Gemeenteblad van Cranendonck
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Cranendonck | Gemeenteblad 2025, 273916 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Cranendonck | Gemeenteblad 2025, 273916 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Cranendonck 2025
De raad van de gemeente Cranendonck,
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 maart 2025;
gelet op de artikelen 2.1.3, artikel 2.1.4 eerste, tweede, derde, vierde en zesde lid en artikel 2.1.4a eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, 2.1.4b tweede lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6 en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
het noodzakelijk is om cliënten te ondersteunen als zij beperkingen ondervinden in hun maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid en zij niet in staat zijn om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hiervoor een oplossing te vinden;
het noodzakelijk is om cliënten met psychische of psychosociale problemen en cliënten die vanwege huiselijk geweld of om andere redenen de thuissituatie hebben verlaten, te ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving als zij hier niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen toe in staat zijn;
besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Cranendonck 2025.
In deze verordening wordt verstaan onder:
financiële tegemoetkoming: een vooraf vastgestelde tegemoetkoming, die niet volledig kostendekkend hoeft te zijn, maar die wel een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van inwoners van de gemeente Cranendonck. Het gaat om voorzieningen waarvan de kosten vooraf niet eenvoudig kunnen worden vastgesteld zoals verhuiskosten, (rolstoel)taxivervoer en sportrolstoelen;
HOOFDSTUK 2 Toepassingsbereik en procedure
Maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en opvang worden door de centrumgemeente Eindhoven uitgevoerd conform het daartoe vastgestelde beleid van de gemeente Eindhoven. De gemeente Cranendonck voert wel eerst zelf onderzoek uit als bedoeld in artikel 7 of een inwoner in aanmerking komt voor beschermd wonen. Gemeente Eindhoven handelt de aanvraag af.
HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorzieningen
Artikel 9. Criteria maatwerkvoorziening
Onder eigen kracht als bedoeld in artikel 9, lid 1.a wordt verstaan al datgene wat binnen het vermogen van de betrokkene ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en participatie te komen. De cliënt zal zich in hoge mate moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Hieronder valt in ieder geval:
Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen maatwerkvoorziening. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt. Dit gebeurt als degene waarvan gebruikelijke hulp wordt verwacht, waaronder in ieder geval huisgenoten, kind(eren) en ouders, door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de cliënt. Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de persoon die de gebruikelijke hulp verleent verwacht.
De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie (resultaat) waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
Met een maatwerkvoorziening worden in ieder geval de volgende categorieën maatwerkvoorzieningen bedoeld:
Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 1.500 kilometer op jaarbasis. Het toe te kennen aantal kilometers kan in uitzonderingssituaties worden verhoogd vanwege individuele omstandigheden. Bij een rit met het collectief vraagafhankelijk vervoer komen maximaal de eerste 25 kilometer voor vergoeding in aanmerking. Bij samenloop met een andere vervoersvoorziening, zoals bijvoorbeeld een scootermobiel of driewielfiets wordt het aantal kilometers gehalveerd.
Bij een complexe woningaanpassing vraagt het college een bouwtechnisch onderzoek bij een externe adviseur. Verder geldt dat het onderstaande voor vergoeding in aanmerking komt:
Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10 procent van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in DNR 2005 van de BNA. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpende woningaanpassingen;
10 Procent (met een maximum van € 340,00) van de administratiekosten die de verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een woningaanpassing, voor zover de kosten onder a. tot en met k. meer dan € 907,00 (peildatum 1-1-2025) bedragen. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd met het percentage dat van toepassing is in het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Voor hulp bij het huishouden wordt gebruik gemaakt van het normenkader huishoudelijke ondersteuning 2025 van bureau HHM (en opvolgers). In het normenkader staat per activiteit, de frequentie en het aantal minuten dat nodig is voor de te behalen resultaten. Op die manier wordt een beeld geschetst van de indicatieve tijd die de professionele ondersteuning nodig heeft en kan er per cliënt maatwerk worden geboden. Als er redenen zijn om af te wijken van de normering, kan dat, mits schriftelijk onderbouwd.
Voor het bepalen van de omvang in uren/minuten of dagdelen en de indicatieduur van de maatvoorziening begeleiding wordt gebruik gemaakt van het normenkader begeleiding. Dit is een afwegingskader voor het indiceren van Wmo-begeleiding dat ontwikkeld is door bureau HHM en Faktum Advies, versie 2.0, november 2024 (en opvolgers).
Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:
als de voorziening niet noodzakelijk was geweest als cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan.
Een voorbeeld hiervan is een aangebrachte voorziening in een woning, zoals een bad in plaats van een douche op afschot. Op basis van de op dat moment aanwezige beperkingen was het te voorzien dat deze voorziening niet meer adequaat was;
voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de economische afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken, waarbij in principe de volgende afschrijvingstermijnen gelden:
De genoemde afschrijvingstermijnen zijn richtlijnen. Dit betekent dat in individuele situaties voor een specifieke voorziening een afwijkende afschrijvingstermijn kan worden bepaald. Indien na de geldende afschrijvingstermijn uit een technische controle blijkt dat de maatwerkvoorziening nog adequaat is, bestaat geen aanspraak op een vervangende voorziening;
Geen woonvoorziening/woningaanpassing wordt verstrekt:
als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten (niet zijnde de in artikel 10.3d genoemde woongebouwen) gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;
Artikel 11. Toegang en besluit
Het college legt het besluit om wel of geen maatwerkvoorziening te verstrekken vast in een beschikking.
Artikel 12. Inhoud beschikking
Artikel 13. Regels voor een pgb
Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6. lid 2 van de wet opgenomen voorwaarden. De cliënt dient daarvoor een pgb-plan in. Het college stelt hiertoe een format vast dat verplicht moet worden gebruikt. In het pgb-plan wordt in elk geval opgenomen:
op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. Hierbij zijn de kwaliteitseisen die aan zorg in natura-voorzieningen worden gesteld het uitgangspunt. Indien een voorziening niet aan alle kwaliteitseisen van de zorg in natura-voorziening voldoet dient de client te motiveren waarom de voorziening toch van voldoende kwaliteit is. Het college maakt de kwaliteitseisen kenbaar;
In het geval de cliënt zelf niet beschikt over de benodigde vaardigheden om de regie te voeren over het pgb, kan in een aantal situaties toch een pgb verstrekt worden met de hulp van iemand uit het eigen netwerk of een wettelijk vertegenwoordiger. Deze persoon en de dienstverlener mogen niet dezelfde persoon zijn. Deze persoon zal in dat geval ook bij de “keukentafel”-gesprekken aanwezig moeten zijn. Daarbij gelden dezelfde afwegingscriteria als bij de beoordeling van cliënt;
Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de cliënt het pgb in die periode niet of niet naar behoren inzet of kan inzetten.
Cliënt wordt van bovenvermeld besluit schriftelijk in kennis gesteld.
Artikel 14. Onderscheid formele en informele hulp
Van formele hulp is sprake als de hulp/dienst, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de eerste of tweede graad van de cliënt, wordt verleend door:
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;
een persoon die aangemerkt wordt als zelfstandige, zonder personeel. Daarnaast moet hij ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s en/of deskundigheid die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
De hoogte van het pgb voor een zaak wordt ten hoogste vastgesteld:
op het bedrag van de in de situatie van cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft afgesloten en toereikend is voor de aanschaf daarvan. Indien nodig aangevuld met een vergoeding voor het afsluiten van een service- en onderhoudscontract en indien van toepassing een verzekering of. Indien dit huurprijzen betreft dan wordt het bedrag berekend op basis van huurprijs per maand vermenigvuldigd met de economische levensduur van het product volgens artikel 10 lid 2l. Indien er meerdere leveranciers zijn wordt het laagste tarief aangehouden.
Artikel 17. Hoogte financiële tegemoetkoming
De hoogte van de door het college te verlenen financiële tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten is gelijk aan de hoogte van de werkelijke verhuis- en inrichtingskosten tot een maximum van € 4000,-. De hoogte van dit bedrag is gebaseerd op de verhuiskosten, noodzakelijke stofferings- en inrichtingskosten conform de richtlijnen van het Nibud. De bijdrage wijzigt elk jaar per 1 januari conform de consumentenprijsindex (CPI).
De hoogte van de door het college te verlenen financiële tegemoetkoming voor taxivervoer bedraagt maximaal € 2.025,00 per jaar en voor vervoer per rolstoeltaxi maximaal € 2.800,00 per jaar. Dit bedrag is gebaseerd op 1500 km per jaar ad € 1,35 per km voor taxivervoer en € 1,85 per km voor rolstoeltaxivervoer.
De hoogte van de door het college te verlenen financiële tegemoetkoming voor de kosten voor vervoer per eigen auto is gebaseerd op de kilometerprijs voor een auto in de compacte klasse volgens de Nibud-prijsgids vermenigvuldigd met het aantal van 1500 kilometers dat binnen de eigen leef- en woonomgeving gereisd moet kunnen worden.
HOOFDSTUK 4: Mantelzorgondersteuning
Artikel 18. Mantelzorgondersteuning
Tijdens het onderzoek als bedoeld in artikel 7 van deze verordening wordt ook aandacht besteed aan de rol en mogelijke ondersteuning van de mantelzorger. Ook hij / zij kan een verzoek tot ondersteuning indienen. Deze ondersteuning kan, net als voor de cliënt, bestaan uit een algemene, dan wel maatwerkvoorziening.
HOOFDSTUK 5: Bijdrage in de kosten
Artikel 20. Bijdrage in de kosten maatwerkvoorzieningen
Een cliënt betaalt een bijdrage in de ritkosten voor collectief vraagafhankelijk vervoer. Dit betreft per 2024 een starttarief van € 1,08 en een kilometertarief van € 0,188. Dit klanttarief is overeenkomstig het reguliere ov-tarief en zal als zodanig elk jaar geïndexeerd worden op basis van de Landelijke Tarievenindex (LTI).
HOOFDSTUK 6: Kwaliteit en veiligheid
Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
HOOFDSTUK 8: Klachten en medezeggenschap
Artikel 26 Klachtafhandeling bij melding en aanvraag
Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.
Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering van 10 juni 2025.
De raad voornoemd,
De griffier,
Mr. P.J.F. Bemelmans
de voorzitter,
F.A.P. van Kessel
Memorie van toelichting aan de raad van de gemeente Cranendonck
Tijdens de commissievergadering van 27 mei 2025 is het verzoek aan het college gedaan om een memorie van toelichting op te stellen over de onduidelijkheid die bestond over artikel 10, lid 3 onder e van de Wmo-verordening 2025. Daarnaast werd de vraag gesteld of de nieuwe Wmo-verordening 2025 is opgesteld met inachtneming van de actuele jurisprudentie.
Wat is het doel van Artikel 10 lid 3 onder e?
Artikel 10, lid 3, onder e van de Wmo verordening 2025 bepaalt dat eigenaren van gebouwen die zijn aangemerkt als woongebouw voor gehandicapten, minder validen en ouderen verantwoordelijk zijn voor woningaanpassingen, als deze voorzieningen onmisbaar en/of gebruikelijk zijn voor de doelgroep.
Dit betekent dat aanpassingen zoals brede deuren, drempelloze toegang en rolstoeltoegankelijke badkamers door de eigenaar van het gebouw moeten worden uitgevoerd en niet door de gemeente. Eigenaren moeten zorgen voor noodzakelijke aanpassingen bij de bouw of renovatie van het gebouw. Gemeenten hoeven geen aanpassingen te bekostigen die al door de eigenaar geregeld moeten worden. Dit voorkomt dubbele kosten en zorgt voor een duidelijke taakverdeling. Het zorgt er ook voor dat het voor inwoners duidelijk is welke voorzieningen zij van de eigenaar kunnen verwachten en welke via de Wmo kunnen worden aangevraagd. Want voorzieningen die specifiek voor een individu nodig zijn vallen wel onder de Wmo.
Wat zijn de gevolgen van de weigeringsgrond in artikel 10 lid 3 onder e?
Voor de gemeente betekent dit dat er geen onnodige uitgaven zijn voor aanpassingen die de verantwoordelijkheid van de eigenaar van het gebouw zijn. Voor de eigenaren betekent dit dat zij verantwoordelijk zijn om gebouwen geschikt te maken voor de doelgroep en dat zij langetermijnplanning kunnen maken voor noodzakelijke aanpassingen. Voor de bewoners betekent dit duidelijkheid over welke voorzieningen zij mogen verwachten in het woongebouw en welke mogelijkheid ze hebben om individuele voorzieningen via de Wmo aan te vragen.
De voorgestelde uitzondering in het amendement betreft ‘‘e. in (woon) gebouwen die zijn aangemerkt als woongebouw voor gehandicapten, mindervaliden en ouderen als de voorziening onmisbaar en/ of gebruikelijk is voor de doelgroep. Uitgezonderd daar waar de woningaanpassing noodzakelijk is voor een specifieke client, de persoon verpleeghuiszorg ontvangt en niet in een WLZ-instelling verblijft maar thuis of in een geclusterde setting waar meerdere mensen wonen.’’
Wat betekent "specifiek voor een individu"?
In een woongebouw voor bijzondere doelgroepen is het te verwachten dat bepaalde voorzieningen, zoals brede deuren en drempelloze toegang, nodig zijn voor alle bewoners. Deze voorzieningen worden beschouwd als collectieve aanpassingen en vallen onder de verantwoordelijkheid van de eigenaar van het gebouw en zouden een plek moeten hebben in het businessplan van de ondernemer.
Echter, sommige voorzieningen zijn specifiek afgestemd op de individuele behoeften van een bewoner. Deze voorziening is niet algemeen nodig voor alle bewoners, maar is essentieel voor de zelfstandigheid en veiligheid van die ene persoon. Bovendien is deze voorziening niet in lijn met de algemene behoeften van de doelgroep. Daarom valt deze voorziening onder de Wmo.
Wat zijn de gevolgen en risico’s van de voorgestelde uitzondering?
Voor de gemeente kan dit betekenen dat zij geconfronteerd wordt met meer kosten voor woningaanpassingen, wat de financiële middelen voor andere Wmo-voorzieningen kan beperken. Meer aanvragen en onduidelijkheid over verantwoordelijkheden kunnen de administratieve processen binnen de gemeente compliceren.
Eigenaren kunnen minder geneigd zijn om noodzakelijke aanpassingen te doen, in de veronderstelling dat de gemeente deze kosten zal dekken. Dit kan leiden tot gebouwen die niet volledig geschikt zijn voor de doelgroep. Eigenaren van gebouwen kunnen onverwacht geconfronteerd worden met kosten voor aanpassingen die zij niet hadden voorzien, als de uitzondering niet duidelijk wordt toegepast. Bewoners kunnen te maken krijgen met onduidelijkheid over welke voorzieningen zij van de eigenaar kunnen verwachten en welke via de Wmo kunnen worden aangevraagd. Dit kan resulteren in conflicten tussen de gemeente, eigenaren van gebouwen en bewoners, en mogelijk zelfs leiden tot juridische geschillen. Onduidelijkheid over verantwoordelijkheden kan ook leiden tot vertragingen in het uitvoeren van noodzakelijke aanpassingen, wat de bewoners direct kan treffen.
Het niet duidelijk vastleggen van verantwoordelijkheden kan leiden tot inefficiëntie in de toewijzing en uitvoering van voorzieningen. Dit kan de algehele effectiviteit van de Wmo ondermijnen. Door de verantwoordelijkheid bij de eigenaren van de gebouwen te leggen, worden zij gestimuleerd om vanaf het begin adequate woningen voor de doelgroep aan te bieden. Het opnemen van een uitzondering kan deze stimulans verminderen. Het opnemen van een uitzondering kan zelfs een aanzuigende werking hebben op ondernemers die er bewust voor kiezen om in Cranendonck een wooninitiatief te starten omdat binnen onze gemeente de kosten voor alle woningaanpassingen worden gedragen door de gemeente. Dit is onwenselijk omdat het kan leiden tot een toename van aanvragen en projecten die extra financiering vereisen, wat de financiële middelen van de gemeente onder druk zet.
Het opnemen van de weigeringsgrond in artikel 10 lid 3 onder e is essentieel om duidelijkheid te scheppen over de verantwoordelijkheden van de gemeente en de eigenaren van woongebouwen voor bijzondere doelgroepen. Dit helpt om financiële, administratieve en juridische risico's te minimaliseren en zorgt ervoor dat bewoners de noodzakelijke voorzieningen tijdig en adequaat ontvangen.
Het onderscheid tussen collectieve en individuele voorzieningen is belangrijk om te begrijpen wie verantwoordelijk is voor de kosten en het onderhoud van deze aanpassingen. Collectieve voorzieningen, die nodig zijn voor de geschiktheid van het gebouw voor de doelgroep, vallen onder de verantwoordelijkheid van de eigenaar. Individuele voorzieningen, die specifiek nodig zijn voor de behoeften van één bewoner en de voorziening niet in lijn ligt met de algemene behoeften van de doelgroep, vallen onder de Wmo en worden door de gemeente verstrekt.
Is er in deze Wmo-verordening 2025 voldoende rekening gehouden met actuele jurisprudentie?
Ja, met bovenstaande toelichting gaan we in op de jurisprudentie die raakvlak heeft met de uitzondering waar het amendement over spreekt.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-273916.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.