen)standplaatsen van de gemeente Soest én die uiterlijk 1 oktober 2025 zijn ingeschreven als woningzoekenden als bedoeld in artikel 4.3.1 krijgen de inschrijfduur van de actuele wachtlijst (woonwagen)standplaatsen van de gemeente Soest bijgeteld op het moment dat zij reageren op een (woonwagen)standplaats in de gemeente Soest.
Aldus vastgesteld te Soest op ?? mei 2025,
de raad voornoemd,
de griffier,
Drs. M.A.C. van Esterik
de voorzitter,
R.T. Metz
1.1. Regionaal afgestemde regels over woonruimteverdeling
Gemeenteraden kunnen op grond van de Huisvestingswet 2014 in een huisvestingsverordening regels instellen over woonruimteverdeling inclusief urgentie (hoofdstuk 2 en 3 van de Huisvestingswet 2014) en wijzigingen in de woonruimtevoorraad (hoofdstuk 4 van de Huisvestingswet 2014). Binnen de regio Amersfoort is in 2024-2025 een regionaal model opgesteld voor de huisvestingsverordening waarin de regels over woonruimteverdeling opgenomen zijn: de model huisvestingsverordening regio Amersfoort.
De model huisvestingsverordening regio Amersfoort bevat geen regels over wijzigingen in de woonruimtevoorraad (splitsen, samenvoegen, onttrekken, woningvormen, toeristische verhuur, opkoopbescherming). Regiogemeenten kunnen desgewenst zelf deze regels in een additionele huisvestingsverordening opnemen.
Het regionale model voor de model huisvestingsverordening regio Amersfoort bestaat uit hoofdstukken die op hun beurt zijn onderverdeeld in paragrafen. Deze gelaagdheid is terug te zien in de nummering van de afzonderlijke artikelen: artikel 1.1.1 is het eerste artikel van paragraaf 1 van hoofdstuk 1.
Bij de verdeling van onderwerpen over hoofdstukken en paragrafen is zoveel als mogelijk de homogeniteitsregel gehanteerd. Daarbij is ook gekozen voor een opbouw ‘van algemeen naar specifiek’. Daarmee wordt bedoeld, dat zoveel als mogelijk algemene onderwerpen – zoals aanvraag, inhoud van beschikkingen, verlening, weigering, intrekken en wijzigen van beschikkingen – eerder in een hoofdstuk aanbod komen dan meer bijzondere onderwerpen (zoals: de specifieke regels over de afzonderlijke categorieën aangewezen woonruimte of de urgentiegronden).
Centraal in het regionale model staan de hoofdstukken 2 (de huisvestingsvergunning) en 3 (de urgentieverklaring). In de eerste paragraaf van hoofdstuk 2, paragraaf 2.1, worden de delen van de woonruimtevoorraad aangewezen, waarop de huisvestingsvergunningplicht van toepassing is. Verder bevat paragraaf 2.2 algemene regels over het aanvragen van een huisvestingsvergunning en het beslissen op zulke aanvragen.
De daaropvolgende paragrafen bevatten specifieke regels voor de afzonderlijke delen van de woonruimtevoorraad:
Paragraaf 2.4 bevat de regels over andere sociale huurwoningen dan die van woningcorporaties. Als gemeenten de huisvestingsvergunningplicht op deze categorie woonruimten toepassen, nemen zij ook deze paragraaf op in hun verordening. De gemeente Soest kiest er voor om deze regels niet op te nemen in de verordening.
De paragrafen 2.4 en 2.5 lijken sterk op elkaar. Vanuit juridisch-redactioneel perspectief was het goed mogelijk geweest, beide paragrafen samen te voegen tot één paragraaf voor beide categorieën woonruimte. Toch is daar niet voor gekozen: denkbaar is, dat een gemeente slechts één van beide categorieën woonruimte onder de reikwijdte van de huisvestingsvergunningplicht wil brengen. Die gemeente moet dan binnen de paragraaf bepaalde artikelen niet overnemen, met als gevolg dat bijvoorbeeld de nummering van de nog resterende artikelen gewijzigd moet worden. Dat kan dan weer tot gevolg hebben, dat verwijzingen tussen artikelen onderling aangepast moeten worden.
Hoofdstuk 3 bevat de regionaal afgestemde regels over urgentieverklaringen. Anders dan hoofdstuk 2 bevat dit hoofdstuk geen onderdelen die een gemeente wel of niet overneemt. De opbouw van het hoofdstuk is, net als bij de andere delen van het regionale model, zoveel conform het uitgangspunt ‘van algemeen naar specifiek’. De eerste paragraaf bevatten de meer algemene, voor elke urgentieverklaring relevante, bepalingen. Het hoofdstuk sluit af met de specifieke urgentiecategorieën (ook wel: urgentiegronden) in paragraaf 3.2.
Hoofdstuk 4 is vervolgens een hoofdstuk met regels voor de verdeling van (woonwagen)standplaatsen. Dit hoofdstuk is optioneel en niet elke gemeente zal dit hoofdstuk overnemen. Er zijn drie manieren voor een gemeente om te gaan met regels over standplaatsen: De eerste is geen regels opnemen, de woningen vallen dan buiten de verordening. De tweede optie is om beperkte regels (over de inschrijving en advertentie-eisen) op te nemen en daarnaast te verwijzen naar beleid van de gemeente dat elders is vastgelegd (‘b&w kunnen regels opstellen over’). De derde mogelijkheid is om het beleid te verwerken in de verordening. Het hoofdstuk in de modelverordening geeft hier een voorbeeld van, gebaseerd op de uitwerking in de gemeente Amersfoort.
De gemeente Soest neemt de regels voor de verdeling van (woonwagen)standplaatsen wel op in de verordening.
1.3. De noodzaak voor en werking van de woonruimteverdeling
Ook zonder een huisvestingsverordening wordt er gestuurd op de woonruimteverdeling. Dit gebeurt dan door bewuste of onbewuste keuzes van de verhuurder of verkoper. Middels deze huisvestingsverordening grijpt de gemeente in op het toewijzingsbeleid. Dat mag volgens de Huisvestingswet enkel in het geval van schaarste en daaruit volgende verdringing van groepen. De onderbouwing van deze schaarste is op gemeenteniveau onderbouwd. De schaarste onderbouwing (bijlage 1) voor de gemeente Soest wordt tegelijkertijd met de verordening en toelichting gepubliceerd op overheid.nl.
Deze regionaal afgestemde model-huisvestingsverordening maakt dat de regels die in de regio gelden op het gebied van woonruimteverdeling (grotendeels) gelijk zijn. Een woningmarkt heeft een regionale dynamiek en veel woningzoekenden zoeken niet enkel in één gemeente maar in de gehele regio. Daarnaast beslaat het werkgebied van meerdere woningcorporaties die actief zijn in de regio, meerdere gemeenten. Afgestemde regels in de woonruimteverdeling zorgen voor meer eenduidigheid en transparantie voor woningzoekenden en een eenvoudigere uitvoering door verhuurders en verkopers.
1.4. Het regionale urgentiestelsel
Door de urgentie categorieën regionaal gelijk te trekken in een model-tekst wordt voorgesorteerd op de aanstaande Wet versterking regie op de volkshuisvesting. Ook is er een harmonisatieslag gemaakt bij de overige urgentiecategorieën. Er wordt in de verordening een basis gelegd voor een deels regionaal ingestoken urgentieverlening voor bepaalde aandachtsgroepen. Dit maakt het evenwichtig verdelen, zoals opgenomen in de aanstaande wetgeving, mogelijk. Daarnaast bestaan er nog verschillende urgentiecategorieën met een lokale bindingseis. Hierbij is geen sprake van een regionale verdeling.
Er zijn diverse optionele paragrafen, bijvoorbeeld voor het opleggen van regels voor de particuliere huur en de nieuwbouw betaalbare koop. Gemeenten kunnen lokaal afwegen of het wenselijk en nuttig is om deze paragrafen te ‘activeren’ en in hun gemeente onderdeel te maken van de eigen huisvestingsverordening. Mocht een gemeente regels willen opnemen over deze segmenten, dan wordt de model-tekst als basis genomen.
Het opnemen van deze paragrafen vergt wel wat van de gemeente. In de eerste instantie vraagt dit om een schaarste onderbouwing van dat segment in de gemeente en de onderbouwing dat de regels nuttig, noodzakelijk en proportioneel zijn. Ook in de uitvoering vraagt dit inzet van de gemeente op het gebied van vergunningverlening, handhaving en monitoring.
2. Artikelsgewijze toelichting
Dit artikel bevat de voor de hele verordening toepasselijke begripsomschrijvingen. Begrippen waarvan de betekenis in andere wetten – zoals: de Huisvestingswet 2014 of de Algemene wet bestuursrecht – bepaald is, worden hier niet nogmaals omschreven.
Een aantal begrippen komen enkel aan bod bij een bepaald onderdeel van de huisvestingsverordening. Daar zullen die dan worden benoemd in een aanvullende begripsbepaling (artikel 2.3.2, 2.4.2 en 2.5.2). De begripsbepalingen die hier worden genoemd zijn van toepassing op de gehele verordening.
Een aantal van de opgenomen begripsomschrijvingen hebben ook tot doel, om andere artikelen van de verordening leesbaar te houden. Een voorbeeld hiervan is het begrip ‘passende woning’: het in artikel 1.1.1 omschrijven van dit begrip voorkomt, dat in andere artikelen steeds de zinsnede ‘woonruimte die voldoet aan het in een urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel’ gebruikt moet worden.
2 Huisvestingsvergunning voor woonruimte
Paragraaf 2.1. Vergunningplicht
Deze paragraaf bepaalt voor welke woningen een huisvestingsvergunning verplicht is.
In het eerste lid van dit artikel wijst de gemeenteraad aan, voor welke categorieën woonruimte de huisvestingsvergunningplicht geldt. In het eerste lid is verder tot uitdrukking gebracht dat het verbod om zonder daartoe strekkende huisvestingsvergunning de hier aangewezen woonruimte in gebruik te geven of te nemen, in artikel 8 van de Huisvestingswet 2014 staat. De verschillende segmenten zijn hierin opgenomen als optie. Mocht een gemeente kiezen om een optie te activeren dan wordt de bijbehorende paragraaf (2.4 voor de woonruimte van grote verhuurders en 2.5 voor betaalbare nieuwbouw koopwoningen) geactiveerd.
In het tweede lid is aangegeven dat voor bepaalde soorten woonruimten de in hoofdstuk 2 opgenomen regels niet gelden. Dit zijn woningen waarbij het gewenst is om af te wijken van de opgenomen regels, door de bijzondere aard van de woning of de doelgroep. Ook is de mogelijkheid opgenomen om in Bijlage 2 woningen aan te wijzen die buiten de verordening vallen. Hierbij kan gedacht worden aan specifieke complexen waar afwijkende toewijzing wenselijk is, bijvoorbeeld om te sturen op een gewenste mix van vragers en dragers in zorgcomplexen. Het opnemen van veel woningen in deze bijlage is onwenselijk, aangezien dit ten koste gaat van de transparantie van eenduidigheid van de woonruimteverdeling. De gemeente Soest wijst geen woningen aan die buiten de werking van de verordening vallen.
Op grond van het derde lid volgt de in het eerste lid opgenomen koopprijsgrens de indexatie van het in artikel 7, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 genoemde bedrag. In 2025 is dit € 405.000.
Paragraaf 2.2. Aanvragen, verlenen en weigeren van de huisvestingsvergunning
Deze paragraaf bevat de bepalingen die gelden voor alle op grond van paragraaf 2.1 aan te vragen, te verlenen en te weigeren huisvestingsvergunningen.
Dit artikel regelt enkele formele aspecten van de aanvraag om een huisvestingsvergunning. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 5 van de Huisvestingswet 2014.
In het eerste lid wordt aangegeven waar de huisvestingsvergunning aangevraagd dient te worden en dat burgemeesters en wethouders hiervoor een formulier kunnen vaststellen. In het tweede lid is aangegeven, welke informatie in ieder geval met de aanvraag wordt ingediend.
In dit artikel is de voorwaarde voor woningzoekenden aangewezen die in aanmerking komen voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning. Door de aanwijzing van de categorie woningzoekenden geeft de gemeenteraad uitvoering aan artikel 10, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014.
De hier opgenomen voorwaarde is enkel het hebben van een meerderjarige in het huishouden. Verdere eisen aan het wel of niet krijgen van een huisvestingsvergunning volgen later in de verordening, dit is de basisvoorwaarde.
Als een aanvrager van een huisvestingsvergunning niet behoort tot deze categorie, wordt de huisvestingsvergunning geweigerd. Zie artikel 2.2.3, tweede lid, onder a.
In aanvulling op deze eisen zijn wettelijke vereisten (zoals het hebben van een Nederlandse nationaliteit of verblijfsvergunning) van toepassing. Deze zijn hier niet expliciet genoemd in de verordening, maar zijn wel van kracht en komen aan bod in artikel 2.2.3.
In het eerste lid van dit artikel wordt aangegeven, dat burgemeester en wethouders beslissen over het verlenen, weigeren, wijzigen en intrekken van de huisvestingsvergunning. Dit is overeenkomstig de normale, in de Gemeentewet geregelde, verdeling van bevoegdheden over de bestuursorganen van de gemeente.
Het tweede lid geeft aan, in welke gevallen burgemeester en wethouders de huisvestingsvergunning in ieder geval weigeren. Daarmee geeft het tweede lid uitvoering aan artikel 9 van de Huisvestingswet 2014.
Gelet op het tweede lid, onder a, wordt de huisvestingsvergunning geweigerd als:
aanvragers op grond van artikel 10, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 niet voor een huisvestingsvergunning in aanmerking komen. Dit betreft aanvragers die niet de Nederlandse nationaliteit hebben of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander behandelt moeten worden, of geen rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling zijn;
Verder wordt, gelet op het tweede lid, onder b, een huisvestingsvergunning geweigerd als door verlening ervan meer dan 50% van de huisvestingsvergunningen met voorrang zou worden verleend aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de woningmarktregio. Zo wordt voorkomen dat in meer gevallen bindingsvoorrang wordt toegepast dan gelet op artikel 14 van de Huisvestingswet 2014 is toegestaan.
De in het tweede lid opgenomen weigeringsgronden zijn imperatief (dus: “moeten weigeren”), en niet facultatief (dus niet: “kunnen weigeren”). Dit betekent dat burgemeester en wethouders bij weigering op grond van één van deze gronden, vooral moeten uitleggen waarom de weigeringsgrond aanwezig is.
De verordening bevat geen bepalingen over het intrekken van een huisvestingsvergunning: dit is namelijk geregeld in artikel 18 van de Huisvestingswet 2014.
Dit artikel bepaald wat er tenminste in een huisvestingsverordening vermeld moet staan. Het tweede lid benoemt de mogelijkheid, van artikel 19 van de Huisvestingswet 2014, om een mandaat te geven om huisvestingsvergunning te verlenen. Dit mandaat kan enkel aan woningcorporaties worden gegeven.
Voor sommige woningcorporaties in de regio staat het ondertekenen van het huurcontract gelijk aan het verlenen van een huisvestingsvergunning. De gegevens in dit artikel komen dus voor in het huurcontract. Waar dit niet het geval is, wordt een apart document aan het huurcontract toegevoegd waar deze gegevens in vermeld staan, dit document fungeert dan als de huisvestingsvergunning.
Paragraaf 2.3 Woonruimte van woningwoningcorporaties
Deze paragraaf bevat de regels die van toepassing zijn op sociale huurwoningen van woningcorporaties.
Dit artikel behoeft geen toelichting.
Dit artikel bevat aanvullende begripsbepalingen die van toepassing zijn op deze paragraaf.
Een woningcorporatie kan een voor verhuur vrijkomende woning op drie wijzen te huur aanbieden:
Zie artikel 2.3.2 voor de begripsbepalingen van deze modellen.
Daarbij geldt, dat aanbieden via het aanbodmodel de hoofdregel is. In het tweede lid zijn daarom maximumpercentages opgenomen voor directe bemiddeling (maximaal 2% per kalenderjaar) en loting (maximaal 20% per kalenderjaar). Deze 2% directe bemiddeling (ook wel de vrije beleidsruimte) zet de woningcorporatie alleen in uiterste gevallen in. Directe bemiddeling kan wel (zonder maximum) worden ingezet voor het huisvesten van urgent woningzoekenden.
Het derde lid bevat een regeling voor woningen met woningaanpassingen van € 15.000 of meer, aangebracht op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).
Woningcorporaties melden bij burgemeester en wethouders dat zo’n woning vrijkomt. Burgemeester en wethouders kunnen vervolgens nagaan, of zij gelet op hun taken op grond van de Wmo mensen kunnen voordragen voor de woning. Hiermee wordt gezorgd dat de aanpassingen die in een woning zijn gedaan zo efficiënt mogelijk gebruikt en herbruikt kunnen worden. Maken burgemeester en wethouders geen gebruik van deze mogelijkheid, dan geven zij binnen twee maanden aan, geen bezwaar te hebben tegen het te huur aanbieden van woonruimte. Burgemeester en wethouders maken nadere afspraken met de corporaties voor gevallen waarin de betreffende woningen langer dan één maand leeg staat. De bevoegdheid ligt bij burgemeester en wethouders maar kan binnen een gemeente gemandateerd worden.
In het vierde lid is bepaald, dat de woningcorporatie een in het derde lid bedoelde woning met instemming van burgemeester en wethouders via directe bemiddeling kan aanbieden.
Ook langs die weg kan geborgd worden, dat de woning (weer) bewoond gaat worden door een woningzoekende die gelet op de zijn of haar beperkingen aangewezen is op de al aangebrachte woningaanpassingen.
Dit artikel bevat regels voor het te huur aanbieden van woonruimte via het aanbodmodel en het lotingmodel. Het artikel is dus niet van toepassing op directe bemiddeling.
Als woonruimte te huur wordt aangeboden via het aanbodmodel of het lotingmodel, wordt de woonruimte gedurende minimaal drie werkdagen bekendgemaakt op het digitale platform. In de praktijk zijn dit vaak vijf werkdagen, aangezien de advertentie net na het nachtuur wordt geplaatst op dag 1 en vlak voor middernacht verdwijnt op dag 5. Het gaat dus om 3 volledige dagen in de praktijk en 2 bijna-volledige dagen. De reden dat voor dit aantal is gekozen, is omdat de ervaring leert dat meer dagen een advertentie online laten staan, niet veel extra reacties meer oplevert. Artikel 2.3.5 bevat regels over dat digitale platform.
In het derde lid van artikel 2.3.4 worden kwalitatieve eisen gesteld aan de wijze waarop daarmee woonruimte te huur wordt aangeboden. Dit zijn feitelijk eisen aan de advertentie van een woonruimte. Deze eisen worden gesteld om ervoor te zorgen dat het voor woningzoekenden voldoende duidelijk is, welke woonruimte wordt aangeboden en wat de voorwaarden zijn om voor die woonruimte in aanmerking te komen. Dergelijke duidelijkheid is een belangrijke waarborg voor een goede werking van de in de verordening opgenomen regels.
Het vierde lid zorgt ervoor dat als de woonruimte minimaal drie dagen bekend is gemaakt op het digitale platform en er zijn geen reacties van woningzoekenden die bindingsvoorrang hebben, de huisvestingsvergunning ook aan een andere woningzoekende kan worden verleend. Deze toewijzing telt vervolgens niet mee onder de 50% van de toewijzingen die met voorrang aan woningzoekende met binding kunnen worden toegewezen.
In het vijfde lid is opgenomen dat burgemeester en wethouders in samenspraak met de corporaties bepalen welk type woonruimte via loting worden verdeeld. Door dit op te nemen kan bijvoorbeeld jaarlijks hier een keuze in gemaakt worden, zonder dat hiervoor de verordening aangepast hoeft te worden. Indien hiervan gebruik wordt gemaakt, worden deze afspraken vastgelegd in de prestatieafspraken.
Het eerste lid van dit artikel verplicht woningcorporaties tot het gezamenlijk voor de gehele regio instellen en in stand houden van een digitaal platform. Het huidige digitale platform, DAK regio Eemvallei (voorheen Woningnet), wordt door de woningcorporaties gezamenlijk beheerd. Dit is het digitale platform waarop woningcorporaties woonruimte te huur aanbieden (zie artikel 2.3.4), waarop woningzoekenden vervolgens kunnen reageren. Ook kunnen huishoudens zich op het digitale platform als woningzoekende inschrijven.
Woningcorporaties – of een door hen aan te wijzen organisatie – stellen de gebruiksvoorwaarden van het digitale platform op.
Het tweede lid bevat enkele eisen over de inhoud van die voorwaarden. Die eisen gaan over de inschrijving als woningzoekende en de inschrijfduur. Dit, met het oog op de in artikel 2.3.11 opgenomen wijze van volgordebepaling.
Naast deze eisen zijn woningcorporaties verantwoordelijk voor eventueel aanvullende regelingen en voorwaarden. Een van de regels (tweede lid onder d) die tenminste geïmplementeerd moet zijn in het digitale platform is dat bij herinschrijving 75% van de opgebouwde inschrijfduur wordt meegegeven.
In het tweede lid, onder e, is gelet op artikel 11a, 11b en 11c van de Huisvestingswet 2014, bepaald dat in bepaalde gevallen (zoals bij jongerencontracten, tijdelijke contracten en tijdelijke woonruimte), de inschrijving van woningzoekenden in het aanbodinstrument niet vervalt.
In het derde lid is bepaald dat de gebruiksvoorwaarden in overeenstemming met de Huisvestingswet 2014 en de verordening moeten zijn, en dat ze transparant medegedeeld worden aan woningzoekenden.
Dit artikel bevat in aanvulling op paragraaf 2.2 enkele aanvullende regels over de aanvraag en weigering van een huisvestingsvergunning.
Het tweede lid bevat weigeringsgronden waarmee een goede werking van de in deze verordening opgenomen regels wordt gewaarborgd. Het gaat daarbij om de regels over de volgorde waarin woningzoekende voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komen (zie onder a), om regels over het te huur aanbieden en bekendmaken van het aanbod (zie onder b en c) en om de inkomenstoets (zie onder d) en de eis dat de aanvrager van de huisvestingsvergunning ingeschreven is als woningzoekende (zie onder e).
De in het tweede lid opgenomen weigeringsgronden zijn niet imperatief (dus: geen “moeten weigeren”), maar facultatief (dus: “kunnen weigeren”). Dit betekent dat burgemeester en wethouders bij weigering op grond van één van deze gronden, moeten motiveren waarom zij weigeren.
Bij het te huur aanbieden van woonruimte kan een woningcorporatie ‘labels’ toepassen. Die labels zijn opgenomen in de eerste kolom van de tabel in het eerste lid van dit artikel. Dit artikel maakt het opleggen van labels niet verplicht- het is mogelijk om een woning aan te merken met een label maar de voorrangsgroep hoeft niet in alle gevallen voorrang te krijgen.
Als een woningcorporatie een label toepast, krijgt een bepaalde categorie woningzoekenden – in de tabel vermeld als ‘voorrangsgroep’ in dezelfde rij het als toegepaste label – voorrang bij de verlening van een huisvestingsvergunning. Het gaat hierbij – met uitzondering van het woningtype ‘nieuwbouw’, zie hierna – om de in artikel 11 van de Huisvestingswet 2014 bedoelde voorrang. Deze vorm van voorrang wordt ook wel ‘passendheidsvoorrang’ genoemd: de gelabelde woonruimte is gelet op aard, grootte of prijs bij uitstek ‘passend’ voor een bepaalde categorie woningzoekenden.
Als woonruimte het label ‘nieuwbouw’ krijgt, krijgen woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de gemeente voorrang. De wettelijke basis voor deze vorm van voorrang is artikel 14 en niet (zoals bij de andere labels) artikel 11 van de Huisvestingswet 2014. Dit wordt in het derde lid tot uitdrukking gebracht. De voorrang voor economische en maatschappelijke binding is breder dan alleen voor de nieuwbouw (zie artikel 2.3.8.), toch wordt deze in de tabel expliciet benoemd aangezien dit een soort vastgoed is wat interessant is om met voorrang voor woningzoekenden met binding toe te wijzen.
Het woningtype ‘woning met 3 kamers of minder’ heeft het doel om doorstroming te stimuleren. Door voorrang te geven aan woningzoekenden die een grote woning in de regio achterlaten worden er meer grote woningen vrijgespeeld waar, met het oog op de andere regel voor grote woningen van 4 of meer kamers, grotere huishoudens in terecht kunnen. De gemeente Soest maakt onderscheid tussen grote woningen van 4 en grote woningen van 5 of meer kamers, zodat “grotere” huishoudens (van minimaal 4 personen) voorrang hebben op deze grotere woningen. Door het samenspel van deze regels wonen meer mensen passend bij hun huishoudensgrootte.
Labels kunnen ook gestapeld worden, zo kunnen er nieuwbouw jongerenwoningen of seniorenwoningen met 3 kamers of minder bestaan. Een woonruimte kan dus meerdere labels hebben.
Sommige van de woningen met een label zullen worden toegewezen door directe bemiddeling, bijvoorbeeld seniorenwoningen door middel van een verhuiscoach of interne doorverhuizingen binnen een complex. Deze woningen vallen dan onder de 2% vrije beleidsruimte die woningcorporaties hebben om direct te bemiddelen.
Naast ‘passendheidsvoorrang’ is in dit artikel bepaald dat bepaalde categorieën woningzoekenden ook ‘bindingsvoorrang’ kunnen hebben. Het gaat dan om woningzoekenden die maatschappelijk of economisch gebonden zijn aan de regio, de gemeente of een deel van de gemeente. Dit artikel is een uitwerking van artikel 14, tweede en vierde lid, van de Huisvestingswet 2014.
Deze voorrang mag ten hoogste bij 50% van de verleende huisvestingsvergunningen toegepast worden. Zie gelet hierop ook artikel 2.2.3, tweede lid, onder b.
De voorrang voor woningzoekenden met binding kan op veel manieren worden ingezet. De woningcorporatie kan (in overleg) bepalen bij welke woningen deze voorrang wordt ingezet, maar het is goed denkbaar dat dit bij nieuwbouwwoningen of specifiek type vastgoed (zoals senioren of jongerenwoningen) gebeurd om doorstroming binnen de gemeente of regio te bevorderen.
Op woonruimte die via het aanbodinstrument openbaar wordt aangeboden, reageren doorgaans meerdere woningzoekenden. Daarom regelt dit artikel, in welke volgorde woningzoekenden in aanmerking komen voor verlening van de huisvestingsvergunning. Bij het aanbodmodel geldt de volgorde:
Voor urgenten is er vaak een bindingseis opgenomen in de categorie (zie hoofdstuk 3).
Voor de woningzoekenden met passendheidsvoorrang komen eerst woningzoekenden met binding in aanmerking, en vervolgens de woningzoekenden die enkel recht op passendheidsvoorrang hebben. Voor de overige woningzoekenden kan, in lijn met artikel 2.3.8, ook voorrang worden gegeven aan woningzoekenden met binding. Dit blijft gebonden aan maximaal 50% van de toewijzingen.
Voor maximaal 5% van de woningen kan in navolging van het tweede lid worden bepaald dat urgenten geen voorrang krijgen. Dit is denkbaar voor woningen die erg specifiek zijn of bijzonder goed kunnen worden ingezet om andere doelen (zoals doorstroming) te bevorderen.
Geeft de bovenstaande volgordebepaling geen uitsluitsel, dan bevatten de artikelen 2.3.10 tot en met 2.3.12 aanvullende volgordebepalingen.
Op woonruimte die via het lotingmodel openbaar wordt aangeboden, reageren doorgaans veel woningzoekenden, regelmatig meer dan 1.000 woningzoekenden. Daarom regelt dit artikel, in welke volgorde woningzoekenden in aanmerking komen voor verlening van de huisvestingsvergunning: Bij het lotingmodel geldt de volgorde:
Als meerdere woningzoekenden die behoren tot de voorrangsgroep ‘huishoudens waarvan tenminste één persoon een leeftijd hoger dan 55 jaar heeft’ reageren op woonruimte met het label ‘seniorenwoning’, hebben de huishoudens met (tenminste) een persoon van 65 jaar of ouder voorrang boven andere huishoudens.
Dit artikel bevat aanvullende volgordebepalingen voor de verschillende in artikel 2.3.9, eerste lid, genoemde volgordegroepen:
de volgorde waarin houders van een urgentieverklaring in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning, wordt bepaald op basis van de ingangsdatum van de urgentie. Als dat geen uitsluitsel biedt, wordt de volgorde bepaald op basis van de inschrijfduur. Er wordt dus geen hiërarchie aangebracht tussen de verschillende categorieën van urgentie;
Op grond van dit artikel wordt bij stadsvernieuwingsurgenten de woonduur gelijkgesteld met de inschrijfduur. Dit is relevant bij het met artikel 2.3.11 bepalen van de volgorde waarin woningzoekenden in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning. Voor stadsvernieuwingsurgenten wordt er vaak op eenzelfde moment de urgentie verleend. Bij twee van deze kandidaten voor eenzelfde woning bepaald de woonduur in de oude woning wie er in aanmerking komt voor de huisvestingsverordening. Inschrijfduur speelt voor de groep van stadsvernieuwingsurgenten niet mee.
Gemeenten en woningcorporaties kunnen met een experiment onderzoeken of woonruimte buiten de huidige kaders van de verordening om, op een andere manier in gebruik gegeven kan worden. Het moet wel gaan om een manier van in gebruik geven die eventueel, gelet op de Huisvestingswet 2014, door aanpassing van de verordening mogelijk gemaakt kan worden. Een experiment duurt maximaal twee jaar en moet geëvalueerd worden.
Bij het opstellen van de hardheidsclausule is rekening gehouden met aanwijzing 76 uit de VNG-uitgave “100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever, vierde, herziene editie 2023”. De hardheidsclausule noemt, ter voorkoming van verboden ‘blanco delegatie’, de specifieke bepalingen waar burgemeester en wethouders bij het gebruiken van de hardheidsclausule van af kunnen wijken. Deze bepalingen gaat over het weigeren van een huisvestingsvergunning. Dit maakt dat burgemeester en wethouders toch een huisvestingsvergunning kunnen toekennen, ook al kan dat op grond van de huisvestingsverordening niet. Dit kan enkel in extreme gevallen die leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. Middels de hardheidsclausule kan niet van de Huisvestingswet worden afgeweken.
Elke paragraaf heeft zijn eigen hardheidsclausule, doordat er per segment de weigeringsgronden zijn genoemd waar van moet kunnen worden afgeweken.
Paragraaf 2.4. Woonruimte van particuliere verhuurders
Naast de sociale huurwoningen van woningcorporaties (paragraaf 2.3) gelden er ook regels voor woonruimte voor particuliere eigenaars. Het gaat hierbij om woningen tot de liberalisatiegrens van eigenaren met meer dan 4 huurwoningen in bezit. Deze paragraaf is optioneel en hoeven gemeenten dus niet te ‘activeren’ doen ze dit wel, dan brengt dit uitvoering voor de gemeente met zich mee, aangezien het vergunningstelsel voor dit segment niet gemandateerd kan worden aan de woningcorporaties.
De gemeente Soest kies ervoor om deze paragraaf niet te activeren.
Paragraaf 2.5 Nieuw te bouwen voor verkoop bestemde woonruimte
Naast de sociale huurwoningen van woningcorporaties (paragraaf 2.3) gelden er ook regels voor woonruimte voor nieuwbouw betaalbare koopwoningen. Het gaat hierbij de eerste verkoop van woningen tot de € 405.00 (prijspeil 2025). Deze paragraaf is optioneel en hoeven gemeenten dus niet te ‘activeren’ doen ze dit wel, dan brengt dit uitvoering voor de gemeente met zich mee, aangezien het vergunningstelsel voor dit segment niet gemandateerd kan worden aan de woningcorporaties. Wel is dit redelijk overzichtelijk, aangezien de beperking tot nieuwbouwwoningen ervoor zorgt dat het om projectbasis gaat en deze projecten over het algemeen al in het vizier van de gemeente zijn.
Schaarste onderzoek koopwoningen
In 2023 is in opdracht van de gemeente Soest door Companen een woningmarktonderzoek gedaan. Uit dit onderzoek blijkt dat de druk op de koopmarkt sinds 2014 toeneemt:
Tussen 2014 en 2022 nam de gemiddelde transactieprijs toe van € 274.000 naar € 542.000. Dit komt bijna neer op een verdubbeling. De prijzen stegen hiermee in Soest iets meer dan gemiddeld in Nederland. Vanaf eind 2022 is er een kantelpunt te zien. Na een jarenlange toename nam de gemiddelde transactieprijs in het 1e kwartaal van 2023 af tot € 487.000 (- 10%). Hiermee liep Soest iets voor op het provinciaal (-6%) en landelijk (-4%) gemiddelde.
Onderzoek van het CBS van 17 februari 2025 laat zien dat er slechts tijdelijk sprake was van een kantelpunt: de gemiddelde verkoopprijzen van bestaande woningen stijgt sinds 2023 weer:
Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek, Kadaster
In het door Companen in 2023 uitvoerde woningmarktonderzoek staat dat er in de meeste woningmarktsegmenten extra woningen nodig zijn:
Er is een aanvullende vraag naar goedkopere en betaalbare grondgebondenwoningen in de koopsector. Het betreft voornamelijk kleine rijwoningen voor (lokale) koopstarters. De bestaande voorraad aan goedkope en betaalbare koopwoningen bestaat in Soest voornamelijk uit appartementen. De meeste bestaande rijwoningen hebben een prijs van >€ 355.000, wat veel starters in de huidige markt niet kunnen betalen.
Tot slot is er veel vraag naar koopappartementen. Deze vraag is met name afkomstig van huishoudens die ouder worden en nadenken over een stap naar een wat kleinere woning waarin zij comfortabel ouder kunnen worden. Maar ook een deel van de koopstarters geeft de voorkeur aan een betaalbaar koopappartement. De bestaande voorraad koopappartementen in Soest bestaat vooral uit goedkopere appartementen. Het accent ligt daarom ook op het toevoegen van koopappartementen in het middeldure segment (€ 270.000 tot ca. € 450.000).
De vraag is groter dan het aanbod, er is overduidelijk sprake van schaarste.
Dit artikel behoeft geen toelichting.
Dit artikel bevat aanvullende begripsbepalingen die van toepassing zijn op deze paragraaf.
In dit artikel krijgt de verkoper de opdracht om te zorgen voor een digitaal platform waarop hij de woonruimte te koop aanbiedt, waarop woningzoekenden zich kunnen inschrijven en waarop woningzoekenden kunnen reageren op de aangeboden woonruimte. De verkoper kan zelf een digitaal platform (laten) bouwen en beheren, of hij kan gebruik maken van al bestaande digitale platforms waarmee aan het in dit artikel bepaalde kan worden voldaan. Dit wordt voorgeschreven om er zeker van te zijn dat woningzoekenden het aanbod goed kunnen vinden en hun interesse toonbaar kunnen maken.
Het tweede lid bevat enkele eisen over de inhoud van gebruiksvoorwaarden van het digitale platform. Die eisen gaan over de inschrijving als woningzoekende en de inschrijfduur. Dit, met het oog op de in artikel 2.3.11 opgenomen wijze van volgordebepaling.
In het tweede lid, onder e, is gelet op artikel 11a, 11b en 11c van de Huisvestingswet 2014, bepaald dat in bepaalde gevallen de inschrijving van woningzoekenden in het aanbodinstrument niet vervalt. Dit gaat bijvoorbeeld om tijdelijke woonruimten of contracten specifiek voor jongeren.
In het derde lid is bepaald dat de gebruiksvoorwaarden in overeenstemming met de Huisvestingswet 2014 en de verordening moeten zijn, en dat ze transparant medegedeeld worden aan woningzoekenden.
Dit artikel bevat in aanvulling op paragraaf 2.2 enkele aanvullende regels over de aanvraag en weigering van een huisvestingsvergunning.
Het tweede lid bevat weigeringsgronden waarmee een goede werking van de in deze verordening opgenomen regels wordt gewaarborgd. Het gaat daarbij om de regels over de volgorde waarin woningzoekende voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komen (zie onder a), om regels over het te koop aanbieden en bekendmaken van het aanbod (zie onder b en c) en om de inschrijving van de woningzoekende in het digitale platform (zie onder d).
De in het tweede lid opgenomen weigeringsgronden zijn niet imperatief (dus: geen “moeten weigeren”), maar facultatief (dus: “kunnen weigeren”). Dit betekent dat burgemeester en wethouders bij weigering op grond van één van deze gronden, moeten motiveren waarom zij weigeren.
Op woonruimte die openbaar wordt aangeboden, reageren doorgaans meerdere woningzoekenden. Daarom regelt dit artikel, in welke volgorde woningzoekenden in aanmerking komen voor verlening van de huisvestingsvergunning:
De verordening stuurt alleen op binding en schrijft niet voor hoe de woningen worden verdeeld binnen de verschillende groepen. Dit is een vrije keuze van de verkoper.
In het tweede lid is bepaald, dat de voorrang van woningzoekenden met economische of maatschappelijke binding achterwege blijft, als daardoor meer dan 50% van de huisvestingsvergunningen met die voorrang verleend zouden worden. Dit waarborgt dat de uitvoering van de verordening binnen de bandbreedte van artikel 14 van de Huisvestingswet 2014 blijft. Dit percentage moet per segment per jaar worden aangehouden.
Er wordt in de koop enkel gestuurd op voorrang voor deze binding voor maximaal de helft van de toewijzingen. Dit is om niet teveel in te grijpen in de contractvrijheid van verkopers, maar wel voor de schaarse betaalbare koopwoningen in de gemeente voorrang te kunnen geven aan lokaal woningzoekenden.
Bij de behandeling van de aanvraag om een huisvestingsvergunning of bij een toezichtonderzoek moet vastgesteld kunnen worden of de verkoper zich voldoende heeft ingespannen om een koper te vinden die gelet op artikel 2.5.6 voorrang heeft bij de verlening van een huisvestingsvergunning. Daarom bevat dit artikel voor de verkoper bepaalde administratieve verplichtingen. Hiermee wordt uitvoering gegeven van artikel 17, derde lid, van de Huisvestingswet 2014.
Bij het opstellen van de hardheidsclausule is rekening gehouden met aanwijzing 76 uit de VNG-uitgave “100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever, vierde, herziene editie 2023”. De hardheidsclausule noemt, ter voorkoming van verboden ‘blanco delegatie’, de specifieke bepalingen waar burgemeester en wethouders bij het gebruiken van de hardheidsclausule van af kunnen wijken. Deze bepalingen gaat over het weigeren van een huisvestingsvergunning. Dit maakt dat burgemeester en wethouders toch een huisvestingsvergunning kunnen toekennen, ook al kan dat op grond van de huisvestingsverordening niet. Dit kan enkel in extreme gevallen die leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. Middels de hardheidsclausule kan niet van de Huisvestingswet worden afgeweken.
Elke paragraaf heeft zijn eigen hardheidsclausule, doordat er per segment de weigeringsgronden zijn genoemd waar van moet kunnen worden afgeweken.
2.3. Hoofdstuk 3 De urgentieverklaring voor woonruimte van corporaties
Dit hoofdstuk gaat over de werking van de urgentieverklaring. Onderstaande tabel geeft inzicht in de verschillende urgente categorieën die in dit hoofdstuk worden onderscheiden, of deze anticiperen op de regiewet en welke binding is vereist om aanspraak te kunnen maken op de urgentie. De manier van zoeken (direct bemiddelen of zelf reageren) is niet gekoppeld aan een urgentiecategorie. Per urgentieaanvraag kan worden bekeken welke wijze het meest passend is.
Paragraaf 3.1 Aanvraag, verlening en weigering van de urgentieverklaring
Een urgentieverklaring is een beschikking die wordt afgegeven door de gemeente (of een gemandateerde organisatie), waarmee een woningzoekende ingedeeld wordt in een urgentiecategorie. Vervolgens heeft die woningzoekende in bepaalde gevallen voorrang bij het verlenen van een huisvestingsvergunning binnen de sociale huur van woningcorporaties.
Een urgentieverklaring is geldig binnen de gemeente waarin deze is afgegeven, tenzij anders vermeld. De urgent woningzoekende kan zowel een zoekprofiel toegewezen krijgen en zelf (met voorrang) op aanbod reageren, als direct bemiddeld worden voor woningen binnen dit zoekprofiel. Het moet daarbij wel gaan om woonruimte die valt onder de regels van paragraaf 2.3 (sociale huur van woningcorporaties) van de verordening. Artikel 12 van de Huisvestingswet 2014 is de basis voor de regels over de urgentieverklaring en de voorrang van de houders daarvan.
In het eerste lid is aangegeven dat de urgentieverklaring wordt aangevraagd bij en verleend en geweigerd door het college van burgemeester en wethouders. Dit is overeenkomstig de normale, in de Gemeentewet geregelde, verdeling van bevoegdheden over de bestuursorganen van de gemeente. Zie ook artikel 13, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014.
Het tweede lid geeft aan, welke informatie bij de aanvraag ingediend moet worden. Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan artikel 13, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014.
Op grond van het eerste lid wordt de urgentieverklaring geweigerd als sprake is van één of meer van de volgende situatie:
de aanvrager komt op grond van artikel 10, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 niet voor een huisvestingsvergunning in aanmerking. Het gaat dan om een aanvrager die niet de Nederlandse nationaliteit heeft of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander behandelt moet worden, of geen rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling is;
Het gaat in het eerste lid om imperatieve weigeringsgronden (dus: “wordt geweigerd”, en niet “kunnen weigeren”). Hier kan enkel met toepassing van de hardheidsclausule van afgeweken worden (zie artikel 3.2.9). In het tweede en derde lid gaat het om facultatieve weigeringsgronden (dus: “kunnen weigeren”, en niet: “wordt geweigerd”).
De voorwaarden in het tweede lid gaat in op te meten en dus te bewijzen reden tot weigeringen. In het derde lid moet een weigering gemotiveerd worden aan de hand van verschillende redenen waarom een urgentiestatus de woningzoekende niet zou helpen of niet nodig is bijvoorbeeld omdat er voldoende alternatieven zijn voor de woningzoekende. Een andere reden voor het niet verlenen van een urgentiestatus is omdat het de eigen schuld van de woningzoekende is of de situatie voorkomen had kunnen worden. Er kan een urgentiecommissie worden aangesteld om deze afweging te maken. Dit artikel is niet van toepassing op aanvragen om indeling in de urgentiecategorieën uitstroom naar zelfstandig wonen (3.2.1), mantelzorg (3.2.2), ernstige chronische medische problematiek (3.2.3) of deelname aan overheidsprogramma (3.2.4). Zie hiervoor verder artikel 3.1.3.
De in de artikelen 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3 of 3.2.4 bedoelde urgentiecategorieën anticiperen op de urgentiecategorieën die met het wetsvoorstel ‘Wet versterking regie volkshuisvesting’ in te voeren verplichte urgentiecategorieën.1 Daarom zijn in artikel 3.1.3 specifieke weigeringsgronden opgenomen voor aanvragen om indeling in die urgentiegronden, die in die wet worden voorgeschreven. De weigeringsgronden uit artikel 3.1.2. zijn op deze categorie niet van toepassing.
De woningzoekende moet in de eerste instantie economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de woningmarktregio om in aanmerking te komen voor urgentie. Enkel in het geval van mantelzorg (geen bindingseis) en ernstige chronische medische problematiek (met een bindingseis aan het schaalniveau van de gemeente) is dit niet zo. Belangrijk is dat in het tweede lid onder i wordt geregeld dat een woningzoekende maar in één gemeente een urgentieverklaring voor een bepaalde categorie kan verkrijgen.
In het derde lid wordt geregeld dat de woningzoekende die uitstroomt naar zelfstandig wonen ook uit kan stromen naar een andere gemeente dan de gemeente van herkomst (waar die woonde voordat die instroomde in de instelling), mocht de persoonlijke situatie daar om, vragen. Ook onder het mom van evenwichtige spreiding kan de urgent woningzoekende buiten de gemeente van herkomst een woning toegewezen krijgen. Buiten deze twee zwaarwegende redenen is het de norm dat urgentie enkel in de gemeente van herkomst wordt toegekend.
Het eerste lid van dit artikel beschrijft wat er tenminste in de urgentieverklaring opgenomen wordt. Naast de gegevens van de woningzoekende aan wie de urgentieverklaring verleend wordt, staat vooral het zoekprofiel centraal: de ‘voorrang’ van de urgentieverklaring geldt alleen bij woningen die aan het zoekprofiel voldoen. Het zoekprofiel wordt ingesteld om ervoor te zorgen dat woningzoekenden wel passend gaan wonen en dat de woonruimte ook echt bijdraagt aan het oplossen van de oorzaak van de urgentie. In principe geldt dat de urgentieverklaring geldt voor alle passende woningtypen met uitzondering van de grondgebonden woningen, tenzij vastgesteld wordt dat alleen een grondgebonden woning bijdraagt aan het oplossen van de oorzaak van de urgentie.
Het tweede, derde en vierde lid bevatten bepalingen over de duur van de urgentieverklaring. De urgentieverklaring vervalt als een woning wordt toegewezen of na 6 maanden na de verlening van de verklaring. Dit is omdat het gaat om urgente problematiek welke binnen 6 maanden moet worden opgelost. Als het gaat om stadsvernieuwingsurgenten waarvan de woning gesloopt wordt vervalt de urgentie op datum van de sloop.
In bepaalde gevallen kan de geldigheid van de urgentieverklaring verlengd worden. Dit kan eenmalig met (nogmaals) 6 maanden gebeuren. Dit kan alleen als het probleem nog even groot is, een nieuwe woning de oplossing is en als de woningzoekende zelf genoeg heeft gedaan om te zorgen dat er gebruik kan worden gemaakt van de urgentie (door te reageren op passend aanbod en geen woning te weigeren binnen het aanbodmodel). In een enkel geval kan de urgentievergunning volgens het vierde lid wel nogmaals verlengd worden, mocht er een erg specifieke woonvraag zijn, zoals een erg groot gezin of meervoudige handicaps waarvoor maar zelden passend aanbod vrijkomt.
In het eerste lid van dit artikel wordt aangegeven, dat de urgentieverklaring ‘voorrang’ geeft bij de verlening van huisvestingsvergunningen. Hoe precies is bepaald in paragraaf 2.3 van de verordening. Zie de artikelen 2.3.9 tot en met 2.3.12.
Het tweede lid beschrijft, wat de houder van de urgentieverklaring zelf moet doen om zo snel mogelijk een passende woning te vinden: zoeken naar en reageren op passende woonruimte die op het digitale platform te huur wordt aangeboden. In het derde lid is aangegeven, dat woningcorporaties ook via directe bemiddeling een passende woning kunnen aanbieden aan de houder van een urgentieverklaring.
In het vierde lid wordt bepaald dat, wanneer er een woning op basis van de urgentieverklaring wordt toegewezen die binnen het zoekprofiel van de urgent woningzoekende past, de urgentieverklaring vervalt.
In dit artikel is bepaald wanneer een urgentieverklaring ingetrokken (zie het tweede lid) of gewijzigd (zie het derde lid) kan worden. Als een woningzoekende een passende woning, die valt binnen het zoekprofiel, weigert kan de urgentieverklaring worden ingetrokken. Dit is een mogelijkheid, geen verplichting. De wet versterking regie op de volkshuisvesting creëert deze mogelijkheid voor de daarin voorgeschreven categorieën urgent woningzoekenden (zie artikel 3.1.7) en dit artikel trekt deze mogelijkheid breder naar alle urgent woningzoekenden. Dit is gedaan om te zorgen dat woningzoekenden goed nadenken over hun weigering, en om het proces van toewijzing efficiënter te maken. Het idee van een urgentieverklaring is dat er snel een woning nodig is. Er wordt een zoekprofiel opgesteld om de passendheid van de woning te garanderen en een weigering van een passende woning past niet goed bij de urgente aard van de woonvraag.Dit artikel is niet van toepassing op aanvragen om indeling in één van de artikelen 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3 of 3.2.4 bedoelde urgentiecategorieën. Zie hiervoor verder artikel 3.1.7.
De urgentiecategorieën uitstroom naar zelfstandig wonen (3.2.1), mantelzorg (3.2.2), ernstige chronische medische problematiek (3.2.3) of deelname aan overheidsprogramma (3.2.4) anticiperen op met het wetsvoorstel ‘Wet versterking regie volkshuisvesting’ in te voeren verplichte urgentiecategorieën.2 Daarom zijn in artikel 3.1.7 specifieke intrekkings- en wijzigingsgronden opgenomen voor aanvragen om indeling in die urgentiegronden die in lijn zijn met die wet.
Onder d in dit artikel wordt bepaald dat een woning weigeren, die voldoet aan het zoekprofiel, reden is om de urgentieverklaring in te trekken. Dit is een mogelijkheid, geen verplichting.
Paragraaf 3.2 Urgentiecategorieën
In deze paragraaf worden de verschillende gronden op basis waarvan urgentie kan worden aangevraagd beschreven. Hierbij geldt dat de toetsingsgronden uit paragraaf 3.1 de basis vormen en, afhankelijk van de urgentiecategorie, aanvullende eisen gelden voordat de urgentieverklaring wordt toegekend.
De in dit artikel opgenomen urgentiecategorie ziet op de uitstroom van woningzoekenden vanuit de in het tweede lid genoemde voorzieningen of instellingen. Het derde lid biedt de mogelijkheid om voorwaarden aan de urgentieverklaring te verbinden, zoals het opleggen van begeleiding.
Dit artikel anticipeert op een met het wetsvoorstel ‘Wet versterking regie volkshuisvesting’ in te voeren verplichte urgentiecategorie.3 In aanvulling daarop is in het eerste lid, onder b, opgenomen dat sprake moet zijn van economische of maatschappelijke binding met de woningmarktregio.
Om te zorgen dat men pas uitstroomt als dit verantwoordelijk wordt geacht door de zorginstantie, is het deze zorginstantie die de urgentie voor de woningzoekende aanvraagt.
Voor de in het tweede lid, onder b, genoemde categorie woningzoekenden moet op grond van het huidige artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet 2014 ook al een regeling in de verordening opgenomen worden.
Met het toevoegen van lid 2 sub g wijkt de gemeente Soest af van de regionaal opgestelde huisvestingsverordening. In de regionaal opgestelde verordening is de doelgroep uitstroom uit begeleid wonen niet opgenomen als urgentiecategorie. De regio wil namelijk eerst gaan onderzoeken hoe groot deze doelgroep is, om deze dan eventueel op te nemen in een volgende huisvestingsverordening. Op grond de huidige verordening van de gemeente Soest krijgt deze doelgroep reeds een urgentie. Het gaat om de doelgroep die met een WMO indicatie, in een door de gemeente erkende zorginstelling in woningmarktregio verblijft en begeleiding ontvangt. Binnen de gemeente noemen we deze groep “begeleid wonen”.
De in dit artikel opgenomen urgentiecategorie ziet op de verleners en ontvangers van mantelzorg. Zie de cumulatieve voorwaarden. Dit artikel vormt een uitwerking van artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet 2014.
Dit artikel anticipeert op een met het wetsvoorstel ‘Wet versterking regie volkshuisvesting’ in te voeren verplichte urgentiecategorie.4 In aanvulling daarop is in onder a, opgenomen dat sprake moet zijn van economische of maatschappelijke binding met de gemeente.
Het is belangrijk dat de urgentie de mantelzorg faciliteert, dit wordt bijvoorbeeld getoetst door een minimaal aantal uur mantelzorg te eisen en een minimale afstand tussen de mantelzorger en ontvanger. Door urgentie voor mantelzorgers of – ontvangers te faciliteren draagt dit bij aan het langer thuis kunnen blijven wonen van ouderen.
De in dit artikel opgenomen urgentiecategorie ziet op woningzoekenden die kampen met ernstige chronische en medische problematiek waardoor dat in de huidige woonsituatie levensontwrichtend is. Zie de cumulatieve voorwaarden van het eerste lid. De voorwaarde onder e. is enkel van toepassing voor de gevallen waar de problematiek van psychische aard is, en geldt dus niet voor woningzoekenden met niet-psychische vormen van ernstige en chronische problematiek.
Het tweede lid bevat een specifieke regeling over advisering door een onafhankelijke sociaal-medische adviseur aan burgemeester en wethouders, ter voorbereiding van de beslissing op de aanvraag. Het derde lid biedt de mogelijkheid om voorwaarden met het oog op begeleiding aan de urgentieverklaring te verbinden in het geval dat de problematiek van psychische aard is.
Dit artikel anticipeert op een met het wetsvoorstel ‘Wet versterking regie volkshuisvesting’ in te voeren verplichte urgentiecategorie.5
In aanvulling daarop is in het eerste lid, onder a, opgenomen dat sprake moet zijn van economische of maatschappelijke binding met de gemeente.
De in dit artikel opgenomen urgentiecategorie ziet op woningzoekenden die deelnemen aan een overheidsprogramma gericht sekswerkers die duurzaam uit de seksbranche stappen. Zie de cumulatieve voorwaarden van het eerste lid.
Het derde lid biedt de mogelijkheid om voorwaarden aan de urgentieverklaring te verbinden.
Dit artikel anticipeert op een met het wetsvoorstel ‘Wet versterking regie volkshuisvesting’ in te voeren verplichte urgentiecategorie.6 In aanvulling daarop is in het eerste lid, onder a, opgenomen dat sprake moet zijn van economische of maatschappelijke binding met de gemeente.
De in dit artikel opgenomen urgentiecategorie ziet op de huisvesting van vergunninghouders (“statushouders”) als onderdeel van de wettelijke taakstelling van de gemeente. Zie hoofdstuk 5, paragraaf 1, van de Huisvestingswet 2014.
De in dit artikel opgenomen urgentiecategorie ziet op woningzoekenden die zich geconfronteerd zien met een grote achteruitgang van het inkomen en daardoor de huidige woning moeten verlaten. Zie de cumulatieve voorwaarden.
De in dit artikel opgenomen urgentiecategorie ziet op woningzoekenden die als gevolg van relatiebeëindiging de huidige woning moeten verlaten. Zie de cumulatieve voorwaarden van het eerste lid. Als uitgangspunt geldt, dat de urgentieverklaring alleen verleend wordt aan de (ex)partner die de zorg voor de minderjarige kinderen draagt. Als beide (ex)partners die zorg gelijk verdelen, krijgt alleen de (ex)partner met het laagste inkomen de urgentieverklaring.
De in dit artikel opgenomen urgentiecategorie ziet op woningzoekenden die vanwege stadsvernieuwing hun huidige woning moeten verlaten. Zie de cumulatieve voorwaarden van het eerste lid.
De gewijzigde Huisvestingswet 2014 maakt het verlenen van voorrang aan woningzoekenden die een vitaal beroep uitoefenen expliciet mogelijk en stelt hier ook eisen aan, namelijk dat er een tekort moet zijn aan deze beroepen in de gemeente én dat deze beroepen van vitaal belang zijn voor de lokale samenleving. Gemeenten mogen dit laatste zelf onderbouwen. In Soest kiezen we een aantal uitgangspunten bij het bepalen wanneer een sector van vitaal belang is voor de lokale samenleving:
Ook moet het binnen de aangewezen sectoren gaan om beroepen waarbij het inkomen in beginsel in aanmerking kan komen voor sociale huur. Reden hiervoor is allereerst dat de voorrangsregeling anders niet effectief is. Er gelden immers ook inkomenseisen voor sociale huur. Zonder dit uitgangspunt zouden in theorie beroepen gekozen kunnen worden die uiteindelijk niets met hun voorrang kunnen.
Tot slot moet het binnen de sectoren gaan om uitvoerende beroepen die in de praktijk staan. De beroepen in de aangewezen sector moeten bijvoorbeeld in daadwerkelijk contact staan met de cliënt, met inwoners of met leerlingen. Denk hierbij aan de zogenaamde ‘handjes aan het bed’ of de ‘ogen en oren op straat’.
Binnen de gemeente Soest is de Brandweerzorg gericht op het verlenen van hulp bij branden, ongevallen, incidenten met gevaarlijke stoffen en waterongevallen, alles binnen een tijdsbestek van 8 minuten. Dit is noodzakelijk om mensen, dieren (in levensbedreigende situaties) en gebouwen te kunnen redden bij calamiteiten. Naast deze kernactiviteiten is de brandweer ook betrokken bij reanimaties van patiënten met hartfalen. Ze start snel een professionele reanimatie op en biedt tijdige zorg ter ondersteuning van de ambulancedienst. Hierdoor is de brandweer een vitaal beroep dat een onschatbare bijdrage levert aan de veiligheid van Soest en haar inwoners.
In Soest wordt brandweerzorg geleverd vanuit twee posten (Soest en Soesterberg) door ongeveer 70 vrijwilligers. Deze vrijwilligers wonen en/of werken in de directe omgeving van de kazerne, zodat zij bij incidenten, middels een pieper, opgeroepen kunnen worden. Uit een onderzoek van het CBS in 2019 blijkt dat de tekorten groot zijn in de brandweer, ook in de veiligheidsregio Utrecht. Navraag bij de commandanten werkzaam in de gemeente Soest, blijkt deze situatie sinds 2019 niet te zijn verbeterd.
Op basis van wijzigingen in de Huisvestingswet kan brandweer o.b.v. ‘cruciaal beroep’ voorrang krijgen. Deze zou dan vallen onder het artikel waarmee economische en maatschappelijke binding is geregeld. Alleen is dit voor de corporatie niet goed uitvoerbaar in de implementatie van Woningnet, mede omdat Soest met deze toevoeging lokaal afwijkt van de regionale modelverordening.
Bij het opstellen van de hardheidsclausule is rekening gehouden met aanwijzing 76 uit de VNG-uitgave “100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever, vierde, herziene editie 2023”. De hardheidsclausule noemt, ter voorkoming van verboden ‘blanco delegatie’, despecifieke bepalingen waar burgemeester en wethouders bij het gebruiken van de hardheidsclausule van af kunnen wijken. Deze hardheidsclausule maakt het mogelijk om af te wijken van het eerste lid in de artikelen 3.1.2. en 3.1.3.. Dit maakt dat er toch een urgentie kan worden verleend ook al voldoet een woningzoekende niet aan de eisen van de urgentie categorieën uit paragraaf 3.2.
2.4. Hoofdstuk 4 Standplaatsen voor woonwagens
Dit hoofdstuk gaat in op de toewijzing van standplaatsen. Voor sommige gemeenten zal dit buiten de verordening vallen als in artikel 2.1.1 daarvoor is gekozen. Niet alle gemeenten nemen toewijzingsbeleid op in hun verordening, dit kan ook in aanverwant beleid worden opgenomen. Bij dit deel is het voeren van verschillend beleid tussen gemeenten niet erg aangezien het gaat om kleine aantallen en een specifiek aanbod en doelgroep en de omvang van het aanbod en de doelgroep (sterk) verschilt tussen gemeenten. Urgentie is niet geldig in dit deel van de woningvoorraad, omdat er dermate weinig aanbod is en dit aanbod door de krapte beschikbaar moet blijven voor de doelgroep.
Schaarste onderzoek (woonwagen)standplaatsen
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat de woonwagencultuur een vorm van cultureel erfgoed is, die bescherming verdient op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (recht op respect voor privéleven, gezinsleven en woning). Gemeenten hebben daarmee niet alleen de bevoegdheid, maar ook een zekere positieve verplichting om de instandhouding van deze cultuur mogelijk te maken. Dit betekent onder meer dat bij het opstellen en uitvoeren van beleid met betrekking tot standplaatsen rekening gehouden dient te worden met de specifieke leefwijze en tradities van woonwagenbewoners.
De gemeente Soest beschikt momenteel over 25 standplaatsen voor woonwagens. Van deze standplaatsen zijn er op dit moment 3 niet in gebruik, in afwachting van een besluit van de gemeenteraad over het brandveilig gebruik van de betreffende locatie.
Op de wachtlijst voor een standplaats staan op dit moment 16 woningzoekenden ingeschreven. Hiervan zijn 13 personen woonachtig binnen de woningmarktregio, waaronder 6 personen die momenteel binnen de gemeentegrenzen wonen. Dit duidt op een aanzienlijke lokale binding van een groot deel van de woningzoekenden. Van de overige woningzoekenden is een aantal familie van de bewoners die reeds op de locatie in Soest wonen.
De gemiddelde inschrijftijd voor een standplaats bedraagt meer dan 15 jaar. Deze wachttijd loopt op, zolang er geen standplaatsen aangeboden worden. Deze gemiddelde inschrijftijd is beduidend hoger dan de gemiddelde inschrijfduur voor reguliere sociale huurwoningen in de gemeente, waarmee sprake is van een relatief en absoluut tekort. De wachttijd vormt een significante belemmering voor toegang tot passende huisvesting voor deze doelgroep.
Op basis van de beschikbare gegevens wordt geconcludeerd dat er binnen de gemeente sprake is van aantoonbare schaarste aan standplaatsen voor woonwagens. Deze schaarste is zowel kwantitatief (beperkt aanbod) als kwalitatief (langdurige wachttijden, lokale binding) van aard. De situatie rechtvaardigt het opnemen van regels in de Huisvestingsverordening die gericht zijn op een rechtvaardige en doelmatige verdeling van standplaatsen, waarbij prioriteit wordt gegeven aan woningzoekenden met een aantoonbare lokale binding.
Paragraaf 4.1 Huisvestingsvergunning voor standplaatsen
Dit artikel behoeft geen toelichting.
Dit artikel bevat aanvullende begripsomschrijvingen.
Het begrip ‘standplaats’ wordt gedefinieerd in artikel 1 van de Huisvestingswet 2014 en is daarom hier niet nogmaals gedefinieerd.
In dit artikel wijst de gemeenteraad de huisvestingsvergunningplichtige woonruimte – hier specifiek: standplaatsen – aan. Verder is tot uitdrukking gebracht dat het verbod om zonder daartoe strekkende huisvestingsvergunning de hier aangewezen standplaats in gebruik te geven of te nemen, in artikel 8 van de Huisvestingswet 2014 staat.
Paragraaf 4.2 Aanvragen, verlenen en weigeren van de huisvestingsvergunning voor standplaatsen
In het eerste lid wordt aangegeven waar de huisvestingsvergunning aangevraagd dient te worden en dat burgemeesters en wethouders hiervoor een formulier kunnen vaststellen. In het tweede lid is aangegeven, welke informatie in ieder geval met de aanvraag wordt ingediend.
In dit artikel is de categorieën woningzoekenden aangewezen die in aanmerking komt voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning. Door de aanwijzing van deze categorieën woningzoekenden geeft de gemeenteraad uitvoering aan artikel 10, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014.
In het eerste lid van dit artikel wordt aangegeven, dat burgemeester en wethouders beslissen over het verlenen, weigeren, wijzigen en intrekken van de huisvestingsvergunning. Dit is overeenkomstig de normale, in de Gemeentewet geregelde, verdeling van bevoegdheden over de bestuursorganen van de gemeente.
Het tweede lid geeft aan, in welke gevallen burgemeester en wethouders de huisvestingsvergunning in ieder geval weigeren. Daarmee geeft het tweede lid uitvoering aan artikel 9 van de Huisvestingswet 2014.
Dit artikel bepaald wat er tenminste in een huisvestingsverordening vermeld moet staan. Het tweede lid benoemt de mogelijkheid, van artikel 19 van de Huisvestingswet 2014, om een mandaat te geven om huisvestingsvergunning te verlenen. Dit mandaat kan enkel aan woningwoningcorporaties worden gegeven.
Paragraaf 4.3 Inschrijving van woningzoekenden en bekendmaken van het aanbod
Dit artikel bevat regels voor de inschrijving van woningzoekenden die in aanmerking willen komen voor een standplaats. Die inschrijving vindt plaats in het door de woningcorporaties gezamenlijk ingerichte digitale platform.
Gedurende deze termijn gaat de verhuurder niet tot selectie van de beoogde huurder over. Het is namelijk belangrijk, dat de woningzoekenden die gelet op artikel 4.4.1, voorrang hebben bij de verlening van een huisvestingsvergunning, voldoende kans hebben om op de aangeboden standplaats te reageren en om als beoogd huurder geselecteerd te worden.
Het tweede lid stelt meer inhoudelijke eisen aan het aanbod van de standplaats. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 20 van de Huisvestingswet 2014. Het vierde lid geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om over bepaalde onderwerpen nadere regels te stellen.
Paragraaf 4.4 Volgorde waarin woningzoekenden voor een standplaats in aanmerking komen
Artikel 4.4.1 Algemene volgordebepaling
Dit artikel beschrijft hoe bepaald wordt, in welke volgorde de woningzoekenden in aanmerking komen voor de huisvestingsvergunning voor een standplaats. Tot deze volgorde is in samenspraak met woningzoekenden uit de doelgroep in de gemeente Amersfoort gekomen.
Artikel 4.4.2. Specifieke volgordebepaling
Dit artikel vult de volgordebepaling binnen groepen aan. Bij twee kandidaten wordt de woning toegewezen op basis van de hoogste leeftijd (in het geval van kinderen en kleinkinderen van de bewoner die de standplaats achterlaat) en/of de langste inschrijfduur (in de overige gevallen en bij gelijke leeftijd).
2.5. Hoofdstuk 5 Overige bepalingen
Paragraaf 5.1 Bestuurlijke boete
Dit artikel regelt het door het college van burgemeester en wethouders opleggen van een bestuurlijke boete wegens het zonder huisvestingsvergunning in gebruik geven of nemen van aangewezen woonruimte. Gelet op artikel 35 van de Huisvestingswet 2014 stelt de gemeenteraad in de huisvestingsverordening het bedrag (dus: de hoogte) van de bestuurlijke boete vast. Dit gebeurt in het tweede en derde lid van artikel 5.1.1.
Dit artikel bevat overgangsrechtelijke regels. Is een aanvraag ingediend voor inwerkingtreding van deze verordening, maar is daar na inwerkingtreding nog niet op beslist? Dan past het college van burgemeester en wethouders bij de beslissing op die aanvraag deze verordening toe.
Bij de behandeling van bezwaar of beroep tegen een besluit dat is genomen met de toepassing van de vorige verordening, blijft het oude recht van toepassing.
Urgentieverklaringen die voor inwerkingtreding van deze verordening zijn verleend, blijven (voor zover zij nog gelden) van kracht: zij worden gelijkgesteld met urgentieverklaring die zijn afgegeven met toepassing van deze verordening.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-308945.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.