Gemeenteblad van Smallingerland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Smallingerland | Gemeenteblad 2025, 276204 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Smallingerland | Gemeenteblad 2025, 276204 | beleidsregel |
Uitvoerings- en handhavingsstrategie VTH gemeente Smallingerland 2025-2029
Artikel 1: Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2025-2029
Het college besluit de Uitvoerings- en handhavingsstrategie VTH gemeente Smallingerland 2025-2029 (UHS) vast waarbij invulling wordt gegeven aan ons uitvoeringsgerichte beleid voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH).
Aldus besloten in de vergadering van 17 december 2024
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland
De secretaris
Siebren van der Berg
De burgemeester
Fred Veenstra
Uitvoerings- en handhavingsstrategie VTH gemeente Smallingerland 2025-2029
Wij zijn Smallingerland, een gemeente waar ruimte is voor de dynamiek van grootschalige ontwikkelingen, verweven met het behoud van de rust en natuurlijke waarden van ons landschap. Smallingerland voelt zich onderdeel van de provincie Fryslân, van Nederland en de ontwikkelingen in de wereld, waarin alles in een sneltreinvaart aan verandering onderhevig is. In die context willen wij verder toewerken naar een gezonde en veilige leefomgeving, met een open houding van de overheid die samenwerkt met groepen burgers1.
Wij werken de Omgevingsvisie de komende jaren uit in ons omgevingsplan, waarin wij regels stellen voor de fysieke leefomgeving. Dat gaat niet van vandaag op morgen, maar stapsgewijs vanuit onze voormalige bestemmingsplannen en de Omgevingswet, met nauwe betrokkenheid van onze burgers en bedrijven.
In bovenstaande ontwikkelcontext ligt deze Uitvoerings- en handhavingsstrategie (UHS) 2025-2029 voor. Het is een groeimodel, waarbij de ervaringen van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) meewegen bij de totstandkoming van de regels van het omgevingsplan. Tegelijkertijd is de UHS de strategische vertaling van hoe wij deze regels gaan uitvoeren.
De basisgedachte achter de Omgevingswet (Ow) – en in het verlengde daarvan onze Omgevingsvisie – is gestoeld op het faciliteren van initiatieven van burgers en bedrijven. Onder de Wabo was het verboden om de fysieke leefomgeving te wijzigen, tenzij de gemeente daar een vergunning voor verleende (nee, tenzij). Onder de Omgevingswet is de basisgedachte dat een initiatief in beginsel vergunningsvrij is, mits het initiatief voldoet aan de regels die de gemeente daarvoor stelt in het omgevingsplan (ja, mits).
Deze faciliterende houding vraagt verbinding van kennis en expertise binnen onze gemeentelijke organisatie om te beoordelen onder welke voorwaarden een initiatief mogelijk is. Verbinding binnen de hele fysieke leefomgeving is daarvoor een noodzaak. Verbinding met de sociaal – economische domeinen kan soms aan de orde zijn. Team VTH is meestal niet de regisseur van gebiedsontwikkelingen of het behoud van landschappelijke waarden. Zij is wel een cruciale schakel – na een periode van voorbereiding – in het realiseren van initiatieven via vergunningverlening of bescherming van gemeenschappelijke waarden via toezicht en handhaving. Het is daarom van belang om het team VTH vroegtijdig in het proces van beoordeling van initiatieven te betrekken. De intaketafel en de omgevingstafel zijn voorbeelden hoe wij een en ander praktisch organiseren.
De belangrijkste deregulering zien we op het vlak van het bouwen. De initiatiefnemer is vanaf 2024 met de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) zelf verantwoordelijk voor het realiseren van een nieuwe woning die aan de bouwregelgeving voldoet2. Een onafhankelijke kwaliteitsborger toetst of het bouwwerk voldoet aan de bouwregelgeving. Een vergunning voor de technische bouwactiviteit is niet meer nodig. Naar verwachting gaat vanaf juli 2025 ook de verbouw van bestaande bouwwerken onder de Wkb vallen. Wij toetsen in beginsel alleen nog of de kwaliteitsborger een goedkeurende verklaring afgeeft. Onze focus verschuift daarmee naar de naleving van onze regels over de inpassing van bouwwerken in onze leefomgeving (zoals welstand) en naar de omgevingsveiligheid tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
De leidende principes van onze Omgevingsvisie zijn duurzaam, inclusief en identiteit. De leidende principes helpen om onze doelen te bereiken. Het zijn principes die de gemeente toepast bij het opstellen en beoordelen van plannen. Daarmee zijn het ook de leidende principes van VTH. Figuur 1 geeft een praktische vertaling van de leidende principes naar de wijze waarop wij plannen beoordelen.
Figuur 1: Vertaling van Omgevingsvisie naar regels
Bij het principe duurzaamheid geldt nog het aanvullende leidende principe dat geen schade mag ontstaan aan de biodiversiteit. Voor dit leidende principe maken wij afspraken met de provincie Fryslân, die voor deze taak bevoegd gezag is.
Voor u ligt de uitvoerings- en handhavingsstrategie (hierna: UHS) 2025-2029 voor de uitvoering van vergunningen, toezicht en handhaving (hierna: VTH) van de gemeente Smallingerland. Deze UHS gaat over de thuistaken en is complementair aan de UHS voor de basistaken die de gemeente uitbesteedt aan FUMO. In deze UHS zijn de prioriteiten, doelstellingen en werkwijzen opgenomen voor VTH en de samenwerking met externe partners. Het bevat dus zowel strategische, tactische als operationele elementen. Figuur 2 geeft het verband weer tussen de beleidsdocumenten3. Dit document is daarbij omkaderd.
Figuur 2: Relatie tussen UHS Smallingerland en andere beleidsdocumenten
Vanwege de onlosmakelijke samenhang met de bestaande UHS Fryslân4 hebben we ons UHS in dezelfde stijl opgezet. Dat geeft overzicht in doelen, uitgangspunten en beoogde resultaten. Onze Omgevingsvisie - en het daarmee samenhangende omgevingsplan - is echter het uitgangspunt voor zowel de UHS van onze thuistaken als de basistaken die FUMO voor ons uitvoert.
Wij hebben met de andere gemeenten en de provincie een gemeenschappelijk belang en een gezamenlijke ambitie in het behouden van een duurzame, veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Door prioriteiten en beleidsdoelen met elkaar af te spreken, bevorderen we een duurzame naleving van wet- en regelgeving en kunnen we risico’s voor de leefomgeving beter beheersen. Voor de basistaken is deze uniforme manier van taakuitvoering wettelijk vastgelegd.
Wij zijn voor een groot deel verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken binnen het omgevingsrecht. Het omgevingsrecht regelt de fysieke omgeving waarin wij leven. Daartoe behoren milieu, water, natuur en ruimtelijke ordening. Het omgevingsrecht is vaak aan veranderingen onderhevig en complex. De basisgedachte achter de Omgevingswet is echter minder regels en meer ruimte voor initiatieven. Voor veel activiteiten geldt dat de vergunningsplicht is verdwenen en is omgezet naar een meldingsplicht. Dit speelt met name bij milieubelastende activiteiten en bouwtechnische onderdelen. Tabel 1 geeft een overzicht van onze thuistaken en de basistaken.
Tabel 1: Thuistaken en basistaken
De activiteiten die onder het basistakenpakket vallen, staan in bijlage VI van het Omgevingsbesluit. Welke werkzaamheden erbij horen staat in artikel 13.12 van het Omgevingsbesluit. Het basistakenpakket geldt alleen wanneer burgemeester en wethouders5 het bevoegd gezag zijn.
Veel activiteiten vallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet onder de meldingsplicht. Daarnaast hebben wij de ruimte om in ons omgevingsplan met maatwerkregels de vergunningsplicht voor omgevingsplanactiviteiten verder te reduceren. Ook hebben wij de ruimte om bij een apart besluit (bijvoorbeeld omgevingsvergunning) een maatwerkvoorschrift op te nemen.
1.2 Uitvoerings- en handhavingsstrategie in de beleidscyclus
Deze UHS geeft invulling aan ons uitvoeringsgerichte beleid. Het beschrijft op welke wijze wij uitvoering willen geven aan de meer strategische ambities die wij in onze Omgevingsvisie op onze leidende principes duurzaamheid, inclusiviteit en identiteit hebben verwoord. Voor onze ambities ten aanzien van milieu, externe veiligheid, bodem, asbest, ketentoezicht en energiebesparing bij bedrijven verwijzen wij kortheidshalve naar de UHS Fryslân 2024.
Voor onze UHS zijn de procescriteria leidend. In het Omgevingsbesluit, artikelen 13.5 t/m 13.7, staat weergeven waaraan dit moet voldoen. De procescriteria beschrijven de eisen die gesteld worden aan de sluitende beleidscyclus. De UHS beschrijft de programmatische aanpak van de beleidscyclus. In de Big-8 heeft de UHS betrekking op de bovenste cyclus, welke richtinggevend is voor ons jaarlijkse Uitvoeringsprogramma (UP; de onderste operationele beleidscyclus). Figuur 3 geeft de cycli weer. De strategische beleidscyclus (UHS) wordt over het algemeen iedere 4 jaar doorlopen, maar kan op basis van veranderende omgevingsfactoren, wetten of beleidsambities een andere frequentie hebben.
Figuur 3: Strategische en operationele beleidscyclus
Deze UHS is een actualisatie van ons VTH beleidsplan 2019-2022. De looptijd van dit beleid is door het college verlengd tot en met eind 2024 totdat deze UHS is vastgesteld. De wet- en regelgeving ontwikkelt zich nog door. Zo is de verwachting dat de Wkb vanaf juli 2025 ook gaat gelden voor de verbouw van bestaande bouw in gevolgklasse 1. De praktijkervaringen met betrekking tot de Wkb voor nieuwbouw zijn van invloed op de reikwijdte en inhoud van de Wkb.
Verder zitten wij als gemeente in een transitieproces van het huidige tijdelijke omgevingsplan naar een definitief omgevingsplan in 2032. Dat betekent dat wij in ons omgevingsplan regels kunnen stellen die doorwerken in de uitvoering van onze VTH-taken. Zo zullen bij voorbeeld regels verhuizen van onze APV naar ons omgevingsplan.
Bovendien kunnen wij als gemeente Omgevingsprogramma’s opstellen om de kwaliteit van de leefomgeving te behouden of te ontwikkelen. Dat kan gebiedsgericht of thematisch of een combinatie van beide. In ons Omgevingsplan verwachten wij dat wij aanvullende regels krijgen op het vlak van duurzaamheid, inclusiviteit en identiteit.
Dat kan betekenen dat wij in de periode 2025-2029, waarop deze UHS van toepassing is, op basis van analyse en evaluatie onze prioriteiten gaan bijstellen in onze jaarlijkse Uitvoeringsprogramma's. De grote lijnen uit deze UHS zullen naar verwachting blijven staan:
Ook in het ruimtelijk deel van de bouwactiviteiten houden wij een rol (de omgevingsplanactiviteiten). Ook voor de complexe bouwwerken, zoals publieke gebouwen, industriële complexen en dergelijke blijven wij naar verwachting deze periode omgevingsvergunningen verlenen. Bij een meervoudige vergunningaanvraag (milieu + bouw) verzorgen wij het casemanagement. FUMO is in dat geval onze wettelijke adviseur.
Voor ontwikkelingen op het vlak van milieu verwijzen wij kortheidshalve naar de UHS Fryslân. Wij zullen vanuit onze Omgevingsvisie, eventueel toekomstige omgevingsprogramma’s en omgevingsplan input geven op de prioritering van de daarin genoemde taken.
Wij houden een taak op het vlak van handhaving. Wij hebben in januari 2024 voor onbepaalde tijd de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht vastgesteld.
1.4 Ontwikkeling in verbinding
Wellicht zit onze grootste uitdaging op het vlak van interne verbinding met collega’s van andere teams en/ of domeinen en ketenpartners. Het uitgangspunt “minder regels en meer ruimte voor initiatieven” leidt tot:
Onze rol bij het (betaald) faciliteren van gebiedsontwikkelingsprojecten. Dat kan gaan om private of publieke gebiedsontwikkeling of Publiek-Private Samenwerkingen. Binnen die vormen kan het gaan om woningbouw of ontwikkeling van bedrijfsterreinen. In principe hebben wij hierin een terughoudende rol, maar vanuit onze wettelijke (procedurele) taken kunnen wij daarin wel een adviserende taak hebben. Onze advisering kan procedurele knelpunten in een laat stadium van gebiedsontwikkeling voorkomen, waarmee de financiële risico’s voor de initiatiefnemer worden beperkt;
Processen worden in toenemende mate geïnitieerd door inwoners en bedrijven en vragen om integrale afhandeling. Daarom voeren wij het casemanagement op meervoudige vergunningaanvragen. Daarmee anticiperen wij ook op de doorwerking die een milieubelastende activiteit kan hebben op een bouwplanactiviteit. Vergunningsvrije bouwplanactiviteiten kunnen in combinatie met een milieubelastende activiteiten vergunningplicht worden. Een voorbeeld daarvan zijn de zogenaamde tentstallen;
Transparantie van informatievoorziening. Alle digitale informatie is straks op één plek te vinden, het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Via het DSO kunnen initiatiefnemers, overheden en belanghebbenden snel zien wat mag in de fysieke leefomgeving. De inwoner of het bedrijf beschikt daarmee over dezelfde informatie als de overheid.
Samenvattend: onze kerntaak bij vergunningverlening wordt casemanagement. De taak casemanagement gaat veel verder dan het administratief netjes afhandelen van een vergunningaanvraag of een melding. Een casemanager is een heel belangrijke schakel voor initiatiefnemers en/ of interne collega’s enerzijds en vakinhoudelijke specialisten anderzijds. Een casemanager is in staat het initiatief te overzien en te benoemen waar de risico’s zitten, zonder de verantwoordelijkheid voor het initiatief over te nemen.
Onze casemanagers hebben als toegevoegde waarde dat zij in staat zijn én bereid zijn een initiatief met kennis en kunde te faciliteren. In gebiedsontwikkelingsprojecten als adviseur, in procedures als regisseur.
Onze kerntaak bij toezicht verschuift verder naar de gebruiksfase. Daarmee integreert deze taak verder met taakvelden als Ruimtelijke ordening, Duurzaamheid, Openbare ruimte, Openbare Orde en Veiligheid. Wij blijven in deze periode voor complexe bouwwerken in gevolgklasse 2 en 3 toezicht houden op de technische bouwactiviteiten. Dat geldt ook voor cultureel erfgoed. Daarbij besteden wij extra aandacht aan brandveiligheid bij risicoklasse 1 bedrijven.
1.5 Aandacht voor nieuwe thema’s
Een aantal thema’s krijgt landelijk, provinciaal en lokaal steeds meer aandacht. Deze kunnen in de toekomst leiden tot actualisatie van voorliggend beleidskader of aanscherping middels het jaarlijkse uitvoeringsprogramma.
Zo wordt in Fryslân stevig ingezet op energiebesparing (25% ten opzichte van 2010) en duurzaam opgewekte energie (33% in 2030). Intensivering van energiebesparing en het vergroten van het aandeel duurzaam opgewekte energie (duurzaamheidsmaatregelen) zijn belangrijke speerpunten. Verduurzaming en klimaatadaptatie kunnen ook leiden tot grote neveneffecten die wij het hoofd moeten bieden.
Netwerkcongestie van het elektriciteitsnetwerk. Dat kan leiden tot grote financiële en bestuurlijke risico’s, zoals:
Daarnaast leveren we een bijdrage aan het voorkomen van ondermijning in de fysieke leefomgeving. Het betreft hier gedragingen die zich op het grensvlak van overtreden vallen en al dan niet bewust deze grens opzoeken, met nadrukkelijk nadelige gevolgen voor de leefbaarheid. Wij leveren onze bijdrage op verzoek van het team Openbare Orde en Veiligheid binnen de voor ons beschikbare tijd.
2. Uitgangspunten uitvoeringsbeleid
Voor de uitvoering van de thuistaken hebben wij een aantal strategische doelstellingen bepaald. In ons jaarverslag leggen wij hier jaarlijks verantwoording af. In hoofdstuk 3 werken wij de doelstellingen voor de thuistaken nader uit. Voor de milieubelastende activiteiten, bodem en asbest die vallen onder de basistaken verwijzen wij naar de UHS Fryslân.
2.1 Duurzame ontwikkelingsdoelstellingen
In onze Omgevingsvisie staat de ambitie van de gemeente Smallingerland op het gebied van duurzame ontwikkelingen voor onze gemeente. Voor deze doelstellingen verwijzen wij kortheidshalve naar onze Omgevingsvisie en nemen deze over in deze UHS.
Op het vlak van duurzaamheid is de doelstelling dat Fryslân klimaatbestendig wordt ingericht en energieneutraal is in 2050. In deze UHS hebben wij onderstaande doelstellingen uit onze Omgevingsvisie als volgt vertaald:
We voldoen aan de normen/ eisen voor energie. Dat betekent dat wij actief toetsen op de eisen uit het Bbl voor Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) 1, 2 en 3. Daarnaast toetsen wij bij ingrijpende renovatie, wanneer meer dan 25% van de integrale bouwschil wordt verwijderd, of de initiatiefnemer voor dat deel van het bouwwerk voldoet aan de nieuwbouweisen. In het geval een technische bouwactiviteit onder de Wkb valt, gaan wij ervan uit dat de kwaliteitsborger deze toetsing meeneemt in zijn borgingsplan.
Voldoen nieuwe bouwwerken aan de eisen voor circulariteit. Dat betekent dat wij actief toetsen of het bouwwerk voldoet aan de Milieuprestatie gebouwen (MPG). In het geval een technische bouwactiviteit onder de Wkb valt, gaan wij ervan uit dat de kwaliteitsborger deze toetsing meeneemt in zijn borgingsplan
Noodzakelijke waterberging. Smallingerland bereidt zich voor op toenemende wateroverlast, droogte en hitte, door de openbare ruimte daarop in te richten. Via regels in ons omgevingsplan kunnen we initiatiefnemers sturen in de aansluiting op waterbergingsvoorzieningen. Daar waar de gemeente deze voorzieningen heeft gerealiseerd, vormt dit voor de initiatiefnemer van een bouwwerk (veelal een woning) een Bijzondere Lokale Omstandigheid als bedoeld in de Wkb.
Daarnaast toetst de FUMO actief op energiebesparing bij bedrijven die veel energie verbruiken en toetsen wij op de aanwezigheid van label C bij kantoren. Verder noemt de UHS Fryslân als doelstelling dat de uitstoot van stikstof, fosfaat en overige stoffen die schadelijk zijn voor kwetsbare natuurgebieden afneemt. Daar ligt vooral een verantwoordelijkheid voor de provincie, maar wij zullen toetsen of aannemers bij bouwwerkzaamheden de transitie inzetten van fossiel naar elektrisch. Het Convenant Schoon en Emissieloos Bouwen zien wij daarvoor als uitgangspunt.
In Smallingerland kan iedereen meedoen en sluiten we niemand buiten. Dat noemen we inclusiviteit. Het uitgangspunt is gelijkheid. We willen een samenleving waarin mensen mee kunnen doen en niet worden buitengesloten. Uit onze Omgevingsvisie hebben wij voor deze UHS de volgende doelen vertaald:
“Wij hebben als toekomstbeeld (2040) dat openbare gebouwen voor iedereen toegankelijk moeten zijn, ook voor mensen met een beperking. Openbare gebouwen vallen veelal onder gevolgklasse 2 en 3, zodat wij in onze vergunningverlening daar zelf de vergunningaanvraag actief toetsen op de eisen voor toegankelijk bouwen uit het Bbl . Als gemeente zullen wij de openbare ruimte zodanig inrichten dat deze zoveel mogelijk obstakelvrij is. Deze obstakels zijn naar verwachting vergunningvrij , zodat voor VTH hier vooralsnog geen actieve taak ligt”.
Ons doel is om inwoners meer en vroegtijdig bij plannen en ontwikkelingen te betrekken.
Wij hebben daarvoor Participatiebeleid vastgesteld. Dit participatiebeleid is bedoeld voor en kan worden gebruikt door:
Het participatiebeleid bindt ons als gemeente en ook de inwoners of initiatiefnemers wanneer er sprake is van verplicht gestelde participatie. Participatie is verplicht onderdeel bij de meeste BOPA’s6. We hebben in Smallingerland een Handreiking participatie Omgevingswet, die initiatiefnemers informeert hoe zij hun participatietraject kunnen vormgeven.
Bij besluiten over de ruimte, bij plannen voor gebouwen of voor de openbare ruimte is ons uitgangspunt dat iedereen die effecten van een plan gaat ondervinden inbreng moet kunnen geven en goed en begrijpelijk wordt geïnformeerd. Dat geldt ook voor de spelregels voor het gebruik van de openbare ruimte die wij in onze APV hebben opgenomen.
In Smallingerland nemen we bij alle ontwikkelingen en bij het beheer van de leefomgeving onze identiteit mee. Het gaat om kenmerken van het landschap, om cultuurhistorische kenmerken en om sociaal-culturele aspecten. Uit onze Omgevingsvisie hebben we daarover onderstaande afgeleid:
Voegt een plan zich naar de kernwaarden van het landschap? Zodra wij als gemeente daarvoor regels in ons omgevingsplan hebben opgenomen, zullen wij daar bij vergunningaanvragen voor omgevingsplanactiviteiten actief aan toetsen. Deze regels gelden in voorkomende gevallen ook voor FUMO, zoals bij ontgravingen.
Bij de sociaal-culturele aspecten spelen onze evenementen uiteraard een rol. Onze evenementen zijn over het algemeen kleinschalig, zonder grote incidenten. Wij gaan ons inzetten om via structureel toezicht op risico’s als geluids- en jeugdoverlast het naleefgedrag verder te verbeteren.
In ons vigerende Privacy protocol inzake ondermijning7 hebben wij als gemeente Smallingerland de volgende doelstellingen geformuleerd.
Ondermijning is geen hoofdtaak voor VTH, maar VTH kan wel een belangrijke signaalfunctie hebben bij de vaststelling van mogelijke ondermijning. Daartoe dragen wij bij aan Bibob-onderzoeken of onderzoeken van het RIEC8. Daarom zetten wij in op verdere verbetering van de samenwerking tussen VTH en Openbare Orde en Veiligheid en verrichten wij de uitvoering van deze taken voor zover de capaciteit van VTH dit toelaat.
Onze inzet voor VTH richt zich op de grootste risico’s. De activiteiten met de grootste kans op overtreding én de grootste effecten als het mis gaat, krijgen de meeste aandacht. Landelijk wordt nog gewerkt aan een standaard risicomodel. Hier zullen we bij de opvolger van deze UHS gebruik van maken. In hoofdstuk drie zijn per taakveld de risico’s beschreven.
Om prioriteiten te kunnen stellen is een informatie gestuurd risicomodel uitgewerkt voor de clusters van thuistaken. De effectiviteit van dit model wordt groter naarmate meer en betere informatie beschikbaar is. De komende jaren wordt gewerkt aan de gegevenskwaliteit om het model ook optimaal te kunnen inzetten.
Cruciaal voor het leveren van kwaliteitsproducten is de beschikbaarheid van vakmanschap en expertise en de borging van de kwaliteit. Als kwaliteitsafspraken niet worden vastgelegd, gemonitord en gerapporteerd is er een sterke mate van afhankelijkheid van de individuele medewerker.
Kwaliteit is voor ons (1) het realiseren van de doelstellingen die we met elkaar hebben afgesproken en (2) het voldoen aan de wettelijke eisen.
Wij hebben de Verordening kwaliteit VTH vastgesteld, waarin de verplichting is opgenomen om te voldoen aan de kwaliteitscriteria die in het Frysk bestuurlijk VTH-overleg zijn afgesproken. Deze criteria zijn gebaseerd op de landelijke criteria en naar de Fryske dimensie vertaald. De kwaliteitscriteria hebben zowel betrekking op de kwaliteit van de organisatie als de kwaliteit van de medewerkers. Wij hanteren altijd de meest actuele versie van de kwaliteitscriteria.
In dit hoofdstuk geven wij voor onze taakvelden de beleidsdoelstellingen weer. Deze zijn zoveel mogelijk gebaseerd op de risico’s van het taakveld. Daarvoor gaan we eerst in op de risico’s die spelen in de taakvelden op basis van onze evaluatie over de periode 2019-2024. Wij hebben deze evaluatie bij het opstellen van dit document uitgevoerd op basis van bijeenkomsten met medewerkers.
3.1 Risicoanalyse en diepgang toetsing
Bijlage 1 geeft het resultaat weer van onze risicoanalyse. De analyse is opgedeeld in de volgende 4 categorieën:
Per categorie hebben wij activiteiten benoemd die bepalend zijn voor de uitvoering van onze taken. Waar relevant maken we onderscheid tussen de fasen 1 (nieuwbouw), 2 (gebruiksfase) en 3 (sloopfase). In de praktijk speelt de sloopfase alleen bij particuliere asbestverwijdering9. Iedere activiteit hebben wij een score (van (1) lichte impact tot (5) zware impact) gegeven op de volgende thema’s:
Het gemiddelde van deze scores levert een effectscore. Deze effectscore vermenigvuldigen we vervolgens met het naleefgedrag (van (1) zeer goed tot (5) zeer slecht), waaruit de risicoscore volgt. Deze risicoscore leidt vervolgens tot onze prioritering in taken. Tabel 2 geeft deze prioritering weer.
Tabel 2: Van risico’s naar uitvoering en toezichtstrategie
Bijlage 2 geeft per prioriteit op hoofdlijnen inzicht in de frequentie en diepgang van toetsing weer die wij bij onze taakvelden hanteren. De kengetallen zijn een richtlijn voor een ‘gemiddelde’ uitvoering. Op casusniveau kunnen wij van deze getallen naar onder of boven afwijken als de situatie daartoe aanleiding geeft. Wij gebruiken de kengetallen (al dan niet in aangepaste vorm) in ons Uitvoeringsprogramma om onze benodigde capaciteit, kennis en kunde te ramen.
De frequentie geeft aan of wij volledig (100%) of steekproefsgewijs (<100%) toetsen. Vergunningaanvragen, maatwerkbesluiten en het afhandelen van meldingen en informatieplichten handelen wij altijd af (100%). Ons toezicht kan ook steekproefsgewijs zijn. Als wij minder risicovolle gebouwen eens per 2 jaar controleren op brandveiligheid, scoort dat een frequentie van 50%.
Voor wat betreft de bouwplanactiviteiten die vallen onder categorie A Bouwen, wonen en ruimtelijke ordening gebruiken wij aanvullend de actuele versie van de Landelijke toetsingsmatrix Bbl (LTBBL). Deze toetsingsmatrix geeft richting aan de toetsingsdiepgang (van globaal tot diepgaand) op het niveau van artikelen uit het Bbl. Onze prioritering (bijlage 1) is daarbij leidend. Zo kunnen wij rekening houden met het naleefgedrag. Bij goed naleefgedrag borgt de bouwer zijn eigen kwaliteit en is het overbodig om dat diepgaand ‘over te doen’.
De onderdelen constructieve veiligheid en brandveiligheid zijn daarop een uitzondering. Deze onderdelen vinden wij voor ieder bouwwerk zo belangrijk dat we ze de prioriteit Hoog hebben gegeven. Daar kijken we dus standaard wel naar, met uitzondering van de bouwwerken die onder de Wkb vallen10. Bovendien houden we daar bovenop voor de bouwwerken in gevolgklassen 2 en 3 (complexe bouwwerken waarin veel mensen verblijven) ook rekening met voldoende uren om te kunnen toetsen, ongeacht de prioriteit. Bouwwerken in gevolgklasse 2 en 3 vormen een beperkt deel (ongeveer 20%) van onze omgevingsvergunningen bouwplanactiviteit.
Smallingerland heeft zo’n 56.000 inwoners. Bijna 80% van ons woningbestand bestaat uit eengezinswoningen, de rest betreft meergezinswoningen11. In de afgelopen jaren gaven wij zo rond de 600 omgevingsvergunningen per jaar af voor bouwen en wonen.
De inwerkingtreding van de Omgevingswet en Wkb per 2024 zorgt voor grote verschuivingen in de door ons verleende vergunningen in gevolgklasse 1. In de basis komt dat door de basisgedachte van de Omgevingswet: onder de Wabo (tot 2024) was ‘wijziging van de fysieke leefomgeving’ verboden, tenzij je een vergunning kreeg. Onder de Omgevingswet (vanaf 2024) is deze ‘wijziging’ veelal toegestaan, onder de voorwaarde dat je je aan de regels houdt en je wijziging aan de gemeente meldt. Alleen wijzigingen van bouwwerken in gevolgklasse 1 die in strijd zijn met het omgevingsplan blijven vanaf juli 2025 vergunningplichtig. Ofwel: voor grote delen van dit taakveld komt een meldingsplicht in de plaats voor een vergunningplicht. Meer in detail treden de volgende wijzigingen op.
De Omgevingswet legt een knip tussen de ruimtelijke en de technische bouwactiviteit. Voor de ruimtelijke bouwactiviteit, ofwel de ruimtelijke inpassing van de woning, verlenen wij nu een vergunning voor een OPA of een BOPA12. Voor de technische bouwactiviteit, ofwel het voldoen aan de bouwtechnische eisen aan het Bbl, verlenen wij een vergunning BPA 13of accepteren wij daarvoor een melding. Waar vroeger één vergunning nodig was, is vanaf medio halverwege 2025 veelal sprake van een vergunning voor een OPA/ BOPA, in combinatie met een (Wkb)-melding voor een BPA. Deze vergunningen en/of meldingen mag een initiatiefnemer los van elkaar indienen. Onze administratieve werklast is daarmee behoorlijk groter geworden.
Nieuwbouw en verbouw in gevolgklasse 1 (woningen en andere bouwwerken waar relatief weinig mensen verblijven) valt onder de Wkb. Voor nieuwbouw geldt dat al vanaf 2024. Voor verbouw geldt dat naar verwachting vanaf juli 2025. Voor bouwwerken in gevolgklasse 1 toetst een onafhankelijk kwaliteitsborger of het bouwwerk aan de eisen van het Bbl voldoet. In dat geval levert de kwaliteitsborger een goedkeurende verklaring op. De gemeente toetst niet meer inhoudelijk. Onze inhoudelijke werklast neemt naar verwachting vanaf juli 2025 af, omdat circa 80% van onze bouwwerken (nieuwbouw en bestaande bouw) onder gevolgklasse 1 vallen. De inhoudelijke werklast voor vergunningen neemt weliswaar af, maar de inzet verschuift naar onder andere meldingen, omgevingstafel, en dergelijke.
Tijdens de periode 2019-2024 hebben zich binnen onze gemeente op het gebied van bouwen en wonen geen significante risico’s voorgedaan. Dit is conform verwachting op basis van onze risicoanalyse uit ons VTH beleidsplan. Onze bouwtoezichthouders legden standaard minimaal één toezichtbezoek af bij nieuwbouw en verbouw. Eventuele onvolkomenheden werden in het veld meestal op aangeven van de toezichthouder direct door de aannemers gecorrigeerd, zonder dat handhavend optreden noodzakelijk was. Voor monumenten, waarin het risico als hoog werd ingeschat, zijn ook geen incidenten bekend.
Bijlage 1 geeft onze risicoanalyse weer. Wij maken – net als in de Wkb - onderscheid tussen gevolgklasse 1 en de gevolgklassen 2, 3 en monumenten.
Gevolgklasse 1 (Bouwen en wonen, codes 01, 08, 10 en 11)
Met de Wkb treedt een belangrijke verandering op in de risico’s. Immers het toezicht op de technische bouwactiviteit ligt in gevolgklasse 1 bij onafhankelijke toezichthouders14. Deze kwaliteitsborgers werken met een borgingsplan, waarvan een risicoanalyse deel uitmaakt. Daarmee wordt het risico op eventuele bouwfouten in gevolgklasse 1 bij de markt gelegd. Met de markt bedoelen we de opdrachtgever, de aannemer en de kwaliteitsborger.
Een aandachtspunt zijn de zogenaamde deelopleveringen. Dat kan aan de orde zijn bij de oplevering van een eerste rij woningen in een project van corporatiewoningen. Deelopleveringen komen ook voor bij zelfbouwers, waarbij de aannemer het casco oplevert en de opdrachtgever zelf wil afbouwen. De Wkb houdt geen rekening met deelopleveringen. Het risico ontstaat daarmee dat de kwaliteitsborger geen goedkeurende verklaring kan afgeven. Alhoewel dat in beginsel een risico is voor de opdrachtgever, die zijn bouwwerk niet in gebruik mag nemen, hebben wij daar wel een gedragsrichtlijn voor geformuleerd15, die terugkomt in dit uitvoeringsbeleid. Wij schatten de risico’s op niet-naleving in als middelhoog.
Wij blijven toezicht houden op de verleende vergunning voor de omgevingsplanactiviteit. Dat betekent dat wij toetsen of het bouwwerk aan de gestelde ruimtelijke eisen voldoet, zoals nokhoogtes, peilhoogtes, rooilijnen, e.d. Wij schatten de risico’s op niet-naleving in als middelhoog.
Verder houden wij toezicht op bouwveiligheid in de omgeving van de bouwplaats. Hierbij zijn rechtstreeks werkende regels van kracht of verleende ontheffingen/vergunningen van onze APV. Wij schatten de risico’s op niet-naleving in als middelhoog.
Gevolgklasse 2, 3 en monumenten (Bouwen en wonen codes 02 t/m 07 en 09)
In de gevolgklassen 2, 3 (complexe gebouwen, waarin veelal veel mensen verblijven) en monumenten blijven wij toezicht houden op de bouwplanactiviteit. De ervaringen uit de afgelopen periode geven geen aanleiding om de risicoanalyse te veranderen.
Voor wat betreft het toezicht op de omgevingsplanactiviteiten en bouwveiligheid gelden dezelfde risico’s als genoemd onder gevolgklasse 1.
3.2.2 Uitvoeringsbeleid bouwen en wonen
In aanvulling op de uitgangspunten uitvoeringsbeleid (zie hoofdstuk 2) geldt, op basis van voorgaande beschrijving van de risico’s, het volgende uitvoeringsbeleid:
Wij hechten aan het behoud van onze identiteit in Smallingerland. Dat betekent dat wij alle vergunde en/ of gemelde bouwwerken - nieuwbouw en verbouw - controleren of deze voldoen aan de verleende vergunningen voor omgevingsplanactiviteiten (OPA of BOPA) én of de bouwwerken niet in strijd zijn met de regels uit ons omgevingsplan
Inzake bouwwerken in gevolgklasse 1, die vallen onder de Wkb :
De gemeente controleert op volledigheid van de aangeleverde stukken, maar niet op inhoud. De inhoudelijke beoordeling van het bouwplan, het in kaart brengen van de risico’s én de controle tijdens de bouw is nu juist de taak van de kwaliteitsborger. De gemeente blijft wel het bevoegd gezag en beoordeelt bij de melding bouwactiviteit of:
Wanneer de kwaliteitsborger constateert dat in strijd met bouwtechnische eisen wordt gehandeld en deze daarvan melding maakt, dan moet deze melding door de gemeente opgepakt te worden. Afhankelijk van de ernst van de melding beslist de gemeente of er een informatie, controle, of een stopmoment wordt opgelegd.
Onze gemeente controleert op volledigheid van stukken waarbij een bouwtechnische beoordeling kan worden ingezet op basis van risico gestuurd werken (prioriteiten) en gebiedspecifieke risico’s (bijzondere lokale omstandigheden). Ook andere signalen en informatie kunnen meewegen in de beoordeling van de inzet van toezicht en handhaving.
Wij gaan alleen actief toezichthouden/ handhaven op het gebied van veiligheid en gezondheid, energiezuinigheid en brandveiligheid. Wij gaan in de basis niet actief handhaven op daglicht en bruikbaarheid, zoals maatvoering of het moet gaan om grote afwijkingen waardoor het gebruik onevenredig wordt beperkt. Wij gaan over het algemeen niet actief gebruiksverboden opleggen. Als veiligheid of gezondheid in het geding is, leggen wij wel een gebruiksverbod op.
Wij staan gefaseerde oplevering toe. Dat betekent dat het uitgangspunt is dat de opdrachtgever twee weken voor de afronding van iedere fase een volledige gereedmelding moet doen bij ons als gemeente. Dit betekent ook dat eerder per fase een bouwmelding gedaan moet zijn. Met de initiatiefnemer, de kwaliteitsborger en het bevoegd gezag worden afspraken gemaakt over het per fase verstrekken van een verklaring. Als er signalen worden ontvangen dat informatie noodzakelijk is, dan bieden artikel 2.20 Bbl en de Algemene wet bestuursrecht handvatten om de gewenste informatie alsnog op te vragen. Hiermee kunnen eventuele problemen worden ondervangen.
De ingebruikname wordt verboden door het opleggen van handhavingssancties (in die gevallen dat de woning toch in gebruik genomen wordt zonder gereedmelding), afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hierbij speelt mee wat de afwijking van het Bbl is en binnen welke termijn dit kan worden opgelost. Bij ernstige afwijkingen (zoals constructie en brandveiligheid) waarbij de ingebruikname meteen moet worden tegengegaan, is een last onder bestuursdwang denkbaar. Bij kleinere afwijkingen (badkamer, ventilatieroosters en energiemaatregelen zoals het plaatsen van zonnepanelen of warmtepomp) is een last onder dwangsom mogelijk, maar kunnen we ook afzien van handhaving in afwachting van de volledige verklaring.
In het geval het gaat om afwijkingen die zien op fysieke veiligheid, volksgezondheid, duurzaamheid, leefbaarheid, financiële en bestuurlijke en imago aspecten en het bouwwerk toch in strijd met de wet in gebruik is genomen, dan krijgt de initiatiefnemer de mogelijkheid om binnen een vastgestelde termijn alsnog een volledige gereedmelding in te dienen. De opgelegde termijn hangt samen met de risico’s bij het in gebruik hebben van het bouwwerk. In de tussentijd moet door de opdrachtgever aangetoond worden dat het veilig is om het bouwwerk toch in gebruik te nemen. Kan dit niet worden aangetoond dan handhaaft de gemeente het verbod op in gebruik name. Het bouwwerk mag dan niet in gebruik worden genomen.
De gereedmelding kan in een dergelijk geval niet worden afgerond. Hiervoor moet er eerst een wetstechnische aanpassing van de wet plaatsvinden . Tot die tijd ontvangt de initiatiefnemer van de gemeente een 'ingebruiknamebesluit' dat bewoning is toegestaan. Op een later moment wordt de gereedmelding alsnog afgerond. In de praktijk moet hier nog ervaringen mee op worden gedaan. Elke situatie op dit moment is een grijs gebied en wordt zoals gezegd van geval tot geval beoordeeld.
Inzake bouwwerken die niet vallen onder de Wkb :
Wij willen dat alle nieuwe bouwwerken duurzaam en energiezuinig worden gebouwd. Wij toetsen vergunningaanvragen op het voldoen aan de eisen/ normen voor energie uit het Bbl. Voor wat betreft duurzaamheid toetsen wij op de Milieuprestatie Gebouwen (MPG). Wij voeren de toetsing uit conform de toezichtmatrix LTB.
Inzake bouw- en sloopveiligheid
3.2.3 Prioriteiten bouwen en wonen
Op basis van ons uitvoeringsbeleid en onze risicoanalyse (bijlage 1) geven wij een aantal taakvelden prioriteit in onze uitvoering. Tabel 3 geeft deze prioriteiten weer.
Tabel 3: Taakvelden met prioriteit Bouwen, wonen en ruimtelijke ordening
Bijlage 2 geeft de diepgang van toetsing weer die wij bij onze taakvelden hanteren. De kengetallen zijn een richtlijn voor een ‘gemiddelde’ uitvoering. Op casusniveau zijn er afwijkingen van deze getallen naar onder of boven. Wij gebruiken de kengetallen (al dan niet in aangepaste vorm) in ons Uitvoeringsprogramma om onze benodigde capaciteit, kennis en kunde te ramen.
3.3 APV/ Bijzondere Wetten (BW)
In onze Algemene Plaatselijke Verordening (APV) staan regels over het gebruik van de openbare ruimte, om de openbare orde en veiligheid te borgen. Bepaalde activiteiten in de openbare ruimte mogen alleen plaatsvinden als daarvoor een ontheffing of vergunning is verleend. Een voorbeeld daarvan is de evenementenvergunning.
Daarnaast kennen we nog een aantal zogenaamde Bijzondere wetten. De Alcoholwet regelt de bedrijfsmatige verstrekking van alcoholhoudende dranken. Daarvoor moet een alcoholwetvergunning aangevraagd worden. Wij houden daarop toezicht, bijvoorbeeld op verkoop aan 18- of de aanwezigheid van leidinggevenden.
In relatie tot bijzondere wetten noemen wij in dit kader de Wet goed verhuurderschap. Deze wet maakt het mogelijk om op te treden bij misstanden op de lokale huurmarkt. Daarvoor is binnen de gemeente een meldpunt ingericht voor klachten over ongewenst verhuurgedrag. Een deel van de klachten kunnen binnen het team VTH worden opgepakt. Dit betreft dan aspecten rondom de staat van de verhuurde woning.
De evaluatie van de openbare ruimte valt uiteen in twee deelthema’s: de APV en de evenementen (afdeling 7 van onze APV). Daarnaast gaan we in deze paragraaf nog in op ondermijning omdat dit thema gekoppeld is aan openbare orde en veiligheid.
Algemeen Plaatselijke Verordening (APV)
Ons toezicht en handhaving op de APV is ingedeeld in domeinen. Alleen Domein 2 Milieu, welzijn en infrastructuur valt onder deze UHS.
Op het vlak van de naleving van de APV spelen geen grote risico’s. Terrassen en reclameborden geven over het algemeen geen overlast. Onze beleidsregels op het vlak van reclameborden, verwijsborden en spandoeken (APV art. 2.10A) geven nadere duidelijkheid op de uitleg van dit artikel en bieden daarmee nadere duidelijkheid op wat mag en wat niet. Rond oud en nieuw is er altijd wel enige overlast als gevolg van carbid-schieten wanneer te grote bussen worden gebruikt.
Evenementen (Afdeling 7 van onze APV)
Wij hebben jaarlijks circa 100 evenementen, die wij onderverdelen in 3 categorieën:
Wij vragen van iedere initiatiefnemer - voorafgaand aan het evenement - om het evenement te omschrijven aan de hand van een risicoclassificatie-formulier. Op basis daarvan delen wij het evenement in een categorie in en bepalen wij welke regels nodig zijn en welk toezichtregime wij instellen.
Ons VTH-beleid 2019-2024 ging uit van een indeling van het aantal bezoekers van een evenement. Dat is slechts één van de tien onderdelen van de risicoclassificatie. In onze UHS gaan we daarom de risicoclassificatie A, B en C als uitgangspunt nemen, omdat dit een meer evenwichtige basis biedt voor onze vergunningverlening voor evenementen en ons toezicht daarop.
Parallel aan het opstellen van deze UHS evalueren wij ons Evenementenbeleid. Uit de evaluaties van het Evenementen- en VTH-beleid komen de volgende verbeterpunten voort:
In samenhang met het voorgaande punt willen wij op basis van de ervaringen in de afgelopen jaren een evenementenkalender opstellen. Dat geeft ons de mogelijkheid om proactief en eerder met initiatiefnemers in contact te komen en de initiatiefnemer te begeleiden bij hun aanvraag, zodat de kwaliteit van de aanvragen stijgt. In de afgelopen jaren was vaak geen sprake van vooroverleg;
3.3.2 Uitvoeringsbeleid APV/BW
In aanvulling op de uitgangspunten uitvoeringsbeleid (zie hoofdstuk 2) geldt, op basis van voorgaande beschrijving van de risico’s, het volgende uitvoeringsbeleid.
3.3.3 Prioriteiten APV/Bijzondere Wetten
Op basis van ons uitvoeringsbeleid en onze risicoanalyse (bijlage 1) geven wij een aantal taakvelden prioriteit in onze uitvoering. Tabel 4 geeft deze prioriteiten weer.
In onze risicoanalyse hebben wij evenementen in de categorie C als hoog geprioriteerd. In de praktijk worden dergelijke evenementen niet georganiseerd. Om die reden houdt tabel 4 daarmee ook geen rekening.
Bijlage 2 geeft de diepgang van toetsing weer die wij bij onze taakvelden hanteren. De kengetallen zijn een richtlijn voor een ‘gemiddelde’ uitvoering. Op casusniveau zijn er afwijkingen van deze getallen naar onder of boven. Wij gebruiken de kengetallen (al dan niet in aangepaste vorm) in ons Uitvoeringsprogramma om onze benodigde capaciteit, kennis en kunde te ramen.
De taakvelden milieu en bodem vallen grotendeels onder het basistakenpakket. Dat wil zeggen de meest risicovolle bedrijven inrichtingen16. Eén bedrijf kan meerdere milieubelastende activiteiten (MBA’s) hebben. De meeste bedrijven – circa 90% van de bedrijven in onze gemeente – betreffen zogenaamde milieucategorie 1 bedrijven, die onder ons toezicht vallen.
Voor de basistaakbedrijven geldt een vergunningplicht, informatieplicht of een meldplicht bij zogenaamde milieubelastende activiteiten. Voor de thuistaakbedrijven is daarvan in bepaalde gevallen sprake.
Voor wat betreft bodem hebben wij met de inwerkingtreding van de Omgevingswet veel taken van de provincie overgenomen. Deze taken vallen nagenoeg allemaal onder het basistakenpakket. Daarom verwijzen wij voor het taakveld bodem kortheidshalve naar de UHS Fryslân.
Wij actualiseren onze bodemkwaliteitskaart en Nota bodembeheer. Deze beleidsdocumenten vormen voor FUMO een van de kaders voor de uitvoering van de bodemtaken. Tenslotte verzorgen wij wel informatieverzoeken bodem, bijvoorbeeld bij verkoop van gronden/ percelen.
Wij zetten stevig in op energiebesparing (25% ten opzichte van 2010) en duurzaam opgewekte energie (33% in 2030). Hier ontstaan tegenstrijdige risico’s. Aan de ene kant is het risico dat deze doelstellingen niet worden gehaald zonder toezicht. Aan de andere kant kunnen belangrijke negatieve neveneffecten ontstaan als gevolg van het bereiken van deze doelstelling, zoals het optreden van netwerkcongestie.
Wij richten ons in deze uitvoeringsstrategie niet op de grote energie verbruikende bouwwerken. Bouwwerken voor zover daarover regels zijn gesteld in artikel 3.84 van het Bbl vallen onder het basistakenpakket.
Ook klimaatadaptatie is in deze een aandachtspunt. Het realiseren van waterbuffers en/ of de (toekomstig) verplichte aansluiting daarop vraagt naar verwachting toezicht.
Voor de drank- en horecagelegenheden wordt in projectvorm aandacht gegeven aan de brede integrale controles bij deze bedrijven. Gebouwen en functies scoren in de risicomatrix hoog op het gebied van constructieve veiligheid en brandveiligheid. Met name daar waar sprake is van intensief gebruik en/ of kwetsbare doelgroepen zetten we sterk in op het toezicht in de gebruiksfase.
3.4.2 Uitvoeringsbeleid milieu en bodem
In aanvulling op de uitgangspunten uitvoeringsbeleid (zie hoofdstuk 2) geldt, op basis van voorgaande beschrijving van de risico’s, het volgende uitvoeringsbeleid:
Onder de Omgevingswet zijn veranderingen in regelgeving en vergunningverlening voor verbranding van onder andere snoeihout doorgevoerd voor zover dat voor de wet bedrijfsafvalstoffen zijn. Voor de verbranding van bedrijfsafvalstoffen hanteren we een overgangsperiode tot 31 december 2025 waarbij we toewerken naar taakoverdracht aan de FUMO. Hiervoor stellen we, in overleg met andere gemeenten in Fryslân, tijdelijk beleid op. Daarna valt dit onderwerp onder de U&H strategie voor de basistaken van de FUMO.
3.4.3 Prioriteiten Milieu, bodem en duurzaamheid
Op basis van ons uitvoeringsbeleid en onze risicoanalyse (bijlage 1) geven wij een aantal taakvelden prioriteit in onze uitvoering. Tabel 5 geeft deze prioriteiten weer.
Tabel 5: Prioriteiten Milieu, bodem en duurzaamheid
Bijlage 2 geeft de diepgang van toetsing weer die wij bij onze taakvelden hanteren. De kengetallen zijn een richtlijn voor een ‘gemiddelde’ uitvoering. Op casusniveau zijn er afwijkingen van deze getallen naar onder of boven. Wij gebruiken de kengetallen (al dan niet in aangepaste vorm) in ons Uitvoeringsprogramma om onze benodigde capaciteit, kennis en kunde te ramen.
Het onderdeel toezicht gebruiksfase omvat diverse onderdelen. Dit borduurt voort op het gebruik na de bouwfase. Het toezicht bevat onder andere toezicht op de brandveiligheid, drank en horeca, milieu en ruimtelijke ordening (toegestane activiteiten). Voor zover mogelijk worden deze controles integraal gedaan, maar er zijn ook diverse aspectcontroles. Aan de integrale controles van drank- en horecagelegenheden ligt een projectplan ten grondslag dat loopt vanaf 2024 tot en met 2026. Het vervolg hierop bepalen we later.
Voor de drank- en horecagelegenheden is in projectvorm aandacht gegeven aan de brede integrale controles bij deze bedrijven. Gebouwen en functies scoren in de risicomatrix hoog op het gebied van constructieve veiligheid en brandveiligheid. Met name daar waar sprake is van intensief gebruik en/of kwetsbare doelgroepen zetten we sterk in op het toezicht in de gebruiksfase.
3.5.2 Uitvoeringsbeleid toezicht gebruiksfase
Wij willen dat gebouwen voldoen aan de brandveiligheidsvoorschriften en dat gebruikers zich bewust zijn van de gevaren. Wij controleren risicoklasse 1 bedrijven op brandveilig gebruik. Risicoklasse 1 bedrijven zijn de gebouwen met hogere risico's door intensief gebruik en/of gebruik door kwetsbare doelgroepen. Daarnaast voeren we controles uit op de overige risicoklassen.
Wij willen dat gebouwen voldoen aan de brandveiligheidsvoorschriften en dat gebruikers zich bewust zijn van de gevaren. Wij controleren risicoklasse 1 bedrijven op brandveilig gebruik. Dit betreft de gebouwen met hogere risico’s door het intensieve gebruik en de kwetsbare doelgroepen. Daarnaast worden controles uitgevoerd op de overige risicoklassen.
3.5.3 Prioriteiten toezicht gebruiksfase
Op basis van ons uitvoeringsbeleid en onze risicoanalyse (bijlage 1) geven wij vooral aan brandveiligheid prioriteit in onze uitvoering. Tabel x geeft deze prioriteit weer.
Bijlage 2 geeft de diepgang van toetsing weer die wij bij onze taakvelden hanteren. De kengetallen zijn een richtlijn voor een ‘gemiddelde’ uitvoering. Op casusniveau zijn er afwijkingen van deze getallen naar onder of boven. Wij gebruiken de kengetallen (al dan niet in aangepaste vorm) in ons Uitvoeringsprogramma om onze benodigde capaciteit, kennis en kunde te ramen.
Bij klachten over activiteiten vindt door de juridisch medewerkers, in samenspraak met de toezichthouders, een afweging plaats of een controle ter plekke nodig is op basis van het verwachte risico waarop de klacht betrekking heeft. Klachten worden per geval en op basis van de hoogte van de prioriteit en/of afzonderlijk criteria bekeken. Wanneer er sprake is van een handhavingsverzoek wordt hier een besluit op genomen. Als tegen een besluit bezwaar wordt aangetekend, dan kan passend contact worden ingeschakeld waarbij ingezet wordt op het voorkomen van een bezwarenprocedure. Het klachtenprotocol dat wij hanteren is als bijlage 3 aan deze UHS toegevoegd.
Tabel 7: Prioriteiten klachten
|
De hoeveelheid klachten willen we verminderen de komende vier jaar op het gebied van VTH |
De hoeveelheid klachten op het gebied van VTH willen we over 4 jaar met 5% verminderd hebben |
Deze UHS is onderdeel van een sluitende beleidscyclus, de BIG-8 cyclus (zie paragraaf 1.2). Dit betekent dat het strategisch beleid (wat willen we bereiken?) uit voorgaande drie hoofdstukken doorwerkt in operationeel beleid (hoe willen we dit bereiken?), ofwel de VTH-strategieën.
De VTH-strategieën bestaan uit vijf componenten: preventiestrategie, vergunningenstrategie, toezichtstrategie, sanctiestrategie en gedoogstrategie. In de paragrafen 4.2 t/m 4.6 zijn deze strategieën uitgewerkt en toegelicht. In onderstaand figuur is de onderlinge verhouding tussen de VTH-strategieën gevisualiseerd.
Wij lichten deze strategieën kort toe.
In de preventiestrategie beschrijven we hoe we bij de uitvoering van de thuistaken proberen te bereiken dat inwoners en bedrijven van nature regels over leefbaarheid, veiligheid en duurzaamheid nakomen. Daarbij zetten we bijvoorbeeld in op heldere communicatie, voorlichting en het uitleggen van het doel van regels. De meeste inwoners en bedrijven blijken dan bereid de voor hen geldende regels na te leven.
Uitgangspunt is een klantgerichte en klantvriendelijke benadering waarbij binnen de geldende kaders steeds gezocht wordt naar een passende oplossing. Als een initiatiefnemer/aanvrager er met de geboden informatie niet uitkomt is er altijd een gesprek met de casemanager of overige betrokken medewerkers mogelijk. Hiermee wordt voorzien in een professionele en klantvriendelijke dienstverlening.
Bij preventie gaat het om het van nature nakomen van regels over leefbaarheid, veiligheid en duurzaamheid. Wij willen het naleefgedrag bevorderen door toezicht uit te voeren, maar ook door in te zetten op voorlichting en het uitleggen van het doel van regels.
Via voorlichting wordt voorkomen dat overtredingen ontstaan uit een gebrek aan informatie en kennis. Inwoners en bedrijven worden door ons geïnformeerd over de verandering van wet- en regelgeving, indieningsvereisten, mogelijkheden voor aanvragen, et cetera.
4.2.2 Samenwerking bij de preventie
Bij het voorkomen van overtredingen werken we samen. Afhankelijk van het doel vindt samenwerking plaats samen met de FUMO, andere gemeenten, de provincie, Wetterskip, veiligheidsregio, het RIEC en diensten van rijksoverheden.
De vergunningenstrategie beschrijft de basiswerkwijze, het beoordelingskader en toets niveaus voor het behandelen en beoordelen van aanvragen en meldingen bouwen, APV en bijzondere Wetten.
Wij volgen voor onze toetsing van technische Bouwplanactiviteiten de actuele versie van de Landelijke richtlijn Toetsing Bbl (LTB). Gezien de omvang van deze richtlijn hebben wij deze niet toegevoegd. De laatste (digitale) versie is beschikbaar via de website van de Vereniging Bouw en woningtoezicht.
Deze toetsingsrichtlijn Bbl houdt ook rekening met de Wkb. Als de Wkb per juli 2025 ook geldt voor verbouw, zal deze toetsingsrichtlijn worden aangepast. Ook verdwijnt voor ons de noodzaak om gemotiveerd af te wijken voor de toetsingsdiepgang van de landelijke richtlijn, omdat de onafhankelijk kwaliteitsborger deze bouwwerken toetst.
Voor de gemeente resteert alleen nog de toetsing van complexe bouwwerken waar veel personen kunnen verblijven. De gemeente kiest ervoor om voor deze bouwwerken niet met verminderde diepgang te toetsen, maar gewoon het LTB te volgen. Wij wensen voor deze bouwwerken niet meer risico’s te lopen dan de landelijke richtlijn adviseert. Daarmee introduceren we niet zelf extra kans op bouwfouten, die kunnen leiden tot grote risico’s, zoals in de afgelopen jaren aan de orde kwamen met onder meer parkeergarages (breedteplaatvloeren) en balkons bij flatgebouwen.
Bij APV/ BW is onze inzet om eerder met initiatiefnemers in contact te komen om een evenement voor te bereiden. Daarbij snijdt het mes aan twee kanten. Ten eerste krijgt de initiatiefnemer sneller duidelijkheid over de voorwaarden die gaan gelden voor het evenement. Ten tweede kunnen wij als gemeente beter de vergunningsprocedures plannen en voorbereiden. Voor ons neemt de piekbelasting van evenementen in het voorjaar en het najaar daarmee af. In de afgelopen jaren kwam het regelmatig voor dat een aanvraag kort voor de uitvoeringsdatum werd ingediend.
Om sneller in contact te komen met de initiatiefnemers stellen wij een evenementenkalender op, waarna wij proactief initiatiefnemers opzoeken. Verder gaan we de proceduretermijnen voor een aanvraag evenementenvergunning verlengen.
Onze uitgangspunten bij vergunningverlening en het behandelen van meldingen zijn:
inwoners en bedrijven zijn verantwoordelijk voor het indienen van goede en volledige (conform indieningsvereisten) aanvragen/meldingen. Wij houden ons bij onze taakuitvoering aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel;
Wij handelen een vergunningaanvraag in de meeste gevallen af volgens de reguliere procedure. In uitzonderingsgevallen geldt de uitgebreide procedure, zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht en de Omgevingswet.
Op meldingen volgt geen besluit. Met uitzondering van meldingen Wkb, toetsen wij meldingen en informatieplichten inhoudelijk en beoordelen we of aanvullende onderzoeken noodzakelijk zijn. Indien op de algemeen geldende voorschriften aanvullende of concretere uitwerking van voorschriften nodig is voor het voorkomen van risico’s en/ of voor een betere handhaafbaarheid, worden nadere voorwaarden (in geval van sloop) of maatwerkvoorschriften opgelegd of een gelijkwaardigheidsbesluit genomen. Na beoordeling ontvangt de melder een bevestigingsbrief.
We verrichten een volledige ontvankelijkheidstoets bij alle aanvragen en meldingen. Als de gevraagde ontbrekende stukken niet, niet op tijd of niet volledig worden aangeleverd, laten we de aanvraag buiten behandeling. De aanvrager ontvangt in dat geval een appellabel besluit, waartegen bezwaar kan worden ingediend.
Onvolledige meldingen worden door ons niet geaccepteerd. Wij wijzen de melder erop dat, indien de gegevens niet aangeleverd worden of onvolledig blijven, hij deze de activiteit niet kan uitvoeren omdat er dan geen sprake is van een ingediende melding. Tegen het niet óf onvolledig indienen van een melding of vergunningaanvraag kan handhavend worden opgetreden.
Als met de verlening van een vergunning het gevaar bestaat dat daarmee strafbare feiten gepleegd zullen worden of dat uit strafbare feiten verkregen geld benut zal worden, wordt in het voortraject of na ontvangst van de aanvraag door de deelnemer een Bibob toets uitgevoerd. Dergelijke onderzoeken vinden in samenspraak plaats tussen de medewerkers van VTH en Openbare Orde en Veiligheid.
4.3.5 Intrekken van vergunningen
Vergunningen met activiteiten die na een jaar nog niet zijn gebruikt of (met name bij MBA's) niet meer worden gebruikt, kunnen door ons worden ingetrokken. Daarmee wordt voorkomen dat activiteiten gerealiseerd worden volgens verouderde normen in wetgeving of conflicterende rechten ontstaan bij de wijziging van ons omgevingsplan.
We zetten onze toezichtcapaciteit zo efficiënt en effectief mogelijk in op basis van vooraf gemaakte keuzes in onze risicoanalyse. Wij leggen onze planning jaarlijks vast in een uitvoeringsprogramma. Niet alles is echter vooraf in te plannen. Ongewone voorvallen of klachten kunnen toezicht noodzakelijk maken. We zetten verschillende vormen van toezicht in. Bij risicodossiers is veelal sprake van maatwerk.
Het uitgangspunt van onze toezichtstrategie is dat wij in overeenkomstige gevallen hetzelfde handelen. De doelen hiervan zijn tweeledig. Ten eerste is onze inzet gericht op het bereiken van transparantie, professionaliteit, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Ten tweede bevordert dit effectiviteit en efficiency van ons toezicht, zodat zo hoog mogelijke maatschappelijke effecten tegen zo laag mogelijke inspanningen en kosten worden bereikt. Zodra een overtreding is geconstateerd wordt overgegaan op een andere strategie: waarschuwen, sanctioneren of alleen in uitzonderlijke gevallen gedogen.
4.4.1 Uitvoeringsstrategie toezicht
Toezicht in ons gebied vindt plaats op basis van:
Wij voeren ons toezicht op verschillende manieren uit. Dat is van belang omdat per branche en per beleidsterrein de aspecten waar de controle zich op richt verschillend zijn. Het is effectief om verschillende vormen van controles te hanteren, welke zowel aangekondigd als onaangekondigd plaatsvinden. Controles dienen een objectieve waarneming te zijn om betrouwbare en kwalitatief goede bevindingen op te leveren. Wij hanteren de volgende manieren van toezicht:
Bijlage 1 geeft een overzicht van de risico’s en de daaruit voortkomende prioriteiten die wij zien bij onze vergunningaanvragen en meldingen. Het gaat daarbij telkens om fase 1 bouwfase en fase 2 gebruiksfase. Wij merken op dat wij niet bij iedere activiteit een fase 3 onderscheiden, omdat dit niet voor iedere activiteit relevant is.
Net als bij de toetsing onderscheiden we ook bij het toezicht uitvoeringsniveaus. Ook hier geldt dat het toezicht niet 100% kan zijn. Immers, in dit geval zou de toezichthouder bij iedere activiteit continu aanwezig moeten zijn en alle aspecten moeten controleren.
We sanctioneren bij overtredingen conform de landelijke handhavingsstrategie omgevingsrecht (LHSO). Wij hebben deze strategie in januari 2024 vastgesteld. Het doel van de landelijke handhavingsstrategie is uitvoering geven aan de beginselplicht tot handhaven, passend interveniëren bij iedere bevinding, in vergelijkbare situaties vergelijkbare keuzes maken en interventies op vergelijkbare wijze kiezen en toepassen.
Over het algemeen geldt dat we het contact met de eigenaar en uitvoerder van groot belang vinden. Door in een vroeg stadium in overleg te gaan worden ieders verwachtingen duidelijk en worden mogelijke toekomstige problemen voorkomen.
4.5.1 Gelijkwaardige oplossing bij afwijking van voorschriften
Er kan sprake zijn van een afwijking van de voorschriften, maar dat er andere maatregelen zijn getroffen die tot hetzelfde beschermend niveau leiden. Als op een andere wijze dezelfde veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu wordt gerealiseerd, kunnen wij in een aantal gevallen een ‘besluit gelijkwaardige voorziening’ nemen.
4.5.2 Legaliseerbare overtreding
Als er sprake is van een overtreding en er geen sprake is van een gelijkwaardige oplossing, dan kijken wij of de situatie vergunbaar is of dat wij een maatwerkvoorschrift of maatwerkregel kunnen vaststellen.
In sommige situaties is het denkbaar dat wij ondersteuning bieden om de situatie te verbeteren. Bijvoorbeeld door het geven van voorlichting.
Voor de beschrijving waarop wij sanctioneren verwijzen wij kortheidshalve naar de LHSO. Figuur 5 geeft ter informatie het beslisschema weer dat wij voor ons optreden hanteren.
Beide bestuurlijke sancties worden vooraf gegaan aan een vooraankondiging. Dus wij leggen eerst een Vooraankondiging Last Onder Dwangsom op, voordat wij een Last Onder Dwangsom opleggen. Voor het bepalen van de hoogte van een Last Onder Dwangsom sluiten wij aan op de actuele versie van de landelijke richtlijn, vastgelegd in de “Leidraad handhavingsacties en begunstigingstermijnen”.
Voor wat betreft het gedrag van de overtreder kijkt de toezichthouder verder dan de bevinding op zich en neemt hij diens gedrag en toezicht- en handhavingshistorie mee in beschouwing.
Bij ons handhavend optreden voeren onze juristen het casemanagement en voert hij/zij de gesprekken met de overtreder en/of ketenpartners als politie en Openbaar Ministerie (OM).
Overleg via de BOA met het OM vindt eventueel plaats indien een overtreding wordt geconstateerd in de middensegmenten (A4, B3, B4, C2, D1, D2) en altijd plaats bij een overtreding in de rode segmenten (C3, C4, D3, D4) en/of een van de verzwarende argumenten van toepassing is.
Als de toezichthouder bij een hercontrole vaststelt dat een overtreding niet is beëindigd, dan verandert enkel het gedrag van de overtreder. Het segment wordt dan een hokje naar rechts geplaatst in de interventiematrix. Als de (mogelijke) gevolgen voor het milieu erger zijn geworden, dan vindt er ook een verplaatsing van het segment omhoog plaats in de interventiematrix.
In situaties waarbij een andere uitvoerende partij zoals FUMO, provincie, Wetterskip, ook handhavingsbevoegd is, vindt afstemming plaats met de betreffende overheidsorganisatie. Er zijn (beperkte) ketenafspraken gemaakt voor de situaties waarbij er sprake is van een dubbele handhavingsbevoegdheid.
Wij hebben een beginselplicht tot handhaven. Dit betekent dat wij in principe iedere tijdens toezicht gedane bevinding met een passende interventie conform de LHSO beantwoorden. Soms zijn er omstandigheden aan de orde waarin wij van (bestuursrechtelijke) handhaving afzien. In deze gedoogstrategie staat beschreven in welke situaties en onder welke condities inzet van sancties tegenover overtreders (tijdelijk) achterwege kan blijven.
Gedogen is het bewust afzien van sancties in geval van overtredingen. Het is alleen toegestaan als het actief gebeurt en er een besluit van het bestuursorgaan aan ten grondslag ligt. De bevoegdheid om te gedogen kan worden afgeleid uit het discretionaire karakter van de handhavingsbevoegdheden. Discretionair betekent dat men naar eigen inzicht een besluit kan nemen.
4.6.1 Onze voorwaarden voor gedogen
Gedogen is voor ons slechts in uitzonderingsgevallen aanvaardbaar en onder de voorwaarde dat de situatie beperkt is in omvang en/of tijd. Wij gedogen:
In bepaalde situaties kunnen wij bij uitzondering gedogen. Hieronder worden deze situaties kort toegelicht. In overgangssituaties kan gedogen aanvaardbaar zijn als de consequenties van handhaving niet in redelijke verhouding staan tot de belangen die met (onmiddellijke) handhaving gemoeid zouden zijn. Bij een overgangssituatie kan het bijvoorbeeld gaan om:
Gedogen vinden wij slechts aanvaardbaar zolang en voor zover zich de betreffende uitzonderingssituatie voordoet. Zodra de formele gedoogtermijn is verstreken, of er andere omstandigheden zijn die de gedoogsituatie doen beëindigen, gaan wij over tot handhaving. Ook kan de noodzaak om te gedogen weggenomen worden door de situatie te legaliseren. Is (tijdelijke) legalisering van de overtreding mogelijk, dan verdient dit altijd de voorkeur boven gedogen.
Als wij gedogen, dan doen wij dat in de vorm van een gedoogverklaring, die wij expliciet en na zorgvuldige en kenbare belangenafweging afgeven. Alleen als gedoogverklaringen expliciet en dus ook schriftelijk zijn genomen en tevens van een zorgvuldige en kenbare motivering zijn voorzien, zijn ze ook handhaafbaar. De verklaring zal ook duidelijk moeten zijn over de gedragingen die gedoogd worden en over de (eind)termijnen en de voorwaarden die aan het gedogen gesteld worden.
4.7 Jaarlijks uitvoeringsprogramma
Met de vaststelling van deze strategie behouden wij bestuurlijke afwegingsruimte. In ons jaarlijkse uitvoeringsprogramma werken wij programmaonderdelen nader uit en als dat nodig is actualiseren wij ons beleidskader. Daar is ook ruimte, binnen de kaders die in deze strategie zijn uitgewerkt, voor inbreng van provinciale, regionale en lokale (politieke) inzichten, nieuwe (beleids)ontwikkelingen en voorkeuren.
Uitgangspunt bij het uitwerken van deze strategie is, dat de toekomstige uitvoering moet passen binnen onze meerjarenbegroting. In ons uitvoeringsprogramma en bijbehorende begroting maken wij daarvan jaarlijks een financiële vertaling.
De uitvoering leidt tot resultaten. In hoeverre deze resultaten bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen is een object voor monitoring, evaluatie en verantwoording. Wij rapporteren naast aantallen verleende vergunningen, geaccepteerde meldingen/informatieplichten en uitgevoerde toezichtbezoeken in ieder geval op de prioriteiten die wij in de tabellen 3 t/m 7 hebben genoemd.
Door het meten van deze indicatoren krijgen we periodiek inzicht in de mate waarin we onze doelstellingen realiseren en kunnen we tijdig bijsturen. De resultaten van de monitoring nemen we op in ons jaarverslag. Met dit jaarverslag voldoen we aan de wettelijke plicht om een jaarverslag op te stellen en onze raad jaarlijks te informeren over de realisatie.
Bijlage 1 Informatie gestuurd risicomodel
Het risicomodel maakt onderscheid tussen de volgende thema’s:
Wij lichten deze thema’s hiernavolgend toe.
In hoeverre leidt een mogelijke calamiteit tot letsel? De te verwachten schade in de vorm van lichamelijk letsel als gevolg van een verstoring/calamiteit die volgt uit het niet of onvoldoende uitvoeren van een taak. Het gaat hier om direct lichamelijk letsel. . Voorbeelden zijn: lichamelijk letsel (gewond raken), brandwonden, schade ten gevolge van instortingen, ademhalingsmoeilijkheden, vergiftiging, asbestbeschadiging, straling, rug/wervelbeschadigingen e.d.
De schaalverdeling/definitie van de scores ziet er als volgt uit:
In hoeverre leidt een mogelijke calamiteit tot een afname van de gezondheid van de mens. De te verwachten schade aan de gezondheid als gevolg van bijvoorbeeld een afname van de luchtkwaliteit door gebrek aan ventilatie of daglicht, stikstof, geluid, waterkwaliteit, etc.Voorbeelden zijn toename fijnstof of andere luchtvervuiling, afname waterkwaliteit, etc. die de gezondheid van mensen nadelig beïnvloedt.
De schaalverdeling/definitie van de scores ziet er als volgt uit:
In hoeverre tast een mogelijke calamiteit het milieu aan. De te verwachten optredende afbreuk en schade aan de kwaliteit van het leefmilieu (milieuvervuiling) als gevolg van een verstoring/calamiteit die volgt uit het niet of onvoldoende uitvoeren van een taak.
Voorbeelden zijn: gebrekkige isolatie, niet voldoen aan EPN, vervuiling van bodem, lucht of water, stank, etc. (zintuiglijke overlast). De schaalverdeling/definitie van de scores ziet er als volgt uit:
In hoeverre leidt een mogelijke calamiteit tot afbreuk van het sociale leefmilieu (verloedering, gevoel van onveiligheid, etc.). De te verwachten afbreuk en schade aan de beleving van de leefomgeving door de burger als gevolg van een verstoring/calamiteit die volgt uit het niet of onvoldoende uitvoeren van een taak door de overheid. Voorbeelden: toename gevoel van onveiligheid, geen gehoor vinden bij klachten, etc.
De schaalverdeling/definitie van de scores ziet er als volgt uit:
Wat is de financieel-economische schade voor de gemeente als gevolg van de calamiteit. Het gaat hier om schade die door de gemeente moet worden vergoed dan wel die ten laste komt van de gemeentelijke economie. Voorbeelden zijn: eventuele niet verzekerde kosten die door de gemeente worden gedragen (tijdelijke opvang, vergoedingen), verlies aan werkgelegenheid, economische achteruitgang, etc.
De schaalverdeling/definitie van de scores ziet er als volgt uit:
Wat is de imagoschade van een eventuele calamiteit of het in stand houden van een illegale situatie. De te verwachten afbreuk en/of schade aan het imago, beeld, geloofwaardigheid en vertrouwen van de burger in het bestuurlijk apparaat en haar besluitvorming als gevolg van een verstoring/calamiteit die volgt uit het niet of onvoldoende uitvoeren van een taak.
Voorbeelden: (al dan niet georganiseerde) protesten, mediacampagnes, open brieven e.d., met als gevolg gezichtsverlies, gevoel van zaakjes niet op orde, etc.
De schaalverdeling/definitie van de scores ziet er als volgt uit:
Bijlage 2 Strategisch uitvoeringskader
De verdeler van de klachten beoordeelt de prioriteit aan de hand van een risicoanalyse. Bij het bepalen van prioriteiten hanteren wij – in volgorde - de volgende criteria:
In hoeverre leidt een mogelijke calamiteit tot letsel? De te verwachten schade in de vorm van lichamelijk letsel als gevolg van een verstoring/calamiteit die volgt uit het niet of onvoldoende uitvoeren van een taak. Het gaat hier om direct lichamelijk letsel. Voorbeelden zijn: lichamelijk letsel (gewond raken), ademhalingsmoeilijkheden, vergiftiging, asbestbeschadiging, straling, rug/wervelbeschadigingen e.d.
De schaalverdeling/definitie van de scores ziet er als volgt uit:
In hoeverre leidt een mogelijke calamiteit tot een afname van de gezondheid van de mens. De te verwachten schade aan de gezondheid als gevolg van bijvoorbeeld een afname van de luchtkwaliteit, waterkwaliteit, etc. Voorbeelden zijn toename fijnstof of andere luchtvervuiling, afname waterkwaliteit, etc. die de gezondheid van mensen nadelig beïnvloedt.
De schaalverdeling/definitie van de scores ziet er als volgt uit:
In hoeverre tast een mogelijke calamiteit het milieu aan. De te verwachten optredende afbreuk en schade aan de kwaliteit van het leefmilieu (milieuvervuiling) als gevolg van een verstoring/calamiteit die volgt uit het niet of onvoldoende uitvoeren van een taak. Voorbeelden zijn: vervuiling van bodem, lucht of water, stank, etc. (zintuiglijke overlast).
De schaalverdeling/definitie van de scores ziet er als volgt uit:
In hoeverre leidt een mogelijke calamiteit tot afbreuk van het sociale leefmilieu (verloedering, gevoel van onveiligheid, etc.). De te verwachten afbreuk en schade aan de beleving van de leefomgeving door de burger als gevolg van een verstoring/calamiteit die volgt uit het niet of onvoldoende uitvoeren van een taak door de overheid. Voorbeelden: toename gevoel van onveiligheid, geen gehoor vinden bij klachten, etc.
De schaalverdeling/definitie van de scores ziet er als volgt uit:
Wat is de financieel-economische schade voor de gemeente als gevolg van de calamiteit. Het gaat hier om schade die door de gemeente moet worden vergoed dan wel die ten laste komt van de gemeentelijke economie. Voorbeelden zijn: eventuele niet verzekerde kosten die door de gemeente worden gedragen (tijdelijke opvang, vergoedingen), verlies aan werkgelegenheid, economische achteruitgang, etc.
De schaalverdeling/definitie van de scores ziet er als volgt uit:
Wat is de imagoschade van een eventuele calamiteit of het in stand houden van een illegale situatie. De te verwachten afbreuk en/of schade aan het imago, beeld, geloofwaardigheid en vertrouwen van de burger in het bestuurlijk apparaat en haar besluitvorming als gevolg van een verstoring/calamiteit die volgt uit het niet of onvoldoende uitvoeren van een taak.
Voorbeelden: (al dan niet georganiseerde) protesten, mediacampagnes, open brieven e.d., met als gevolg gezichtsverlies, gevoel van zaakjes niet op orde, etc.
De schaalverdeling/definitie van de scores ziet er als volgt uit:
Iedere klacht wordt aan bovenstaande criteria getoetst en daarbij wordt per criterium een score van 1-5 gegeven. Waarbij 1 weinig effect heeft en 5 heel veel effect. De eindscore wordt dan beoordeeld als lage prioriteit, middel prioriteit of hoge prioriteit.
Klachten worden per geval en op basis van de hoogte van de prioriteit en/of afzonderlijk criteria bekeken.
Klachten met lage prioriteit (score 5-10)
Klachten met een lage prioriteit worden in beginsel niet in behandeling genomen. Heeft de klacht betrekking op een overtreding waarvan in het uitvoeringsprogramma is aangegeven dat we deze taak oppakken, dan wordt deze meegenomen. Wanneer een klacht hier niet onder valt, behandelen we deze niet. Aan de klager melden we dat de klacht niet in behandeling wordt genomen. Is de klager het hier niet mee eens, dan kan die een verzoek om handhaving indienen.
Bij een handhavingsverzoek volgt er in eerste instantie een afwijzing, met verwijzing naar het beleid en een motivering/belangenafweging waarom er niet handhavend wordt opgetreden. In de afwijzing wordt opgenomen wanneer het verzoek wel opgepakt gaat worden.
Klachten met prioriteit middel (score 11-20)
Bij klachten met een middel prioriteit wordt gekeken of de klacht kan worden opgepakt op basis van het uitvoeringsprogramma. Is deze opgenomen, dan wordt de klacht opgepakt.
Is het niet opgenomen in het uitvoeringsprogramma, dan wordt de klacht niet opgepakt.
Dit is anders wanneer er een handhavingsverzoek binnenkomt. In dat geval wordt de klacht wel opgepakt en volgt er een beslissing op het verzoek.
Klachten met prioriteit hoog (score 21-30)
Klachten met een hoge prioriteit worden altijd in behandeling genomen. Dit geldt ook voor handhavingsverzoeken n.a.v. een klacht met hoge prioriteit.
Anonieme klachten en verzoeken om handhaving
Uitgangspunt is dat we klachten en meldingen die anoniem worden ingediend, niet behandelen. Dit past binnen het transparant kunnen handelen. Anonieme klachten kunnen niet worden teruggekoppeld en de drempel voor het indienen van een klacht is hoger als dit niet anoniem kan. Anonieme klachten over bv. een gevaarlijke situatie (hoge prioriteit) pakken we wel op. Verzoeken om handhaving die anoniem worden ingediend, kunnen niet in behandeling worden genomen omdat we geen besluit kunnen sturen aan de verzoeker.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-276204.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.