Gemeenteblad van Urk
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Urk | Gemeenteblad 2025, 30048 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Urk | Gemeenteblad 2025, 30048 | beleidsregel |
Beleidsregels Jeugdhulp Urk 2025
Deze beleidsregels jeugdhulp zijn opgesteld als verdere uitwerking van de beoordelingsruimte van diverse wetsartikelen en de regels over jeugdhulp die staan in de Verordening sociaal domein (hierna: Verordening). In deze beleidsregels staan meer concrete uitvoeringsregels en afspraken die zijn gemaakt over jeugdhulp. Ook is te lezen wat ouders en jeugdigen van de gemeente Urk kunnen en mogen verwachten, maar ook wat de gemeente Urk van hen mag verwachten.
Door beleidsregels vast te stellen, wordt de uitvoering ondersteund en kan bij besluitvorming worden verwezen naar deze regels. Dit betekent dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens het door de gemeente Urk vastgestelde beleid dat ook is gepubliceerd.
Waar in deze beleidsregels wordt gesproken over de gemeente wordt (het college van) de gemeente Urk bedoeld.
1.1 Eigen verantwoordelijkheid
Met de Jeugdwet is in 2015 het verzekerd recht op zorg vervangen door een jeugdhulpplicht voor gemeenten als ouders en jeugdigen er (eenvoudig gezegd) samen niet uitkomen. In de wet en toelichting daarop staat het volgende. Dit nieuwe jeugdstelsel heeft als uiteindelijk doel het versterken van de eigen kracht van de jeugdige en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van diens gezin en sociale omgeving.
Verantwoordelijkheid van ouders
De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Deze verplichting voor ouders is terug te zien in de artikelen 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek. Het moet voor ouders en professionals vanzelfsprekend zijn dat ouders zelf de regie nemen en houden over de opvoeding van hun kinderen, tenzij dit een onverantwoord risico voor het kind oplevert. Dat vraagt een vraaggerichte houding van hulpverleners, waarbij uitgegaan wordt van de eigen kracht van jongeren en ouders en het besef dat zij verantwoordelijk zijn voor zichzelf en, in het geval van ouders, ook voor hun kinderen. Hierop zijn zij ook aanspreekbaar. De overheid dient ervoor te waken de zorgtaken van mensen en hun verbanden over te nemen. Ze komt pas in beeld als de ouders problemen ondervinden, als de opvoeding- en leefsituatie de ontwikkeling van kinderen bedreigt en de overheid de ouders dient te helpen om deze voorwaarden te vervullen of als de jeugdige verdacht wordt of veroordeeld is voor een strafbaar feit.
Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. Deze uitgangspunten zijn (ook) in artikel 2.1 van de Jeugdwet verankerd. Daarin staat dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst ligt bij de ouders en de jeugdige zelf en er moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociaal netwerk.
In de verordening moet een regelstellend kader zijn opgenomen wanneer sprake is van eigen kracht en welke afwegingsfactoren daarbij een rol spelen. Het gaat over wat de betekenis van de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht is die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek. Dit is uitgewerkt in hoofdstuk 3 van deze beleidsregels.
De gemeente zorgt voor deskundige toeleiding naar, advisering over, en bepaling van en het inzetten van de aangewezen hulp-op-maat waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:
rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.
Deze wettelijke jeugdhulpdoelen (te bereiken resultaten) worden hierna kort uitgelegd.
Gezond en veilig opgroeien en groeien naar zelfstandigheid
Bij het gezond en veilig opgroeien gaat het niet alleen om de lichamelijke gezondheid, maar ook om de geestelijke gezondheid, een gezonde leefstijl en continuïteit in opvoeding en verzorging. Bij het veilig opgroeien moet gedacht worden aan geborgenheid, structuur en regelmaat, veiligheid thuis en veiligheid buitenshuis. Onder het groeien naar zelfstandigheid wordt bedoeld dat jeugdigen zelfstandigheid bereiken om mee te kunnen doen aan de maatschappij.
Activiteiten gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen kunnen in de vorm van persoonlijke verzorging of begeleiding worden geboden. Het kan bijvoorbeeld gaan om het aanleren van de activiteiten. Ook dagbesteding kan gericht zijn op de zelfredzaamheid.
Dit gaat over het mee kunnen doen in de maatschappij. Het gaat dan om de mogelijkheden van de jeugdige om actief betrokken te zijn bij de maatschappij, maar ook over hoe hij zelf zijn steentje bij kan dragen aan de maatschappij, mee kan denken en mee kan doen, mogelijkheden heeft voor het beoefenen van sport en cultuur en voorbereid is op zijn toekomst door het behalen van een diploma, het vinden van werk en het zelf in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.
Leeftijd en ontwikkelingsniveau
Dat wat hiervoor is gezegd is afhankelijk van de leeftijd en ontwikkelingsniveau van de jeugdige. Dit in vergelijking met leeftijdsgenoten zonder behoefte aan jeugdhulp. Het is niet altijd mogelijk om bijvoorbeeld volledige zelfstandigheid te bereiken. Dit omdat het gelet op de beperkingen van een jeugdige simpelweg niet mogelijk is om hun tekort aan zelfredzaamheid met hulp-op-maat op te heffen. De gemeente heeft dan een inspanningsverplichting om een zo goed mogelijk resultaat te bereiken.
De methodieken die de gemeente hanteert zijn mede op gebaseerd op het gedachtegoed Positieve Gezondheid. Het gaat om het vermogen je aan te passen en je eigen regie te voeren, in het licht van de sociale, fysieke en emotionele uitdagingen van het leven.
De jeugdhulpplicht van de gemeente is een resultaatverplichting. Dat wil zeggen als er hulp-op-maat nodig is, dan is dat gericht op het bereiken van de resultaten zoals hiervoor omschreven.
De gemeente heeft ruimte bij de beoordeling met welke hulp-op-maat een of meerdere noodzakelijke resultaten worden bereikt. Dat staat in de wet. Het is verder zo dat hulp-op-maat passende jeugdhulp moet zijn. Ook dat staat in de wet.
Hebben jeugdigen en/of ouder(s) jeugdhulp nodig, dan kunnen zij een beroep doen op de door de gemeente georganiseerde jeugdhulp. Daar kan een aanvraag voor worden gedaan waarop de gemeente beslist met een beschikking (zie 2.1 van deze beleidsregels). Of hulp-op-maat volgens de gemeente nodig is, is afhankelijk van de individuele situatie van de jeugdige en zijn ouder(s). Ook kan het zijn dat geen hulp-op-maat nodig is omdat volgens de gemeente een vrij-toegankelijke jeugdhulpvoorziening een oplossing kan bieden. De gemeente stelt dit vast tijdens het onderzoek. Er gelden een aantal algemene uitgangspunten:
De Verordening geeft aan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien, kunnen groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam kunnen zijn en maatschappelijk kunnen participeren van jeugdigen allereerst bij de ouders zelf ligt. Dat valt binnen de zorgplicht van ouders (eigen kracht). In hoofdstuk 3 wordt uitgelegd wat onder eigen kracht valt en hoe de gemeente dat beoordeelt.
De Verordening geeft ook aan dat het herstellen of verbeteren van eigen kracht voorop staat bij het verlenen van hulp-op-maat. Dit uitgangspunt sluit aan bij de bedoeling van de wet (zie hiervoor). Dit betekent ook dat de gemeente eerst kijkt of dat met opvoedondersteuning of ondersteuning aan het gezin kan worden bereikt. Hulp-op-maat aan de jeugdige kan worden gecombineerd met de eigen kracht.
Om te zorgen dat ouders hun rol als verzorgers en opvoeders kunnen blijven vervullen kan hulp-op-maat worden geven om ouders (het gezin) tijdelijk te ontlasten als dat nodig is. Deze hulp-op-maat wordt kortdurend verblijf, logeren of een andere vorm van hulp-op-maat genoemd die gericht is op het tijdelijk ontlasten.
De gemeente werkt met gecontracteerde aanbieders en voert, bij ambulante hulp-op-maat, regie op de te behalen resultaten die tijdens het onderzoek gezamenlijk zijn vastgesteld. Dat kan door de hulp-op-maat tussentijds te evalueren of bij een nieuwe aanvraag (herindicatie). De gecontracteerde partijen hanteren een systeemgerichte aanpak. De aanbieders kunnen gebruik maken van e-health en groepsaanbod. Zo kan door de jeugdige bijvoorbeeld de aangeleerde vaardigheden geoefend worden.
De wettelijke verwijzers (huisarts, jeugdarts of medisch specialist) kunnen alleen doorverwijzen naar het gecontracteerde aanbod. Een verwijzing naar een niet-gecontracteerde partij kan niet, de hulpvraag loopt dan via de gemeente (reguliere procedure).
Op basis van het onderzoek van de gemeente kan besloten worden dat een domeinoverstijgende aanpak wordt ingezet.
Omdat de wet geen regels stelt over het indienen van een aanvraag, gelden de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De jeugdige en/of zijn ouder(s) kunnen hun hulpvraag melden bij de gemeente. De gemeente brengt in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) eerst zorgvuldig de hulpvraag en de mogelijke oplossingen in kaart. Dat onderzoek behoort tot de voorbereiding van het besluit. De Centrale Raad van Beroep heeft een stappenplan geformuleerd waarin voorwaarden zijn opgenomen waaraan een goed onderzoek ten minste moet voldoen. Van dat onderzoek wordt een onderzoeksverslag opgesteld en aan ouders of jeugdigen verstrekt.
Als jeugdigen en/of ouder(s) behoefte hebben aan jeugdhulp dan kunnen zij hun hulpvraag bij de gemeente melden. Hulpvragen kunnen kind- of gezinsgericht zijn. Een aanvraag doen kan door een hulpvraag te melden bij de gemeente, via het aanmeldformulier op de website www.urk.nl. Eerst wordt onderzocht waaruit de hulpvraag precies bestaat. Daarbij worden waar nodig mensen betrokken die het belangrijk vinden dat het goed gaat met de jeugdige en/of ouder(s). Denk aan mensen uit het sociaal netwerk of leerkrachten van de jeugdigen.
De gemeente heeft de opdracht om zorgvuldig onderzoek te doen naar de hulpvraag. De gemeente gebruikt hiervoor het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep. Het is van groot belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en ouder(s) wordt gedaan.
2.2.1 Voor het onderzoek begint
Voor het onderzoek wordt gedaan bekijkt de gemeente in ieder geval of:
Het onderzoek wordt gedaan onder de verantwoordelijkheid van een SKJ of BIG geregistreerde persoon. Die kijkt ook of er meer of een andere deskundigheid nodig is en schakelt de juiste deskundigheid in. Bijvoorbeeld een gedragswetenschapper, orthopedagoog of een (jeugd)arts. De deskundigen die betrokken zijn bij het onderzoek worden genoemd in het verslag.
Hieronder staat het stappenplan beschreven. De stappen zijn daarna verder uitgewerkt. Van jeugdigen en ouders wordt verwacht dat zij medewerking verlenen aan het onderzoek, zie 2.4 van deze beleidsregels.
Het onderzoek bestaat uit de volgende stappen:
De gemeente draagt zorg dat de benodigde deskundigheid wordt ingezet bij het vaststellen van de noodzaak tot hulp-op-maat. Zie 2.2.2 van deze beleidsregels.
Jeugdigen hebben (in ieder geval) vanaf 12 jaar het recht een mening te vormen en die vrijelijk te uiten (art. 12 IVRK). Dat wil zeggen dat de gemeente de mening van jeugdigen in deze leeftijd moet betrekken bij het onderzoek. Vanaf 16 jaar kan de jeugdige een hulpvraag zelf melden, tenzij hij niet handelingsbekwaam is.
2.3.1 Stap 1 van het stappenplan
De gemeente kan niet altijd alleen uitgaan van de hulpvraag die de jeugdige en/of zijn ouder(s) bij de gemeente neerleggen. De gemeente moet zelf actief onderzoek doen naar de problemen van het gezin en rekening houden met de hulp die zij hierbij wensen. Pas dan wordt een volledig beeld verkregen van de (gezins)situatie. De aanwezigheid van het sociaal netwerk van de jeugdige en zijn ouder(s) kan van grote meerwaarde zijn. Het kan informatie geven die van belang is voor het onderzoek. Ook kan het onderdeel uitmaken van de eigen kracht. Dat komt bij stap 4 van het stappenplan aan bod.
Er wordt specifiek hulp-op-maat gevraagd
De hulpvraag kan niet bestaan uit de vraag aan de gemeente om een specifieke jeugdhulpvoorziening toe te kennen. Dit gelet op het wettelijk kader en het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep. De gemeente houdt wel rekening met de wens van de jeugdige of zijn ouder(s) om de gevraagde hulp-op-maat te ontvangen. Dat is onderdeel van het onderzoek.
2.3.2 Stap 2 van het stappenplan
Bij deze stap worden de opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen inzichtelijk in kaart gebracht en vervolgens welke problemen en stoornissen er zijn. Het hoeft daarbij niet alleen te gaan om de jeugdige die kampt met bepaalde problematiek; ouders kunnen door die problematiek opvoedingsproblemen ondervinden.
Bij opvoedingsproblemen gaat het om problemen bij het onderhouden, verzorgen en grootbrengen van een jeugdige, met name in sociale, emotionele, intellectuele en morele zin, die door de ouder(s) niet binnen een gebruikelijke termijn en met gebruikelijke middelen op te lossen zijn.
Het onderzoek is de leidraad voor het onderzoeksverslag. De gehanteerde methode die hierbij wordt gebruikt voldoet aan de eisen van de Centrale Raad van Beroep.
Als dat nodig is kan de gemeente van ouders een zorgmomentenoverzicht (dag/week) vragen waarin de situaties waar de jeugdige hulp bij nodig heeft adequaat worden beschreven. De gemeente kan dit overzicht vergelijken met de Richtlijn Gebruikelijke hulp van de verordening.
Het familiegroepsplan is een plan dat de ouder(s) opstellen samen met mensen die tot hun sociaal netwerk en dat van de jeugdige behoren. Het familiegroepsplan is een belangrijk instrument om het gezin weer regie over het eigen leven te kunnen geven en het sociaal netwerk daarbij te betrekken. De gemeente kan in aanvulling op het familiegroepsplan wel hulp-op-maat verlenen als dat nodig is. Het spreekt voor zich dat het familiegroepsplan door de gemeente wordt betrokken bij het onderzoek.
Eén of meerdere bijlagen van deze beleidsregels kunnen helpen bij het onderzoek naar de opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen.
2.3.3 Stap 3 van het stappenplan
In stap 3 van het stappenplan wordt vastgesteld welke hulp er naar aard en omvang nodig is om de wettelijke jeugdhulpdoelen te behalen zoals die in 1.2 van deze beleidsregels zijn beschreven.
Zoals gezegd wordt bij deze stap beoordeeld of er volgens de gemeente hulp-op-maat nodig is waardoor de jeugdige:
rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.
Ook worden de te bereiken resultaten vastgesteld. Zie hoofdstuk 4 van deze beleidsregels voor hulp-op-maat.
Blijkt uit het onderzoek bij stap 2 en 3 dat er (ook) andere hulp nodig is dan op grond van de Jeugdwet (voorliggende voorziening), dan komt dat bij stap 5 van het stappenplan aan de orde. Het gaat bij stap 3 van het stappenplan nog niet om de hulp-op-maat die de gemeente daadwerkelijk zal gaan verlenen.
2.3.4 Stap 4 van het stappenplan
Bij stap 4 van het stappenplan wordt vastgesteld of de eigen kracht toereikend is. Zie voor de beoordeling van eigen kracht verder hoofdstuk 3 van deze beleidsregels.
2.3.5 Stap 5 van het stappenplan
Na het doorlopen van het stappenplan wordt bij stap 5 vastgesteld of de gemeente hulp-op-maat zal verlenen. En zo niet, wat de reden daarvan is. En zo ja, welke dat is om de vastgestelde resultaten te bereiken.
De gemeente beoordeelt of de volgende aspecten aan de orde zijn:
Op basis van het onderzoek kan de gemeente vaststellen dat er geen sprake is van jeugdhulp. Dat kan te maken hebben met aanspraken die geregeld zijn in een andere wet maar ook situaties waarin geen sprake kan zijn van jeugdhulp. De volgende voorbeelden worden genoemd:
Op basis van het onderzoek kan blijken dat er weliswaar sprake is van een behoefte aan jeugdhulp, maar dat de gemeente kan vaststellen dat er geen noodzaak is voor het verlenen van hulp-op-maat. Dat kan bijvoorbeeld te maken hebben met de leeftijd en/of het ontwikkelingsniveau van de jeugdige. In de praktijk zal dit meestal voorkomen bij een verzoek om een specifieke jeugdhulpvoorziening (aard en omvang) van ouders of jeugdigen.
3. Gebruikmaking van een andere wet
Uit het onderzoek kan al duidelijk zijn dat de jeugdige aanspraak kan maken op een andere wet. Denk aan het Leerlingenvervoer, de Zorgverzekeringswet of de Wet passend onderwijs. Ook kan de gemeente vaststellen dat, gelet op problematiek, aanspraak bestaat (kan bestaan) op een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Van ouders wordt in zo’n geval verwacht dat een aanvraag bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) wordt gedaan. Ouders kunnen bij die aanvraagprocedure gebruikmaken van cliëntondersteuning. Jeugdhulp en Wlz kunnen wel samengaan als een behoefte van ouders of jeugdigen niet onder de Wlz valt.
4. Vrij toegankelijke jeugdhulpvoorziening
Op basis van het onderzoek kan de gemeente vaststellen dat gebruikmaking van een vrij-toegankelijke jeugdhulpvoorziening een passende oplossing biedt.
De gemeente beoordeelt of er hulp-op-maat is aangewezen. En zo ja, welke hulp-op-maat dat is. Daarbij heeft de gemeente beoordelingsruimte. De gemeente houdt in ieder geval rekening met de uitgangspunten van artikel 4.1 en 4.2 van de Verordening en de hoofdstukken 1 en 3 van deze beleidsregels. In hoofdstuk 4 van deze beleidsregels is de hulp-op-maat verder uitgewerkt.
2.4.1 Hulp-op-maat van gecontracteerde jeugdhulpaanbieders
Als hulp-op-maat nodig is, wordt eerst gekeken of er een jeugdhulpaanbieder is met een contract bij de gemeente die de hulp kan bieden.
De gemeente werkt resultaatgericht en stelt de te behalen resultaten vast tijdens het onderzoek. De jeugdhulpaanbieder die lokaal is gecontracteerd spreekt vervolgens met de jeugdige en/of ouder(s) af op welke manier de door de gemeente vastgestelde resultaten behaald gaan worden. Dat wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan. Ouders en jeugdigen hebben enige zeggenschap in welke activiteiten daarbij worden ingezet. Als iedereen het eens is met die manier, gaan de jeugdige en/of ouder(s) en jeugdhulpaanbieder samen aan de slag, zie hoofdstuk 4 van deze beleidsregels.
Hebben jeugdigen of ouders een aanvraag bij de gemeente gedaan, dan moet de gemeente daarop beslissen. De beschikking is de brief die de gemeente aan ouders of jeugdigen stuurt. Daarin staat het besluit van de gemeente op de aanvraag. In artikel 2.3.1 van de Verordening staat wat in elk geval in de beschikking wordt vastgelegd.
2.5 Inlichtingen- en medewerkingsplicht
Bij de inlichtingenplicht gaat het om het verstrekken van gegevens die nodig zijn om het recht op hulp-op-maat vast te stellen en die de jeugdige en/of zijn ouder(s) hebben of kunnen krijgen. Het gaat ook over het doorgeven van een wijziging die van belang kan zijn voor de hulp-op-maat die de gemeente heeft verleend.
Jeugdigen en ouder(s) zijn verplicht mee te werken aan een onderzoek als de gemeente daar om vraagt. De medewerkingsverplichting geldt bij de aanvraag en gedurende de periode waarin de hulp-op-maat wordt geboden. Het niet verlenen van medewerking kan er toe leiden dat de gemeente de behoefte aan jeugdhulp niet kan vaststellen en dat om die reden de aanvraag wordt afgewezen.
Het komt er op neer dat jeugdigen en/of ouders de gemeente voorzien van informatie die de gemeente kan (laten) onderzoeken.
In het kader van medewerking verlenen geldt ook het uitgangspunt dat de jeugdige altijd wordt gezien en als dat aangewezen is, wordt gesproken. Dat geldt ook als de gemeente om een deskundigenadvies vraagt. Denk in dat kader ook aan het recht van de jeugdige om zijn mening te vormen en vrijelijk te uiten. Daarvoor geldt in het algemeen de leeftijdsgrens van 12 jaar, zie verder 2.3 van deze beleidsregels.
2.6 Overige aspecten van het onderzoek
2.6.1 Informatieplicht gemeente
In de wet staat dat de gemeente objectieve en begrijpelijke informatie aan jeugdigen en ouders geeft over de gevolgen van een keuze voor een pgb in plaats van hulp-op-maat in natura. Dat staat in de wet. Het ligt voor de hand dat de gemeente ook informatie geeft over de inlichtingen- en medewerkingsplicht en wat de gevolgen zijn als daar niet aan wordt voldaan.
Onafhankelijke cliëntondersteuning wordt geboden door Caritas. Het belang van de jeugdige en de ouder(s) is het uitgangspunt. Cliëntondersteuning is domeinoverstijgend en heeft ook betrekking op de Jeugdwet. De jeugdige en zijn ouder(s) kunnen zich ook laten bijstaan door andere (externe) ondersteuners. Denk aan ondersteuning van een bestaande cliënten- of belangenorganisatie.
De gemeente informeert jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon. Dat staat in de wet. Het ligt voor de hand dat tijdens het onderzoek te doen. Het Ministerie van VWS is ervoor verantwoordelijk dat jeugdigen en hun ouder(s) een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) voert dit vertrouwenswerk in de praktijk uit. Jeugdigen, ouder(s) en pleegouder(s) kunnen op deze organisatie terugvallen als ze vragen of klachten hebben over de jeugdhulp. Dat kan gaan over (personen werkzaam bij) de gemeente, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling of Veilig Thuis.
De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Deze verplichting voor ouders is terug te zien in de artikelen 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek. Het moet voor ouders en professionals vanzelfsprekend zijn dat ouders zelf de regie nemen en houden over de opvoeding van hun kinderen, tenzij dit een onverantwoord risico voor het kind oplevert. De overheid moet ervoor waken de zorgtaken van mensen en hun verbanden over te nemen. Ze komt pas in beeld als de ouders problemen ondervinden, als de opvoeding- en leefsituatie de ontwikkeling van kinderen bedreigt en de overheid de ouders dient te helpen om deze voorwaarden te vervullen of als de jeugdige verdacht wordt of veroordeeld is voor een strafbaar feit. Bij de zorgplicht van ouders past een actieve rol van hen en het kind om in eerste instantie te proberen de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen.
Ouders gescheiden of niet meer samenwonend
Ook in de situatie dat ouder(s) gescheiden zijn (of niet meer samenwonen) blijft de zorgplicht bestaan. Het onderzoek richt zich ook op de ouder (waar de jeugdige niet woonachtig is) in geval van een omgangsregeling. Is er sprake van co-ouderschap, dan geldt het uitgangspunt dat van hen wordt verwacht dat zij samen de (boven)gebruikelijke hulp bieden. Immers, bij co-ouderschap verdelen gezaghebbende ouders feitelijk de zorg voor het kind.
3.2.1 Inhoud zorgplicht ouders
De zorgplicht van ouders omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Daaronder wordt verstaan:
De zorgplicht van ouders kan worden vertaald naar kernpunten over goed ouderschap.
De wetgever heeft bij goed ouderschap acht kernpunten voor ogen:1
De gemeente kan gebruik maken van deze kernpunten bij de motivering van de beslissing op de aanvraag. In de Richtlijnen van het Nederlands Jeugdinstituut zijn deze kernpunten ook terug te vinden. Bijvoorbeeld in de Richtlijn ‘goed genoeg’ opvoederschap.
3.2.2 Beoordelingskader eigen kracht
De verordening bepaalt wat onder eigen kracht wordt verstaan: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen als bedoeld in artikel 2.3 van de wet gebaseerd op de zorgplicht van ouders op grond van artikel 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek en zoals nader uitgewerkt in hoofdstuk 4 van de verordening.
Om te beoordelen of de eigen kracht van ouders toereikend is gebruikt de gemeente afwegingsfactoren die zijn opgenomen in de verordening.
Het Burgerlijk Wetboek geeft een andere definitie van het begrip ouders dan de Jeugdwet. Daarom bepaalt de Verordening dat het eigen-kracht-principe ook van toepassing is op ouders in de zin van de Jeugdwet. Het gaat om iemand die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder.
De behoefte aan jeugdhulp kan kortdurend of langdurend van aard zijn. Dat is afhankelijk van de opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen.
Hierna worden de zes punten over de beoordeling van de eigen kracht nader toegelicht.
De Verordening bepaalt wat onder gebruikelijke hulp wordt verstaan: hulp en zorg die onderdeel is van eigen kracht en gaat over een beschermende woonomgeving, ouderlijk toezicht, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder normaal gesproken geeft aan een kind. Het is onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind volgens de Richtlijn gebruikelijke hulp. Dat betekent ook dat als één van de ouder(s) uitvalt, de andere ouder dat overneemt.
In de Verordening is de bijlage Richtlijn gebruikelijke hulp opgenomen (hierna: richtlijn). Deze is gebaseerd op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 en uitgewerkt in de CIZ indicatiewijzer versie 7.1. Het gaat bij gebruikelijke hulp om normale oudertaken voor een kind ongeacht het hebben van een behoefte aan jeugdhulp, rekening houdend met de leeftijd en een normaal ontwikkelingsprofiel.
3.3.1 Uitgangspunten beoordelen gebruikelijke hulp
De gemeente stelt op basis van de Richtlijn gebruikelijke hulp vast of er sprake is van gebruikelijke hulp, en zo ja wat de omvang daarvan is. Een door ouders opgesteld zorgmomentenoverzicht kan helpen bij de vaststelling. De Richtlijn gebruikelijke hulp voorziet niet in een precieze tijdsindicatie; het gaat om een bandbreedte. De gemeente beoordeelt bij stap 3 van het stappenplan op welke hulp de jeugdige is aangewezen, rekening houdend met de leeftijd. Valt een noodzakelijke ‘activiteit’ binnen een bepaald ontwikkelingsprofiel van de richtlijn, dan is in beginsel sprake van gebruikelijke hulp. De volgende vier uitgangspunten worden gehanteerd bij de beoordeling.
De Richtlijn Gebruikelijke hulp gaat uit van een bandbreedte in het normale ontwikkelingsprofiel van een kind. Ook tussen kinderen van dezelfde leeftijd zonder behoefte aan jeugdhulp kan de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding (per dag) verschillen. Het ene kind is nu eenmaal gemakkelijker of sneller zelfstandig dan het andere kind. Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook activiteiten omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Een voorbeeld. Veel kinderen van 4 jaar zijn overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een kind van deze leeftijd hier stimulans, hulp of toezicht bij nodig heeft.
2. Aard van de zorghandelingen
Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Het gaat dan om handelingen die een gebruikelijke zorghandeling vervangen. Twee voorbeelden. Het geven van sondevoeding in plaats van eten of handelingen die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden, zoals het geven van medicijnen.
3. Frequentie en patroon van de zorghandelingen
Zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind, zoals drie keer eten per dag, worden als gebruikelijke hulp aangemerkt. Een voorbeeld. Als een kind bij het ontbijt en het naar bed gaan medicatie aangereikt moet krijgen, loopt dit mee in de het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind en wordt dit als gebruikelijke hulp aangemerkt. Hetzelfde geldt voor het aanreiken van spullen of speelgoed na afloop van de maaltijd of na een drinkmoment, bij kinderen met een lichamelijke beperking.
4. Omvang van de met de zorghandelingen gemoeide tijd
De omvang van de tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan meebrengen dat niet langer sprake is van gebruikelijke hulp. Een voorbeeld. Alle kinderen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp nodig bij wassen en kleden, maar als deze handelingen veel meer tijd kosten vanwege bijvoorbeeld spasticiteit, wordt deze extra tijd niet als gebruikelijke hulp gezien maar als boven-gebruikelijke hulp.
3.3.2 Afwegingsfactoren gebruikelijke hulp
Voor de beoordeling of ouders de gebruikelijke hulp kunnen bieden bepaalt de verordening twee afwegingskaders:
Ad. 1 Opvoedkundige capaciteiten
Beschikken ouders niet over (voldoende) capaciteiten om de gebruikelijke hulp te bieden aan de jeugdige, dan kan dat ook niet van hen worden verwacht. Denk bijvoorbeeld aan ouders met LVB-problematiek. De gemeente kan gebruik maken van bijlage 3 Aandachtspunten ouderschap en bijlage 4 Ouder gerelateerde aandachtspunten bij deze beleidsregels. In het geval van onvoldoende opvoedkundige capaciteiten wordt beoordeeld of een vrij toegankelijke jeugdhulpvoorziening een passende oplossing kan bieden. En zo niet, of hulp-op-maat is aangewezen. En zo ja, welke. Het zal in de praktijk gaan om ouders instrumenten in handen te geven waardoor zij in staat worden gesteld invulling te geven aan hun zorgplicht.
De beschikbaarheid van ouders voor de gebruikelijke hulp aan de jeugdige kan worden vergeleken met ouders en hun kinderen zonder behoefte aan jeugdhulp. Bij gebruikelijke hulp gaat het immers om normale oudertaken rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau. De problemen die kunnen ontstaan bij de zorg en opvoeding zullen (alle) ouders, ongeacht het hebben van kinderen met jeugdhulpproblemen, zelf het hoofd moeten bieden door bijvoorbeeld:
Er zijn meer voorbeelden denkbaar.
Er kan zich een acute situatie voordoen waardoor ouders, ondanks de feitelijke beschikbaarheid, toch tijdelijk niet in staat zijn om de gebruikelijke hulp te bieden. Denk bijvoorbeeld aan het plotseling overlijden van een ouder (partner) of een echtscheiding. In deze gevallen kan er feitelijk tijdelijk geen draagkracht zijn.
De verordening bepaalt wat onder boven-gebruikelijke hulp wordt verstaan: hulp en zorg die onderdeel is van eigen kracht en omvangrijker en mogelijk intensiever is. Dit ten opzichte van de Richtlijn gebruikelijke hulp. Ook in geval van boven-gebruikelijke hulp zijn ouders in principe verantwoordelijk om deze te bieden, gelet op de zorgplicht. Een door ouders opgesteld zorgmomentenoverzicht kan helpen bij de vaststelling van de boven-gebruikelijke hulp. De gemeente stelt aan de hand van de afwegingsfactoren vast of de boven-gebruikelijke hulp door ouders kan worden geboden in het kader van eigen kracht.
Afwegingsfactoren boven-gebruikelijke hulp
Voor de beoordeling of ouders de boven-gebruikelijke hulp kunnen bieden in het kader van de eigen kracht bepaalt de verordening een aantal afwegingsfactoren. Die worden bij de beoordeling zo nodig in onderlinge samenhang bezien.
1. De behoeften en mogelijkheden van de jeugdige
Bij stap 2 en 3 van het stappenplan stelt de gemeente vast:
Het gaat om welke hulp naar aard en omvang nodig is (stap 3 van het stappenplan). Denk aan: toezicht, begeleiding bij of overname van de ADL of begeleiding in de vorm aansturing. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Bestaat de behoefte aan jeugdhulp uit behandeling of andere specialistische jeugdhulp waarvoor een gekwalificeerde beroepskracht nog is, dan valt die hulp niet onder de boven-gebruikelijke hulp. Hiervoor kan hulp-op-maat worden verleend.
Het gaat om de mate waarin de jeugdige:
Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
2. De voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan
Welke boven-gebruikelijke hulp naar aard en omvang nodig is kan verschillen qua intensiteit en duur.
De ondersteuningsintensiteit wordt mede bepaald door de vastgestelde problemen en stoornissen. Bijvoorbeeld door een ontwikkelingsachterstand of het functioneren op licht verstandelijk (beperkt) niveau. De jeugdige kan aangewezen zijn op boven-gebruikelijke hulp die:
Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
Bij de duur gaat het om hoe lang de jeugdige aangewezen zal zijn op de boven-gebruikelijke hulp (kortdurend of langdurend). Dat is afhankelijk van de problemen en stoornissen.
Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging
In geval van boven-gebruikelijke hulp in de vorm van persoonlijke verzorging en beoordeling of sprake is van eigen kracht maakt de gemeente gebruik van de Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging. Zie bijlage 1 bij deze beleidsregels.
De gemeente beoordeelt of de boven-gebruikelijke hulp qua aard en omvang door ouders kan worden geboden in het kader van de eigen kracht.
3. De mogelijkheden van ouders, draagkracht en belastbaarheid van de ouders
De mogelijkheden van ouders hebben allereerst betrekking op de capaciteiten en de beschikbaarheid.
Mogelijkheden ouders (opvoedkundige capaciteiten)
Is vastgesteld dat ouders niet over de capaciteiten beschikken om de gebruikelijke hulp te bieden, dan geldt dat vanzelfsprekend ook voor de boven-gebruikelijke hulp.
Mogelijkheden ouders (opvoedkundige vaardigheden)
Onder capaciteiten kunnen ook vaardigheden worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan: het kunnen signaleren en analyseren en oplossingsgericht kunnen denken en handelen. Maar ook de vaardigheid voor het verrichten van zorghandelingen door het hebben van bijvoorbeeld een verpleegkundige achtergrond.
Mogelijkheden ouders (beschikbaarheid)
De gemeente beoordeelt of de ouder(s) beschikbaar is of zou kunnen zijn. Dit laatste omdat van hen verwacht mag worden dat daar zelf een oplossing voor wordt gezocht. Dit bezien tegen de achtergrond dat ouders de regie hebben en houden en dat wordt verwacht dat zij die ook nemen. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen.
De gemeente stelt vast of ouders in staat zijn tot het bieden van de boven-gebruikelijke hulp in de zin van eigen kracht. Dat is bijvoorbeeld het geval als:
op het moment van de hulpvraag zelf al maatregelen zijn getroffen om de hulp aan de jeugdige te kunnen bieden, zonder dat daardoor problemen zijn ontstaan. Bijvoorbeeld door het (deels) opzeggen van een baan, opgenomen zorgverlof of het anders organiseren van de beschikbare tijd en verdeling van taken.
Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
4. Draagkracht en belastbaarheid
Het uitgangspunt is dat ouders hun (dagelijkse) leven zo inrichten dat zij hun draagkracht en belastbaarheid zo groot mogelijk maken. Dit bezien van wat vanuit hun zorgplicht mag worden verwacht. Overbelasting of dreigende overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast. Hierdoor kunnen fysieke of psychische klachten ontstaan op grond waarvan ouders mogelijk (tijdelijk) niet (meer) in staat zijn om de boven-gebruikelijke hulp aan hun kinderen te bieden. Zie verder 3.9.4 van deze beleidsregels.
Emotionele gebeurtenissen, ook wel aangeduid als life events, kunnen iemands leven behoorlijk beïnvloeden. Denk bijvoorbeeld aan: het verlies van een dierbare, arbeidsongeschikt raken, een baan verliezen, een echtscheiding/uit elkaar gaan, etc. Ouders kunnen door een life event (tijdelijk) niet over eigen kracht beschikken. Dat wil zeggen: het is (deels) ontoereikend.
Er moet een causaal verband zijn tussen het bieden van de boven-gebruikelijke hulp zorg aan de jeugdige en de (dreigende) overbelasting. Dat wil zeggen dat (dreigende) overbelasting die voortkomt uit te veel uren werken of andere omstandigheden buiten het bieden van de boven-gebruikelijke hulp moet in beginsel door ouders zelf worden opgelost, tenzij dit een onverantwoord risico voor de jeugdige oplevert.
5. De samenstelling van het gezin en de woonsituatie
Een kind met een behoefte aan jeugdhulp kan een zware wissel trekken op het gezin. Denk in dit verband ook aan gezinnen met minderjarige kinderen die geen behoefte aan jeugdhulp hebben of meerderjarige kinderen die onderdeel uitmaken van het gezin. De gemeente onderzoekt:
Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
6. Het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen
Het gaat om situaties waarin ouders de beoogde hulp-op-maat in de vorm van een pgb wensen te ontvangen om zichzelf daarmee uit te betalen. De gemeente mag niet beoordelen of ouders over een toereikend inkomen beschikken en om die reden niet zijn aangewezen op hulp-op-maat in de vorm van een pgb. De gemeente mag (moet) wel beoordelen of ouders een belang hebben om te voorzien in een inkomen. Dat heeft te maken met een gedwongen keuze.
De gemeente beoordeelt of de ouder een gedwongen keuze moet maken tussen het invullen van de zorgplicht en het verwerven van een (extra) inkomen. Het ervaren van financiële druk is onvoldoende om een gedwongen keuze aan te nemen. De gemeente mag de omstandigheid meewegen dat een ouder nooit werkzaamheden heeft verricht ter aanvulling van het gezinsinkomen. In de praktijk zal zo’n gedwongen keuze zich zelden voordoen.
Zijn ouders in staat om, al dan niet naast hun werk, te zorgen voor hun kind is dat geen aanleiding om een hulp-op-maat te verlenen al dan niet in de vorm van een pgb. Ouders zijn primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van hun het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen.
De gemeente beoordeelt of de boven-gebruikelijke hulp qua aard en omvang door ouders kan worden geboden in het kader van de eigen kracht. Er kan aanleiding zijn om naast (gedeeltelijke) eigen kracht hulp-op-maat te verlenen.
Herstellen of verbeteren eigen kracht en jeugdhulp
Omdat de wet mede is gericht op het herstellen dan wel verbeteren van de eigen kracht prevaleert in beginsel het verlenen van hulp-op-maat die gericht is om dat te bereiken. De gemeente kan hulp-op-maat verlenen ter ondersteuning of om het gezin te ontlasten. Bijvoorbeeld met gezinsondersteuning of een vorm van dagbesteding buiten het gezin.
Het uitgangspunt is dat de ouder(s) het vervoer van en naar de jeugdhulplocatie bieden aan de jeugdige. De verordening bepaalt de hiernavolgende afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen in geval van een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige.
Afwegingsfactoren jeugdhulpvervoer
De gemeente beoordeelt de afwegingsfactoren, al dan niet, in onderlinge samenhang.
1. Eigen mogelijkheden jeugdige
De gemeente onderzoekt of de jeugdige in staat is om veilig zelfstandig lopend, al dan niet met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, of zelfstandig met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel te reizen van en naar de locatie waar de hulp-op-maat wordt geboden.
Het gaat hier om de feitelijke mogelijkheid om de jeugdige het vervoer te bieden of te begeleiden tijdens het openbaar vervoer van en naar de jeugdhulplocatie.
De tijd die gemoeid is om de jeugdige te brengen en te halen speelt vanzelfsprekend ook een rol. Zijn ouders beschikbaar dan kan nog steeds sprake zijn van eigen kracht. De gemeente kan ook onderzoeken of een andere (ook) passende jeugdhulpaanbieder beschikbaar is waardoor de reisafstand en de daarmee gemoeide tijd wordt ingekort.
4. Tijdstippen van het vervoer
De tijdstippen van het vervoer hebben met name betrekking op de beschikbaarheid van ouders. Van ouders mag worden verwacht dat (eerst) zelf een oplossing wordt gezocht in het kader van de eigen kracht. Denk aan overleg met de werkgever over aanpassen van werktijden, overleg met de basisschool om de (eventuele) andere kinderen eerder of later te mogen brengen, hulp vragen aan het netwerk of buren, etc.
De frequentie van het vervoer heeft betrekking op de omvang van de indicatie.
Voor de beoordeling van de draaglast en draagkracht wordt verwezen naar 3.9.4 van deze beleidsregels.
3.6 Personen uit het sociaal netwerk
4.2a lid 5 onder a Verordening
Personen uit het sociaal netwerk kunnen een bijdrage leveren aan de oplossing van de hulpvraag. Dat valt ook binnen de eigen kracht. Van ouders wordt een hoge mate van inspanning verwacht om het sociaal netwerk aan te spreken. Het leren omgaan van het sociaal netwerk met de jeugdige valt onder de gebruikelijke hulp van ouders.
3.7 Hulp van organisaties of instellingen
4.2a lid 5 onder b Verordening
Ook niet gecontracteerde hulp die organisaties of instellingen binnen Urk kunnen bieden is onderdeel van eigen kracht. De gemeente kan ouders verwijzen naar passende oplossingen. Denk aan hulp van: het kerkgenootschap, een sportvereniging, buurtsportcoaches of de scouting. Er zijn meer voorbeelden denkbaar.
3.9 Nadere uitleg en voorbeelden
In dit onderdeel staan nog een aantal onderwerpen die van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de eigen kracht.
3.9.1 Gebruikelijke hulp en boven-gebruikelijke hulp bij zorghandelingen
Zorghandelingen die niet meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg van ouders aan een kind, is het meerdere malen per nacht bieden van zorg van ouders aan een ouder kind. Het gaat om situaties waarbij ouders voortdurend in de nabijheid moeten zijn om onplanbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) aandoening, stoornissen en beperkingen van het kind.
Handelingen die gebruikelijke zorghandelingen vervangen
Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
Voorbeelden boven-gebruikelijke hulp persoonlijke verzorging
Het toedienen van eten en drinken door een ouder aan een kind van 2 jaar is gebruikelijke hulp, ook als het om sondevoeding gaat. Kost het voeden van dit kind via de sonde meer tijd, of moet het vaker gebeuren dan de normale dagelijkse eet- en drinkmomenten dan valt het niet binnen de gebruikelijke hulp.
Bij zorghandelingen tijdens de kinderopvang of tijdens het onderwijs als het gaat om handelingen die organisaties voor kinderopvang of onderwijs niet plegen te bieden zoals het geven van sondevoeding in plaats van eten. Bij een baby met ernstige slikproblemen kost het extra tijd om een flesje te geven. Het geven van (aangewezen) sondevoeding valt niet onder zorg zoals instanties voor kinderopvang die bieden.
Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
Wanneer de jeugdige van 12 jaar of ouder geen (intieme) persoonlijke verzorging (meer) wil ontvangen van de ouder(s), dan wordt daarin geen (boven-)gebruikelijke hulp van ouders verwacht. Dat vloeit mede voort uit de Wet Geneeskundige Behandelovereenkomst (WBGO) op grond waarvan jeugdigen vanaf 12 jaar een eigen beslissingsbevoegdheid hebben wat hun lichamelijke integriteit aangaat. Zie voor de rol van de jeugdige tijdens het onderzoek in 2.3 van deze beleidsregels.
3.9.2 Toezicht en begeleiding (opvoeding)
Toezicht dan wel 24 uurs zorg in de nabijheid valt onder de zorgplicht van ouder(s). De mate waarin dat nodig is, is in het algemeen afhankelijk van de leeftijd en een normaal ontwikkelingsprofiel (zie ook Richtlijn gebruikelijke hulp bij de verordening). Binnen zo’n ontwikkelingsprofiel is bijvoorbeeld pedagogische correctie, aansturing van gedrag en bieden van stimulans gebruikelijk. Bij een cognitief beperkt kind met gedragsproblemen kan het zijn, dat er meer dan gebruikelijk correctie en aansturing van gedrag en vaak ook meer aandacht voor vaste structuur nodig is.
Werkende ouders en begeleiding
Wanneer ouders werken, zijn zij verantwoordelijk voor de opvang dan wel verzorging van hun kinderen. De begeleiding die als gebruikelijke hulp wordt beschouwd, kan gedurende de tijd dat de ouders werken niet als hulp-op-maat worden verleend. Wanneer sprake is van boven-gebruikelijke hulp in de vorm van begeleiding, wordt deze vastgesteld over een volledig etmaal. Dus feitelijk ook gedurende de periode dat ouders werken. Onder werken kan ook het volgen van onderwijs worden verstaan.
Bij voortdurend toezicht moeten ouders continue in de nabijheid zijn om (on)planbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) problemen van het kind in de zin van de wet. Bij voortdurend toezicht is geen noodzaak tot actieve observatie.
Permanent toezicht valt niet binnen de eigen kracht van ouders. Het gaat bij permanent toezicht om het onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal (24/7), waardoor tijdig kan worden ingegrepen. Het gaat om toezicht dat geboden moet worden op basis van actieve observatie die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie van de jeugdige vroegtijdig te signaleren, waardoor altijd tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige, gevaarlijke, (levens)bedreigende gezondheids- en/of gedragssituaties voor de jeugdige kan worden voorkomen. Bij permanent toezicht kan elk moment iets (ernstig) misgaan.
Bij opvoedingsproblemen gaat het om problemen van ouders bij het onderhouden, verzorgen en grootbrengen van een jeugdige, met name in sociale, emotionele, intellectuele en morele zin, die door de ouder(s) niet binnen een gebruikelijke termijn en met gebruikelijke middelen op te lossen zijn. Lukt dat niet, dan kan een vorm van opvoedondersteuning zijn aangewezen.
Ook werkende ouders zijn verantwoordelijk voor de gebruikelijke hulp voor hun kinderen. Zie ook hiervoor onder het kopje werkende ouders en begeleiding. In het algemeen geldt dat het bieden van (alleen) kinderopvang niet als jeugdhulp kan worden gekwalificeerd. Als één of beide ouders niet werken of geen re-integratietraject volgen, dan komen zij niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst Toeslagen. Deze ouders kunnen mogelijk wel in aanmerking komen voor een Sociaal Medische Indicatie (SMI) die toegang geeft tot kinderopvang. Dit is geen vorm van jeugdhulp, maar een bijzondere regeling binnen de gemeente.
Naast de wettelijke doelgroep van de Wet kinderopvang (Wko) bestaat er ook een doelgroep, die de kinderopvang nodig heeft vanwege een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Het gaat om situaties waarin de ouder(s) door een sociale of medische situatie (tijdelijk) niet in staat zijn om voor hun kinderen te zorgen.
Ouders kunnen in aanmerking komen voor jeugdhulp als zij problemen ondervinden bij de opvoeding. Heeft de jeugdige echter geen problemen in de zin van de Jeugdwet, dan verleent de gemeente geen hulp-op-maat, tenzij de behoefte van ouders te maken heeft met wezenlijke problemen heeft met het opvoeden. In andere gevallen kan bijvoorbeeld tijdelijk kindzorg worden ingezet op grond van de Wmo 2015.
3.9.4 Overbelasting of dreigende overbelasting
Een beroep op (dreigende) overbelasting moet door de ouder(s) aannemelijk worden gemaakt en zo nodig nader worden onderbouwd. Er moet een causaal verband zijn tussen het bieden van de boven-gebruikelijke hulp zorg aan de jeugdige en de (dreigende) overbelasting (zie 3.4 van deze beleidsregels). Is dat het geval, dan rust de plicht op de gemeente daar onderzoek naar te doen en te bepalen wat de gevolgen zijn van de uitkomsten daarvan.
Omvang planbare en onplanbare zorg
Soms is het duidelijk dat de ouder overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van planbare zorg, maar ook de mate van de noodzaak tot het telkens aanwezig zijn om onplanbare zorg te bieden kan van invloed zijn op de belastbaarheid van degene die geacht wordt boven-gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij telkens aanwezigheid en alertheid wordt gevraagd van degene die geacht wordt boven-gebruikelijke hulp te verlenen.
Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting
Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. De mate waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Bedenk daarnaast dat het hierbij om veelal aspecifieke symptomen gaat die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Dit is een van de redenen waarom de beoordeling hiervan bij een (medisch) deskundige moet worden neergelegd. Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal van (dreigende) overbelasting worden opgevat.
De wettelijke begripsbepaling van jeugdhulp is erg breed en kan bestaan uit verschillende vormen van hulp-op-maat die gericht is op:
In de Verordening staat een opsomming van de niet vrij toegankelijke jeugdhulp (hulp-op-maat) die in ieder geval beschikbaar is.
Begeleiding individueel is gericht op:
De gemeente stelt tijdens het onderzoek vast welk resultaat of welke resultaten bereikt moeten worden en welke aandachtspunten er van belang kunnen zijn. Daaruit volgt op welke begeleiding individueel de jeugdige is aangewezen qua aard en omvang. De gemeente kan voor de aandachtspunten gebruik maken van Bijlage 2. Aandachtspunten resultaatgebieden kind-gerelateerd, per leeftijdscategorie. Begeleiding individueel kan worden geïndiceerd in vier intensiteiten: licht, middel, zwaar of intensief. Bij de beoordeling van de hiervoor genoemde aandachtspunten kan ook sprake zijn van de indeling licht, midden en zwaar. Het is echter niet zo dat als een aandachtspunt als ‘zwaar’ wordt gekwalificeerd dit, bij de vaststelling van de intensiteit van de begeleiding ook leidt tot de intensiteit ‘zwaar’. Voor begeleiding individueel basis en specialistisch hanteert de gemeente het volgende schema:
Het kan zijn dat op meerdere gebieden te behalen resultaten te formuleren zijn. Voor wat betreft de omvang van de indicatie voor begeleiding is het niet zo dat de ureninschatting per gebied bij elkaar worden opgeteld. Het gaat om maatwerk: het bereiken van het resultaat is leidend. De jeugdhulpaanbieder kan in een bepaalde volgtijdelijkheid werken aan de te bereiken resultaten. Het kan van belang zijn (tussentijds) te evalueren.
4.2.1 Begeleiding individueel basis
Begeleiding individueel basis wordt ingezet wanneer er sprake is van enkelvoudige opgroei- en opvoedproblemen en/of een verstandelijke beperking. Begeleiding individueel basis biedt ondersteuning vanuit een systeemgericht ondersteuningsplan waarmee invulling wordt gegeven aan de door de gemeente vastgestelde te bereiken resultaten.
Begeleiding individueel basis richt zich op het oefenen en structureren van dagelijkse vaardigheden. De begeleiding is gericht op het versterken van de opgroei- en opvoedsituatie om deze beter aan te laten sluiten op de ontwikkelingsbehoefte van de jeugdige. Daarnaast kan dit ook gericht zijn op het tijdelijk overnemen van zorgtaken mede gericht op het versterken van de eigen kracht van ouder(s) en jeugdigen. De begeleiding is gericht op stabilisatie, het toepassen en inslijpen van (nieuwe) vaardigheden en ter voorkoming van terugval.
De begeleiding kan geboden worden in de thuissituatie van de jeugdige en/of ouder(s) en/of op locatie van de jeugdhulpaanbieder.
Bij begeleiding individueel basis staan de volgende resultaten centraal:
Het aanleren, verbeteren, oefenen en structureren van dagelijkse (opvoed)vaardigheden en handelingen waardoor de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouder(s) en jeugdigen worden vergroot om de psychosociale, psychische of gedragsmatige problemen in de thuissituatie/op school zelfstandig te kunnen hanteren.
Begeleiding individueel bij persoonlijke zorg
Hierbij gaat het om het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) op het gebied van de persoonlijke verzorging. Dit in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid. Onder ADL valt in ieder geval hulp bij:
Houdt de verzorging bij jeugdigen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop, dan valt die zorg onder de Zorgverzekeringswet. Dit wordt door een kinderverpleegkundige vastgesteld.
4.2.2 Begeleiding individueel specialistisch
Begeleiding individueel specialistisch wordt ingezet wanneer er sprake is van meervoudige opgroei- en opvoedproblemen. Deze problematiek wordt veroorzaakt door psychosociale problemen en/of verslavingsproblemen en/of (een ernstig vermoeden van) een psychische stoornis en/of verstandelijke beperking. Begeleiding individueel specialistisch kent een behandelcomponent. Dat wil zeggen dat er betrokkenheid is van een psychiater, orthopedagoog-generalist of gz-psycholoog. Begeleiding individueel specialistisch werkt altijd vanuit een systeembenadering.
Begeleiding individueel specialistisch is voor zowel de jeugdige als de ouder(s) gericht op het oplossen, verminderen of voorkomen van verergering, dan wel het leren omgaan met de gevolgen van de problematiek. De problemen zijn dusdanig verweven tussen de jeugdige en de ouder(s), waardoor begeleiding specialistisch altijd systeemgericht is. Er is sprake van een ondersteuningsplan en er zijn concrete en haalbare behandeldoelen waarmee invulling wordt gegeven aan de door de gemeente vastgestelde te bereiken resultaten. De uitvoering van het ondersteuningsplan valt onder verantwoordelijkheid van een psychiater, orthopedagoog-generalist of gz-psycholoog.
De begeleiding is gericht op het aanleren en verbeteren van (nieuwe) vaardigheden en gedrag om verergering van de problemen te voorkomen. Door deze nieuw aangeleerde vaardigheden en gedrag, vindt stabilisatie plaats bij de jeugdige en ouder(s) in zowel de thuissituatie, op school als ook in de vrije tijd. Ouder(s) zijn weer in staat om de opvoeding en ontwikkeling van het kind te waarborgen. De begeleiding van kind en ouder(s) lopen parallel en hebben als doel de verbetering van de uitvoering van de opvoedingstaken. Ouder(s) kunnen op een positieve manier de ouderrol op zich nemen, waarmee een ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige op de lange termijn wordt afgewend. Het kan dan ook zo zijn dat het bereiken van het vastgestelde resultaat leidt tot (deels) toereikende eigen kracht van ouder(s) en jeugdigen.
De begeleiding kan geboden worden in de thuissituatie van de jeugdige en ouder(s) en/of op de locatie van de jeugdhulpaanbieder.
Bij begeleiding individueel specialistisch staan de volgende resultaten centraal:
Begeleiding individueel specialistisch is kortdurend van aard. Het uitgangspunt is om deze begeleiding voor maximaal zes maanden te indiceren. Bij deze vorm van begeleiding is een multidisciplinair team betrokken en te allen tijde direct inzetbaar.
De gemeente stelt de aard en omvang van de jeugdhulp vast. Is de jeugdige aangewezen op hulp-op-maat begeleiding groep dan wordt aan de hand van de te behalen resultaten en aandachtspunten van de jeugdhulp vastgesteld welke vorm van begeleiding in groepsverband als passende jeugdhulp kan worden aangemerkt. Hiervoor maakt de gemeente gebruik van een stappenplan zoals beschreven in hoofdstuk 2 van deze beleidsregels.
Begeleiding groep basis wordt ingezet wanneer er sprake is van een enkelvoudig problematiek. Begeleiding groep basis biedt activiteiten gericht op het oefenen, structureren en bestendigen van dagelijkse vaardigheden of handelingen en/of het oefenen met het aanbrengen van (dag)structuur. Begeleiding groep basis biedt jeugdhulp vanuit een ondersteuningsplan waarmee invulling wordt gegeven aan de door de gemeente vastgestelde te bereiken resultaten.
Begeleiding groep basis is gericht op het toepassen en inslijpen van aangeleerde vaardigheden en gedrag in het dagelijks leven. Hierbij is aandacht voor het functioneren en kunnen deelnemen aan activiteiten vanuit een groepsverband. Middels herhaling en methodische interventie binnen groepsverband wordt inzet van zwaardere jeugdhulp voorkomen. Ook richt de begeleiding zich op het versterken van de opgroei- en opvoedsituatie om deze beter aan te laten sluiten op de ontwikkelbehoefte van de jeugdige. Het doel hierin is altijd terugwerken naar volledig thuis, al dan niet met hulp van het sociaal netwerk of een vrij toegankelijke voorziening.
Begeleiding groep basis kan in hoge uitzondering gericht zijn, indien er sprake is van een (licht) verstandelijke/meervoudige beperking, op het stabiliseren en/of voorkomen van verergering van de problematiek. Hierbij is de hulpvraag van dien aard, dat het sociaal netwerk of een vrij toegankelijke jeugdhulpvoorziening niet in deze specifieke hulpvraag kan voorzien. Begeleiding groep basis dient er toe dat de jeugdige op verantwoorde wijze in de vertrouwde thuissituatie kan blijven wonen.
De begeleiding wordt geboden in groepsverband op de locatie van de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder heeft vanuit de systeemgerichte benadering oog voor de begeleiding in de thuissituatie. De jeugdhulpaanbieder biedt, indien nodig, deze begeleiding aan vanuit het principe doen wat nodig is en wat passend is bij de situatie.
Bij begeleiding groep basis kunnen de volgende resultaten centraal staan:
4.3.2 Begeleiding groep specialistisch, het Kinderbehandelcentrum
Begeleiding groep specialistisch kan worden geboden door het Kinderbehandelcentrum aan jeugdigen met complexe problematiek. Op het kinderbehandelcentrum wordt een behandelomgeving geboden die in het teken staat van ontwikkeling en het stimuleren daarvan. Het Kinderbehandelcentrum beschikt over deskundigen en multidisciplinair team waar ook zorg op grond van de Zorgverzekeringswet geboden kan worden.
Het gaat hier om jeugdigen met (ernstige) gedragsproblemen door een lichamelijke, zintuigelijke, cognitieve of verstandelijke beperking of een psychiatrische of psychosociaal probleem of een combinatie daarvan. De jeugdigen hebben te maken met complexe en soms langdurige gedragsproblematiek veelal multi-problematiek. Begeleiding groep specialistisch is specialistische hulp voor jeugdigen in de leeftijd van twee tot vijf jaar.
Kortdurend verblijf is logeren in een instelling van de jeugdhulpaanbieder. Als voorwaarde geldt dat kortdurend verblijf tijdelijk wordt ingezet om de belastbaarheid ouder(s) te versterken. Eenvoudig gezegd: ouder(s) worden gedurende het logeren van de jeugdige even ontlast van hun oudertaak. Kortdurend verblijf is bedoeld voor jeugdigen die gezien de hulpbehoefte tijdelijk zijn aangewezen op (permanent) toezicht en is aanvullend op wonen in de thuissituatie. Er wordt vanuit een systeemgericht ondersteuningsplan begeleiding geboden waarmee invulling wordt gegeven aan de door de gemeente vastgestelde te bereiken resultaten.
Kortdurend verblijf is gericht op het tijdelijk overnemen van het (permanente) toezicht op de jeugdige met een behoefte aan jeugdhulp gericht op het ontlasten van de ouder(s). Kortdurend verblijf is geplande hulp-op-maat en heeft een ontwikkelingsgerichte functie voor de jeugdige en de ouder(s). De begeleiding richt zich op het versterken van de opgroei- en opvoedsituatie, waardoor er meer stabiliteit en draagkracht binnen het gezinssysteem ontstaat. Het doel hierin is altijd dat een jeugdige zoveel mogelijk thuis woont, al dan niet met hulp van het sociaal netwerk of een vrij toegankelijke voorziening.
Kortdurend verblijf kan in hoge uitzondering gericht zijn, indien er sprake is van een (licht) verstandelijke/meervoudige beperking, op het stabiliseren en/of voorkomen van verergering van de problematiek. Hierbij is de hulpvraag van dien aard, dat het sociaal netwerk of een vrij toegankelijke voorziening niet in deze specifieke hulpvraag kan voorzien. Kortdurend verblijf dient er toe dat de jeugdige op verantwoorde wijze in de vertrouwde thuissituatie kan blijven wonen.
Kortdurend verblijf wordt in beginsel verleend voor maximaal drie etmalen per week waarbij maximaal 52 etmalen per jaar geldt.
Bij kortdurend verblijf staan de volgende resultaten centraal:
4.5 Behandeling Jeugd-GGZ (JGGZ)
De JGGZ is voor jeugdigen tot 18 jaar die te maken hebben met ggz-gerelateerde problematiek of psychische problemen. Het gaat om geneeskundige geestelijke gezondheidszorg gericht op het verminderen, stabiliseren, behandelen of voorkomen van verergering van psychische problemen. JGGZ valt onder het overkoepelende wettelijk begrip van jeugdhulp.
Preventieve JGGZ is een vrij toegankelijke voorziening. Voor het gebruik is geen besluit nodig van de gemeente. Vanuit de preventieve JGGZ zijn er bij de huisartsen praktijkondersteuners JGGZ (POH JGGZ) beschikbaar. Zij werken onder de eindverantwoordelijkheid van de huisarts en opereren onafhankelijk van een GGZ-aanbieder. De POH JGGZ gaat uit van het versterken van de eigen kracht van de jeugdige (zelfredzaamheid), betrekt de context en werkt samen met de jeugdige aan het behouden, versterken en herstellen van gezondheid. Door positionering binnen de huisartsenpraktijk en aandacht voor problemen op meerdere gebieden is integrale, vraaggerichte zorg voor mensen met psychische problemen mogelijk. Jeugdigen en hun sociaal netwerk kunnen altijd laagdrempelig bij de POH JGGZ terecht.
Basis JGGZ is niet vrij toegankelijk en wordt op aanvraag verleend. Het gaat bij basis JGGZ om behandeling van jeugdigen met een (sterk vermoeden van) DSM-5 stoornis. De behandeling is gericht op het verminderen of voorkomen van verergering van psychische problemen, waardoor een blijvende verbetering in het (maatschappelijk) functioneren wordt gerealiseerd. Naast de verbetering op het vlak van de geestelijke gezondheidszorg richt de behandeling zich op een verbetering van het functioneren van de jeugdige in het gezin, in sociale relaties en op het vlak van aanpalende levensdomeinen (bijvoorbeeld onderwijs en vrije tijd).
Specialistische JGGZ is niet vrij toegankelijk en wordt op aanvraag verleend. Het gaat bij deze vorm van hulp-op-maat om behandeling van jeugdigen waarbij sprake is van een hoog risico en/of hoge complexiteit bij vermoeden van een in de DSM-5 benoemde stoornis. De jeugdige wordt individueel behandeld. De behandeling is gericht op maatschappelijk herstel en op het verminderen of voorkomen van verergering van problemen, waardoor een blijvende verbetering in het functioneren wordt gerealiseerd. Naast de verbetering op het vlak van de geestelijke gezondheidszorg richt de behandeling zich op een verbetering van het functioneren van de jeugdige in het gezin, in sociale relaties en op het vlak van aanpalende levensdomeinen (bijvoorbeeld onderwijs en vrije tijd).
4.5.4 Hoog specialistische jeugd GGZ en Specialistische jeugd GGZ Intercultureel
Deze specialistische vormen van hulp-op-maat zijn niet vrij toegankelijk en worden op aanvraag verleend. Het gaat om specialistische psychiatrische behandelingen die regionaal zijn ingekocht. Het gaat om:
Jeugdigen die (dreigend) delict gedrag en/of seksueel of agressief grensoverschrijdend gedrag vertonen. Zonder passende en tijdige behandeling vormen deze jeugdigen een gevaar voor zichzelf en/of hun omgeving, waarbij het steeds moeilijker wordt het grensoverschrijdende gedrag te beperken en de negatieve ontwikkeling en achterliggende problematiek aan te pakken.
Hoog complexe Jeugd GGZ is bedoeld voor jeugdigen bij wie sprake is van (sterke aanwijzingen zijn voor) één of meerder psychische stoornissen met een hoog risico waarbij duidelijke aanwijzingen zijn voor gevaar en/of complexe problematiek waarbij de kwaliteit van leven ernstig onder druk staat.
Klinische behandeling jeugd GGZ
De behandeling is bestemd voor kinderen met ernstige problemen van psychische aard, waardoor een tijdelijke opname noodzakelijk is en die daardoor tijdelijk niet bij hun ouders kunnen of mogen verblijven.
Interculturele specialistische jeugd GGZ
Jeugdigen met een niet westerse culturele achtergrond en een (vermoeden van) een psychische stoornis. De jeugdige heeft een meervoudige ernstige problematiek en ervaart aanzienlijke beperkingen in het dagelijks functioneren, zowel thuis, op school als elders als gevolg van het ziektebeeld.
Jeugdhulp 24-uurs hulp is niet vrij toegankelijk en wordt op aanvraag verleend. Deze vorm van hulp-op-maat is regionaal ingekocht. Als de jeugdige hulp en/of zorg ontvangt in een andere (woon)omgeving waar hij ook slaapt spreken we van Jeugdhulp 24-uurs hulp (verblijf of residentiële jeugdhulp). Het gaat om:
Thuis op Maat (TOM) wordt ingezet voor instroom én voor door- en uitstroom van verblijf.
De inzet van TOM instroom is maximaal 9 maanden.
In pleegzorg verblijven jeugdigen die om verschillende kind en/of gezins-gerelateerde redenen (zoals ernstige gedragsproblemen, opvoedingsproblemen, gezinsproblemen) tijdelijk of langdurig niet bij de eigen ouder(s) kunnen opgroeien, maar wel kunnen functioneren in een gezinssituatie. Ze hebben dus geen behandelsetting nodig. De jeugdige is vaak onveilig gehecht en getraumatiseerd. Het zijn jeugdigen die in een reguliere gezinssituatie kunnen functioneren en daarbij niet zijn aangewezen op professionele opvoeders.
Een gezinshuis is vooral bedoeld voor jeugdigen die niet in hun eigen gezin of in een pleeggezin kunnen wonen. Jeugdigen hebben vaak complexere problemen, zoals onveilige gehechtheid en trauma’s, maar worden (in principe) in staat geacht in een gezinsstructuur te functioneren. De jeugdige heeft een begeleidings- of behandelvraag, afhankelijk van de problematiek. De zwaarte van dit jeugdhulpaanbod zit tussen een pleeggezin en verblijf op een leefgroep in.
Kamertrainingscentrum/Fasehuis
De hulp is bestemd voor jeugdigen tussen de 16 en 18 jaar die begeleid en voorbereid worden op zelfstandig wonen. Wanneer er sprake is van verlengde jeugdhulp kan dit ook voor jeugdigen van 18 jaar of ouder zijn.
Woon- en leefgroep (ombouwen naar kleinschalig wonen)
De hulp is bestemd voor jeugdigen tussen de 4 tot 18 jaar die niet bij hun ouders kunnen of mogen verblijven en die niet in een pleeggezin of gezinshuis kunnen wonen. Dit vanwege een verstandelijke en/of lichamelijke beperking en vormen van gedrags- en ontwikkelingsproblemen of combinaties hiervan.
Behandeld wonen is bestemd voor de jeugdige (gezin/systeem) die te maken heeft met gedragsproblematiek, een verstandelijke en/of lichamelijke beperking, problemen op school en/of problemen thuis. Er is (een vermoeden van) psychiatrische of psychosociale problematiek.
Aanvullend op Behandeld wonen: De hulp is bestemd voor jeugdigen die (tijdelijk) niet bij hun ouders kunnen of mogen verblijven, maar een kleinschalige woonomgeving nodig hebben om behandeld te worden voor ernstige opvoed- en gedragsproblemen. Deze hulp wordt geboden aan jeugdigen die niet geholpen zijn met andere vormen van hulpverlening (lichter en dichter bij het gezin), als intensieve ambulante behandeling specialistisch en/of overige vormen van verblijf.
Aanvullend op Behandeld wonen: deze hulp wordt geboden aan jeugdigen die niet geholpen zijn met lichtere hulpverlening, die dichter bij het gezin wordt geboden, zoals intensieve ambulante behandeling specialistisch en/of overige vormen van verblijf. Zonder verblijf en behandeling in een JeugdzorgPlus omgeving vormen zij een risico voor zichzelf of voor hun omgeving. De zorg kan in dit geval alleen worden geboden door erkende JeugdzorgPlus-instellingen.
Deze vorm van hulp-op-maat is niet vrij toegankelijk en wordt op aanvraag verleend. De hulp-op-maat is regionaal ingekocht en bestemd voor jeugdigen tot 18 jaar met ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, psychiatrische problematiek en opgroei- en ontwikkelproblemen, waarbij over het algemeen sprake is van het een gevaar kunnen zijn voor zichzelf en/of hun omgeving en acuut gehandeld moet worden in een aantal gevallen, eventueel inclusief een noodbed. Er zijn twee varianten:
1. Crisisinterventie met verblijf
De jeugdige heeft een niet uitstelbare hulpvraag met acute problematiek op een aantal leefgebieden. Er is regieverlies (weet niet meer wat te doen, overzicht kwijt, kan problematiek niet meer voldoende managen) en/of sprake van onveiligheid in de thuissituatie, en jeugdige is 24/7 uur aangewezen op bereikbaarheid van hulp. Deze hulp kan in de thuissituatie niet geboden worden, waardoor opname noodzakelijk is.
2. Crisisinterventie zonder verblijf
De jeugdige heeft een niet-uitstelbare hulpvraag met urgente problematiek en heeft direct begeleiding nodig in de thuissituatie. J-GGZ hulp of Jeugd en opvoedhulp (JOH). De jeugdige is niet in staat om deze acute problematiek zelfstandig te beslechten. Er is sprake van regieverlies en/of sprake van onveiligheid in de thuissituatie.
Er is één centraal punt waar verwijzers extra expertise en om-denkvermogen kunnen inschakelen om uithuisplaatsingen te voorkomen. Met name bij zeer complexe hulpvragen en/of out of the box oplossingen voor jeugdigen. Dit kunnen bijvoorbeeld ook vormen zijn van buiten de jeugdhulp. Vanuit dit centrale punt kan ook besloten worden tot kortdurende inzet van het multidisciplinaire Team dat in de gezinnen zelf ‘doet wat nodig is’.
Dyslexie is een aangeboren beperking bij lezen en spellen. Ondersteuning bij dyslexie wordt in eerste instantie geboden door hulp en aanpassingen in het onderwijs. Blijkt dat er sprake is van ernstige dyslexie (ED) dan is de gemeente verantwoordelijk voor dyslexiezorg. Die verantwoordelijkheid beperkt zich tot de diagnose en behandeling van ED van jeugdigen die basisonderwijs volgen. Meestal gaat het om jeugdigen in de leeftijd tussen 7 en 12 jaar. Hierbij past de gemeente het door het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie (NKD) protocol ‘Dyslexie, Diagnose en Behandeling 3.0’ toe.
4.11 Effectief bewezen interventies
Het Nederlands Jeugdinstituut beheert een databank Effectieve jeugdinterventies die beschrijvingen bevat van programma's voor steun en hulp bij opgroeien en opvoeden. Deze interventies zijn door een onafhankelijke erkenningscommissie beoordeeld. Een interventie is een theoretisch en praktisch weldoordachte, systematische aanpak voor preventie, ondersteuning en hulp bij specifieke risico's en problemen. Professionals (natura en pgb) werken volgens zo’n interventie.
5. Jeugdhulp in combinatie met bredere jeugdhulpinzet
Er zijn een paar situaties waarin slechts in uitzonderlijke gevallen door de gemeente hulp-op-maat wordt ingezet.
5.1 Ontheffing van de leerplicht
Als een jeugdige een ontheffing van de leerplicht heeft en daardoor niet naar school gaat, betekent dat niet dat dan automatisch hulp-op-maat ingezet kan worden. Als een jeugdige of zijn ouder(s) een hulpvraag bij de gemeente meldt, wordt daar onderzoek naar gedaan zoals beschreven in hoofdstuk 2 van deze beleidsregels. Uit dat onderzoek kan blijken of hulp-op-maat nodig is tijdens een ontheffing van de leerplicht. De inzet van hulp-op-maat ontslaat de school nooit van de zorgplicht om passend onderwijs aan de jeugdige te bieden.
De gemeente biedt alleen diagnostiek door een jeugdhulpaanbieder als dit onderdeel is van een bredere jeugdhulpinzet of er meer inzicht nodig is in de problematiek. Denk hierbij aan behandeling en/of behandeladviezen. Diagnostiek houdt in dat er een beeld wordt gevormd van het probleem, de oorzaak en er een advies wordt gegeven. Dat advies is onderdeel van het onderzoek. Het kan niet gaan om diagnostiek over onderwijsvraagstukken. Dat valt onder de verantwoordelijkheid van de school of het samenwerkingsverband.
5.3 Hulp binnen de school, tijdens onderwijstijd
Het pedagogisch klimaat en de pedagogische vaardigheden van leerkrachten zijn de verantwoordelijkheid van de school en het samenwerkingsverband waar de school deel van uitmaakt. Het samenwerkingsverband heeft de kennis in huis om de leerkrachten te ondersteunen. De gemeente werkt samen met de school om de hulp rondom het kind goed te organiseren.
5.4 Problematiek bij echtscheiding of niet meer samenwonen
Soms is het zo dat een echtscheiding (of niet meer samenwonen) van de ouders of ruzie en spanningen in relationele sfeer tot problemen bij de jeugdige leiden, zoals trauma, hechtings- en/of opvoedproblemen. Dergelijke problemen vallen onder het begrip jeugdhulp. Dat wil zeggen de hulpvraag kan bij de gemeente worden gemeld waarna een onderzoek wordt gedaan zoals beschreven in hoofdstuk 2 van deze beleidsregels.
Problemen rondom ouderlijk gezag
Problemen die alleen te maken met de invulling van het ouderlijk gezag vallen niet onder het begrip jeugdhulp. Ouders zijn verantwoordelijk om de problemen rondom echtscheiding (of uit elkaar gaan) zelf het hoofd te bieden. Daarvoor kunnen zij gebruik maken van bijvoorbeeld:
Een familierechter behandelt zaken zoals echtscheidingen, omgangsregelingen en kinderbeschermingsmaatregelen (gedwongen kader). In zo’n procedure kan naar voren komen dat hulp-op-maat nodig is in het vrijwillig kader. Als ouder(s) niet meewerken aan die hulp, kan de gemeente een bericht naar de rechtbank en de Raad voor de Kinderbescherming sturen. Zij besluiten dan hoe het verder gaat.
6. Persoonsgebonden budget (pgb)
Een persoonsgebonden budget (pgb) is een bedrag waarmee de budgethouder hulp-op-maat kan inkopen om de vastgestelde resultaten te behalen, als wordt voldaan aan de voorwaarden. De gemeente moet de ouder(s) of jeugdige tijdens het onderzoek informeren over welke mogelijkheden er zijn om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. De gemeente maakt het pgb over aan de Sociale verzekeringsbank (Svb) die het pgb op declaratiebasis uitbetaald aan degene met wie de budgethouder een overeenkomst heeft gesloten. De huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts kunnen alleen een verwijzing naar gecontracteerde hulp-op-maat in natura doen. In de wet staan een aantal voorwaarden die de gemeente moet beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen.
Artikel 4.1 van de Verordening bepaalt dat de gemeente geen hulp-op-maat betaalt als deze al door ouders of jeugdigen is gerealiseerd nadat zij zich hebben gemeld maar voordat de gemeente een besluit heeft genomen. Er geldt alleen een uitzondering als de jeugdige en/of ouder(s) schriftelijk toestemming hebben gekregen van de gemeente. Het spreekt voor zich dat de gemeente wel een besluit tot het verlenen van hulp-op-maat kan geven voor ‘de toekomst’ (in te zetten na de besluitdatum).
Hulp-op-maat waarin is voorzien voordat ouders of jeugdigen zich bij de gemeente hebben gemeld wordt niet (met terugwerkende kracht) verleend, want er is al in voorzien in de hulp over een voorliggende periode.
6.4 Beoordelen voorwaarden recht op pgb
Heeft de gemeente vastgesteld dat de ouder(s) of jeugdige is aangewezen op hulp-op-maat (natura), dan kan de ouder(s) of jeugdige verzoeken om deze in de vorm van een pgb te ontvangen. Zo’n verzoek wordt aangemerkt als aanvraag. Dat wil zeggen dat de gemeente daar een besluit over moet nemen.
In deze beleidsregels worden verschillende criteria genoemd die de gemeente hanteert bij de beoordeling. Daarmee is geen limitatief overzicht bedoeld. De wet bepaalt een aantal voorwaarden die de gemeente moet beoordelen om het recht op pgb vast te stellen. Deze voorwaarden zijn cumulatief. Dat wil zeggen dat aan alle voorwaarden moet zijn voldaan om voor een pgb in aanmerking te komen. Het gaat om:
Als verplichting geldt een Budgetplan in te dienen. Een Budgetplan draagt er onder meer aan bij dat de gemeente beter kan beoordelen of wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van artikel 8.1.1 lid 2 van de wet en de eventuele overige bepalingen in de Verordening. Het spreekt voor zich dat de gemeente het ingevulde Budgetplan met de budgethouder wenst te bespreken. Dat is niet vrijblijvend. Na herhaald verzoek niet verschijnen op een uitnodiging zal voor de gemeente aanleiding zijn het pgb te weigeren en hulp-op-maat in natura te verlenen.
Wordt geen Budgetplan ingediend of is het Budgetplan niet volledig of niet op juiste wijze ingevuld, dan wordt de budgethouder uitgenodigd dat te herstellen. Wordt het Budgetplan wederom niet ingediend? Dan merkt de gemeente dat aan als het niet verlenen van medewerking. Wordt het Budgetplan wederom niet juist of volledig ingevuld? Dan gaat de gemeente er van uit dat de budgethouder onvoldoende pgb-bekwaam is. In beide situaties is dat voor gemeente aanleiding het pgb te weigeren en hulp-op-maat in natura te verlenen.
6.6 Besteding pgb sociaal netwerk
Uit het verzoek om een pgb kan blijken dat de jeugdige en/of ouder(s) het pgb wensen te besteden aan iemand uit het sociaal netwerk. Het gaat om: de ouder(s) van de jeugdige, een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of ouder(s) een sociale relatie onderhoudt.
In artikel 6.3.1 van de Verordening staat dat besteding van het pgb aan iemand uit het sociaal netwerk (ook de ouders) is begrensd. Het pgb mag alleen aan hen worden besteed als dit volgens de gemeente leidt tot betere en effectievere hulp en die doelmatiger is. Het ligt op de weg van de jeugdige en/of ouder(s) om dat aan te tonen. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit de motivering in het Budgetplan en het gesprek dat de gemeente daarover voert met ouders of jeugdigen. Een onafhankelijke cliëntondersteuner kan bij dat gesprek aanwezig zijn.
De budgethouder moet pgb-vaardig zijn. Dat wil zeggen dat de budgethouder in staat moet zijn om de aan het pgb verbonden taken (verplichtingen) op verantwoorde wijze uit te voeren. Bij deze taken wordt in ieder geval gedacht aan het sluiten van overeenkomsten en het aansturen en aanspreken van de jeugdhulpverleners (of iemand uit het sociaal netwerk) op hun verplichtingen. De gemeente moet vaststellen of:
6.7.1 Hulp bij pgb-vaardigheid
De budgethouder kan een vertegenwoordiger hebben. Dat is een persoon of rechtspersoon die hem vertegenwoordigt als de budgethouder niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen. Eenvoudig gezegd: de budgethouder zelf is niet pgb-vaardig. Bij een vertegenwoordiger kan het gaan om iemand die door de budgethouder gemachtigd is of een wettelijke vertegenwoordiger die is aangesteld door de rechtbank (bewindvoerder of mentor). De gemeente moet dan vaststellen of de vertegenwoordiger pgb-vaardig is (zie verder hierna).
Met de aanstelling van een bewindvoerder is het risico dat het pgb niet besteed zal worden aan de daarvoor bestemde doelen voldoende ondervangen. Bewind gaat immers over vermogensrechtelijke handelingen. Het spreekt voor zich dat de gemeente niet bevoegd is een oordeel te geven of de bewindvoerder de taken uit hoofde van de bewindvoering op juiste wijze uitvoert. Maar de gemeente zal wel moeten vaststellen of de bewindvoerder de (andere) taken die aan het pgb zijn verbonden op juiste wijze uitvoert. Denk bijvoorbeeld aan het aansturen en aanspreken van de jeugdhulpverlener (of iemand uit het sociaal netwerk) en het evalueren van de geboden jeugdhulp.
Een mentor behartigt de niet-vermogensrechtelijke belangen van bijvoorbeeld ouders of jeugdigen. Een mentor kan zonder verdere machtiging een aanvraag doen maar is (zonder machtiging van ouders of jeugdigen) niet bevoegd om het pgb-beheer (vermogensrechtelijke handelingen) uit te voeren.
De vertegenwoordiger mag alleen handelen in het belang van de budgethouder en dus niet ook zijn eigen belang dienen. Een vertegenwoordiger zorgt er feitelijk voor dat (namens) de budgethouder de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden ook daadwerkelijk worden nagekomen; hij biedt de budgethouder gewaarborgde hulp. Dat is van belang omdat de gevolgen van het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen in principe voor rekening en risico van de budgethouder komen. Denk aan de weigering van een pgb, het intrekken van het recht op pgb of de terugvordering van een ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald pgb.
Blijkt uit onderzoek dat de vertegenwoordiger de gewaarborgde hulp niet kan bieden of daar tenminste twijfels over bestaan, dan zal de gemeente de jeugdige of zijn ouder(s) in de gelegenheid moeten stellen om een andere vertegenwoordiger te machtigen die in staat is de pgb-vaardigheid op zich te nemen. Lukt dat niet, dan zal de gemeente het pgb weigeren en hulp-op-maat in natura verlenen.
Het kan voorkomen dat de vertegenwoordiger ook degene is aan wie het pgb wordt besteed. Dat is niet toegestaan, dit volgt uit de rechtspraak. In dat geval weigert de gemeente het pgb omdat de aan het pgb verbonden taken niet op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd. Immers kan niet worden vastgesteld dat de beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld. Het kan gaan om iemand aan wie het pgb wordt besteed maar ook om een vertegenwoordiger die een daaraan gelieerde persoon is. Daaronder wordt bijvoorbeeld een medewerker verstaan die bij deze persoon (of organisatie) in dienst is of er op een andere manier verwevenheid bestaat.
6.7.3 Besteding pgb aan sociaal netwerk
Conflicterende belangen zijn ook aan de orde als iemand uit het sociaal netwerk zowel als vertegenwoordiger optreedt maar ook degene is aan wie het pgb wordt besteed. Ook dat is niet toegestaan. Een uitzondering kan zich voordoen als:
Deze persoon mag daarbij op geen enkele wijze druk uitoefenen op de ouder(s) en jeugdige bij de keuze van een pgb ter besteding aan die persoon. Dat wil zeggen de budgethouder mag niet door deze persoon worden beïnvloed.
6.7.4 Besteden pgb aan ouder(s)
Is de jeugdige budgethouder en wenst hij het pgb te besteden aan zijn ouder(s), dan liggen conflicterende belangen voor de hand. De jeugdige moet in staat worden geacht om bijvoorbeeld degene die de hulp-op-maat biedt aan te sturen en zo nodig bij te sturen. Dat is bij een kind-ouderrelatie tegennatuurlijk. Daarnaast kan een loyaliteitsconflict ontstaan omdat de jeugdige indirect verantwoordelijk is voor het inkomen van de ouder(s).
6.8 Aandachtspunten overig pgb besteden aan sociaal netwerk
Besteding van het pgb aan iemand uit het sociaal netwerk en ouders is beperkt in de Verordening, zie 6.6.1 van de beleidsregels. Daarnaast beoordeelt de gemeente in ieder geval of:
voldoende distantie aanwezig is. Dit kan een belangrijke rol spelen bij het bereiken van het resultaat. Zo kan te veel (emotionele) betrokkenheid van de persoon uit het sociale netwerk een negatief effect hebben op de relatie tussen de jeugdige en degene die de hulp-op-maat biedt. De jeugdige kan ook (te) afhankelijk worden van de persoon uit het sociale netwerk.
6.9 Bevorderen autonomie jeugdige
De wettelijke jeugdhulpdoelen zijn onder meer gericht op het groeien naar zelfstandigheid. In het algemeen is het zo dat jeugdigen daarvoor ook ‘los’ moeten komen van hun ouder(s). Afhankelijk van de leeftijd en ontwikkelingsniveau kan
professionele deskundigheid nodig zijn. Dit om bijvoorbeeld de autonomie te bevorderen. De gemeente beoordeelt daarom of besteding van het pgb aan de ouder(s) in de weg staat (kan staan) aan het groeien naar zelfstandigheid. Een dergelijke beoordeling kan ook nodig zijn als het om het sociaal netwerk gaat.
6.11 Vaststellen pgb-vaardigheid
De gemeente moet vaststellen of de ouder(s) of jeugdige dan wel de vertegenwoordiger pgbvaardig is. Daarvoor wordt onderzocht of de ouder(s) of jeugdige:
Deze 10 punten zijn gebaseerd op de handreiking en infographic pgb-vaardigheid van de Rijksoverheid. Onder een jeugdhulpverlener kan ook een andere persoon worden verstaan die de hulp-op-maat biedt.
De tweede voorwaarde om in aanmerking te komen voor een pgb, gaat over de vraag of de jeugdige of zijn ouder(s) hun wens voor een pgb voldoende motiveren. Het gaat om de motivering van het standpunt dat de hulp-op-maat in natura, voor hen niet passend is, bijvoorbeeld als:
Oriënteren op zorg in natura aanbod
De gemeente vraagt de jeugdige of ouder(s) om te laten zien dat zij zich hebben georiënteerd op het door de gemeente gecontracteerde hulp-op-maat in natura en daarbij aan te geven waarom deze niet passend is c.q. zij deze niet passend achten. Daarover wordt gezamenlijk een gesprek gevoerd.
In hoofdstuk 9 van de wet staan de regels voor het toezicht door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Het toezicht op degenen aan wie het pgb wordt besteed valt daar niet onder. Daarom staat in artikel 8.4.5 van de Verordening dat de gemeente daar toezichthouders voor aanwijst.
Artikel 6.3.1 lid 5 onder a van de Verordening bepaalt dat de professional (organisatie of Zzp’er) aan wie het pgb wordt besteed, moet voldoen aan de eisen die gelden voor de jeugdhulpaanbieders die door de gemeente zijn gecontracteerd. Dat is alleen anders als die eisen alleen te maken hebben met het contract met de gemeente over bijvoorbeeld kritische prestatie-indicatoren of rapportageverplichtingen. Zie ook 6.13.3 van deze beleidsregels. In de begrippenlijst van de Verordening staan de begripsbepalingen van een professionele organisatie en Zzp’er. Daaruit blijken ook de eisen waaraan een professional moet voldoen. Het gaat daarbij vooral om de inhoudelijke kwaliteit om de vastgestelde resultaten te behalen, zoals de vakbekwaamheid en het werken volgens effectief interventies. Zie 4.11 van deze beleidsregels (effectief bewezen interventies). Voor iemand uit het sociaal netwerk (of de ouders) ligt dat anders. Zo gelden voor hen niet de opleidingseisen en/of registratie eisen (SKJ of BIG). Wel geldt de eis dat een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) moet worden overlegd, behalve als het de eigen ouder(s) betreft. Het spreekt voor zich dat ouders en mensen uit het sociaal netwerk in staat moeten zijn om de noodzakelijke hulp-op-maat te kunnen bieden.
6.13.2 Specifiek jeugdhulp met verblijf
Als het pgb wordt besteed aan de inkoop van jeugdhulp met verblijf, dan gelden specifieke criteria. Denk bijvoorbeeld aan het landelijk kwaliteitskader gezinshuizen, tenzij het pgb wordt besteed aan iemand uit het sociaal netwerk.
6.13.3 Kwaliteit en besteding pgb aan professionals
Het kan gaan om iemand in dienst bij een professionele organisatie of die als Zzp’er werkzaam is. De gemeente beoordeelt in ieder geval of:
de beoogde jeugdhulpverlener niet al (te) lang betrokken is bij de jeugdige, zijn gezin en/of mensen uit het sociaal netwerk. Dat kan de professionele kijk op de jeugdige of het gezinssysteem vertroebelen. Dat wil zeggen dat de gemeente onderzoekt of er nog wel sprake is van voldoende professionele distantie om het resultaat te kunnen behalen. Dat kan bijvoorbeeld al blijken uit het ontbreken van voortuitgang in het behalen daarvan.
Voor het pgb geldt een ruime mate van bestedingsvrijheid. Dat wil zeggen dat het pgb mag worden besteed aan hulp-op-maat waarmee het door de gemeente vastgestelde resultaat wordt bereikt. Vooropgesteld dat wordt voldaan aan voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen. Om doorkruising met de wettelijke systematiek te voorkomen bepaalt de Verordening dat het pgb niet mag worden besteed aan hulp die volgens de gemeente valt binnen de gebruikelijke hulp. Het spreekt voor zich dat als ouder(s) meer hulp kunnen bieden dat daarvoor hetzelfde geldt (eigen mogelijkheden en oplossend vermogen).
6.14.2 Kostensoorten en declareren
In artikel 6.3.1 lid 5, 6 en 7 van de Verordening staan regels over kostensoorten en het declareren van een pgb. Voor een aantal kostensoorten geldt dat het pgb daar niet aan mag worden besteed. Verder geldt dat de declaraties geen vast maandbedrag mogen bevatten. Dat wil zeggen er wordt altijd gedeclareerd in tijd. Ook geldt dat geen gebruik wordt gemaakt van een zogeheten verantwoordingsvrij bedrag. Gemeenten zijn vrij om dat te bepalen.
De Verordening schrijft voor binnen welke termijn de budgethouder het pgb moet besteden. Wanneer de budgethouder het pgb niet binnen de geldende termijn heeft besteed, dan onderzoekt de gemeente wat de reden is. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan er aanleiding zijn om over te gaan tot herziening of intrekking van het pgb-besluit.
6.15 Overige weigeringsgronden pgb
Er zijn nog twee wettelijke uitsluitingsgronden voor het pgb (art. 8.1.1 lid 4 Jw). De gemeente is bevoegd daarover een beleidsregel vast te stellen.
Het kan voorkomen dat de budgethouder een duurdere hulp-op-maat wil inkopen terwijl het pgb alleen toereikend is om de geïndiceerde hulp-op-maat in te kunnen kopen. In dat geval weigert de gemeente het meerdere van de kosten die daarmee gemoeid zijn. Het is dan aan de budgethouder om de meerkosten zelf te betalen. Let wel de gemeente beoordeelt nog steeds of de kwaliteit van de in te kopen (duurdere) hulp-op-maat voldoet aan de daaraan te stellen eisen.
Als er aanleiding is om te twijfelen of de budgethouder de in te kopen hulp-op-maat wel kan bekostigen, zal de budgethouder daar desgevraagd bewijsstukken van moeten overleggen. Dit om te voorkomen dat toch hulp-op-maat van onvoldoende kwaliteit wordt ingekocht of de budgethouder hulp-op-maat inkoopt waarmee hij niet gedurende de (gehele) budgetperiode kan voorzien in de behoefte aan jeugdhulp.
De regeling voor de vrijwillige storting is vereenvoudigd (voorheen art. 8 lid 6 Regeling Jeugdwet). In de praktijk is de werkwijze ontwikkeld dat wanneer een declaratie wordt ingezonden, en er onvoldoende geld beschikbaar is in het pgb, de SVB een uitnodiging stuurt aan de budgethouder om geld bij te storten. In die zin geldt dan de declaratie (in geval er onvoldoende geld is) als een aanvraag voor het betalen van jeugdhulp. Een budgethouder hoeft dan niet nog eens een aanvraag van een betaling te doen, maar hoeft enkel bij de SVB het benodigde bedrag bij te storten naar aanleiding van de uitnodiging van de SVB. Dit reduceert administratieve lasten voor de budgethouder(s).
2. Pgb-besluit eerder ingetrokken
Heeft de gemeente eerder een pgb-besluit ingetrokken, dan komt de jeugdige gedurende twaalf maanden niet voor een pgb in aanmerking (art. 8.1.1 lid 4 Jw). De termijn gaat in vanaf de datum van het herzienings- of intrekkingsbesluit. Er wordt gesproken van een zogeheten preventieve weigering. Dat wil zeggen dat de gemeente een pgb-verzoek kan weigeren zonder te beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarden van de pgb-vaardigheid.
In hoofdstuk 6 van de Verordening is bepaald hoe de hoogte van het pgb voor de verschillende soorten hulp-op-maat wordt vastgesteld.
Er gelden gedifferentieerde percentages van de tarieven. Die zijn afhankelijk van de derde aan wie de budgethouder het pgb wil besteden. Het kan gaan om:
Voor de mensen onder c stelt de Verordening vast wat de minimale hoogte van het pgb moet zijn.
In de Verordening zijn begripsbepalingen opgenomen van een professionele organisatie en een Zzp’er. Dat is van belang omdat de hoogte van het pgb daar op wordt gebaseerd. In principe moet zijn voldaan aan de begripsbepaling om in aanmerking te komen voor het van toepassing zijnde percentage van het tarief.
Ouders of jeugdigen kunnen na afloop van de indicatie een nieuwe aanvraag indienen. Is er wederom een noodzaak om hulp-op-maat te verlenen en wensen ouders of jeugdigen die weer in de vorm van een pgb om te besteden aan dezelfde persoon of organisatie? Dan beoordeelt de gemeente of tijdens de voorafgaande indicatie de resultaten (voldoende) zijn behaald. Mogelijk wordt dan niet voldaan aan de voorwaarde van pgb-vaardigheid of pgb-kwaliteit, tenzij een afdoende verklaring wordt gegeven waarom de resultaten (nog) niet zijn bereikt. De gemeente zal ouder(s) of de jeugdige in dat geval in de gelegenheid stellen om met een andere persoon of organisatie een overeenkomst aan te gaan die wel voldoet aan de vereisten. Wordt daar niet aan voldaan, dan weigert de gemeente het pgb en wordt hulp-op-maat in natura verleend.
7. Jeugdigen van 16 tot 23 jaar
7.1 Hulp-op-maat bij 16 jaar en ouder
Bij de keuze van een jeugdhulpaanbieder houdt de gemeente er rekening mee dat hulp-op-maat mogelijk na de leeftijd van 18 jaar doorloopt. Als de gemeente verwacht dat de hulp-op-maat dan overgaat naar de Wmo, wordt eerst gekeken of een gecontracteerde aanbieder voor zowel jeugdhulp als hulp vanuit de Wmo de jeugdige kan helpen.
7.4 Pleegzorg en verblijf gezinshuis
Deze vorm van jeugdhulp loopt door tot 21 jaar, tenzij de jeugdige dit niet wil. Dat is geregeld in de wet.
Verblijf gezinshuis (bestuursafspraak)
Sinds 1 februari 2020 kan verblijf in een gezinshuis worden verleend (of doorlopen) aan jeugdigen in de leeftijd tot 21 jaar. Dat is nog niet in de wet geregeld maar landelijk afgesproken in een bestuursafspraak. Wel geldt de voorwaarde dat in overleg tussen gemeente, jeugdige, gezinshuisouder(s) en, als de behandelverantwoordelijke is betrokken bij de jeugdige, er een perspectief voor de toekomst is vastgesteld.
8. Beëindiging, herziening/intrekking, terugvordering en invordering
Dit hoofdstuk gaat over de bevoegdheid van de gemeente om terug te komen van een eerder afgegeven besluit. Daarvoor kan rechtvaardiging worden gevonden als sprake is van de situaties zoals genoemd in de wet of de verordening. Denk in dit verband ook aan de verplichting van de jeugdige of zijn ouder(s) om op verzoek van de gemeente maar ook uit eigen beweging, relevante feiten en omstandigheden bij de gemeente te melden. Omdat het in alle gevallen om een bevoegdheid (kan-bepaling) gaat, zal er een belangenafweging moeten plaatsvinden waarom de gemeente wel of geen gebruik maakt van de bevoegdheid. De gemeente hanteert als uitgangspunt dat als geen, een gedeeltelijk of een gewijzigd recht bestaat op jeugdhulp, in beginsel gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid. De gemeente vordert het pgb of de geldswaarde van de hulp-op-maat terug, tenzij dat in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel.
Er wordt gesproken van een beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. De beëindiging van de hulp-op-maat, al dan niet in de vorm van een pgb kan het gevolg zijn van de heroverweging van het besluit waarin hulp-op-maat is toegekend. Andere voorbeelden zijn: het woonplaatsbeginsel is niet meer van toepassing, het niet meer aangewezen zijn op hulp-op-maat of het overlijden van de jeugdige. De datum waarop het besluit wordt beëindigd is afhankelijk van de situatie.
Wanneer de jeugdige aan wie (voor wie) een pgb is verstrekt is overleden, kunnen gedurende de maand van overlijden nog betalingen door de SVB worden gedaan uit het nog beschikbare (resterende) pgb. Dat wil zeggen dat de hulp-op-maat die tot en met de dag van het overlijden is geboden, nog kan worden gedeclareerd.
Het (deels) ongedaan maken van het recht over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Een herziening of intrekking van het besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden. Daarbij kan het recht op hulp-op-maat afwijkend worden vastgesteld (herzien) of worden ingetrokken als er in het geheel geen aanspraak op hulp-op-maat heeft bestaan.
8.3 Toetsingskader evenredigheidsbeginsel
De Afdeling bestuursrechtspraak voor de Raad van State heeft een nieuw kader gegeven over de toepassing van art. 3:4 lid 2 Awb welke geldt bij uitoefening van bestuursbevoegdheden met beleidsruimte (RVS:2022:285). De gewijzigde rechtspraak heeft niet alleen betrekking op de zogeheten kan-bepalingen van de wet of de verordening maar ook op beleidsregels als bedoeld in art. 1:3 lid 4 Awb. De Jeugdwet kent alleen niet-dwingendrechtelijke bepalingen. Denk aan de discretionaire bevoegdheid tot herzien of intrekken van het toekenningsbesluit en het terugvorderen van de geldswaarde van de hulp-op-maat (natura) dan wel een pgb (respectievelijk art. 8.1.4 Jw en de bepalingen in de Verordening.
De besluitvorming vraagt in ieder geval om een kenbare belangenafweging. Het hanteren van bepalingen of een gedragslijn op grond waarvan (altijd) wordt teruggevorderd als ten onrechte hulp-op-maat is verstrekt wordt als nul-beleid gekwalificeerd en is kennelijk onredelijk (CRVB:2020:3387). Uitgangspunt is wel dat de terugvordering van gelden een noodzakelijk en geschikt middel is.
De belangenafweging kan betrekking hebben op suïcidaal gedrag of het niet (meer) tot stand komen van een minnelijk schuldsaneringstraject (vergelijk CRVB:2020:832, CRVB:2021:1475, CRVB:2024:726). Het kan ook gaan om onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene (CRVB:2015:4067). Daarbij wordt wel opgemerkt dat de bescherming van de beslagvrije voet maakt dat er, volgens de rechtspraak vóór de nieuwe toetsing aan het evenredigheidsbeginsel, praktisch gezien vrijwel nooit sprake kan zijn van onaanvaardbare financiële consequenties (CRVB:2016:3749). Aangenomen kan worden dat een uitzichtloze situatie nu onderdeel uitmaakt van de belangenafweging. Dat zal afhankelijk zijn van de hoogte van de terugvordering al dan niet in combinatie met andere schulden die betrokkene heeft.
Op grond van art. 3:309 BW verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de schuldeiser (de gemeente) zowel van het bestaan van zijn vordering, als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. De verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit over de onverschuldigde betaling, begint op het moment waarop de gemeente bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit over terugvordering in de rede ligt (vergelijk CRVB:2007:BA2284 en CRVB:2021:2962).
De jeugdige of zijn ouder(s) is in beginsel verplicht om binnen zes weken na het verzenden van het terugvorderingsbesluit het gehele bedrag ineens terug te betalen (art. 4:87 lid 1 Awb). De gemeente kan uitstel van betaling geven en daarbij als voorwaarde stellen dat de jeugdige of zijn ouder(s) zich houdt aan de vast te stellen aflosregeling (art. 4:94 Awb). Als de jeugdige of zijn ouder(s) zich niet houdt aan de aflosregeling kan de gemeente het uitstel van betaling weer intrekken (art. 4:96 Awb). De gemeente stelt de aflosbedragen zo vast dat de jeugdige of zijn ouder(s) nog de beschikking heeft over een inkomen van tenminste de beslagvrije voet. De gemeente kan het terug te vorderen bedrag invorderen bij dwangbevel (art. 8.1.4 lid 3 Jw).
In het geval de jeugdige jonger is dan 18 jaar, budgethouder is en de gemeente voornemens is tot terugvordering over te gaan, dan geldt nog het volgende. Het kan zijn dat niet de jeugdige maar zijn ouder(s) verantwoordelijk zijn voor deze schuld. In dat geval gaat de gemeente niet over tot invordering.
De Jeugdwet kent geen bepalingen over de mogelijkheid tot kwijtschelding van geldschulden. Dat betekent dat de regels van de Awb van toepassing zijn (art. 4:94a Awb). De gemeente kan een geldschuld geheel of gedeeltelijk kwijtschelden indien de nadelige gevolgen van de invordering onevenredig zijn in verhouding tot de met de invordering te dienen doelen.
9.1 Afwijken van de beleidsregels (hardheidsclausule)
Zoals ook in Verordening is opgenomen kan de hardheidsclausule toegepast worden als er, volgens de gemeente, sprake is van een onevenredige uitkomst voor de ouder(s) of jeugdige. Als toepassing van deze beleidsregels voor de jeugdige gevolgen heeft die niet in verhouding staan tot de doelen die met deze regels worden nagestreefd, kan de gemeente gevraagd worden om de hardheidsclausule toe te passen. De gemeente kan natuurlijk ook zelf aanleiding zien om af te wijken van deze beleidsregels.
Alle woorden die in deze beleidsregels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, de hierop gebaseerde lagere regelgeving en de Verordening. Sommige woorden komen alleen in deze beleidsregels voor. Er staan ook woorden in deze regels die ergens anders wel worden gebruikt maar niet uitgelegd. De betekenis van die woorden staat hieronder.
Aanbieder: Hiermee wordt een jeugdhulpaanbieder of jeugdhulpverlener bedoeld die door de gemeente is gecontracteerd.
E-health: E-health is het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën. En dan vooral internet-technologie, om gezondheid en gezondheidszorg te ondersteunen of te verbeteren. Zo zijn er online programma’s en apps die de jeugdige kunnen helpen de situatie te verbeteren.
Gezin: In deze beleidsregels wordt soms gesproken over het gezin. Hiermee bedoelen wij de mensen bij wie de jeugdige opgroeit en die betrokken zijn bij de opvoeding. Dit kunnen ouder(s) en/of broer(s) en zus(sen) zijn, maar het kan ook zijn dat de jeugdige opgroeit bij opa en/of oma of een ander familielid of bekende.
Gewaarborgde hulp: een door de budgethouder ingeschakelde persoon van wie voldoende aannemelijk is dat deze kan in staan voor nakoming van de aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen;
Groepsaanbod: Hulp of hulp die een jeugdige krijgt samen met anderen die een vergelijkbaar probleem hebben.
Multidisciplinair behandeltraject: Hierbij wordt behandeling vanuit verschillende invalshoeken gecombineerd ingezet om de behandeling succesvol te laten zijn. De jeugdige krijgt dan bijvoorbeeld cognitieve gedragstherapie (gesprekken met een psycholoog), EMDR (een vorm van traumaverwerking) en daarnaast (een vorm van) vaktherapie.
Onderzoek: Het verzamelen van de informatie die de gemeente nodig heeft om een besluit te kunnen nemen over de hulp waar jeugdigen en/of ouders een aanvraag voor hebben ingediend. Dit kan zijn:
Aan jeugdigen en ouders wordt verteld met wie de gemeente gesprekken voert en waarom dat nodig is. Dat is alleen anders als de bescherming van de jeugdige daarom vraagt (bijvoorbeeld in geval van spoed). In die gevallen wordt achteraf verteld met wie de gemeente gesprekken heeft gehad en waarom.
Ondersteuningsplan: Dit is het plan dat is opgesteld tussen jeugdige en/of ouder(s) en jeugdhulpaanbieder waar aan de hand van de resultaten uit het onderzoeksverslag, doelen zijn geformuleerd. Er wordt een systeemgerichte aanpak gehanteerd. De ingezette hulp-op-maat en de voortgang van de doelen wordt beschreven om het afgesproken resultaat uit het onderzoeksverslag te behalen.
Vaktherapie: Hiermee worden de volgende vormen van therapie bedoeld: beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziektherapie, psychomotorische (kinder)therapie en speltherapie.
Verordening: de Verordening Sociaal Domein Urk.
Vertrouwenspersoon: de vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 1.1 en hoofdstuk 1a van de Jeugdwet.
Voorliggende voorziening: de gemeente hoeft geen jeugdhulp toe te kennen als gelet op de problematiek recht bestaat op een aanspraak op grond van een andere wet. Dat is wettelijk zo geregeld. Dat wordt een voorliggende voorziening genoemd. Zijn er gegronde redenen om aan te nemen dat de jeugdige aanspraak kan maken op de Wet langdurige zorg, dan zal daar een aanvraag voor gedaan moeten worden.
Bijlage 1 Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging
Deze richtlijn is gebaseerd op de CIZ Indicatiewijzer (toelichting op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014, versie 7.1, juli 2014) en is bedoeld als richtlijn ter beoordeling of de boven-gebruikelijke hulp in het kader van de eigen kracht door ouders geboden kan worden.
|
Overzicht handelingen die deel uit kunnen maken van de activiteit |
||||
|
Volledig aankleden/uitkleden 2 |
||||
|
Hulp bij uit bed komen 3 |
||||
|
Zich verplaatsen in zit- of lighouding (hulp bij bewegen, houding) |
||||
|
Naar toilet gaan en zich reinigen c.q. incontinentiemateriaal verwisselen |
||||
|
Medicijnen aanreiken 4 |
||||
|
5 5 |
||||
|
Toedienen oog-, oor- of neusdruppels of oog- gel, medicatie toedienen (vaginaal of rectaal) |
||||
|
Inspectie van de intacte huid op (dreigende) vervormingen, ontstekingen en/of infecties |
||||
|
Verzorging van smetplekken (roodheid en irritaties van de huid) |
||||
|
Verzorging van de intacte huid rondom natuurlijke en onnatuurlijke lichaamsopeningen (zoals PEG-katheter, suprapubiskatheter , tracheastoma6, sonde) |
||||
|
Mondverzorging in verband met risico op infecties bij cytostaticagebruik. Betreft spoelen van de mond, aanbrengen medicatie en het poetsen van de tanden |
10 (hiervan is de tijd voor het tandenpoetsen al vanaf getrokken) |
|||
|
Aanbrengen / verwijderen prothese 7 |
||||
Bijlage 2. Aandachtspunten resultaatgebieden kind gerelateerd, per leeftijdscategorie:
Aandachtspunten resultaatgebied 0-4 jaar
Aandachtspunten resultaatgebied 4-12 jaar
Bijlage 5. Richtlijn ouderschap
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-30048.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.