Vaststellen Beleidsregel tot wijziging van de Leidraad Invordering Gemeentebelastingen Den Haag 2017

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

 

  • - artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht;

    - de artikelen 231 en 249 van de Gemeentewet;

    - de Invorderingswet 1990; en

    - de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990;

 

besluit vast te stellen de Beleidsregel tot wijziging van de Leidraad Invordering Gemeentebelastingen Den Haag 2017:

 

Artikel I

De Leidraad Invordering Gemeentebelastingen Den Haag 2017 wordt gewijzigd als volgt:

  • A

    In artikel 1.1.1. wordt in de lijst met afkortingen een nieuwe afkorting op alfabetische volgorde toegevoegd, dat luidt als volgt:

    WHOA: Wet homologatie onderhands akkoord

  • B

    In artikel 1.1.5. vervalt de eerste alinea na de opsomming zijnde “Een andere bepaling uit de Awb […..] als bedoeld in artikel 3:4 Awb”.

  • C

    Na artikel 1.1.5 wordt een nieuw artikel ingevoegd, dat komt te luiden:

    1.1.5a Toepassing artikel 4:84 Awb

    Artikel 4:84 Awb is van overeenkomstige toepassing bij de invordering van gemeentelijke belastingen. Hiervan kan gemotiveerd afgeweken worden. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden waardoor onverkorte toepassing van de beleidsregels onevenredig nadeel voor de betrokkene oplevert.

  • D

    Artikel 14.2.14 wordt als volgt gewijzigd:

    1 Het jaartal “1986” wordt tweemaal vervangen door: 2019.

    2 Artikel 46 wordt vervangen door: artikel 35.

  • E

    Artikel 14.4.5b, komt te luiden:

    Als de ontvanger bankbeslag legt ten laste van een belastingschuldige die op grond van de basisregistratie personen geen adres in Nederland heeft, geldt het volgende. Als de belastingschuldige inzicht geeft in zijn leefsituatie en aannemelijk maakt dat hij door het beslag onvoldoende middelen van bestaan overhoudt, kan hij de ontvanger verzoeken alsnog rekening te houden met het voor hem geldende vrij te laten bedrag. De ontvanger stelt in dat geval het voor de leefsituatie van de belastingschuldige geldende vrij te laten bedrag vast. De ontvanger betaalt het verschil tussen het initieel vastgestelde vrij te laten bedrag en het op verzoek vastgestelde vrij te laten bedrag aan de belastingschuldige. Dit doet de ontvanger nadat de bank op het beslag heeft afgedragen.

  • F

    Artikel 17.1 komt te luiden:

    Artikel 17.1 Aanhouden tenuitvoerlegging bij verzet

    Als de belastingschuldige zich in rechte verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, houdt de ontvanger de (verdere) tenuitvoerlegging van het dwangbevel aan, tenzij:

    - de gronden van het verzet naar het oordeel van de ontvanger kansloos zijn, en

    - de belangen van de gemeente zich verzetten tegen schorsing van de tenuitvoerlegging.

  • G

    De tweede zin van artikel 19.1.6 vervalt.

  • H

    Aan artikel 19.1.8 wordt een extra zin toegevoegd, luidende:

    Voor zover de vordering wordt gedaan op een vordering die de echtgenoot van de belastingschuldige heeft op een betaaldienstverlener, is het bepaalde in artikel 1cbis van de regeling van overeenkomstige toepassing.

  • I

    In artikel 19.3.2 vervalt de derde alinea.

  • J

    Na artikel 19.3.8 wordt een nieuw artikel toegevoegd, dat komt te luiden:

    19.3.9 Toepassing beslagvrije voet bij AOW-gerechtigden

    De ontvanger kan ten laste van in Nederland woonachtige belastingschuldigen die de AOW- gerechtigde leeftijd hebben bereikt, een vordering doen op een periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden. Hierbij houdt hij rekening met de hoogste beslagvrije voet die op grond van artikel 475da, eerste lid, Rv, geldt voor de leefsituatie van de belastingschuldige.

  • K

    Na artikel 19.4 wordt een nieuw artikel toegevoegd, dat komt te luiden:

    19. 4 . 1 Vrij te laten bedrag en betalingsvordering bij geen adres in Nederland

    Als de belastingschuldige op grond van de basisregistratie personen geen adres in Nederland heeft en geen vaste woon- of verblijfplaats buiten Nederland heeft, stelt de ontvanger een vrij te laten bedrag vast, als bedoeld in artikel 1cbis.2, tweede lid, van de URIW 1990. In het geval de belastingschuldige buiten Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft, stelt de ontvanger geen vrij te laten bedrag vast.

    De belastingschuldige, zijnde een natuurlijk persoon, bij wie de ontvanger een betalingsvordering doet, kan een verzoek indienen als bedoeld in artikel 1cbis.2 van de URIW 1990. Indien de belastingschuldige in dit verzoek aantoont wat zijn leefsituatie is, stelt de ontvanger alsnog het (volledige) voor de leefsituatie van de belastingschuldige geldende vrij te laten bedrag vast en stelt dit beschikbaar aan de belastingschuldige nadat op de vordering is afgedragen, ten hoogste tot het verschil tussen het eerder vastgestelde vrij te laten bedrag en het na het verzoek vastgestelde vrij te laten bedrag.

  • L

    In artikel 24.6.1 wordt “artikel 24, vierde lid” vervangen door: artikel 24, derde lid.

  • M

    In artikel 25.1.15 wordt “De ontvanger houdt de invordering aan als een verzoekschrift is ingediend bij de raad, het college of de gemeentelijke ombudsman.” vervangen door: De ontvanger houdt de invordering aan als een verzoekschrift is ingediend bij de raad, het college of de (gemeentelijke) ombudsman tot op dat verzoekschrift is beslist.

  • N

    In de aanhef van artikel 25.5.3 wordt “zes maanden” vervangen door: twaalf maanden.

  • O

    In artikel 25.5.4. wordt in de tweede alinea ‘’25.5.6 tot en met 25.5.9’’ vervangen door: 25.5.6 tot en met 25.5.8.

  • P

    Artikel 25.5.7 vervalt onder vernummering van 25.5.8 tot en met 25.5.11 tot 25.5.7 tot en met 25.5.10.

  • Q

    Artikel 25.6.2. wordt gewijzigd als volgt:

    25.6.2 Voorwaarden betalingsregeling ondernemers

    Aan het verlenen van een betalingsregeling stelt de ontvanger de voorwaarde dat de belastingschuldige nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen - waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen - bijhoudt. De ontvanger kan bij het verlenen van een betalingsregeling zekerheid eisen (zie artikel 25.1.13). Dit zal hij in ieder geval doen als het aangifte- en betalingsgedrag van de belastingschuldige in het verleden, of de aard of de omvang van de belastingschuld waarvoor om uitstel wordt verzocht, daartoe aanleiding geeft. Uitgangspunt voor de hoogte van de zekerheid is de hoogte van de schuld waarvoor uitstel is verzocht.

  • R

    Artikel 25.6.2C vervalt.

  • S

    Artikel 26.1.11 komt te luiden:

    26.1.11. Verzoekschriften aan andere instellingen

    De ontvanger houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is ingediend bij het college, de raad of de (gemeentelijke) ombudsman tot op dat verzoekschrift is beslist. Als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente worden geschaad, kan de ontvanger toch invorderingsmaatregelen treffen.

  • T

    Artikel 26.2.2 komt te luiden:

    26.2.2. De inboedel en kwijtschelding particulieren

    Een inboedel telt alleen mee als een bezitting wanneer deze bovenmatig is. Dit is in overeenstemming met het beslagverbod op roerende zaken uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het gaat dan om zaken die niet nodig zijn voor het voeren van een gewone, eenvoudige huishouding. Hieronder vallen in ieder geval meubilering en inventaris zoals bedden en beddengoed, tafel, stoelen, gordijnen, bestek, servies en ander keukengerei, kasten, koelkast en wasmachine.

    Bij de beoordeling wordt gekeken naar de omstandigheden van het specifieke geval. Een bovenmatige inboedel wordt dus wel beschouwd als een bezitting.

  • U

    In artikel 26.2.3 wordt “2.269,00” vervangen door: € 3.350,00.

  • V

    In artikel 26.2.4 wordt “bank- of girorekening” vervangen door: bankrekening.

  • W

    In artikel 26.2.6 wordt “fiscaal” vervangen door: financieel en/of fiscaal.

  • X

    Artikel 26.2.12 wijzigt als volgt:

    In de derde alinea wordt in onderdeel A.“€ 65” vervangen door: € 77

    In de derde alinea wordt in onderdeel B. “€ 58” vervangen door: € 68.

    Aan onderdeel B wordt een zin toegevoegd, luidende: Het bedrag aan onderwijsretributie bedraagt € 118,25

  • Y

    Artikel 26.2.19 wordt gewijzigd als volgt:

    1 In de titel wordt “ziektekostenverzekering” vervangen door: zorgverzekering.

    2 “€ 34,00” wordt vervangen door: € 45 en “€ 76,00” wordt vervangen door: € 101.

  • Z

    Artikel 26.4.2 komt te luiden:

    26.4.2 Administratief beroep of nieuw verzoek om kwijtschelding bij de ontvanger

    De ontvanger merkt een door de belastingschuldige gemaakt bezwaar tegen de beslissing op het verzoek om kwijtschelding aan als een administratief beroep dat is gericht aan het college. Dit geldt ook als de belastingschuldige een nieuw verzoek om kwijtschelding indient voor dezelfde belastingschuld waarvoor de ontvanger eerder een verzoek om kwijtschelding geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen en daarbij geen andere feiten of veranderde omstandigheden vermeldt.

    In de hiervoor genoemde situaties geeft de ontvanger een nieuwe voor administratief beroep vatbare beschikking af als hij aanleiding ziet om een voor de belastingschuldige gunstigere beslissing te nemen.

    Als de belastingschuldige een nieuw verzoek om kwijtschelding doet voor dezelfde belastingschuld en hij vermeldt hierin andere feiten of veranderde omstandigheden, dan beslist de ontvanger op dat verzoek bij voor administratief beroep vatbare beschikking. Bij deze beslissing houdt hij rekening met deze andere feiten of veranderde omstandigheden. Dit geldt ook als het een belastingschuld betreft waarvoor het college al op een administratief beroep afwijzend heeft beslist.

    Als de belastingschuldige opnieuw verzoekt om kwijtschelding ter zake van een belastingschuld waarvoor het college al op een administratief beroep afwijzend heeft beslist zonder daarbij andere feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, wijst de ontvanger dit verzoek af onder verwijzing naar de uitspraak van het college bij voor administratief beroep vatbare beschikking.

  • AA

    Artikel 28 komt te luiden als volgt:

    Artikel 28 Invorderingsrente

    Artikel 28 van de wet regelt het in rekening brengen en vergoeden van invorderingsrente. In aansluiting op artikel 28 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

    - correctie berekende invorderingsrente;

    - vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente;

    - kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk;

    - drempelbedrag.

  • BB

    Artikel 30 komt te luiden:

    Artikel 30. Beschikking invorderingsrente

    In aansluiting op artikel 30 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

    – verzoek tot vermindering rente is bezwaar;

    – invorderingsrente: (hoger) beroep en cassatie.

  • CC

    Artikel 30.1 vervalt onder vernummering van 30.2 en 30.3 tot 30.1 en 30.2.

  • DD

    Artikel 30.2 (nieuw) komt te luiden:

    30.2. Invorderingsrente - (hoger) beroep en cassatie

    Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.

  • EE

    De artikelen 30.4 en 30.5 vervallen.

  • FF

    Artikel 32.2 vervalt.

  • GG

    Artikel 58.2 vervalt onder vernummering van 58.3 tot 58.2.

  • HH

    De titel van artikel 63b.3 komt te luiden:

    63b.3. Verzuimboete bij niet nakomen verplichting artikel 60, tweede lid van de wet

  • II

    De derde alinea van artikel 73.2.2 komt te luiden:

    Belastingteruggaven met een dagtekening gelegen na de datum waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling is geëindigd met een schone lei, die materieel betrekking hebben op een periode vóór de uitspraak van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, zal de ontvanger in beginsel niet verrekenen met de vorderingen die tot een natuurlijke verbintenis zijn getransformeerd. De ontvanger verrekent deze belastingteruggaven alleen als het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als hij de belastingteruggave niet kan verrekenen. Daarvan is in ieder geval sprake als de vordering van de ontvanger, en de belastingteruggaaf zien op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak.

  • JJ

    Na artikel 73.2.4 wordt een nieuw artikel ingevoegd, dat komt te luiden:

    73.2.5 Gevolgen homologatie WHOA-akkoord bij instemming

    Als de ontvanger instemt met een akkoord als bedoeld in artikel 370, eerste lid, FW, verleent hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald blijft, nadat het akkoord tot stand is gekomen dan wel is gehomologeerd en hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord toekomt, heeft ontvangen.

    De ontvanger kan voor belastingaanslagen waarvoor derden in redelijkheid aansprakelijk kunnen worden gesteld, toezeggen dat daarvoor ten aanzien van de belastingschuldige geen verdere invorderingsmaatregelen worden genomen in plaats van kwijtschelding te verlenen. De ontvanger vermeldt in dat geval in de beschikking dat hij zich het recht voorbehoudt om derden aansprakelijk te stellen voor de betreffende belastingaanslagen.

  • KK

    Na artikel 73.2.5 wordt een nieuw artikel ingevoegd, dat komt te luiden:

    73.2. 6 Gevolgen homologatie WHOA-akkoord zonder instemming

    Als een akkoord als bedoeld in artikel 370, eerste lid, FW, waarmee de ontvanger niet heeft ingestemd, door de rechtbank wordt gehomologeerd, verleent de ontvanger voor het resterende deel van de belastingaanslagen geen kwijtschelding maar neemt hij geen verdere invorderingsmaatregelen. De belastingvorderingen die resteren na homologatie van een akkoord zijn aan te merken als natuurlijke verbintenissen.

    Belastingteruggaven met een dagtekening gelegen na de datum van homologatie van een akkoord die materieel betrekking hebben op een periode waarop het akkoord betrekking heeft, zal de ontvanger in beginsel niet verrekenen met de vorderingen die tot een natuurlijke verbintenis zijn getransformeerd. De ontvanger verrekent deze belastingteruggaven alleen als het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als hij de belastingteruggaaf niet kan verrekenen. Daarvan is in ieder geval sprake als de vordering van de ontvanger en de belastingteruggaaf zien op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak.

  • LL

    In artikel 73.4.15 wordt “EG-insolventieverordening” vervangen door: EU-insolventieverordening.

  • MM

    Artikel 73.5.1. wijzigt als volgt:

    1 In de vierde alinea wordt “36 maanden” vervangen door: 18 maanden.

    2 In de eerste zin van de laatste alinea vervalt de zinsnede “(zoals belastingaanslagen motorrijtuigenbelasting)”.

  • NN

    In de eerste zin van artikel 73.5.6 wordt achter ‘artikel 19a van de regeling’, ‘of artikel 22a van de regeling’ toegevoegd.

  • OO

    In de laatste zin van artikel 73.5A.1.wordt “36 maanden” vervangen door: 18 maanden.

  • PP

    Na de laatste zin van artikel 73.6.8 wordt het volgende onderdeel ingevoegd:

    Belastingteruggaven met een dagtekening gelegen na de datum van het akkoord die betrekking hebben op een periode vóór de uitspraak van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, zal de ontvanger in beginsel niet verrekenen met de vorderingen die tot een natuurlijke verbintenis zijn getransformeerd. De ontvanger verrekent deze belastingteruggaven alleen als het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als hij de belastingteruggaaf niet kan verrekenen. Daarvan is in ieder geval sprake als de vordering van de ontvanger en de belastingteruggaaf zien op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak.

  • QQ

    Artikel 75.11 komt te luiden:

    75.11. Limitering betekeningskosten dwangbevel

    Als door de ontvanger of de belastingdeurwaarder op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere dwangbevelen worden betekend, is de belastingschuldige niet meer betekeningskosten verschuldigd dan het, op grond van artikel 3, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen, maximaal in rekening te brengen bedrag voor het betekenen van een dwangbevel.

 

Artikel II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2025.

 

Den Haag, 1 juli 2025

Het college van burgemeester en wethouders,

 

de secretaris,

Ilma Merx

 

de burgemeester,

Jan van Zanen

 

Naar boven