Gemeenteblad van Zoetermeer
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zoetermeer | Gemeenteblad 2025, 293791 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zoetermeer | Gemeenteblad 2025, 293791 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Jeugdhulp Zoetermeer 2025
De raad van de gemeente Zoetermeer;
Gelezen het voorstel van het college burgemeester en wethouders van 4 maart 2025,
gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet en gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein van 2 januari 2025;
De Verordening Jeugdhulp Zoetermeer 2025 vast te stellen met dien verstande dat artikel 5 eerste lid wordt:
‘Indien jeugdige medisch noodzakelijke zorg nodig heeft, dan valt dit niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet en is er in dat kader geen recht op een voorziening op basis van de Jeugdwet’
‘De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning is als volgt geregeld: Als naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, dan is deze voorliggend op het verlenen van een voorziening op grond van de Jeugdwet. Tenzij sprake is van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning’.
Met de deze verordening wordt:
Dit besluit treedt in werking twee weken na de bekendmaking daarvan. Tenzij over dit besluit een inleidend verzoek tot het houden van een referendum wordt gedaan.
Hoofdstuk 1 Definities, zorgplicht college en afbakening
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Bovenstaande lijst van definities is niet volledig. Voor niet genoemde definities wordt verwezen naar de Jeugdwet.
Artikel 3. Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs
De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet passend onderwijs is als volgt geregeld:
Als op basis van wettelijke bepalingen onduidelijk is of de hulpvraag valt onder de Wet passend onderwijs of onder de Jeugdwet, dan rust op het college een inspanningsverplichting om in samenwerking met het onderwijs een duidelijke analyse van het probleem met een daarbij passende oplossing te komen voor de hulpvraag.
Artikel 4. Afbakening Jeugdwet en de Wet langdurige zorg
De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet langdurige zorg is als volgt geregeld:
Ondersteuning valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet als een jeugdige vanwege een somatische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap een blijvende behoefte heeft aan zorg én als de jeugdige blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft:
Als jeugdige of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit op basis van de Wet langdurige zorg terwijl er gegronde redenen zijn die aannemelijk maken dat de jeugdige recht heeft op een dergelijk besluit, bijvoorbeeld bij de noodzaak tot meer dan 4 dagdelen dagbesteding, dan verleent het college geen voorziening op grond van de Jeugdwet.
Artikel 5. Afbakening Jeugdwet en Zorgverzekeringswet
De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Zorgverzekeringswet is als volgt geregeld:
Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problematiek van de jeugdige en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, verleent het college een voorziening.
Persoonlijke verzorging voor jeugdigen die nodig is in verband met een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Persoonlijke verzorging die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen valt wel onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet.
Jeugdhulp met verblijf valt niet onder de Jeugdwet als het een medisch noodzakelijk verblijf betreft vanwege geneeskundige zorg of als het gaat om tijdelijk, kortdurend geneeskundig verblijf buiten de thuissituatie. Jeugdhulp met verblijf valt wel onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet als het een verblijf van jeugdige buiten de thuissituatie betreft, niet zijnde een ziekenhuisverblijf.
Artikel 6. Afbakening Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning
De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning is als volgt geregeld:
Als naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, dan is deze voorliggend op het verlenen van een voorziening op grond van de Jeugdwet. Tenzij sprake is van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
Artikel 7. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen
De afstemming tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van wet- en regelgeving inzake werk en inkomen is als volgt geregeld:
Het college ziet erop toe dat er voorzieningen beschikbaar zijn op het terrein van arbeidsparticipatie van jonggehandicapten en draagt zorg voor voldoende mogelijkheden van loonkostensubsidies en beschut werk voor deze doelgroep op het moment dat zij 18 jaar worden. Deze voorzieningen vallen niet onder de Jeugdwet.
Artikel. 8 Kinderopvang en buitenschoolse opvang
In uitzonderlijke situaties kan begeleiding worden ingezet om het kind in de kinderopvang of buitenschoolse opvang te houden, om doorverwijzing naar jeugdhulp te voorkomen. Dit gaat om situaties waarin een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht.
Artikel. 9 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
Ter uitvoering van het tweede lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet.
Hoofdstuk 2 Vormen van jeugdhulp
Artikel 10. Vormen van jeugdhulp
Hoofdstuk 3 Toegang en onderzoek
Artikel 11. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Bij een verwijzing door de huisarts, jeugdarts, een andere medisch specialist naar een jeugdhulpaanbieder houdt het college zich het recht voor in een beschikking vast te leggen om welke te verstrekken voorziening het gaat, de omvang daarvan, het beoogde resultaat, de ingangsdatum en duur van de verstrekking en de wijze van verstrekking.
Artikel 13. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Het college onderzoekt in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag:
of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja:
of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en de personen die tot hun sociale omgeving inclusief de school behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden, met inachtneming van in artikel 17 van deze verordening, en
Hoofdstuk 4 Verslag, aanvraag, criteria en inhoud beschikking
Binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag als bedoeld in artikel 12 verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouder(s) een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek (het verslag). Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) worden aan het verslag toegevoegd.
Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger blijkt dat een niet vrij toegankelijke voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd.
Artikel 15. Aanvraag niet vrij toegankelijke voorziening
Jeugdigen en ouder(s) kunnen een aanvraag voor een niet vrij toegankelijke voorziening schriftelijk indienen bij het college. Als het onderzoek als bedoeld in artikel 13 leidt tot een aanvraag voor een niet vrij toegankelijke voorziening, dan stelt het college binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een gezinsplan op. Bij de opstelling van het gezinsplan wordt, indien aanwezig, het familiegroepsplan betrokken. In het gezinsplan worden de kosten van de niet vrij toegankelijke voorziening, die voor rekening komen van de gemeente, opgenomen en deze kosten worden ook in de beschikking vermeld.
De jeugdige en/of zijn ouder(s) moeten zich binnen 3 maanden na het afgeven van de beschikking melden bij een jeugdhulpaanbieder. Of de jeugdige en/of zijn ouder(s) moeten binnen 3 maanden het pgb besteden aan het resultaat waarvoor het is verstrekt. Als de jeugdige en/of ouder(s) dit niet doen, voldoen zij niet aan de voorwaarden van de voorziening of het pgb. In dat geval kan het college op grond van artikel 29 lid 2 van deze verordening de aanvraag beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken.
Artikel 16. Criteria voor een niet vrij toegankelijke voorziening
Een vrij toegankelijke voorziening die passend en toereikend is, is voorliggend op een niet vrij toegankelijke voorziening. In elke situatie wordt eerst beoordeeld of vrij toegankelijke voorzieningen passend en toereikend zijn voor de gestelde hulpvraag. Als dit zo is, komen jeugdigen en de ouder(s) niet in aanmerking voor een niet vrij toegankelijke voorziening. Dit geldt als de vrij toegankelijke voorziening:
Een jeugdige komt in aanmerking voor een door het college verleende niet vrij toegankelijke voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een vrij toegankelijke voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.
Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1 van deze verordening wordt geen niet vrij toegankelijke voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit de meest recent vastgestelde Beleidsregels indicatiestelling Wlz.
Als een niet vrij toegankelijke voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening. Als een jeugdige en/of ouder(s) toch een duurdere voorziening willen die eveneens passend is, komen de extra kosten voor rekening van de jeugdige en/of zijn ouder(s).
In situaties waarbij ouder(s) begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen niet vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in deze verordening.
Voor het bepalen van de soort niet vrij toegankelijke voorziening die het college inzet, wordt aangesloten bij de dienstomschrijvingen in de door of namens de gemeente gesloten overeenkomsten met, of verleende subsidiebesluiten aan jeugdhulpaanbieders voor het leveren van niet vrij toegankelijke voorzieningen. Alvorens een keuze gemaakt wordt voor het soort voorziening, wordt in dialoog tussen de gemeentelijke toegang, de jeugdige en de ouder(s) een gezamenlijk beeld ontwikkeld over de hulpvraag en de meest passende aanpak.
Artikel 17. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Een niet vrij toegankelijke voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk, school of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).
Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:
Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:
Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat een ED- specialist (van het Samenwerkingsverband Primair Onderwijs of Voortgezet Onderwijs) op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is.
Artikel 20. Vervoersvoorzieningen
Het college beoordeelt in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen. Van onvoldoende eigen mogelijkheden of probleemoplossend vermogen is sprake als het college constateert dat de jeugdige ernstige gedrags- en/of medische problemen heeft waardoor reizen met de fiets, openbaar vervoer onder begeleiding van ouders of andere personen uit het netwerk, of vervoer in de auto niet zelfstandig mogelijk is.
Om voor een vervoersvoorziening in aanmerking te komen moet er sprake zijn van:
een medische noodzaak bij de jeugdige. Hier wordt onder verstaan dat de jeugdige een beperking heeft met lopen, instappen of staan of indien er sprake is van desoriëntatie (met medische oorzaak) en daardoor niet zelfstandig kan reizen. De informatie wordt aangeleverd door een behandelend arts - niet zijnde eigen huisarts - en is niet ouder dan twee jaar, en/of:
Artikel 21. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming
Medewerkers van de organisatie die jeugdhulp biedt, of mogelijk gaat bieden, kunnen niet ook het advies geven over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit nemen. Het college treft daartoe voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt.
Artikel 22. Inhoud beschikking
Hoofdstuk 5 Bepalingen met betrekking tot het PGB
Artikel 24. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb
Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een niet vrij toegankelijke voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb-plan is opgenomen:
Het college verstrekt een pgb als:
naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 32 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de niet vrij toegankelijke voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.
Artikel 26. Onderscheid formele en informele hulp
Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
De tarieven voor het pgb worden jaarlijks geïndexeerd, waarbij:
de indexering wordt berekend uit de som van het geprognotiseerde percentage voor het komende jaar (t + 1) en het verschil tussen het in het voorgaande jaar (t – 1) geprognotiseerde percentage voor het lopende jaar (t) en het definitieve percentage voor het lopende jaar (t). De percentages zijn verschillend voor loonkosten en materiële kosten; en
het college het pgb-tarief verhoogt of verlaagt voor 90% op basis van het geprognotiseerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) voor personele kosten van het CPB, gepubliceerd door de NZA en voor 10% op basis van het geprognotiseerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten van het CPB gepubliceerd door de NZA.
Hoofdstuk 6 Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik bij PGB en bij niet vrij toegankelijke voorzieningen
Artikel 29. Opschorting betaling uit het pgb
Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de Jeugdwet.
Artikel 30. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet
Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doen de jeugdige of zijn ouder(s) aan het college op verzoek of direct uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing over een niet vrij toegankelijke voorziening of pgb.
Artikel 31. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid voorzieningen en pgb’s
Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van niet vrij toegankelijke voorzieningen en pgb's met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.
Voor zover de toezichthoudende ambtenaar door inzage in bescheiden bij de vervulling van zijn taak dan wel door verstrekking van gegevens in het kader van een melding gegevens, daaronder begrepen bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming, heeft verkregen, ter zake waarvan de beroepskracht uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de toezichthoudende ambtenaar.
Het college voert een actief fraudepreventiebeleid. Onderdeel van dit beleid is dat het college cliënten en betrokken derden informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een niet vrij toegankelijke voorziening zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik daarvan.
Het college kan onderzoek doen naar de reden van de beëindiging van de aanspraak op een niet vrij toegankelijke voorziening en op basis daarvan besluiten nemen met betrekking tot de rechtmatigheid van de voorziening en de wederzijds tussen het college en de jeugdige of zijn ouder resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan.
Het college kan een materiële controle en fraudeonderzoek doen bij jeugdhulpaanbieders die werken onder een contract van het college of met een contract welke is aangegaan door een jeugdige of zijn ouder voor de uitvoering van een pgb om te bepalen of de door de aanbieder in rekening gebrachte prestatie is geleverd.
Artikel 32. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:
Artikel 33. Kwaliteitseisen jeugdzorg
Jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en derden waar de jeugdige via een persoonsgebonden budget of niet vrij toegankelijke voorzieningen jeugdhulp betrekt, zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen en eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten door:
Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en derden waar de jeugdige via een persoonsgebonden budget of niet vrij toegankelijke voorzieningen jeugdhulp betrekt, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek in overeenstemming met artikel 3 Regeling Jeugdwet en het zonodig in overleg met de jeugdige en/of ouder(s) ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.
Artikel 34. Evaluatie en monitoring
Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid met betrekking tot de uitvoering van de Jeugdwet wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk. Het college zendt in het tweede jaar na de inwerkingtreding van deze verordening een tussenevaluatie aan de gemeenteraad.
Een recht op een lopende niet vrij toegankelijke voorziening verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp Zoetermeer 2015, zoals vastgesteld op 13 oktober 2014, blijft gehandhaafd, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee die niet vrij toegankelijke voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) afwijken van de bepalingen in deze verordening, of van de hieruit voortvloeiende nadere regels.
Artikel 38. Intrekking vorige besluiten
Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit wordt de Verordening Jeugdhulp Zoetermeer 2015, zoals vastgesteld op 13 oktober 2014 ingetrokken.
Artikel 40. Relevante artikelen uit de Jeugdwet ivm verwijzingen uit de Verordening
Hoofdstuk 8. Financiën en verantwoording
Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien:
de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet, indien het college die feiten en omstandigheden kan vaststellen op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens die feiten en omstandigheden kan verkrijgen uit bij regeling van Onze Ministers aan te wijzen administraties.
Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een persoonsgebonden budget te heroverwegen.
Het college licht de jeugdige en zijn ouder vooraf volledig, objectief en in voor hem begrijpelijke bewoordingen in over de gevolgen van de keuze voor een budget in plaats van een individuele voorziening in natura.
Op het budget is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over de overeenkomst die de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt sluit met de derde van wie hij jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort, ontvangt en die daarvoor betaling ontvangt uit het persoonsgebonden budget.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-293791.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.