Gemeenteblad van Dijk en Waard
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Dijk en Waard | Gemeenteblad 2025, 296713 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Dijk en Waard | Gemeenteblad 2025, 296713 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard 2025
Raadsvergadering: 24 juni 2025
De raad van de gemeente Dijk en Waard;
gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;
De raad van de gemeente Dijk en Waard,
Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 mei 2025;
Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de relevante bepalingen van de Omgevingswet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving;
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Bijlage 1 bij deze verordening bevat begrippen en definities voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen.
Indien de bepalingen van de Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard en het omgevingsplan van de gemeente Dijk en Waard of diens rechtsopvolger tegelijkertijd van toepassing zijn op een specifiek gebied of onderwerp, gelden de bepalingen van de Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard, behoudens het bepaalde in het tweede lid.
Hoofdstuk 4. Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving
Afdeling 4.1 Algemene aanwijzingen
De regels in deze verordening zijn, tenzij anders aangegeven, van toepassing op het grondgebied van de gemeente Dijk en Waard.
Paragraaf 4.2.2 Cultureel erfgoed
Artikel 4.2.2.1. Gemeentelijke monumenten
Er zijn gemeentelijke monumenten of archeologische monumenten die, vanwege hun schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde van bijzonder belang zijn voor de gemeente, door burgemeester en wethouders kunnen worden aangewezen als gemeentelijk monument. Deze aanwijzing wordt geregistreerd in een voor eenieder raadpleegbaar erfgoedregister waarin tevens zijn opgenomen de locaties waaraan, krachtens deze verordening, de status van gemeentelijk cultureel erfgoed is toegekend, inclusief de locaties waaraan, krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet, in het omgevingsplan van de gemeente Dijk en Waard of diens rechtsopvolger, de functie "cultureel erfgoed" is toebedeeld. Voor deze monumenten en locaties gelden de regels uit paragraaf 5.2.1 betreffende de bescherming van cultureel erfgoed. Het betreft hier geen zaken die zijn aangewezen als rijksmonument of provinciaal monument.
Het gemeentelijk erfgoedregister bevat:
gegevens over door burgemeester en wethouders van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet, en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht.
Artikel 4.2.2.2 Beschermde stads- en dorpsgezichten
De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, beschermde stads- en/of dorpsgezichten aanwijzen waar de regels van paragraaf 5.2.2 gelden, over de bescherming van cultureel erfgoed. Deze gebieden staan vermeld in het erfgoedregister.
Artikel 4.2.2.4 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit
De Gemeentelijke Adviescommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na verzending van het adviesverzoek van het college. De gemeenteraad beslist binnen 16 weken na ontvangst van het advies van de Gemeentelijke Adviescommissie, maar in ieder geval binnen 24 weken na de adviesaanvraag.
Artikel 4.2.2.5 Mededeling aanwijzingsbesluit
De aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2.2.3, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan.
Artikel 4.2.2.6 Registratie op de gemeentelijke lijst beeldbepalende en karakteristieke panden
De gemeenteraad registreert het beeldbepalende of karakteristieke pand op de gemeentelijke lijst beeldbepalende en karakteristieke panden. De gemeentelijke lijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het beeldbepalende of karakteristieke pand.
Artikel 4.2.2.7 Intrekken van de aanwijzing
De gemeenteraad trekt een aanwijzing van een beeldbepalend of karakteristiek pand pas in en voert een pand pas af van de lijst beeldbepalende en karakteristieke panden na het advies van de Gemeentelijke Adviescommissie te hebben gehoord. Indien de gemeenteraad de aanwijzing intrekt, is artikel 4.2.2.4 van overeenkomstige toepassing. De intrekking wordt op de gemeentelijke lijst beeldbepalende en karakteristieke panden geregistreerd, onder vermelding van de datum van intrekking van de aanwijzing.
Artikel 4.2.6.1 Beschermde bomen
Er zijn beschermde bomen en houtopstanden, die vanwege hun bijzondere waarden niet zonder omgevingsvergunning mogen worden geveld. Op deze bomen en houtopstanden zijn de regels van paragraaf 5.7.1 van toepassing. De beschermde bomen en houtopstanden zijn opgenomen in het Algemeen Aanwijzingsbesluit en Nadere regels Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard 2023 of diens rechtsopvolger, vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders.
Afdeling 5.1 Inleidende bepalingen
Artikel 5.1 Verantwoordelijkheid naleving
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 5.3 Algemene aanvraag- en meldingsvereisten
Bij een aanvraag of melding zoals bedoeld in dit hoofdstuk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
als de aanvrager of melder het voornemen heeft om in plaats van een maatregel die is voorgeschreven in regels als bedoeld in deze verordening, een gelijkwaardige maatregel te treffen voor het beoogde doel van de voorgeschreven maatregel: gegevens waaruit blijkt dat met de gelijkwaardige maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd.
Afdeling 5.2 Cultureel erfgoed
Deze paragraaf gaat over omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot gemeentelijke monumenten, voorbeschermde gemeentelijke monumenten, archeologische monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten. Onder deze activiteiten worden in ieder geval verstaan het slopen, wijzigen, verstoren, verplaatsen, onderhouden, verbouwen, herstellen en gebruiken van gemeentelijk erfgoed.
Artikel 5.2.3 Verantwoordelijkheid naleving
Aan deze paragraaf wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Ook de zakelijk gerechtigden van een als gemeentelijk erfgoed aangewezen onroerende zaak waaraan of waarbij een activiteit wordt verricht, dragen zorg voor de naleving van de regels over die activiteit.
Paragraaf 5.2.1 Gemeentelijke Monumenten
Artikel 5.2.1.3 Gegevens en bescheiden
In aanvulling op de gegevens en bescheiden die moeten worden aangeleverd voor de activiteit die aangevraagd wordt, wordt voor activiteiten met betrekking tot erfgoed een toelichting gegeven waarom de activiteit bijdraagt aan de erfgoedwaarde of deze in ieder geval niet schaadt.
Paragraaf 5.2.2 Beschermd stads-of dorpsgezicht
Artikel 5.2.2.1 Omgevingsvergunning beschermd stads- of dorpsgezicht
Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een bouwwerk te slopen. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of op het slopen ingevolge een maatwerkvoorschrift dat is gesteld op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Paragraaf 5.2.3 Vangnet archeologie
Artikel 5.2.3.1 Vangnet archeologie
Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar vigerende omgevingsplan van de gemeente Dijk en Waard of diens rechtsopvolger niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenzij:
het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachting die is aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleids-, waarden- of verwachtingskaart, de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring;
Afdeling 5.3 Geluid en evenementen
Deze paragraaf gaat over activiteiten die een bron zijn van harde, storende of anderszins overlastgevende geluiden. Onder deze activiteiten horen in ieder geval het laten horen van al dan niet versterkte muziek, het gebruik van gemotoriseerde apparaten en vervoersmiddelen. Deze paragraaf gaat ook over activiteiten die ingrijpen in de fysieke leefomgeving die verband houden met geluidsproducerende activiteiten. Hieronder vallen in ieder geval activiteiten die uitgevoerd worden voor het organiseren van een evenement of festiviteit.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het voorkomen van geluidsoverlast en geluidshinder en de zorg voor natuur en milieu.
Artikel 5.3.3 Verantwoordelijkheid naleving
Aan deze paragraaf wordt voldaan door degene die de geluidsproducerende activiteit uitvoert of organiseert, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 5.3.4 Specifieke zorgplicht
De specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 5.2 houdt voor geluidsproducerende activiteiten in ieder geval in dat geluidsoverlast redelijkerwijs zoveel mogelijk wordt voorkomen. Hier wordt mede onder verstaan dat activiteiten die redelijkerwijs geacht kunnen worden geluidsoverlast te veroorzaken, zo min mogelijk in de nacht worden uitgevoerd, zo kort mogelijk worden uitgevoerd, en zo sporadisch mogelijk worden uitgevoerd.
Voor het produceren van geluid ten behoeve van een evenement als bedoeld in artikel 2.24 van de APV is toegestaan als:
het maximale geluidsniveau op een afstand van maximaal 7 meter van de opgestelde luidsprekers niet meer bedraagt dan 65 dB(A) en op de gevel van de dichtstbijzijnde woningen het invallend geluid niet hoger is dan 50 dB(A). In situaties dat de woningen zich op kortere afstand dan 15 meter bevinden, mag het invallend geluid maximaal 55 dB(A) bedragen;
Tenzij een evenementenvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.25 van de APV, dat uitdrukkelijk toestaat, is het verboden een evenement, inclusief op- en afbouw, te organiseren voor 07.00 en na 24.00 uur, vrijdag, zaterdag en dagen voorafgaand aan een wettelijke vrije dag voor 07.00 uur en na 01.00 uur en zondag voor 13.00 en na 24.00 uur.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin is voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, de Omgevingsverordening NH2022 of het Omgevingsplan Dijk en Waard, of diens rechtsopvolger.
Artikel 5.4.2.1 Collectieve festiviteiten
De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 22.239 van het Omgevingsplan Dijk en Waard of diens rechtsvolger, gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in paragraaf 22.3.4 van het Omgevingsplan Dijk en Waard of diens rechtsopvolger, uiterlijk om 00.00 uur beëindigd, vrijdag, zaterdag en dagen voorafgaand aan een wettelijke vrije dag uiterlijk om 01.00 uur.
Artikel 5.4.2.2 Incidentele festiviteiten
Het is een inrichting toegestaan op maximaal zes dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in paragraaf 22.3.4 van het Omgevingsplan Dijk en Waard of diens rechtsopvolger, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.
Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal zes dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 22.239 van het Omgevingsplan Dijk en Waard of diens rechtsopvolger, niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college
Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in paragraaf 22.3.4 van het Omgevingsplan Dijk en Waard of diens rechtsopvolger, uiterlijk om 00.00 uur beëindigd, vrijdag, zaterdag en dagen voorafgaand aan een wettelijke vrije dag uiterlijk om 01.00 uur.
Paragraaf 5.4.3 Overige geluidsregels
Artikel 5.4.3.1 Onversterkte muziek
Artikel 5.4.3.3 Geluidhinder door dieren
Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.
Artikel 5.4.3.4 Overige geluidhinder
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving, Besluit bouwwerken leefomgeving, de Omgevingsverordening NH2022, het Omgevingsplan Dijk en Waard of diens rechtsopvolger
Deze paragraaf gaat over activiteiten die verontreiniging van het milieu of de openbare ruimte tot gevolg hebben of kunnen hebben. Hieronder valt in ieder geval het brengen of achterlaten van afval en voorwerpen buiten daarvoor bestemde inzamelpunten.
De regels in deze paragraaf zijn opgesteld met het oog op de bescherming van het milieu, het voorkomen van schade aan de gezondheid, het voorkomen van overlast en het beschermen van het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte.
Artikel 5.5.3. Verantwoordelijkheid naleving
Aan deze paragraaf wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Artikel 5.5.4. Specifieke zorgplicht
De specifieke zorgplicht als bedoeld in artikel 5.2 houdt voor activiteiten die verontreiniging kunnen veroorzaken in ieder geval in dat afvalstoffen niet in het milieu worden gebracht, of wanneer er toch afvalstoffen in het milieu worden gebracht, dit tot een minimale hoeveelheid wordt beperkt.
Artikel 5.5.1.3 Zwerfafval rondom inrichtingen
Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval.
Artikel 5.5.1.4 Afval en verontreiniging op de weg
Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt, of diens opdrachtgever, zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren.
Artikel 5.5.1.5 Geen opslag van afval in de open lucht
Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals dat artikel luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 2 van de Afvalstoffenverordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen.
Paragraaf 5.5.2 Overige verontreiniging
Artikel 5.5.2.1 Ontdoen van autowrakken
Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken, zoals dat artikel luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 5.5.2.2 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke.
Het is verboden op door het college, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen plaatsen, buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals dat artikel luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:
Artikel 5.5.2.5 Verbod oplaten ballonnen
Onder een ballon als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: elke onbemande ballon die opstijgt door middel van open vuur of door middel van helium of andere gassen en waarvan de richting en/of hoogte niet door menselijk ingrijpen wordt bepaald. Hiermee wordt in ieder geval bedoeld: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon, geluksballon of andere daarmee vergelijkbare ballon.
Artikel 5.5.2.6 Crossterreinen
Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
Afdeling 5.6 Activiteiten op of bij wegen of bij wateren in beheer van de gemeente
Deze afdeling gaat over het gebruiken, wijzigen, aanleggen of verwijderen van wegen en wateren in beheer van de gemeente.
Paragraaf 5.6.5 Voorwerpen op of aan de weg
Artikel 5.6.5.1 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 5.6.5.2 Voorwerpen bij evenementen
Het ten behoeve van een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene Plaatselijke Verordening Dijk en Waard afsluiten van wegen of weggedeelten, of plaatsen van voorwerpen is toegestaan als:
Het plaatsen van objecten is zonder vergunning of melding toegestaan, mits per object de oppervlakte minder is dan 50 vierkante meter, de hoogte niet meer dan 5 meter bedraagt (verticaal gemeten vanaf het maaiveld waarop het object wordt geplaatst tot het hoogste punt van het object) en maximaal vier objecten per evenement worden geplaatst. Indien deze criteria worden overschreden, moet daarvoor voorgaand aan het evenement een geldige melding zijn gedaan of een vergunning zijn verleend.
Paragraaf 5.6.2 Uitweg aanleggen
Artikel 5.6.2.1 Aanwijzing activiteiten
Deze paragraaf gaat over het aanleggen van een uitweg naar de openbare weg in beheer bij de gemeente.
Artikel 5.6.2.2 Specifieke zorgplicht
De zorgplicht, bedoeld in artikel 5.2, houdt voor het aanleggen van een uitweg naar de openbare weg in ieder geval in dat:
Artikel 5.6.2.4 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Paragraaf 5.6.3 Aanleggen of veranderen van een weg
Artikel 5.6.3.1 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapsverordening van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK), de Wegenverordening Noord-Holland, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Dijk en Waard 2022
Artikel 5.6.4.1 Ligplaats vaartuigen
Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op gedeelten van openbaar water die zijn aangewezen bij of krachtens het Algemeen Aanwijzingsbesluit en Nadere regels Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard 2023, dan wel diens rechtsopvolger.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de Omgevingswet, de Wet milieubeheer zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, het Binnenvaartpolitiereglement of de Waterschapsverordening van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK).
Paragraaf 5.6.5 Overige bepalingen over wegen en wateren in beheer bij de gemeente
Deze afdeling gaat over het gebruiken, wijzigen, aanleggen of verwijderen van openbare groenvoorzieningen. Hieronder valt in ieder geval het vellen van houtopstanden.
Artikel 5.7.1.1 Aanwijzing activiteiten
Deze paragraaf gaat over het kappen, vellen en snoeien van bomen en andere houtopstanden waarvoor de gemeente het bevoegd gezag is.
Artikel 5.7.1.3 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Artikel 5.7.1.4 Beoordelingsregel omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning kan worden geweigerd in verband met:
Artikel 5.7.1.5 Kapplicht krachtens de Plantenziektenwet
Indien zich op een terrein een houtopstand bevindt die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar oplevert voor verspreiding van een plantenziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:
Artikel 5.8.3 Verantwoordelijkheid naleving
Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorgt voor de naleving van de regels over die activiteit.
Paragraaf 5.8.1 Bouwen op verontreinigde bodem
Artikel 5.8.1.1 Bodemonderzoek
Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. Als op basis van het onderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707:2015 nl.
De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in de artikelen 2 of 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.
Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toe als voor toepassing van artikel 5.8.1.2 van deze verordening bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.
Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn als bedoeld in artikel 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht als uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is of dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl niet rechtvaardigen.
Artikel 5.8.1.2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:
Artikel 5.8.1.3 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen
In afwijking van het bepaalde in artikel 5.8.1.2 van deze verordening en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.
Hoofdstuk 6. Beheer en onderhoud
Afdeling 6.1 Onderhouds- en instandhoudingsverplichtingen
Artikel 6.1.1 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument
Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
Artikel 6.1.2 Instandhoudingsplicht straatkolken en dergelijke
Het is degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 6.1.3 Instandhoudingplicht wateren en riolen
Onder het in gevaar brengen voor de veiligheid op openbaar water wordt in ieder geval verstaan:
Het plaatsen, aanbrengen of hebben van een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Omgevingswet, de Waterschapsverordening van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Dijk en Waard 2022.
Artikel 6.1.4 Instandhoudingsplicht waterstaatswerken
Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen en of gemeentelijke eigendommen die bij de gemeente in beheer zijn.
Artikel 6.2.3 Gedoogplicht naamborden
Indien het college het nodig oordeelt dat borden met een wijk- of buurtaanduiding, borden met namen van de openbare ruimte, naamverwijsborden, nummerborden, nummerverzamelborden en andere (verwijs)aanduidingen aan een bouwwerk, gebouw, muur, paal, schutting of een andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, draagt de rechthebbende er zorg voor dat de hier bedoelde borden vanwege of op verzoek en overeenkomstig de aanwijzingen van het college worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
Artikel 6.2.4 Verplichting tot aanbrengen van nummerborden
Indien het college heeft besloten om een nummerbord, waarop het vervallen nummer is doorgehaald, naast het nummerbord met het nieuwe nummer te handhaven zal de rechthebbende dit toelaten of daar uitvoering aan geven als daaraan door het college een termijn van niet langer dan twee maanden is verbonden.
Paragraaf 8.1.1 Aanwijzing gemeentelijk monument
Artikel 8.1.1.5. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument
In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 8.3.1 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.
Paragraaf 8.1.1 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 8.1.1.5 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.
Artikel 8.1.1.6. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument
Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Paragraaf 8.1.2 Beschermde stads- en dorpsgezichten
Artikel 8.1.2.1 Aanwijzing beschermd stads- of dorpsgezicht
Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening kan worden vastgesteld.
Als een bestemmingsplan als bedoeld in het vijfde of zesde lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet vaststellen.
Artikel 8.1.2.2. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- of dorpsgezicht
De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 8.1.2.1, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 8.1.2.1, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.
Afdeling 8.2 Vergunningen, ontheffingen en meldingen
In afwijking van het tweede lid geldt, indien de aanvraag betrekking heeft op een ontheffing als bedoeld in artikel 5.6.3.1, tweede lid, een vergunning als bedoeld in artikel 5.7.1.3, of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet, de beslistermijn zoals bepaald in artikel 16.64 van de Omgevingswet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving.
Artikel 8.2.3 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
Artikel 8.2.4 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:
Paragraaf 8.3.1 Gemeentelijke Adviescommissie erfgoed
Artikel 8.3.1.1 Advies gemeentelijke adviescommissie over het aanwijzen van gemeentelijke monumenten en beschermd stads- of dorpsgezichten
Artikel 8.3.1.2 Advies gemeentelijke adviescommissie over een omgevingsvergunning Rijksmonument
Burgemeester en wethouders zenden onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet advies in bij de gemeentelijke adviescommissie, bedoeld in artikel 8.3.1, eerste lid. Artikel 8.3.1, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 8.3.2 Gemeentelijke Adviescommissie welstand
Artikel 8.3.2.3 Jaarlijkse verantwoording
De Commissie ruimtelijke kwaliteit stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:
De Commissie ruimtelijke kwaliteit kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de Nota ruimtelijke kwaliteit Dijk en Waard 2022 of diens rechtsopvolger in het bijzonder.
Artikel 8.3.2.4 Termijn van advisering
De Commissie ruimtelijke kwaliteit brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.
Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de commissie ruimtelijke kwaliteit een langere termijn geven dan bedoeld in de voorgaande leden voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Indien de termijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag is verlengd op grond van artikel 16.64, tweede lid, van de Omgevingswet, kan deze termijn eveneens worden verlengd.
Artikel 8.3.2.5 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting
De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van de Commissie ruimtelijke kwaliteit is openbaar. De agenda voor de vergadering van de Commissie ruimtelijke kwaliteit wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond artikel 5.1 van de Wet open overheid ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.
In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van orde van de Commissie ruimtelijke kwaliteit voorziet in een procedurele opzet.
Artikel 8.3.2.6 Afdoening onder verantwoordelijkheid
De Commissie ruimtelijke kwaliteit kan de advisering over een aanvraag om advies, in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden (inclusief de voorzitter). Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de Commissie ruimtelijke kwaliteit als bekend mag worden verondersteld.
Afdeling 8.4 Technische wijzigingen aan deze verordening
Artikel 8.4.2 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften
Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.
Artikel 9.3 Binnentreden woningen
Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 11.2 Wijziging andere verordeningen
De artikelen 2:11, 2:12, 2:15, 2:16 2:21, 2:42, 2:58, 2:60, 4:2, 4:3, 4:5, 4:5b, 4:6, 4:9, 4:9A, 4:11, 4:12, 4:12a, 4:13, 4:18, 4:19, 5:25, 5:28, 5:24, 5:30, derde lid, 5:32, 5:33 en 5:34 van de Algemene plaatselijke verordening Langedijk 2019, inclusief de daarbij behorende artikelsgewijze toelichting komen te vervallen.
Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Dijk en Waard in zijn openbare vergadering van 24 juni 2025.
De griffier,
M. (Menno) Horjus
De voorzitter,
M.F. (Maarten) Poorter
Artikel 1.1 Algemene begrippen
Voor de toepassing van de deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat terzake bevoegd is;
Bouwwerk: een constructie als bedoeld in bijlage I, onderdeel A, bij de Omgevingswet en nader uitgewerkt in het Besluit bouwwerken leefomgeving.
College: het college van burgemeester en wethouders;
Gebouw: een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte en geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt, zoals bedoeld in bijlage I, onderdeel A, van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Gevoelige gebouwen: Gevoelige gebouwen / Gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover daarin geregeld, en anders overeenkomstig de laatst geldende definitie onder het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Gevoelige terreinen: Gevoelige gebouwen / Gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover daarin geregeld, en anders overeenkomstig de laatst geldende definitie onder het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Gemeente: gemeente Dijk en Waard;
Houder van een inrichting: degene die een milieubelastende activiteit verricht als bedoeld in de Omgevingswet, of - voor zover van toepassing op grond van overgangsrecht - degene die een inrichting drijft als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Motorvoertuig: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
Weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b. van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan.
Voor de toepassing van afdelingen 4.2, 5.2, 8.1, 8.3 en artikel 6.1.1 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister.
Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
Stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken, van algemeen belang vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich een of meer monumenten bevinden.
Gemeentelijke Adviescommissie: commissie als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet, ingesteld door de gemeenteraad ter advisering over besluiten met betrekking tot cultureel erfgoed en omgevingskwaliteit.
Gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, eerste lid.
Gemeentelijk beschermde verzameling: verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, tweede lid.
Artikel 1.4 Geluid en evenementen
Voor de toepassing van afdeling 5.4 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;
Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;
Onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.
Voor de toepassing van paragraaf 4.2.7 en afdeling 5.7 en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Beschermde houtopstand: houtopstand die geplaatst is op de lijst als bedoeld in artikel 4.2.6.1;
Boom: een houtachtig, opgaand gewas, zowel levend als afgestorven;
Dunnen: vellen dat uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd;
Hakhout: boomvormers of andere houtachtige gewassen, die na te zijn geknot tot bij de grond opnieuw op de stronk uitlopen;
Houtopstand: één of meer bomen, hakhout, boomvormers of andere houtachtige gewassen die onderdeel uitmaken van een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken of een beplanting van bosplantsoen;
Kandelaberen: het voor meer dan 20% gelijkmatig weghalen van de takken die de kroon van een boom vormen;
Knotten: periodiek geheel of gedeeltelijk verwijderen van uitgelopen takhout tot op de oude snoeiplaats;
Vellen: rooien, kappen, verplanten, het voor de eerste maal kandelaberen of snoeien van meer dan 20% van de kroon of het wortelgestel, het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand tot gevolg kunnen hebben.
Voor de toepassing van afdeling 5.8 en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;
Omgevingsvergunning voor het bouwen: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.
In deze afdeling van deze verordening wordt mede verstaan onder:
De Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard (VFL) vormt een belangrijk instrument voor de juridische borging van gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving tijdens de overgang naar het nieuwe stelsel van de Omgevingswet. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 zijn de kaders voor ruimtelijke ordening, milieu, water, natuur en bouw integraal herzien. Voor gemeenten betekent dit dat zij hun lokale regelgeving gefaseerd moeten omzetten naar het omgevingsplan. Om te voorkomen dat tijdens deze overgangsperiode juridische leemtes ontstaan, is de VFL in het leven geroepen. Deze verordening borgt op tijdelijke en ondersteunende wijze de lokale regels die (nog) niet zijn opgenomen in het omgevingsplan. Daarmee wordt rechtszekerheid geboden aan zowel bestuursorganen als burgers en bedrijven.
De VFL kent een gefaseerde ontwikkeling. In 2022 is een eerste versie vastgesteld ter voorbereiding op de komst van de Omgevingswet. In 2023 volgde een geactualiseerde versie waarin onder meer redactionele en juridische verbeteringen zijn doorgevoerd. In deze derde versie, die is vastgesteld in 2025, zijn verdere technische en systematische aanpassingen doorgevoerd om de verordening volledig in lijn te brengen met de Omgevingswet en haar uitvoeringsbesluiten. Naast deze technische verbeteringen zijn ook enkele noodzakelijke aanvullingen en inhoudelijke verfijningen aangebracht. Deze wijzigingen dienen ter versterking van de interne samenhang, verduidelijking van de juridische werking en aansluiting op het omgevingsplan.
De VFL is nadrukkelijk een tijdelijke regeling. Het gemeentelijk beleid is erop gericht dat alle regels voor de fysieke leefomgeving uiteindelijk volledig worden geïntegreerd in het omgevingsplan. Naarmate dit proces vordert en meer regels worden overgenomen in het omgevingsplan, zal de VFL geleidelijk aan haar betekenis verliezen en uiteindelijk komen te vervallen. Tot dat moment blijft de VFL noodzakelijk om de lokale regels op een juridisch zorgvuldige wijze te laten doorwerken.
De VFL wordt jaarlijks geactualiseerd in samenhang met de cyclus van de Algemene Plaatselijke Verordening Dijk en Waard (APV). Dit waarborgt dat de VFL actueel blijft en kan inspelen op nieuwe ontwikkelingen.
In deze artikelsgewijze toelichting worden die artikelen nader toegelicht waarvoor de wijzigingen noodzakelijk zijn gebleken voor de juridische houdbaarheid, uitvoerbaarheid of verduidelijking van de bepalingen. Voor de overige artikelen geldt dat in deze derde versie van de Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard 2025 aanpassingen zijn doorgevoerd die uitsluitend gericht zijn op het actualiseren, harmoniseren en verbeteren van de tekst. Deze wijzigingen betreffen algemene verbeteringen in verwijzingen, terminologie en redactionele opbouw en hebben geen gevolgen voor de inhoudelijke werking van de regels. Daarom worden zij hier in algemene zin toegelicht. Voor een volledig overzicht wordt verwezen naar de Was-wordt-lijst bij deze verordening, waarin per artikel en wijziging de aanpassingen en motieven zijn opgenomen.
De algemene wijzigingen betreffen onder meer:
Actualisering en vereenvoudiging van de intitulé
De wijziging van de intitulé is een redactionele en juridisch-technische verbetering, bedoeld om de citeertitel en de aanhef beter te laten aansluiten op de huidige systematiek van de Omgevingswet en de aanbevelingen van de VNG (zie o.a. 100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever). Waar in de oude formulering nog uitgebreide en gedetailleerde verwijzingen waren opgenomen naar eerdere lokale regelingen en diverse specifieke wettelijke bepalingen, is in de nieuwe versie gekozen voor een strakkere en eenvoudiger formulering.
Dit past binnen de moderne regeltechniek waarin verordeningen kort en bondig worden aangeduid, waarbij alleen de noodzakelijke juridische grondslagen in de aanhef worden opgenomen. Oudere regelgeving (zoals de Algemene Plaatselijke Verordeningen Heerhugowaard en Langedijk en de Erfgoedverordeningen 2009 en 2010) is vervallen of opgegaan in het nieuwe stelsel en hoeft daarom niet langer te worden vermeld in de aanhef.
Daarnaast wordt het jaartal in de citeertitel geactualiseerd naar 2025, conform de praktijk om verordeningen van een jaartal te voorzien dat het geldende jaar van vaststelling aangeeft. Hiermee is ook invulling gegeven aan de aanbevelingen in de VNG-publicatie over regeltechniek waarin wordt aangeraden om citeertitels eenvoudig en herkenbaar te houden.
Actualisatie van begrippen en verwijzingen
Verouderde begrippen en verwijzingen naar vervallen wetgeving zijn in de gehele Verordening fysieke leefomgeving doorgevoerd. Deze aanpassingen zijn afgestemd op de systematiek van de Omgevingswet en haar uitvoeringsbesluiten (zoals het Bbl, Bal en Bkl), alsmede op actuele gemeentelijke en provinciale regelingen. Waar oude regelgeving nog van belang is op grond van overgangsrecht, is gebruik gemaakt van een overgangsformulering zoals "zoals die wet/dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet". Een volledig overzicht van deze verwijzingen en de aangepaste terminologie is opgenomen in de tabel in de was-wordt-lijst, zodat duidelijk is op welke regelingen en begrippen deze aanpassing betrekking heeft.
Toevoeging van dynamische formuleringen en opvolgende regelgeving
In diverse artikelen wordt verwezen naar extern vastgestelde documenten, beleidsregels en regelgeving, zoals het Omgevingsplan Dijk en Waard van rechtswege, het Algemeen Aanwijzingsbesluit en Nadere regels Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard. Om te waarborgen dat deze verwijzingen ook na toekomstige aanpassingen van die documenten of regelgeving hun werking behouden, is gekozen voor dynamische formuleringen. Zo is op meerdere plaatsen de toevoeging “dan wel diens rechtsopvolger” opgenomen en zijn verwijzingen naar externe regelgeving geactualiseerd. Hiermee wordt voorkomen dat bepalingen verouderen of hun werking verliezen, en blijft de verordening actueel en juridisch houdbaar.
Correctie van verwijzingen en redactionele fouten
In de gehele verordening zijn onjuiste verwijzingen en kleine redactionele onvolkomenheden gecorrigeerd. Dit betreft onder meer foutieve artikelverwijzingen, terminologie en inconsistenties. Deze correcties dragen bij aan de interne consistentie, de juridische houdbaarheid en de leesbaarheid van de verordening. Deze wijzigingen zijn aangebracht ter bevordering van de juridische houdbaarheid en uitvoerbaarheid van de verordening en leiden niet tot beleidsinhoudelijke aanpassingen, maar beogen uitsluitend noodzakelijke verduidelijking en aansluiting op het actuele rechtskader.
Verkorten en actualiseren van de toelichting
De toelichting bij de Verordening fysieke leefomgeving is inhoudelijk en redactioneel herzien. Verouderde passages en toelichtingen die niet langer aansluiten op de systematiek van de Omgevingswet zijn verwijderd. Daarnaast is de tekst ingekort om de leesbaarheid en praktische bruikbaarheid te vergroten.
De algemene wijzigingen zijn hiervoor samengevat; voor de artikelen waarin inhoudelijke of juridisch noodzakelijke wijzigingen zijn aangebracht, is hieronder een nadere toelichting per artikel opgenomen.
Nieuwe artikel 1.2 Voorrang bij begripsbepalingen.
Dit artikel regelt de verhouding tussen begripsbepalingen in de verordening, het omgevingsplan van rechtswege en de rijksregelgeving (Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten). Het uitgangspunt is dat bij strijdigheid of verschil in uitleg de begripsbepalingen uit het omgevingsplan van rechtswege voorrang hebben. Slechts wanneer een begrip niet in het omgevingsplan is opgenomen, wordt teruggevallen op de definities uit de rijksregelgeving.
Nieuwe artikel 1.3 Samenloopbepaling.
Dit artikel regelt de verhouding tussen de bepalingen van de Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard en het omgevingsplan van rechtswege. Indien beide regelingen tegelijkertijd van toepassing zijn op een specifiek gebied of onderwerp, gelden in beginsel de bepalingen van de Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard, tenzij het om strijdigheid gaat. In dat geval gaan de bepalingen van het omgevingsplan voor, tenzij in de verordening uitdrukkelijk anders is bepaald. Met deze bepaling wordt rechtszekerheid geboden en worden interpretatieproblemen voorkomen. Zodra de inhoud van de Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard volledig is opgenomen in het omgevingsplan, vervalt dit artikel van rechtswege.
Voorheen werd in artikel 4.1.2 verwezen naar het gebied binnen de bebouwde kom via een indirecte verwijzing in bijlage 1, artikel 1.1. Deze constructie bood onvoldoende duidelijkheid, omdat niet inzichtelijk was op welk besluit of welke kaart de verwijzing precies zag.
In de nieuwe formulering wordt direct verwezen naar het Aanwijzingsbesluit bebouwde komgrenzen Dijk en Waard of diens rechtsopvolger, vastgesteld op grond van artikel 20 van de Wegenverkeerswet 1994. Dit besluit bevat de officiële afbakening van de bebouwde kom, inclusief kaart, en is openbaar raadpleegbaar. Met deze aanpassing is de bepaling juridisch preciezer en wordt de rechtszekerheid voor toepassing en handhaving vergroot.
Artikel 4.2.6.1 Beschermde bomen
In dit artikel is verduidelijkt dat de beschermde bomen en houtopstanden niet alleen door het college worden vastgesteld, maar dat deze zijn opgenomen in het "Algemeen Aanwijzingsbesluit en Nadere regels Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard 2023".
Door expliciet te verwijzen naar dit formele collegebesluit wordt de koppeling tussen de verordening en de vastgestelde lijst versterkt, waardoor meer rechtszekerheid ontstaat voor burgers en bestuursorganen. Het voorkomt dat bij iedere wijziging van de bomenlijst de verordening moet worden aangepast, omdat de lijst via het collegebesluit zelfstandig kan worden geactualiseerd en bekendgemaakt.
Artikel 5.2.3.1, eerste lid, sub b Vangnet archeologie
In sub b van artikel 5.2.3.1 tweede lid, is de reikwijdte van de beschermingsregeling verruimd.
Naast verstoringen op basis van de provinciale archeologische monumentenkaart en de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden, wordt nu ook bescherming geboden aan gebieden zoals vastgelegd op gemeentelijke archeologische beleids-, waarden- of verwachtingskaarten. Tevens is verduidelijkt dat niet alleen monumenten of verwachtingsgebieden, maar ook "waarden" (bijvoorbeeld verwachtingszones uit archeologisch vooronderzoek) onder de bescherming vallen. Deze aanpassing sluit aan bij de rol die de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving toekennen aan gemeenten voor de bescherming van archeologische belangen en zorgt voor een meer volledige borging van lokaal erfgoed.
Artikel 5.4.2.2, leden 1, 2 en 8 – Incidentele festiviteiten
In artikel 5.4.2.2, eerste, tweede en achtste lid, zijn de verwijzingen naar geluids- en verlichtingsnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer vervangen door verwijzingen naar het Omgevingsplan van de gemeente Dijk en Waard of diens rechtsopvolger. De bepaling voorziet nog steeds in de mogelijkheid voor inrichtingen om gedurende een beperkt aantal dagen per jaar incidentele festiviteiten te organiseren waarbij tijdelijk afgeweken mag worden van de reguliere normen. Omdat in deze artikelen uitsluitend wordt verwezen naar actuele normering uit het omgevingsplan, is het niet nodig om overgangsterminologie te gebruiken zoals “zoals dat besluit luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet”.
Artikel 5.4.3.1 eerste en vierde lid Onversterkte muziek
In artikel 5.4.3.1 zijn de verwijzingen naar vervallen landelijke regelgeving geactualiseerd in het kader van de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024.
In het eerste lid werd voorheen verwezen naar artikel 2.18 van het Activiteitenbesluit milieubeheer als basis voor het reguleren van het ten gehore brengen van onversterkte muziek binnen inrichtingen. Deze bepaling is vervallen. De relevante normering is nu opgenomen in paragraaf 22.3.4 van het Omgevingsplan van de gemeente Dijk en Waard. Ook is in onderdeel c de verwijzing naar geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten geactualiseerd: de oude verwijzingen naar de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder zijn vervangen door een verwijzing naar artikel 3.22, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waarin de relevante definities nu zijn ondergebracht. In het vierde lid is eveneens de verwijzing naar het Activiteitenbesluit milieubeheer vervangen door een verwijzing naar paragraaf 22.3.4 van het Omgevingsplan.
Artikel 5.5.1.1 tweede lid sub d Dumpingsverbod
In deze bepaling wordt uitgesloten dat bepaalde handelingen zijn toegestaan voor zover deze elders reeds bij of krachtens wet verboden zijn. Tot 1 januari 2024 vielen dergelijke handelingen onder de Wet bodembescherming, de Waterwet en het Besluit bodemkwaliteit.
Deze regelingen zijn met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen, maar hun bepalingen zijn niet op uniforme of volledig gelijkwaardige wijze opgenomen in het nieuwe stelsel.
Omdat op dit moment niet met zekerheid is vast te stellen of de inhoudelijke werking van de eerdere verbodsbepalingen volledig is teruggekeerd in het Besluit activiteiten leefomgeving, de Omgevingswet of onderliggende regelgeving, is ervoor gekozen om in dit artikel te verwijzen naar de oude regelingen zoals deze luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Op die manier blijft het effect van het artikel voorlopig behouden en wordt voorkomen dat handelingen die onder het oude recht verboden waren, alsnog ongemerkt worden toegestaan via gemeentelijke regelgeving. Wanneer in de praktijk blijkt dat de nieuwe rijksregels volledig de werking van de oude wetten hebben overgenomen, kan de verwijzing in een volgende actualisatieronde worden aangepast of geschrapt.
Artikel 5.5.1.3 derde lid Zwerfafval rondom inrichtingen
In lid 3 van artikel 5.5.1.3 werd verwezen naar het Activiteitenbesluit milieubeheer als reden waarom de gemeentelijke regels voor het tegengaan van zwerfafval niet golden in situaties die al onder rijksregelgeving vielen. Omdat het Activiteitenbesluit per 1 januari 2024 is vervallen, is deze verwijzing juridisch niet langer geldig. Weliswaar zijn onderdelen van de vroegere zorgplicht (zoals artikel 2.24 Activiteitenbesluit) opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), maar de reikwijdte is gewijzigd en het is niet met zekerheid vast te stellen dat alle situaties waarin het artikel voorziet volledig onder het Bal vallen. Daarom is de verwijzing gehandhaafd met de toevoeging: “zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.” Deze overgangsterminologie zorgt ervoor dat de bestaande juridische werking voorlopig behouden blijft en voorkomt een onbedoelde verruiming van de gemeentelijke zorgplicht tijdens de overgangsfase.
Artikel 5.5.1.5 Geen opslag van afval in de open lucht
In deze bepaling werd verwezen naar het begrip “inrichting” uit artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is dit begrip vervangen door het kernbegrip “milieubelastende activiteit”.
Omdat het begrip “inrichting” binnen deze verordening op veel plaatsen bepalend is voor de reikwijdte van regels en niet zonder risico op inhoudelijke verschuivingen kan worden vervangen, is gekozen voor een overgangsverwijzing. Door expliciet te vermelden dat het gaat om het begrip zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft de bepaling juridisch houdbaar op grond van het overgangsrecht. In een volgende actualisatieronde kan worden bezien of het mogelijk is om het begrip “inrichting” te vervangen door een Omgevingswet-conforme term, afhankelijk van de beleidsmatige werking.
Artikel 5.5.2.1 Ontdoen van autowrakken
In dit artikel werd voorheen verwezen naar artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken (Bba), dat per 1 januari 2024 is vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Omdat de inhoud van deze bepaling (over de afgifte van autowrakken aan een erkende inrichting) niet duidelijk en volledig is overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of andere opvolgende regelgeving, is gekozen voor een verwijzing naar artikel 6 Bba zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 5.5.2.2 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke
Dit artikel reguleert de opslag van bepaalde voorwerpen en stoffen op door het college aangewezen plaatsen, met het oog op het uiterlijk aanzien van de gemeente, het voorkomen of opheffen van overlast en het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid. De volgende verwijzingen binnen dit artikel zijn geactualiseerd:
Verwijzing naar "inrichting in de zin van de Wet milieubeheer": Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is het begrip "inrichting" vervangen door "milieubelastende activiteit". Aangezien "inrichting" in de VFL op meerdere plaatsen voorkomt en bepalend is voor de werkingssfeer van regels, zou een directe vervanging tot onbedoelde inhoudelijke wijzigingen kunnen leiden. Daarom is gekozen voor een overgangsformulering die verwijst naar artikel 1.1 van de Wet milieubeheer zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze formulering voorkomt interpretatieproblemen en blijft juridisch houdbaar.
Verwijzing naar "kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 van de APV": De verwijzing naar artikel 4:17 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is verouderd, aangezien de relevante bepalingen zijn opgenomen in artikel 5.7.2.1 van de VFL. De verwijzing is daarom aangepast naar artikel 5.7.2.1 van deze verordening om consistentie en duidelijkheid te waarborgen.
Verwijzing naar "situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening": De Wet ruimtelijke ordening is per 1 januari 2024 vervallen en opgegaan in de Omgevingswet. Om de verwijzing actueel en juridisch correct te maken, is deze aangepast naar de Omgevingswet. Deze aanpassing zorgt ervoor dat het artikel aansluit bij de huidige juridische context en voorkomt interpretatieproblemen.
Daarnaast zijn binnen dit artikel enkele technische correcties aangebracht: het tweede lid stond voorheen foutief aangeduid als eerste lid en het derde lid was niet afzonderlijk genummerd. Deze nummeringen zijn nu gecorrigeerd om de interne structuur van het artikel te verduidelijken en in overeenstemming te brengen met de overige bepalingen in de verordening.
Artikel 5.6.2.4 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Deze wijziging betreft het schrappen van artikel 5.6.2.4, onderdeel c, uit de VFL Dijk en Waard. De wijziging is noodzakelijk vanwege strijdigheid met de geldende Beleidsregels uitwegen gemeente Dijk en Waard. De vergunningplicht voor uitwegen ziet op het gedeelte tussen de private oprit en de openbare weg, zoals het trottoir. De particulier vraagt daarvoor een vergunning aan bij de gemeente (bestuursrechtelijk traject), maar de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden vindt plaats op gemeentegrond, en wordt dus beheerst door het privaatrecht.
In de Beleidsregels uitwegen is bepaald dat grond- en bestratingswerkzaamheden in beginsel uitsluitend mogen worden uitgevoerd in opdracht van de gemeente, en wel door een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven bestratings- of GWW-aannemer. Kosten voor de uitvoering en herstel komen voor rekening van de aanvrager. Werkzaamheden anders dan bestrating (zoals het verplaatsen van gemeentelijke objecten of openbaar groen) worden eveneens door of in opdracht van de gemeente uitgevoerd.
Artikel 5.6.2.4, onderdeel c, stond echter toe dat een aanvrager zelfstandig een erkende aannemer kon inschakelen. Dat is niet in overeenstemming met het uitrittenbeleid.
Aan deze beleidslijn ligt ten grondslag dat:
De gemeente uit hoofde van haar zorgplicht voor de inrichting en het gebruik van de openbare ruimte (artikel 2.1, eerste lid, onder b en c Omgevingswet) verantwoordelijk is voor het voorkomen van risico’s voor veiligheid en bereikbaarheid, en daarmee ongewenste kwaliteitsverschillen, wildgroei of schade aan ondergrondse infrastructuur moet voorkomen.
Door het schrappen van dit onderdeel sluit de VFL weer aan op het vastgestelde beleid.
Artikel 5.6.5.2 Voorwerpen bij evenementen
De formulering van onderdeel c van dit artikel is inhoudelijk aangescherpt ten opzichte van de eerdere versie. Dit onderdeel regelt onder welke voorwaarden objecten in het kader van een evenement zonder vergunning of melding in de openbare ruimte mogen worden geplaatst. Het uitgangspunt is dat kleine, tijdelijke objecten met beperkte impact op de leefomgeving vergunningsvrij zijn. Er gelden drie duidelijke voorwaarden: – de oppervlakte per object is minder dan 50 vierkante meter; – de hoogte bedraagt niet meer dan 5 meter (verticaal gemeten vanaf het maaiveld waarop het object wordt geplaatst tot het hoogste punt van het object); – er worden maximaal vier objecten per evenement geplaatst. Indien één of meer van deze criteria wordt overschreden, kunnen er risico’s ontstaan met betrekking tot de veiligheid van het publiek, de ruimtelijke impact en de doorstroming van het verkeer. Daarom is in die gevallen voorafgaand aan het evenement een geldige melding vereist of moet een vergunning zijn verleend, afhankelijk van de aard en omvang van de plaatsing.
De gekozen formulering wijkt grammaticaal enigszins af van de hoofdzin van het artikel (“is toegestaan als:”), omdat binnen sub c een zelfstandige normatieve zin is opgenomen. Deze constructie is bewust gekozen om de juridische inhoud volledig, helder en eenduidig te kunnen weergeven. In een volgende actualisatie van de verordening kan worden bezien of een grammaticale optimalisatie mogelijk is, mits dit de rechtszekerheid niet aantast.
Artikel 5.6.3.1 tweede, vierde en vijfde lid ( Omgevings )vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Lid 2: De verwijzing naar “bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan” is vervangen door een verwijzing naar het omgevingsplan Dijk en Waard, dan wel diens rechtsopvolger. Deze terminologische aanpassing is nodig vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024.
Lid 4: De verwijzing naar de “waterschapskeur” is vervangen door “Waterschapsverordening”. Keuren zijn onder de Omgevingswet vervallen en opgegaan in integrale waterschapsverordeningen die onder het nieuwe stelsel opereren. Daarnaast is de verouderde verwijzing naar de “Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Langedijk 2014” geactualiseerd naar de “Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Dijk en Waard 2022”, in lijn met de gemeentelijke herindeling en vastgestelde vervangingsverordening.
Vervallen lid 5: Het vijfde lid, dat verwees naar paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen), is vervallen. Deze regeling is onder de Omgevingswet niet van toepassing op omgevingsvergunningen. Er geldt dus geen vergunning van rechtswege als het bevoegd gezag niet tijdig beslist. Verwijzing naar deze bepaling is dan ook juridisch onjuist geworden en is daarom geschrapt.
Artikel 5.6.4.1, eerste en derde lid Ligplaats vaartuigen
Lid 1: In het eerste lid is een verwijzing opgenomen naar het Algemeen Aanwijzingsbesluit en Nadere regels Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard 2023, dan wel diens rechtsopvolger. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het college formeel bevoegd is om bepaalde gedeelten van openbaar water aan te wijzen waarop het verbod op het innemen van een ligplaats van toepassing is. De verwijzing is dynamisch geformuleerd om ook toepassing onder toekomstige besluiten en versies mogelijk te maken.
Lid 3: De verwijzingen in het derde lid zijn geactualiseerd in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De Waterwet is volledig opgegaan in de Omgevingswet en is daarom als zodanig vervangen. Voor de Woningwet en de Wet milieubeheer is een overgangsformulering toegevoegd ("zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet") om toepassing van het overgangsrecht mogelijk te maken en rechtszekerheid te behouden in gevallen waarin oudere regelgeving nog van belang is. Ten slotte is de verouderde verwijzing naar de provinciale waterverordening vervangen door een verwijzing naar de Waterschapsverordening van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK).
Artikel 5.7.2.1 eerste en derde lid Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
Lid 1: De verwijzing naar “bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan” is vervangen door “het omgevingsplan Dijk en Waard, dan wel diens rechtsopvolger”, in overeenstemming met de systematiek van de Omgevingswet. Door deze formulering wordt ook rekening gehouden met toekomstige wijzigingen in het planologisch instrumentarium.
Lid 3: De verwijzing naar “artikel 4.2.7.2” is onjuist en is gecorrigeerd naar “artikel 4.2.6.2”. Dit is het juiste artikel waarin de bevoegdheid voor het college tot aanwijzing van kampeerlocaties is geregeld.
Artikel 6.2.1 tweede lid Voorzieningen voor verkeer en verlichting
Lid 2: In dit lid is de verwijzing naar de Waterstaatswet 1900 geschrapt. Deze wet is al per 1 januari 2008 vervallen en haar bepalingen zijn sindsdien overgenomen in de Waterwet en later de Omgevingswet. Per 1 januari 2024 is ook het laatste resterende overgangsrecht met betrekking tot de Waterstaatswet 1900 vervallen, zodat een verwijzing hiernaar niet langer juridisch houdbaar is. Er bestaat ook geen specifieke opvolgende bepaling onder de Omgevingswet die in dit verband een gelijkluidende uitsluitingsgrond biedt.
De Onteigeningswet en de Belemmeringenwet Privaatrecht blijven gehandhaafd in dit lid, omdat deze wetten nog van kracht zijn en situaties kunnen omvatten waarin de in lid 1 bedoelde verplichting tot gedogen van voorzieningen niet van toepassing mag zijn.
Artikel 9.1, vijfde lid (Strafbepaling voor overtredingen milieuregels buiten inrichtingen en afvalstoffen)
In dit artikel is een vijfde lid toegevoegd. Dit nieuwe lid regelt dat, in afwijking van het eerste lid, artikel 1a, onderdeel 3°, van de Wet op de economische delicten (WED) van toepassing is op overtreding van diverse gemeentelijke milieuregels. Het betreft hier onder meer artikel 5.4.3.4 (geluidhinder buiten inrichtingen), artikel 5.5.1.2 (onjuist aanbieden van afvalstoffen) en de artikelen 5.5.1.1 tot en met 5.5.1.5 en 5.5.2.1 (verschillende regels inzake opslag en afvalstoffen). Deze bepalingen zijn afkomstig uit de gemeentelijke milieuregelgeving. Voor deze categorie van regels is toepassing van artikel 1a, onderdeel 3°, van de WED verplicht om strafrechtelijke handhaving en correcte registratie binnen het Justitieel Documentatiesysteem (Justid) mogelijk te maken.
Artikel 5.5.1.2 was eerder opgenomen in de opsomming van artikel 9.1, tweede lid. Omdat dat lid echter een generieke toepassing van artikel 1a WED bevat (zonder onderdeeltoewijzing), is artikel 5.5.1.2 daaruit verwijderd en ondergebracht in lid 5. Artikel 5.4.3.4 was voorheen nog niet opgenomen in artikel 9.1 en is nu nieuw toegevoegd. Daarmee is een sluitende en juiste strafbaarstelling voor dit artikel gerealiseerd. De overige bepalingen die eerder met een "tot en met"-constructie in lid 2 waren opgenomen (artikelen 5.5.1.1 tot en met 5.5.1.5 en 5.5.2.1) zijn eveneens verplaatst naar lid 5 en daar volledig uitgeschreven. Deze aanpassing verhoogt de juridische precisie, voorkomt verwarring over de reikwijdte en sluit beter aan bij de systematiek van de WED en Justid. Lid 2 is als gevolg hiervan herzien en beperkt tot procedurele bepalingen (onder andere aanvraagvereisten), waarvoor een algemene strafbaarstelling op grond van artikel 1a WED, zonder verwijzing naar onderdeel 3°, volstaat.
Door een aanvullend vijfde lid op te nemen, blijft de bestaande structuur van het artikel behouden. Dit voorkomt dat het strafregime voor andere bepalingen wijzigt en maakt een correcte en Justid-conforme strafbaarstelling van de milieuregels mogelijk.
Deze strafbaarstelling is als tijdelijke voorziening bedoeld in de overgangsperiode naar het gemeentelijk Omgevingsplan. Zodra de betrokken bepalingen daarin zijn opgenomen, vervalt de noodzaak voor strafbepalingen in het omgevingsplan.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-296713.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.