Besluit tot wijziging Verordening jeugdhulp Amersfoort

De raad van de gemeente Amersfoort,

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 22 april 2025, met kenmerk 1996852 gelet op het bepaalde in:

 

artikel 2.9 van de Jeugdwet en afdeling 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht;

 

besluit vast te stellen de volgende verordening:

 

Besluit tot wijziging Verordening jeugdhulp Amersfoort

Artikel I – Wijzigingen

De Verordening jeugdhulp Amersfoort wordt gewijzigd als volgt:

 

A

Na de bepaling van het eerste lid van artikel 6. van de verordening Jeugdhulp Amersfoort, worden drie nieuwe leden ingevoegd, onder vernummering van de overige leden van dat artikel. De nieuwe leden komen te luiden:

  • 2.

    Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

  • 3.

    Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:

    • a.

      bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;

    • b.

      bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of

    • c.

      op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.

B

Na de bepaling van het eerste lid van artikel 7. van de verordening Jeugdhulp Amersfoort, worden acht nieuwe leden ingevoegd, onder vernummering van de overige leden van dat artikel. De nieuwe leden komen te luiden:

  • 2.

    Onder eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      gebruikelijke hulp;

    • b.

      hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, voor zover ouders beschikbaar zijn en in staat zijn deze hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van deze hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan;

    • c.

      de ondersteuning vanuit het sociale netwerk;

    • d.

      het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten.

  • 3.

    Ouders zijn verplicht gebruikelijke hulp te bieden aan de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen door deze te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van een van de ouders neemt de ander de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.

  • 4.

    Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij in ieder geval rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de leeftijd van de jeugdige;

    • b.

      de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/aansporing die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft;

    • c.

      de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

    • d.

      de mate van planbaarheid van de hulp;

    • e.

      de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige.

  • 5.

    Als sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

  • 6.

    Als sprake is van hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, blijven de ouders verantwoordelijk voor het bieden van deze hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen kortdurende en langdurige situaties. Van ouders wordt verwacht dat zij in kortdurende situaties de hulp bieden die de gebruikelijke hulp overstijgt, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. Van een kortdurende situatie is sprake als er uitzicht is op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. Van een langdurige situatie is sprake als naar verwachting de hulp langer dan drie maanden nodig is in één kalenderjaar.

  • 7.

    Bij de beoordeling in langdurige situaties wordt rekening gehouden met de volgende factoren:

    • a.

      de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

    • b.

      de mate van planbaarheid van de hulp;

    • c.

      het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders;

    • d.

      de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige;

    • e.

      vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden, waaronder begrepen professionele vaardigheden;

    • f.

      of sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden;

    • g.

      welke verplichtingen de ouders hebben, zoals voor werk en sociale verplichtingen;

    • h.

      het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen;

    • i.

      de woonsituatie;

    • j.

      de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden;

    • k.

      de aanwezigheid van een sociaal netwerk en de mogelijkheden en de bereidheid om binnen het sociaal netwerk de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen;

    • l.

      overige andere relevante omstandigheden die door de jeugdige en ouders worden aangevoerd en worden aangetoond.

  • 8.

    Als na afweging van bovengenoemde factoren blijkt dat deze niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp, bij de beschikbaarheid, bij de belasting en bij de financiële situatie van de ouders, wordt van hen verwacht dat zij de hulp (deels) verlenen.

  • 9.

    Bij de beoordeling van (dreigende) overbelasting wordt vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen.

Artikel II – Slotbepalingen

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dag van bekendmaking.

Aldus besloten in de vergadering van de raad van de gemeente Amersfoort op 24 juni 2025

de griffier,

de voorzitter,

Naar boven