Gemeenteblad van Voorne aan Zee
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Voorne aan Zee | Gemeenteblad 2025, 292425 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Voorne aan Zee | Gemeenteblad 2025, 292425 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
De raad van de gemeente Voorne aan Zee;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 april 2025 en het schaarsteonderzoek van 6 september 2024 waaruit blijkt dat sprake is van onevenwichtige effecten van schaarste aan woonruimte;
gelet op artikel 4, onder a, van de Huisvestingswet 2014;
vast te stellen de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025
Artikel 1.1.1. Begripsomschrijvingen
In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen, met of zonder kinderen, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren waarbij er sprake is van bewuste wederzijdse zorg en taakverdeling die het enkel gezamenlijk bewonen van een bepaalde woonruimte te boven gaat en waarbij de intentie bestaat om voor onbepaalde periode samen te wonen;
passendheidsdoelgroep: een overeenkomstig artikel 11 van de wet aangewezen gedeelte van de overeenkomstig artikel 10, eerste lid, van de wet in deze verordening aangewezen categorie woningzoekenden die in verband met de aard, grootte of prijs van woonruimte voorrang hebben bij de verlening van huisvestingsvergunningen;
uitverhuisperiode: de periode die gelegen is tussen het verlenen van de urgentieverklaring, verleend voor indeling in de in artikel 3.4.7 bedoelde urgentiecategorie, en de in die urgentieverklaring genoemde datum waarop de houder van een urgentieverklaring zijn of haar huidige woonruimte gelet op de aanstaande sloop of ingrijpende renovatie uiterlijk verlaten moet hebben;
Hoofdstuk 2. De huisvestingsvergunning
Artikel 2.1.1. Aanwijzing vergunningplichtige voorraad
Artikel 2.1.2. Categorieën woningzoekenden
De volgende categorieën woningzoekenden komen voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning in aanmerking:
Paragraaf 2.2. Te huur aanbieden van woonruimte door corporaties
Artikel 2.2.1. Reikwijdte van deze paragraaf
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op woonruimte behorend tot de in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a, genoemde categorie.
Artikel 2.2.2. Te huur aanbieden van woonruimte door corporaties
Corporaties bieden woonruimte te huur aan via openbaar aanbod of via direct aanbod.
De corporatie kan in de volgende omstandigheden woonruimte te huur aanbieden via een direct aanbod aan een woningzoekende:
de woningzoekende beschikt als gevolg van een acute en onvoorziene omstandigheid niet meer over zelfstandige woonruimte en zou in verband daarmee in aanmerking komen voor een urgentieverklaring, maar het is om humanitaire redenen onwenselijk om te wachten totdat hij of zij met die urgentieverklaring woonruimte zou vinden;
Artikel 2.2.5. Bemiddelingsmodellen
De corporaties stellen gezamenlijk de binnen de regio toe te passen bemiddelingsmodellen vast. De corporaties nemen bij de vaststelling en toepassing van de bemiddelingsmodellen gezamenlijk het belang van een rechtmatige, transparante en evenwichtige verdeling van woonruimte binnen de regio in acht.
Artikel 2.2.6. Voorrang in verband met de aard, grootte of prijs van woonruimte (passendheidsdoelgroepen)
In dit artikel wordt onder indicatie verstaan: een advies van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen deskundige, waaruit blijkt of een huishouden als gevolg van een beperking van een lid of meerdere leden van het huishouden aangewezen is op woonruimte die in het bijzonder geschikt en nodig is voor bewoners met die beperking
Artikel 2.2.7. Voorrang in verband met economische en maatschappelijk gebondenheid
Bij de verlening van huisvestingsvergunningen voor ten hoogste 50 procent van de woonruimten die behoren tot de in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a, bedoelde categorieën woonruimte, kan voorrang gegeven worden aan woningzoekenden die economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn aan:
Artikel 2.2.8. Voorrang voor vitale beroepsgroepen
Binnen de groep van woningzoekenden die economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn aan de gemeente kan voorrang worden gegeven aan woningzoekenden die, blijkens een schriftelijke arbeidsovereenkomst met een omvang van tenminste 24 te werken uren per week, behoren tot tenminste één van de in het tweede lid aangewezen vitale beroepsgroepen.
Artikel 2.2.9. Volgordebepaling woningzoekenden ingeval van openbaar aanbod
Voor houders van een urgentieverklaring waarmee zij zijn ingedeeld in de urgentiecategorie ‘herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering’, wordt voor de toepassing van het bepaalde in het tweede lid, onder a, de eerste fase van de urgentie geacht te verlopen op het moment waarop de helft van de uitverhuisperiode is verstreken.
Hoofdstuk 3. De urgentieverklaring
Paragraaf 3.1. Verlening, weigering, intrekking en wijziging van de urgentieverklaring
Artikel 3.1.2. De aanvraag om een urgentieverklaring
Het college van burgemeester en wethouders kan bepalen dat de aanvraag om een urgentieverklaring in bepaalde categorieën van gevallen in afwijking van het bepaalde in het vorige lid, uitsluitend ingediend kan worden bij het bestuur van de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond of een corporatie.
Artikel 3.1.3. Weigeringsgronden
Het college van burgemeester en wethouders kan de aangevraagde urgentieverklaring weigeren indien sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:
naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders is het urgente huisvestingsprobleem ontstaan als gevolg van verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van diens huishouden, voor zover dit doen of nalaten niet langer dan twee jaar voor het indienen van de aanvraag plaatsvond;
de aanvraag heeft betrekking op indeling in een in artikel 3.4.3 bedoelde urgentiecategorie en de in dat artikel genoemde voorziening of instelling waaruit aanvrager uitstroomt, is niet met toepassing van het bepaalde artikel 3.4.3, vijfde lid, aangewezen door een college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente;
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a, kan het college van burgemeester en wethouders ook als het inkomen van het huishouden van aanvrager boven de inkomensgrens ligt, de urgentieverklaring toch verlenen indien naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders sprake is van een uitzonderlijke medische situatie waardoor het urgente huisvestingsprobleem van aanvrager niet opgelost kan worden binnen een ander deel van de woonruimtevoorraad dan aanwezen in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a.
Artikel 3.1.4. Intrekkingsgronden
Het college van burgemeester en wethouders kan voorts een urgentieverklaring intrekken indien sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:
tijdens de eerste fase van de urgentie heeft de houder van de urgentieverklaring nagelaten via het aanbodinstrumenten een reactie te geven op tenminste 24 verschillende, via het aanbodinstrument aangeboden, woonruimten die voldoen aan het in de urgentieverklaring opgenomen woonruimtetype en die gelegen zijn in de in de urgentieverklaring genoemde voorkeursurgentieregio;
tijdens de tweede fase van de urgentie heeft de houder van de urgentieverklaring nagelaten via het aanbodinstrument tenminste eenmaal per week een reactie te geven op woonruimten die voldoen aan het in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel en gelegen zijn in de op de urgentieverklaring vermelde voorkeursurgentieregio;
de houder van de urgentieverklaring verhuist naar een zelfstandige woonruimte, tenzij de houder van de urgentieverklaring binnen dertig dagen na de verhuizing verzoekt om het voort laten duren van de urgentieverklaring en daarbij onderbouwd aantoont dat het huisvestingsprobleem in verband waarmee de urgentieverklaring was afgegeven, niet is opgelost;
Artikel 3.1.5. Wijzigingsgronden
Het college van burgemeester en wethouders kan een urgentieverklaring wijzigen indien:
Artikel 3.1.7. Hardheidsclausule
Het college van burgemeester en wethouders registreert de gevallen waarin met toepassing van het in het eerste lid bepaalde een urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat ten minste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de verlening van de urgentieverklaring. De registraties worden besproken in het in artikel 4.2.2 van de verordening bedoelde overleg.
Paragraaf 3.2. Werking en inhoud van de urgentieverklaring
Artikel 3.2.2. Inhoud van de urgentieverklaring
Artikel 3.2.3. Het woonruimtetype
Het zoekprofiel kan de omschrijving van een tweede woonruimtetype bevatten indien dat naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders gelet op de toepasselijke urgentiecategorie of de samenstelling van de woonruimtevoorraad noodzakelijk is voor het oplossen van het urgente huisvestingsprobleem van de houder van de urgentieverklaring.
Paragraaf 3.3. Zoeken door en bemiddeling van de houder van de urgentieverklaring
Artikel 3.3.1. Direct starten van de tweede fase van de urgentie
In de urgentieverklaring kan in de volgende gevallen worden bepaald dat de tweede fase van de urgentie in afwijking van het bepaalde in de vorige leden direct na verlening van de urgentieverklaring start:
de houder van de urgentieverklaring of een lid van zijn huishouden is naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in zodanige mate afhankelijk zijn van zorg-, onderwijs- of dagbestedingsinstellingen dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat aanvrager buiten de huidige woonplaats of kern gaat wonen, terwijl gelet op de samenstelling en mutatiegraad van de woonruimtevoorraad in die woonplaats of kern redelijkerwijs verwacht moet worden dat de houder van de urgentieverklaring niet gedurende de eerste fase van de urgentie zelf woonruimte overeenkomstig het in de urgentieverklaring voor de eerste fase op te nemen zoekprofiel zou kunnen vinden;
Artikel 3.3.3. Bemiddelen van de houder van de urgentieverklaring
Zodra de helft van de uitverhuisperiode is verstreken, doet een corporatie de houder van een urgentieverklaring, verleend voor indeling in de in artikel 3.4.7 bedoelde urgentiecategorie, een direct aanbod van woonruimte die gelegen is binnen het in de urgentieverklaring opgenomen zoekgebied en voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen woonruimtetype.
Paragraaf 3.4. De urgentiecategorieën
Een woningzoekende die mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verleent of ontvangt komt in aanmerking voor indeling in de urgentiecategorie ‘mantelzorg’ indien:
de in onderdeel b bedoelde acht uur mantelzorg per week is verleend gedurende ten minste vier dagen per week, tenzij de medische problematiek zoals Alzheimer, schizofrenie of andere chronische psychische aandoeningen 24 uur per dag nabijheid vereisen en de hulp op onverwachte momenten wordt geboden;
Artikel 3.4.2. Ernstige en chronische medische problematiek
Een woningzoekende komt in aanmerking voor indeling in de urgentiecategorie ‘ernstige en chronische medische problematiek’ indien:
de woningzoekende kampt met ernstige en chronische medische problematiek, waarbij de huidige woonsituatie levensontwrichtend is omdat de woningzoekende niet meer in staat is zelfstandig te functioneren in de huidige zelfstandige woonruimte, dan wel de behandeling van het probleem aantoonbaar in hoge mate ongunstig door de woonsituatie in de huidige zelfstandige woonruimte wordt beïnvloed;
de woningzoekende met ernstige en chronische problematiek van psychische aard op het moment van aanvraag ten minste twaalf maanden onder behandeling is of is geweest voor het betreffende medische probleem bij een specialistische, tweedelijns instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg voor geneeskundige geestelijke zorg of instelling voor geneeskundige zorg als bedoeld in artikel 10, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet in verband met zorg zoals psychiaters en klinisch-psychologen plegen te bieden, of vrijgevestigd psychiater in Nederland.
Bij indeling in de in het eerste lid bedoelde urgentiecategorie van een woningzoekende op grond van ernstige en chronische problematiek van psychische aard kan het college van burgemeester en wethouders de voorwaarde opleggen dat de woningzoekende of een lid van diens huishouden psychiatrische zorg of begeleiding aanvaardt en dat deze zorg aantoonbaar verleend wordt of gaat worden. De voorwaarde wordt dan in de urgentieverklaring vermeld.
Artikel 3.4.3. Uitstroom naar zelfstandig wonen
Tot de in het vorige lid bedoelde categorieën behoren woningzoekenden:
die een door het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente aangewezen verblijf in een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg verlaten waar zij geneeskundige geestelijke zorg ontvingen of woningzoekenden die in verband met geneeskundige zorg als bedoeld in artikel 10, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet in een instelling verbleven in verband met zorg zoals psychiaters en klinisch-psychologen plegen te bieden en deze verlaten;
Artikel 3.4.4. Onbewoonbaarheid
Een woningzoekende komt voor indeling in de urgentiecategorie ‘onbewoonbaarheid’ in aanmerking indien:
Onder woonlasten als bedoeld in het tweede lid worden verstaan alle kosten die het bewonen van woonruimte met zich meebrengt en die naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders rechtstreeks veroorzaakt worden door het in eigendom hebben van woonruimte dan wel het huren van woonruimte.
Artikel 3.4.7. Herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering
Paragraaf 4.2. De huisvestingsvergunning voor standplaatsen
Artikel 4.2.1. Aanwijzing vergunningplichtige voorraad
De volgende categorie woonruimte is aangewezen als bedoeld in artikel 7 en mag alleen voor bewoning in gebruik worden genomen of gegeven als daarvoor een huisvestingsvergunning is verleend: standplaatsen.
Hoofdstuk 5. Overige bepalingen
Artikel 5.1.2. Experimentenovereenkomst
Voordat het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente waar het experiment plaats zal vinden, besluit tot het aangaan van de experimentenovereenkomst, worden de opzet van het experiment en het concept van de experimentenovereenkomst afgestemd met de colleges van burgemeester en wethouders van de overige regiogemeenten.
Paragraaf 5.2. Registratie, monitoring en afstemming
Artikel 5.2.1. Registratie en monitoring van vraag, aanbod en verhuringen van woonruimten van corporaties
Artikel 5.2.2. Overleg naar aanleiding van monitoring
Corporaties gezamenlijk en de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten voeren ten minste éénmaal per kalenderjaar overleg over de in artikel 5.2.1, tweede lid, bedoelde monitor. Het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland wordt uitgenodigd zich daarbij te laten vertegenwoordigen.
Artikel 5.2.3. Registratie en monitoring bij overige woonruimten
De colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten dragen gezamenlijk zorg voor:
Artikel 5.2.4. Overleg inzake de woonruimtebemiddeling
In aanvulling op het in artikel 5.2.2 bedoelde overleg wordt tenminste éénmaal per kalenderjaar overleg gevoerd over de woonruimtebemiddeling in het lopende kalenderjaar, over actuele thema’s in het kader van de woonruimteverdeling en over eventuele benodigde bijsturing.
Artikel 5.3.1. Bestuurlijke boete
In afwijking van het vorige lid, onder b, bedraagt de bestuurlijke boete voor een overtreding van het verbod bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet € [vijfde categorie, per 1 januari 2024 is dat € 103.000] indien binnen een tijdvak van vier jaar voorafgaand aan een constatering door een toezichthouder van die overtreding een bestuurlijke boete is opgelegd voor overtreding van hetzelfde verbod.
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 6.1. Overgangsbepalingen
Artikel 6.1.1. Overgangsbepaling voor aanvragen
Indien op het moment waarop deze verordening in werking treedt nog niet besloten is op een aanvraag om een huisvestingsvergunning of een aanvraag om een urgentieverklaring, wordt op die aanvraag beslist overeenkomstig het bepaalde in deze verordening.
Artikel 6.1.3. Overgangsbepalingen voor urgentieverklaringen
Een urgentieverklaring waarmee een woningzoekende is ingedeeld in een in kolom 1 van de tabel van Bijlage 1 genoemde, in de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 of de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 opgenomen urgentiecategorie, is gelijkgesteld aan een op grond van deze verordening afgegeven urgentieverklaring waarmee een woningzoekende is ingedeeld in een in kolom 2 van de tabel van Bijlage 1 genoemde urgentiecategorie.
Voor urgentieverklaringen verleend vóór het moment van inwerkingtreding van deze verordening, blijven gedurende een termijn van één jaar na inwerkingtreding van deze verordening de in die urgentieverklaringen overeenkomstig artikel 3.2 van Bijlage I en Bijlage II bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 opgenomen voorkeursurgentieregio’s van kracht.
Bijlage 1. Overgangsrecht urgentieverklaringen
Bijlage bij artikel 6.1.3, tweede lid, van de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-292425.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.