Gemeenteblad van Amsterdam
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Amsterdam | Gemeenteblad 2025, 279301 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Amsterdam | Gemeenteblad 2025, 279301 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Referendumverordening Amsterdam
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
De raad kan op advies van de Initiatief- en referendumcommissie naast de uitzonderingen genoemd in het eerste lid, andere besluiten over aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de raad vallen onderscheidenlijk over voorgenomen collegebesluiten die voor wensen en bedenkingen aan de raad worden voorgelegd uitzonderen van referenda, alternatieve burgervoorstellen of volksinitiatieven.
Hoofdstuk 2 De Initiatief- en referendumcommissie
Artikel 6 Taken Initiatief- en referendumcommissie
De Initiatief- en referendumcommissie is belast met de behandeling en afhandeling van meldingen over incorrecte uitvoering van deze verordening, de voorlichting of informatievoorziening en de wijze waarop campagnes worden gevoerd. De Initiatief- en referendumcommissie kan haar oordeel openbaar maken.
Hoofdstuk 3 Referendum over een ontwerpraadsbesluit of voorgenomen collegebesluit
Artikel 10 Opschortende werking
Wanneer een inleidend verzoek wordt ingewilligd, wordt de besluitvorming over het ontwerpraadsbesluit zoals dat luidt na verwerking van eventuele aangenomen amendementen dan wel het voorgenomen collegebesluit waarop het verzoek zich richt, aangehouden tot maximaal twee maanden nadat het referendum heeft plaatsgevonden dan wel tot onherroepelijk vaststaat dat geen referendum wordt gehouden.
Hoofdstuk 4 Alternatief burgervoorstel en referendum over een alternatief burgervoorstel
Artikel 19 Opschortende werking
Wanneer een inleidend verzoek wordt ingewilligd, wordt de besluitvorming over het ontwerpraadsbesluit zoals dat luidt na verwerking van eventuele aangenomen amendementen dan wel het voorgenomen collegebesluit waarop het verzoek zich richt, aangehouden tot maximaal twee maanden nadat het referendum heeft plaatsgevonden dan wel tot onherroepelijk vaststaat dat geen referendum wordt gehouden.
Hoofdstuk 6 Volksinitiatief en referendum op volksinitiatief
Het volksinitiatief mag niet meerdere onderwerpen bevatten die geheel losstaan van elkaar of betrekking hebben op een genomen raadsbesluit minder dan vijf jaar voor de indiening van het inleidend verzoek voor agendering van een volksinitiatief of een voor de raad geagendeerd ontwerpraadsbesluit of voorgenomen collegebesluit.
Artikel 32 Alternatief raadsvoorstel
Het alternatieve raadsvoorstel mag niet meerdere onderwerpen bevatten die geheel losstaan van elkaar of betrekking hebben op een genomen raadsbesluit minder dan vijf jaar voor de indiening van het inleidend verzoek voor agendering van een volksinitiatief of een voor de raad geagendeerd ontwerpraadsbesluit of voorgenomen collegebesluit.
Artikel 37 Vaststelling van de uitslag en besluitvorming na referendum
Indien de raad een alternatief raadsvoorstel heeft geformuleerd als bedoeld in artikel 28, stelt het centraal stembureau vast hoeveel stemmen voor het alternatief raadsvoorstel, het volksinitiatief en geen van beide zijn uitgebracht, alsmede het aantal blanco en ongeldige stemmen en het aantal stemmen bij volmacht. Het voorstel dat de meeste stemmen heeft, wordt geacht de voorkeur van de kiesgerechtigde te hebben.
Hoofdstuk 7 Nadere regels voor referenda op initiatief van kiesgerechtigden
De stemming vindt plaats niet eerder dan vijf maanden en niet later dan tien maanden na de dag waarop besloten is tot het houden van een referendum. De raad kan deze termijn gemotiveerd verlengen om de stemming te combineren met een periodieke verkiezing van de raad, Provinciale Staten, de Tweede Kamer of het Europees Parlement of om te voorkomen dat de stemming in een schoolvakantie voor het basis- en voortgezet onderwijs valt die voor de regio is aangewezen.
Artikel 39 Organisatie en uitvoering referendum en stemming
Het college is belast met de organisatie en uitvoering van een referendum. De stemming wordt zoveel mogelijk op dezelfde manier georganiseerd als de verkiezingen voor de leden van de raad.
Op de procedure ter voorbereiding, stemming, en de vaststelling en bekendmaking van de uitslag van het referendum zijn – voor zover relevant voor een referendum – de hoofdstukken E, J, L, N, en P van de Kieswet van overeenkomstige toepassing, voor zover bij deze verordening niet anders is bepaald.
Indien het onderwerp van het referendum slechts de inwoners van een kleiner deel van de gemeente raakt, kan de raad in afwijking van artikel 40, eerste lid en na advies van de Initiatief- en referendumcommissie en de stadsdeelcommissie(s) die het aangaat, bepalen dat slechts de inwoners van een of enkele stadsdelen kiesgerechtigd zijn voor het referendum.
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 12 juni 2025.
De voorzitter
Femke Halsema
De plaatsvervangend raadsgriffier
Dafne Struijk
Toelichting behorende bij de Referendumverordening Amsterdam
Aanleiding voor het vaststellen van een nieuwe verordening
De Initiatief- en referendumcommissie heeft naar aanleiding van het referendum Hoofdgroenstructuur een evaluatie uitgebracht. In deze evaluatie heeft de Initiatief- en referendumcommissie een (groot) aantal aanbevelingen gedaan. Veel aanbevelingen hadden betrekking op het verduidelijken dan wel wijzigen van de Referendumverordening Gemeente Amsterdam 2022. Voorgaande vormt de voornaamste aanleiding voor de herziening. De aanpassingen van de verordening inclusief de toelichting zijn technisch van aard en dragen bij aan de (praktische) uitvoerbaarheid van de verordening. Met deze herziening is getracht de regels te verduidelijken in de wetenschap dat de praktijk zich niet makkelijk in regels laat vatten. De ervaringen en kennis die bij een volgend referendum worden opgedaan, zullen waarschijnlijk dan ook weer aanleiding geven tot het herzien van deze verordening.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
In dit artikel worden de begrippen die in de verordening gehanteerd worden omschreven. Dit is vooral van belang zodat duidelijk is wat het verschil is tussen de verschillende instrumenten.
Artikel 2 Referendum, initiatief, onderwerpen
Deze verordening kent een raadgevend en niet een raadplegend referendum. Een raadgevend referendum is een referendum op initiatief van kiesgerechtigden. In deze verordening zijn er binnen het raadgevend referendum er drie referendumvormen mogelijk, namelijk:
Deze drie referendumvormen hebben met elkaar gemeen dat zij betrekking kunnen hebben op:
besluiten van het college die op grond van artikel 169, vierde lid, van de Gemeentewet1 voor wensen en bedenkingen aan de raad worden voorgelegd.
Voor de referendumvormen referendum en alternatief burgervoorstel is het noodzakelijk dat het referendum(verzoek) betrekking heeft op een ontwerpraadsbesluit of een voorgenomen collegebesluit dat op de agenda van de raad staat. Dat is niet het geval bij een volksinitiatief. Deze referendumvorm kan alleen op initiatief van kiesgerechtigden plaatsvinden en is dus niet gekoppeld aan een ontwerpraadsbesluit of voorgenomen collegebesluit.
Besluiten waar de burgemeester verantwoordelijk voor is, zijn referendabel als ze vallen onder de bevoegdheid van de raad, maar niet als het besluiten zijn in het kader van een zelfstandige bevoegdheid van de burgemeester. Het besluit van de raad om de burgemeester – bijvoorbeeld – de bevoegdheid te verlenen om veiligheidsrisicogebieden aan te wijzen (op grond van artikel 151b van de Gemeentewet) is dus wel referendabel. Het vervolgens gebruik maken van die bevoegdheid door de burgemeester door een concreet aanwijzingsbesluit te nemen, is niet referendabel. Besluiten in het kader van de zelfstandige openbare-ordebevoegdheden van de burgemeester op grond van artikel 172 en volgende van de Gemeentewet zijn daarom niet referendabel.
In dit artikel zijn de uitzonderingen ofwel niet referendabele besluiten opgenomen. Deze uitzonderingen zijn op zich niet gewijzigd ten opzichte van de (intenties van de) Referendum-verordening Gemeente Amsterdam 2022, maar op enkele punten nader geduid. Dit met als doel om duidelijkheid te verschaffen en misverstanden te voorkomen.
Een referendum gaat niet over juridische geschillen die onder de rechter zijn of in behandeling zijn van de bezwaarschriftencommissie. Het recht moet in dergelijke situatie zijn loop hebben. Besluiten dienaangaande zijn daarom niet referendabel.
Artikel 3, eerste lid, sub b en c
Een referendum gaat niet over (individuele) personen maar over beleid. Beslissingen die betrekking hebben op personen – niet alleen rechtspositionele besluiten zoals benoeming, ontslag, disciplinaire maatregelen, maar ook bijvoorbeeld kwijtscheldingen of schenkingen - zijn daarom niet referendabel. Dit betreft zowel de ambtsdragers (raadsleden, burgemeester, wethouders, ombudsman, leden en voorzitters van het dagelijks bestuur van een stadsdeel of stadsgebied, en van stadsdeelcommissies) als de ambtenaren en werknemers van de gemeente Amsterdam.
Het voor kennisgeving aannemen van bijvoorbeeld brieven of nota’s betekent dat de raad geen besluit neemt over deze stukken.
Voor het begin van elk jaar moet de raad een begroting vaststellen (artikel 191, eerste lid, van de Gemeentewet). Zonder deze begroting kan een gemeente in het komende kalenderjaar geen uitgaven doen. Vertraging in het begrotingsproces is niet wenselijk, en besluiten daaromtrent zijn daarom niet referendabel. Niet-tijdig vaststellen van een begroting zou strijd met de Gemeentewet opleveren.
De raad besluit jaarlijks over de tarieven (de Gemeentewet noemt ze ‘rechten’) en belastingen (artikelen 216 en 229 van de Gemeentewet). Net als bij het vaststellen van de begroting wordt de gemeentelijke uitvoeringsorganisatie ernstig belemmerd als dit besluit niet op tijd zou kunnen worden genomen als gevolg van een referendumverzoek. Daarnaast is het denkbaar dat het besluit over tarieven en belastingen met enige regelmaat onderwerp van een referendumverzoek wordt enkel om te protesteren tegen de hoogte van de gemeentelijke tarieven en belastingen. Het referenduminstrument is hier niet voor bedoeld.
Er wordt een aantal besluiten genomen tijdens het referendumproces. Bijvoorbeeld een besluit over een inleidend verzoek, wijzigingsverzoek en definitief verzoek, over de datum en over de vraagstelling. Als een dergelijk besluit referendabel zou zijn zou het referendumproces verstoord worden.
Als de raad slechts kan instemmen met beleid dat vastgesteld is door een hogere regelgever, is een referendum niet mogelijk. De raad heeft dan immers niet de mogelijkheid of bevoegdheid om het beleid te veranderen.
Deze uitzondering is identiek aan de al bestaande. Over de vraag of ook de vaststelling van een omgevingsplan uitgezonderd moet worden van referenda hoopt de Initiatief- en referendumcommissie in de nabije toekomst een nader advies uit te brengen.
Bij complexe onderwerpen worden door de raad vaak verschillende opeenvolgende besluiten genomen (vaak gedurende enkele jaren). Het betreft dan nauw aan het oorspronkelijke besluit gerelateerde vervolgbesluiten die direct voortvloeien uit het eerder genomen besluit. Het is aan de inwoners om alert te zijn en bij het eerste, oorspronkelijke besluit waarbij mogelijk ingestemd wordt met het project een referenduminitiatief te starten. Daarna is het niet meer mogelijk. Het is niet de bedoeling dat de specifieke uitvoering van een (omvangrijk) project, waarover is besloten (en dat in essentie is goedgekeurd), op een later moment nog ter discussie wordt gesteld met een referendum.
Dit lid is bij de vaststelling bij amendement (nummer 230.25) van de leden Broersen (Volt), Nadif (GroenLinks) en Hofland (D66) toegevoegd. De reden hiervoor is dat de Referendumverordening Amsterdam tot doel moet hebben om op heldere en transparante wijze duidelijkheid te bieden over de rechten en grenzen van de referendavormen en dat uitzonderingen op referenda ondubbelzinnig en limitatief geformuleerd moeten zijn.
Deze bepaling sluit aan bij art. 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet.
Hoofdstuk 2 De Initiatief- en referendumcommissie
Artikel 5 Samenstelling Initiatief- en referendumcommissie
De Initiatief- en referendumcommissie bestaat uit vijf leden: een voorzitter en vier leden. De leden zijn onafhankelijk en worden voor zes jaar benoemd met de mogelijkheid om eenmalig herbenoemd te worden. De (her)benoeming geschiedt op separate voordracht van het college door de raad. De Initiatief- en referendumcommissie wordt ambtelijk ondersteund door de raadsgriffie. De raadsgriffie houdt – wanneer niet alle leden tegelijkertijd benoemd zijn - ook een aan- en aftreedschema bij van de leden van de Initiatief- en referendumcommissie.
De voorzitter en de leden van de Initiatief- en referendumcommissie dienen onafhankelijk te zijn. Dit betekent dat zij geen deel kunnen uitmaken van, of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van, bestuursorganen van de gemeente. De uitzonderingen genoemd in art. 5, derde lid onder a. en c. vloeien overigens al voort uit art. 84, tweede lid, van de Gemeentewet. De uitzondering in het derde lid onder f. omvat alle door het gemeentebestuur aangestelde ambtenaren, ook degenen die – zoals de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand – een eigen wettelijke bevoegdheid hebben.
Artikel 6 Taken Initiatief- en referendumcommissie
De Initiatief- en referendumcommissie kan gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen aan het college en de raad. In dit artikel is een opsomming opgenomen van zaken waarover de Initiatief- en referendumcommissie advies uitbrengt. Deze opsomming is uitgebreider dan in de Referendumverordening Gemeente Amsterdam 2022, omdat vanuit de praktijk er behoefte was aan concrete benoeming van taken. De opsomming is echter niet limitatief. Er kunnen dus ook zaken zijn die niet in de opsomming zijn opgenomen, maar wel voorgelegd kunnen worden aan de Initiatief- en referendumcommissie. Dit omdat er bijvoorbeeld vanuit het college/raad behoefte aan bestaat.
Voorts heeft de Initiatief- en referendumcommissie met name in de uitvoerende fase van een referendum een toezichthoudende taak op het referendumproces. Ook hier kan de Initiatief- en referendumcommissie de uitvoerende organisatie met raad en daad bijstaan.
Visualisatie van het (globale) proces van de drie referendumvormen
Hoofdstuk 3 Referendum over een ontwerpraadsbesluit of voorgenomen collegebesluit
Eén van de aanbevelingen van de Initiatief- en referendumcommissie naar aanleiding van het referendum Hoofdgroenstructuur was om aan de initiatiefnemers een motivering te vragen waarom zij voor een bepaalde referendumvorm hebben gekozen en waarom niet voor een andere vorm. Met de motivering wil de initiatief- en referendumcommissie achterhalen wat de initiatiefnemers met hun referendum hopen te bereiken en kan zij gerichter adviseren over de vraag of de initiatiefnemers ook de juiste referendumvorm hebben gekozen, of dat eventueel bijsturing nodig is (zie ook de toelichting op hoofdstuk 5). De Initiatief- en referendumcommissie brengt over het inleidend verzoek inclusief motivering een advies uit aan de raad en eventueel het college.
Artikel 8 Ondersteuning inleidend verzoek
Een inleidend verzoek moet ondersteund worden door 1.000 ondersteuningsverklaringen. De ondersteuningsverklaringen kunnen worden ingediend op een door de raad verstrekt formulier. Doorgaans is er voorafgaand aan het indienen van een inleidend verzoek contact tussen initiatiefnemers en de raadsgriffie. De raadsgriffie is het aanspreekpunt voor initiatiefnemers.
De ondersteuningsverklaringen worden gecontroleerd op geldigheid, bijvoorbeeld of de ondersteuningsverklaring is afgegeven door een kiesgerechtigde en/of niet dubbel is ingediend. Nadat de termijn voor het indienen van een ondersteuningsverklaring is geëindigd wordt er een proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal wordt bij de besluitvorming over het inleidende verzoek betrokken.
Artikel 9 Inwilligen inleidend verzoek
De raad is bevoegd een inleidend verzoek in te willigen. De Initiatief- en referendumcommissie brengt voordat de raad een besluit neemt een advies uit over het inleidende verzoek.
De raad kan in vergadering beslissen over het inwilligen van het inleidende verzoek maar kan dat besluit ook verdagen. Een reden hiervoor kan zijn gelegen in de wens nog nader overleg te plegen met de initiatiefnemers. Na het inwilligen van het inleidende verzoek hebben de initiatiefnemers de mogelijkheid om van referendumvorm te veranderen, zie verder artikel 25 t/m 28.
Artikel 10 Opschortende werking
Wanneer de raad een inleidend of wijzigingsverzoek inwilligt, wordt de besluitvorming over het ontwerpraadsbesluit of voorgenomen collegebesluit aangehouden. Voorgaande betekent dat het ontwerpraadsbesluit of voorgenomen collegebesluit zoals op de agenda van de raad staat, wel wordt behandeld. De gang van zaken rond een wijzigingsverzoek wordt behandeld in hoofdstuk 5, artikel 25 t/m 28.
Bij deze behandeling kunnen er amendementen (enkel in geval van een ontwerpraadsbesluit) en moties worden ingediend. Over de amendementen zal dan gestemd worden maar over de voordracht en ingediende moties niet. De besluitvorming over de voordracht en de ingediende moties wordt dus aangehouden. Het geamendeerde ontwerpraadsbesluit of het voorgenomen collegebesluit vormt dan het onderwerp van een definitief referendumverzoek. De termijn die is opgenomen biedt de mogelijkheid om als raad in gesprek te gaan met de initiatiefnemers.
Spoedeisende besluiten mogen wel genomen worden. In dat geval vindt het referendum over het oorspronkelijke ontwerpbesluit achteraf plaats.
In de Referendumverordening Gemeente Amsterdam 2022 heeft het definitieve verzoek geen ‘eigenaar’. In de nu voorgelegde concept-wijziging is zo’n eigenaar in art. 11, eerste lid onder b., wel opgenomen: de initiatiefnemers van het inleidende verzoek.
Een definitief verzoek voor een referendum wordt als volgt ingediend. Het definitieve verzoek en de benodigde tienduizend ondersteuningsverklaringen van kiesgerechtigden moeten worden ingediend binnen een termijn van tien weken. Doorgaans is er in deze fase contact tussen de initiatiefnemers en de raadsgriffie. De raadsgriffie is het aanspreekpunt voor initiatiefnemers.
De voorzitter van de raad bepaalt wanneer de termijn van tien weken start en eindigt. In dit stadium toetst de raad nog slechts of voldoende geldige ondersteuningsverklaringen zijn ingediend. Is dat het geval, dan wordt het definitieve verzoek toegelaten.
Bij het bepalen van de aanvangstermijn van de tien weken kan de voorzitter van de raad in overleg treden met de initiatiefnemers.
Artikel 12 Ondersteuning definitief verzoek
Een definitief verzoek moet ondersteund worden door 10.000 ondersteuningsverklaringen. De ondersteuningsverklaringen kunnen worden ingediend op een door de raad verstrekt formulier. Doorgaans is er voorafgaand aan het indienen van een definitief verzoek contact tussen initiatiefnemers en de raadsgriffie. De raadsgriffie is het aanspreekpunt voor initiatiefnemers.
De ondersteuningsverklaringen worden gecontroleerd op geldigheid, waarbij er bijvoorbeeld op gelet wordt of de ondersteuningsverklaring is afgegeven door een kiesgerechtigde en/of zij niet dubbel is ingediend. In het geval dat het aantal benodigde geldige ondersteuningsverklaringen binnen tien weken is ontvangen, is aan de ontvankelijkheidseis voor een definitief verzoek voldaan, wordt de telling gestopt en de mogelijkheid van het indienen van een ondersteuningsverklaring beëindigd.
Nadat de termijn voor het indienen van een ondersteuningsverklaring is geëindigd of het vereiste aantal geldige ondersteuningsverklaringen binnen de termijn is ontvangen, wordt er een proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal wordt bij de besluitvorming over het definitieve verzoek betrokken.
De ondersteuningsverklaringen die zijn ingediend bij een inleidend verzoek en eventueel wijzigingsverzoek komen te vervallen nadat het inleidende verzoek en eventueel wijzigingsverzoek is ingewilligd. Dit betekent dat 10.000 (nieuwe) ondersteuningsverklaringen ingediend moeten worden. Het is dus mogelijk dat een kiesgerechtigde drie keer een ondersteuningsverklaring indient: voor het inleidende verzoek, het wijzigingsverzoek en het definitieve verzoek.
Artikel 13 Besluit op definitief verzoek
De raad neemt een besluit over het definitieve verzoek. De Initiatief- en referendumcommissie brengt voordat de raad een besluit neemt een advies uit over het definitieve verzoek.
Artikel 14 Naamgeving en vraagstelling referendum
De raad stelt de naamgeving en vraagstelling vast. De vraagstelling moet kort en helder zijn en de verordening legt de vorm van de vraagstelling in beginsel vast (art. 14, derde lid). De vraagstelling wordt hier ingekaderd om te zorgen dat de vraagstelling zo neutraal mogelijk wordt en te voorkomen dat zij onderwerp wordt van een (nadere) politieke kleuring. De advisering van de Initiatief- en referendumcommissie zal erop gericht zijn bij te dragen aan een maximaal duidelijke en neutrale vraagstelling.
Artikel 15 Vaststelling van de uitslag en besluitvorming na referendum
De uitslag wordt bepaald door het vaststellen van hoeveel stemmen voor dan wel tegen het ontwerpraadsbesluit of voorgenomen collegebesluit zijn uitgebracht, waarbij blanco en ongeldige stemmen buiten beschouwing worden gelaten. De verordening kent geen minimaal vereist opkomst- of deelnamepercentage. Het centraal stembureau stelt de uitslag vast. Voor het – onwaarschijnlijke – geval dat wordt vastgesteld dat er onregelmatigheden hebben plaatsgevonden is de mogelijkheid opgenomen dat de raad tot een hertelling besluit.
Hoofdstuk 4 Alternatief burgervoorstel en referendum over een alternatief burgervoorstel
Speciale aandacht is nodig voor een onderbouwd voorstel die vereist is als onderdeel van een inleidend verzoek voor het alternatief burgervoorstel. Inherent aan deze referendumvorm is dat de initiatiefnemers zich hebben verdiept in het onderwerp waarover men met een alternatief burgervoorstel wil komen. Deze verdieping komt tot uiting in het schrijven van een onderbouwd voorstel. Wanneer dit onderbouwde voorstel is opgesteld of bijna is uitgewerkt kunnen initiatiefnemers een verzoek om ambtelijke ondersteuning doen om het onderbouwde voorstel te checken dan wel aan te vullen op basis van gegevens/informatie die de ambtelijke ondersteuning kan leveren. Het is enkel mogelijk om ambtelijke ondersteuning te vragen wanneer er al een concept onderbouwd voorstel aanwezig is. Doorgaans is er voorafgaand aan het indienen van een inleidend verzoek contact tussen initiatiefnemers en de raadsgriffie. De raadsgriffie is het aanspreekpunt voor initiatiefnemers.
Artikel 17 Ondersteuning inleidend verzoek
Artikel 18 Inwilligen inleidend verzoek
De behandeling van een alternatief burgervoorstel door de raad vindt plaats als volgt. De raad kan een alternatief burgervoorstel overnemen. Dan eindigt het initiatief. Een delegatie uit de raad kan namens de raad ook in overleg treden met de initiatiefnemers.
Het recht van initiatiefnemers om hun alternatieve burgervoorstel in te trekken, maakt het mogelijk voor de raad en de initiatiefnemers om in overleg te treden en tot een compromis te komen. Zo kunnen beiden een referendum met een voor hen onzekere uitkomst voorkomen. Lukt het bereiken van een compromis niet, dan hebben de initiatiefnemers het recht om met steun van 10.000 ondersteuningsverklaringen een definitief verzoek voor een referendum in te dienen. Tijdens de termijn voor het indienen van een definitief verzoek kunnen de raad en de initiatiefnemers alsnog tot een compromis komen. Het referendum gaat dan niet door.
Artikel 19 Opschortende werking
Zie toelichting op artikel 10.
Zie toelichting op artikel 11.
Artikel 21 Ondersteuning definitief verzoek
Zie toelichting op artikel 12.
Artikel 22 Besluit op definitief verzoek
Zie toelichting op artikel 13.
Artikel 23 Naamgeving en vraagstelling referendum
Zie toelichting op artikel 14.
Kiezers kunnen voor het ontwerpraadsbesluit/voorgenomen collegebesluit stemmen of voor het alternatieve burgervoorstel of voor geen beide.
Artikel 24 Vaststelling van de uitslag en besluitvorming na referendum
Zie toelichting op artikel 15.
Hoofdstuk 5 Overstappen op een andere referendumvorm
Artikel 25 Overstappen op een andere referendumvorm
De Initiatief- en referendumcommissie heeft naar aanleiding van het referendum Hoofdgroenstructuur aanbevolen om het mogelijk te maken om van referendumvorm te kunnen wisselen.
In de voorliggende concept-verordening is het mogelijk tussen twee referendumvormen over te stappen, namelijk van referendum over een ontwerpraadsbesluit/voorgenomen collegebesluit op alternatief burgervoorstel of vice versa. Deze beide referendumvormen hebben betrekking op hetzelfde object, namelijk een ontwerp-raadsbesluit of voorgenomen collegebesluit. Wisseling met de referendumvorm ‘volksinitiatief’ is niet mogelijk, omdat die vorm geen betrekking heeft op een ontwerpraadsbesluit of voorgenomen collegebesluit.
De mogelijkheid om van referendumvorm over te stappen heeft geleid tot een extra stap in het proces. Voor het referendum of alternatief burgervoorstel dient eerst een inleidend verzoek ingediend te worden. Een inleidend verzoek dient te worden ondersteund door 1.000 ondersteunings-verklaringen met behulp van een door de raad beschikbaar gesteld formulier (elektronisch en/of analoog) en dient ook een motivering te bevatten voor de gekozen referendumvorm.
De Initiatief- en referendumcommissie brengt over het inleidende verzoek inclusief de opgegeven motivering advies uit. Vervolgens neemt de raad het besluit of het inleidend verzoek wordt ingewilligd. Wanneer de raad heeft besloten het inleidend verzoek in te willigen, hebben de initiatiefnemers bedenktijd om op een andere referendumvorm (zie hierboven) over te stappen. Aanleiding hiervoor kan het besprokene in de raad zijn. De bedenktijd is gebonden aan een – korte - termijn, namelijk tien dagen nadat de raad het inleidende verzoek heeft ingewilligd. Binnen die termijn kunnen de initiatiefnemers aan de voorzitter van de raad kenbaar maken dat zij willen overstappen op een andere referendumvorm. Ook hier is de raadsgriffie het aanspreekpunt voor initiatiefnemers.
Wanneer na het inwilligen van het inleidende verzoek de initiatiefnemers niet willen overstappen op een andere referendumvorm, hebben zij de mogelijkheid om een definitief verzoek in te dienen.
Wanneer de Initiatiefnemers van een inleidend verzoek van referendumvorm willen wijzigen, dan begint de procedure met het kenbaar maken van dit voornemen tot het indienen van een wijzigingsverzoek binnen tien dagen nadat de raad het inleidende verzoek heeft ingewilligd en moet kenbaar gemaakt worden bij de voorzitter van de raad.
Voor het indienen van een wijzigingsverzoek bij de voorzitter van de raad geldt – net als bij een inleidend verzoek - een termijn van zeven dagen, gerekend vanaf het moment dat kenbaar wordt gemaakt dat men van referendumvorm wil veranderen.
De Initiatief- en referendumcommissie brengt over het wijzigingsverzoek inclusief de gegeven motivering advies uit. Vervolgens neemt de raad het besluit of het wijzigingsverzoek wordt ingewilligd.
Artikel 27 Ondersteuning wijzigingsverzoek
Een wijzigingsverzoek moet ondersteund worden met 1.000 ondersteuningsverklaringen op een door de raad beschikbaar gesteld formulier (elektronisch en/of analoog), en moet een motivering worden gegeven voor het overstappen op een andere referendumvorm.
Het ‘opnieuw’ vragen van 1.000 ondersteuningsverklaringen is nodig omdat duidelijk moet zijn dat voldoende kiesgerechtigden hun ondersteuning geven aan de door de initiatiefnemers beoogde wijziging.
Doorgaans is er voorafgaand aan het indienen van een wijzigingsverzoek contact tussen initiatiefnemers en de raadsgriffie. De raadsgriffie is het aanspreekpunt voor initiatiefnemers.
De ondersteuningsverklaringen worden gecontroleerd op geldigheid, zodat kan worden vastgesteld of de ondersteuningsverklaring is afgegeven door een kiesgerechtigde en of er niet dubbel is ingediend. De ondersteuningsverklaringen die zijn ingediend bij een inleidend verzoek komen te vervallen nadat het inleidende verzoek is ingewilligd. Dit betekent dat opnieuw 1.000 ondersteuningsverklaringen ingediend moeten worden.
De ondersteuningsverklaringen die zijn ingediend voor een inleidend verzoek en/of een wijzigingsverzoek tellen niet mee als ondersteuningsverklaring voor een definitief verzoek. Dit betekent dat de kiesgerechtigde voor het inleidende verzoek een ondersteuningsverklaring kan indienen, later ook voor een wijzigingsverzoek, en weer later voor een definitief verzoek.
Nadat de termijn voor het indienen van een ondersteuningsverklaring is geëindigd wordt er een proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal wordt bij de besluitvorming over het wijzigingsverzoek betrokken.
Artikel 28 Inwilligen wijzigingsverzoek
De raad is bevoegd om een wijzigingsverzoek in te willigen. De Initiatief- en referendumcommissie brengt voordat de raad een besluit neemt een advies uit over het wijzigingsverzoek. De raad kan in vergadering beslissen over het inwilligen van het wijzigingsverzoek maar kan dat besluit ook verdagen, Bijvoorbeeld om nog nader overleg te plegen met de initiatiefnemers.
Hoofdstuk 6 Volksinitiatief en referendum op volksinitiatief
Een volksinitiatief is een recht van burgers op een volksstemming over een door burgers opgesteld voorstel. Het begrip ‘volksinitiatief’ is niet vastomlijnd. Het volksinitiatief is, net als het referendum, een uitingsvorm van directe democratie, waarbij de burgers rechtstreeks bij het besluitvormingsproces zijn betrokken. Dit in tegenstelling tot de representatieve democratie, waarin de burger door middel van zijn recht om invloed uit te oefenen op de samenstelling van vertegenwoordigend lichamen het besluitvormingsproces kan beïnvloeden. Oogmerk van zowel het referendum als volksinitiatief is dat de burger meer betrokken wordt bij de publieke besluitvorming.
Aanvullend hierop wordt ingegaan op een onderbouwd voorstel dat vereist is als onderdeel van een inleidend verzoek voor een volksinitiatiefvoorstel. Bij deze referendumvorm verdiepen initiatiefnemers zich in het onderwerp waarvoor men een volksinitiatief wil indienen. Deze verdieping komt tot uiting in het schrijven van een onderbouwd voorstel. Wanneer dit onderbouwde voorstel is opgesteld of bijna is uitgewerkt kunnen initiatiefnemers een verzoek om ambtelijke ondersteuning doen om het onderbouwde voorstel te checken dan wel aan te vullen op basis van gegevens/informatie die de ambtelijke ondersteuning kan leveren. Het is enkel mogelijk om ambtelijke ondersteuning te vragen wanneer er al een concept onderbouwd voorstel aanwezig is. Doorgaans is er voorafgaand aan het indienen van een inleidend verzoek contact tussen initiatiefnemers en de raadsgriffie. De raadsgriffie is het aanspreekpunt voor initiatiefnemers.
Artikel 30 Ondersteuning inleidend verzoek
Artikel 31 Inwilligen inleidend verzoek
Aanvullend hierop wordt nog het volgende opgemerkt. De raad kan een volksinitiatief overnemen. Dan eindigt het initiatief. Een delegatie uit de raad kan namens de raad ook in overleg treden met de initiatiefnemers. Het recht van initiatiefnemers om hun volksinitiatief in te trekken, maakt het mogelijk voor de raad en de initiatiefnemers om in overleg te treden en tot een compromis te komen. Zo kunnen beiden een referendum met een voor hen onzekere uitkomst voorkomen. Lukt het bereiken van een compromis niet, dan hebben de initiatiefnemers het recht om met steun van 10.000 ondersteuningsverklaringen een definitief verzoek voor een referendum in te dienen. Tijdens de termijn voor het indienen van een definitief verzoek kunnen de raad en de initiatiefnemers alsnog tot een compromis komen. Het referendum gaat dan niet door.
Artikel 32 Alternatief raadsvoorstel
De raad mag een alternatief raadsvoorstel indienen dat tegelijk met het volksinitiatief ter stemming wordt gebracht. Voor een alternatief raadsvoorstel gelden dezelfde vormvereisten als voor een volksinitiatief, zie artikel 29
Zie toelichting op artikel 11.
Artikel 34 Ondersteuning definitief verzoek
Zie toelichting op artikel 12.
Artikel 35 Besluit op definitief verzoek
Zie toelichting op artikel 13.
Artikel 36 Naamgeving en vraagstelling referendum
Zie toelichting op artikel 14.
Kiezers kunnen voor het volksinitiatief stemmen of voor het alternatief raadsvoorstel of voor geen van beide.
Artikel 37 Vaststelling van de uitslag en besluitvorming na referendum
Zie toelichting op artikel 15.
Hoofdstuk 7 Nadere regels voor referenda
Dit artikel regelt de vaststelling door de raad van de datum van het referendum. Om voldoende tijd te laten voor de campagne, vindt het referendum niet eerder dan vijf maanden en niet later dan tien maanden na de dag waarop besloten is – door inwilliging van een definitief verzoek - tot het houden van een referendum.
De raad kan van voornoemde termijn gemotiveerd afwijken om de combinatie met een verkiezing mogelijk te maken of om te voorkomen dat een stemming tijdens de schoolvakanties voor de regio Amsterdam plaatsvindt. De Initiatief- en referendumcommissie heeft tot taak advies te geven over de datum van het referendum.
Artikel 39 Organisatie en uitvoering referendum en stemming
Na de inwilliging van het definitief verzoek breekt er een nieuwe fase van het referendumproces aan, namelijk de uitvoeringsfase. In deze fase zijn bij de uitvoering van het raadsbesluit niet alleen de raad, de griffie en de Initiatief- en referendumcommissie betrokken, maar ook een aantal organisatieonderdelen van de gemeente. Het college (en dus niet de raad) is belast met de uitvoering van deze fase binnen de kaders die door de raad zijn vastgesteld en in deze verordening zijn neergelegd.
De stemming wordt volgens artikel 39 van de verordening zoveel mogelijk op dezelfde manier georganiseerd als de verkiezingen voor de leden van de raad. Het ligt voor de hand dat dan dezelfde onderdelen van de Kieswet van toepassing zijn. Dat regelt artikel 40. Dit artikel zorgt ervoor dat er wordt uitgegaan van de Kieswet zoals die geldt op het moment dat de stemming plaatsvindt.
De verwijzing naar de Kieswet betreft de volgende onderdelen:
De genoemde onderdelen van de Kieswet zijn van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat de bepalingen waarnaar wordt verwezen niet altijd letterlijk kunnen worden gevolgd. Dat betreft bijvoorbeeld de verwijzing naar kandidatenlijsten. Bij een referendum is er geen sprake van kandidatenlijsten. Daarom is in de verordening opgenomen ‘voor zover relevant voor een referendum’. De raad kan besluiten tot een gedeeltelijke of algehele hertelling (zie artikel 15).
Als de raad van mening is dat een ontwerpbesluit in de zin van artikel 2 een kleiner deel van de gemeente raakt, kan de raad besluiten om een referendum in een of meerdere stadsdelen te houden. Hierover wordt advies gevraagd aan de Initiatief- en referendumcommissie en de stadsdeeladviescommissie(s) die het aangaat. Het aantal ondersteuningsverklaringen voor het inleidende verzoek (of wijzigingsverzoek) blijft op 1.000, onafhankelijk van de grootte van het stadsdeel. Het aantal ondersteuningsverklaringen voor een definitief verzoek wordt verlaagd naar 3.000 (voor stadsdelen met minder dan 100.000 inwoners), 5.000 (voor al dan niet gecombineerde stadsdelen tussen 100.000 en 300.000 inwoners) en gehandhaafd op 10.000 voor (gecombineerde) stadsdelen met meer dan 300.000 inwoners. In vergelijking met buitenlandse voorbeelden zijn deze aantallen als redelijk te kenschetsen.
Daarnaast is het mogelijk dat het college besluit om een ontwerp stadsdeelbesluit voor te leggen voor wensen en bedenkingen aan de raad. In dat geval is het ontwerp stadsdeelbesluit ook referendabel. Referenda zijn immers mogelijk over aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de raad vallen en collegebesluiten die voor wensen en bedenkingen aan de raad worden voorgelegd op grond van artikel 169, vierde lid, van de Gemeentewet (artikel 2). Stadsdeelbesluiten gebaseerd op bevoegdheden die zijn gemandateerd aan het dagelijks bestuur of de voorzitter van het dagelijks bestuur kunnen daarom referendabel zijn, omdat de bevoegdheid bij het college blijft liggen. Bevoegdheden die gedelegeerd zijn aan (de voorzitter van) het dagelijks bestuur zijn niet referendabel. De bevoegdheden van de stadsdelen zijn neergelegd in de verordening stadsdelen en stadsgebied Amsterdam 2022. Dit zal naar verwachting niet veel voorkomen.
De raad stelt een budget vast voor de organisatie van het referendum, inclusief opening van de stembureaus, versturen van oproepkaarten en huis-aan-huisverspreiding van de referendumkrant en een digitale versie ervan. Daarnaast kan de raad ook een budget vaststellen voor inhoudelijk campagnevoeren door zowel de initiatiefnemers als door derde partijen en de gemeente.
De Subsidieregeling referendum Amsterdam 2023 is van kracht. Hierin zijn regels opgenomen voor activiteiten ter ondersteuning van campagneactiviteiten ten behoeve van het publieke debat en de meningsvorming over het ontwerpraadsbesluit dan wel voorgenomen collegebesluit waarop het referendum betrekking heeft. Het college verleent binnen de kaders van voornoemde subsidieregeling de subsidies. De Initiatief- en referendumcommissie heeft een adviserende taak in het kader van de subsidieverlening.
De raad kan een apart budget voor het college vaststellen voor activiteiten ter ondersteuning van campagneactiviteiten ten behoeve van het publieke debat en de meningsvorming over het ontwerpraadsbesluit dan wel voorgenomen collegebesluit waarop het referendum betrekking heeft. Met het oog op een gelijk speelveld tussen college en burgers mag het college niet meer geld gebruiken dan de raad heeft bepaald en mogen geen medewerkers en gemeentelijke communicatiekanalen worden ingezet.
Vanwege een gelijk speelveld dienen medewerkers zich politiek neutraal op te stellen. Dat betekent dat medewerkers een neutraal standpunt innemen en dus geen voorkeur uitspreken voor een bepaalde mening in een discussie of voor een bepaalde zijde gedurende het referendumproces. Deze onpartijdigheid stelt ambtenaren in staat om objectief, ongeacht de politieke kleur, werkzaamheden te verrichten. Dit bevordert een eerlijk en transparant referendumproces, is essentieel voor een goed functionerende democratie en draagt bij aan het vertrouwen in de overheid. Dit brengt ook met zich mee dat het college resp. de verantwoordelijke wethouder een persoonlijk en actief aandeel heeft in het publieke debat en de campagne. Daarnaast mag het college of de verantwoordelijke wethouder voor zijn of haar campagne geen gebruik maken van de gemeentelijke communicatiemiddelen en -kanalen.
Vanuit de ervaringen met andere referenda zijn er wel voorbeelden te geven wat mag en niet mag. Zo mogen ambtenaren de wethouder/college gewoon blijven ondersteunen ten aanzien van het werk dat er ligt. Het is dus toegestaan om een annotatie te schrijven of ondersteuning te bieden bij het opstellen van een tekst voor de referendumkrant. Echter de wethouder resp. het college is te allen tijde degene die akkoord geeft en het woord voert op bijvoorbeeld bijeenkomsten en debatten over het onderwerp van een referendum. Ook staat de wethouder resp. het college zelf (en niet een woordvoerder) de pers te woord over het onderwerp van een referendum. Zowel college als ambtelijke organisatie dienen zich bewust te zijn van hun positie en het belang van een gelijk speelveld. De Initiatief- en referendumcommissie kan hierover om advies gevraagd worden. Ervaring in andere gemeenten leert dat actief meedenken van de referendumcommissie – een actieve inschakeling van die commissie door de betrokken ambtenaren – de soepelheid van het referendumproces ten goede komt.
Voor wat betreft het gebruik van gemeentelijke communicatiekanalen wordt nog het volgende opgemerkt. Het college kan de gemeentelijke communicatiekanalen wel gebruiken voor neutrale opkomst bevorderende activiteiten. Deze activiteiten mogen niet verward worden met campagne activiteiten van het college resp. de verantwoordelijke wethouder.
De voorzitter van de raad is verantwoordelijk voor het uitbrengen van een referendumkrant. Een papieren versie van de referendumkrant wordt uiterlijk twee weken voor het houden van het referendum huis aan huis verspreid. Daarnaast wordt uiterlijk vier weken voor het referendum een toegankelijke digitale versie op de gemeentelijke website beschikbaar gesteld.
Het staat de voorzitter van de raad (of college) vrij om naast het uitbrengen van een referendumkrant ook andere instrumenten in te zetten om neutrale voorlichting over en/of ruchtbaarheid te geven aan het referendum. Dit kan bijvoorbeeld door het maken van een film en deze via lokale media te laten zien of flyers te verspreiden.
De Initiatief- en referendumcommissie houdt toezicht op het gehele referendumproces ter borging van de objectiviteit en onpartijdigheid van de informatie. De Initiatief- en referendumcommissie brengt dus geen advies uit over de redactie van de referendumkrant.
Het college en de initiatiefnemers krijgen gelijke ruimte (ieder krijgt een eigen pagina) voor hun argumenten in de referendumkrant. Er kan en mag dus geen eindredactie plaatsvinden op de argumenten van zowel college en de initiatiefnemers, tenzij dit door college dan wel initiatiefnemers is gewenst. Dit kan er in praktijk toe leiden dat er bijvoorbeeld spelfouten in de teksten kunnen staan. De inhoud van de ‘eigen’ pagina van initiatiefnemers en de ‘eigen’ pagina van het college is een exclusieve verantwoordelijkheid van die initiatiefnemers en die van het college, ieder voor hun ‘eigen’ pagina.
Ook wordt ervoor zorggedragen dat de informatie laagdrempelig en eenduidig is en wordt de mogelijkheid gegeven om de informatie breed te verspreiden via audiovisuele kanalen, geschikt voor laaggeletterden en visueel beperkten. Op die wijze worden deze groepen beter bereikt.
Dit artikel bevat de strafbepalingen voor degenen die overtredingen begaan bij de inzameling van ondersteuningsverklaringen en de stemming.
De Initiatief- en referendumcommissie brengt na elke gehouden referendum een evaluatie uit. De raad kan na vijf jaar na inwerkingtreding van de verordening deze evalueren.
Artikel 46 Intrekking oude verordening
Dit artikel bevat overgangsregels en regelt de ‘ophanging’ van een regeling die verbonden is aan de voorliggende verordening.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-279301.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.