Gemeenteblad van Deurne
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Deurne | Gemeenteblad 2025, 278788 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Deurne | Gemeenteblad 2025, 278788 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening tot eerste wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving Deurne 2021
DE RAAD VAN DE GEMEENTE DEURNE
Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 25 maart 2025, nr.;
Gelet op omgevingswet van 1 januari 2024;
Gelet op art. 3.16 van de Erfgoedwet
Vast te stellen de ‘Verordening tot eerste wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving Deurne 2021’.
Vast te stellen de archeologische verwachtingen- en waardenkaart Deurne 2025 en de cultuurhistorische waardenkaart Deurne 2025.
Afdeling 1 Algemene Bepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:
archeologisch onderzoek: locatiegericht onderzoek dat kan bestaan uit bureauonderzoek, booronderzoek, geofysisch prospectieonderzoek, het graven van proefsleuven of het uitvoeren van een opgraving. De verschillende vormen van onderzoek worden verricht dooreen erkende partij en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificaties in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).
gemeentelijk beschermd dorpsgezicht: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarden en in welke zich één of meer monumenten bevinden, zoals bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet en die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 4.4.1.1.
Artikel 4.1.1 Gemeentelijk erfgoedregister
Het college houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld.
Het gemeentelijk erfgoedregister bevat:
gegevens over door het college van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht;
gegevens over de door het college van gedeputeerde staten ontvangen afschriften van inschrijving van een monument die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, va de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht.
Indien de wijziging ziet op het schrappen uit het gemeentelijk erfgoedregister zijn artikelen 4.2.1.2, 4.3.1.6 en 4.4.1.2 van overeenkomstige toepassing, tenzij de onroerende of roerende zaak is tenietgegaan.
Afdeling 2 beschermd cultuurgoed
Paragraaf 1 Aanwijzing gemeentelijk beschermd cultuurgoed als onderdeel van een gemeentelijk beschermde verzameling
Artikel 4.2.1.1 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed als onderdeel van een gemeentelijke beschermde verzameling
Artikel 4.2.1.2 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling
Afdeling 3 Gemeentelijke monumenten
Paragraaf 1 Aanwijzing gemeentelijk monument
Artikel 4.3.1.1 Aanwijzing tot gemeentelijk monument
Artikel 4.3.1.2 Voorbescherming
Artikel 4.3.1.3 Advies gemeentelijke adviescommissie, termijn van advies en aanwijzingsbesluit
Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.3.1.1, eerste lid, advies aan de adviescommissie conform de bepalingen in de Verordening gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Deurne 2024. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven.
In het geval dat de adviescommissie op het moment dat het college een besluit neemt nog geen advies heeft uitgebracht én de in de Verordening gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Deurne 2024 genoemde termijn is verstreken, wordt de adviescommissie geacht het advies van de deskundige op het gebied van erfgoed te hebben overgenomen.
Artikel 4.3.1.4 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving
Artikel 4.3.1.5 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument
Artikel 4.3.1.6 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument
Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag dat het gemeentelijk monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciale omgevingsverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Paragraaf 2 Bescherming gemeentelijk monument
Artikel 4.3.2.1 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument
Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen, te vernielen of af te breken of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
Artikel 4.3.2.2 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument
De indieningsvereisten van de artikelen 7 .2 en 7 .3 van S 7.2.1 van de Omgevingsregeling en de artikelen 7.198 tot en met 7.205 van S 7.2.9 van de Omgevingsregeling zijn overeenkomstig van toepassing voor zover een aanvraag omgevingsvergunning betrekking heeft op gemeentelijke monumenten (artikel 4.3.2.3 lid 3 van deze verordening) of gebouwen in een beschermd dorpsgezicht (artikel 4.4.1.3 lid 3 van deze verordening), waarbij dan voor 'rijksmonument' moet worden gelezen 'gemeentelijk monument'.
Artikel 4.3.2.3 Advies gemeentelijke adviescommissie en beslistermijn
In het geval dat de adviescommissie op het moment dat het college een besluit neemt nog geen advies heeft uitgebracht én de in de Verordening gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Deurne 2024 genoemde termijn is verstreken, wordt de adviescommissie geacht het advies van de deskundige op het gebied van erfgoed te hebben overgenomen.
Artikel 4.3.2.4 Weigeringsgronden
De omgevingsvergunning voor een archeologisch monument kan alleen worden verleend indien door de aanvrager van de omgevingsvergunning door middel van archeologisch onderzoek conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld dat bij realisatie van de bodemingrepen:
Artikel 4.3.2.5 Voorschriften omgevingsvergunning
Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden wanneer en onder welke voorwaarden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, kan worden verleend of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid, kan worden opgelegd.
Afdeling 4 Beschermd dorpsgezicht
Paragraaf 1 Aanwijzing gemeentelijk beschermd dorpsgezicht
Artikel 4.4.1.1 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd dorpsgezicht
Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 4.4.1.2 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd dorpsgezicht
Artikel 4.4.1.3 Verbodsbepaling en omgevingsvergunning
De indieningsvereisten van de artikelen 7 .2 en 7 .3 van S 7.2.1 van de Omgevingsregeling en de artikelen 7.198 tot en met 7.205 van S 7.2.9 van de Omgevingsregeling zijn overeenkomstig van toepassing voor zover een aanvraag omgevingsvergunning betrekking heeft op gemeentelijke monumenten (artikel 4.3.2.3 lid 3 van deze verordening) of gebouwen in een beschermd dorpsgezicht (artikel 4.4.1.3 lid 3 van deze verordening), waarbij dan voor 'rijksmonument' moet worden gelezen 'gemeentelijk monument'.
Artikel 4.4.1.4 Advies gemeentelijke adviescommissie en beslistermijn
In het geval dat de adviescommissie op het moment dat het college een besluit neemt nog geen advies heeft uitgebracht én de in de Verordening gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Deurne 20241 genoemde termijn is verstreken, wordt de adviescommissie geacht het advies van de deskundige op het gebied van erfgoed te hebben overgenomen.
Artikel 4.5.1.1 Vangnet archeologie
Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar vigerende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenzij:
het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de gemeentelijke waarden- of verwachtingskaart en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring;
Artikel 4.5.1.2 Archeologisch onderzoek
Als binnen het grondgebied van de gemeente archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd in de zin van de Erfgoedwet, paragraaf 5.1, dienen onverminderd de bepalingen van de Erfgoedwet. In aanvulling daarop geldt dat:
Bijlage 1 bij Hoofdstuk 4 Erfgoed
TOELICHTING VERORDENING FYSIEKE LEEFOMGEVING DEURNE
De gemeente Deurne is rijk aan cultureel erfgoed. Cultureel erfgoed is overal in de samenleving aanwezig, in de historische dorpskernen, op het platteland, in de bodem, in de musea en – als immaterieel erfgoed – in de tradities, rituelen en verhalen. Cultureel erfgoed is belangrijk voor onze sociale en fysieke leefomgeving. Het is de bron van het verhaal over de geschiedenis van Nederland: het maakt het verleden zichtbaar en versterkt zo ons cultureel en historisch besef. We voelen ons door ons cultureel erfgoed verbonden met elkaar en met het verleden en daardoor ontlenen we er ook in belangrijke mate onze identiteit aan. Cultureel erfgoed biedt ankerpunten om het heden te begrijpen en om over de toekomst na te denken. Het genereerde herinneringen, vertelt verhalen en maakt deze tastbaar.
Cultureel erfgoed is ook een belangrijke inspiratiebron voor ruimtelijke ontwikkelingen. Zo is in het debat over de kwaliteit van de leefomgeving cultureel erfgoed niet meer weg te denken. En dat is niet alles. Cultureel erfgoed heeft ook belangrijke economische waarden. De musea, historische dorpskernen en monumenten trekken jaarlijks talrijke toeristen en vormen daarmee een bron van inkomsten voor de lokale economie.
In brede kring is het besef gegroeid dat ons cultureel erfgoed een belangrijk maatschappelijke waarde vertegenwoordigt waaraan aandacht moet worden geschonken. Niet alleen om het te behouden, maar ook om het toekomstbestendig te maken.1
Het gemeentelijk erfgoedbeleid verandert. Vooral de bundelingen van wetgeving in één Erfgoedwet en de invoering van de Omgevingswet stimuleren zowel een meer integraal gemeentelijk erfgoedbeleid als de erkenning dat erfgoed een integraal onderdeel is van (de kwaliteit van) de fysieke leefomgeving. Door de invoering van deze twee wetten is het bereik van de bepalingen in hoofdstuk 4 Erfgoed van de Verordening Fysieke leefomgeving Deurne in vergelijking met de verordening van vóór 1 juli 2016 zowel breder – het betreft nu archeologie, monumenten én cultuurgoederen – als smaller. In brede zin omvat hoofdstuk 4 Erfgoed van de Verordening Fysieke leefomgeving Deurne nu:
beschermde gemeentelijke cultuurgoederen.
gebouwde monumenten en monumentale objecten;
beschermde gemeentelijke dorpsgezichten:
In smallere zin worden belangrijke fysieke onderwerpen, zoals de aanwijzing of bescherming van dorpsgezichten of archeologische waarden en verwachtingen, steeds minder geregeld via een verordening en meer via het omgevingsplan.
Het hoofdstuk Erfgoed van de verordening fysieke leefomgeving Deurne is vernieuwd vanwege de invoering van de nieuwe Erfgoedwet, per 1 juli 2016. De Erfgoedwet vervangt en integreert verschillende wettelijke regelingen op het gebied van het cultureel erfgoed. Naast de Erfgoedwet wordt besluitvorming over cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving geregeld via de Omgevingswet.
Met de ingang van de Omgevingswet heeft op een aantal wetstechnische, procedurele en inhoudelijke punten stroomlijning plaatsgevonden, die samenhangt met de samenvoeging met andere stelsels en de achterliggende vereenvoudigingsgedachte. De bepalingen over taken en bevoegdheden van de gemeentelijke monumentencommissies, de aanwijzing van beschermde gemeentelijke dorpsgezichten en overig gemeentelijk cultureel erfgoed en in dat kader het opstellen van een beschermend omgevingsplan en de bepalingen over de archeologische monumentenzorg in het omgevingsplan en omgevingsvergunningen worden geregeld via de Omgevingswet.
De voorliggende aanpassing van hoofdstuk 4 Erfgoed omvat een aantal zaken. Ten eerste is het een technische vertaling van hetgeen in de erfgoedvisie van de gemeente Deurne 2021-2028 (vastgesteld door de gemeenteraad op 6 juli 2021) verwoord is. Met het vaststellen van deze visie heeft de gemeenteraad zich uitgesproken voor een aanpassing van het erfgoedbeleid aan de vereisten die de omgevingswet daaraan stelt en tevens de wens uitgesproken om het archeologiebeleid te laten aansluiten op het archeologiebeleid van andere gemeenten in de regio.
Als basis voor de aanpassing is de door de VNG opgestelde Model Erfgoedverordening (gewijzigd model, juli 2022) gebruikt. Op het vlak van het aanwijzen en het verlenen van een omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is geen sprake van een verandering van beleid. Wel is ervoor gekozen (naar analogie van het VNG Model) het oude beleid op een aantal punten aan te vullen met zaken die binnen de gemeente Deurne moeten worden beschermd. Zo is bijvoorbeeld een hoofdstuk gemeentelijk beschermd cultuurgoed als onderdeel van een gemeentelijk beschermde verzameling en een hoofdstuk beschermd Dorpsgezicht toegevoegd, om de gemeente de mogelijkheid te geven deze categorieën erfgoed aan te wijzen en deze adequaat te beschermen.
Omdat de bescherming van archeologische waarden sinds de ingang van de omgevingswet geregeld moet worden in het omgevingsplan, is ervoor gekozen het hoofdstuk archeologie te vervangen door de zogenaamde vangnet bepaling archeologie.
Om bovenstaande redenen is in aansluiting op de Erfgoedwet en de Omgevingswet, gekozen voor een bredere opzet van hoofdstuk 4, die gebaseerd is op de in 2020 opgestelde Erfgoedkaart die conform het begrip ‘cultureel erfgoed’ toe ziet op onroerend cultureel erfgoed (archeologie en monumenten) als roerend cultureel erfgoed (cultuurgoederen), in zover onderdeel van een verzameling (ensemble). Het aangepaste hoofdstuk is, net zoals het “oude“ hoofdstuk thematisch opgebouwd door middel van paragrafen. Elke paragraaf heeft dezelfde opbouw. Het start met de aanwijzing van het betreffende thema. Aansluitend hoe een aanwijzing kan worden gewijzigd of kan worden ingetrokken. En als laatste de bepalingen zien toe op de instandhouding van het erfgoed.
De Erfgoedwet integreert sinds juli 2016 de Regeling materieelbeheer museale voorwerpen 2013, de Wet verzelfstandiging museale diensten, de Monumentenwet 1988, de Wet tot behoud van cultuurbezit, de Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen en de Wet tot teruggave cultuurgoederen afkomstig uit bezet gebied. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 overgegaan in de Omgevingswet.
In aansluiting op de Erfgoedwet 2016 en de Omgevingswet is gekozen voor een brede opzet van het hoofdstuk Erfgoed, dat conform het begrip ‘cultureel erfgoed’ toeziet op zowel onroerend cultureel erfgoed (o.a. monumenten en dorpsgezichten) als roerend cultureel erfgoed (cultuurgoederen), in zover onderdeel van een verzameling (ensemble).
De grondslag voor deze verordening bestaat uit artikel 3.16 van de Erfgoedwet. Deze verordening zal worden opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan. In de Erfgoedwet (artikel 3.16, vierde lid,) is opgenomen dat deze verordening geen regels bevat over de fysieke leefomgeving als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet. Dit geldt met een geplande overgangstermijn tot 2030.
Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.
Afdeling 1 Algemene Bepalingen
De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in deze verordening, nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en derhalve in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen. Artikel 1.1 van deze verordening bevat daarom uitsluitend de begrippen waarvan de definitie moet worden omschreven of die kortheidshalve zijn gegeven en die niet reeds (in deze vorm) in artikel 1.1 van de Erfgoedwet zijn gegeven. De voor deze verordening relevante begrippen uit de Erfgoedwet zijn:
archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen;
beschermd cultuurgoed: cultuurgoed dat:
beschermde verzameling: verzameling die is aangewezen op grond van artikel 3.7, tweede lid van de Erfgoedwet;
cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden;
cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed;
kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging;
monument: onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed;
normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van de monumentale waarde;
de minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
restaureren: werkzaamheden uitvoeren die het normale onderhoud te boven gaan en noodzakelijk zijn voor herstel;
rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister;
rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet;
verzameling: cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen.
Onderstaand de in deze verordening toegepaste definities die een nadere toelichting behoeven:
adviescommissie: de door het college ingestelde onafhankelijke commissie, onder andere bestaande uit leden die deskundig zijn op het gebied van erfgoed. De adviescommissie adviseert het college op verzoek of uit eigen beweging over alle aangelegenheden, die van belang (kunnen) zijn voor de behartiging van de cultuurhistorie binnen de gemeente en over de toepassing van de Erfgoedwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bepalingen in hoofdstuk 4 Erfgoed van de Verordening Fysieke leefomgeving Deurne. Alle zaken met betrekking tot de adviescommissie omgevingskwaliteit worden geregeld in de ‘Verordening Adviescommissie omgevingskwaliteit Gemeente Deurne’;
beschermd stads-of dorpsgezicht: een gebied in een stad of dorp met een bijzonder cultuurhistorisch karakter. De bescherming is bedoeld om de cultuurhistorische identiteit van een gebied te behouden en in te zetten bij ontwikkelingen.
bouwhistorisch onderzoek: een onderzoek, wat in een schriftelijke rapportage is vastgelegd, naar de bouw, verbouwings- en gebruiksgeschiedenis van gebouwen, complexen van gebouwen, of gebieden, in hun ruimtelijke samenhang, aan de hand van de vorm, de constructies, de gebruikte materialen en de afwerking. Het onderzoek brengt, onder andere aan de hand van bouwsporen, in kaart hoe de oorspronkelijke situatie was, welke veranderingen er in de loop der tijd zijn aangebracht, en het beschrijft de bestaande situatie als uitkomst van die eerdere processen;
cultuurhistorisch onderzoek: een onderzoek wat zich richt op:
Het gaat zowel om aangetoonde waarden als om waarden die op basis van kennis van het verleden en de omgeving mogen worden verwacht;
gemeentelijk cultuurgoed: hierbij moet gedacht worden aan onder andere museumcollecties, door erfgoedverenigingen bewaarde stoffelijke aspecten van cultuur (zoals beeldende kunst en archeologische vondsten), kunstnijverheid (zoals textielbewerking) en overgeleverde patronen en schema's in de decoratieve kunst (weefkunst, keramiek of houtbewerking) en archiefcollecties met museale waarden en delen van het industrieel erfgoed (zoals werktuigen).
plan van aanpak (PvA): een inhoudelijk document opgesteld door de uitvoerder van de archeologische werkzaamheden, waarin inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze het archeologisch veldonderzoek zal worden uitgevoerd om te voldoen aan de voorwaarden die zijn gesteld. Deze voorwaarden volgen ofwel uit de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (bij een booronderzoek) ofwel uit een door het college goedgekeurd Programma van Eisen (bij overige veldonderzoeken). Omdat de vereiste voor een goedgekeurd Programma van Eisen ook volgt uit de Kwaliteitsnorm Nederlandse archeologie is ervoor gekozen om in de definitie alleen naar de kwaliteitsnorm te verwijzen;
redengevende omschrijving: vormt de grondslag van de bescherming en is een juridisch document. Een redengevende omschrijving staat niet gelijk aan de monumentale waarden, het is alleen een weergave van de objectief vastgestelde monumentale waarden. Omdat hier niet per definitie een bouwhistorisch onderzoek aan vooraf gaat is de omschrijving niet uitputtend. Niet beschreven onderdelen vallen ook onder de bescherming toepasselijk op de onroerende zaak;
voorbeschermd rijksmonument: zijn monumenten of archeologische monumenten die nog niet in het rijksmonumentenregister staan ingeschreven, maar waarvoor de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) het ontwerpbesluit tot aanwijzing als rijksmonument al naar de eigenaar heeft gestuurd.
waarderingscriteria: criteria waarmee de cultuurhistorische waarden van een zaak helder en eenduidig worden vastgesteld. De waardering speelt een leidende rol bij het aanwijzing en bij het wijzingen van beschermd erfgoed.
zakelijk gerechtigden: er is gekozen om de wettelijke bepaling die verwijst naar de openbare registers volgens de Kadasterwet te definiëren en niet in de regels op te nemen. Voor alle zakelijk gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door het college van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken, artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak.
Artikel 4.1.1 Gemeentelijk erfgoedregister
Heeft betrekking op het krachtens deze verordening beschermd gemeentelijk cultureel erfgoed. Het gaat om door het gemeentebestuur aangewezen monumenten, beschermde dorpsgezichten en beschermde gemeentelijke cultuurgoederen. Tevens regelt dit lid wat er in het erfgoedregister moet worden bijgehouden. Met de locatie worden onder andere onderstaande gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed wordt o.a. bedoeld:
Hier is geregeld dat ook informatie over rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in het gemeentelijk erfgoedregister worden opgenomen. Op grond van de Erfgoedwet ontvangt het college deze informatie in afschrift van de minister bij de inschrijving in het rijksmonumentenregister. Het kan ook gaan om informatie via instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht.
In onderdeel c van het tweede lid is opgenomen dat door het college van gedeputeerde staten ontvangen instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht in het gemeentelijke erfgoedregister kunnen worden opgenomen.
Gelet op de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (hierna: Wkpb) dienen gemeenten uiterlijk op 1 januari 2021 hun publiekrechtelijke beperkingen op onroerende zaken geregistreerd te hebben in de Basisregistratie kadaster publiekrechtelijke beperkingen (hierna: BRK-PB). Dit geldt ook voor gemeentelijke monumenten plus gemeentelijk beschermde dorpsgezichten. Beperkingen kunnen niet alleen meer op kadastrale percelen worden geregistreerd, maar ook op basis van Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG)-objecten (bijvoorbeeld een woning of een bedrijfspand), Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT)-objecten (bijvoorbeeld een brug) en vrije contouren (bijvoorbeeld een verontreinigingscontour).
Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het de bedoeling dat bestaande ruimtelijke beperkingen te zien zijn in het Digitaal Stelsel Omgevingswet - Landelijke Voorziening (DSO-LV), mogelijk per tranche. Dit geldt ook voor nog aan te wijzen nieuwe beperkingenbesluiten met name op basis van het omgevingsplan. Levering aan de openbare registers en bijhouding in de BRK-PB komt voor deze besluiten dan te vervallen. De beperkingen die vóór de inwerkingtreding Omgevingswet in de BRK-PB zijn opgenomen, komen tot en met 2029 te vervallen wanneer ze worden vervangen door nieuwe beperkingenbesluiten op basis van de Omgevingswet.
Afdeling 2 beschermd cultuurgoed
Paragraaf 1 Aanwijzing gemeentelijk beschermd cultuurgoed als onderdeel van een gemeentelijk beschermde verzameling
Artikel 4.2.1.1 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed als onderdeel van een gemeentelijk beschermde verzameling
Dit artikel maakt het mogelijk dat topstukken van het gemeentelijk cultuurbezit worden aangewezen als beschermde gemeentelijke cultuurgoederen, maar uitsluitend als onderdeel van een beschermde gemeentelijke verzameling. Dit is alleen mogelijk voor zover deze niet al voor het Nederlandse cultuurbezit als beschermde cultuurgoederen zijn aangewezen door de minister op grond van artikel 3.7 van de Erfgoedwet of door gedeputeerde staten op grond van een provinciale omgevingsverordening krachtens artikel 2.6 van de omgevingswet.
De formele gevolgen van een aanwijzing van een cultuurgoed als onderdeel van een beschermde gemeentelijke verzameling zijn beperkt. Er wordt een verbod gelegd op het beschadigen of het vernielen van aangewezen cultuurgoederen. Er is geen verbod gelegd op het onthouden van onderhoud, zoals dat bij andere categorieën van erfgoed wel het geval is. Dit is een te beperkende maatregel en kan leiden tot hoge kosten. Beschermde gemeentelijke cultuurgoederen moeten kunnen worden tentoongesteld en beschikbaar kunnen worden gemaakt voor het publiek.
De aanwijzing van beschermde gemeentelijke cultuurgoederen als onderdeel van een gemeentelijk beschermde verzameling kan uitsluitend betrekking hebben op cultuurgoederen en verzamelingen die in eigendom zijn van de gemeente, musea of een erfgoedvereniging of op zaken waarvan de zorg is toevertrouwd aan één van deze drie voorgenoemde instanties. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij cultuurgoederen die door de gemeente in bruikleen zijn verkregen uit collecties van derden.
Voor alle zakelijke gerechtigden op de betreffende roerende zaken is ontvangst van de aanvraag of het voornemen van een aanwijzing door het college van belang, niet alleen voor de eigenaar.
Onder lid a is er sprake van een verzoek dat is ingediend door een belanghebbende. Onder lid b komt het initiatief vanuit de gemeente en kan er reeds gesproken worden van een voornemen.
Er kan op grond van deze verordening geen sprake zijn van de aanwijzing van cultuurgoederen van derden als beschermde gemeentelijke cultuurgoederen, zonder toestemming van de eigenaar. Er bestaat onvoldoende wettelijke grondslag om bij verordening een juridisch beschermingsregime eenzijdig aan een andere eigenaar op te leggen, zoals dat geldt voor de op rijksniveau beschermde cultuurgoederen (zie Hoofdstuk 4 van de Erfgoedwet). Van een eventuele aanwijzing zonder toestemming zou daardoor geen enkele beschermde werking uitgaan. Daarom is ervan afgezien een aanwijzingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders te creëren.
Zie toelichting artikel 4.3.1.3 Daar waar gemeentelijk monument staat dient beschermd “gemeentelijke cultuurgoed als onderdeel van een gemeentelijk beschermde verzameling” te worden gelezen.
De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit.
Het college moet in het geval van een schenking, erfstelling, legaat of aankoop eventuele beperkende of andere juridische voorwaarden in acht nemen.
Artikel 1.2.1.2 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed als onderdeel van een gemeentelijk beschermde verzameling
Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit of wijzigen in het register van een aanwijzing als beschermd gemeentelijk cultuurgoed als onderdeel van een gemeentelijk beschermde verzameling dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. De inhoud en datum van de wijziging of intrekking wordt in het gemeentelijke erfgoedregister aangetekend dan wel verwijderd.
Indien het een intrekking betreft kan het college bepalen dat een beschermd gemeentelijk cultuurgoed als onderdeel van een gemeentelijk beschermde verzameling moet worden gedocumenteerd. De eigenaar of zakelijk gerechtigde zijn desgevraagd verplicht mee te werken aan de documentatie van het beschermd gemeentelijk cultuurgoed.
Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als beschermd gemeentelijk cultuurgoed als onderdeel van een gemeentelijk beschermde verzameling vervalt zodra een gemeentelijk cultuurgoed is opgenomen in het rijksmonumentenregister of indien het wordt aangewezen als beschermd erfgoed op basis van een provinciale omgevingsverordening krachtens artikel 2.6 van de omgevingswet.
Afdeling 3 Gemeentelijke monumenten
Paragraaf 1 Aanwijzing gemeentelijk monument
Artikel 4.3.1.1 Aanwijzing tot gemeentelijk monument
Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument (gebouwd, archeologisch en/ of landschappelijk, waarbij een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet) aan een onroerende zaak. De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet.
Het college heeft beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een onroerende zaak als beschermd gemeentelijk monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Artikel 2 van de verordening van vóór 2016 (vergelijkbaar met het oude artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988) over het gebruik van het monument, keert echter niet terug in deze verordening. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd.
Dit betreft een uitwerking van de aanwijzingsprocedure. Om tot een gedegen besluit te komen is een redengevende omschrijving van belang. Een redengevende omschrijving wordt opgesteld aan de hand van de door het college vastgestelde waarderingscriteria.
De aanwijzing van een archeologisch monument wordt gebaseerd op de resultaten van archeologisch onderzoek en/ of een waardering van het terrein/ de vindplaats, opgesteld conform de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).
In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn om een bouwhistorisch, cultuurhistorisch en/of archeologisch onderzoek te laten uitvoeren om tot een besluit te komen.
Hierin is vastgelegd dat alle zakelijk gerechtigden op de hoogte worden gesteld van een aanvraag of voornemen tot aanwijzing.
Onder lid a is er sprake van een verzoek dat is ingediend door een belanghebbende. Onder lid b komt het initiatief vanuit de gemeente en kan er reeds gesproken worden van een voornemen.
De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 16.58 van de Omgevingsgwet en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord.
De aanwijzing van rijksmonumenten is geregeld in de Erfgoedwet 2016 onder hoofdstuk 3 en worden hier derhalve uitgesloten. Een rijksmonument kan niet óók als gemeentelijk monument worden aangewezen. Er is op dit moment geen provinciale erfgoedverordening die in het aanwijzen van provinciale monumenten voorziet, echter kunnen na de invoering van de Omgevingswet wel provinciale monumenten worden aangewezen op basis van de omgevingsverordening. Deze worden om dezelfde reden uitgesloten als rijksmonumenten.
Artikel 4.3.1.2 Voorbescherming
Het is van belang om voorafgaand aan de aanwijzing potentiële gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra het college het verzoek tot aanwijzing of het voornemen tot aanwijzing kenbaar heeft gemaakt aan de zakelijk gerechtigden. De voorbescherming voor gemeentelijk monumenten is gebaseerd op artikel 1 van de Wkpb en vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeide uit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft gelden voor rijksmonumenten). De voorbescherming van rijksmonumenten loopt onder de Omgevingswet via de definities ‘voorbeschermd rijksmonument’ en ‘rijksmonumentenactiviteit’ en de vergunningplicht in artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet. Een rijksmonumentenactiviteit is vergunningplichtig en betreft gelet op de definitie ook voorbeschermde rijksmonumenten. In de definitie van ‘voorbeschermd rijksmonument’ staat wat er onder wordt verstaan.
Artikel 4.3.1.3 Advies gemeentelijke adviescommissie, termijn van advies en aanwijzingsbesluit
Onder de Omgevingswet zal op basis van artikel 17.9 een gemeentelijke adviescommissie ingesteld moeten worden die tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, voor zover het andere dan archeologische monumenten betreft. Hierbinnen dienen enkele leden deskundig te zijn op het gebied van erfgoed. Het gaat (onder de Omgevingswet) om een adviescommissie met een bredere taak voor de omgevingskwaliteit, waarin de erkenning ligt van het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij (onder de Omgevingswet) zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden en aan dier- en plantensoorten. De Omgevingswet maakt uitdrukkelijk een bredere taakstelling van deze adviescommissie mogelijk. De gemeentelijke adviescommissie is geregeld in de ‘Verordening gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Deurne 2024’.
Conform artikel 3.1 van de Erfgoedwet geldt dat voor het aanwijzen van kerkelijke monumenten als rijksmonument toestemming gevraagd moet worden aan de eigenaar. Deze uitzondering voor kerkelijke rijksmonumenten is ook opgenomen onder de omgevingswet artikel 16.58. De gemeente Deurne heeft ervoor gekozen deze uitzondering over te nemen voor het aanwijzen van gemeentelijke kerkelijke monumenten.
Achtergrond van dit artikel is de scheiding tussen Kerk en Staat. Belangrijk is dat er goed beargumenteerde liturgische of andere kerkelijk inhoudelijke motieven ten grondslag liggen aan de voorgenomen activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Cruciaal zijn hierbij de wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging. Uit jurisprudentie blijkt dat de eigenaar deze eerst moet benoemen en zich vervolgens een oordeel moet vormen of, en zo ja in hoeverre, deze wezenlijke belangen in het geding zijn bij de voorgenomen activiteit. Bij het verwijderen van een vast bankenplan om de kerk bijvoorbeeld te kunnen verhuren voor congressen, is louter sprake van een economisch belang. In dat geval hoeft er geen overeenstemming te zijn.
Het gebeurt in de praktijk overigens zelden dat geen overeenstemming wordt bereikt. In voorkomend geval blijkt dat meningsverschillen tussen het bevoegd gezag en de eigenaar van de kerk gaan over verwijdering of verplaatsing van belangrijke monumentale onderdelen van het interieur, zoals preekstoel, doophek, vaste banken, altaren en biechtstoelen. Tijdens vooroverleg kunnen partijen vroegtijdig elkaars visies en standpunten uitwisselen, om te komen tot een plan dat rekening houdt met alle betrokken belangen. Dit draagt bij aan het bereiken van de vereiste overeenstemming en kan zo vertraging tijdens de vergunningprocedure voorkomen.
Artikel 4.3.1.4 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving
Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door het college is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar.
De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wkpb.
Na aanwijzing wordt als attentiewaarde bij de eerstvolgende herziening het gehele perceel in het omgevingsplan en de gemeentelijke erfgoedkaart aangeduid als gemeentelijk monument; indien het om een archeologisch monument gaat wordt deze tevens als monument aangeduid op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingskaart.
Sub a Voor een overzicht van de informatie die nodig is in het aanwijzingsbesluit om deze rechtsgeldig te laten zijn, zie de toelichting bij artikel 4.1.1, tweede lid, sub a.
Artikel 4.3.1.5 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument
Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een onroerende zaak als gemeentelijk monument aan te wijzen. De spoedprocedure wordt uitsluitend ingezet in situaties die ernstige gevolgen hebben voor de monumentale waarden van een potentieel monument. De spoedprocedure kan alleen worden gevolgd voor erfgoed dat gewaardeerd is met ten minste een hoge waarde op de Erfgoedkaart. In het geval dat gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 4.3.1.3 pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De bescherming van artikel 4.3.1.2 geldt echter vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet eenvoudig worden omzeild. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming.
Artikel 4.3.1.6 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument
Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. De inhoud en datum van de wijziging of intrekking wordt in het gemeentelijk beperkingenregister, alsmede in het gemeentelijke erfgoedregister en in het omgevingsplan aangetekend dan wel verwijderd; indien het om een archeologisch monument gaat wordt de aanpassing tevens aangepast op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingskaart.
Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan gedacht worden aan administratieve wijzigingen zoals een huisnummerwijziging, adreswijziging of perceelnummerwijziging. Een wijziging met betrekking tot de publieksrechtelijke beperking of de bescherming behoren hier niet toe.
Indien het een intrekking betreft kan het college bepalen dat een gemeentelijk monument moet worden gedocumenteerd. De eigenaar of zakelijk gerechtigde zijn desgevraagd verplicht mee te werken aan de documentatie van het gemeentelijk monument.
Paragraaf 2 Bescherming gemeentelijk monument
Artikel 42.3.2.1 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument
Dit artikel is voor gemeentelijke monumenten naar analogie met artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 geschreven, zoals dat is gewijzigd door artikel 10.18 van de Erfgoedwet, met inbegrip van de instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd.
Het verbod op beschadigen en vernielen van rijksmonumenten en voorbeschermde rijksmonumenten wordt onder de Omgevingswet geregeld in artikel 13.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal).
Artikel 4.3.2.2 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument
Dit artikel is oorspronkelijk gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en vanwege het overgangsrecht tot en met 2029 inhoudelijk zoveel mogelijk gelijk gebleven. Wel zijn bepalingen t.a.v. parken en tuinen toegevoegd.
Het college kan ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning nadere gegevens van de aanvrager vereisen, waaronder de resultaten van een bouwhistorisch onderzoek, een archeologisch onderzoek, een cultuurhistorische onderzoek of analyse, een werkomschrijving of bestek van de werkzaamheden. De aanvrager is desgevraagd verplicht hieraan mee te werken.
Artikel 3.3.2.3 Advies gemeentelijke adviescommissie en beslistermijn
Zie toelichting artikel 4.3.1.3.
Dit artikel is alleen van toepassing op omgevingsvergunningaanvragen met betrekking tot monumenten of beschermde dorpsgezichten. Omgevingsvergunningaanvragen met betrekking tot archeologische verwachtingszones worden ambtelijk getoetst.
Artikel 4.3.2.4 Weigeringsgronden
In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het derde lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 16.58 van de Omgevingswet, maar er is geen gebruik gemaakt van het eerste lid van dit artikel waarin wordt gesproken over ‘overleg’ en niet over ‘overeenstemming’ omdat dit de kerkelijke eigenaar minder rechten geeft.
Afdeling 4 Beschermd dorpsgezicht
Paragraaf 1 Aanwijzing gemeentelijk beschermd dorpsgezicht
Artikel 4.4.1.1 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd dorpsgezicht
Dit artikel geeft de mogelijkheid aan Het college om gemeentelijke dorpsgezichten aan te wijzen die vervolgens krachtens het omgevingsplan moeten worden beschermd. De aanwijzing gebeurt volgens het omgevingsplan en is derhalve een raadsbesluit.
Zie toelichting artikel 4.3.1.3 Daar waar gemeentelijk monument staat dient beschermd gemeentelijk dorpsgezicht te worden gelezen.
De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit.
Het is mogelijk dat in het tijdelijke omgevingsplan, onderdelen van de beheersverordening, als beschermend worden aangemerkt. Dit is vergelijkbaar met de tot inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988 voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Daarna is het aanwijzen van gemeentelijke dorpsgezichten mogelijk via deze verordening (tot het eind van de overgangsfase) of het omgevingsplan. Voor de bescherming van rijksmonumenten binnen het gemeentelijke dorpsgezicht geldt dan de artikelen 5.1 en 5.22 van de Omgevingswet en van gemeentelijke monumenten artikel 13. Ook het Rijk zal de bescherming van nieuwe stads- en dorpsgezichten van landelijke betekenis dan op basis van de Omgevingswet regelen via een instructie aan de gemeenten, die zij moeten overnemen in hun omgevingsplan. Voor bestaande rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten geldt artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Na aanwijzing wordt als attentiewaarde bij de eerstvolgende herziening het gehele perceel of percelen behorende tot het beschermd dorpsgebied in het omgevingsplan aangeduid als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht.
De voorgaande leden zijn niet van toepassing op een dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd heeft op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet, of provinciaal beschermd heeft op grond van artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.4.1.2 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd dorpsgezicht
Dit artikel bepaalt onder andere dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht, dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan wijzigingen i.v.m. de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers.
De inhoud en datum van de wijziging of intrekking wordt in het gemeentelijk erfgoedregister verwerkt. Daarnaast wordt bij de eerstvolgende herziening van het omgevingsplan de wijziging aangetekend dan wel de status verwijderd.
Artikel 4.4.1.3 Verbodsbepaling en omgevingsvergunning
Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo gaf de gemeente de mogelijkheid om op basis van hun verordening het slopen in een beschermd gemeentelijk dorpsgezicht aan een omgevingsvergunningplicht te onderwerpen. Daaraan is hier uitvoering gegeven. Artikel 5.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet geeft de gemeenten de mogelijkheid een dergelijke verplichting op te nemen als een omgevingsplanactiviteit in het omgevingsplan. Totdat het omgevingsplan is aangepast, kan het verbod in hoofdstuk 4 Erfgoed van de Verordening Fysieke leefomgeving Deurne blijven staan, in aanvulling op het overgangsrecht ten aanzien van de 2.2 van de Wabo activiteiten. De Omgevingswet regelt in de artikelen 22.2, 22.8 en 2.1a van het Omgevingsbesluit het overgangsrecht.
De bepalingen in dit artikel zijn overgenomen van de bepalingen uit artikel 4a van het Besluit Omgevingsrecht (versie 02-03-2022).
Artikel 4.4.1.4 Advies gemeentelijke adviescommissie en beslistermijn
Zie toelichting artikel 4.3.1.3.
Dit artikel is alleen van toepassing op omgevingsvergunningaanvragen met betrekking tot monumenten of beschermde dorpsgezichten. Omgevingsvergunningaanvragen met betrekking tot archeologische verwachtingszones worden ambtelijk getoetst.
Artikel 4.5.1.1 Vangnet archeologie
In verband met de implementatie van het Europees verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (het Verdrag van Valetta te Malta), werd op 1 september 2007 de Monumentenwet 1988 (Wet op de archeologische monumentenzorg, WAMZ) gewijzigd. Daarmee werd wettelijk verankerd dat gemeenten rekening moeten houden met archeologische waarden in de bodem (artikelen 38, 39 en 40). Hieronder vallen zowel reeds bekende archeologisch waardevolle gebieden als gebieden waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht.
Om invulling te geven aan deze wettelijke verplichting heeft de gemeenteraad van de gemeente Deurne in 2009 een nota archeologie en de bijbehorende gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingskaart vastgesteld. Het archeologiebeleid en de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingskaart zijn sindsdien door vertaald in bestemmingsplannen. Deze zijn per 1 januari 2024 overgegaan in het tijdelijke omgevingsplan. In 2024 is de archeologische verwachtingen- en waardenkaart geactualiseerd en aangevuld tot een erfgoedkaart met Cultuurhistorische waardenkaart.
De geactualiseerde gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingskaart hanteert een verdeling voor de mate waarin archeologische waarden in de bodem kunnen worden aangetroffen. Deze archeologische verwachtingswaarden zijn gekoppeld aan een bepaalde verstoringsdiepte en een bepaald aantal vierkante meters te verstoren verwachtingsgebied. Hoe lager de verwachte archeologische waarden, hoe groter het aantal vierkante meters aan verstoring van de bodem wat vrijgesteld is van archeologisch onderzoek.
De strekking van dit artikel is te waarborgen dat aanwezige archeologische waarden niet worden gewijzigd, verstoord of beschadigd, tenzij daaraan aandacht is besteed, die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht, door middel van de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingskaart, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen.
De gevraagde omgevingsvergunning kan worden geweigerd als de archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van het college nog niet voldoende onderzocht zijn of in situ behouden dienen te blijven
Artikel 4.5.1.5 Archeologisch onderzoek
Deze bepaling is opgenomen om te waarborgen dat een archeologisch onderzoek dient te voldoen aan de BRL 4000 en voorschriften die het college van belang acht. Bij eventuele nadere regels van burgemeester en wethouders over het verrichten van archeologisch onderzoek kan bijvoorbeeld gedacht worden aan te raadplegen historische bronnen of voorschriften met betrekking tot de uitvoering van archeologisch onderzoek die opgenomen dienen te worden in een programma van eisen of een plan van aanpak.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-278788.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.