Gemeenteblad van Leusden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Leusden | Gemeenteblad 2025, 285548 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Leusden | Gemeenteblad 2025, 285548 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Huisvestingsverordening Leusden 2025
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1.1. Begripsbepalingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
twee of meer personen met of zonder kinderen, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren waarbij er sprake is van bewuste wederzijdse zorg en taakverdeling die het enkel gezamenlijk bewonen van een bepaalde woonruimte te boven gaat en waarbij de intentie bestaat om voor onbepaalde periode samen te wonen;
mate van toegankelijkheid: de mate waarin woonruimte toegankelijk is voor mensen met een zorgvraag, waaronder in ieder geval wordt verstaan a) in hoeverre de woonruimte toegankelijk is voor gebruikers van een rolstoel, rollator of ander loophulpmiddel, b) op welke verdieping de woonruimte gelegen is, c) indien de woonruimte niet op de begane grond gelegen is of niet vanaf aansluitende maaiveld te betreden is, of de woonruimte bereikbaar is met een lift;
Hoofdstuk 2. Huisvestingsvergunning voor woonruimte
Paragraaf 2.1. Vergunningplicht
Artikel 2.1.1. Aanwijzing vergunningplichtige woonruimte
Indien de wettelijke koopprijsgrens overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de wet bij ministeriele regeling met ingang van een kalenderjaar is aangepast, geldt met ingang van dat kalenderjaar in plaats van het in het eerste lid, onder d, genoemde bedrag, de voor dat kalenderjaar geldende wettelijke koopprijsgrens.
Paragraaf 2.2. Aanvragen, verlenen en weigeren van de huisvestingsvergunning
Artikel 2.2.4. Inhoud van de huisvestingsvergunning
Burgemeester en wethouders kunnen aan een binnen hun gemeente werkzame woningcorporatie het mandaat verlenen om namens hen te beslissen op aanvragen om een huisvestingsvergunning. Het mandaat beperkt zich tot aanvragen die betrekking hebben op woonruimte die verhuurd wordt door de gemandateerde woningcorporatie.
Paragraaf 2.3. Woonruimte van woningcorporaties
Artikel 2.3.1. Reikwijdte van deze paragraaf
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op woonruimte van woningcorporaties zoals bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a.
Artikel 2.3.2. Aanvullende begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
aanbodmodel: methode voor de verdeling van woonruimte waarbij beschikbare woonruimte overeenkomstig de artikelen 2.3.3 en 2.3.4 te huur wordt aangeboden en de volgorde waarin woningzoekenden voor de aangeboden woonruimte in aanmerking komen, wordt bepaald overeenkomstig het artikel 2,3.9, eerste lid, en voor zover van toepassing de artikelen 2.3.10 tot en met 2.3.12;
Artikel 2.3.5. Digitaal platform voor woningzoekenden
Artikel 2.3.6. Aanvullende bepalingen over de huisvestingsvergunning
Artikel 2.3.7. Voorrang op basis van woningtypen
Als een woonruimte behoort tot een in de onderstaande tabel behorend woningtype, kan bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voorrang worden gegeven aan woningzoekenden die behoren tot in de tabel achter dat woningtype genoemde voorrangsgroep.
Artikel 2.3.8. Voorrang vanwege economische en maatschappelijke gebondenheid
Toepassing van de in het vorige lid bedoelde voorrang blijft achterwege indien verlening van een huisvestingsvergunning tot gevolg zou hebben dat meer dan 50 % van de huisvestingsvergunningen met voorrang zouden worden verleend aan woningzoekenden die economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn.
Artikel 2.3.10. Volgordebepaling bij seniorenwoning
Van de woningzoekenden die behoren tot de voorrangsgroep die gelet op de tabel van artikel 2.3.7 behoren bij het woningtype ‘seniorenwoning’, komen achtereenvolgens voor de huisvestingsvergunning in aanmerking:
Artikel 2.3.11. Volgordebepaling op basis van urgentieduur en inschrijfduur
De volgorde waarin woningzoekenden als bedoeld in artikel 2.3.9, eerste lid, onder a, achtereenvolgens in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning, wordt bepaald op basis van de ingangsdatum van hun urgentieverklaringen en, voor zover dat geen uitsluitsel geeft, op basis van hun inschrijfduur.
Artikel 2.3.12. Volgordebepaling bij woonduur
Bij urgent woningzoekenden die zijn ingedeeld in de urgentiecategorieën ‘stadsvernieuwing’ wordt voor de toepassing van artikel 2.3.11 hun woonduur gelijkgesteld met inschrijfduur.
Artikel 2.3.14. Hardheidsclausule
Burgemeester en wethouders kunnen bij een beslissing op een aanvraag om een huisvestingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 2.2.3, tweede lid, of artikel 2.3.6, tweede lid, voor zover toepassing van die bepalingen gelet op de in artikel 2 van de wet genoemde belangen naar hun oordeel leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Paragraaf 2.4. Nieuw te bouwen particuliere sociale huurwoonruimte
Artikel 2.4.1. Reikwijdte van deze paragraaf
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op woonruimte zoals bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onder b.
Artikel 2.4.2. Aanvullende begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘verhuurder’: verhuurder en, indien van toepassing, de kennelijk in zijn opdracht handelende persoon of dienstverlener zoals een verhuurbemiddelaar of makelaar.
Artikel 2.4.3. Te huur aanbieden van woonruimte
In afwijking van het eerste lid en het tweede lid, onder a, kan het aanbod op een ander dan het in die bepalingen bedoelde digitale platform worden gedaan, indien dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor wat betreft de toegankelijk, vindbaarheid en gebruiksvriendelijkheid voor en bekendheid bij woningzoekenden tenminste gelijkwaardig is.
Artikel 2.4.5. Volgordebepaling
Toepassing van de in het eerste lid, onder a en onder c, bedoelde voorrang blijft achterwege indien verlening van een huisvestingsvergunning tot gevolg zou hebben dat meer dan 50 % van de huisvestingsvergunningen met voorrang zouden worden verleend aan woningzoekenden die economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn.
Artikel 2.4.7. Hardheidsclausule
Burgemeester en wethouders kunnen bij een beslissing op een aanvraag om een huisvestingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 2.2.3, tweede lid, of artikel 2.4.4, tweede lid, voor zover toepassing van die bepalingen gelet op de in artikel 2 van de wet genoemde belangen naar hun oordeel leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Paragraaf 2.5. Nieuw te bouwen voor verkoop bestemde woonruimte
Artikel 2.5.1. Reikwijdte van deze paragraaf
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op woonruimte zoals bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onder d, en derde lid.
Artikel 2.5.5. Aanvullende bepalingen over de huisvestingsvergunning
Artikel 2.5.7. Algemene volgordebepaling
Toepassing van de in het vorige lid, onder a, bedoelde voorrang blijft achterwege indien verlening van een huisvestingsvergunning tot gevolg zou hebben dat meer dan 50 % van de huisvestingsvergunningen met voorrang zouden worden verleend aan woningzoekenden die economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn.
Artikel 2.5.8. Volgordebepaling bij seniorenwoning
Van de woningzoekenden die behoren tot de voorrangsgroep die gelet op de tabel van artikel 2.3.7 behoren bij het woningtype ‘seniorenwoning’, komen achtereenvolgens voor de huisvestingsvergunning in aanmerking:
Artikel 2.5.10. Hardheidsclausule
Burgemeester en wethouders kunnen bij een beslissing op een aanvraag om een huisvestingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 2.2.3, tweede lid, of artikel 2.5.5, tweede lid, voor zover toepassing van die bepalingen gelet op de in artikel 2 van de wet genoemde belangen naar hun oordeel leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Paragraaf 2.6. Nieuw te bouwen middeldure huurwoonruimte
Artikel 2.6.1. Reikwijdte van deze paragraaf
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op nieuw te bouwen middeldure huurwoonruimte zoals bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onder c.
Artikel 2.6.3. Te huur aanbieden van woonruimte
In afwijking van het eerste lid en het tweede lid, onder a, kan het aanbod op een ander dan het in die bepalingen bedoelde digitale platform worden gedaan, indien dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor wat betreft de toegankelijk, vindbaarheid en gebruiksvriendelijkheid voor en bekendheid bij woningzoekenden tenminste gelijkwaardig is.
Artikel 2.6.5. Volgordebepaling
Toepassing van de in het eerste lid, onder a en onder b, bedoelde voorrang blijft achterwege indien verlening van een huisvestingsvergunning tot gevolg zou hebben dat meer dan 50 % van de huisvestingsvergunningen met voorrang zouden worden verleend aan woningzoekenden die economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn.
Artikel 2.6.7. Hardheidsclausule
Burgemeester en wethouders kunnen bij een beslissing op een aanvraag om een huisvestingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 2.2.3, tweede lid, of artikel 2.6.4, tweede lid, voor zover toepassing van die bepalingen gelet op de in artikel 2 van de wet genoemde belangen naar hun oordeel leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Hoofdstuk 3. De urgentieverklaring voor woonruimte van corporaties
Paragraaf 3.1. Aanvraag, verlening en weigering van de urgentieverklaring
Artikel 3.1.2. Algemene weigeringsgronden
Artikel 3.1.3. Specifieke weigeringsgronden
Artikel 3.1.4. Inhoud van de urgentieverklaring
Artikel 3.1.6. Intrekken en wijzigen van een urgentieverklaring
Burgemeester en wethouders kunnen een woningzoekende, al dan niet op zijn of haar verzoek, in een andere urgentiecategorie indelen als gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven. Indien zij daartoe overgaan, verstrekken burgemeester en wethouders de woningzoekende dan een nieuwe urgentieverklaring.
Artikel 3.1.7. Specifieke gronden voor intrekking en wijziging van een urgentieverklaring
Burgemeester en wethouders kunnen een urgentieverklaring waarmee een woningzoekende is ingedeeld in één van de in de artikelen 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3 of 3.2.4 bedoelde urgentiecategorieën uitsluitend intrekken als:
Paragraaf 3.2. Urgentiecategorieën
Artikel 3.2.1. Uitstroom naar zelfstandig wonen
Tot de in het vorige lid bedoelde categorieën behoren woningzoekenden:
die een verblijf in een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg verlaten waar zij geneeskundige geestelijke zorg ontvingen of woningzoekenden die in verband met geneeskundige zorg als bedoeld in artikel 10, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet in een instelling verbleven in verband met zorg zoals psychiaters en klinisch-psychologen plegen te bieden en deze verlaten;
die na een verblijf van tenminste drie aaneengesloten maanden een inrichting of voorziening als bedoeld in artikel 3a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, een penitentiaire inrichting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet of een instelling voor forensische zorg als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet forensische zorg verlaten.
Een woningzoekende die mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verleent of ontvangt komt in aanmerking voor indeling in de urgentiecategorie ‘mantelzorg’ indien:
de in onderdeel b bedoelde acht uur mantelzorg per week is verleend gedurende ten minste vier dagen per week, tenzij de medische problematiek zoals Alzheimer, schizofrenie of andere chronische psychische aandoeningen 24 uur per dag nabijheid vereisen en de hulp op onverwachte momenten wordt geboden;
Artikel 3.2.3. Ernstige chronische medische problematiek
Een woningzoekende komt in aanmerking voor indeling in de urgentiecategorie ‘ernstige en chronische medische problematiek’ indien:
de woningzoekende kampt met ernstige en chronische medische problematiek, waarbij de huidige woonsituatie levensontwrichtend is omdat de woningzoekende niet meer in staat is zelfstandig te functioneren in de huidige woonruimte, dan wel de behandeling van het probleem aantoonbaar in hoge mate ongunstig door de woonsituatie wordt beïnvloed;
de woningzoekende met ernstige en chronische problematiek van psychische aard op het moment van aanvraag ten minste twaalf maanden onder behandeling is of is geweest voor het betreffende medische probleem bij een specialistische, tweedelijns instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg voor geneeskundige geestelijke zorg of instelling voor geneeskundige zorg als bedoeld in artikel 10, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet in verband met zorg zoals psychiaters en klinisch-psychologen plegen te bieden, of vrijgevestigd psychiater in Nederland.
Burgemeester en wethouders kunnen zich bij de beoordeling of de in het vorige lid, onder b tot en met e genoemde, omstandigheden zich voordoen, laten adviseren door een ter zake deskundige medische of sociaal-medische adviseur die geen behandelrelatie heeft met de in het eerste lid bedoelde woningzoekende.
Bij indeling in de in het eerste lid bedoelde urgentiecategorie van een woningzoekende op grond van ernstige en chronische problematiek van psychische aard kunnen burgemeester en wethouders de voorwaarde opleggen dat de woningzoekende of een lid van diens huishouden psychiatrische zorg of begeleiding aanvaardt. De voorwaarde wordt dan in de urgentieverklaring vermeld.
Artikel 3.2.4. Deelname aan overheidsprogramma
Indien dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders nodig is voor het zelfstandig wonen van de woningzoekende, kan bij de indeling in de in het eerste lid bedoelde urgentiecategorie de voorwaarde opgelegd worden dat de woningzoekende voor een door burgemeester en wethouders te bepalen duur begeleiding ontvangt van een instelling in de regio indien dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders nodig is voor het zelfstandig wonen van de woningzoekende.
Artikel 3.2.6. Sociale problematiek
Een woningzoekende kan door verlening van een urgentieverklaring ingedeeld worden in de urgentiecategorie ‘sociaal’ indien:
aanvrager als gevolg van de onder b. bedoelde omstandigheden naar het oordeel van burgemeester en wethouders redelijkerwijs niet anders kan, dan de huidige woonruimte binnen drie maanden te verlaten en verhuizing naar een nieuwe woonruimte in substantiële mate blijvend bijdraagt aan het wegnemen van deze problemen; en,
Artikel 3.2.7. Relatiebeëindiging
Indien beide voormalige partners een in dit artikel bedoelde urgentieverklaring aanvragen, wordt slechts aan één van de aangevraagde urgentieverklaringen verleend:
de urgentieverklaring wordt verleend aan de voormalige partner waarbij het minderjarige kind/de minderjarige kinderen hoofdverblijf heeft/hebben. Dit kan bij afwezigheid van een ouderschapsplan worden aangetoond met een notariële akte of een ander door een onafhankelijke partij opgesteld en door beide partijen ondertekend document;
Artikel 3.2.8. Stadsvernieuwing
Een woningzoekende kan door verlening van een urgentieverklaring ingedeeld worden in de urgentiecategorie ‘stadsvernieuwing’ indien:
de woningcorporatie met de huurder overeenstemming heeft bereikt over een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten die tenminste gelijkwaardig is aan de tegemoetkoming op grond van het Sociaal Plan dat ten behoeve van de wijkontwikkelingsplannen door woningcorporaties, huurdersorganisaties en burgemeester en wethouders is overeengekomen.
Artikel 3.2.9. Multiproblematiek
Een woningzoekende kan door verlening van een urgentieverklaring ingedeeld worden in de urgentiecategorie ‘multiproblematiek’ indien op basis van onderzoek door het Multidisciplinair Overleg Wonen geconcludeerd wordt dat:
Artikel 3.2.10. Hardheidsclausule
Burgemeester en wethouders kunnen bij een beslissing op een aanvraag om een urgentieverklaring afwijken van het bepaalde in artikel 3.1.2, eerste lid, of artikel 3.1.3, eerste lid, voor zover toepassing van die bepalingen gelet op de in artikel 2 van de wet genoemde belangen of gelet op het belang om dringend te voorzien in de behoefte aan woonruimte van woningzoekenden met een huisvestingsprobleem naar hun oordeel leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Hoofdstuk 4. Standplaatsen voor woonwagens
Paragraaf 4.2. Aanvragen, verlenen en weigeren van de huisvestingsvergunning voor standplaatsen
Artikel 4.2.2. Woningzoekenden die in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning
Om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning voldoet een woningzoekende aan de volgende voorwaarden:
Artikel 4.2.4. Inhoud van de huisvestingsvergunning
Burgemeester en wethouders kunnen aan een binnen hun gemeente werkzame woningcorporatie het mandaat verlenen om namens hen te beslissen op aanvragen om een huisvestingsvergunning. Het mandaat beperkt zich tot aanvragen die betrekking hebben op standplaatsen die verhuurd wordt door de gemandateerde woningcorporatie.
Paragraaf 4.3. Inschrijving van woningzoekenden en bekendmaken van het aanbod
Artikel 4.3.1. Inschrijving van woningzoekenden
Burgemeester en wethouders stellen nadere regels over:
dat een woningzoekende die zich binnen 12 maanden nadat aan hem of haar een huisvestingsvergunning is verleend, weer in het in dit artikel bedoelde digitale platform inschrijft als woningzoekende, 75 % van zijn of haar direct voorafgaand aan verlening van de huisvestingsvergunning opgebouwde inschrijfduur behoudt.
Paragraaf 4.4. Volgorde waarin woningzoekenden voor een standplaats in aanmerking komen
Artikel 4.4.1. Voorrang vanwege economische en maatschappelijke gebondenheid
Toepassing van de in het vorige lid bedoelde voorrang blijft achterwege indien verlening van een huisvestingsvergunning tot gevolg zou hebben dat meer dan 50 % van de huisvestingsvergunningen met voorrang zouden worden verleend aan woningzoekenden die economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn.
Artikel 4.4.2. Algemene volgordebepaling
Artikel 4.4.3. Specifieke volgordebepaling
Indien gelet op artikel 4.4.2 meerdere woningzoekenden in gelijke mate in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning, wordt de volgorde waarin zij voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komen, bepaald op basis van hun inschrijfduur. Daarbij komt de woningzoekende met de langste inschrijfduur als eerste in aanmerking en de woningzoekende met de kortste inschrijfduur als laatste.
Hoofstuk 5. Overige bepalingen
Paragraaf 5.1. Bestuurlijke boete
Artikel 5.1.1. Bestuurlijke boete
In afwijking van het vorige lid, onder b, bedraagt de bestuurlijke boete voor een overtreding van het verbod bedoeld in artikel 8, tweede lid, €103.000 indien binnen een tijdvak van vier jaar voorafgaand aan een constatering door een toezichthouder van die overtreding een bestuurlijke boete is opgelegd voor overtreding van hetzelfde verbod.
Artikel 5.2.1. Overgangsrecht huisvestingsvergunning en urgentieverklaring
Indien op het moment waarop deze verordening in werking treedt:
nog niet besloten is op een bezwaar dat voorafgaand aan dat moment is ingesteld tegen een besluit op een aanvraag om een huisvestingsvergunning of een aanvraag om urgentieverklaring, wordt op dat bezwaar beslist met toepassing van het recht zoals dat gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening;
Woningen die buiten de reikwijdte van de huisvestingsverordening vallen zijn opgenomen in onderstaande tabel. Dit zijn woningen waarbij toewijzing buiten de regels van de verordening om wenselijk is.
Toelichting Huisvestingsverordening Leusden 2025
1.1. Regionaal afgestemde regels over woonruimteverdeling
Gemeenteraden kunnen op grond van de Huisvestingswet 2014 in een huisvestingsverordening regels instellen over woonruimteverdeling inclusief urgentie (hoofdstuk 2 en 3 van de Huisvestingswet 2014) en wijzigingen in de woonruimtevoorraad (hoofdstuk 4 van de Huisvestingswet 2014). Binnen de regio Amersfoort is in 2024 een regionaal model opgesteld voor de huisvestingsverordening waarin de regels over woonruimteverdeling opgenomen zijn: de model huisvestingsverordening regio Amersfoort. Dit is de basis voor deze huisvestingsverordening.
De huisvestingsverordening Leusden 2025 bestaat uit hoofdstukken die op hun beurt zijn onderverdeeld in paragrafen. Deze gelaagdheid is terug te zien in de nummering van de afzonderlijke artikelen: artikel 1.1.1 is het eerste artikel van paragraaf 1 van hoofdstuk 1.
Bij de verdeling van onderwerpen over hoofdstukken en paragrafen is zoveel als mogelijk de homogeniteitsregel gehanteerd. De opbouw is ‘van algemeen naar specifiek’. Daarmee wordt bedoeld, dat zoveel als mogelijk algemene onderwerpen – zoals aanvraag, inhoud van beschikkingen, verlening, weigering, intrekken en wijzigen van beschikkingen – eerder in een hoofdstuk aanbod komen dan meer bijzondere onderwerpen (zoals: de specifieke regels over de afzonderlijke categorieën aangewezen woonruimte of de urgentiegronden).
Centraal in de huisvestingsverordening staan de hoofdstukken 2 (de huisvestingsvergunning) en 3 (de urgentieverklaring). In de eerste paragraaf van hoofdstuk 2, paragraaf 2.1, worden de delen van de woonruimtevoorraad aangewezen, waarop de huisvestingsvergunningplicht van toepassing is. Verder bevat paragraaf 2.2 algemene regels over het aanvragen van een huisvestingsvergunning en het beslissen op zulke aanvragen.
De daaropvolgende paragrafen bevatten specifieke regels voor de afzonderlijke delen van de woonruimtevoorraad:
Paragraaf 2.6 bevat de regels voor nieuw te bouwen middenhuurwoningen, zowel in het bezit van de woningcorporatie als in het bezit van particulieren. Deze paragraaf is enkel van toepassing op de eerste verhuur bij nieuwbouwprojecten die groter zijn dan 3 woningen. Deze paragraaf is toegevoegd aan de regionale model-tekst.
Hoofdstuk 3 bevat de regionaal afgestemde regels over urgentieverklaringen. De opbouw van het hoofdstuk is, net als bij de andere delen van het regionale model, zoveel conform het uitgangspunt ‘van algemeen naar specifiek’. De eerste paragraaf bevat de meer algemene, voor elke urgentieverklaring relevante, bepalingen. Het hoofdstuk sluit af met de specifieke urgentiecategorieën (ook wel: urgentiegronden) in paragraaf 3.2.
Hoofdstuk 4 is vervolgens een hoofdstuk met regels voor de verdeling van standplaatsen. De gemeente Leusden heeft eerder beleid voor standplaatsen opgesteld, dat is de basis geweest voor dit hoofdstuk. Het afstammingsprincipe speelt hier een centrale rol (zie toelichting hoofdstuk 4).
Tot slot bevat hoofdstuk 5 overige bepalingen, zoal de bestuurlijke boete, overgangsbepalingen en de inwerkingstreding.
1.3. De noodzaak voor en werking van de woonruimteverdeling
Ook zonder een huisvestingsverordening wordt er gestuurd op de woonruimteverdeling. Dit gebeurt dan door bewuste of onbewuste keuzes van de verhuurder of verkoper. Middels deze huisvestingsverordening grijpt de gemeente in op het toewijzingsbeleid. Dat mag volgens de Huisvestingswet enkel in het geval van schaarste en daaruit volgende verdringing van groepen. De onderbouwing van deze schaarste is op gemeenteniveau onderbouwd en als bijlage bij deze de huisvestingsverordening te vinden. Hieruit blijkt dat alle gereguleerde segmenten last hebben van schaarste met effecten voor specifieke doelgroepen. Dit maakt dat woningzoekenden die weinig kans maken in de sociale huursector in het bezit van corporaties, weinig alternatieven vinden in de betaalbare koop en particuliere huur. Ingrijpen op de woningtoewijzing is met deze onderbouwing gerechtvaardigd.
De regionaal afgestemde model-huisvestingsverordening maakt dat de regels die in de regio gelden op het gebied van woonruimteverdeling (grotendeels) gelijk zijn. Een woningmarkt heeft een regionale dynamiek en veel woningzoekenden zoeken niet enkel in één gemeente maar in de gehele regio. Daarnaast beslaat het werkgebied van meerdere woningcorporaties die actief zijn in de regio, meerdere gemeenten. Afgestemde regels in de woonruimteverdeling zorgen voor meer eenduidigheid en transparantie voor woningzoekenden en een eenvoudigere uitvoering door verhuurders en verkopers.
1.4. Het regionale urgentiestelsel
Door de urgentie categorieën regionaal gelijk te trekken in een model-tekst wordt voorgesorteerd op de aanstaande Wet versterking regie op de volkshuisvesting. Ook is er een harmonisatieslag gemaakt bij de overige urgentiecategorieën. Er wordt in de verordening een basis gelegd voor een deels regionaal ingestoken urgentieverlening voor bepaalde aandachtsgroepen. Dit maakt het evenwichtig verdelen, zoals opgenomen in de aanstaande wetgeving, mogelijk. Daarnaast bestaan er nog verschillende urgentie categorieën met een lokale bindingseis. Hierbij is geen sprake van een regionale verdeling.
Er zijn diverse optionele paragrafen vanuit de model huisvestingsverordening overgenomen in de huisvestingsverordening van Leusden, bijvoorbeeld voor het opleggen van regels voor de particuliere huur en de nieuwbouw betaalbare koop. De gemeente Leusden heeft lokaal afgewogen of het wenselijk en nuttig is om deze paragrafen te ‘activeren’ en in hun gemeente onderdeel te maken van de eigen huisvestingsverordening. Zijn de regels opgenomen over deze segmenten, dan is de model-tekst als basis genomen.
Het opnemen van deze paragrafen vergt wel een schaarste onderbouwing van dat segment in de gemeente en de onderbouwing dat de regels nuttig, noodzakelijk en proportioneel zijn. De segmenten waarop gestuurd is zijn onderbouwd op basis van schaarste in de hier bovengenoemde schaarste onderbouwing.
2. Artikelsgewijze toelichting
Dit artikel bevat de voor de hele verordening toepasselijke begripsomschrijvingen. Begrippen waarvan de betekenis in andere wetten – zoals: de Huisvestingswet 2014 of de Algemene wet bestuursrecht – bepaald is, worden hier niet nogmaals omschreven. Dit geldt bijvoorbeeld voor het begrip standplaats, middenhuur en huishoudinkomen. Deze worden in de Huisvestingswet gedefinieerd en dat wordt in de huisvestingsverordening niet nogmaals herhaald.
Een aantal begrippen komen enkel aan bod bij een bepaald onderdeel van de huisvestingsverordening. Daar zullen die dan worden benoemd in een aanvullende begripsbepaling (artikel 2.3.2, 2.4.2 en 2.5.2). De begripsbepalingen die hier worden genoemd zijn van toepassing op de gehele verordening.
Een aantal van de opgenomen begripsomschrijvingen hebben ook tot doel, om andere artikelen van de verordening leesbaar te houden. Een voorbeeld hiervan is het begrip ‘passende woning’: het in artikel 1.1.1 omschrijven van dit begrip voorkomt, dat in andere artikelen steeds de zinsnede ‘woonruimte die voldoet aan het in een urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel’ gebruikt moet worden.
In het begrip maatschappelijke binding is de wettelijke definitie beschreven, waarin staat dat woningzoekenden die de afgelopen 10 jaar ten minste 6 jaar in de gemeente of regio hebben gewoond binding hebben. Deze definitie is aangevuld door woningzoekenden die van de afgelopen 20 jaar ten minste 10 jaar in de gemeente hebben gewoond ook binding te laten hebben. Hierdoor kunnen terugkeerders, zoals studenten, ook in aanmerking komen voor voorrang op basis van binding.
2.2. Hoofdstuk 2 Huisvestingsvergunning voor woonruimte
Paragraaf 2.1. Vergunningplicht
Deze paragraaf bepaalt voor welke woningen een huisvestingsvergunning verplicht is.
In het eerste lid van dit artikel wijst de gemeenteraad aan, voor welke categorieën woonruimte de huisvestingsvergunningplicht geldt. Dit is het geval voor sociale huurwoningen van woningcorporaties, nieuwbouwwoningen binnen het lage gereguleerde segment van particuliere eigenaren, nieuwbouwwoningen tot de middeldure grens en nieuw te bouwen betaalbare koopwoningen. Voor alle categorieën behalve huurwoningen van woningcorporaties vallen enkel woningen die onderdeel zijn van een nieuwbouwproject van ten minste drie woningen onder de vergunningsplicht. Woningen die gebouwd worden en niet onderdeel zijn van een project van meerdere woningen vallen dus niet onder de vergunningsplicht.
In het eerste lid is verder tot uitdrukking gebracht dat het verbod om zonder daartoe strekkende huisvestingsvergunning de hier aangewezen woonruimte in gebruik te geven of te nemen, in artikel 8 van de Huisvestingswet 2014 staat.
In het tweede lid is aangegeven dat voor bepaalde soorten woonruimten de in hoofdstuk 2 opgenomen regels niet gelden. Dit zijn woningen waarbij het gewenst is om af te wijken van de opgenomen regels, door de bijzondere aard van de woning of de doelgroep. In bijlage 1 zijn een aantal woningen aangewezen die buiten de verordening vallen. Hierbij kan gedacht worden aan specifieke complexen waar afwijkende toewijzing wenselijk is, bijvoorbeeld om te sturen op een gewenste mix van vragers en dragers in zorgcomplexen.
Op grond van het derde lid volgt de in het eerste lid opgenomen koopprijsgrens de indexatie van het in artikel 7, vierde lid, van de Huisvestingswet 2014 genoemde bedrag. In 2025 is dit €405.000.
Paragraaf 2.2. Aanvragen, verlenen en weigeren van de huisvestingsvergunning
Deze paragraaf bevat de bepalingen die gelden voor alle op grond van paragraaf 2.1 aan te vragen, te verlenen en te weigeren huisvestingsvergunningen.
Dit artikel regelt enkele formele aspecten van de aanvraag om een huisvestingsvergunning. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 5 van de Huisvestingswet 2014.
In het eerste lid wordt aangegeven waar de huisvestingsvergunning aangevraagd dient te worden en dat burgemeesters en wethouders hiervoor een formulier kunnen vaststellen. In het tweede lid is aangegeven, welke informatie in ieder geval met de aanvraag wordt ingediend.
In dit artikel is de voorwaarde voor woningzoekenden aangewezen die in aanmerking komen voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning. Door de aanwijzing van de categorie woningzoekenden geeft de gemeenteraad uitvoering aan artikel 10, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014.
De hier opgenomen voorwaarde is enkel het hebben van een meerderjarige in het huishouden. Verdere eisen aan het wel of niet krijgen van een huisvestingsvergunning volgen later in de verordening, dit is de basisvoorwaarde.
Als een aanvrager van een huisvestingsvergunning niet behoort tot deze categorie, wordt de huisvestingsvergunning geweigerd. Zie artikel 2.2.3, tweede lid, onder a.
In aanvulling op deze eisen zijn wettelijke vereisten (zoals het hebben van een Nederlandse nationaliteit of verblijfsvergunning) van toepassing. Deze zijn hier niet expliciet genoemd in de verordening maar zijn wel van kracht en komen aan bod in artikel 2.2.3.
In het eerste lid van dit artikel wordt aangegeven, dat burgemeester en wethouders beslissen over het verlenen, weigeren, wijzigen en intrekken van de huisvestingsvergunning. Dit is overeenkomstig de normale, in de Gemeentewet geregelde, verdeling van bevoegdheden over de bestuursorganen van de gemeente.
Het tweede lid geeft aan, in welke gevallen burgemeester en wethouders de huisvestingsvergunning in ieder geval weigeren. Daarmee geeft het tweede lid uitvoering aan artikel 9 van de Huisvestingswet 2014.
Gelet op het tweede lid, onder a, wordt de huisvestingsvergunning geweigerd als:
aanvragers op grond van artikel 10, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 niet voor een huisvestingsvergunning in aanmerking komen. Dit betreft aanvragers die niet de Nederlandse nationaliteit hebben of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander behandeld moeten worden, of geen rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling zijn;
Verder wordt, gelet op het tweede lid, onder b, een huisvestingsvergunning geweigerd als door verlening ervan meer dan 50 % van de huisvestingsvergunningen met voorrang zou worden verleend aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn. Zo wordt voorkomen dat in meer gevallen bindingsvoorrang wordt toegepast dan gelet op artikel 14 van de Huisvestingswet 2014 is toegestaan.
De in het tweede lid opgenomen weigeringsgronden zijn imperatief (dus: “moeten weigeren”), en niet facultatief (dus niet: “kunnen weigeren”). Dit betekent dat wanneer er niet voldaan wordt aan de drie eisen in dit artikel de huisvestingsvergunning altijd geweigerd wordt. Hier kan alleen van worden afgeweken door inzet van het hardheidsartikel (artikel 2.3.14.).
De verordening bevat geen bepalingen over het intrekken van een huisvestingsvergunning: dit is namelijk geregeld in artikel 18 van de Huisvestingswet 2014.
Dit artikel bepaalt wat er tenminste in een huisvestingsvergunning vermeld moet staan. Het tweede lid benoemt de mogelijkheid in artikel 19 van de Huisvestingswet 2014 om een mandaat te geven om huisvestingsvergunningen te verlenen. Dit mandaat kan enkel aan woningwoningcorporaties worden gegeven.
Voor sommige woningcorporaties in de regio staat het ondertekenen van het huurcontract gelijk aan het verlenen van een huisvestingsvergunning. De gegevens in dit artikel komen dus voor in het huurcontract. Waar dit niet het geval is, wordt een apart document aan het huurcontract toegevoegd waar deze gegevens in vermeld staan; dit document fungeert dan als de huisvestingsvergunning.
Paragraaf 2.3 Woonruimte van woningwoningcorporaties
Deze paragraaf bevat de regels die van toepassing zijn op sociale huurwoningen van woningcorporaties.
Dit artikel behoeft geen toelichting.
Dit artikel bevat aanvullende begripsbepalingen die van toepassing zijn op deze paragraaf.
Een woningcorporatie kan een voor verhuur vrijkomende woning op drie wijzen te huur aanbieden:
Zie artikel 2.3.2 voor de begripsbepalingen van deze modellen.
Daarbij geldt, dat aanbieden via het aanbodmodel de hoofdregel is. In het tweede lid zijn daarom maximumpercentages opgenomen voor directe bemiddeling (maximaal 2 % per kalenderjaar) en loting (maximaal 20 % per kalenderjaar). Deze 2% directe bemiddeling (ook wel de vrije beleidsruimte) zet de woningcorporatie alleen in uiterste gevallen in. Directe bemiddeling kan wel (zonder maximum) worden ingezet voor het huisvesten van urgent woningzoekenden.
Het derde lid bevat een regeling voor woningen met woningaanpassingen van €15.000 of meer, aangebracht op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Woningcorporaties melden bij burgemeester en wethouders dat zo’n woning vrijkomt. Burgemeester en wethouders kunnen vervolgens nagaan, of zij gelet op hun taken op grond van de Wmo mensen kunnen voordragen voor de woning. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat de aanpassingen die in een woning zijn gedaan zo efficiënt mogelijk gebruikt en herbruikt kunnen worden. Maken burgemeester en wethouders geen gebruik van deze mogelijkheid, dan geven zij binnen twee maanden aan, geen bezwaar te hebben tegen het te huur aanbieden van woonruimte. Burgemeesters en wethouders maken nadere afspraken met de corporaties voor gevallen waarin de betreffende woningen langer dan één maand leeg staat.
De bevoegdheid ligt bij burgemeester en wethouders maar kan binnen een gemeente gemandateerd worden.
In het vierde lid is bepaald, dat de woningcorporatie een in het derde lid bedoelde woning met instemming van burgemeester en wethouders via directe bemiddeling kan aanbieden. Ook langs die weg kan geborgd worden, dat de woning (weer) bewoond gaat worden door een woningzoekende die gelet op de zijn of haar beperkingen aangewezen is op de al aangebrachte woningaanpassingen.
Dit artikel bevat regels voor het te huur aanbieden van woonruimte via het aanbodmodel en het lotingmodel. Het artikel is dus niet van toepassing op directe bemiddeling.
Als woonruimte te huur wordt aangeboden via het aanbodmodel of het lotingmodel, wordt de woonruimte gedurende minimaal drie werkdagen bekendgemaakt op het digitale platform. In de praktijk zijn dit vaak vijf werkdagen, aangezien de advertentie net na het nachtuur wordt geplaatst op dag 1 en vlak voor middernacht verdwijnt op dag 5. Het gaat dus in de praktijk om 3 volledige dagen en 2 bijna-volledige dagen. De reden dat dit aantal is gekozen is omdat de ervaring leert Het is wenselijk om deze periode lang genoeg te laten zijn om iedereen een kans te geven om te reageren maar verder zo kort mogelijk met het oog op een zo kort mogelijke periode van leegstand tussen huurders. Artikel 2.3.5 bevat regels over dat digitale platform.
In het derde lid van artikel 2.3.4 worden kwalitatieve eisen gesteld aan de wijze waarop daarmee woonruimte te huur wordt aangeboden. Dit zijn feitelijk eisen aan de advertentie van een woonruimte. Deze eisen worden gesteld om ervoor te zorgen dat het voor woningzoekenden voldoende duidelijk is, welke woonruimte wordt aangeboden en wat de voorwaarden zijn om voor die woonruimte in aanmerking te komen. Dergelijke duidelijkheid is een belangrijke waarborg voor een goede werking van de in de verordening opgenomen regels.
Het vierde lid zorgt ervoor dat als de woonruimte minimaal drie dagen bekend is gemaakt op het digitale platform en er zijn geen reacties van woningzoekenden zijn ontvangen die bindingsvoorrang hebben, de huisvestingsvergunning ook aan een andere woningzoekende kan worden verleend. Deze toewijzing telt vervolgens niet mee met de 50% van de toewijzingen die met voorrang aan woningzoekende met binding kunnen worden toegewezen.
Het eerste lid van dit artikel verplicht woningcorporaties tot het gezamenlijk voor de gehele regio instellen en in stand houden van een digitaal platform. Het digitale platform, op moment van vaststelling bekend als DAK Eemvallei, wordt door de woningcorporaties gezamenlijk beheerd. Dit is het digitale platform waarop woningcorporaties woonruimte te huur aanbieden (zie artikel 2.3.4), waarop woningzoekenden vervolgens kunnen reageren. Ook kunnen huishoudens zich op het digitale platform als woningzoekende inschrijven.
Woningcorporaties – of een door hen aan te wijzen organisatie – stellen de gebruiksvoorwaarden van het digitale platform op. Het tweede lid bevat enkele eisen over de inhoud van die voorwaarden. Die eisen gaan over de inschrijving als woningzoekende en de inschrijfduur. Dit, met het oog op de in artikel 2.3.11 opgenomen wijze van volgordebepaling. Naast deze eisen zijn woningcorporaties verantwoordelijk voor eventueel aanvullende regelingen en voorwaarden. Een van de regels (tweede lid onder d) die tenminste geïmplementeerd moet zijn in het digitale platform is dat bij herinschrijving 75% van de opgebouwde inschrijfduur wordt meegegeven.
Het tweede lid, onder e, is gelet op artikel 11a, 11b en 11c van de Huisvestingswet 2014, bepaalt dat in bepaalde gevallen (zoals bij jongerencontracten, tijdelijke contracten en tijdelijke woonruimte) de inschrijving van woningzoekenden in het aanbodinstrument niet vervalt.
In het derde lid is bepaald dat de gebruiksvoorwaarden in overeenstemming met de Huisvestingswet 2014 en de verordening moeten zijn, en dat ze transparant medegedeeld worden aan woningzoekenden.
Dit artikel bevat in aanvulling op paragraaf 2.2 enkele aanvullende regels over de aanvraag en weigering van een huisvestingsvergunning.
Het tweede lid bevat weigeringsgronden waarmee een goede werking van de in deze verordening opgenomen regels wordt gewaarborgd. Het gaat daarbij om de regels over de volgorde waarin woningzoekende voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komen (zie onder a), om regels over het te huur aanbieden en bekendmaken van het aanbod (zie onder b en c) en om de inkomenstoets (zie onder d) en de eis dat de aanvrager van de huisvestingsvergunning ingeschreven is als woningzoekende (zie onder e).
De in het tweede lid opgenomen weigeringsgronden zijn niet imperatief (dus: geen “moeten weigeren”), maar facultatief (dus: “kunnen weigeren”). Dit betekent dat burgemeester en wethouders bij weigering op grond van één van deze gronden, moeten motiveren waarom zij weigeren.
Bij het te huur aanbieden van woonruimte kan een woningcorporatie ‘labels’ toepassen. Die labels zijn opgenomen in de eerste kolom van de tabel in het eerste lid van dit artikel. Dit artikel maakt het opleggen van labels niet verplicht- het is mogelijk om een woning aan te merken met een label maar de voorrangsgroep hoeft niet in alle gevallen voorrang te krijgen.
Als een woningcorporatie een label toepast, krijgt een bepaalde categorie woningzoekenden – in de tabel vermeld als ‘voorrangsgroep’ in dezelfde rij het als toegepaste label – voorrang bij de verlening van een huisvestingsvergunning. Het gaat hierbij – met uitzondering van het woningtype ‘nieuwbouw’, zie hierna – om de in artikel 11 van de Huisvestingswet 2014 bedoelde voorrang. Deze vorm van voorrang wordt ook wel ‘passendheidsvoorrang’ genoemd: de gelabelde woonruimte is gelet op aard, grootte of prijs bij uitstek ‘passend’ voor een bepaalde categorie woningzoekenden.
Als woonruimte het label ‘nieuwbouw’ krijgt, krijgen woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de gemeente voorrang. De wettelijke basis voor deze vorm van voorrang is artikel 14 en niet (zoals bij de andere labels) artikel 11 van de Huisvestingswet 2014. Dit wordt in het derde lid tot uitdrukking gebracht. De voorrang voor economische en maatschappelijke binding is breder dan alleen voor de nieuwbouw (zie artikel 2.3.8.), toch wordt deze in de tabel expliciet benoemd aangezien dit een soort vastgoed is wat interessant is om met voorrang voor woningzoekenden met binding toe te wijzen.
Het woningtype ‘woning met 3 kamers of minder’ heeft het doel om doorstroming te stimuleren in de regio. Door voorrang te geven aan woningzoekenden die een grote woning in de regio achterlaten worden er meer grote woningen vrijgespeeld waar, met het oog op de andere regel voor grote woningen van 4 of meer kamers, grotere huishoudens in terecht kunnen. Dit maakt dat mensen die een grote woning in Leusden achterlaten ook aanspraak kunnen maken op een kleinere woning in andere gemeenten, en andersom. Door het samenspel van deze regels wonen meer mensen passend bij hun huishoudensgrootte en door het regionale aspect is er meer aanbod om naar door te stromen beschikbaar. Deze voorrang kan wel in combinatie met lokale binding worden ingezet.
Labels kunnen ook gestapeld worden, zo kunnen er nieuwbouw jongerenwoningen of seniorenwoningen met 3 kamers of minder bestaan. Een woonruimte kan dus meerdere labels hebben.
Sommige van de woningen met een label zullen worden toegewezen door directe bemiddeling, bijvoorbeeld seniorenwoningen door middel van een verhuiscoach of interne doorverhuizingen binnen een complex. Deze woningen vallen dan onder de 2% vrije beleidsruimte die woningcorporaties hebben om direct te bemiddelen.
Naast ‘passendheidsvoorrang’ is in dit artikel bepaald dat bepaalde categorieën woningzoekenden ook ‘bindingsvoorrang’ kunnen hebben. Het gaat dan om woningzoekenden die maatschappelijk of economisch gebonden zijn aan de regio, de gemeente of een deel van de gemeente. Dit artikel is een uitwerking van artikel 14, tweede en vierde lid, van de Huisvestingswet 2014.
Deze voorrang mag ten hoogste bij 50 % van de verleende huisvestingsvergunning toegepast worden. Zie gelet hierop ook artikel 2.2.3, tweede lid, onder b.
De voorrang voor woningzoekenden met binding kan op veel manieren worden ingezet. De woningcorporatie kan (in overleg) bepalen bij welke woningen deze voorrang wordt ingezet, maar het is goed denkbaar dat dit bij nieuwbouwwoningen of specifiek type vastgoed (zoals senioren of jongerenwoningen) gebeurd om doorstroming binnen de gemeente of regio te bevorderen.
In dit artikel wordt bepaald dat woningzoekenden die bij de vrijwillige brandweer actief zijn in de gemeente, een extra voorrang kunnen gebruiken. Deze extra voorrang is binnen de woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de gemeente. Binnen deze groep gaan woningzoekenden die actief zijn bij de vrijwillige brandweer dus voor andere woningzoekenden met binding aan de gemeente.
In het tweede lid is bepaald dat burgemeesters en wethouders extra eisen kunnen stellen aan wie er in deze categorie wordt ingedeeld.
Op woonruimte die via het aanbodinstrument openbaar wordt aangeboden, reageren doorgaans meerdere woningzoekenden. Daarom regelt dit artikel, in welke volgorde woningzoekenden in aanmerking komen voor verlening van de huisvestingsvergunning:
Voor maximaal 5% van de woningen kan in navolging van het tweede lid worden bepaald dat urgenten geen voorrang krijgen. Dit is denkbaar voor woningen die erg specifiek zijn of bijzonder goed kunnen worden ingezet om andere doelen (zoals doorstroming) te bevorderen.
Geeft de bovenstaande volgordebepaling geen uitsluitsel, dan bevatten de artikelen 2.3.10 tot en met 2.3.12 aanvullende volgordebepalingen.
Als meerdere woningzoekenden die behoren tot de voorrangsgroep ‘huishoudens waarvan tenminste één persoon een leeftijd hoger dan 55 jaar heeft’ reageren op woonruimte met het label ‘seniorenwoning’, hebben de huishoudens met (tenminste) een persoon van 65 jaar of ouder voorrang boven andere huishoudens.
Dit artikel bevat aanvullende volgordebepalingen voor de verschillende in artikel 2.3.9, eerste lid, genoemde volgordegroepen:
de volgorde waarin houders van een urgentieverklaring in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning, wordt bepaald op basis van de ingangsdatum van de urgentie. Als dat geen uitsluitsel biedt, wordt de volgorde bepaald op basis van de inschrijfduur. Er wordt dus geen hiërarchie aangebracht tussen de verschillende categorieën van urgentie;
Op grond van dit artikel wordt bij stadsvernieuwingsurgenten de woonduur gelijkgesteld met de inschrijfduur. Dit is relevant bij het met artikel 2.3.11 bepalen van de volgorde waarin woningzoekenden in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning.
Gemeenten en woningcorporaties kunnen met een experiment onderzoeken of woonruimte buiten de huidige kaders van de verordening om, op een andere manier in gebruik gegeven kan worden. Het moet wel gaan om een manier van in gebruik geven die eventueel, gelet op de Huisvestingswet 2014, door aanpassing van de verordening mogelijk gemaakt kan worden. Een experiment duurt maximaal twee jaar en moet geëvalueerd worden.
Bij het opstellen van de hardheidsclausule is rekening gehouden met aanwijzing 76 uit de VNG-uitgave “100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever, vierde, herziene editie 2023”. De hardheidsclausule noemt, ter voorkoming van verboden ‘blanco delegatie’, de specifieke bepalingen waar burgemeester en wethouders bij het gebruiken van de hardheidsclausule van af kunnen wijken. Deze bepalingen gaat over het weigeren van een huisvestingsvergunning. Dit maakt dat burgemeester en wethouders toch een huisvestingsvergunning kunnen toekennen, ook al kan dat op grond van de huisvestingsverordening niet. Dit kan enkel in extreme gevallen die leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. Middels de hardheidsclausule kan niet van de Huisvestingswet worden afgeweken.
Elke paragraaf heeft zijn eigen hardheidsclausule, doordat er per segment de weigeringsgronden zijn genoemd waar van moet kunnen worden afgeweken.
Paragraaf 2.4. Woonruimte van particuliere verhuurders
Naast de sociale huurwoningen van woningcorporaties (paragraaf 2.3) gelden er ook regels voor woonruimte voor particuliere eigenaars. Het gaat hierbij om nieuw te bouwen woningen tot de liberalisatiegrens van particuliere eigenaren die onderdeel zijn van een nieuwbouwproject van ten minste 3 woningen.
Dit artikel behoeft geen toelichting.
Dit artikel bevat aanvullende begripsbepalingen die van toepassing zijn op deze paragraaf.
Dit artikel bepaalt dat de verhuurder de woonruimte tenminste drie werkdagen te huur aanbiedt. Dit betreft de in artikel 17 van de wet bedoelde termijn. De woningen moeten worden aangeboden op het digitale platform dat ook gebruikt wordt door de woningcorporaties. Gedurende de termijn van drie werkdagen gaat de verhuurder niet tot selectie van de beoogde huurder over. Het is namelijk belangrijk, dat de woningzoekenden die gelet op artikel 2.4.5 voorrang hebben bij de verlening van een huisvestingsvergunning, voldoende kans hebben om op de aangeboden woonruimte te reageren en om als beoogd huurder geselecteerd te worden.
Het tweede lid stelt meer inhoudelijke eisen aan de advertentie van de woonruimte. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 20 van de Huisvestingswet 2014. Het vierde en vijfde lid geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om over bepaalde onderwerpen nadere regels te stellen.
Dit artikel bevat in aanvulling op paragraaf 2.2 enkele aanvullende regels over de aanvraag en weigering van een huisvestingsvergunning.
Het tweede lid bevat weigeringsgronden waarmee een goede werking van de in deze verordening opgenomen regels wordt gewaarborgd. Het gaat daarbij om de regels over de volgorde waarin woningzoekende voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komen (zie onder a), om regels over het te huur aanbieden en bekendmaken van het aanbod (zie onder b) en de eis dat de aanvrager van de huisvestingsvergunning ingeschreven is als woningzoekende (zie onder c).
De in het tweede lid opgenomen weigeringsgronden zijn niet imperatief (dus: geen “moeten weigeren”), maar facultatief (dus: “kunnen weigeren”). Dit betekent dat burgemeester en wethouders bij weigering op grond van één van deze gronden, moeten motiveren waarom zij weigeren.
Op woonruimte die via het aanbodinstrument openbaar wordt aangeboden, reageren doorgaans meerdere woningzoekenden. Daarom regelt dit artikel, in welke volgorde woningzoekenden in aanmerking komen voor verlening van de huisvestingsvergunning:
In het tweede en derde lid staan aanvullende volgordebepalingen voor als het eerste lid geen uitsluitsel geeft.
Er mag volgens de Huisvestingswet 2014 voor maximaal 50% voorrang worden verleend aan woningzoekenden met economische of maatschappelijke binding. Lid 4 zorgt ervoor dat een toewijzing niet kan zorgen voor overschrijding van deze 50%, aangezien de voorrang in dat geval niet wordt gegeven.
Bij de behandeling van de aanvraag om een huisvestingsvergunning of bij een toezichtonderzoek moet vastgesteld kunnen worden of de verhuurder zich voldoende heeft ingespannen om een huurder te vinden die gelet op artikel 2.4.5 voorrang heeft bij de verlening van een huisvestingsvergunning. Daarom bevat dit artikel voor de verhuurder bepaalde administratieve verplichtingen. De registratie moet tot 6 maanden na de toewijzing worden bewaard. Hiermee wordt uitvoering gegeven van artikel 17, derde lid, van de Huisvestingswet 2014.
Bij het opstellen van de hardheidsclausule is rekening gehouden met aanwijzing 76 uit de VNG-uitgave “100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever, vierde, herziene editie 2023”. De hardheidsclausule noemt, ter voorkoming van verboden ‘blanco delegatie’, de specifieke bepalingen waar burgemeester en wethouders bij het gebruiken van de hardheidsclausule van af kunnen wijken. Deze bepalingen gaat over het weigeren van een huisvestingsvergunning. Dit maakt dat burgemeester en wethouders toch een huisvestingsvergunning kunnen toekennen, ook al kan dat op grond van de huisvestingsverordening niet. Dit kan enkel in extreme gevallen die leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. Middels de hardheidsclausule kan niet van de Huisvestingswet worden afgeweken.
Elke paragraaf heeft zijn eigen hardheidsclausule, doordat er per segment de weigeringsgronden zijn genoemd waar van moet kunnen worden afgeweken.
Paragraaf 2.5 Nieuw te bouwen voor verkoop bestemde woonruimte
Naast de sociale huurwoningen van woningcorporaties (paragraaf 2.3) gelden er ook regels voor woonruimte voor nieuwbouw betaalbare koopwoningen. Het gaat hierbij de eerste verkoop van woningen tot de €405.00 (prijspeil 2025) die onderdeel zijn van een nieuwbouwproject van ten minste 3 woningen. De vergunningen van dit segment worden door de gemeente uitgegeven, aangezien dit niet gemandateerd kan worden.
Dit artikel behoeft geen toelichting.
Dit artikel bevat aanvullende begripsbepalingen die van toepassing zijn op deze paragraaf.
Dit artikel bepaalt dat de verkoper de woonruimte tenminste 4 weken te koop aanbiedt. Dit betreft de in artikel 17 van de wet bedoelde termijn. Dit is langer dan voor de andere segmenten aangezien voor dit segment er niet één site wordt voorgeschreven en het belangrijk is dat alle geïnteresseerde woningzoekenden het aanbod kunnen vinden.
Gedurende die termijn gaat de verkoper niet tot selectie van de beoogde koper over. Het is namelijk belangrijk, dat de woningzoekenden die gelet op artikel 2.5.6, eerste lid, onder a, voorrang hebben bij de verlening van een huisvestingsvergunning, voldoende kans hebben om op de aangeboden woonruimte te reageren en om als beoogd koper geselecteerd te worden.
Het tweede lid stelt meer inhoudelijke eisen aan het aanbod van de woonruimte. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 20 van de Huisvestingswet 2014. Het vierde lid geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om over bepaalde onderwerpen nadere regels te stellen.
In dit artikel krijgt de verkoper de opdracht om te zorgen voor een digitaal platform waarop hij de woonruimte te koop aanbiedt, waarop woningzoekenden zich kunnen inschrijven en waarop woningzoekenden kunnen reageren op de aangeboden woonruimte. De verkoper kan zelf een digitaal platform (laten) bouwen en beheren, of hij kan gebruik maken van al bestaande digitale platforms waarmee aan het in dit artikel bepaalde kan worden voldaan. Dit wordt voorgeschreven om er zeker van te zijn dat woningzoekenden het aanbod goed kunnen vinden en hun interesse toonbaar kunnen maken.
Het tweede lid bevat enkele eisen over de inhoud van gebruiksvoorwaarden van het digitale platform. Die eisen gaan over de inschrijving als woningzoekende en de inschrijfduur. Dit, met het oog op de in artikel 2.3.11 opgenomen wijze van volgordebepaling.
In het tweede lid, onder e, is gelet op artikel 11a, 11b en 11c van de Huisvestingswet 2014, bepaald dat in bepaalde gevallen de inschrijving van woningzoekenden in het aanbodinstrument niet vervalt.
In het derde lid is bepaald dat de gebruiksvoorwaarden in overeenstemming met de Huisvestingswet 2014 en de verordening moeten zijn, en dat ze transparant medegedeeld worden aan woningzoekenden.
Dit artikel bevat in aanvulling op paragraaf 2.2 enkele aanvullende regels over de aanvraag en weigering van een huisvestingsvergunning.
Het tweede lid bevat weigeringsgronden waarmee een goede werking van de in deze verordening opgenomen regels wordt gewaarborgd. Het gaat daarbij om de regels over de volgorde waarin woningzoekende voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komen (zie onder a), om regels over het te koop aanbieden en bekendmaken van het aanbod (zie onder b en c) en om de inschrijving van de woningzoekende in het digitale platform (zie onder d).
De in het tweede lid opgenomen weigeringsgronden zijn niet imperatief (dus: geen “moeten weigeren”), maar facultatief (dus: “kunnen weigeren”). Dit betekent dat burgemeester en wethouders bij weigering op grond van één van deze gronden, moeten motiveren waarom zij weigeren.
In dit artikel worden verschillende woningtypen beschreven en de voorrangsgroep die voorrang heeft bij deze woningen. De woningtypen zijn labels die kunnen worden ingezet door de verkoper. Er zijn drie voorrangsgroepen die in dit artikel genoemd worden:
Senioren. Er wordt hier eenzelfde regeling als voor de sociale huurwoningen toegepast, de zogenaamde ‘watervalregeling’. Hierbij krijgen eerst de kandidaten die 65+ zijn voorrang en indien die er niet zijn krijgen woningzoekenden die 55+ zijn voorrang op de rest van de woningzoekenden. Zie ook artikel 2.5.8.
Starters op de woningmarkt. Dit zijn huishoudens die geen woning leeg achterlaten bij verhuizing. Hierbij kan gedacht worden aan kinderen die uit huis gaan maar ook scheidingen of mensen die om een andere reden geen woning achterlaten. Starters op de regionale woningmarkt (die dus wel een woning elders in het land achterlaten) vallen hier niet onder.
Op woonruimte die openbaar wordt aangeboden, reageren doorgaans meerdere woningzoekenden. Daarom regelt dit artikel, in welke volgorde woningzoekenden in aanmerking komen voor verlening van de huisvestingsvergunning:
In het tweede lid is bepaald, dat de voorrang van woningzoekenden met economische of maatschappelijke binding achterwege blijft, als daardoor meer dan 50 % van de huisvestingsvergunningen met die voorrang verleend zouden worden. Dit waarborgt dat de uitvoering van de verordening binnen de bandbreedte van artikel 14 van de Huisvestingswet 2014 blijft.
Er wordt in de koop gestuurd op voorrang voor deze binding voor maximaal de helft van de toewijzingen. Dit is om niet te veel in te grijpen in de contractvrijheid van verkopers maar wel voor de schaarse betaalbare koopwoningen in de gemeente voorrang te kunnen geven aan lokaal woningzoekenden.
In dit artikel wordt invulling gegeven aan de ‘watervalregeling’ voor senioren zoals beschreven in artikel 2.5.6. Hierbij wordt er eerst voorrang gegeven aan huishoudens waar 1 persoon 65+ is, en indien die er niet is aan een huishouden waarvan tenminste 1 persoon 55+ is.
Bij de behandeling van de aanvraag om een huisvestingsvergunning of bij een toezichtonderzoek moet vastgesteld kunnen worden of de verkoper zich voldoende heeft ingespannen om een koper te vinden die gelet op artikel 2.5.6 voorrang heeft bij de verlening van een huisvestingsvergunning. Daarom bevat dit artikel voor de verkoper bepaalde administratieve verplichtingen. Hiermee wordt uitvoering gegeven van artikel 17, derde lid, van de Huisvestingswet 2014.
Bij het opstellen van de hardheidsclausule is rekening gehouden met aanwijzing 76 uit de VNG-uitgave “100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever, vierde, herziene editie 2023”. De hardheidsclausule noemt, ter voorkoming van verboden ‘blanco delegatie’, de specifieke bepalingen waar burgemeester en wethouders bij het gebruiken van de hardheidsclausule van af kunnen wijken. Deze bepalingen gaat over het weigeren van een huisvestingsvergunning. Dit maakt dat burgemeester en wethouders toch een huisvestingsvergunning kunnen toekennen, ook al kan dat op grond van de huisvestingsverordening niet. Dit kan enkel in extreme gevallen die leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. Middels de hardheidsclausule kan niet van de Huisvestingswet worden afgeweken.
Elke paragraaf heeft zijn eigen hardheidsclausule, doordat er per segment de weigeringsgronden zijn genoemd waar van moet kunnen worden afgeweken.
Paragraaf 2.6 nieuw te bouwen middeldure huurwoonruimte
Naast de sociale huurwoningen van particulieren en woningcorporaties, vallen ook nieuw te bouwen middenhuur woningen die onderdeel zijn van een nieuwbouwproject van ten minste 3 woningen onder de reikwijdte van de huisvestingsverordening. Dit is een aanvulling op het regionale model en is onderbouwd op basis van schaarste in de schaarste onderbouwing.
Dit artikel behoeft geen toelichting.
Dit artikel bevat aanvullende begripsbepalingen die van toepassing zijn op deze paragraaf.
Dit artikel bepaalt dat de verhuurder de woonruimte tenminste drie werkdagen te huur aanbiedt. Dit betreft de in artikel 17 van de wet bedoelde termijn. De woningen moeten worden aangeboden op het digitale platform dat ook gebruikt wordt voor de sociale huurwoningen, zowel van woningcorporaties als particuliere huurwoningen. Gedurende de termijn van drie werkdagen gaat de verhuurder niet tot selectie van de beoogde huurder over. Het is namelijk belangrijk, dat de woningzoekenden die gelet op artikel 2.4.5 voorrang hebben bij de verlening van een huisvestingsvergunning, voldoende kans hebben om op de aangeboden woonruimte te reageren en om als beoogd huurder geselecteerd te worden.
Het tweede lid stelt meer inhoudelijke eisen aan de advertentie van de woonruimte. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 20 van de Huisvestingswet 2014. Het vierde en vijfde lid geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om over bepaalde onderwerpen nadere regels te stellen.
Dit artikel bevat in aanvulling op paragraaf 2.2 enkele aanvullende regels over de aanvraag en weigering van een huisvestingsvergunning.
Het tweede lid bevat weigeringsgronden waarmee een goede werking van de in deze verordening opgenomen regels wordt gewaarborgd. Het gaat daarbij om de regels over de volgorde waarin woningzoekende voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komen (zie onder a), om regels over het te huur aanbieden en bekendmaken van het aanbod (zie onder b) en de eis dat de aanvrager van de huisvestingsvergunning ingeschreven is als woningzoekende (zie onder c).
De in het tweede lid opgenomen weigeringsgronden zijn niet imperatief (dus: geen “moeten weigeren”), maar facultatief (dus: “kunnen weigeren”). Dit betekent dat burgemeester en wethouders bij weigering op grond van één van deze gronden, moeten motiveren waarom zij weigeren.
Op woonruimte die via het aanbodinstrument openbaar wordt aangeboden, reageren doorgaans meerdere woningzoekenden. Daarom regelt dit artikel, in welke volgorde woningzoekenden in aanmerking komen voor verlening van de huisvestingsvergunning:
In het tweede en derde lid staan aanvullende volgordebepalingen voor als het eerste lid geen uitsluitsel geeft.
Er mag volgens de Huisvestingswet 2014 voor maximaal 50% voorrang worden verleend aan woningzoekenden met economische of maatschappelijke binding. Lid 4 zorgt ervoor dat een toewijzing niet kan zorgen voor overschrijding van deze 50%, aangezien de voorrang in dat geval niet wordt gegeven.
Bij de behandeling van de aanvraag om een huisvestingsvergunning of bij een toezichtonderzoek moet vastgesteld kunnen worden of de verhuurder zich voldoende heeft ingespannen om een huurder te vinden die gelet op artikel 2.5.5 voorrang heeft bij de verlening van een huisvestingsvergunning. Daarom bevat dit artikel voor de verhuurder bepaalde administratieve verplichtingen. De registratie moet tot 6 maanden na de toewijzing worden bewaard. Hiermee wordt uitvoering gegeven van artikel 17, derde lid, van de Huisvestingswet 2014.
Bij het opstellen van de hardheidsclausule is rekening gehouden met aanwijzing 76 uit de VNG-uitgave “100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever, vierde, herziene editie 2023”. De hardheidsclausule noemt, ter voorkoming van verboden ‘blanco delegatie’, de specifieke bepalingen waar burgemeester en wethouders bij het gebruiken van de hardheidsclausule van af kunnen wijken. Deze bepalingen gaat over het weigeren van een huisvestingsvergunning. Dit maakt dat burgemeester en wethouders toch een huisvestingsvergunning kunnen toekennen, ook al kan dat op grond van de huisvestingsverordening niet. Dit kan enkel in extreme gevallen die leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. Middels de hardheidsclausule kan niet van de Huisvestingswet worden afgeweken.
Elke paragraaf heeft zijn eigen hardheidsclausule, doordat er per segment de weigeringsgronden zijn genoemd waar van moet kunnen worden afgeweken.
Hoofdstuk 3 De urgentieverklaring voor woonruimte van corporaties
Dit hoofdstuk gaat over de werking van de urgentieverklaring. Onderstaande tabel geeft inzicht in de verschillende urgente categorieën die in dit hoofdstuk worden onderscheiden, of deze anticiperen op de Wet versterking regie op de volkshuisvesting (ook wel Regiewet genoemd) en welke binding is vereist om aanspraak te kunnen maken op de urgentie.
Onder maatschappelijke binding aan de gemeente of delen van de gemeente wordt verstaan dat het huishouden van aanvrager tenminste twee jaar woonachtig is en ingeschreven staat in de basisregistratie van de gemeente óf maatschappelijke gebonden is aan de gemeente als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de wet. In dat laatste geval moet de aanvrager de laatste tien jaar minimaal 6 jaar woonachtig zijn geweest in de gemeente, of voor ten gedurende de voorafgaande twintig jaar ten minste tien jaar onafgebroken ingezetene is geweest van de gemeente Leusden.
De manier van zoeken (direct bemiddelen of zelf reageren) is niet gekoppeld aan een urgentiecategorie. In Leusden worden alle woningen voor urgent woningzoekenden in de praktijk direct bemiddeld. De huisvestingsverordening biedt echter ook de ruimte urgent woningzoekenden zelf te laten zoeken.
Paragraaf 3.1 Aanvraag, verlening en weigering van de urgentieverklaring
Een urgentieverklaring is een beschikking die wordt afgegeven door de gemeente (of een gemandateerde organisatie), waarmee een woningzoekende ingedeeld wordt in een urgentiecategorie. Vervolgens heeft die woningzoekende in bepaalde gevallen voorrang bij het verlenen van een huisvestingsvergunning binnen de sociale huur van woningcorporaties. Een urgentieverklaring is geldig binnen de gemeente waarin deze is afgegeven, tenzij anders vermeld. De urgent woningzoekende kan zowel een zoekprofiel toegewezen krijgen en zelf (met voorrang) op aanbod reageren, als direct bemiddeld worden voor woningen binnen dit zoekprofiel. Het moet daarbij wel gaan om woonruimte die valt onder de regels van paragraaf 2.3 (sociale huur van woningcorporaties) van de verordening. Artikel 12 van de Huisvestingswet 2014 is de basis voor de regels over de urgentieverklaring en de voorrang van de houders daarvan.
In het eerste lid is aangegeven dat de urgentieverklaring wordt aangevraagd bij en verleend en geweigerd door het college van burgemeester en wethouders. Dit is overeenkomstig de normale, in de Gemeentewet geregelde, verdeling van bevoegdheden over de bestuursorganen van de gemeente. Zie ook artikel 13, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014.
Het tweede lid geeft aan, welke informatie bij de aanvraag ingediend moet worden. Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan artikel 13, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014.
Twee soorten urgente groepen hoeven niet een urgentieverklaring aan te vragen. Voor hen wordt deze urgentieverklaring ambtshalve verleend. Dit komt omdat deze groepen erg afgebakend en goed te definiëren zijn en de huisvesting van deze groepen de directe verantwoordelijkheid van de gemeente is. Hierdoor kunnen ambtenaren bepalen of iemand in deze categorie valt, en hoeven zij dus niet zelf een aanvraag te doen. Dit geldt voor vergunninghouders, die onderdeel van de taakstelling zijn, en stadsvernieuwingsurgenten, die door renovatie of sloop moeten verhuizen.
Op grond van het eerste lid wordt de urgentieverklaring geweigerd als sprake is van één of meer van de volgende situatie:
de aanvrager komt op grond van artikel 10, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 niet voor een huisvestingsvergunning in aanmerking. Het gaat dan om een aanvrager die niet de Nederlandse nationaliteit heeft of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander behandeld moet worden, of geen rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling is;
Het gaat in het eerste lid om imperatieve weigeringsgronden (dus: “wordt geweigerd”, en niet “kunnen weigeren”). Hier kan enkel met toepassing van de hardheidsclausule van afgeweken worden (zie artikel 3.2.9).
In het tweede en derde lid gaat het om facultatieve weigeringsgronden (dus: “kunnen weigeren”, en niet: “wordt geweigerd”).
De voorwaarden in het tweede lid gaan in op te meten en een dus te bewijzen reden tot weigeringen. In het derde lid moet een weigering gemotiveerd worden aan de hand van verschillende redenen waarom een urgentiestatus de woningzoekende niet zou helpen of niet nodig is. Er kan een urgentiecommissie worden aangesteld om deze afweging te maken.
Dit artikel is niet van toepassing op aanvragen om indeling in de urgentiecategorieën uitstroom naar zelfstandig wonen (3.2.1), mantelzorg (3.2.2), ernstige chronische medische problematiek (3.2.3) of deelname aan overheidsprogramma (3.2.4). Voor deze groepen gelden vanuit de Wet versterking regie op de volkshuisvesting andere regels, de specifieke regels voor deze groepen zijn in artikel 3.1.3. en 3.1.7 genoemd.
De in de artikelen 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3 of 3.2.4 bedoelde urgentiecategorieën anticiperen op de urgentiecategorieën die met het wetsvoorstel ‘Wet versterking regie volkshuisvesting’ in te voeren verplichte urgentiecategorieën.1 Daarom zijn in artikel 3.1.3 specifieke weigeringsgronden opgenomen voor aanvragen om indeling in die urgentiegronden, die in deze wet worden voorgeschreven. De weigeringsgronden uit artikel 3.1.2. zijn op deze categorie niet van toepassing.
De woningzoekende moet in de eerste instantie economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de woningmarktregio om in aanmerking te komen voor urgentie. Enkel in het geval van mantelzorg (zonder een bindingseis) en ernstige chronische medische problematiek (met een bindingseis aan het schaalniveau van de gemeente) is dit niet zo.
Belangrijk is dat in het tweede lid onder i wordt geregeld dat een woningzoekende maar in één gemeente een urgentieverklaring voor een bepaalde categorie kan verkrijgen.
In het derde lid wordt geregeld dat de woningzoekende die uitstroomt naar zelfstandig wonen ook uit kan stromen naar een andere gemeente dan de gemeente van herkomst (waar die woonde voordat die instroomde in de instelling), mocht de persoonlijke situatie daarvoor vragen. Ook onder het mom van evenwichtige spreiding kan de urgent woningzoekende buiten de gemeente van herkomst een woning toegewezen krijgen. Buiten deze twee zwaarwegende redenen is het de norm dat urgentie enkel in de gemeente van herkomst wordt toegekend. Als er een bindingseis wordt gesteld tellen toewijzingen aan urgente woningzoekenden mee in het percentage dat met voorrang voor lokaal woningzoekenden kan worden toegewezen (50%). In het geval dat er binnen een gemeente zonder binding op grond van lid een urgentieverklaring wordt gegeven, tellen die toewijzingen niet mee in het percentage.
Het eerste lid van dit artikel beschrijft wat er tenminste in de urgentieverklaring opgenomen wordt. Naast de gegevens van de woningzoekende aan wie de urgentieverklaring verleend wordt, staat vooral het zoekprofiel centraal: de ‘voorrang’ van de urgentieverklaring geldt alleen bij woningen die aan het zoekprofiel voldoen. Het zoekprofiel wordt ingesteld om ervoor te zorgen dat woningzoekenden wel passend gaan wonen en dat de woonruimte ook echt bijdraagt aan het oplossen van de oorzaak van de urgentie.
Het tweede, derde en vierde lid bevatten bepalingen over de duur van de urgentieverklaring. De urgentieverklaring vervalt als een woning wordt toegewezen of na 6 maanden na de verlening van de verklaring. Dit is omdat het gaat om urgente problematiek welke binnen 6 maanden moet worden opgelost. Als het gaat om stadsvernieuwingsurgenten waarvan de woning gesloopt wordt vervalt de urgentie op datum van de sloop.
In bepaalde gevallen kan de geldigheid van de urgentieverklaring verlengd worden. Dit kan eenmalig met (nogmaals) 6 maanden gebeuren. Dit kan alleen als het probleem nog even groot is, een nieuwe woning de oplossing is en als de woningzoekende zelf genoeg heeft gedaan om te zorgen dat er gebruik kan worden gemaakt van de urgentie (door te reageren op passend aanbod en geen woning te weigeren binnen het aanbodmodel).
In een enkel geval kan de urgentievergunning volgens het vierde lid wel nogmaals verlengd worden, mocht er een erg specifieke woonvraag zijn, zoals een erg groot gezin of meervoudige handicaps waarvoor maar zelden passend aanbod vrijkomt.
In het eerste lid van dit artikel wordt aangegeven, dat de urgentieverklaring ‘voorrang’ geeft bij de verlening van huisvestingsvergunningen. Hoe precies is bepaald in paragraaf 2.3 van de verordening. Zie de artikelen 2.3.9 tot en met 2.3.12.
Het tweede lid beschrijft wat de houder van de urgentieverklaring zelf moet doen om zo snel mogelijk een passende woning te vinden: zoeken naar en reageren op passende woonruimte die op het digitale platform te huur wordt aangeboden. In het derde lid is aangegeven, dat woningcorporaties ook via directe bemiddeling een passende woning kunnen aanbieden aan de houder van een urgentieverklaring. Dit is in de gemeente Leusden de meest gangbare manier. Dit artikel maakt mogelijk dat er ook zelf gezocht kan worden door woningzoekenden met een urgentieverklaring.
In het vierde lid wordt bepaald dat, wanneer er een woning op basis van de urgentieverklaring wordt toegewezen die binnen het zoekprofiel van de urgent woningzoekende past, de urgentieverklaring vervalt.
In dit artikel is bepaald wanneer een urgentieverklaring ingetrokken (zie het tweede lid) kan worden. Als een woningzoekende een passende woning, die valt binnen het zoekprofiel, weigert kan de urgentieverklaring worden ingetrokken. Dit is een mogelijkheid, geen verplichting.
In het derde lid wordt aangegeven dat een nieuwe urgentieverklaring wordt afgegeven als een woningzoekende door veranderende omstandigheden in een andere urgentiecategorie vallen. Deze nieuwe urgentieverklaring heeft een nieuwe ingangsdatum en ook de looptijd van de urgentie begint opnieuw.
Dit artikel is niet van toepassing op aanvragen om indeling in één van de artikelen 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3 of 3.2.4 bedoelde urgentiecategorieën. Voor deze groepen gelden vanuit de Wet versterking regie op de volkshuisvesting andere regels, de regels voor deze specifieke groepen zijn in artikel 3.1.3. en 3.1.7 genoemd.
De urgentiecategorieën uitstroom naar zelfstandig wonen (3.2.1), mantelzorg (3.2.2), ernstige chronische medische problematiek (3.2.3) of deelname aan overheidsprogramma (3.2.4) anticiperen op met het wetsvoorstel ‘Wet versterking regie volkshuisvesting’ in te voeren verplichte urgentiecategorieën.2 Daarom zijn in artikel 3.1.7 specifieke intrekkings- en wijzigingsgronden opgenomen voor aanvragen om indeling in die urgentiegronden die in lijn zijn met die wet.
Onder d. in dit artikel wordt bepaald dat een woning weigeren, die voldoet aan het zoekprofiel reden is om de urgentieverklaring in te trekken. Dit is een mogelijkheid, geen verplichting.
Paragraaf 3.2 Urgentiecategorieën
In deze paragraaf worden de verschillende gronden op basis waarvan urgentie kan worden aangevraagd beschreven. Hierbij geldt dat de toetsingsgronden uit paragraaf 3.1 de basis vormen en, afhankelijk van de urgentiecategorie, aanvullende eisen gelden voordat de urgentieverklaring wordt toegekend.
De in dit artikel opgenomen urgentiecategorie ziet toe op de uitstroom van woningzoekenden vanuit de in het tweede lid genoemde voorzieningen of instellingen. Hieronder valt ook de uitstroom uit de NIDOS woningen in de gemeente Leusden.
Het derde lid biedt de mogelijkheid om voorwaarden aan de urgentieverklaring te verbinden, zoals het opleggen van begeleiding.
Dit artikel anticipeert op een met het wetsvoorstel ‘Wet versterking regie volkshuisvesting’ in te voeren verplichte urgentiecategorie.3 In aanvulling daarop is in het eerste lid, onder b, opgenomen dat sprake moet zijn van economische of maatschappelijke binding met de woningmarktregio.
Om te zorgen dat men pas uitstroomt als dit verantwoordelijk wordt geacht door de zorginstantie, is het deze zorginstantie die de urgentie voor de woningzoekende aanvraagt.
Voor de in het tweede lid, onder b, genoemde categorie woningzoekenden moet op grond van het huidige artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet 2014 ook al een regeling in de verordening opgenomen worden.
De in dit artikel opgenomen urgentiecategorie ziet toe op de verleners en ontvangers van mantelzorg. Zie de cumulatieve voorwaarden. Dit artikel vormt een uitwerking van artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet 2014.
De urgentieverklaring moet bijdragen aan een verbetering van de situatie zoals beschreven in lid i. De verhuizing moet dus zorgen dat de afstand tussen de mantelzorg ontvanger en mantelzorgverlener kleiner wordt.
Dit artikel anticipeert op een met het wetsvoorstel ‘Wet versterking regie volkshuisvesting’ in te voeren verplichte urgentiecategorie.4 In aanvulling daarop is in onder a, opgenomen dat sprake moet zijn van economische of maatschappelijke binding met de gemeente.
Het is belangrijk dat de urgentie de mantelzorg faciliteert, dit wordt bijvoorbeeld getoetst door een minimaal aantal uur mantelzorg te eisen en een minimale afstand tussen de mantelzorger en ontvanger. Door urgentie voor mantelzorgers of – ontvangers te faciliteren draagt dit bij aan het langer thuis kunnen blijven wonen van ouderen.
De in dit artikel opgenomen urgentiecategorie ziet toe op woningzoekenden die kampen met ernstige chronische en medische problematiek waardoor dat in de huidige woonsituatie levensontwrichtend is. Zie de cumulatieve voorwaarden van het eerste lid. De voorwaarde onder e. is enkel van toepassing voor de gevallen waar de problematiek van psychische aard is, en geldt dus niet voor woningzoekenden met niet-psychische vormen van ernstige en chronische problematiek.
Het tweede lid bevat een specifieke regeling over advisering door een onafhankelijke sociaal-medische adviseur aan burgemeester en wethouders, ter voorbereiding van de beslissing op de aanvraag. Het derde lid biedt de mogelijkheid om voorwaarden met het oog op begeleiding aan de urgentieverklaring te verbinden in het geval dat de problematiek van psychische aard is.
Dit artikel anticipeert op een met het wetsvoorstel ‘Wet versterking regie volkshuisvesting’ in te voeren verplichte urgentiecategorie.5 In aanvulling daarop is in het eerste lid, onder a, opgenomen dat sprake moet zijn van economische of maatschappelijke binding met de gemeente.
De in dit artikel opgenomen urgentiecategorie ziet toe op woningzoekenden die deelnemen aan een overheidsprogramma gericht op sekswerkers die duurzaam uit de seksbranche stappen. Zie de cumulatieve voorwaarden van het eerste lid.
Het tweede lid biedt de mogelijkheid om voorwaarden aan de urgentieverklaring te verbinden.
Dit artikel anticipeert op een met het wetsvoorstel ‘Wet versterking regie volkshuisvesting’ in te voeren verplichte urgentiecategorie.6 In aanvulling daarop is in het eerste lid, onder a, opgenomen dat sprake moet zijn van economische of maatschappelijke binding met de gemeente.
De in dit artikel opgenomen urgentiecategorie ziet toe op de huisvesting van vergunninghouders (“statushouders”) als onderdeel van de wettelijke taakstelling van de gemeente. Zie hoofdstuk 5, paragraaf 1, van de Huisvestingswet 2014.
De in dit artikel opgenomen urgentiecategorie ziet toe op woningzoekenden die zich geconfronteerd zien met een grote achteruitgang van het inkomen en daardoor de huidige woning moeten verlaten. Zie de cumulatieve voorwaarden.
De in dit artikel opgenomen urgentiecategorie ziet toe op woningzoekenden die als gevolg van relatiebeëindiging de huidige woning moeten verlaten. Zie de cumulatieve voorwaarden van het eerste lid. Als uitgangspunt geldt, dat de urgentieverklaring alleen verleend wordt aan de (ex)partner die de zorg voor de minderjarige kinderen draagt. Als beide (ex)partners die zorg gelijk verdelen, krijgt alleen de (ex)partner met het laagste inkomen de urgentieverklaring.
De in dit artikel opgenomen urgentiecategorie ziet toe op woningzoekenden die vanwege stadsvernieuwing hun huidige woning moeten verlaten. Zie de cumulatieve voorwaarden van het eerste lid.
De in dit artikel opgenomen urgentiecategorie ziet toe op woningzoekenden die te maken hebben met multiproblematiek en op die grond in aanmerking komen voor urgentie.
Bij het opstellen van de hardheidsclausule is rekening gehouden met aanwijzing 76 uit de VNG-uitgave “100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever, vierde, herziene editie 2023”. De hardheidsclausule noemt, ter voorkoming van verboden ‘blanco delegatie’, de specifieke bepalingen waar burgemeester en wethouders bij het gebruiken van de hardheidsclausule van af kunnen wijken. Deze hardheidsclausule maakt het mogelijk om af te wijken van het eerste lid in de artikelen 3.1.2. en 3.1.3.. Dit maakt dat er toch een urgentie kan worden verleend ook al voldoet een woningzoekende niet aan de eisen van de urgentie categorieën uit paragraaf 3.2.
Hoofdstuk 4 Standplaatsen voor woonwagens
Dit hoofdstuk gaat in op de toewijzing van standplaatsen. Beleid op het gebied van standplaatsen kan ook in aanverwant beleid worden opgenomen. Voor de transparantie is gekozen om dat aanverwante beleid op te nemen in de huisvestingsverordening. Urgentie is niet geldig in dit deel van de woningvoorraad, omdat er dermate weinig aanbod is en dit aanbod door de krapte beschikbaar moet blijven voor de doelgroep. De gemeente Leusden heeft op dit moment geen standplaatsen, deze zijn dus schaars. Regels voor de toewijzing van de toekomstige standplaatsen zijn gebaseerd op het afstammingsbeginsel, om de cultuur van de bewoners te beschermen.
Paragraaf 4.1 Huisvestingsvergunning voor standplaatsen
Het is verplicht om een huisvestingsvergunning te hebben voordat een standplaats mag worden verhuurd. Deze vergunningen worden gegeven door de gemeente. Dit kan gemandateerd worden.
Dit artikel behoeft geen toelichting.
Dit artikel bevat aanvullende begripsomschrijvingen.
Het begrip ‘standplaats’ wordt gedefinieerd in artikel 1 van de Huisvestingswet 2014 en is daarom hier niet nogmaals gedefinieerd.
In dit artikel wijst de gemeenteraad de huisvestingsvergunningplichtige woonruimte – hier specifiek: standplaatsen – aan. Verder is tot uitdrukking gebracht dat het verbod om zonder daartoe strekkende huisvestingsvergunning de hier aangewezen woonruimte in gebruik te geven of te nemen, in artikel 8 van de Huisvestingswet 2014 staat.
Paragraaf 4.2 Aanvragen, verlenen en weigeren van de huisvestingsvergunning voor standplaatsen
In het eerste lid wordt aangegeven waar de huisvestingsvergunning aangevraagd dient te worden en dat burgemeesters en wethouders hiervoor een formulier kunnen vaststellen. In het tweede lid is aangegeven, welke informatie in ieder geval met de aanvraag wordt ingediend.
In dit artikel is de categorieën woningzoekenden aangewezen die in aanmerking komt voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning. Door de aanwijzing van deze categorieën woningzoekenden geeft de gemeenteraad uitvoering aan artikel 10, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014. De basis voor de selectie van welke woningzoekenden in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning voor een standplaats is het afstammingsbeginsel. Iemand wordt gezien als behorend tot de doelgroep woonwagenbewoners wanneer deze persoon op dit moment op een woonwagenlocatie woont, eerder op een woonwagenlocatie heeft gewoond of afstamt van (groot-) ouders die in een woonwagen wonen of hebben gewoond.
In het eerste lid van dit artikel wordt aangegeven, dat burgemeester en wethouders beslissen over het verlenen, weigeren, wijzigen en intrekken van de huisvestingsvergunning. Dit is overeenkomstig de normale, in de Gemeentewet geregelde, verdeling van bevoegdheden over de bestuursorganen van de gemeente.
Het tweede lid geeft aan, in welke gevallen burgemeester en wethouders de huisvestingsvergunning in ieder geval weigeren. Dit is in het geval dat de woningzoekende niet in aanmerking komt, bijvoorbeeld doordat deze niet voldoet aan het afstammingsbeginsel (a), niet is ingeschreven bij het zoekplatform (b), of niet voldoet aan de inkomensgrens voor sociale huur (c). Ook kan een andere woningzoekende voorrang krijgen (d) of is de standplaats niet volgens de regels aangeboden (e). Daarmee geeft het tweede lid uitvoering aan artikel 9 van de Huisvestingswet 2014.
Dit artikel bepaalt wat er tenminste in een huisvestingsverordening vermeld moet staan. Het tweede lid benoemt de mogelijkheid in artikel 19 van de Huisvestingswet 2014 om een mandaat te geven om huisvestingsvergunning te verlenen.
Paragraaf 4.3 Inschrijving van woningzoekenden en bekendmaken van het aanbod
Dit artikel bevat regels voor de inschrijving van woningzoekenden die in aanmerking willen komen voor een standplaats. Die inschrijving vindt plaats in het door de gemeente ingerichte digitale platform.
Standplaatsen worden voor minimaal 3 dagen aangeboden op het door de gemeente ingerichte digitale platform. Gedurende deze termijn gaat de verhuurder niet tot selectie van de beoogde huurder over. Het is namelijk belangrijk, dat de woningzoekenden die gelet op paragraaf 4.4, voorrang hebben bij de verlening van een huisvestingsvergunning, voldoende kans hebben om op de aangeboden woonruimte te reageren en om als beoogd huurder geselecteerd te worden.
Het tweede lid stelt meer inhoudelijke eisen aan het aanbod van de standplaats. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 20 van de Huisvestingswet 2014. Het vierde lid geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om over bepaalde onderwerpen nadere regels te stellen.
Paragraaf 4.4 Volgorde waarin woningzoekenden voor een standplaats in aanmerking komen
Artikel 4.4.1 Algemene volgordebepaling
Dit artikel beschrijft hoe bepaald wordt, in welke volgorde de woningzoekenden in aanmerking komen voor de huisvestingsvergunning voor een standplaats. Deze volgorde is gebaseerd op het afstammingsbeginsel
Artikel 4.4.2. Voorrang vanwege economische en maatschappelijke gebondenheid
Dit artikel vult de volgordebepaling binnen groepen aan. Bij toewijzing wordt de volgende rangorde gehanteerd (op 1 staat de persoon die als eerste in aanmerking komt):
* Voorwaarde is dat de betreffende hoofdhuurder ten minste twee jaar staat ingeschreven op de woonwagenlocatie.
4.4.3. Specifieke volgordebepaling
Bij gelijke gevallen binnen een categorie van artikel 4.4.2. geldt dat de standplaatszoekende met de oudste inschrijfdatum voorgaat op andere standplaatszoekenden uit dezelfde categorie.
2.3. Hoofdstuk 5 Overige bepalingen
Paragraaf 5.1 Bestuurlijke boete
Dit artikel regelt het door het college van burgemeester en wethouders opleggen van een bestuurlijke boete wegens het zonder huisvestingsvergunning in gebruik geven of nemen van aangewezen woonruimte. Gelet op artikel 35 van de Huisvestingswet 2014 stelt de gemeenteraad in de huisvestingsverordening het bedrag (dus: de hoogte) van de bestuurlijke boete vast. Dit gebeurt in het tweede en derde lid van artikel 5.1.1.
Dit artikel bevat overgangsrechtelijke regels. Is een aanvraag ingediend voor inwerkingtreding van deze verordening, maar is daar na inwerkingtreding nog niet op beslist? Dan past het college van burgemeester en wethouders bij de beslissing op die aanvraag deze verordening toe.
Bij de behandeling van bezwaar of beroep tegen een besluit dat is genomen met de toepassing van de vorige verordening, blijft het oude recht van toepassing.
Urgentieverklaringen die voor inwerkingtreding van deze verordening zijn verleend, blijven (voor zover zij nog gelden) van kracht: zij worden gelijkgesteld met urgentieverklaring die zijn afgegeven met toepassing van deze verordening.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-285548.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.